Petrus op de Pinksterdag (1)
04-06-2017 - Geplaatst door Andre PietToespraak gehouden op zondag 4 juni 2017 te Urk
Wie Pinksteren zegt, zegt Handelingen 2. Behalve dat op die gedenkwaardige dag wonderbaarlijke zaken werden gezien en gehoord, is het grootste deel van dat hoofdstuk gewijd aan Petrus’ toespraak op die dag. Voor het grootste deel bestaand uit citaten uit de Hebreeuwse Bijbel. In deze studie aandacht voor het eerste citaat vanuit de profeet Joël. Meende Petrus dat de gebeurtenissen op de Pinksterdag de vervulling waren van wat Joël had voorzegd?
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- De Bijbelse en Joodse Oorsprong van Pinksteren
- Handelingen 2: het Talenwonder en de Reactie van de Menigte
- De Opening van de Schriften: Drie Punten in Petrus' Toespraak
- Petrus Richt Zich Nadrukkelijk tot het Huis van Israël
- Een Grammaticaal Bewijs: het Misbegrepen Citaat uit Joël 2
- De Werkelijke Context van Joël: Israëls Toekomstige Herstel
- Geestelijke Diefstal: de Valse Claim op Israëls Beloften
- Bevestiging van Israëls Uitstorting Door Jesaja en Ezechiël
- De Dag Des Heren en het Aanroepen van Zijn Naam
De Bijbelse en Joodse Oorsprong van Pinksteren ↑ hoofdstukken
Een hele goedemiddag, vrienden. Ik ben blij dat ik op deze prachtige zomersmiddag weer eens in uw midden mag zijn. Over twee weken is dat, zo de Heer wil en wij leven, opnieuw het geval. Dat trof zo vanwege diverse vakanties en andere motieven, dat het ditmaal zo kort achter elkaar is. Dat geeft mij trouwens ook weer de gelegenheid om een onderwerp iets uitgebreider te behandelen en het in tweeën te knippen, of misschien zelfs wel in drieën, maar dat weet ik nog niet helemaal zeker. Dat hangt er vanaf hoever we de volgende keer komen.
Het is vandaag, dat zal u niet ontgaan zijn, Pinksteren. Nu heb ik daar persoonlijk niet zo heel veel mee, maar aan de andere kant ben ik daar niet dogmatisch in. Als de kerkelijke kalender mij op bepaalde Bijbelpassages brengt, dan ben ik niet te beroerd om daar toch acht op te geven. Als je Pinksteren zegt en je relateert dat aan de Bijbel, dan denk je in ieder geval aan Handelingen 2, het hoofdstuk bij uitstek dat die gebeurtenis beschrijft. U begrijpt inmiddels, als u naar deze dia heeft gekeken, dat we het gaan hebben over de rede die Petrus op de Pinksterdag gehouden heeft.
Voordat ik daar echter op ga inzoomen, wil ik eerst stilstaan bij wat Pinksteren van origine is. Want wie Pinksteren zegt, zegt Handelingen 2, en dat klopt, maar in feite is het hele idee van Pinksteren de vijftigste dag. Dat is letterlijk wat het woord betekent; het komt van het Grieks. Om de origine daarvan te zien, moet je terug naar Leviticus 23. Daar worden achtereenvolgens al de hoogtijden van Yahweh genoemd. Zo heet dat officieel: het zijn niet Israëls hoogtijden, maar de hoogtijden van Hem, van Yahweh. Ze worden daar op een rijtje gezet: Paasga, Pinksteren, het feest van het Bazuingeschal, Jom Kippoer en het Loofhuttenfeest. Een zevental hoogtijden, waarbij ook de Sabbat wordt behandeld. Het is hét hoofdstuk dat al die hoogtijden in één keer beschrijft.
Als je het hebt over de vijftigste dag, dan veronderstelt dat dat er geteld is tot vijftig. Dat klopt ook, want als je Leviticus 23 naleest, dan zie je dat dit begint op de dag dat de eerstelingsschoof van de gersteoogst wordt aangeboden. Dat is het officiële begin van de gersteoogst. Als die eerste schoof van gerstenaren door de priester aan God wordt aangeboden, dan zou de priester met die schoof 'bewegen' voor het aangezicht van Yahweh. Vanaf die dag zou men zeven weken gaan tellen. Men zou weken tellen en men zou dagen tellen. U moet namelijk weten dat voor deze hoogtij geen vaste datum wordt gegeven. Het wordt wel een dag genoemd, maar dan een dag in de week: de dag na de Sabbat. In het jodendom heeft men daar later een vaste datum aan gekoppeld omdat men het te ingewikkeld vond, maar officieel wordt er geen datum genoemd. Het was gewoon de dag van de eerstelingsschoof, en dat was de dag na de Sabbat. Het was dus altijd wat wij een zondag zouden noemen.
Die dag na de Sabbat is overigens omstreden, want met name vanuit de Joodse hoek zijn er ook andere inzichten. Dit is in het jodendom tot op de dag van vandaag een discussiepunt hoe dat precies zit. Maar hoe dan ook, op die dag van de eerstelingsschoof zou men zeven weken tellen, oftewel 49 dagen. Na die 49e dag – zeven kwadraat – krijg je de vijftigste dag. Dat is dan uiteraard opnieuw de dag na de Sabbat. Die dag luidt het begin van de tarweoogst in, de eerstelingen van de tarweoogst. Tussen de dag van de eerstelingsschoof en Pinksteren zitten dus vijftig dagen. Wij zeggen dan: 'tussen Pasen en Pinksteren', maar dat is niet helemaal hetzelfde. Weliswaar is ons Pasen en Pinksteren afgeleid van de hoogtijden die God aan Israël heeft gegeven, maar het is niet één-op-één hetzelfde.
Om maar wat te noemen: de christelijke kalender is zo georganiseerd dat als Pasen toevallig eens samenvalt met het Joodse Pesach, er een andere regel in werking treedt. Dan wordt het een week verschoven. Ik ga het nu even cynisch zeggen: als het een keertje toevallig een correcte datum heeft, dan wordt het verschoven zodat het nooit samenvalt met het Joodse Pesach. Dat heeft hele oeroude wortels van antisemitisme. Maar wat in dit geval veel belangrijker is: op de dag van de eerstelingsschoof begint ook de sabbatentelling. Men moest 49 dagen tellen, maar ook zeven sabbatten. Dit is de dag dat de Heer Jezus Christus als eersteling opstond uit de doden. Dat had God dus al pakweg vijftien eeuwen van tevoren vastgelegd en gefixeerd op die specifieke datum.
En vijftig dagen later krijg je dus Pinksteren. Het voert te ver om daar nu dieper op in te gaan; ik wilde alleen even uitleggen dat als je Pinksteren zegt, je niet moet denken aan een kerkelijk feest, maar aan een Joods feest. Het is de vijftigste dag na de dag van de eerstelingsschoof. Er zitten nog wel wat haken en ogen aan de bespreking en ik ben nu heel kort en sumier – ik heb allerlei details nu niet vermeld, neemt u mij dat niet kwalijk – maar ik wilde dit even naar voren brengen. De hele gedachte van die vijftigste dag had God al van tevoren in de wet van Mozes bepaald. Het is geweldig als je die hoogtijden bekijkt en ziet hoe dat stuk voor stuk, ook bijvoorbeeld de dag van het Paasga, exact zijn vervulling heeft gevonden op de dag nauwkeurig met de dood van Christus en zijn opstanding. Vervolgens worden op de vijftigste dag de eerstelingen van de oogst van Israël binnengehaald. Dat is wat Pinksteren werkelijk is.
Handelingen 2: het Talenwonder en de Reactie van de Menigte ↑ hoofdstukken
Nou, u ziet, we beginnen nu te lezen bij Handelingen 2 vers 12, omdat ik me specifiek wil richten op de toespraak die Petrus heeft gehouden. Dat betekent dat ik even als bekend veronderstel wat daarvoor heeft plaatsgevonden. Je leest dat er honderdtwintig man in de bovenzaal aanwezig was. Samen met de twaalf apostelen speelt het getal twaalf trouwens een grote rol in die eerste twaalf verzen. Ja, leuk hè? Want je leest over honderdtwintig man — dat is twaalf maal tien — en over de twaalf apostelen. En als je de nationaliteiten die daar op die dag in Jeruzalem vertegenwoordigd waren eens een keertje optelt, dan zie je dat dat er ook twaalf stuks waren. Iedere keer komt dat getal twaalf terug, wat ons meteen weer brengt op het terrein van Israël.
Dat is één van de dingen die ik vanmiddag heel sterk wil benadrukken. De tekst voert ons daar voortdurend naartoe. Natuurlijk is de gedachte waarmee wij allemaal groot geworden zijn dat het per slot van rekening niet voor niets Pinksteren is; we denken aan een kerkelijk feest, maar dat is het niet. Het is een hoogtijd van JAHWEH, die Hij aan Israël heeft gegeven. Alles wat er op die dag plaatsvindt, heeft met Israël te maken. Ik wil u ook laten zien dat dit in de toespraak die Petrus houdt een heel grote rol speelt.
U weet, toen men bij elkaar was, had de Heer voordat Hij ten hemel voer nog gezegd: "Blijf wachten in Jeruzalem totdat mijn Vader de belofte van de Geest aan jullie zal hebben gegeven." Dat was inderdaad tien dagen later, op de vijftigste dag, en dan komt die Geest als een manifestatie. De kracht van de Allerhoogste, de Geest van God, zou op hen komen als een stortregen, om even in de termen te blijven waar we zojuist over zongen. Dat kwam op hen en het was echt een zichtbaar fenomeen. Want feitelijk, als we het erover hebben, hadden de twaalf de Geest allang ontvangen. Op de dag van de opstanding vertoonde de Heer zich immers als de Opgestane en blies op hen. Hij zei: "Ontvang mijn Geest." Dat was opstandingsleven dat ze toen ontvingen. Maar de Geest die vijftig dagen later op hen kwam als een zichtbare manifestatie, dat moet je goed onderscheiden. Het ontvangen van de Geest als leven dat je ontvangt, heeft te maken met de dag van de opstanding. Pinksteren heeft te maken met de Geest die óp hen kwam.
Afijn, er was een geluid als van een geweldige windvlaag en er vertoonden zich tongen op hen als van vuur. Vervolgens begonnen zij te spreken in andere talen. Het grote wonder dat daar plaatsvond... nou ja, laat ik hier beginnen te lezen. Zij nu waren allen die daar waren — de vele omstanders, en dat moeten er heel veel geweest zijn. Dat blijkt wel, want aan het einde van de toespraak is het drieduizend man die tot inkeer komt. Het is dus een massaal gebeuren geweest van mensen die de toespraak van Petrus hebben gehoord. Dat kan niet anders. Zij waren allen buiten zichzelf en verbijsterd. Waarom? Nou, dan moet je even één vers teruglezen. Wij horen hen... Verplaats je even in de situatie: het was een hoogtijd waarbij vele pelgrims uit alle delen van de wereld in Jeruzalem waren. De stad was vergeven van vreemdelingen uit die twaalf nationaliteiten. En wat vindt er dan plaats? Ze begonnen te spreken en het wonder was: "Wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden van God spreken."
Dit was dus een talenwonder. Het waren Galileze mannen en zij gingen spreken, waarbij je dan natuurlijk de vraag krijgt: was dit nu een spreekwonder of een hoorwonder? Het heeft iets met de tongen te maken, al is dat ook niet helemaal terecht. Als je denkt aan de tong, dan zou je zeggen dat het te maken heeft met het spreken. Maar — mijn schoonmoeder krijgt een telefoontje, wat was het ook alweer? Oh ja, het feit dat het zo genoemd wordt, de tong... Dan zou je zeggen dat het te maken heeft met spreken, maar u moet ook weten dat het Griekse woord voor tong ook simpelweg een ander woord voor taal is. Afijn, dat doet niet ter zake; één ding is duidelijk: zij horen hen allemaal in hun eigen taal spreken.
Ze waren verbijsterd en buiten zichzelf, terwijl de een tegen de ander zei: "Wat wil dit zijn?" of "Wat wil dit zeggen?" U bent het inmiddels van mij gewend: dit is een erg letterlijke vertaling die zo dicht mogelijk aansluit bij de interlineair. Als u in de NBG of de Statenvertaling meeleest, zult u soms wat verschillen aantreffen die ik soms nog even toelicht. In ieder geval is de verbijstering evident. Men kan dit namelijk niet verklaren: "Wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden van God spreken." Dat was overigens al voorzegd, met name bij de profeet Jesaja, waar God had gezegd: "Ik zal tot dit volk spreken in andere talen." Dat was voor Israël op zich al verbijsterend: dat God Zich zou bedienen van een taal buiten het Hebreeuws om.
Verbijstering dus, ze waren buiten zichzelf. Maar niet iedereen reageerde zo, want er staat dat "anderen" — andersoortigen — schertsend en uitjouwend zeiden: "Ha, ze zijn barstensvol zoete wijn!" Ze hebben te veel zoete wijn gedronken. Dat is op zich niet zo gek, die verschillende reacties. Aan de ene kant was de stad natuurlijk vol van pelgrims vanuit het buitenland. Als jij dan mensen in jouw taal hoort spreken die zij nooit hebben geleerd en wat je ook niet kon verwachten, dan ben je verbijsterd. Hoe is dit mogelijk? Dat was een godswonder. Maar probeer je nu eens voor te stellen dat je een inwoner van Jeruzalem bent. Je hoort die twaalf in talen spreken die jij helemaal niet kent. Dan is de reactie wel begrijpelijk dat je zegt: "Ze zijn barstensvol zoete wijn." Kent u dat niet? Ik hoor zo vaak mensen spreken in een soort van "tongentaal" waar je helemaal niets van begrijpt. Maar dat hangt er maar net vanaf wie jij bent.
Als jij bijvoorbeeld een Rus bent en je hoort iemand die nooit Russisch geleerd heeft in het Russisch tot jou spreken, dan ben je verbijsterd. Maar een ander, die geen idee heeft wat Russisch is, denkt: "Wat is dit? Wat voor rare taal zit hij daar te brabbelen?" Dus de mensen die hen in hun eigen taal hoorden spreken, waren verbijsterd, maar degenen die hen zo hoorden spreken zonder die taal te kennen, reageerden schertsend: "Ze zijn barstensvol zoete wijn." En daar gaan we er maar even aan voorbij dat de Geest inderdaad uitgebeeld wordt in wijn. Paulus refereert daar bijvoorbeeld ook aan wanneer hij zegt: "Word niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar word vervuld met de Geest." Met andere woorden: bedrink je, tussen aanhalingstekens, met datgene waar die wijn een type van is. Maar dat is een ander verhaal. Hier is het puur schertsend en cynisch bedoeld.
De Opening van de Schriften: Drie Punten in Petrus' Toespraak ↑ hoofdstukken
Petrus echter, staande samen met de elf – dus hier ook weer de twaalf, maar Petrus als degene die het woord voert – verhief zijn stem. Dat moet je dan ook wel doen natuurlijk als er zo’n groot publiek is, getuige de context. Hij verhief zijn stem en verwoordde tot hen het volgende. Hij neemt het woord en hier begint de toespraak.
Laat ik eerst, voordat ik daar verder op inga, even iets zeggen over de toespraak in het algemeen. We gaan de volgende keer verder, maar de toespraak van Petrus is opgebouwd zoals een goede toespraak altijd is. Op theologische scholen wordt daar het vak homiletiek gegeven, en u weet het wel: een goede preek bestaat uit drie punten. En een tussenzang, ja, dat is dan weer in een andere richting, maar in ieder geval toch drie punten. Een toepassing heb ik ook wel eens gehoord, maar sommigen rekenen dat ook bij dat derde punt of de conclusie. In ieder geval is het in het algemeen gebruikelijk en handig om een toespraak in drieën te verdelen.
Kijk even met me mee. In vers 14 en 15 vind je de oproep die Petrus doet: "Joodse mannen!" Vervolgens krijg je een lang citaat waar we ons vanmiddag mee bezig zullen houden: een lang citaat uit Joël 2 over de uitgieting van Gods Geest. Dan in vers 22 tot 24 opnieuw een oproep van Petrus, waarbij hij hen aanspreekt als "mannen van Israël". Vervolgens krijg je in vers 25 tot 28 een verwijzing naar Psalm 16, de psalm van David, met als thema de opstanding van Christus.
In al deze gevallen, ook in het vervolg, maakt Petrus een punt. Hij opent op deze Pinksterdag de Schriften. Over wie spreekt hij? Over Christus. En hij bewijst vanuit de Hebreeuwse Bijbel – uit Joël 2 en Psalm 16 – dat de dingen die zij zagen en hadden meegemaakt en gehoord, volledig in overeenstemming zijn met de Schriften. Het is tevoren gezegd; Gods Woord had dat al verklaard. Hij bewijst dat, en we willen dat in deze serie ook nader bezien. Het is een geweldige toespraak, echt; ik ben er weer helemaal enthousiast over geworden.
Om op het derde punt te komen volgt er opnieuw een oproep in vers 29 tot 33: "Mannenbroeders!" Dan krijg je een verwijzing naar Psalm 110, waar Petrus duidelijk maakt dat David ook al heeft gesproken over de verhoging van Christus en zijn hemelvaart. Hij maakt dat dan ook duidelijk aan de hand van Psalm 110. Dus drie punten. Het zijn drie passages die in dit gedeelte worden uiteengezet. Eigenlijk is wat wij nu doen in deze serie een bijbelstudie over een bijbelstudie, want wat Petrus hier doet, is een bijbelstudie.
Hij haalt het kennelijk allemaal uit zijn hoofd. Daar staan de Joden ook om bekend: dat zij hele passages zomaar uit het hoofd kunnen reciteren. Daar zijn we tegenwoordig niet zo heel erg goed meer in. En ja, waarom zou je ook? Je hebt je smartphone en je kunt de Bijbel altijd even bij de hand nemen. Maar vroeger was dat anders, zeker omdat boeken veel schaarser waren. Alles werd met de hand geschreven op schriftrollen, dus dat was zeldzaam, duur en kostbaar. Het was niet allemaal zo bij de hand. Wat er geleerd werd, was om die belangrijke schriftgedeelten gewoon uit je hoofd te kennen. En Petrus citeert dan ook vrijmoedig een hele lap tekst uit Joël 2, Psalm 16 en Psalm 110. Die schriftgedeelten kende hij, en dat zul je op allerlei andere plaatsen ook zien: de Schriften gingen open.
Wat Petrus doet op de Pinksterdag is niet zomaar iets, maar de Schriften openen. Ik denk dat dat op zichzelf al een statement is. Mensen denken bij 'geest' altijd aan emotie, maar wat Petrus doet, is dat Woord van God brengen dat vol is van Geest. Het is geïnspireerd, ingeblazen. In het woord inspiratie zit het woordje 'spirit'. God heeft Zijn Geest daarin gelegd, ingeblazen, en daarom is dat Woord ook levend. Dat Woord is vol Geest en leven. Ik vind het geweldig om eraan te denken dat de Schriften – de woorden Gods die opgetekend staan – levend gemaakt zijn.
U weet: als God blaast, is dat Geest; dan maakt Hij levend. Zo was het ooit met de mens die uit de aarde genomen werd: God blies in hem en alzo werd Adam een levende ziel. God blies in hem en toen werd een stuk klei, leem uit de aarde, levend. Zo is het Woord Gods ingeblazen en daarom zegt de Heer Jezus in Johannes 6: "Mijn woorden zijn geest en leven." Geestelijk leven; Geest is leven. Dat Woord is vol van Geest.
Hoe logisch is het dan dat deze hele toespraak gaat over Jezus Christus, die opgewekt is door Gods Geest? De Schriften gaan daarbij open en het gaat over wie Hij is en over dat wat er staat geschreven. Dat is wat Petrus op een hele krachtige wijze laat zien. Akkoord, wat gaat Petrus dan zeggen? Hij staat daar met de elf, neemt het woord, verheft zijn stem en verwoordt het als volgt.
Petrus Richt Zich Nadrukkelijk tot het Huis van Israël ↑ hoofdstukken
Mannen, Joden! U weet hoe dat gaat en ik hoop niet dat de dames zich daardoor gediscrimineerd voelen, maar het is zo dat de man wordt aangesproken en daarmee is de vrouw ingesloten. De vrouw is immers van origine ook uit de man voortgekomen; dat is de Bijbelse gedachte.
Hij spreekt hen aan als Joden en allen die in Jeruzalem wonen. Het feit dat hij het zo formuleert, geeft aan dat hij zich in de eerste plaats richt tot al die pelgrims — Joodse pelgrims uiteraard — die ter gelegenheid van deze hoogtijdagen naar Jeruzalem waren gekomen. Dat betekent meteen dat we in Handelingen 2 op Israëls bodem staan. Het zijn de twaalf, of de honderdtwintig, die daar zijn. Die twaalf nationaliteiten... alles heeft te maken met Israël en zíj worden aangesproken. Zo begint Petrus, maar zo eindigt hij ook weer.
Want als u aan het einde van de toespraak leest, in Handelingen 2 vers 36 — nadat hij al die passages heeft gelezen en heeft toegelicht — dan zegt hij als conclusie: "Laat het hele huis van Israël dan zeker weten dat God Hem én tot Heer én tot Christus maakte, deze Jezus die jullie kruisigden." Wie spreekt Petrus hier aan op het tempelplein in Jeruzalem? Ja, dat laat zich raden, maar het wordt ook sterk benadrukt: Joden en het hele huis van Israël. Dat speelt een essentiële rol, iets waarin we alleen maar bevestigd zullen worden. Waarom? Omdat het huis van Israël het zeker moest weten. Het gaat ook hier weer niet om de emoties; het gaat om weten en om zekerheid. De bewijzen komen op tafel. We zullen dat in het vervolg nog heel duidelijk zien, zoals Petrus ook een appèl doet op hun eigen waarneming en op dat wat zij wisten. Er was dus niets wazigs aan.
Ik benadruk dat misschien zo sterk omdat Pinksteren bij ons vaak als het meest ongrijpbare wordt beschouwd. Het wordt altijd geassocieerd met iets... ja, hoe zal ik dat zeggen? Pinksteren heeft die reputatie van onvatbaarheid, en op zich zit daar ook wel een logische gedachte achter. Geest heeft immers te maken met adem; dat kun je niet zien. Maar dan moet u toch eens luisteren naar wat Petrus meldt en hoe concreet dat is. Kijk, als we het hebben over leven: kun je leven zien? Nee, maar wat het uitwerkt, dat laat zich wél zien. Dat was hier ook zo. De geest liet zich niet zien, oké, het was een geluid als van een geweldige windvlaag, maar wat er vervolgens concreet manifest en zichtbaar werd, dat was overduidelijk.
Het is dus inderdaad Israël dat wordt aangesproken. Petrus richt zich tot degenen die zich in Jeruzalem bevinden en daar wonen. "Laat dit jullie bekend zijn," zegt hij heel plechtig, "en neemt mijn uitspraken ter ore." Want hij moet zich nu gaan verantwoorden. Ter verduidelijking: er waren al die mensen aanwezig die verbijsterd en buiten zichzelf waren, en die zich afvroegen: "Wat wil dit zijn?" Vervolgens was er de oppositie die daar schertsend over zei: "Ach, ze zijn barstensvol zoete wijn!"
Petrus gaat zich verantwoorden. Hoe? Aan degenen die verbijsterd waren over het talenwonder dat daar plaatsvond, maar hij spreekt ook tegen de aanklacht in. Hij wil iets bekendmaken en daarom gaat hij nu uitspraken doen. Hij vraagt hen de oren te spitsen: "Neemt mijn uitspraken ter ore." Want, zo zegt hij, deze mensen zijn niet dronken zoals jullie dat opvatten. Hij geeft daarvoor de meest nuchtere reden: het is pas het derde uur van de dag. Dat is ongeveer het meest onlogische tijdstip om zoiets te veronderstellen. Het was natuurlijk schertsend bedoeld van die anderen, maar Petrus benadrukt juist: het is het derde uur van de dag.
Waarbij u trouwens moet bedenken wat dat inhoudt. God noemde het licht "dag". Op het moment dat de zon opkomt, begint de dag. Dat betekent dus dat het derde uur van de dag — als je ervan uitgaat dat een dag in Israël rond een uur of zes in de ochtend begint — neerkomt op ongeveer negen uur 's morgens. Het is het derde uur van de dag. De veronderstelling of de suggestie die zij deden, is dus absurd. Zoiets kun je eigenlijk alleen maar zeggen wanneer je zelf een glaasje te veel op hebt, zou je bijna zeggen. Het verwijt kaatst dus terug naar hen. Het is belachelijk en totaal niet aan de orde. Maar! En dan komen we nu op een heel belangrijk punt.
Een Grammaticaal Bewijs: het Misbegrepen Citaat uit Joël 2 ↑ hoofdstukken
Dit is wat uitgesproken is door de profeet Joël. En ik zal u vertellen, dit is een heel problematisch punt. Want waar doelt Petrus nu op? Hij gaat nu een lang citaat geven uit het boek van de profeet Joël. Algemeen wordt gezegd dat wat nu volgt, in vers 17 tot en met vers 21, datgene is wat Joël heeft voorzegd en dat dit vervuld zou zijn op de Pinksterdag. Ik ga u vertellen: dat is absoluut niet aan de orde. Eigenlijk, als je het goed beschouwt, slaat dat ook nergens op. Dat moet ik nog nader toelichten.
Meestal is het zo dat men zegt: "Ja, dit duidt op het spreken in tongen." Maar die uitleg kan om twee redenen niet kloppen. Ten eerste heeft Joël, die vervolgens door Petrus geciteerd wordt, het helemaal niet over dat spreken in tongen. Daar komt nog iets bij, en dat is een grammaticale reden. Die kunnen we in het Nederlands maar deels volgen, maar het Grieks is daarin buitengewoon precies—een precisie waar onze Nederlandse taal totaal niet aan kan tippen. Als je dit leest in het Grieks, "dit is...", dan weet je dat dit altijd ergens naar verwijst. Als ik zeg "dit boek", dan wil dat zeggen dat ik op iets wijs. "Dit" en "dat" zijn aanwijzende voornaamwoorden.
In het Grieks is het zo dat wanneer hier staat "dit is", je ziet dat "dit" enkelvoud is. Het verwijst naar één ding. Het kan namelijk ook naar iets meervoudigs wijzen; dat kennen wij trouwens in het Nederlands ook: "dit boek" en "deze boeken". Je ziet gewoon aan de wijze waarop het woord gebezigd wordt of het betrekking heeft op een enkelvoud of op een meervoud. Je kunt niet zeggen "dit boeken", het is "deze boeken". In het Nederlands zie je het deels ook, maar in het Grieks is het overduidelijk enkelvoud. Maar je weet ook nog iets, en dat kennen we in het Nederlands al helemaal niet of nauwelijks meer: een woord is of mannelijk, of vrouwelijk, of onzijdig. Vele andere talen, ook Europese talen, kennen dat fenomeen natuurlijk nog wel, maar het Nederlands nauwelijks meer.
Als je dan kijkt naar de precisie van die Griekse taal, dan zie je dat wanneer hier staat "dit is", dat enkelvoud onzijdig is. Dat is gewoon een grammaticaal feit. Dan moet dat verwijzen naar iets wat ook een enkelvoud is en een onzijdig woord. Wel, dat kan nooit op het spreken in tongen slaan. Dus grammaticaal is dat onmogelijk. Waar het wel op kan slaan? Als ik zeg "dit", dan verwijst dat naar iets wat uit de context moet blijken. In dit geval is het duidelijk, want "dit is", is zoals gezegd enkelvoud onzijdig. Excuses dat ik even op deze grammaticale details inga, maar ik zal u straks ook laten zien waarom dat van belang is. "Dit is" is enkelvoud onzijdig. "Wat uitgesproken is door de profeet Joël" is in het Grieks ook enkelvoud onzijdig. "Dit is" verwijst dus niet terug, maar vooruit.
Als Petrus zegt: "Dit is wat uitgesproken is door de profeet Joël," dan wil dat zeggen: dit is hetgeen uitgesproken is door de profeet Joël, namelijk... en dan komt het citaat. Hebt u hem? Hij verwijst dus niet terug naar dat talenwonder. Hij zegt: "Ik ga jullie wat vertellen. Ik wil jullie wijzen op de Schrift. En dit is wat de profeet Joël heeft gesproken: dubbele punt." Die gedachte dat Joël hier vervuld wordt, heb ik heel vaak gehoord. Sterker nog, ik maak me sterk—en ik ga dat niet navragen, maar ik durf het te beweren—dat verreweg de meesten dat ook altijd gedacht hebben. Ik heb zelf ook altijd in die gedachte geleefd dat Petrus daar toch zegt: "Dit is wat gesproken is door de profeet Joël," oftewel: wat in Joël staat, is vervuld op de Pinksterdag. Maar dat zegt hij niet.
Terwijl alle aandacht was gericht op dat talenwonder, neemt Petrus het woord om zich te verantwoorden en hij zegt: "Ik ga jullie wat vertellen. Ik ga jullie wijzen op wat er in de profeten staat. En dit is wat door de profeet Joël is uitgesproken: dubbele punt." En nu gaat het komen. Begrijpt u wat ik wil zeggen? Ik hoop dat ik het duidelijk gemaakt heb. Maar dit is buitengewoon belangrijk, want het citaat wat volgt, dat past namelijk totaal niet op de gebeurtenissen van de Pinksterdag. Maar dat is ook helemaal niet wat Petrus claimt. Daarom ben ik er ook even wat uitgebreider op ingegaan. Dit is buitengewoon belangrijk om goed te verstaan.
Petrus heeft een reden om naar de profeet Joël toe te gaan. Absoluut, want zijn betoog is opgebouwd juist om hen iets duidelijk te maken. Er is trouwens ook wel een connectie, want ook Petrus maakte daar in Jeruzalem die uitstorting van de geest mee en al die mensen daar in Jeruzalem zagen dat. Welnu, ook Joël spreekt over een uitstorting van de geest, maar in een heel andere context en dat wil ik u laten zien. Dit is wat uitgesproken is door de profeet Joël. Laten we eerst even, voordat we nu verder gaan in die toespraak van Petrus, naar Joël 2 toe gaan.
De Werkelijke Context van Joël: Israëls Toekomstige Herstel ↑ hoofdstukken
Ik begin te lezen in vers 26 van Joël 2. Daar wordt voorzegd door Joël: "Jullie zullen volop en tot verzadiging eten. En gij zult loven de naam van JAHWEH, uw God, die wonderbaar met u gehandeld heeft. Mijn volk zal nimmermeer te schande worden." Over wie gaat dit? Het lijkt me duidelijk: over mijn volk. Israël, dat weer Ammi zal zijn, Gods volk. Ik verwijs hiermee trouwens naar een andere profeet, namelijk Hosea. Maar goed, God noemt zijn volk "mijn volk" en Hij belooft dat het nimmer meer te schande zal worden.
Dat betekent dus dat we hier inderdaad in een eindtijdelijke zetting zijn. Uit zo’n formulering weet je eigenlijk meteen al dat dit de aanvang van het Messiaanse Rijk moet zijn; het moment waarop al het lijden voor Israël als nationale entiteit, als volk, voorbij is. Zij zullen de naam van JAHWEH loven en zij zullen terugzien op hun God die wonderbaar met hen heeft gehandeld. Dan staat erbij: "Dan zult gij weten dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik, JAHWEH, uw God ben en niemand anders. Mijn volk zal nimmermeer te schande worden." Ziet u de herhaling?
In vers 28 staat vervolgens: "Daarna zal het geschieden dat Ik mijn Geest zal uitstorten." En dan krijg je dat wat Petrus vervolgens citeert. Maar waarom lees ik dit nu eerst even in de profeet Joël? Om duidelijk te maken dat Joël het heel duidelijk in een chronologisch verband zet. Hij wijst aan in welke reeks van gebeurtenissen die uitstorting van de Geest plaatsvindt. Dat is wanneer Israël hersteld zal zijn, wanneer God in hun midden zal zijn en zij Hem ook zullen kennen. Zij zullen weten dat Hij in het midden van Israël is. Kortom, hier praat je echt over een tijd die we maar al te goed bij de profeten kennen. En daarna zal het geschieden dat Ik mijn Geest zal uitstorten. Joël plaatst die gebeurtenis van de Geest die uitgestort wordt in een duidelijke context, in een samenhang van een reeks van gebeurtenissen. Vandaar ook: "dan zullen jullie weten" en "daarna", enzovoorts.
Nu we weten wat er in Joël staat, gaan we terug naar Petrus. Petrus zegt: "Dit, wat nu volgt, is wat uitgesproken is door de profeet Joël." En dan zegt hij: "En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God." Petrus citeert nu even vrij. Want wat hadden we gezien? In Joël 2 wordt hier gesproken over "daarna", maar omdat Petrus maar één gedeelte aanhaalt, zegt hij meteen ook wanneer het is. Dit is dus een toelichting van Petrus; dit hoort niet bij het citaat zelf. Het zal zijn in de laatste dagen, dan weet je dus ook meteen dat dat inderdaad waar is. Ik sprak zojuist over een eindtijdelijke zetting, en dat is wat Petrus ook zegt. "Het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitgieten." Uitstorten. Ik denk nu een beetje in de termen van het lied waar we mee begonnen: plasregen, zo’n stortregen. "Dat Ik zal uitgieten vanaf mijn Geest."
U vindt dit misschien wat vreemd, en ik heb ook geaarzeld om het zo weer te geven, want het is een beetje vreemd Nederlands, dat geef ik direct toe. Maar zo wordt het wel in de grondtekst gebruikt: "Ik zal gieten vanaf mijn Geest op alle vlees." Dat wil zeggen: op alle vlees van de Israëlieten. Daar gaat het over. En dat uitgieten is een beeld wat we ook op andere plaatsen nogal eens tegenkomen. Daar kom ik trouwens straks nog over te spreken als ik nog andere profeten oproep die daar ook over spreken. Afijn, Petrus zegt: "Het zal zijn in de laatste dagen dat Ik zal uitgieten vanaf mijn Geest op alle vlees, en zij zullen profeteren: jullie zonen en jullie dochters." Aha, hier zie je dus inderdaad: het gaat over dat volk van Israël. Jullie zonen, jullie dochters, en zij zullen profeteren.
Wanneer? Er wordt altijd uitgelegd dat Petrus zegt dat wat nu in Joël staat op de dag dat hij dit vertelt vervuld is. Maar dat heeft hij helemaal niet gezegd! Bijna altijd wordt het zo uitgelegd, maar dat zegt hij niet. Dat zou ook een volkomen miskleur zijn, want daar gaat het helemaal niet over. De tijd is volkomen duidelijk: in de laatste dagen voor Israël. Als het huis van Israël zal weten wie de Heer is, dan zal dat plaatsvinden. En niet alleen wanneer het zal plaatsvinden, maar ook over wie: over jullie zonen en jullie dochters, het huis van Israël. "Jullie jongelingen zullen visioenen zien en jullie ouderen zullen dromen dromen." Dat zijn dus de jongelingen van Israël en de ouderen van Israël na hun nationale bekering. Kijkend naar de context van Joël is het volkomen helder: het zal zijn in de laatste dagen. En wij maar denken dat het gaat over de kerk en over charismatische verschijnselen, en dat mensen nu komen met: "Ik heb dromen gedroomd en ik heb visioenen gezien, want dat staat toch in Joël en dat is toch Pinksteren voor ons?"
Geestelijke Diefstal: de Valse Claim op Israëls Beloften ↑ hoofdstukken
Mensen, het is – ik zeg het misschien wat scherp – het is diefstal. Het is gewoon diefstal. Je neemt woorden die God heel uitdrukkelijk geadresseerd heeft en bovendien heel uitdrukkelijk ook getimed heeft. Hij heeft gezegd: Israël. Hij heeft gezegd: de laatste dagen nadien, dat wil zeggen na Israëls bekering. En Joël en Petrus in Handelingen 2 zijn daar volkomen helder over, zowel over de adressering als over het tijdstip dat dit alles zijn vervulling zal vinden.
Waarna natuurlijk een andere vraag is: waarom begint Petrus daarover te spreken? Ja, daar moeten we het nog over hebben, maar één ding is duidelijk: dat Joël spreekt in die profetie over de laatste dagen en over Israël en over de gebeurtenissen na Israëls nationale bekering. En dan zullen de jongelingen visioenen zien en ouderen dromen dromen. En dat zijn geen kinderspellen en geen fake. Geen nep en allemaal van dat... ja, ik gebruik weer het woordje 'waarzig', waar je geen touw aan vast kunt knopen. Nee, het zijn gewoon duidelijke goddelijke fenomenen.
Weet u, dat is typisch voor de mens. Alles wat een mens doet en ten onrechte naar zichzelf toetrekt, dat heet dus diefstal. Als iets voor een ander bestemd is en jij neemt het en gebruikt het voor jezelf, en je past het op jezelf toe, dan is dat gewoon diefstal. Het is namelijk helemaal niet aan jou gezegd, het is niet voor jou bedoeld, het is niet aan jou beloofd en je pakt het gewoon af. Dan ben je dus feitelijk bezig met een rollenspel, zo heet dat toch? Je neemt een rol aan. Je denkt Israël te zijn en de dingen die over dat volk geprofeteerd zijn, die pas je dan op jezelf toe. Met als gevolg dat je gewoon iets doet wat je helemaal niet bent. En dat is dus gewoon een aandoening. In de psychologie spreken we daarover: een aandoening. Als je zoiets doet, dan is dat projectie of hoe het maar heten mag.
Het resultaat is ook dat, terwijl dat straks in de laatste dagen iets zo onmiskenbaar zal zijn, zoals het ook onmiskenbaar was op de Pinksterdag... dat talenwonder mensen, dat was echt een wonder! Dat al die duizenden mensen hen in hun eigen taal hoorden spreken. Dat is een godswonder. En als we het nu hebben over glossolalie, over dat spreken in tongen, dan is dat fake. Dat is brabbeltaal. Dat lijkt in de verste verte niet op dat wonder wat er op de Pinksterdag plaatsvond daar in Jeruzalem. Dat was onmiskenbaar: "Hoe is dit mogelijk dat zij onze taal spreken en dat we de grote daden Gods horen? Hoe is het mogelijk?"
Weet u wat buitenstaanders altijd zeggen als je in zulke charismatische fenomenen terechtkomt? "Wat is dit absurd, dit dient geen enkel doel." Bij dit wonder van God was dat anders, dat lees je ook heel uitdrukkelijk. Jesaja zegt al: "Ik zal door lieden van belachelijke lippen tot dit volk spreken." Tot dít volk, Israël. En wij hebben dat allemaal zo gejat en ons toegeëigend. Zodoende worden ook op een dag als deze, overal ter wereld, dingen toegepast en aangemeten en gejat die helemaal niet voor ons zijn. Daarmee wordt de mensen zand in de ogen gestrooid.
De profeet Joël gaat nog verder en Petrus citeert nog steeds, al dan niet uit zijn hoofd. Ik ga ervan uit dat hij niet zomaar een rol bij de hand heeft gehad, maar in elk geval zegt hij: "En zeker op mijn slaven en op mijn slavinnen zal Ik in die dagen" – ziet u ook weer dat aanwijzend voornaamwoord: díe dagen – "uitgieten vanaf mijn geest en zij zullen profeteren."
Weet u wat profeteren is? Dat is niet zomaar wat nazeggen of iets heel onbestemds uiten, zo van: "Nou, ik heb een vermoeden dat..." of "Het zou zomaar eens kunnen gebeuren." Nee, profeteren is voorzeggen. God voorspelt niet, God voorzegt. Dat is eigenlijk wat profeteren ook letterlijk betekent. 'Pro' betekent 'voor' en 'feteren' heeft te maken met spreken. Profeteren is voorzeggen. God voorzegt. En op zich is dit alleen al een kenmerk van goddelijke waarheid. Alleen God kan de toekomst overzien en spreken over de dingen alsof ze al gebeurd zijn. Daarom verkondigt Hij van den beginne al de afloop. Kijk, dat is voorzeggen, dat is profetie. En dat zal er ook straks gaan gebeuren: "Ik zal in die dagen uitgieten vanaf mijn geest en ze zullen profeteren." Weet u dat over deze gebeurtenis, over die uitstorting van de geest waar Joël over spreekt, veel andere profetieën zijn? Ik wil er drie of vier noemen.
Bevestiging van Israëls Uitstorting Door Jesaja en Ezechiël ↑ hoofdstukken
We gaan eerst even naar Jesaja 44, want ik wil u duidelijk maken dat het echt bestemd is voor Israël. Joël zegt het en Petrus zegt het, maar elders in Jesaja en Ezechiël wordt het alleen maar bevestigd. En dat is trouwens altijd een kenmerk van de waarheid: in de waarheid word je altijd weer bevestigd. Leugens moet je kloppend maken, maar in de waarheid word je alleen maar vastgesteld en bevestigd.
In Jesaja 44 vers 1 staat: "Maar nu, hoor, o Jakob, mijn knecht, en Israël, die Ik verkoren heb." Let op: Jakob wordt Israël. "Zo zegt Jahweh, uw Maker en van de moederschoot aan uw Formeerder, die u helpt: Vrees niet, mijn knecht Jakob, en Jesurun – dat is ook een andere naam voor Israël – die Ik verkoren heb. Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen." Wie wordt hier aangesproken? Dat lijkt me duidelijk: Jakob, Israël, Jesurun. Mijn knecht Jakob. En God zal Zijn Geest uitstorten op uw nakroost en daarmee ook Zijn zegen op de nakomelingen van Israël.
"Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge." Dat is een prachtig beeld. Onlangs hadden we het nog over sterrenbeelden en toen ging het over de afbeelding van de waterman, Aquarius. Dat is een prachtig onderwerp. U weet het: de New Age claimt 'the Age of Aquarius', het tijdperk van de waterman. Dat heeft te maken met de periodes van tweeduizend jaar. We hebben nu tweeduizend jaar het tijdperk van de Vissen gehad. Je kunt niet specifiek een jaar aanwijzen, maar in termen van astronomie verschuift het lentepunt zich naar een ander sterrenbeeld, namelijk naar de Waterman.
Het is om een reden dat ik dit aanhaal. Hoe wordt die Waterman van origine uitgebeeld? Als een man die een grote kruik met water heeft en dat zo uitgiet op het land. Zo’n astronomisch tijdperk duurt tweeduizend jaar. Daarvóór had je de Ram en nu hebben we tweeduizend jaar het tijdperk van de Vissen gehad, wat trouwens een uitbeelding is van het christelijke tijdperk. Als dat voorbij is, dan volgt er een nieuw tijdperk: de Waterman. U begrijpt wel over wie we het dan hebben. "Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge. Mijn Geest uitgieten." U ziet dat Geest hier wordt vergeleken met water, levend water. Dat geeft de dorstige werkelijk zegen en leven; kortom, wat echt nodig is.
Ja! Je bedoelt ook met die regenboog? Ja, want ik neem aan dat je daar naar refereert. Begin jaren tachtig had je die actie van 'Er is hoop'. Ik heb zelf ook jarenlang zo'n sticker op mijn auto gehad – op een Lelijke Eend, dat wel – van 'Er is hoop' met dat regenboogembleem. Later is daar in evangelische kringen kritiek op gekomen, want dat zou astrologie zijn en occult wezen, omdat de regenboog ook het symbool is van New Age. Men zei: dat deugt niet, dus we zouden die regenboog eigenlijk niet meer moeten gebruiken. Dat is natuurlijk een complete omkering! Want van wie is die regenboog nou echt? En als er gesproken wordt over jatten en stelen... de Schrift spreekt over die tijd die gaat komen, over die hoop. "Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost."
Jesaja 59... ben ik echt al een uur bezig? Oh, we geven het nog eventjes de tijd. Dat mag wel, hè? Voor YouTube maakt het toch geen verschil. In Jesaja 59 staat: "Maar als Verlosser komt Hij voor Sion." Dit wordt trouwens in Romeinen 11 ook weer aangehaald wanneer het gaat over de komst van de Messias. "Als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord van Jahweh. En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen." Het gaat hier over een nieuw verbond. "Mijn Geest die op u is, en mijn woorden die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond, noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt Jahweh."
Kijk, wanneer gebeurt dit? Weer even twee vragen: aan wie wordt dit gezegd? Voor Sion en voor degenen die zich in Jakob van overtreding bekeren. En wanneer gebeurt dit? Wel, als de Verlosser komt voor Sion. Wat vindt er dan plaats? Dan wordt er een nieuw verbond gesloten. "Dit is mijn verbond met hen", en dat is inderdaad het verbond van de Geest. "Mijn Geest die op u is." En wat er dan gebeurt, is dat de woorden die Ik in uw mond gelegd heb – de woorden die ze al kenden – dan niet meer zullen wijken uit hun mond. Ze zullen dan werkelijk gaan leven voor hen en de bedekking wordt weggenomen. Dat is dat nieuwe verbond.
Nog één: Ezechiël 36. Daar staat: "Ik zal u weghalen uit de volkeren." Hier wordt gesproken over de verzameling van Israël uit de volkeren. "En u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land." Moet u zich voorstellen: Ezechiël profeteert dit in de dagen dat een deel van Israël, althans van Juda, in Babylonische ballingschap was gegaan. Maar Ezechiël profeteert hier dat Israël een keer verstrooid zou worden over álle volkeren. Maar ook, in de verre toekomst, dat zij weer uit die volkeren terug zouden keren en bijeenvergaderd zouden worden uit alle landen. En "Ik" – dat is geen eigen werk, dat is Gods werk – "Ik zal u brengen naar uw eigen land. Ik zal rein water over u sprengen." Daar hadden we het al over. "Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken" – dat wil zeggen: Ik maak dan – "dat gij naar mijn inzettingen wandelt." Dan leven ze niet meer onder de wet, maar dan wordt de wet in hun hart geschreven. Dat is een karakteristiek voor het nieuwe verbond. "En dat gij mijn verordeningen onderhoudt." Ziet u? Dit is dan niet meer iets wat hen opgelegd is, maar Hijzelf maakt dat zij dat zullen doen. Mooi, hè? "En gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn." Duidelijk wanneer dit is en over wie dit gaat.
Nou, nog eentje: Ezechiël 39. "En als Ik hen uit het gebied der volkeren terugbreng en hen uit de landen van hun vijanden verzamel, dan zal Ik Mij voor het oog der talrijke volkeren aan hen de Heilige betonen." Betonen is bewijzen. God gaat dat doen met Zijn volk, maar Hij zal dat ook aan de volkeren bewijzen. Concreet, zodat er geen twijfel mogelijk is. "En Ik zal mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen." Dat is feitelijk de tijd waarin wij nu leven: de Heer verbergt Zijn aangezicht. We zien Hem niet; het wordt Hem kwalijk genomen, Hij is verborgen. Wij leven in de tijd van de verborgenheid en straks wordt Hij openbaar: de openbaring van Hem. "En Ik zal mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik mijn Geest over het huis Israëls heb uitgestort."
De Dag Des Heren en het Aanroepen van Zijn Naam ↑ hoofdstukken
Hij zegt: "En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en damp van rook, voordat de dag van de Heer komt, de grote en tevoorschijn komende dag. En het zal zijn dat ieder, wie ook maar, de naam van de Heer aanroept, gered zal worden."
Hier eindigt het citaat dat Petrus daar op de Pinksterdag aanhaalt uit het boek Joël. Joël sprak over de toekomst en hij sprak er ook over dat er dan redding zal zijn voor heel Israël. Waarom? Omdat ze de naam van de Heer gaan aanroepen.
Het laatste wat ik nu ga zeggen — en dat beloof ik bij deze — is wat Petrus duidelijk gaat maken in deze toespraak. De naam van de Heer is gegeven aan Jezus Christus. We hadden dat al gezien in Handelingen 2 vers 36: "Laat het hele huis van Israël dan zeker weten dat God Hem en tot Heer en tot Christus maakte, deze Jezus die jullie kruisigden."
Vandaar dat Petrus dat lange citaat uit Joël geeft. Israël zal eenmaal gaan meemaken dat de geest uitgestort wordt over heel het volk. Wat toen nog maar een enkeling betrof — toen vielen de druppelen reeds neder — zal dan de geweldige, grote neerstorting van die stroom zijn over heel het huis van Israël. Dan zullen ze de naam van de Heer aanroepen en dan zullen ze ook weten wie die Heer is: dat God Hem tot Heer gemaakt heeft. Maar dat moeten ze wel weten, en daarom haalt Petrus dat gedeelte uit Joël 2 ook aan. Daar moeten we de volgende keer dan maar mee verder gaan. Dit gaan zeker wel drie studies worden.
UltimateGoodNews