GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Petrus op de Pinksterdag (2)

18-06-2017 - Geplaatst door Andre Piet
toespraak gehouden op zondag 18 juni 2017 te Urk

In het tweede deel van deze serie houden we ons in het bijzonder bezig met Petrus’ eerste citaat uit de Psalmen van David. David die niet slechts een poëet is, maar veel meer: een profeet!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

In het vervolg van de toespraak op de Pinksterdag legt Petrus uit hoe de profetieën van Joël verwijzen naar de toekomstige bekering van Israël en de dag van de Heer. Vervolgens staat het contrast tussen de menselijke verantwoordelijkheid en Gods plan centraal: de mens kruisigde Jezus de Nazarener, maar dit vond plaats binnen de bepaalde raad en voorkennis van God. God wekte Hem op uit de doden en verbrak daarmee de banden van de dood. Met verwijzingen naar de psalmen toont Petrus aan dat aartsvader David als profeet al voorzag dat de ziel van de Messias niet in het dodenrijk zou worden achtergelaten. Hiermee wordt vanuit de Schriften het bewijs geleverd dat Jezus degene is die door God is opgewekt.

“Iedere keer zie je dat contrast: de mens, of Israël, of de wereld heeft Hem gedood of gekruisigd, maar God wekte Hem op de derde dag op.”

Structuur en Overzicht van Petrus' Toespraak ↑ hoofdstukken

Een hele goede middag vrienden en inderdaad, we verheugen ons in het heerlijke, prachtige weer en toch hebben wij ons even teruggetrokken in deze kantine om opnieuw ons bezig te gaan houden met de toespraak die Petrus een kleine tweeduizend jaar geleden heeft gehouden op die Pinksterdag, het Joodse wekenfeest in Jeruzalem. Dit is de tweede keer dat we ons daarmee gaan bezighouden.

De vorige keer zijn we begonnen in vers 13 en we zijn gekomen tot en met vers 21. Laat ik voor de helderheid — dat heb ik de vorige keer ook gedaan, maar om een totaalbeeld te hebben van de toespraak in zijn geheel — de structuur van Petrus' toespraak nog eens doornemen. Per slot van rekening zitten hier nu ook weer een aantal mensen die de vorige keer niet aanwezig waren, zoals er ook mensen niet zijn die er de vorige keer wel waren, maar daar hebben we dan even geen boodschap aan natuurlijk.

De structuur van de toespraak ziet er als volgt uit: eerst in vers 14 en 15 de oproep van Petrus aan de Joodse mannen. Dan vers 16 tot 21, de hoofdmoot van de vorige keer, een verwijzing naar Joël 2 over de uitgieting van Gods Geest.

Vervolgens het tweede deel, waar we dus vanmiddag mee gaan beginnen. Hij begint dat tweede deel opnieuw met een oproep aan de mannen van Israël en dan gaat hij verwijzen naar Psalm 16 en feitelijk ook nog naar Psalm 132. Dat gaat over de opstanding van Christus. Dat is het grote thema van vanmiddag; dat heb ik bij dezen dan ook verklapt.

Dan in vers 29 tot 33 opnieuw de aanvang met een oproep: "Mannenbroeders!". Daarna krijgen we een verwijzing naar Psalm 110 waarmee Petrus zijn punt maakt dat de Schriften, en meer specifiek David in de Psalmen, al gesproken heeft van de hemelvaart van Christus en zijn tegenwoordige positie aan de rechterhand van God. Dit is een kort overzicht van de toespraak in drie punten. Heel netjes, zo hoort dat met een toespraak. Het lijkt mij een goede zaak om nog eventjes te lezen...

Het Citaat uit Joël en de Toekomstige Dag van de Heer ↑ hoofdstukken

Zonder al te veel toelichtingen kijken we nog even naar wat we de vorige keer hebben gezien en we beginnen te lezen in vers 12. Daar zijn al die pelgrims uit zoveel landen die in Jeruzalem waren; er worden twaalf landen genoemd, wat op zich al opmerkelijk is. Je ziet meteen weer dat het allemaal met Jeruzalem en met Israël te maken heeft. Zij nu waren allen, zowel de pelgrims als de inwoners van Jeruzalem, buiten zichzelf en verbijsterd, terwijl de een tegen de ander zei: "Wat wil dit zijn? Wat wil dit zeggen?" Maar anderen zeiden schertsend met gehoon: "Ze zijn barstensvol zoete wijn."

In vers 14 staat: Petrus echter, staande samen met de elf, verhief zijn stem en verwoordde tot hen: "Mannen, Joden en allen die in Jeruzalem wonen, laat dit jullie bekend zijn en neem mijn uitspraken ter ore. Want deze mensen zijn niet dronken, zoals jullie dat opvatten, want het is het derde uur van de dag. Maar dit is het wat uitgesproken is door de profeet Joël."

Dan volgt een lang citaat. Ik heb hier eerder al even bij stilgestaan en dat wil ik nog eens goed benadrukken, want dat was een van de clues van de studie van twee weken geleden. Dit wordt meestal verkeerd opgevat, waardoor het verhaal van Petrus niet meer klopt. Daarom vind ik het van belang om dit goed te onderstrepen. Meestal vat men het zo op dat Petrus — terwijl die wonderlijke verschijnselen van de windvlaag plaatsvinden en al die mensen uit verschillende gebieden de twaalf over de grote daden Gods horen spreken in hun eigen taal — zegt: "Alles wat jullie nu zien, dit is het wat gesproken is door de profeet Joël."

Maar dan klopt het niet meer, want wat Joël beschrijft, is wat er gaat gebeuren in de laatste dagen met Israël en met de Dag des Heren. De tekenen en gebeurtenissen die Joël beschrijft, zijn helemaal niet vervuld op de Pinksterdag. Dat is ook niet wat Petrus zegt. Hij zegt: "Maar dit is wat uitgesproken is door de profeet Joël." Vanuit de grammatica is het heel duidelijk dat de woorden "dit is" verwijzen naar wat uitgesproken is door de profeet Joël.

Om het in gewone taal te parafraseren: "Dat wat jullie allemaal zien en horen, iedereen die spreekt van de grote daden Gods in onze eigen taal, dát is wat jullie zien en horen. Maar dít is wat Joël ooit gezegd heeft..." Dubbele punt. Het is dus niet: "Wat jullie nu zien, dat is waar Joël van gesproken heeft." Nee: "Dit is wat jullie zien en horen, maar dít is waar Joël over gesproken heeft." Waarom hij dat citaat geeft, is van groot belang om goed te begrijpen.

"Maar dit is wat uitgesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitgieten vanaf Mijn Geest op alle vlees; en ze zullen profeteren. Jullie zonen en jullie dochters, en jullie jongelingen zullen visioenen zien en jullie ouderen zullen dromen dromen. En zeker op Mijn slaven en op Mijn slavinnen zal Ik in die dagen uitgieten vanaf Mijn Geest en ze zullen profeteren."

Let op die woorden "in die dagen". Dat verwijst naar de dagen van Israëls bekering. Dit is aangehaald uit Joël 2 vers 28 tot 30 en pal daaraan voorafgaand lees je in hoofdstuk 2 vers 27: "Dan zullen jullie weten dat Ik in het midden van Israël ben en Mijn volk zal nimmermeer te schande worden." Met andere woorden: het gaat hier over Israëls bekering en herstel. God Zelf zal in hun midden verblijven en zij zullen het weten. Er is dan definitief een einde gekomen aan de staat waarin Israël zich tot op de dag van vandaag bevindt. Ze zal dan een gelovig volk geworden zijn, een wedergeboren en hersteld volk. "Die dagen" gaat dus over de dagen van Israëls bekering, de laatste dagen. Dan zal dat waar worden en dat is waar de profeet Joël over gesproken heeft.

Petrus geeft een lang citaat, kennelijk uit zijn hoofd. Dat was voor die man in die dagen helemaal niet zo'n punt, want men kende de Schriften vaak voor een groot gedeelte uit het hoofd. Men kon dat, zoals dat met een mooi woord heet, recapituleren of gewoon opzeggen. Dat is een hele goede gewoonte als je dat van jongs af aan leert: de Schriften memoreren. Vroeger had ik een bijbelcursus die "Het Gesmede Zwaard" heette. Als tiener leerde ik elke week een bijbeltekst, soms vrij lange teksten. Elke week kreeg ik een nieuw kaartje en die teksten vergeet je nooit meer; daar heb je enorm veel genoegen van. Later leer je dan wel eens dat er in de grondtekst eigenlijk iets anders staat, wat nog mooier en duidelijker is, maar dan wordt de kennis aangescherpt. Wat er eenmaal in zit, daar heb je je hele leven lang profijt van.

Petrus geeft dus dat citaat uit Joël en vervolgt: "En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en damp van rook." Het moet al duidelijk zijn dat dit zaken zijn die op de Pinksterdag in Handelingen 2 niet aan de orde waren. En nog iets: "De zon zal vervormd worden tot in duisternis en de maan tot in bloed." Is dat toen gebeurd? Nee, maar dat had Petrus ook helemaal niet gezegd; dit is wat Joël zegt. De zon zal verduisterd worden en de maan wordt een bloedrode maan, "voordat de Dag van de Heer komt, de grote en tevoorschijn komende dag." Hoe staat het in de NBG? Daar staat geloof ik "de grote en doorluchtige dag", maar het betekent eigenlijk dat die dag tevoorschijn komt. De zon komt op, de nacht wordt verdreven en de dag breekt aan: de Dag van de Heer.

Het citaat uit Joël eindigt dan zo: "En het zal zijn dat ieder, wie ook maar de naam van de Heer aanroept, gered zal worden." Joël spreekt over die Dag van de Heer, over de dag van Israëls bekering. Hoe wordt Israël gered? Door het aanroepen van de naam van de Heer. Petrus heeft daar trouwens iets heel bijzonders over op te merken, want die naam van de Heer heeft alles te maken met de Heer Jezus Christus. In hoofdstuk 2, aan het einde van de toespraak — daar komen we vandaag waarschijnlijk niet eens meer aan toe — zegt Petrus: "Laat het hele huis van Israël dan zeker weten dat God Hem én tot Heer, kurios, én tot Christus maakte, deze Jezus die jullie kruisigden." God heeft Hem dus tot Heer gemaakt. Als Israël eenmaal gered zal worden in de Dag van de Heer, dan zullen ze de naam van de Heer aanroepen.

Dat wil zeggen: de naam van Hem die God tot Heer en tot Christus, of tot Mashiach, gemaakt heeft. Dat is dezelfde als die zij kort tevoren, ruim vijftig dagen geleden, hadden gekruisigd.

En zo eindigt dan het citaat dat Petrus geeft op de Pinksterdag. Op die Pinksterdag verwijst hij naar Joël en hij zegt dat het eenmaal zo gaat gebeuren; dan zal ook de geest worden uitgestort. Niet zoals nu, dat is nog maar een eerstelingswerk. Trouwens, Pinksteren is ook een feest van eerstelingen. Maar hij verwijst feitelijk naar de grote vervulling als de oogst wordt binnengehaald en het volk van Israël als volk ook gered zal worden.

Waarom? Omdat ze de naam van de Heer zullen aanroepen. En dat is wat Petrus feitelijk nu ook gaat doen, namelijk: wie is die Heer dan wel? En hoezo? Afijn, dat was het citaat uit Joël en dat hebben we de vorige keer gezien. En dan gaan we nu verder met vers 22.

Jezus de Nazarener: de Profetische Klank en Gods Aanwijzing ↑ hoofdstukken

Dan zegt hij: "Mannen, Israëlieten, hoort deze woorden!" Nu gaat zijn conclusie volgen: "Jezus de Nazarener." Maar u moet weten dat dit iets is wat vaak niet begrepen of zelfs genegeerd wordt. Men zegt vaak dat Nazareth een miskende stad was, maar vergis u niet: dat Jezus een Nazarener was, had ook een profetische klank. Je leest in Matteüs 2 in het slotvers, vers 23, dat door de profeten gesproken is dat Hij Nazarener zou heten. Er is niet alleen gesproken, maar in Jesaja 11 lees je ook dat een spruit zal voortkomen uit de tronk van Isaï; er wordt daar gesproken over een rijstje uit zijn stam. Het woord dat in het Hebreeuws gebruikt wordt, is netzer, wat vertaald wordt met 'spruit'. Dat woordje netzer is verwant aan het woord Nazareth of Nazarener. Dus de profeten hebben daar al van gesproken. Als Hij dus 'de spruit' heet, dan heeft dat alles te maken met Jesaja waar de profeet al van gesproken heeft.

Dat is eigenlijk een heel lang verhaal: hoezo dan die stad Nazareth? Ik heb er ooit eens een keer een hele Bijbelstudie aan gegeven, maar laat ik nu alleen de conclusie geven, zonder alle bonnetjes en verdere toelichting. Het komt erop neer dat Nazareth van origine een nederzetting was van nakomelingen van David die zich daar hadden gevestigd. Een hele kleine nederzetting. De mensen die daar in Nazareth woonden, waren allemaal telgen uit het huis van David. Vandaar dus dat zowel Jozef als Maria beiden afkomstig waren uit het huis van David. Het was een klein stadje; dat weten we. Tenminste, in die dagen; tegenwoordig is het een grote stad. Maar destijds was het een klein stadje. Dat Nazareth heeft dus inderdaad alles te maken met het feit dat het nakomelingen waren uit de tronk van Isaï. Ik ga dat nu verder niet toelichten; het is even genoeg om te weten dat Hij, Jezus, meteen ook de Nazarener genoemd wordt, de man van Nazareth. Daar zit dus direct een profetische klank in.

Dat blijkt vervolgens ook uit wat volgt: "Een man," zegt Petrus dan, "aangetoond van Godswege voor jullie." Jullie, mannen, Israëlieten; hier wordt Israël aangesproken. Van Godswege is voor hen aangetoond dat Hij... nou ja, laat ik het lezen. "Een man aangetoond van Godswege" — in de vertaling staat "aangewezen". En hoe heeft God Hem dan aangewezen? Wel, met krachten, wonderen en tekenen. Daar zit heel veel overlap in. Het is niet zo dat dit de krachten zijn, dat de tekenen en dat de wonderen, alsof het drie verschillende categorieën zijn. Ik zeg ook niet dat het allemaal hetzelfde is; het zijn verschillende benamingen waarbij ook heel veel overlap is. Krachten hoeven niet per se ook tekenen te zijn, hoewel ik eerlijk gezegd denk dat eigenlijk alle krachten en wonderen ook tekenen waren. Maar in ieder geval: bij krachten denken we aan het feit dat daar kracht van God werd gemanifesteerd. Bij wonderen gaat het om het onverklaarbare, waarbij je je verwondert: hoe is dit toch mogelijk? En tekenen wil zeggen dat het een betekenis heeft. Afijn, God heeft Hem, een man, aangewezen voor Israël door middel van krachten, wonderen en tekenen.

Daar moet ik nog even iets bij zeggen. Deze zelfde uitdrukking — krachten, wonderen en tekenen — komen we ook weer tegen in 2 Tessalonicenzen 2. Daar gaat het over de dagen dat de mens der wetteloosheid zich zal manifesteren in de tempel van God om te laten zien dat hij god is. Dan lees je ook dat dit gepaard zal gaan met krachten, tekenen en wonderen. Kijk het maar eens na in hoofdstuk 2 vers 9 van de Tessalonicenzenbrief: "naar de inwerking van de Satan, de tegenstander, in alle kracht en tekenen en bedrieglijke wonderen." Dat is dan wel weer kenmerkend voor hoe Satan dat doet. Hij doet ook krachten, tekenen en wonderen, alleen blijkt daaruit dat het van de tegenstander is: hij bedriegt. Het is pseudo, het is leugenachtig; hij verdraait de waarheid.

Het komt er dus eigenlijk op neer dat zowel de begintijd in de dagen van het Nieuwe Testament als de eindtijd gekenmerkt wordt door krachten, tekenen en wonderen. Met dit verschil: in het begin was het van Godswege, wat God deed door Christus en later ook de apostelen. In de eindtijd komen ze allemaal uit de koker van de Satan. Wees daarop bedacht; dat zal buitengewoon bedrieglijk zijn. Dat vinden we op diverse andere plaatsen ook. Afijn, die Jezus de Nazarener, een man aangetoond van Godswege voor jullie met krachten, wonderen en tekenen die God door Hem deed in jullie midden, zoals jullie zelf hebben waargenomen.

Met andere woorden: wat ik zeg, kunnen jullie zelf ook bevestigen. Dit was bekend; het was zo evident. Het is opmerkelijk hoe dat in het boek Handelingen telkens weer benadrukt wordt. Wat Petrus hier zegt — dat God Hem heeft aangewezen en dat die wonderen, krachten en tekenen door God gedaan zijn — was onloochenbaar en het was een publiek bekend gegeven. Ik wil twee schriftplaatsen aanhalen uit het boek Handelingen waarin dat benadrukt wordt. In Handelingen 10 vers 37 gaat het erover dat Petrus inmiddels in Caesarea is, bij het huis van Cornelius. Dan zegt hij: "Jullie weten van de dingen die geschied zijn door het hele Joodse land, te beginnen in Galilea." Zelfs in een heidens huis van een godvrezend iemand als Cornelius zegt hij: "Jullie weten van de dingen die geschied zijn." Dat was bekend; dat hoefde hij niet verder toe te lichten. Als feit was het bekend, want ze wisten daarvan.

In Handelingen 26 staat Paulus voor Agrippa in Caesarea. Dan zegt hij tot koning Agrippa: "Want de koning weet van deze dingen en tot hem spreek ik vrijmoedig." En dan voegt hij er aan toe: "Dit is immers niet in een uithoek geschied." Dat wil zeggen: al die dingen waarvan Paulus spreekt over de verachte naam van Jezus en de dingen die God door Hem gedaan heeft, waren evident. In heel Israël was het bekend; dat hoefde verder niet toegelicht te worden. Men wist dat. Dat wist Cornelius daar aan de kust, dat wist Agrippa, ondanks het feit dat hij Jezus nooit had ontmoet. Het waren bekende gegevens voor heel het volk. Dat wordt telkens benadrukt en dat zie je dus hier ook: "zoals jullie zelf hebben waargenomen."

De Kruisiging Binnen de Bepaalde Raad en Voorkennis van God ↑ hoofdstukken

Petrus zegt erbij: "Deze, in de bepaalde raad en voorkennis van God..." We moeten hier even op inzoomen, want het is heel leerzaam om daar goed aandacht aan te geven. Laat ik eerst de hele zin lezen: "Deze, in de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebben jullie door de handen van wettelozen vastgenageld en uit de weg geruimd." Want zo is het natuurlijk gegaan. Maar eerst even dat eerste zinsdeel. Deze Jezus, de man die van Godswege was aangewezen — wat ze allemaal wisten — was uitgeleverd in de bepaalde raad en voorkennis van God. Het woord 'raad' is in het Grieks boulē. Dat betekent 'bedoeling' of 'intentie'. Het wordt heel vaak gebruikt in het Nieuwe Testament en het duidt op een voornemen. Het is van belang om te zien dat dit onderscheiden is van Gods wil. Dat is prachtig, en ik zal u dat laten zien.

