GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Jefta (1)

25-06-2017 - Geplaatst door Andre Piet
Toespraak gehouden op 25 juni 2017 te Zoetermeer

Samen met Gideon, Debora en Simson behoort Jefta tot de bekendere richters. Als zoon van een hoer was hij verdreven door zijn broeders. Maar eenmaal in de benauwdheid komen ze toch bij hem terug. Een mooi verhaal… maar het is veel meer dan dat!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De Bijbelstudie behandelt de geschiedenis van de richter Jefta uit Richteren 10 en 11. In plaats van een moralistische benadering, wordt Jefta getypeerd als een verborgen beeld van Jezus Christus. Zijn naam betekent 'hij die opent' en net als Christus werd hij miskend en verdreven door zijn broeders. Hij vluchtte naar het land Tow, wat 'goed' betekent, waar hij een groep ledige mannen om zich heen verzamelde om hun bestaan inhoud te geven. De studie besluit met Hebreeën 11, dat Jefta niet veroordeelt, maar juist eert als een dapper held die handelde uit geloof in Gods woord.

“Jefta is, laat ik dat meteen maar zeggen, heel onbekend, maar hij is echt een type van de Heer Jezus Christus.”

Introductie: de Repeterende Cyclus in het Boek Richteren ↑ hoofdstukken

We gaan het vanmorgen eens hebben over iemand die in deze zaal zit. Ja, in ieder geval is dat de directe aanleiding. Ik zal niet zeggen de oorzaak, want ik was al eerder van zins om daarover te spreken, maar de directe aanleiding dat we vanmorgen juist over dit figuur spreken — voor de eerste keer, want de volgende keer hopen we opnieuw daar aandacht aan te geven om over deze persoon te spreken.

Misschien vinden ze het helemaal niet zo leuk dat ik dat nu vermeld, want ze zijn expres achterin gaan zitten, maar Etienne en Christa zijn drie weken geleden vader en moeder geworden van een zoon. En hoe zal die heten, denkt u? Kaïn? Nee, inderdaad: Jefta. We kregen een geboortekaartje en daar stond onder: 'hij die opent'. Want dat is namelijk de betekenis van die naam. En ja, Jefta is drie weken oud en die zit met gespitste oren natuurlijk, of ligt daar met gespitste oren te luisteren. Dat begrijpt u wel, want iedere keer als ik dan zijn naam noem, dan denk ik: hé, word ik nu aangesproken?

Nou, we hadden zo nog eventjes een app-wisseling met elkaar, Etienne en ik. En toen kwam de naam ook naar voren en ja, ik werd getriggerd. Want het is een boeiend figuur waar we het over gaan hebben. Dit keer, de volgende keer en misschien nog wel een keer, dat weet ik even niet. Een richter uit de Richterentijd dus. En het is één van de bekende, ik zal niet zeggen de bekendste, want dat is naar het mij toeschijnt toch in ieder geval Simson, met stip. Dan krijg je Gideon, dat is ook een bekende. Maar de derde op rij is toch wel Jefta. We vinden van hem ook een vrij uitgebreide geschiedenis in twee hoofdstukken in ieder geval: Richteren 10 en 11. De figuur van Jefta. Nou ja, er is nog eentje, Abimelech, dat is ook een vrij uitgebreide geschiedenis. En wij gaan ons vanmorgen eens richten op Richteren 11, en ook nog het laatste gedeelte van Richteren 10.

Misschien is het even goed om in herinnering te roepen wat eigenlijk het idee is bij dat boek Richteren. Want daar zit een refrein in, een telkens weerkerend refrein. Een lijn die je iedere keer ziet als je het boek leest in die twintig of eenentwintig hoofdstukken; dan zie je direct ook een patroon in dat boek terugkeren. De Richterentijd, dat is de tijd tussen de aankomst van Israël in het beloofde land en het moment dat Israël een koning kreeg. De eerste was Saul en de tweede, u weet het, het definitieve koningshuis van David. De Richterperiode is de periode die daartussenin ligt, van dik 300 jaar, 350 jaar; daar zullen we het nu even verder niet over hebben.

Maar om eventjes die cyclus te laten zien, dat kun je heel makkelijk zo demonstreren. Je vindt dan dat Israël een bepaalde tijd vrede heeft, dat het goed gaat met het volk en het land. Vervolgens lees je dan dat Israël doet wat kwaad is in Gods ogen. Ze doen wat goed is in eigen ogen. Dat is ook zo'n staande uitdrukking: en ieder deed wat goed was in eigen ogen. Wat weer tot gevolg heeft dat Israël onder vreemde heerschappij komt. Dus iedere keer komen ze onder de laars en onder de macht van een vreemde heerschappij, of dat nu de Ammonieten, de Moabieten of welke 'ieten' ook zijn. Maar in ieder geval komen ze telkens onder de macht van een vreemde heerschappij en daar zuchten ze ook onder. Israël komt in benauwdheid, maar juist door die benauwdheid en de druk waar ze onder komen te staan, keert het volk zich tot God.

En dat is, nou ja, het aantal richters, dat zijn er heel wat. Want ik noemde zojuist even een paar bekende namen, maar er worden ook namen genoemd die nauwelijks worden toegelicht en waar we maar weinig van weten. Maar iedere keer is dat het verhaal. Ik moet er ook trouwens bij zeggen dat het ook niet zo is dat al die richters elkaar per se hebben opgevolgd, maar ze hebben ook over verschillende plaatsen geregeerd of 'gericht' en leidinggegeven aan het volk. Dat wil zeggen: aan een deel van het volk. Dus de richterperiodes overlappen elkaar ook deels.

Afijn, Israël komt in benauwdheid en dan, in de benauwdheid, keert het zich tot God. Dat zie je iedere keer weer opnieuw. Waarna God vervolgens luistert en Hij hen een richter verwekt, een verlosser die hen dus daadwerkelijk ook verlost. Waarna vervolgens hetzelfde liedje weer opnieuw begint. Want dan heeft Israël vrede en dan volgt dít. En dit is dus iedere keer dan die richter die dan gaat optreden. Dat patroon zie je telkens weer en daar begin ik dan ook te lezen. Het is namelijk willekeurig dat ik nu in vers 15 begin, maar dat is eventjes om de sfeer nog te proeven van dit onderdeel van: Israël keert zich tot God. Want dat is namelijk wat je in Richteren 10 vindt vanaf vers 6.

En dan moet ik even de Bijbel er zelf bij pakken. Je kunt het wel voorlezen: De Israëlieten deden opnieuw wat kwaad is in de ogen des Heren. Ze dienden de Baals, de Astartes, de goden van Aram, Sidon, Moab, de goden van de Ammonieten en van de Filistijnen. Maar de Here, JAHWEH, verlieten zij en ze dienden Hem niet. Nou ja, en dan komen de Ammonieten en Israël komt onder de druk te staan. En dan lees je: "En toen zeiden de zonen van Israël tot JAHWEH: doet U met ons al wat goed is in Uw ogen, alleen redt ons alsjeblieft deze dag!" De druk is zo groot.

En dan lees je: "En zij deden..." Want ze voegen ook de daad bij het woord, want ze keren zich tot God. En zij deden de uitheemse, de vreemde goden uit hun midden en ze dienden JAHWEH. En Zijn, namelijk Gods ziel — zo staat het er, want dit is een wat letterlijke weergave; als u een Statenvertaling hebt, dan zult u zien dat het daar het meest nog op lijkt, een vrij letterlijke weergave — en Zijn ziel werd ongeduldig in Israëls ellende. In de NBG staat het wat vrijer weergegeven: Hij kon de ellende van Israël niet langer aanzien. Maar Zijn ziel werd dus ongeduldig. Dat wil zeggen: Hij ging nu ingrijpen.

De Geografische Achtergrond van de Strijd en de Steenhoop van Gilead ↑ hoofdstukken

Dat geeft mij trouwens meteen ook even de gelegenheid om de structuur te laten zien van de passage die we vanaf nu gaan lezen: vanaf hoofdstuk 10 vers 17 tot 11 vers 11. Zover gaan we vanmorgen. Je leest dat de ammonieten binnenvallen, dat er een aanvoerder nodig blijkt te zijn en dat degene die zich aandient, wordt verworpen. Vervolgens lees je dat de ammonieten strijden, dat Jefta wordt geroepen en dat Jefta vervolgens ook daadwerkelijk wordt aangesteld. Het is mooi om dat grafisch uit te beelden; u ziet aan de kleurtjes hoe het met elkaar overeenkomt: "aanvoerder nodig" correspondeert met "Jefta wordt geroepen", en "een aanvoerder wordt verworpen" met "Jefta wordt aangesteld". Het loopt dus al parallel. In werkelijkheid gaat deze structuur nog een heel stuk door, tot het einde van de hele geschiedenis van Jefta, maar dat laat ik nu niet zien omdat dat toch niet aan de orde komt. Maar het is heel mooi om zo’n overzicht van een passage te hebben, waardoor het geheel ook met recht structuur krijgt en body. Het is opgebouwd op een logische wijze die je misschien niet eens direct opvalt als je dat zinsdeel voor zinsdeel allemaal leest, maar dat gaan we juist vanmorgen wel doen. We gaan wat inzoomen, zoals u dat gewend bent in deze bijeenkomsten.

Dan lees je dat de ammonieten — of eigenlijk letterlijk de zonen van Ammon — zich legerden in Gilead. Het lijkt me goed om alvast een idee te hebben waar we het dan over hebben. Hier ziet u een kaart van Israël met de Dode Zee en daar ergens het Meer van Galilea. We praten over het gebied waar de geschiedenis van Jefta plaatsvindt, in het Oost-Jordaanse. Terwijl een richter als Simson optrad in het gebied van de Filistijnen, van Asdod en Askelon — al die richters worden meestal ergens anders gelokaliseerd — vindt dit plaats op de Oostbank. Dat is trouwens interessant, want Ammon is eigenlijk gewoon hetzelfde wat wij nu nog kennen als Amman, de hoofdstad van Jordanië. Je hebt daar Rabba Ammon, maar daar ligt nu dus Amman. Die namen herinneren direct aan dat verleden. We praten nu over pakweg 3200 jaar geleden dat dit zo heeft plaatsgevonden.

Hier heb je het gebied van Gilead waar de ammonieten woonden. Eigenlijk woonden daar Ammon en Moab. Dat is interessant, want dat weten we uit het boek Genesis: dat waren de twee zonen van Lot. Het waren dus broedervolken. En als je het helemaal goed bekijkt, dan is Israël ook een broedervolk van Ammon en Moab; het is allemaal verre familie. It's all in the family. Verderop ligt een gebied dat Tow heet — daar gaan we het straks nog even over hebben — maar in ieder geval spreken we over dit gebied. De zonen van Ammon legerden zich in Gilead. Dat is geen plaats, maar een gebied. De zonen van Israël legerden zich in Mispa. Dat is wel een plaats in Gilead, en die plaatsnaam betekent 'wachttoren'. Kennelijk mag je aannemen dat de plaats erg strategisch in de hoogte lag, zodat men overzicht had, en vandaar ook dat het een wachttoren heet.

Het interessante is dat die namen allemaal herinneren aan geschiedenissen die we al in het boek Genesis treffen. Alles hangt met alles samen. Daar vinden we vaak de contouren en de blauwdruk al van wat later zich gaat ontvouwen en zich verder ontwikkelt. In de geschiedenis van Jakob en Laban lees je daarover in Genesis 31. Het gaat me nu even helemaal niet om de aanleiding van die geschiedenis, maar om de namen. Daar staat dat Laban zei: "Deze steenhoop zij heden getuige tussen mij en u." Ze hadden namelijk een verbond gesloten en als monument stenen opgestapeld. Dat werd heel dikwijls gedaan. Een steen oprichten is een prachtig type — we zijn dat soort gedachten en associaties helemaal kwijtgeraakt — maar Laban en Jakob wisten hier nog van.

Jakob wist daar trouwens alles van, want die had ooit een droom gedroomd en noemde die plaats Bet-El. Hij had toen ook de steen waar hij zijn hoofd op gelegd had, opgericht en vervolgens gezalfd. Ja, een prachtig beeld van de opgewekte Christus. De steen, dé steen, de eben, heeft hij opgericht en vervolgens overgoten met olie, met geest. En hier in Genesis 31 lees je ook over een steenhoop die tot een getuige gesteld wordt tussen mij en u. Daarom noemde hij hem Gilead. Als je helemaal geen Hebreeuws kent, dan weet je door begrijpend lezen één ding in ieder geval: Gilead moet kennelijk iets te maken hebben met getuigen. En dat klopt, want Gilead heeft te maken met een hoop, een steenhoop, en ed heeft te maken met getuigen. Dat is dus het Hebreeuws. Gilead heeft dus eigenlijk te maken met een steenhoop die tot een getuigenis gesteld wordt.

Laban noemde die plaats Gilead en ook Mispa. Ziet u precies de namen die we hier in Richteren tegenkomen? En Mispa werd zo genoemd omdat hij zei: "Jahweh houde wacht tussen mij en u, wanneer wij van elkaar gescheiden zullen zijn." Dan weet je ook meteen waarom het zo genoemd werd. Enerzijds omdat het een strategische positie heeft gehad, maar je zou ook goed kunnen verdedigen dat het simpelweg is omdat het herinnert aan het feit dat Jakob ooit heeft gezegd: "Ja, wij houden wacht." Dit werpt licht op deze geschiedenis; de plaatsnamen herinnerden dus aan wat er pakweg 800 jaar daarvoor had plaatsgevonden.

Dan ga ik weer terug naar Richteren 10. Toen zeiden de oudsten van het volk van Gilead, de een tot zijn naaste: "Wie is de man die de strijd begint te midden van de zonen van Ammon?" Of "tegen", dat hangt er een beetje vanaf, maar eigenlijk staat er letterlijk "te midden van". Ze voegen eraan toe: "Hij zal tot hoofd worden van alle inwoners van Gilead." Er wordt gezocht naar iemand die de strijd gaat aanbinden, maar ze weten niet wie. En nu vangen we aan in Richteren 11 vers 1.

De Diepere Bijbelse Betekenis van de Naam Jefta: 'hij Die Opent' ↑ hoofdstukken

En Jefta. De Gileadiet was een dapper held. Hij was de zoon van een hoer; Gilead had Jefta verwekt. Maar eerst even dit over Jefta. Nou, ik zei u al: het geboortekaartje had ons al op weg geholpen. Zijn naam betekent: 'hij die opent'. Dat is eigenlijk ook de reden waarom we zojuist dat lied zongen over 'Dank u voor...'. Dat eindigde dan met: 'Dank u dat u de vensters opent voor uw stralend licht.' Ja, hij opent.

Maar moet u eens opletten. Dat woord 'Jefta'... Hier is het de naam, maar als u Jefta opzoekt in een Hebreeuwse concordantie — de taal waarin dit in het origineel is opgetekend — dan komt u dat woord in allerlei andere verbanden tegen. Als naam in deze geschiedenis, jazeker, maar 'hij opent' staat ook in Genesis 8 vers 6, in de geschiedenis van Noach. Daar leest u: 'En Noach opende het venster.' In het Hebreeuws staat daar gewoon: Jefta. In Genesis 29 en Genesis 30 leest u dat de HEERE de moederschoot opende. Nou, dat staat er nog wel vaker hoor. Het zou zomaar kunnen dat Jefta ook Jefta genoemd werd omdat daarmee ook gezegd werd: God had de moederschoot geopend. Dat weet ik niet zeker, maar Hij opent de moederschoot.

En ja, er gaat wat open in de Bijbel hoor! In Genesis 41 leest u over Jozef die de graanschuren voor de wereld opende. Hij had die graanschuren eerst jarenlang, zeven jaar lang, gevuld, zodat er een enorm potentieel en een enorme reserve was. Vervolgens opent hij, als de redder der wereld, die graanschuren. In Numeri 22 — ik ben niet volledig, maar ik geef u een paar frappante voorbeelden waar u het woord Jefta tegenkomt — leest u in de bekende geschiedenis van Bileam: Hij opende de mond van de ezelin. En dan moet u eens horen wat er dan gaat gebeuren: er gaat een ezel spreken. U zegt: "Dat hoor ik ook wel eens", maar dat bedoel ik niet. Dit was echt een ezel, hè? Wie hoor ik daar nu? Ik dacht even: hoor ik nu 'ia'? Nee, de mond van een ezelin.

Of in 1 Samuël: de deuren van Gods huis worden geopend. Of in Nehemia 8: het boek van de onderwijzing van de Thora, de Schrift dus, werd geopend. In Job 11: God die de mond opent of de lippen opent. Zo zou u door kunnen gaan. Maar goed, dan komen we inmiddels in het Nieuwe Testament. Daar ziet u niet zozeer de naam Jefta, maar u leest over Lydia: God die haar hart opent.

Het is ook heel interessant als u in Lukas 24 de geschiedenis van de Emmaüsgangers leest, dat er in dat hoofdstuk ook van alles opengaat. Eerst gaat het graf open, de steen wordt weggewenteld. De Schriften gaan open, hun hart werd geopend, hun verstand werd geopend... Alles ging open. Nou ja, dat is Jefta. Die naam herinnert dus eigenlijk aan het vermogen dat God heeft. En wat Hij doet: Hij opent. Waar alles potdicht is, daar opent Hij. En laat ik u dit vertellen: de naam verwijst natuurlijk naar wie God is, maar ook naar hoe Hij Zich openbaart. En zal ik u dit zeggen.

Een Verborgen Type van Christus: Miskend en Uitgedreven Door Broeders ↑ hoofdstukken

Jefta is, laat ik dat meteen maar zeggen, heel onbekend, maar hij is echt een type van de Heer Jezus Christus. Het verbaast mij, want ik heb natuurlijk echt wel wat voorstudie gedaan voordat ik hier nu over spreek, dat begrijpt u, maar het verbaast mij hoe dat in allerlei commentaren compleet genegeerd wordt. Die lijn is eigenlijk, als u het mij vraagt, het allerbelangrijkste. Als de Schriften opengaan, dan ontdek je Hem.

Meestal wordt deze geschiedenis heel moralistisch benaderd. De Gileadiet was een dapper held; dat is exact dezelfde benaming die je ook tegenkomt in verband met de geschiedenis van David. Hij was ook een dapper held, of een machtig of vaardig man. Een bekwaam man, het hangt er een beetje vanaf waar het accent ligt. Maar dit wordt al van hem vermeld — dat wil ik nog even benadrukken — voordat de rest kenbaar wordt. Hij had zich dus al onderscheiden; hij was een dapper held.

Ik zei zojuist dat de geschiedenis meestal moralistisch benaderd wordt, zo van: wat was goed en wat was niet goed? Hij was de zoon van een hoer. We zullen dat de volgende keer trouwens ook zien, want Jefta is vooral bekend geworden vanwege de geschiedenis met zijn dochter. Dat ga ik nu niet vertellen, daar hebben we het de volgende keer over; het is bijzonder boeiend. Maar ook dat wordt altijd weer, voor zover erover gesproken wordt, bekeken vanuit de vraag wat het betekende, wat Jefta daar met zijn dochter gedaan heeft. Was het goed of was het niet goed? Had hij dat wel mogen doen of niet mogen doen? Het is altijd in de sfeer van de ethiek, van de moraal en van de wet.

En ja, als Jefta dan hier geïntroduceerd wordt: hij was de zoon van een hoer. Een onwettig kind. Maar ik moet erbij zeggen, als je ook dit weer even in een breder perspectief plaatst van de Schrift: wat is een hoer in de Bijbel? Dan is dat bij de profeten keer op keer — bij Jeremia, bij Ezechiël, bij Hosea — de aanduiding van het volk van Israël zelf. En dat lijkt mij veelzeggend. Hij was de zoon van een hoer, maar houd dat even vast: hij was afkomstig uit het volk dat voor de Heer een hoer was. Dat wil zeggen, de gedachte is feitelijk dat ze andere mannen achterna loopt. Ze was getrouwd; Israël was getrouwd in een verbondsrelatie, een huwelijksverbond met de Heer, met Yahweh hun God. Ze hadden hun echtelijke woning, het land, enzovoort. Er was een bruiloft aan voorafgegaan, al die symboliek zie je erbij. Maar de vrouw ging andere mannen, andere goden achterna. Dat is hoererij.

Even over Jefta: hij was de zoon van een hoer en Gilead had Jefta verwekt. Dat is eigenaardig, want we hebben zojuist gelezen dat Gilead het woongebied van Jefta was, en hier is het de naam van zijn vader. Gilead is de naam die heel prominent in deze geschiedenis naar voren wordt gebracht. Gilead, u weet het: de steenhoop der getuigen. Het was dus het gebied waar Jefta woonde, maar het was ook de naam van zijn vader. Gilead had Jefta verwekt.

We lezen even verder: "Gileads vrouw baarde hem zonen en toen de zonen van de vrouw opgroeiden, dreven zij Jefta uit." Wanneer ik dat zo lees, moet ik meteen denken aan een andere geschiedenis. Bij een dapper held denk ik aan David, maar bij het niet erkend worden door broeders en vervolgens ook uitgedreven worden, denk je natuurlijk aan de beroemde geschiedenis van Jozef, die door zijn broeders verkocht werd naar Egypte. Ze dreven Jefta uit en ze zeiden tot hem — dat was hun motief: "Jij hebt geen erfbezit," of letterlijk: "geen lotbezit in het huis van onze vader. Jij hoort hier niet, jij bent geen zoon. Jij bent niet dé zoon, omdat je de zoon van een andere vrouw bent."

Ze miskennen hem dus, en dat is eigenaardig, want hij groeide kennelijk op in het huis. Hij wordt uitgedreven, maar zo was het namelijk ook van origine, omdat hij erkend was door zijn vader. Schakel alle oordelen en moralistische ideeën die wij daarover hebben, terecht of ten onrechte — dat gaat er mij helemaal niet om — schakel die knop even om of uit. Want als de vader dat kind in huis opneemt, wordt het daarmee feitelijk gewoon ook erkend tot zoon. En dat heeft Gilead, de vader van Jefta, gedaan. Maar goed, als de zonen groter worden, dan drijven ze hem uit en miskennen ze hem. Hij zou niet delen in de erfenis, want daar gaat het uiteindelijk natuurlijk allemaal om. Misschien is het ook wel weer jaloezie, dat was bij Jozef indertijd ook het geval. Hij was een dapper held; hij heeft zich wellicht ook onderscheiden in wat hij in zijn mars had. Dan treden er mechanismen in werking.

U ziet het: Jefta wordt uitgedreven. "Gij hebt geen lotbezit. Jij bent geen zoon, jij bent geen erfgenaam in het huis van onze vader. Doei!" Hij wordt verdreven. En Jefta rende weg — zo staat het er letterlijk in onze vertaling, hij vluchtte weg. Hij rende weg van het aangezicht van zijn broeders. Wat ik nu ook echt heel sterk wil onderstrepen: hoe mooi is dit? Want dit loopt perfect parallel met onze Heer Jezus Christus, die ook miskend werd en door Zijn broeders naar het vlees verworpen werd als de Zoon. Wat er vervolgens gebeurde, is dat Jefta verdwijnt uit het zicht van het aangezicht van zijn broeders. Hij is daarin een type, een beeld van Christus.

Dat blijkt dan vooral uit het vervolg, want hier blijft het niet bij. Dit is een type van Christus in de tegenwoordige tijd. Waar is Hij nu? Welnu, Hij is verworpen door Zijn broeders, Hij is verdreven; van het aangezicht van Zijn broeders is Hij verdwenen. Oftewel: Hij is voor hen verborgen, niet zichtbaar. En dat typeert ook wie Christus vandaag is. Maar moet u opletten, want de rest van dat zinnetje vind ik zo mooi.

Het Land Tof: een Toevluchtsoord voor Ledige Vaten Die Gevuld Kunnen Worden ↑ hoofdstukken

En hij woonde in het land Tow. Top! Ik heb het u zojuist nog even aangewezen. Ik ben eventjes vergeten om te kijken waar we dat nog vaker tegenkomen, maar dat hoeft eigenlijk nu ook even niet zozeer voor het voetlicht te komen. Ik wil u vooral wijzen op de betekenis. Maar goed, dat is voor ons Nederlanders helemaal geen punt, want wij kennen allemaal dit Hebreeuwse woord omdat het ook een Nederlands woord is. Nou ja, je schrijft het dan met een ‘f’: tof. Of soms met een ‘v’. Ons woord tof, dat is eigenlijk Jiddisch, Bargoens, Amsterdams in ieder geval. Dat betekent ‘goed’, het is daar goed. Nou, hij woonde in het land Tow. Waar is Christus vandaag? Verdreven, miskend door zijn broeders en verborgen. En waar is Hij dan? Nou, Hij is daar waar het goed is: Tow.

Nou, en dan staat er nog iets bij: waar ledige mannen—hoe staat het er in de vertaling? Ja, daar kan ik hier bij: lichtzinnige mannen of leeghoofdigen. Eigenlijk is het woord ‘ledig’, omdat het Hebreeuwse woord inderdaad ‘leeg’ is. Gewoon leeg. Waarbij ‘leeg’ interessant is, want er staat in het Hebreeuws een woord dat verwant is met ‘raka’, en dat vind je weer in Mattheüs 5: ‘En zeg niet tegen uw broeder: leeghoofd.’ Dat is dat raka. Dat is datzelfde woord. Maar ledig, waarop heeft dat betrekking? Dat kan op een leeg hoofd zijn. Het kan ook een leeg bestaan zijn; ze hadden een leeg bestaan, ze hadden niks om handen. Hun bestaan had geen inhoud. Een hoofd had geen inhoud, dat kan ook nog. Of hun buidel had geen inhoud, de portemonnee. Ze hadden helemaal niks. Dat is ook wat leeg is, toch?

Dus ja, het waren ledige mannen. Maar het lijkt me in ieder geval geen compliment. Het waren ledige mannen die zich verzamelden tot Jefta en erop uittrokken met hem. Wij zouden zeggen: nou, dat is gewoon een struikrover, een soort Robin Hood ofzo. Ik ben bang dat we dan toch de echte zin, de echte betekenis ervan kwijtraken op het moment dat je het op die manier bekijkt. Misschien, wellicht dat het zo is. Waar ledige mannen zich verzamelen tot Jefta. Trouwens, waar doet u dit aan denken? Ja, aan David, die ook... nou ja, hoe grijpt alles weer in elkaar? David, die ook miskend was, gezalfd was om de koning van Israël te zijn. Hij werd miskend. Hij gaat vervolgens vluchten en komt in de grot van Adullam. En daar lees je dat er zich een groep van 400 man om hem verzamelt. Of is het 300 man? In beide gevallen heeft het een betekenis, maar ik weet het even niet meer. Dat doet er even niet toe.

Maar van hen lees je dan niet deze benaming, dit etiket van ‘ledig’. Er staat: ieder die een schuld had, of die problemen had, of die in moeite zat. Nou ja, in ieder geval allemaal mensen met een verleden, met moeite. Die in de maatschappij afgeschreven zijn en niet in tel zijn. En dat is precies ook wat er dan gebeurt, want ze bevinden zich niet in de maatschappij, maar buiten de maatschappij. Tegenwoordig krijg je allemaal keurig een uitkering, maar ja. In ieder geval loopt dat parallel met die geschiedenis van David. Waar ledige mannen zich verzamelden tot Jefta en erop uittrokken met hem. En daarom was het zo goed. Hoezo ‘tof’? Nou, het is namelijk helemaal geen probleem als je ledig bent. Sterker nog, dat heeft een heel groot voordeel. Als een vat leeg is, dan heeft dat het grote voordeel dat het gevuld kan worden.

Nou, laat dat nou maar aan Jefta over. En wat ik nu zeg, bedoel ik heel dubbelzinnig. Is je bestaan leeg? Heb je niks? Heb je niks te bieden? Nou, dan moet je bij de echte Jefta zijn. Die miskend mag zijn en die totaal niet in tel is, maar vervoeg je nou maar bij hem. Of hij nou David heet of Jefta, in alle gevallen verwijst het naar die Ene van wie we in ieder geval weten dat Hij miskend is en die nu wel op een hoge plaats is. In een berglandschap, zal ik maar zeggen. Daar is het goed, daar is het Tow. En Hij verzamelt vandaag een groep van nietswaardige lieden om zich heen. Aangenaam, daar zijn we dan! Die niks van zichzelf hebben en ook helemaal niks hoeven te claimen. We bieden niks aan, godsdienstig ook al niet. Maar dat is nou precies het evangelie.

Je zou het commentaar van Paulus in de Korintiërsbrief erbij moeten lezen: niet vele wijzen, niet vele aanzienlijken, machtigen of invloedrijken, maar juist wat dwaas is en wat niets voorstelt, dat heeft de Heer uitgekozen. Wat leeg is. Waarom? Nou, dan kan Hij het vullen. Op het moment dat je herkent: ik heb helemaal niks, dan is dat geen punt. Sterker nog, als je gevuld bent, wat moet je dan met een vat dat al gevuld is? Daar kun je verder niks meer mee. Hij vult dat, Hij vervult ook. Ik bedoel het allemaal zo dubbelzinnig als je het maar kunt opvatten. Deze Jefta, in het land Tow, met een gezelschap om zich heen dat niks voorstelt van zichzelf. En dat is het geheim: hoe hun bestaan toch alsnog inhoud kreeg, simpelweg omdat ze zich bij Jefta hadden vervoegd. En dat was een goeie, want dat was een hele dappere held. Daar moest je wezen. En daar bevonden ze zich met hem. En dat je inderdaad bij hem moest wezen, dat blijkt dan ook wel, want we lezen verder in vers 4.

Israël in Benauwdheid: de Terugkeer Naar de Verworpen Aanvoerder ↑ hoofdstukken

En het geschiedde na enige dagen, of na enige tijd later; gewoon een x-tijd. Hoeveel weten we niet. Dat 'enige' staat er niet eens specifiek bij; het zouden zelfs vele dagen kunnen zijn. In ieder geval geschiedde het na enige dagen dat de zonen van Ammon vochten met Israël. Eerst hadden ze het land al bezet en nu gingen ze ook daadwerkelijk de strijd aan. En het geschiedde, toen de zonen van Ammon vochten met Israël, dat de oudsten – de prominenten die daar leiding gaven en voorgingen – dat de oudsten van Gilead Jefta gingen halen uit het land Tow.

Aha! Dus degene die ze eerst hadden uitgezet, die ze hadden verstoten, die gaan ze nu alsnog halen nu de nood aan de man is. Ja, waarom? Ik zei het al eerder: ze wisten het. Waarom gingen zij naar Jefta toe? Ze kenden zijn kwaliteit. Ze wisten wie hij was en wat hij in zijn mars had. En daarom gingen zij nu naar Jefta toe om hem alsnog te halen. We lezen verder en ze zeiden tot Jefta: "Ga en wees ons tot aanvoerder en wij vechten te midden van de zonen van Ammon." Het enige wat ze feitelijk vragen is: jij moet ons leiden. Wij vechten, maar jij leidt ons; jij voert ons aan. Hij gaat voorop.

Ja, u begrijpt wat Jefta dan gaat zeggen. Een heel logische reactie. En Jefta zei tot de oudsten van Gilead: "Haatten jullie mij niet? En dreven jullie mij niet uit het huis van mijn vader? Hoezo? Waarom komen jullie tot mij nu jullie in benauwdheid zijn?" Ja, dit loopt ook weer zoals al die Bijbelse lijnen, weer volkomen parallel met een andere ontwikkeling. Namelijk dat wanneer Israël straks – en ik heb het nu over wat bij de profeten genoemd wordt 'de tijd van Jakobs benauwdheid' – als Israël in de benauwdheid zal komen, daar in dat Midden-Oosten, in datzelfde gebied trouwens ook. Onder andere in Daniël lees je ook dat in het gebied van Amman, Ammon en Moab de volkeren zich daar in die omstreken verzamelen. Dan komen ze in de benauwdheid en dan zullen ze toch uiteindelijk weer bij Hem uitkomen. Dan zullen ze de Naam aanroepen en Hij zal Zich ook aandienen. Maar nu ze in benauwdheid komen, weten ze alsnog waar ze wezen moeten.

En de oudsten van Gilead zeiden tot Jefta: "Ja, dáárom keren wij nu tot jou terug." Dus de vraag was: waarom komen jullie nu tot mij in benauwdheid? Nou, precies dát is de reden: omdat we in benauwdheid zijn. We hebben geen andere kans; we zijn nu onder de voet gelopen. Er moet nu gestreden worden en om ons te redden hebben we jou nodig. Daarom keren wij nu tot jou terug. "Ga met ons, vecht te midden van de zonen van Ammon en jij zult ons tot hoofd zijn over alle inwoners van Gilead." Dus hier wordt ook een belofte aan verbonden. Niet alleen maar dat hij de strijd zou gaan aanvoeren. "Ga met ons, vecht te midden van de zonen van Ammon en jij zult ons tot hoofd zijn", waarin trouwens ook al besloten ligt dat ze donders goed weten dat als hij de strijd gaat aanbinden en gaat aanvoeren, het volk ook zal overwinnen en dat hij hun hoofd zal worden.

En Jefta zei tot de oudsten van Gilead: "Als jullie mij doen terugkeren..." Leuk, hier staat gewoon het gewone Hebreeuwse woord voor bekeren. Bekeren betekent eigenlijk letterlijk ook terugkeren. In allerlei verbanden wordt dat gebruikt. Het voert te ver om dat nu helemaal uit te diepen, maar het is heel boeiend; juist van de week werd ik daarbij bepaald toen ik Deuteronomium 30 las. Dat Israël zich – dat wordt dan al voorzegd door Mozes – uiteindelijk, als ze verstrooid zullen zijn onder de volkeren, zal bekeren tot hun God. Dat wil zeggen: bekeren betekent terugkeren. Teshuva, dat is terugkeren. En dan lees je: "en de HEERE zal ook terugkeren". Dus het is heel wonderlijk, want het volk keert terug tot hun God, maar de HEERE keert ook terug. Hij komt weder, zeggen wij dan; de wederkomst. Hij komt terug, dus dat is ook een terugkeer. Hij was daar ooit en Hij keert weer terug tot Zijn volk.

En het boeiende is dat Hij het volk dan ook weer doet terugkeren naar het land. Het is dus een terugkeer in alle opzichten: het volk dat geestelijk terugkeert, de HEERE die terugkeert en het volk dat fysiek ook terugkeert naar het land. Dat is echt terugkeer. Daarom moet je ook een beetje uitkijken met dat woord 'bekering'. Het is zo'n christelijk woord geworden, een woord dat is toegeëigend en in het christendom een bepaald idee heeft gekregen, maar waarbij de hele typische Hebreeuwse betekenis van terugkeer is weggemoffeld. Het heeft te maken met terugkeer. Ik kan er meer van zeggen dan ik nu doe, dus misschien is het wat kort door de bocht, maar dat Hebreeuwse woord 'terugkeer' heeft juist te maken met Israël. Israël dat ooit Gods volk was, en als het dan weer terugkeert... Kijk, voor de natiën, voor ons uit de volkeren, gaat dat niet op. Wij waren altijd vreemdelingen. Maar Israël keert letterlijk ook terug tot de HEERE. Dat is iets anders. Dat woord terugkeer, bekeren, heeft echt te maken met Israël. Trouwens, er zijn nog andere woorden die in verband met omkering gebruikt worden, dat wil zeggen: omdenken of je bezinnen, maar dat zijn andere woorden.

Jefta zei tot de oudsten van Gilead: "Als jullie mij doen terugkeren om te midden van de zonen van Ammon te strijden en JAHWEH zal hen voor mijn aangezicht geven, dan zal ik jullie tot hoofd zijn." Tot het hoofd; dat is in ons taalgebruik trouwens ook heel logisch. Het hoofd van de school is degene die vooropgaat. Zoals bij de geboorte het hoofd normaal gesproken vooropgaat en daarom het eerste is. Het is heel interessant dat het Hebreeuwse woord voor hoofd rosj is, maar het Hebreeuwse woord voor eerste is risjon. Dat is daar direct van afgeleid. Dus het hoofd is ook het eerste. En vandaar ook de 'vorste', of in het Nederlands: de vorst. Een vorst is eigenlijk dus ook gewoon de eerste, degene die vooropgaat. Nou, dat is wat Jefta zegt: "en JAHWEH zal hen voor mijn aangezicht geven, dan zal ik jullie ook tot hoofd zijn."

En de oudsten van Gilead zeiden tot Jefta: "JAHWEH zal de horende zijn tussen ons, indien wij niet zo zullen doen naar jouw woord." Dat wil zeggen: de HEERE die hoort en de HEERE die waakt, zal er ook voor zorgen dat wij zullen doen wat jij nu zegt. De HEERE hoort, de HEERE is getuige daarvan en Hij zal het ook waar maken. Jefta ging met de oudsten van Gilead en ze stelden hem tot hoofd en aanvoerder over het volk. Moet u zich even voorstellen: deze Jefta, die zal toch heel wat in dat huis van zijn vader hebben meegemaakt en beleefd. Denkt u niet? Als een buitenechtelijk kind, maar dan in het huisgezin opgenomen. En dat je broeders je niet kunnen zien of luchten. En dan uiteindelijk, als die jongens groot geworden zijn, wordt hij verdreven uit zijn vaders huis. Kennelijk was hij geliefd door zijn vader. Dat is trouwens ook een mooie gedachte: geliefd door zijn vader, maar miskend door de broeders. Dat is trouwens ook Jozef.

En dan vervolgens verstoten en ergens helemaal buiten het zicht van die Gileadieten. En dan vervolgens een stel leeghoofden om je heen hebben. Maar uiteindelijk – God doet recht – komen ze toch bij hem terug. Dat is zo'n prachtig plaatje van de Messias. Ze komen wel. Kijk, Jozef heeft dat altijd geweten. Daar hadden we het zojuist over. Jozef wist van Gods Woord. Jozef heeft geleefd in geloof; dat blijkt ook uit zijn hele geschiedenis. Die man was de rust zelf. Ook toen hij verkocht was naar Egypte en alleen de HEERE met hem was. Want dan kan je miskend zijn en bij mensen totaal niet in tel.

En zelfs was hij vervolgens alweer het voorwerp van onrecht – denk aan die geschiedenis van de vrouw van Potifar. Dat was allemaal echt puur onrecht. En Jozef onderging het, maar JAHWEH was met hem. En alles wat men in Jozefs hand gaf, dat deed JAHWEH gelukken. Jozef was ook onaantastbaar daarin. Hij had ooit die dromen, die visioenen van God gehad; hij wist wat God van zins was te doen. En God tast nooit mis, Hij maakt nooit fouten. Jozef zag niets; hij zag alleen maar miskenning, zoals ook Jefta alleen maar miskenning zag.

Hoe Jefta dat beleefde, dat weten we niet; dat wordt niet vermeld. Maar van Jozef weten we het wel. En wat geweldig als je gewoon mag leven in geloof. Als God Zijn belofte heeft gegeven, wat kan je dan gebeuren? Als Hij voor jou is, wat is er dan tegen je? Dan heb ik het over God, Degene die alles een plaats geeft en alles in Zijn handen heeft. Nou, als Hij die alles in Zijn hand heeft voor mij is, dan kan me niets gebeuren. Dan kan ik de schijn tegen hebben, maar 'so what'?

Kijk, de ellende is wanneer wij zelf die schijn voor de werkelijkheid aanzien. "Ik zie helemaal niets." Nee, maar dat doet niet ter zake. Als God gesproken heeft, dan is dat meer dan genoeg. Als je daarop staat, heb je rust. Als je er niet op staat, dan moet je afgaan op je zintuigen en op je gevoel. En als er één ding misleidend is, dan is het juist dat.

Nog even dit trouwens: Jefta ging met de oudsten van Gilead en zij stelden hem tot hoofd en aanvoerder over het volk. En Jefta sprak al zijn woorden voor het aangezicht van JAHWEH te Mispa. Dat is een eigenaardige uitdrukking. Maar als u het mij vraagt, betekent dit dat de ark van het verbond, de ark van JAHWEH, daar in die tijd in Mispa stond. Hij was dus daar in de aanwezigheid van die ark. Ik kan het niet nader bewijzen, maar juist die ark was namelijk het embleem van Gods aanwezigheid. En die ark heeft op nogal wat diverse locaties gestaan. Afijn, Jefta sprak al zijn woorden voor het aangezicht van JAHWEH te Mispa. Die plaats, u weet wel, met dat geweldige verleden.

Geen Moralistisch Oordeel, maar een Dapper Held van het Geloof ↑ hoofdstukken

En dat bevestigt trouwens ook dat Jefta een man van geloof was. Want ik kom even terug bij waar we het over hadden: namelijk dat zijn geschiedenis altijd in een moralistisch perspectief wordt geplaatst. Wat was nou wel goed en wat was niet goed? Of wat hadden de Israëlieten hier nou goed of niet goed gedaan? Maar dat is niet het punt. Jefta was, ondanks al onze oordelen, een man van geloof. Hoe ik dat weet? Dat is het laatste waar ik u nog eventjes mee naartoe wil nemen: Hebreeën 11.

U weet het wel, dat hoofdstuk met die vele mannen en vrouwen die genoemd worden; die in hun leven, ondanks alle schijn tegen — dat wil zeggen in termen van waarneming en zintuigen, wat ze voelden, zagen en hoorden en wat alle opinies van mensen ook zeiden — trouw bleven. Ze kenden het Woord. Ze hadden Gods belofte, en dat maakt nou precies het verschil. Ga je daarop af? Dat is geloof. Mensen denken vaak: ik heb niet zoveel geloof, want ik voel er niets van. Maar dat doet niet ter zake. Geloof is "Amen" zeggen op wat God zegt. Als God iets spreekt en dat is de waarheid, dan mag je dat beamen. Bij mensen moet je dat altijd maar afwachten. Hoe was het ook alweer? "God waarachtig en elk mens leugenachtig." Daarom hoef je bij mensen niet te veel steun te zoeken; dat is een eufemisme. Nee, zoek het bij Hem.

Als God dat nou zegt, wat heeft dat dan met gevoel te maken? Hij spreekt, en dat je daar soms verschrikkelijk blij van bent en jubelt en de polonaise zou willen lopen: geweldig! Maar het komt ook voor dat je helemaal niets ziet, dat je compleet vertwijfeld bent of zegt: "Ik weet het niet." Dat is allemaal gevoel, en mensen denken dat dat iets te maken heeft met geloof of ongeloof. Dat is het niet. Geloof wil zeggen: "Amen" zeggen op wat God gesproken heeft, daarvan uitgaan en daarop staan. Dat is geloof.

Heel wat mensen hebben dat gedaan, en daarom worden ze in Hebreeën 11 ook opgevoerd: kijk naar hen! Je bent niet de eerste hoor. De schrijver van de Hebreeënbrief — naar mijn overtuiging Paulus — had al een hele lijst namen beschreven en zegt dan in vers 32: "En wat moet ik nog verder aanvoeren?" Hij zegt immers dat de tijd hem zou ontbreken. Trouwens, dat geldt voor mij ook als ik op de klok kijk. Als ik zou gaan verhalen van Gideon, van Barak... Barak, die was ik nou net nog even vergeten. Ik hoor de feministen al denken — grapje — die zeggen: "Jij noemde allemaal bekende richters, maar één heb je niet genoemd: Debora." Excuses, inderdaad. Ze wordt hier trouwens ook niet genoemd, want het is in de geschiedenis van Barak; zijn we daar ook weer uit.

Als ik zou gaan verhalen van Gideon, van Barak, van Simson en — let op — Jefta... Ga de handboeken er maar op na: deze hele geschiedenis wordt opgevoerd als een voorbeeld van ongeloof, inclusief alles wat Jefta gedaan heeft. Maar ik weet, al was het maar op grond van Hebreeën 11, dat hij net als Gideon, Barak en Simson, David en Samuël — op wie wellicht ook genoeg aan te merken was — door geloof koninkrijken heeft onderworpen. Dat was Jefta dus ook; die heeft het koninkrijk van de Ammonieten onderworpen. Gerechtigheid geoefend — dat wil zeggen: ze hebben gedaan wat recht was — en de vervulling van de belofte verkregen. Allemaal door geloof. Anderen hebben zich laten onthoofden of zijn gemarteld, maar ook dat was allemaal door geloof. En geloof is, nogmaals, "Amen" zeggen op wat God gesproken heeft.

Jefta was zo iemand. Hij is juist daarin ook een geweldig type van Degene die geloofd heeft. Wat we vanmorgen gezien hebben, is dat hij als de zoon werd miskend, verworpen en verstoten door zijn broeders. Hij werd van het aangezicht verdreven en verkeerde in de verborgenheid. Hij had een gezelschap om zich heen van mensen die voor de wereld niets voorstellen en ook niets te bieden hebben — ze zijn "ledig" — maar het was goed rondom hem. En uiteindelijk keert dat volk dat hem miskend heeft, toch weer bij hem terug. Hoe duidelijk wilt u het hebben? Het is zoals bij Jozef, of bij David, of bij Mozes. Iedere keer zie je die lijnen, en iedere keer zie je daarin de Zoon van God schitteren en stralen. De volgende keer gaan we verder met deze geschiedenis en dan gaan we het hebben over Jefta's dochter, maar zover zijn we nog niet. Zullen we eerst een lied zingen?

🎧 Jefta (1)
Delen: