niet meer ik, maar Christus…!
28-05-2017 - Geplaatst door Andre Piettoespraak gehouden op zondag 28 mei 2017 te Zoetermeer
Christus betekent het einde van religie en ieder pogen van de mens. Want alles is volbracht! En dan begint het LEVEN! (Galaten 2:19 t/m 21)
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: de Context van de Galatenbrief
- De Komst van de Judaïsten en het Verjoodsen van de Natiën
- Paulus' Unieke Apostelschap en het Onafhankelijke Evangelie
- De Hypocrisie in Antiochië: Paulus Weerstaat Petrus in het Gezicht
- Gerechtvaardigd Door het Geloof Ván Jezus Christus
- Door de Wet Gestorven Om voor God te Leven
- Niet Meer Ik, maar Christus Leeft in Mij!
- Het Tegenwoordige Leven: Leven in het Geloof van de Zoon van God
- De Genade van God Niet Afwijzen: het Is Volbracht
Introductie: de Context van de Galatenbrief ↑ hoofdstukken
Ik wil u vanmorgen eens meenemen naar het slot van Galaten, hoofdstuk 2. Slechts drie verzen willen we eens wat meer in de picture zetten, maar ik waarschuw u daarbij wel dat ik een lange aanloop nodig heb vanmorgen. Die tijd gun ik me ook even, om daarmee ook duidelijk te maken wat er allemaal aan voorafgegaan is en waar het feitelijk om gaat. Een tekst heeft immers alleen maar zijn betekenis in, zoals dat dan heet, de context; in de samenhang. Dat is het oogmerk, het motief van dat wat gezegd of, in dit geval, geschreven is.
Ik heb de studie als titel meegegeven: niet meer ik, maar Christus. Eigenlijk loopt de zin daar nog door, zoals we straks ook zullen zien: niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Hoezo zegt Paulus dat zo? En wat is de geweldige betekenis daarvan? Wel, ik zei al, we gaan de brief eens nader bezien.
Paulus schrijft deze brief aan de Galaten, een landstreek in Klein-Azië. In de eerste tien verzen van het eerste hoofdstuk – en als u een Bijbeltje bij u hebt, blader dan gewoon even met me mee, dan kunt u dat zo zien – vertelt hij wat de directe aanleiding is van zijn schrijven. U moet weten dat Paulus eerder, waarschijnlijk een paar jaar eerder, daar was geweest. Door zijn prediking van het Goede Bericht waren daar in die landstreek Ecclesia's ontstaan; gemeenten vanuit dat woord.
Het woord dat Paulus daar gepredikt had, was een woord van genade. Dat is eigenlijk één van de, zo niet hét sleutelwoord van deze brief: genade. Dat wil zeggen: gratis, om niet. Ze waren daar, dat weten we later in de brief, zo enorm blij mee. Dat was wat er was gebeurd toen Paulus daar weer wegving en verder ging reizen om elders het woord door te geven.
De Komst van de Judaïsten en het Verjoodsen van de Natiën ↑ hoofdstukken
Er waren mensen gekomen, judaïsten, dat wil zeggen zij die de Joodse godsdienst wilden introduceren in die ecclesia’s. Hun idee was: "Ja, jullie zijn nu wel gered, maar als je rechtvaardig wilt leven" – want dat is ook zo’n sleutelbegrip – "als je rechtvaardig wilt leven, dan kan dat niet zonder wet. Er bestaat geen rechtvaardigheid zonder wet." Dus als je hier op aarde leeft en je wilt rechtvaardig zijn, dan moet je je houden aan de wet. En dat bestond in soorten en maten. In elk geval waren er die pleitten dat gelovigen uit de natiën ook besneden moesten worden. Ze hadden daar eigenlijk eenvoudige redeneringen voor; het is niet zo moeilijk om dat te verdedigen. Ze zeiden: "Jullie zijn nu toch kinderen van Abraham? Wat moet er met kinderen van Abraham gebeuren? Die horen toch besneden te worden?"
We lezen ook in Galaten 4 dat ze zich inspanden voor dagen, maanden en vaste tijden. Kortom: al de dagen die in de wet van Mozes aan Israël gegeven zijn, wilden ze introduceren in die gemeenten. De sabbat houden, een nieuwe maan... noem het maar op. Al die hoogtijden die God aan zijn volk Israël heeft gegeven, zouden wij moeten houden, want dat staat in de wet en door de wet zou een mens rechtvaardig kunnen leven. Het gaat er trouwens niet om dat die leraren beweerden dat je door de wet gered zou worden. Nee, het punt was: als je rechtvaardig wilt leven, dan heb je de wet nodig. Je kunt niet buiten die wet om.
Wanneer Paulus daarvan hoort en begrijpt wat dat allemaal betekent, is hij ontsteld. Hij zegt: "Wie heeft jullie betoverd?" En hij vraagt ook: "Waar is jullie geluk gebleven?" Ze waren zo uitgelaten, zo blij. Er was zo’n vreugde gaan stralen. Dat is wat genade bewerkt; dat is de logische uitwerking. Je krijgt iets puur om niets, zonder dat je er iets voor gedaan hebt.
Je moet je daarbij voorstellen dat het grootste deel van die gelovigen in de ecclesia’s van Galatië een heidense, niet-Joodse achtergrond had. Ze kwamen uit de afgodentempels en waren gelovigen geworden. En nu werden zij verjoodst. Althans, er waren er die dat predikten. Die leer van de judaïsten vond daar gretig ingang, en weg was de blijdschap. Er was wel een religieuze ijver gekomen voor dit en dat, maar je leest ook dat het vlees ging opspelen. Dat is altijd zo als het godsdienstige vlees wordt geactiveerd: de focus komt op het 'ik' te liggen. Op wat je moet doen en wat je vooral niet mag doen. Dat betekent ook dat men elkaar ging bijten en vereten, want de één voldeed niet aan de regels van de ander. Zo ging men elkaar naar het vlees beoordelen. Dat gaat altijd hand in hand; het één is niet los verkrijgbaar van het ander.
Paulus is, zoals gezegd, ontsteld. "Wie heeft jullie betoverd?" Het verbaast mij, zegt hij in vers 6, dat jullie je zo schielijk hebben laten afbrengen van de genade van Christus. Weer die genade, namelijk die van Christus. Daarbij was niet alleen de boodschap die Paulus had gepredikt in het geding; Paulus stelt het heel zwart-wit. Hij zegt: "Indien iemand..." Let op, we hebben het daar een aantal weken geleden ook over gehad in die andere zaal in Zoetermeer, in dat hotel; toen was dat het onderwerp. "Indien iemand jullie een evangelie predikt – of wat daarvoor doorgaat – dat afwijkt van wat wij jullie hebben verteld: anathema. Die zij vervloekt!"
Hij heeft het nu niet eens over iedereen die het gelooft, maar over degene die het vertelt. Degene die die blijde boodschap van genade verandert. Hij zegt: al was ik het zelf, of een engel uit de hemel – overtuigender kan het toch niet – die zij vervloekt. Als het gaat om de essentie van de blijde tijding, het goede bericht, het evangelie van de genade, dan bestaan er geen compromissen. Want het is of gratis, óf niet. Zo serieus lag dat.
Paulus' Unieke Apostelschap en het Onafhankelijke Evangelie ↑ hoofdstukken
Het ging dus om dat evangelie dat Paulus daar onder de natiën had gepredikt, en daar werd afbreuk aan gedaan. Daar komt trouwens bij dat ook zijn apostelschap – dus het feit dat hij door Christus gezonden was – in twijfel werd getrokken. Al was het maar, en ook dat was goed te beargumenteren, omdat Paulus niet bij die twaalf hoorde; hij is als het ware 'buiten de tijd' geroepen. Die twaalf heeft de Heer hier op aarde gekend, maar Paulus niet. Dus zijn apostelschap, zijn zending, zou eigenlijk van mindere orde zijn. Het in diskrediet brengen van zijn boodschap kon men juist doen doordat men zijn apostelschap in twijfel trok.
Beide benadrukt Paulus ook, en dan zegt hij in vers 11: "Ik maak jullie bekend, broeders, dat het evangelie dat door mij werd verkondigd, niet is naar de mens. Ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd – dus ook niet van één van de twaalf daar in Jeruzalem – maar door openbaring van Jezus Christus." Het was feitelijk de laatste update, mag ik wel zeggen. Hij werd geroepen door Christus vanuit de hemel. Hij benadrukt dat dan ook vervolgens in de rest van dat eerste hoofdstuk. Paulus verhaalt daar van zijn roeping, die volledig onafhankelijk van Jeruzalem was.
Hij was immers gezonden vanuit Jeruzalem om in Damaskus de gemeente te vervolgen. Paulus was dé vervolger van de gemeente, dé tegenstander van het evangelie van Jezus Christus. Hij had in het Joodse land zijn werk gedaan en nu ging hij ook naar het buitenland om daar het evangelie te ondermijnen en de Ecclesia's te vervolgen. Met brieven op zak van de autoriteiten vanuit Jeruzalem was hij op weg gegaan naar Damaskus. En daar werd hij geroepen, in het buitenland. Hij werd in zijn nekvel gegrepen. Wat hij dan ook vooral benadrukt is: "Toen ik geroepen werd, ben ik niet te rade gegaan bij vlees en bloed." Hij zegt: "Ik ben ook niet gegaan naar Jeruzalem, naar hen die eerder dan ik apostelen waren." Nee, hij is naar Arabië gegaan. De Heer had hem geroepen en gezegd: "Ik heb je nog meer te vertellen, ik heb je nog heel veel te onderwijzen." Hij is naar Arabië gegaan en pas drie jaar later is hij een keer naar Jeruzalem gegaan.
Hij zegt: "En ik heb niemand van de apostelen gezien... nou ja, Jakobus heb ik gezien en ik ben drie dagen bij Petrus geweest." Hij zegt dat niet om aan te geven dat hij in die drie dagen een stoomcursus van Petrus kreeg over wat het evangelie eigenlijk is. Helemaal niet. Hij zegt juist dat hij bij Petrus was om hem zijn verhaal te doen, niet omgekeerd om onderwezen te worden door Petrus. Voortdurend legt hij dat accent: "Dat evangelie dat ik predik, heb ik niet van een mens gekregen. Dat is van een andere orde."
Dat evangelie is trouwens ook een onderwerp dat hij hier benadrukt in deze Galatenbrief. Het evangelie dat Jakobus, Petrus en Johannes predikten, was rechtstreeks van de Heer – daar niet van. Het was het evangelie van de besnijdenis. Maar het was onderscheiden. Het was geen ander soort, maar het was wel onderscheiden van dat wat hij mocht prediken onder de natiën. Hij maakt dat verschil en benadrukt daarmee de unieke roeping die hij heeft, als vervolg op de twaalf. U weet: de twaalf waren geroepen om Israël tot bekering te brengen door hun boodschap. Zou Israël zich bekeren, dan zou het Koninkrijk hier op aarde gevestigd worden. Maar toen heel duidelijk werd dat Jeruzalem die boodschap afwees, zie je inderdaad de figuur van Paulus op het toneel verschijnen – toen nog Saulus. Dan wordt hij geroepen en maakt de heilsgeschiedenis als het ware een u-bocht, want Jeruzalem wordt daarbij gepasseerd. Nu wordt Paulus geroepen en door hun val, zegt Paulus dan, gaat het heil naar de natiën. Daar is hij de exponent en het embleem van.
Dan komen we in hoofdstuk 2. Daar lees je dat Paulus zegt: "Ja, veertien jaar daarna ben ik weer in Jeruzalem geweest." Iedere keer is zijn hele verhaal in hoofdstuk 1 en 2 bedoeld om te benadrukken: "Wat ik vertel, dat evangelie wat ik breng en wat ik leer en onderwijs, staat los van Jeruzalem. Ik heb het rechtstreeks door openbaring van Jezus Christus zelf ontvangen." Veertien jaar later ging hij dus weer naar Jeruzalem. Die geschiedenis kennen we, want in Handelingen 15 wordt die ontmoeting verhaald, de zogenaamde apostelvergadering.
In die tijd liep die kwestie hoog op: moeten gelovigen uit de natiën nu de wet van Mozes gaan onderhouden, ja of nee? Er waren er die dat heel uitdrukkelijk beweerden – en die heb je vandaag de dag weer; er is een steeds krachtigere stroming om dat te leren. Maar toen is dat beslecht, en unaniem trouwens ook. Het antwoord is: nee, de natiën zijn vrij. Hoe dat met Israël zat, was in feite niet eens het onderwerp. Het ging erom: moeten de natiën onderworpen worden aan de leefregels van Israël? En het antwoord is: nee.
Bij die gelegenheid lees je ook dat Paulus zegt dat Jakobus, Petrus en Johannes aan Paulus en zijn medewerker Barnabas de rechterhand van de gemeenschap aanreikten (u leest dat in Galaten 2 vers 7 tot 9). Zo van: er is een eenheid bij één Zender. Hij is degene die ons eropuit stuurt. Zij – Jakobus, Petrus en Johannes, de representanten van de twaalf – zouden naar Israël gaan, naar de besnijdenis, en Paulus naar de natiën. Dat was officieel zo beklonken. En dan bladeren we verder door deze brief heen.
De Hypocrisie in Antiochië: Paulus Weerstaat Petrus in het Gezicht ↑ hoofdstukken
Dan komen we in hoofdstuk 2, vers 11 tot 18. Paulus komt daar tegenover Petrus te staan, want hij verhaalt daar een andere geschiedenis die plaatsvond in Antiochië, ten noorden van Israël. Het is interessant dat je in de Galatenbrief leest over drie ontmoetingen die Paulus met Petrus heeft gehad. De eerste keer was drie jaar na zijn roeping, toen Paulus aan Petrus zijn verhaal deed. Vervolgens veertien jaar later in Jeruzalem, waar Petrus en de zijnen hem de rechterhand van de gemeenschap, de broederhand, aanreikten. En dan is er nog die latere ontmoeting in Antiochië, waar we lezen dat Paulus Petrus openlijk weerstaat in het gezicht.
Laten we die voorgeschiedenis eens lezen. Er staat: "Toen echter Kefas – dat is de Aramese naam voor Petrus, met dezelfde betekenis: rots – toen echter Kefas kwam in Antiochië, weerstond ik hem in het gezicht, openlijk, omdat hij bekritiseerd was." En hij was terecht bekritiseerd. Want, zo staat er, voordat er sommigen van Jakobus vandaan kwamen uit Jeruzalem, at hij samen met de natiën. Dat wil zeggen: hij at samen met gelovigen uit de natiën die niet koosjer aten. Petrus at gewoon met hen mee. Maar toen er mensen kwamen uit Jeruzalem, uit de kring van Jakobus – de pilaar van de gemeente daar – toen onttrok Petrus zich en zonderde hij zich af. Hij deed dat uit angst voor degenen uit de besnijdenis.
Tot die tijd had hij dus gewoon met de gelovigen uit de natiën gegeten, maar zodra die mensen uit de kring van Jakobus verschenen, die strikt de Joodse leefregels van het kasjroet navolgden en koosjer aten, onttrok Petrus zich. Waarom? Omdat hij bang was voor de partij van de besnijdenis. Zo onttrok hij zich aan die gelovigen uit de natiën. Paulus schrijft erbij: "En ook de overige Joden huichelden mee." Dit is pure hypocrisie. Eerst erken je de gelovigen uit de natiën en eet je met hen samen, en zodra er Joden komen die strikt in de leer zijn, onttrek je je uit angst. Dat is hypocriet. Zelfs Barnabas, de meest naaste medewerker van Paulus, werd meegesleept in hun huichelarij.
Toen Paulus dat waarnam, toen hij aanschouwde dat zij niet rechtstonden ten opzichte van de waarheid van het evangelie, zei hij tegen Kefas in het bijzijn van allen – dus niet eens zozeer dat iedereen er speciaal bij geroepen werd om het aan te horen, maar gewoon terwijl de anderen erbij waren – dat hij fout zat. Hij zei hem de waarheid in zijn gezicht. In dit geval was er namelijk geen sprake van een verschil van inzicht; dit was hypocrisie. Dit was onwaarachtig, huichelachtig, of hoe je het ook maar wilt noemen. Het was gewoon niet waar. Ze stonden niet recht ten opzichte van de waarheid van het evangelie en dat was precies wat er in het geding was.
Paulus zei in het bijzijn van allen: "Indien jij, een Jood, als de natiën en niet als een Jood leeft..." Dat deed Petrus immers voorheen, voordat die Joden uit de kring van Jakobus kwamen. Toen leefde hij gewoon als de natiën en niet als een Jood. Paulus vraagt dan: "Hoe kun je dan de natiën dwingen te verjoodsen?" Want dat deed Petrus feitelijk door zich nu van hen te onttrekken. Als die natiën inderdaad met hem aan één tafel wilden blijven eten, dwong hij hen daarmee om eerst Joods te worden en net als hij Joods te gaan leven. Dat was het idee van dat 'verjoodsen', een van de grote elementen in de Galatenbrief. Letterlijk staat er 'judaïzeren', oftewel Joods maken.
Die stroming waarover we in de Galatenbrief lezen, is buitengewoon actueel en eigenlijk altijd aanwezig gebleven in de kerkgeschiedenis. Feitelijk is er altijd een stroming geweest die de wet weer wilde introduceren, linksom of rechtsom. Dat kan op een strikt judaïstische wijze, maar denk ook aan de enorme hoeveelheid judaïstische elementen in de hele christenheid, met haar sacramenten, altaren en gewaden. Dat komt allemaal direct of indirect voort uit het judaïsme. En wat dacht u van de feestdagen? De sabbat of de zondag? Het idee dat de zondag in de plaats van de sabbat is gekomen, waarbij men zegt: "Gedenk de sabbatdag," maar in het achterhoofd direct de omrekening maakt dat dit nu de eerste dag van de week is. Of men houdt vast aan de besnijdenis, maar dan in de vorm van de doop die ervoor in de plaats is gekomen. Het is een ander ritueel, een andere vorm, maar de kerngedachte is exact dezelfde.
Het fenomeen waar Paulus in Galatië mee te maken had, kan zich dus op allerlei manieren voordoen, maar de essentie is dat de wet weer geïntroduceerd wordt. In feite worden de natiën gedwongen zich te verjoodsen. Paulus geeft daar antwoord op aan Petrus en weerstaat hem in het gezicht, in het bijzijn van allen. Het is niet helemaal duidelijk hoe lang dat citaat van zijn antwoord precies duurt. Is dit wat hij direct tegen Petrus gezegd heeft, of loopt het citaat door tot in hoofdstuk 3? Hoort alles vanaf vers 15 ook nog bij hetgeen Paulus toen tegen Petrus zei? Daar wordt over getwist. Wij zouden tegenwoordig aanhalingstekens openen en sluiten, maar zo werkt dat niet in het Grieks. Je kunt het echter heel goed zo lezen.
Gerechtvaardigd Door het Geloof Ván Jezus Christus ↑ hoofdstukken
Wij dan, wij, Paulus en Petrus, wij van nature Joden en geen zondaars vanuit de natiën, waargenomen hebbend... En nu komt er een lange zin, een lang vers. Oh mensen, wat is dat fundamenteel! Hier staat zoveel. Laten we het eventjes gewoon aandachtig lezen. Waargenomen hebbend dat een mens niet gerechtvaardigd wordt vanuit werken van wet... Dat wist Paulus dus al, en Petrus ook uit de wet zelf. Wij weten dat, wij Joden van nature. Dat staat namelijk al geschreven in onze Hebreeuwse Bijbel, in de Psalmen: "Geen vlees is voor U rechtvaardig, o Here."
Waargenomen hebbend in de Schriften namelijk, dat een mens niet gerechtvaardigd wordt vanuit werken van wet, behalve... Hij wordt slechts gerechtvaardigd door geloof. En nu staat er in uw vertaling 'geloof in Christus' of 'in Jezus Christus', maar dat kunt u wel doorkruisen. Het staat er niet. Niet vanuit werken van wet, maar door geloof van Jezus Christus. Zijn geloof, dat is het. Waardoor wordt een mens gerechtvaardigd? Zijn onze werken de bron daarvan? Vanuit werken van wet? Niet ineens van dé wet, niet alleen specifiek de wet van Mozes, maar gewoon het hele principe van wet. Doe dit, of dat mag je niet doen; dat is het principe van wet. Wordt een mens gerechtvaardigd door iets wat hij doet, door werken van wet? Nee, door geloof. Van wie? Wel, van Jezus Christus. Hij gelooft, en het is Zijn geloof, Zijn vertrouwen, de weg die Hij ging. Daardoor. En dat is de bron waardoor een mens gerechtvaardigd wordt.
Wat is de bron van een rechtvaardiging? Zijn geloof. Ik wijs naar boven omdat Hij daar nu is: Jezus Christus. Hij gelooft, en Zijn geloof, dat is het ene waardoor de mens gerechtvaardigd wordt. Het heeft dus niets te maken met wat de mens doet, presteert of kiest. Iets namelijk dat je op zou leggen aan de mens, ongeacht wat. Ik zei al, dat kan heel erg variëren. Maar dat is de waarheid: een mens wordt gerechtvaardigd door geloof van Jezus Christus.
En nu schrijft Paulus erbij: "Ook wij geloofden." En nu staat het 'in' er inderdaad wel. De vertaler in de NBG tenminste heeft het keurig gedaan. Maar hier wordt gezegd: "Ook wij geloofden in Christus Jezus." Dat is waar, daar geloven wij in. Namelijk waarin? Wel, dat Zijn geloof ons rechtvaardigt. Daar geloven wij in. Niet ons geloof. Ook wij geloven in Christus Jezus om gerechtvaardigd te worden vanuit geloof van Christus. Hier weer twee keer het geloof hiervan: van Jezus Christus, hier het geloof van Christus, en dáár geloven wij aan of in. Maar wat is de bron, de basis van de rechtvaardiging van een mens? Dat is zelfs ook niet ons geloof, maar dat is Zijn geloof.
Waaruit je trouwens meteen ook weer ziet: dat moet dan ook universeel zijn. Als het dus niet eens werken zijn, maar ook niet ons geloof, maar het is Zijn geloof van waaruit een mens rechtvaardig wordt verklaard door God. Wanneer is een andere orde, maar het feit wordt hier gewoon gesteld. Elders zegt Paulus dat ook gewoon expliciet: één daad van gerechtigheid en rechtvaardiging van leven is voor alle mensen. Net zo simpel als dat elk mens veroordeeld is tot de dood; dat is ook voor alle mensen, ook door één daad van overtreding. Wat dat betreft is het heel simpel. Je kunt er heel diep op ingaan en het reikt hemelhoog, maar de essentie is zo simpel: het is allemaal om niet, Hij gelooft. En dat is trouwens ook weer het geloof dat God heeft. Om gerechtvaardigd te worden vanuit het geloof van Christus. Niet vanuit werken van wet, ziet u. Want vanuit werken van wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.
En nu volgen de twee moeilijkste verzen van de hele Galatenbrief. Dat wil zeggen: om ze goed te begrijpen. Ik ga er een beetje snel doorheen om bij vers 19 aan te komen, maar ik zal het heel kort toelichten. En als het te kort is en u begrijpt het niet of u wilt daar nog wat meer over weten, nou, dan moet u straks even naar me toe komen. En misschien moet ik er een keer weer een blogje aan wijden. Maar laat ik eerst even lezen: "Maar indien wij zoeken gerechtvaardigd te worden in Christus, ook zelf zondaars werden bevonden, is Christus dan een bedienaar van zonde?" Moge dat niet zo worden!
Ik begrijp dat als u dit leest, dat u het niet begrijpt. En ik moet zeggen, ik vond het ook een hele lastige zin. Eigenlijk is het nog steeds moeilijk te begrijpen wat Paulus daar exact mee bedoelt. Maar laat ik het zo zeggen: als het nou zo is, als wij ooit hebben gezocht gerechtvaardigd te worden in Christus, en nu blijken wij zelf weer zondaars bevonden te worden... Hoezo? Wel, doordat wij, zoals zij beweerden: "Jullie houden de wet niet." Dus dan zijn we alsnog zondaars. Is Christus dan in dienst van de zonde, of een bedienaar van de zonde? Moge dat niet zo worden! Want indien ik de dingen weer opbouw wat ik sloopte, betoon ik mezelf een overtreder. Dat wil zeggen: eerst zijn jullie tot geloof gekomen om niets, in die boodschap van genade. En nu bouw ik weer op wat ooit gesloopt is. Nou, dat betekent dus dat ik linksom of rechtsom een overtreder was. Eerst omdat ik het gesloopt heb, of dan wel omdat ik het weer opnieuw opbouw. Maar één van beiden is dus niet goed. Toch? Nou, en dan komen we in vers 19. Ja, dan komen we in vers 19. Dit was dus de aanloop.
Door de Wet Gestorven Om voor God te Leven ↑ hoofdstukken
Want Paulus schrijft: "Ik stierf door de wet." Dit moet hij nog nader gaan toelichten in Galaten 3 en 4. In zijn andere brieven, met name in de Romeinenbrief, brengt hij dat ook uitgebreid aan de orde. Hij zegt: "Ik stierf door de wet." Elders schrijft Paulus dat die wet – die stenen tafelen met letters gegraveerd door de vinger Gods – een bediening van veroordeling was en een bediening van dood. Dat bleek ook wel, want toen de wet gegeven werd, was het eerste wat er gebeurde op die dag dat er 3.000 mensen werden gedood. Dat is heel interessant; je leest dat als Israël uitgeleid is uit het land Egypte, er van alles gebeurt daar in de woestijn, maar er komt geen mens om. Maar op het moment, op de dag dat God de wetten geeft, de stenen tafelen aan Mozes, wat gebeurt er? 3.000 mensen komen bij die gelegenheid om. Het is een bediening van dood.
Paulus legt dat ook uit: het is een bediening die een mens veroordeelt. "Vervloekt is ieder die niet doet wat er hier staat geschreven." Het is een bediening van dood. Maar daardoor maakt die wet zichzelf ook onschadelijk. Als je er even wat nuchter en afstandelijk tegenaan kijkt, is het wel een grappig fenomeen: want als je door de wet gestorven bent, ben je dus ook voor de wet gestorven. Als u daar meer over wilt weten, lees dan Romeinen 7, waar Paulus het heeft over het oude verbond waarin Israël als het ware getrouwd was met haar Heer. Het oude verbond was een huwelijksverbond. Toen stierf de man – beeld van God – en dat was in feite het einde van dat oude verbond. Een huwelijk duurt tot de dood scheiding brengt, en daarna is die wet die de huwelijksstaat regelt voorbij. In Romeinen 7 brengt Paulus dat aan de orde. Hij zegt: nu is Israël vrij, het oude verbond is beëindigd. Waarom? Omdat er nu sprake is van Iemand die uit de doden is opgewekt als die 'andere man'.
Het voert te ver om daar nu dieper op in te gaan. Waar het om gaat is dat Paulus zegt: de wet veroordeelde mij, en de mens in het algemeen. Maar doordat de mens veroordeeld wordt en sterft, houdt de werking van de wet op. Op het moment dat iemand veroordeeld is en de doodstraf heeft ondergaan, staat hij ook niet meer onder de wet. Dan kan de wet hem niets meer maken. "Ik ben door de wet en voor de wet gestorven." Dat is Paulus' eigen getuigenis. Moet u nagaan: de kampioen van weleer in het Jodendom. Hij zegt dat in Galaten 1; hij zegt dat hij het verder heeft gebracht dan vele van zijn tijdgenoten in het Jodendom. Diezelfde Paulus zegt nu: "Ik ben door de wet, maar ook voor de wet gestorven, opdat ik voor God zou leven."
Ik weet dat mensen zich dat vaak niet kunnen voorstellen. Altijd als je zegt: "Ik ben vrij van de wet", dan is de reactie: "O, dus jij kunt maar doen wat je wilt?" En dan krijg je een lijst van aantrekkelijke zonden – let maar eens op hoor. "Dat mag jij dus allemaal doen?" Waarmee ze dus eigenlijk heel veel over zichzelf zeggen: "Ik zou dat dolgraag allemaal willen, maar ja, het mag niet want ik sta onder de wet." Nooit laat een mens zich zo gemakkelijk kennen als juist in dat soort verwijten en tegenstand, in dat soort argumentatie. De hele religieuze drijfveer van God liefhebben blijkt dan helemaal niet aan de orde te zijn; ze doen de dingen alleen omdat ze bang zijn voor de wet. Maar Paulus zegt: "Ik stierf door de wet, voor de wet, juist om voor God te leven, opdat ik voor God zou leven."
Dat is Romeinen 6. Daar staat in vers 11 – ik lees het gewoon voor: "Zo ook jullie, reken julliezelf inderdaad doden te zijn voor de zonde, levenden echter voor God in Christus Jezus." Dit is een kwestie van rekenen. De 'bottomline' van dit alles is: degene die vandaag gelooft in Christus Jezus, is één met Hem gemaakt. Zo rekent God. Hij stierf en wij stierven met Hem. Zo rekent God. En dat betekent ook: toen Hij stierf, stierven wij met Hem mee. En de zonde? Wij zijn gestorven voor de wet, maar net zo goed voor de zonde. Het speelt helemaal geen enkele rol meer: de wet van wat moet en wat niet mag, maar ook de zonde speelt geen rol meer als je je dit goed realiseert.
Iedereen die denkt – en dat is ook religieus, in feite gaat dat hand in hand – dat als je leeft onder de wet, je eigenlijk ook onder de zonde leeft. Want dan moet je de zonde bestrijden. Het is altijd weer die strijd tegen de zonde en dat falen; je blijft maar een zondaar. Niks ervan, zegt Paulus. Wij waren zondaren. Ik ben in Christus Jezus rechtvaardig, zonder daar iets voor te hoeven doen. Dat is mijn positie en zo reken ik. En die zonde? Daar rekenen wij helemaal niet mee. Waar heb je het over? Nu zeggen mensen: "Bestaat dat dan allemaal niet?" Ja, misschien wel, maar we rekenen er niet mee. Dat is het woord dat hij hier gebruikt: "Reken jezelf dood voor de zonde, maar wij leven voor God, namelijk in Christus Jezus." Wij zijn in Hem geplaatst. En dat betekent dus dat wij geïdentificeerd zijn met Hem.
Let op, dit heeft niets te maken met zien. Christus Jezus kunnen we immers niet zien. Met voelen heeft dit al evenmin iets te maken. Dit is iets wat te maken heeft met rekenen. Je hoort het, je gelooft het, want God zegt het en verklaart het in Zijn Woord. Amen. En soms word je er heel erg blij van, en op andere momenten voel je het helemaal niet, maar dat speelt geen rol. Wij leven uit geloof, niet uit gevoel. Geloof wil zeggen: God heeft gesproken. En dan leef je voor God.
Zo zegt Paulus: "Ik ben door de wet, voor de wet gestorven, opdat ik voor God zou leven. Met Christus ben ik meegekruisigd." In feite is dit weer dezelfde gedachte: Hij stierf. Dat staat in 2 Korinthe 5: "Eén stierf ten behoeve van allen." Hij stierf voor allen. Deze waarheid geldt zelfs voor alle mensen. Is dat zo? Of zit er iets niet goed? Ik weet het niet... hoor ik... hoorden jullie me allemaal goed? Je zit nogal vooraan, Leni.
"Eén stierf ten behoeve van allen en dus stierven zij allen." Zij worden met Hem gerekend. Kijk, toen God Adam schiep, schiep Hij daarmee feitelijk de hele mensheid, want de hele mensheid bevindt zich in hem en komt uit hem voort. Toen Christus stierf ten behoeve van allen, stierf Hij om aan alle mensen, heel de wereld, het leven te geven. Dus Hij stierf ten behoeve van allen, maar daarmee stierven ook allen. Waarom? Om hen het leven – met hoofdletters: het opstandingsleven – te geven. Zoals wij geïdentificeerd worden met Adam, zo zijn we geïdentificeerd met Christus. Eén stierf voor allen en dus stierven zij allen. Zo rekent God.
Trouwens, nu is het nog een kwestie van rekenen, maar straks is dit ook waarneming. Ik bedoel: dan komt er een moment dat heel de mensheid – want het gaat in etappes – inderdaad in Christus levend gemaakt is. Het leven dat Hij 2.000 jaar geleden aan het licht bracht, zal dan ook daadwerkelijk, lichamelijk en concreet het deel zijn van heel de mensheid. Maar God rekent nu al zo. Hij ziet dat allemaal al zo in dat perspectief. Waar het eigenlijk om gaat, is dat we die bril opzetten die God – sorry dat ik het zo zeg, ik weet niet hoe ik het anders moet formuleren – dat we de bril opzetten waarmee we kijken zoals God het ziet. Als ik met mijn gewone ogen kijk, zie ik sowieso niet zoveel, dan zie je dit niet. Maar met de bril van het Woord versta ik dit, zie ik dit: zo rekent God. Heel die mensheid is met Christus verbonden. Hij stierf voor allen. We zongen het eerste lied, hè?
Niet Meer Ik, maar Christus Leeft in Mij! ↑ hoofdstukken
Dat is niet meer ik. Wat was de titel van deze toespraak? Niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Ik leef niet meer; ik ben doodgerekend. En voor zover er leven is, dan is dat het leven van Hem die op die derde dag opstond uit de doden. God wekte Hem op. En dat leven dat Hij aan het leven houdt, dat is het leven. En in Hem word ik gerekend. Ik leef voor God in Christus Jezus.
In Romeinen 7 – u kent het wellicht – lees je dat hoofdstuk waar Paulus zo tobt als iemand die leeft, of eigenlijk: die zich stelt onder de wet, of die gesteld is onder de wet. Hij zegt: ‘Ik ellendig mens! Ik probeer het wel, maar het lukt me niet.’ Het is een heel ellendig verhaal. Tientallen keren lees je daar: ik, ik, ik, ik, ik. Het is wel een hele zielige ‘ik’, maar het is allemaal ‘ik’. En dan komt Romeinen 8, maar eerst eindigt hij met de vraag: ‘Wie zal mij verlossen uit dit lichaam van deze dood?’ Slavernij! En Gode zij dank: dan komt Romeinen 8 en dat is ‘niet meer ik’. Het is volstrekt oninteressant, ook niet wat ik niet kan; het gaat helemaal niet om wat ik kan of niet kan. Het gaat om wat Hij gedaan heeft, wie Hij is en wat Hij kan. Dan verwacht je helemaal niets meer van jezelf. Hij doet alles, het is allemaal volbracht.
Ik kan dat heel mooi grafisch laten zien. Deze zin die Paulus hier optekent, kun je ook als een plaatje bekijken. Dan krijg je dit: het begint met Christus. Zo staat het in het Grieks: ‘Met Christus ben ik meegekruisigd, ik leef echter, ja niet meer ik, maar Hij leeft in mij, namelijk Christus.’ Het begint en het eindigt met Christus. En in dat centrum staat de ‘ik’ die er niet meer is. Het is een schitterende voorstelling. Daarbij komt het eerste deel overeen met het laatste: ‘Ik ben meegekruisigd’ en ‘Hij leeft in mij’. Ziet u? Feitelijk kun je die lijn zo trekken, maar je kunt ook zeggen dat het eerste deel het spiegelbeeld is van het onderste deel. Een prachtig plaatje: met Christus ben ik meegekruisigd, maar ik leef niet meer; ik leef echter niet meer ik, maar Hij leeft in mij. Namelijk Christus, de Opgewekte. Dat is Christus, hè? Niet Jezus die hier op aarde rondwandelde, maar Christus de Opgestane.
Aan het einde van de Galatenbrief, in Galaten 6, zegt Paulus dit ook, nadat hij te maken had met mensen die de besnijdenis predikten, alleen maar om zich godsdienstig te profileren. Maar dit heeft niets te maken met godsdienst. Het gaat er niet om bij God in een goed blaadje te komen door iets te doen. Hoezo iets doen? Alles is gedaan, alles is volbracht. En ik hoor mensen nu denken: ‘Dat is maar makkelijk.’ Dat krijg ik altijd te horen. Vertel mensen maar van Gods genade en geheid dat je de reactie krijgt: ‘Dat is maar makkelijk.’ Echt altijd, het is de standaardreactie. In mijn optiek is dat juist een aanbeveling! Als het maar makkelijk is... maar men bedoelt het als kritiek.
Mensen, dit is zo geweldig groot. Dit krijg je inderdaad zomaar gratis op je bord. Hoezo godsdienst? Hoe zou je iets kunnen proberen te doen om voor God rechtvaardig te worden? Dat is niet ons doel dat we aan het einde van ons leven bereikt moeten hebben; daar beginnen we mee! God zegt: ‘Ik reken jou in Christus Jezus.’ En wie zijn wij dan om dat tegen te spreken en om dan moeilijk te gaan zitten doen? Dat doet een mens graag, hè. Weet u waarom? Want mensen zeggen wel dat deze boodschap zo makkelijk is, maar in de praktijk blijkt het bar moeilijk te zijn. Weten we waarom? Omdat het niets van het ‘ik’ overlaat. Er is niets meer van de ‘ik’ over. Mijn moeilijke ‘ik’, want de mens zit altijd maar weer de aandacht voor zichzelf te vragen. Dat is het eigenbelang waarmee je je nog wilt profileren. Heb ik dat gedaan? Ik?
Dit zet het mes in het ‘ik’. Dat ego – dat was het toch? – dat ego is over. Niet meer ik, maar Hij. Maar het is ook een geweldige bevrijding. Want als jouw probleem nou het ‘ik’ is – en dat is echt het grote probleem van de mens – dan ben je daar mooi en goedkoop vanaf. Als ik het zo mag zeggen; ik bedoel dus gratis. Je bent van dat probleem af, want het is hier niet meer ‘ik’.
Paulus zegt eigenlijk als conclusie dat we een nieuwe schepping zijn en naar die regel wandelen wij. Wil je een leefregel? Nou, dit is echt een leefregel. Hij zegt: ‘Het zij verre van mij te roemen, anders dan in het kruis van de Heer van ons, Jezus Christus, door wie voor mij de wereld is gekruisigd en ik voor de wereld.’ Want het werkt naar twee kanten toe. Het was trouwens religie die Christus aan het kruis bracht, toch? De meest ‘goddelijke’ religie die er was op aarde en de grootste fanatici brachten Jezus aan het kruis. Maar als ik met Hem verbonden ben, geïdentificeerd, vereenzelvigd met Hem, dan is het ook zo dat toen Hij gekruisigd werd, ik dus ook gekruisigd ben. En toen de wereld van Hem af was, was de wereld dus ook voor mij af. Maar ook omgekeerd: ik van de wereld. En het gaat hier trouwens ook vooral over de godsdienstige wereld.
Er is een gospellied – een echtpaar zong dat – waarin de tekst voorkomt: ‘Tussen mij en deze wereld staat het kruis.’ Hij stierf en het is volbracht, het is alles gedaan. En die wereld tobt en die doet moeite, maar wij kunnen zeggen: ‘Ja, dat is de wereld.’ Waar wij ons hier bevinden, is mijn wereld niet. Nou, zegt Paulus er dan nog bij...
Het Tegenwoordige Leven: Leven in het Geloof van de Zoon van God ↑ hoofdstukken
Wat ik echter nu nog leef in het vlees – we gaan even verder in het twintigste vers – wat ik echter nu leef in het vlees, of in de staat waarin ik mij bevind, voor zover dat telt... En dat is inderdaad de gedachte. Want ja, ik ben in Christus Jezus en ik leef niet meer. Nu zegt Paulus: maar voor zover ik hier nog in onze beleving en waarneming, in onze perceptie, aanwezig ben? Voor zover ik nu echter leef in vlees, daar kun je eigenlijk een vraagteken bij zetten. Want juridisch gezien niet. Het is eigenlijk, als ik het zo mag zeggen, voor spek en bonen, want het telt niet meer. Wat telt is wat ik in Hem ben.
Maar voor zover ik nu leef in het vlees – en dat is mooi – zegt Paulus in Colossensen 2 vers 20: "Indien jullie samen met Christus stierven..." Ziet u dat de gedachte die hij in Galaten 2 naar voren brengt, niet alleen maar in die brief staat? In al zijn brieven zit die waarheid verweven. "Indien jullie samen met Christus stierven, waarom dan, alsof jullie in de wereld leven, worden jullie besluiten opgelegd van: raak niet, smaak niet, roer niet aan?" Waar het mij even om ging: "alsof jullie in de wereld leven". Dat is opvallend als je het leest. Waarom? Hij stelt daarmee de discussie ter discussie dat we in de wereld leven. En later in diezelfde brief aan de Colossensen zegt hij ook: "Ja, ons leven, dat is met Christus verborgen bij God." Daarom bedenken we de dingen die boven zijn, want dáár zijn wij echt. Hier zijn we in het vlees. Lopen we nog? Ja, oké.
En als je dan vraagt: "Hoe dan? Wat hier op aarde, voor zover je dan hier op aarde nog in het vlees bent?" Dan zegt hij: "Leef ik in geloof." Waarin dan? In de NBG-vertaling staat "in de Zoon van God", maar dat staat er niet. Er staat: "Leef ik in geloof, namelijk in dat van de Zoon van God." Met andere woorden: voor zover wij hier nog leven in het vlees – onze praktijk van elke dag – leef ik in geloof, namelijk in dat van de Zoon van God. Ik ben in Hem. Zo reken ik, en dat is zo essentieel. Je kunt hier natuurlijk over theoretiseren, maar mensen, beleef de waarheid en zie ook het geweldige rendement hiervan. Hoe geweldig het is om zo elke dag in het leven te staan: ik ben in Hem, ik ben rechtvaardig, die geweldige toekomst is in Hem realiteit. En Hij? Het is volbracht.
Ik leef in dat geloof, namelijk in dat van de Zoon van God. Zijn geloof. Daar hoef je geen twijfel over te hebben. Zijn geloof – als ik het even zo oneerbiedig mag zeggen – dat zit helemaal goed. Daarin leef ik, en dan leef ik ook echt. Want we leven dan weliswaar in een sterfelijke wereld, in een stervende eeuw, waarin alles vergankelijkheid en moeite is. Er is zoveel aan de hand. Om dan werkelijk licht te hebben en werkelijk te leven, kan dat alleen door te rekenen. Ik kan het niet genoeg benadrukken: rekenen, mensen! Geloven wil zeggen: God heeft het gezegd en zo is het. Punt. Basta. Dan kan iedereen wel zeggen: "Ik zie het niet, ik voel het niet," maar wat doet dat ter zake? Hij heeft gesproken. Op het moment dat je daarop gaat staan, op dat fundament, dán is er vreugde, vrede en hoop. Dat is echt leven.
Wat ik echter nu leef in het vlees, leef ik in geloof in dat van de Zoon van God, die mij liefheeft en zichzelf overgeeft voor mij. Ik zie dat ik het even kort moet houden met deze verzen, maar "die mij liefheeft" staat in het Grieks in een tijdloze vorm, de aorist. Dat is gewoon een feit, ongeacht wanneer. Hij heeft mij lief, zegt Paulus. En "zichzelf overgeeft" staat in de tegenwoordige tijd. Dat is de tegenwoordigheid: Hij is zich momenteel aan het overgeven aan mij, of overleverend aan mij. Dat is waar.
Met andere woorden: voor zover ik hier nu nog in het vlees leef, is daar die Zoon van God. In Hem ben ik, Hij heeft mij lief en alles wat ik nodig heb, dat krijg ik, want Hij geeft Zichzelf helemaal over aan mij. Alles. Alles wat ik nodig heb, dat geeft Hij. Wat een geweldige omgeving om je in te bevinden: om in dat geloof van Hem te staan. Hij, die liefheeft en Zich overgeeft. Maak dat helemaal je leefomgeving. Om dat in te ademen en uit te ademen, en zo te rekenen.
De Genade van God Niet Afwijzen: het Is Volbracht ↑ hoofdstukken
In Galaten 2 zegt Paulus: "Ik wijs de genade van God niet af." Je zou zelfs de nadruk kunnen leggen op dat woordje 'ik'. Ik? Anderen wel genoeg, plenty! En hoe godsdienstiger men is, hoe meer men de genade afwijst. "Ik wijs de genade van God niet af; want indien door wet rechtvaardigheid is..." Dat is waar ik het zojuist over had, die bottomline: indien het zo zou zijn dat er door wet rechtvaardigheid is. Het gaat hier niet eens om de wet, een specifieke wet, maar gewoon om het principe van wet.
Als er door wet, welke dan ook, rechtvaardigheid zou zijn... Nou, weet je wat dat betekent? Dat zou betekenen dat Christus tevergeefs stierf. Maar de waarheid is: Hij stierf. Het is volbracht en ik ben rechtvaardig, gewoon op voorhand omdat God dat zo zegt. Dat verklaart Hij. Hoezo zou je dan nog iets willen bereiken? Kijk, rechtvaardigheid vanuit wet of religie of godsdienst, of hoe het ook maar heten mag, dat is altijd 'doen'. Altijd 'doen' om iets te bereiken, namelijk om rechtvaardig te worden. En de grote ellende van die hele instelling is: je bereikt het never nooit. Als je goed oplet op jezelf, en op anderen trouwens ook, dan zie je alleen maar falen.
Daarom word je er ook nooit gelukkig van. Weet je waar je wél gelukkig van wordt? Gewoon het geschenk aannemen wat Hij geeft. Je bent gerechtvaardigd. Dat is een geschenk, en ja, nogal een groot geschenk! Dat is niet iets wat we moeten bereiken, niet iets wat we moeten doen. Paulus zegt eigenlijk: "Ga laten!", om eventjes in de sfeer van de brief aan de Galaten te blijven. Niet "ga doen", want het is volbracht.
En Paulus zegt dan in Romeinen 11: "Indien het in genade is, ja dan niet meer vanuit werken; anders is de genade geen genade meer." Dat bedoel ik simpelweg. We zijn best wel redelijk diep ingegaan op deze paar woorden, maar u moet het toch met me eens zijn: dit is toch eigenlijk heel simpel? Als het door werken is, dan betekent het dat je het verdient. Ongeacht hoeveel, want er zijn stromingen die heel veel van je werken vragen. En er zijn ook stromingen – en dat zijn de gevaarlijkste – die bijna niks vragen. Dat is zo spotgoedkoop; je hoeft bijna niks te doen. En juist daarom is dat zo gevaarlijk.
Ja, dat is eigenlijk wat tegenwoordig 'christendom' heet. Je hoeft bijna niks te doen, je hoeft alleen maar... Ik hoor het mensen zeggen vanaf kansels of podia: "Je hoeft alleen maar te kiezen." Kortom, er moet toch weer iets door de mens gedaan worden. Of het is volbracht, óf het is genade. En daar geloven wij in: de genade Gods is reddend verschenen aan alle mensen. Daar wil ik niets aan toevoegen. Dus zeg ik: Amen.
UltimateGoodNews