Kijk naar de geschiedenis waar Paulus over spreekt in Romeinen 9, over de farao die van Mozes te horen kreeg: "Laat mijn volk gaan." Dat was Gods wil. De farao zei echter "nee" — wat God overigens al tegen Mozes had gezegd: dat de farao niet zou luisteren. De farao weerstond dus Gods wil. In het Grieks is dat woordje 'wil' inderdaad thelēma. Dat was Gods wil: laat mijn volk gaan. Maar als u Romeinen 9 vers 19 leest — waarbij ik mij moet excuseren dat de NBG-vertaling en de Statenvertaling dit helaas niet goed weergeven — dan ziet u iets anders. Daar wordt het vertaald met Gods 'wil', maar dat is het niet; het is Gods 'raad'. De farao weerstond Gods wil, maar niet Gods raad. In Romeinen 9 vers 19 brengt Paulus een criticaster ter sprake die zegt: "Wat heeft God dan nog aan te merken? Want wie heeft Zijn wil weerstaan?" Maar er staat niet 'wil', er staat: "Wie heeft Zijn raad weerstaan?"

Kijk, dan wordt het heel duidelijk. Weerstond de farao Gods wil? Jazeker. Maar hij weerstond niet Gods raad. Dat woordje is boulēma, hetzelfde als in Handelingen, maar dan als zelfstandig naamwoord: Gods raad. En wat was Gods raad? Dat leest u vlak daarvoor in Romeinen 9: "Daartoe heb Ik u doen opstaan tegen Mij, opdat Ik in u Mijn kracht zou tonen en Mijn naam verbreid zou worden over de hele aarde." Dus toen de farao "nee" zei tegen Gods wil, werd Gods intentie juist vervuld. De farao zei "nee" tegen Gods wil, maar Gods bedoeling was juist dat de farao zou opstaan. Waarom? Opdat God in de farao Zijn kracht zou tonen. Dat gebeurde juist omdat de farao God weerstond. Toen werden al die krachten, de plagen in Egypte, gedemonstreerd; God toonde Zijn kracht in een onwillige farao. Dat was Zijn intentie, en daardoor is het ook dat Gods naam verbreid werd over de hele aarde en men er overal van wist. Als later, veertig jaar later, Israël arriveert in het land Kanaän, weten ze daar ook allemaal wat er gebeurd is toen Israël uittrok uit Egypte. Tot op de dag van vandaag weten we allemaal hoe God toen in die dagen Zijn kracht gedemonstreerd heeft. Dat was Zijn intentie. De farao wist dat niet; hij wist alleen dat hij Gods volk moest laten gaan. Dat was Gods wil, maar Gods intentie, Zijn raad, was verborgen.

Dat er twee verschillende woorden zijn, blijkt voor de volledigheid ook uit Efeze 1 vers 11. Daar vind je beide woorden in één vers. Er staat dat God in het al werkt naar de raad van Zijn wil. Dan worden beide woorden in één vers gebruikt en dan moet je ze wel onderscheiden. Stel je voor dat de vertalers daar ook het woordje 'raad' met 'wil' hadden vertaald. Dan had er gestaan: "...die in alle dingen werkt naar de wil van Zijn wil." Dan krijg je van die dwaze constructies. Dat staat er niet. Het is de raad, Zijn intentie of bedoeling, van Zijn wil. Gods wil heeft ook een intentie.

Welnu, even weer terug naar Handelingen 2. "Deze, in de bepaalde raad en voorkennis van God, hebben jullie uitgeleverd door de handen van wettelozen." Dat was dus toen Israël Hem uitleverde, Hem uit de weg ruimde en Hem vastnagelde aan het hout. Dat was in de bepaalde raad van God. Let ook op het woordje 'bepaald'. Dat wil zeggen dat het was vastgelegd; Gods bedoeling stond vast. De grootste misdaad die ooit in de geschiedenis heeft plaatsgevonden, namelijk de kruisiging van Gods Zoon, was in de bepaalde raad. Dat wil zeggen: het was in de sfeer van, binnen de raad van God. Zelfs de 'bepaalde' raad; zo moest het gebeuren. Was het Gods wil dat Jezus aan het hout geslagen werd? Dit was een misdaad, natuurlijk. Sterker nog, het was de grootste misdaad die de mensheid, die de hele wereld ooit begaan heeft. Maar het was niettemin in de bepaalde raad en de voorkennis van God.

Eigenlijk zegt 'voorkennis' nog iets minder, want je zou kunnen denken: ja, God wist het wel van tevoren, maar het was niet Zijn bedoeling. Maar Petrus zegt: het was in de bepaalde raad. Het was de bedoeling, het was bepaald, het moest zo zijn. Gods bedoeling, Zijn intentie, was dat dit zou gebeuren. Het was dus niet Gods wil dat het volk Israël Jezus kruisigde, maar het was wel in de bepaalde raad en voorkennis van de God. Dat wil zeggen dat Hij het van tevoren wist, maar dat lijkt mij op zich geen verrassing, want God is alwetend en kent de dingen zoals ze gaan. Hij bepaalt; zoals er in Jesaja staat: "Van den beginne verkondig Ik de afloop." Voor God bestaan er geen verrassingen, maar het geweldige is: bij Hem gaat er ook nooit iets mis. Bij Hem gaat er nooit iets mis. Dus ook toen Israël het ergste deed en toen de wereld de Zoon aan het kruis nagelde, was dat een krenking van Gods wil en van Gods hart, maar het was toch in de bepaalde raad. Er ging niets mis; het moest zo gaan. Ik vraag u niet om het te verklaren, maar kijk: dan is er wel sprake van 'de' God, Degene die alles een plek geeft en bij wie er inderdaad nooit iets misgaat. Dit is op zichzelf zo'n fenomenale, heerlijke, geweldige waarheid.

"Deze, in de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd door de handen van wettelozen..." Met 'wettelozen' doelt Petrus op degenen aan wie Hij is uitgeleverd: de Romeinen. Zij hebben het uiteindelijk uitgevoerd; zij waren trouwens de enigen die dat konden doen. Maar zij hadden de wet, de Thora, niet en waren dus wettelozen. "En vastnagelend ruimden jullie Hem uit de weg." Zoals we ook weten uit de evangeliën, was het Israëls initiatief. De Joden wilden dat en hebben Pilatus en de overheden ertoe geprest om dat zo te doen. En zo is Jezus aan het hout vastgenageld. "Jullie ruimden Hem uit de weg", of "jullie hebben hem gedood", zoals de NBG-vertaling zegt. Eigenlijk is dat een iets ander woord, maar in ieder geval komt het er wel op neer. Ze hebben Hem vastgenageld aan het kruis, aan het hout, aan die paal. Maar het was in de bepaalde raad en de voorkennis. Dit is dus de goddelijke kant: Gods raad en Gods voorkennis. En dit is de menselijke kant: dat het Joodse volk Hem heeft uitgeleverd aan de Romeinen, de wettelozen. Vervolgens is Jezus vastgenageld en uit de weg geruimd. Dit is wat de mensen hebben gedaan, maar dat andere staat voorop, dat moet je weten. Vastnagelend ruimden jullie Hem uit de weg.

Het Grote Contrast: de Mens Doodde, God Wekte op ↑ hoofdstukken

Wie namelijk? Degene die God deed opstaan. Ook dit is weer zo'n typisch ding uit het boek Handelingen: "Jullie doden Hem, maar God deed Hem opstaan." Dit was het menselijk aandeel en dit was Gods aandeel, om het zo te zeggen. We moeten daar eens op letten. In Handelingen 3 zegt Petrus — ook in Jeruzalem: "En de Leidsman ten leven hebben jullie gedood, maar God heeft Hem opgewekt uit de doden." De mens kon Hem doden, dat hebben ze ook gedaan; dat is een menselijk aandeel. En God, wat heeft Hij gedaan? Hij wekte Hem op de derde dag op uit de doden.

Ja, waarom? Om aan diezelfde wereld — maar dat is meer Paulus, dat is niet zozeer iets wat in het boek Handelingen naar voren komt — om aan de wereld het leven te geven. Daarmee bewees God dat Hij van deze wereld houdt. Hoe groot de vijandschap ook is, jullie krijgen van Mij het leven; aan de moordenaars van Zijn Zoon dus. In Handelingen 10 lees je ook over Petrus in het huis van Cornelius: "En zij — dat is weer het Joodse volk — hebben Hem gedood door Hem te hangen aan een hout. Hem heeft God ten derde dage opgewekt." Dus zij hebben Hem gedood door Hem te hangen aan een hout, en Hem heeft God ten derde dage opgewekt. Weer dat contrast, hè?

Nog één voorbeeld. In werkelijkheid is dit lijstje alleen al vanuit het boek Handelingen veel langer te maken. Ik heb nu een lijstje van drie getuigen, want dan staat de zaak vast. Iedere keer zie je dat contrast: de mens, of Israël, of de wereld heeft Hem gedood of gekruisigd, maar God wekte Hem op de derde dag op. In Handelingen 13 spreekt Paulus in Antiochië: "En toen zij — dan gaat het over het Joodse volk — alles volbracht hadden wat van Hem geschreven stond..." U ziet het weer: het was voorzegd en het Joodse volk heeft Hem verworpen. Sterker nog, ze hebben Hem gedood. "En toen zij alles volbracht hadden wat van Hem geschreven stond, namen zij Hem van het hout en legden Hem in een graf. Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt."

Dit is nu weer typisch iets wat de mens niet kan. De mens kan Hem doden — uiteraard binnen de bepaalde raad en voorkennis van God, en het was ook van Hem geschreven, dus het was voorzegd — maar de opstanding is nou typisch iets wat we helemaal buiten het menselijk bereik hadden. Dat is precies wat God gedaan heeft: God heeft Hem uit de doden opgewekt.

Afijn, we gaan weer even terug naar Handelingen 2: "Die de God deed opstaan." Jullie hebben Hem gedood, namelijk degene die God deed opstaan. Hoe staat het er? "Hij verbrak," staat er in de vertaling, "de weeën van de dood." Hij maakte ze los, en dat betekent inderdaad het verbreken van de barensweeën van de dood. Dat is een eigenaardige uitdrukking. Het komt erop neer dat de dood wordt voorgesteld als een moederschoot. Dat is trouwens een geweldig beeld, want dat betekent dat wanneer er iets wordt toevertrouwd aan de aarde en in het graf wordt gelegd, daar feitelijk alweer de belofte van nieuw leven in zit. Er wordt gezaaid in de aarde, maar God doet daar nieuw leven uit opwekken. Wat elke landbouwer weet en praktiseert: je vertrouwt het toe aan de aarde, maar daar zit de belofte van leven in. Feitelijk is die aarde — of pardon, het terrein van de dood — eigenlijk een moederschoot. Daaruit komt nieuw leven voort. Vandaar ook dat de Heer Jezus genoemd wordt in onder andere Kolossenzen 1 en Openbaring 1: "De Eerstgeborene uit de doden." Hier zie je dus dat idee van geboorte vanuit de dood.

"Hij losmakend de barensweeën van de dood," en dan staat erbij: "omdat het niet mogelijk was onder deze Hem vast te houden." Dat wil zeggen: het was niet mogelijk dat de dood Hem vast kon houden. Ja, waarom niet? Nou, dat staat in het volgende vers. De dood kon Hem niet vasthouden. Er zijn hele mooie beelden van in het Oude Testament; ik kan er zo al een paar voor de geest halen. De mooiste vind ik altijd nog — even terzijde — Simson. Trouwens, als ik me niet vergis, gaat Gerard hier volgende week spreken over Simson. Of dit dan ook ter sprake gaat komen, weet ik niet, maar ik zeg het niet om gras voor zijn voeten weg te maaien. Je leest daar de geschiedenis dat Simson vastzit in de stad Gaza. Hij kwam tot die hoer... Hij kwam tot haar en dan lees je dat hij vastgezet wordt daar in de stad. En wat doet hij dan bij die stadspoort? Hij verbreekt de poorten, want hij kon niet vastgehouden worden. In zijn kracht brengt hij die hele poort met grendels en al op de top van de berg tegenover Hebron.

Dat is precies ook wat de Heer Jezus gedaan heeft. De dood kon Hem niet vasthouden. Hij verbrak in dit geval de barensweeën van de dood, de banden van de dood, en Hij is opwaarts gegaan en daar nu gezeten. Als embleem van Zijn overwinning is dat verbreken van die banden daar gevestigd. Afijn, "omdat het niet mogelijk was onder deze Hem vast te houden." Onder deze, dat wil zeggen: de barensweeën van de dood. "Want," zegt David... Het was niet mogelijk. Hoezo niet mogelijk? Nou, want David zegt van Hem — David heeft duizend jaar eerder al van Hem gesproken — waarom de dood Hem niet kon vasthouden. En waarom is dat dan?

Psalm 16: David Verheugt Zich over de Messias ↑ hoofdstukken

We zijn nu in Psalm 16, want er volgt een tweede citaat. Het eerste citaat, Joël 2, was het onderwerp van de vorige keer. Wat Petrus nu doet op de Pinksterdag, is feitelijk niets anders dan Bijbelstudie. God giet Zijn Geest uit, maar wat gebeurt er dan? De Schriften gaan open en er wordt gewezen op de opgewekte Christus. Dat is het grote onderwerp. Ik vind dat op zich al een geweldig gegeven: als de Geest van God wordt uitgestort, blijkt dat uit het feit dat de Schriften opengaan. Ze gaan open en de Zoon wordt daarin verheerlijkt. Dat is logisch, want de hele Schrift gaat over Hem.

David zegt van Hem — en u kunt het gewoon nalezen, Petrus citeert hier trouwens uit de Griekse vertaling, de Septuagint — ‘Ik zag de Heer voor mij’. Dit citaat komt uit een deel van Psalm 16. Petrus had net gezegd dat het niet mogelijk was dat de dood Hem vasthield, want David zegt van Hem — de Heere Jezus Christus dus — dat hij de Heer voor zich zag. David heeft Psalm 16 duizend jaar eerder opgetekend en nu zegt Petrus: David sprak van Hém. Dat is wat hij zegt: David zegt van Hem. Als je dus in het vervolg over Psalm 16 leest, dan weet je: dit gaat niet over David zelf, dit gaat over de Zoon van David. Petrus gaat dat ook aantonen.

Maar eerst even het citaat: ‘Ik zag de Heer voor mij, in het zicht van mij voortdurend.’ Dat wil zeggen dat de Messias, de Zoon van David, voortdurend de Heer voor ogen had. In de boekrol staat van Hem geschreven: ‘Zie Heer, hier ben ik om Uw wil te doen.’ Dat houdt Hij Zich voortdurend voor ogen. Want Hij, God, de God van de Zoon van David, is aan Zijn rechterhand. Dat is eigenlijk eigenaardig, want later in deze toespraak hoor je dat de Heere Jezus gézet wordt aan Gods rechterhand. Maar hier is het de Heere Jezus Zelf, de Zoon van David, die zegt: ‘Want Hij, God, is aan mijn rechterhand.’

Daarbij moet je bedenken dat de rechterhand, of rechts in het algemeen, de hand is van voorrang en eer. Links heeft te maken met vernedering, rechts met verhoging en eer. De rechterhand is normaal gesproken ook de hand waarmee je de dingen doet en onderneemt. Ik wil natuurlijk niet beledigend zijn voor linkshandigen; ik kan me deze opmerking in zekere zin permitteren omdat mijn vrouw er nu niet bij is, en zij is links. Bent u ook links? Nou, dan zal ik op mijn woorden letten. Maar in ieder geval is dat de gebruikelijke gang van zaken. Trouwens, er is niets mis mee; je leest in het boek Richteren over een heleboel Benjaminieten die linkshandig waren. Dat is ook zo leuk: Benjamin betekent eigenlijk ‘zoon van de rechterhand’ (Ben-Yamin). Alleen de humor ontgaat ons gemakkelijk omdat we het Hebreeuws niet machtig zijn, maar er staat dat al die Benjaminieten linkshandig waren. Toch konden ze een pijl schieten tot op een haar nauwkeurig. Ze deden dat linkshandig dus maar even.

De rechterhand is de hand waarmee je de dingen doet en onderneemt. Als God aan je rechterhand is, dan gelukt alles wat je onderneemt. Dat is het idee: als God aan mijn rechterhand is, dan gelukt datgene wat mijn hand onderneemt. De Heer hier op aarde wist dat. Hij had God voortdurend voor ogen en Hij wist: God is aan mijn rechterhand, opdat ik niet geschud zou worden. Dat staat er letterlijk. Ik word niet geschud en daardoor zal ik ook niet wankelen. De Heer stond op dat fundament van Zijn Woord en las in de boekrol. Hij wist wat Hem te doen stond en Hij wist dat God aan Zijn rechterhand was; daarin stond Hij vast en werd Hij niet heen en weer bewogen.

Petrus gaat nog steeds verder in het citaat uit Psalm 16: ‘Vanwege dit werd mijn hart blij gemaakt en mijn tong jubelt.’ Hoort u hier de Messias hier op aarde, de Heere Jezus, spreken? Hij heeft Zich verheugd. Je leest ook dat Hij het kruis op Zich genomen heeft vanwege de vreugde die Hem was voorgesteld. Daar heeft Zijn hart Zich blij over gemaakt en Zijn tong jubelde. Hij wist dat, ondanks de diepte en hoe moeilijk het ook was. Zelfs in de nacht waarin Hij werd overgeleverd en bad of deze drinkbeker van Hem weggenomen kon worden, wist Hij: niet Mijn wil, maar de Zijne. Daarover heeft Hij Zich verblijd en Zijn tong jubelde.

Hij zegt ook: ‘Echter ook mijn vlees zal nestelen in hoop,’ of: ‘zal in hope een schuilplaats vinden.’ Ook Mijn vlees, dus ook Mijn lichaam. Hij zegt dit ‘omdat U mijn ziel, mijn nefesh, niet in de steek zal laten tot in het dodenrijk.’ In het Grieks staat hier Hades. Als je het in Psalm 16 leest, staat er in het Hebreeuws natuurlijk Sheol. De Statenvertaling, waar ik vaak met grote achting over spreek, geeft dat dikwijls inconsequent weer met ‘hel’. Maar dat is echt fout. Daar komt ook de gedachte van de Twaalf Artikelen van het geloof vandaan, met die frase over Degene die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, en toen ‘nedergedaald ter helle’. Maar Hij is nedergedaald in het dodenrijk. Hades betekent letterlijk ‘het onwaarneembare’. Sheol heeft te maken met het woord ‘vragen’; het is de plaats waarvan we niet weten wat het is. David zegt: ‘Omdat U mijn ziel niet in de steek zal laten tot in het dodenrijk.’ Hij zou dus wel in het dodenrijk komen, maar Zijn ziel zou daar niet in de steek gelaten worden.

Er staat ook: ‘Noch Uw Rechtschapene zal geven om ontbinding waar te nemen.’ In het Hebreeuws staat daar het mooie woord chasid, wat ‘gunstgenoot’ betekent. Dit is boeiend. David laat in Psalm 16 zien dat de Messias zich verheugde in zijn God en wist dat Zijn vlees zou nestelen in hoop. Als Hij in het dodenrijk terecht zou komen, zou Hij geen ontbinding zien; Hij zou daar geen ontbinding waarnemen. Hij zou in het dodenrijk komen, maar dat zou dus maar voor heel korte tijd zijn, want Hij zou daarin geen ontbinding waarnemen.

Het citaat uit Psalm 16 gaat nog verder: ‘U maakt aan mij wegen van leven bekend.’ Hoezo geen ontbinding waarnemen? Hoezo niet in de steek laten in het dodenrijk? Nou, dat staat er in Psalm 16 gewoon bij: ‘U, God, maakt aan mij wegen van leven bekend.’ Dat is de opstanding uit de dood. God maakt Hem wegen van leven bekend en zal Hem vervullen van blijdschap met Uw aangezicht. Want Gods aangezicht schenkt leven en licht; ‘Levenslicht’, zoals we zojuist zongen. Dit is het tweede citaat, nu uit het boek van de Psalmen. Petrus gaat na dit citaat als volgt verder.

Het Overlijden en het Graf van Aartsvader David ↑ hoofdstukken

Mannenbroeders! Hij gaat nu verder. Dit was het citaat uit het boek Psalmen. Koning David, mannenbroeders. Dan zegt hij: het is geoorloofd met vrijmoedigheid tot u te zeggen. Dat kon hij doen zonder enige schroom, want het was namelijk bekend en duidelijk en ook trouwens onomstreden, zo moet ik het zeggen. Het was onomstreden; het is geoorloofd met vrijmoedigheid naar u toe te zeggen aangaande de aartsvader David.

Hier staat in het Grieks een woord dat we wel kennen, en dat is eigenlijk: patriarch. Patriarch. Patriarch betekent eigenlijk – 'pater' heeft te maken met vader en 'arch' is de eerste, eigenlijk de oorsprong. Dus een patriarch is de oorspronkelijke vader. Meestal zijn de patriarchen Abraham, Isaak en Jakob, maar hier wordt David een patriarch genoemd. En hoezo? Nou, dat is mijn vraag, zeg ik. Hij was de patriarch, dat wil zeggen de oorspronkelijke vader van de dynastie, van het koningshuis van David, vind ik namelijk. Hij is de patriarch van het huis, het koningshuis, de dynastie van David.

En Petrus zegt: mannenbroeders, het is onomstreden om te zeggen aangaande de aartsvader, de patriarch David, dat hij én is overleden én werd begraven. Op zich is dat ook niet zo vreemd natuurlijk. Ik bedoel, we hebben het over een man die duizend jaar eerder leefde. Vergeet u niet? Petrus sprak dit in pakweg het jaar 30 van onze jaartelling. En duizend jaar eerder, dus duizend jaar voor Christus, leefde David. Nou, David was uiteraard inmiddels al lang en breed overleden en bovendien begraven en zijn graftombe is te midden van ons tot op deze dag, zegt Petrus. Ook dat kon hij met vrijmoedigheid verklaren daar in de stad. Want de graftombe van David is tot op – trouwens, ik kan ook zeggen tot op de dag van vandaag – te vinden in Jeruzalem.

Nu is dat laatste wat lastiger, maar dat geldt trouwens voor heel wat andere koningen waar nog tombes van zijn. Al die koningen die geregeerd hebben in Jeruzalem, dus uit het tweestammenrijk. David en al die twintig koningen die daarna kwamen; daarvan zijn graftombes bekend – ik zeg niet allemaal, maar ik denk van het merendeel wel. Davids graftombe is te midden van ons tot op deze dag. Het is trouwens interessant dat als je nu naar Jeruzalem toe gaat naar de graftombe van David, dat dit de ene verdieping is. Ik had eigenlijk een fotootje er even bij moeten doen, want misschien kent u het wel met zo'n mooi rood of soms ook blauw overkleed. En wie is er weleens geweest? Ja, ik ben er ook ooit geweest, maar dat is heel erg lang geleden. Maar het is bekend, ook van platen en afbeeldingen.

Maar het aparte is dat op de tweede etage – weet je wat je daar vindt? Dat is de opperzaal. De beroemde opperzaal. Dus, ik moet erbij zeggen dat het zo ook traditioneel wordt aangewezen: men wijst de opperzaal aan als identiek aan Davids graf. Als u nu naar Wikipedia gaat of naar gewoon een encyclopedie op internet kijkt, dan zult u zien dat in die opperzaal – waar trouwens ook dit plaatsvond... Want nu laat ik het anders zeggen. Je leest in dat huis waar zij allen verzameld waren. Ja, oh wacht even, nu weet ik het weer. In Handelingen 1 vers 12 daar lees je... nee, vers 13. "En toen zij in de stad gekomen waren, gingen zij naar de bovenzaal", of naar de opperzaal waar zij verblijf hielden. En dat moet dan ook het huis gaan wezen waar dat zich vervulde met het geluid van een geweldige windvlaag. En dat huis, dat was dus eigenlijk het huis waar het graf van David ook was.

Ik moet erbij zeggen: ik kan dat Bijbels niet hard maken, behalve dan dat Petrus hier dan zegt: "Ja, hij is overleden en hij werd begraven en zijn graftombe is te midden van ons tot op deze dag." Dus als de traditie waar is, dan was dat wel heel letterlijk: zijn graftombe is te midden van ons hier in dit huis. Maar dat "te midden van ons" hoeft dat natuurlijk niet direct te betekenen. Ik kan ook gewoon zeggen: het is te midden van ons hier in Jeruzalem. Ik laat dat even voor wat het is, want ik heb nog een hele andere... Ja, nee, anekdotes zijn het zeker niet, maar mooie verhalen over wat er allemaal nog aan de hand is met het graf van David. Daar moeten we maar eens een keertje nog een andere keer over hebben. We moeten eens een keer met z'n allen naartoe om even te checken of deze dingen al zo zijn.

Oké, zullen we het er straks nog even over hebben? Zijn graftombe is te midden van ons. Dat is wat Petrus zegt. Hier in dit huis of meer in het algemeen in Jeruzalem. Daar blijven we vanaf; dat staat hier ook niet zo. En hij zegt dat "tot op deze dag". Het is blijkbaar gewoon evident. Nou, en nu komt het.

David Voorzegt als Profeet de Opstanding ↑ hoofdstukken

Zijnde dan een profeet. Aha. En het woordje profeet in dit geval is ook heel mooi, want een profeet is eigenlijk een Grieks woord. 'Pro' betekent voor en 'veet' heeft te maken met zeggen of verklaren. Dus een profeet is eigenlijk gewoon in de letterlijke Griekse zin van het woord iemand die voorzegt. God voorzegt de dingen. Er is maar één die de toekomst kent en Hij voorspelt wat Hij voorzegt. Zo zal het zijn: die datum, die tijd, die plaats, die persoon. Gewoon met nauwkeurigheid.

David was een profeet. Niet slechts een poëet of een dichter die gezwollen taal gebruikte. Zo wordt het dan vaak uitgelegd als je bij een vrijzinnige uitlegger aankomt van het boek van de Psalmen en bijvoorbeeld bij Psalm 16 een toelichting leest. Als David daar zegt: "Mijn vlees zal in hoop rusten en U zult mijn ziel niet in het dodenrijk achterlaten en geen ontbinding doen zien," dan zegt men dat dit gezwollen dichterlijke taal is. Nee, dat is helemaal geen gezwollen dichterlijke taal. David was een profeet. Hij voorzegde het; zo zou het zijn.

Hij heeft gesproken en hij had waargenomen. Trouwens, dit moet ik er nog even bij zeggen: het wil helemaal niet zeggen dat David wist en begreep wat hij opschreef en optekende. Dat hoeft niet. Dat David dat zo opgetekend heeft, wil niet zeggen dat hij het begrepen heeft. Je leest van de profeten in de brief van Petrus dat zij hebben gesproken, maar dat zij hun eigen geschriften hebben nagezocht en gespeurd op welke en hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde. Met andere woorden: ze wisten soms zelf ook niet wat ze schreven, maar ze moesten het optekenen. Dit staat dus los van de vraag of David dit allemaal goed begrepen heeft. Maar hij heeft het voorzegd, hij was een profeet en daar gaat het om.

Zijnde dan een profeet en waargenomen hebbend... Als profeet heeft hij voorzegd, maar hij heeft ook waargenomen dat God met een eed aan hem zwoer. Feitelijk is dit nog weer een andere aanwijzing uit de Psalmen, want dan komen we in Psalm 132 uit. Ik lees het meteen even voor. Daar staat: "Yahweh zweert David een eed van waarheid waarvan Hij, God, niet terugkomt. Namelijk: vanaf de vrucht van uw buik zal Ik op uw troon zetten." Dat is een wat letterlijke weergave, maar het betekent dat wat uit u voortkomt, uit uw lendenen, op uw troon zal gaan zitten. Dat heeft God gezworen.

Je leest maar heel zelden dat God een eed zweert. God belooft, maar bij een aantal gelegenheden zweert Hij een eed. Bij Abraham lees je dat en er zijn nog een paar voorbeelden, zoals dat voor Hem elke knie zal buigen en elke tong zal belijden. Dat is ook een eedzwering. Vier, vijf of zes keer lees je in het Oude Testament dat God een eed zweert. Maar dit was ook zo’n eedzwering, namelijk over de troon van David. Wie zou uiteindelijk definitief op de troon van David komen? Iemand als de vrucht van zijn lendenen – dat is dit deel van het onderlichaam. God zwoer hem met een eed dat één uit de vrucht van zijn lendenen – door voortplanting dus – op zijn troon zou zitten.

De zoon van David. Vandaar dat elke Jood weet, en dat is een van de duidelijkste dingen: de Koning zou komen uit de stam van Juda, meer speciaal uit het huis van David, uit het geslacht van David, uit het zaad van David staat er zelfs. Het zaad van David. Vanuit de vrucht van zijn lendenen, die zou zitten op zijn troon. En de troon van David staat niet in de hemel. De troon van David staat gewoon op één locatie en dat is in Jeruzalem. Dat is de enige plaats; daar is de troon. Daarom zegt de Heer Jezus ook in Matteüs 5 dat het de stad van de grote Koning is. Daar gaat eens de zoon van David op zitten.

David heeft daarover gesproken. David sprak wel van 'mij', maar die ik-figuur in het boek van de Psalmen, dat is de zoon van David. Die zal zitten. Trouwens, wat kreeg Maria te horen van die boodschapper? "De kracht van de Allerhoogste zal over u komen. En wat uit u voort zal komen, Hij zal zitten op de troon van zijn vader David en Hij zal heersen tot in de Aeonen. Aan zijn koninkrijk zal geen einde komen." Op zijn troon.

Terwijl hij tevoren waarnam, sprak hij aangaande de opstanding van de Christus. Petrus gaf hier een citaat uit Psalm 16, maar er zijn er legio. Ik heb hier zomaar even een rijtje uit de losse pols. Psalm 1: de rechtvaardige, welzalige man die niet wandelt... Wie is die man, die gelukkige man? Daar staat bij: hij is verplant aan waterstromen. Eigenlijk staat er letterlijk 'verplant' aan waterstromen, wiens loof niet verwelkt. Dat is onvergankelijk leven. En al wat hij onderneemt, dat gelukt hem. Psalm 2: "Mijn zoon bent U, Ik heb U heden verwekt." Dat gaat over de opstanding, echt waar. Psalm 3: "U doet mij inslapen, maar ik ontwaak verzadigd van uw beeld." Over Psalm 20, 21 en 22 hebben we het laatst nog een paar keer gehad. Psalm 23: "Hoe ga ik door een dal van schaduwen des doods?" Uw stok en uw staf, een embleem van de opstanding, vertroosten mij.

Het gaat erom: David sprak van de zoon van David aangaande de opstanding van de Christus. Dat Hij niet in de steek werd gelaten tot in het dodenrijk, noch zijn vlees ontbinding waarnam. Dat heeft hij voorzegd.

Ooggetuigen van de Opgestane en Afronding ↑ hoofdstukken

En deze Jezus deed God opstaan, waarvan wij allen getuigen zijn. Dat is wat Petrus verklaart en het staat allemaal opgetekend in de profeten, zwart op wit. God had dat verklaard, Hij had David en vele anderen dit laten voorzeggen, en nu zegt Petrus: "Ik en vele anderen zijn daar ooggetuigen van." Getuigen; dat konden die anderen niet zeggen. Slechts een beperkt aantal heeft Hem gezien na de opstanding. Ook dat was trouwens voorzegd.

Petrus zegt nu: "Ik ben daar een getuige van." God had Hem al aangewezen door krachten, tekenen en wonderen – jullie weten het allemaal – maar God heeft Hem, die jullie kruisigden, opgewekt uit de doden. En dat is helemaal conform dat wat er staat geschreven in jullie eigen Schriften. Wij zijn daarvan getuigen.

De toespraak gaat nog verder; niet deze studie, maar die van Petrus. Wij zijn nu hier aangekomen in vers 32 en dat betekent dat we nog een keer verder moeten als we naar het einde van deze toespraak willen. Dan gaan we de volgende keer – en dat zal zijn op 23 juli, als ik me niet vergis, dus over een maand zo'n beetje – de draad weer oppakken in vers 33. Dan gaan we ook nog naar het citaat van Psalm 110. Dat is ook erg boeiend, kan ik u vertellen hoor! Dus ik stel voor dat we het hier voor deze keer bij laten en de volgende keer verdergaan.

🎧 Petrus op de Pinksterdag (2)
Delen: