Paulus spreekt hier over bepalingen die het leven reguleren met verboden als: “raak niet, smaak niet, roer niet aan”. Dat blijft niet beperkt tot het lichamelijke, maar raakt ook de omgang in bredere zin: mijden, zich onthouden van en niet in aanraking komen met. Veel van wat Paulus noemt is te herleiden tot de wet van Mozes, zoals blijkt uit vers 16: spijswetten, feestdagen en sabbatten. Deze inzettingen hadden een goddelijke oorsprong, maar waren bestemd voor een bepaalde tijd en voor één volk. Zodra zij daarbuiten normatief worden opgelegd, worden zij leringen van mensen.
Dat typeert religie. Ook in gechristianiseerde vorm. Regels over wat men wel of niet mag doen op bepaalde dagen, of wat men dient te vermijden om geestelijk zuiver te blijven. Denk daarbij aan verplicht vasten, ascese en onthouding, maar ook aan wat in het protestantisme bekend is onder de noemer van zondagsrust — een begrip dat de Schrift niet kent.
Het blijft allemaal uiterlijk en raakt niet verder dan de buitenkant. Daarom heeft het geen blijvende geestelijke waarde. Wie zich bewust is compleet te zijn in Christus, staat hier buiten.
English Blog







