GB-weekend 5 – totdat de Dag aanbreekt
11-06-2017 - Geplaatst door Andre Pietstudie gehouden zondagmiddag 11 juni 2017 in Maarn
Samenkomst zondag-middag: over 2Petrus 1:15 t/m 21.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding 2 Petrus: Totdat de Dag Aanbreekt
- Petrus' Naderende Uitocht en het Vastleggen van de Schriften
- Geen Vernuftige Mythen: Ooggetuigen van de Parousia
- Verheerlijking op de Berg: de Zevende Dag en het Koninkrijk
- Het Profetisch Woord als Lamp Totdat de Lichtdrager Opgaat
- Eenheid van de Schrift: Geen Profetie Heeft een Eigen Uitlegging
Inleiding 2 Petrus: Totdat de Dag Aanbreekt ↑ hoofdstukken
Inmiddels weet u natuurlijk waarom daar een streepje tussen dat 'eeuw' en de rest van het woord staat, want daar hadden we het vanmorgen al over. Hij zal heersen tot in die aeonen. Totdat! En u begrijpt: dit lied sluit naadloos aan bij het thema dat we vanmiddag met elkaar gaan bespreken.
Ik vergeet nog één ding te doen en dat is iedereen heel hartelijk welkom te heten. Dat zeg ik ook even voor degenen die speciaal voor deze middag gekomen zijn. Ik denk onder andere aan mijn grote vrienden die daar zitten: Menno en Gerno. Ja, Gerno is speciaal uit Duitsland gekomen en hij vroeg: "Wil jij het heel lang maken vanmiddag? Want ik kom natuurlijk niet voor een uurtje hiernaartoe vanuit Duitsland." Ik zei: "Oké, dan maken we er een paar uur van." Nee hoor, u begrijpt het.
Laat ik meteen even die PowerPoint tevoorschijn halen. Als wij het vandaag, in deze laatste bijeenkomst, hebben over licht en duisternis – dat was het grote thema van het weekend – dan kwam dat in alle samenkomsten heel duidelijk uit de verf. Namelijk dat we nu in de nacht leven; de nacht vordert. Dat zei Paulus in zijn dagen al en dat is nu wel heel in het bijzonder het geval, en de dag is genaderd. Tot dusver zijn we heel erg op Paulus georiënteerd geweest in de eerste, tweede, derde en vierde samenkomst. De brieven van Paulus hebben we gelezen, maar vanmiddag gaan we ons richten op de tweede Petrusbrief. De subtitel die ik aan deze bijeenkomst heb meegegeven, 'Totdat de dag aanbreekt', refereert aan dat gedeelte in 2 Petrus: de dag die aanbreekt.
Tot dusver hebben we erover nagedacht dat het nu donker is in de wereld. De nacht waarin God niettemin Zijn licht laat schijnen, namelijk dat van sterren, maar met uitzicht op de grote dag die gaat aanbreken. Wanneer Christus niet langer afwezig zal zijn, maar Zijn verschijning, Zijn aanwezigheid en Zijn presentie ook zonneklaar zullen worden. Dat is een mooie woordspeling: de nacht zal dan over zijn en een nieuwe morgen, een nieuwe dag breekt aan. Dat is een geweldig thema bij de profeten. In Maleachi wordt er bijvoorbeeld gesproken over de zon der gerechtigheid die op zal gaan. Dat wekt ook de suggestie: het is nu nacht. Nou, dat lijkt me vrij duidelijk, dat hoeft ook verder niet meer toegelicht te worden, maar de dag gaat komen. Hoezo de dag? Wel, het zal namelijk licht zijn in de wereld. De waarheid en het recht zullen heersen en Christus, het Licht der wereld, zal verschijnen.
We richten ons vanmiddag op die laatste verzen van de tweede Petrusbrief. Petrus is inmiddels aan het einde van zijn leven gekomen. Vanmorgen hadden we het over 2 Timotheüs toen Paulus een brief schreef, ook aan het einde van zijn leven. We weten van Petrus dat hij inmiddels – hij zegt dat ook in datzelfde eerste hoofdstuk – beseft dat de tent voor hem, namelijk dit tijdelijke verblijf, dit sterfelijke lichaam, spoedig opgebroken zal worden. Met dat als achtergrond moet u zich ook realiseren dat Petrus de apostel is die altijd heeft geleefd met de gedachte dat het Koninkrijk in zijn dagen, in die generatie, ook openbaar zou worden. Hij was ooit wellicht degene die de vraag stelde: "Heer, herstelt U in deze dagen het Koninkrijk voor Israël?" Toen kreeg hij al een wat schimmig antwoord, dat wil zeggen niet duidelijk, en dat was ook heel expliciet de bedoeling. Maar niettemin heeft Petrus al die tijd de gedachte gehad: als Israël tot bekering komt, dan zal dat Koninkrijk ook baanbreken. Dat heeft hij ook gepredikt. Maar aan het eind van zijn leven moet hij vaststellen en weet hij ook: nee, Israël bekeert zich niet. Integendeel, het moment dat zelfs Jeruzalem verwoest zou worden, was zeer nabij gekomen. Daar gaat deze brief trouwens ook over. Maar goed, dan begin ik te lezen en we gaan er wat snel doorheen.
Petrus' Naderende Uitocht en het Vastleggen van de Schriften ↑ hoofdstukken
U moet me dat maar niet kwalijk nemen, maar we hebben inmiddels toch wel heel veel Bijbelstudies gehad. We hebben nu nog recentelijk, vanmorgen nog een uur over de Schriften nagedacht. U hebt inmiddels ook nog eens een keer een zware maaltijd achter de kiezen – ik ook trouwens. Maar goed, ik zal hier niet zo gauw in slaap vallen, dus ik wil het ook wat kort en bondig houden. Die dag komt toch wel.
Ik wil de focus even richten op het volgende: we hebben het de hele tijd over de nacht gehad en over de sterren die nu schijnen. Maar denk eraan dat het grote licht straks gaat opkomen. En niet slechts als het licht van een ster waarbij de nacht gewoon door blijft gaan; nee, als dat licht dat de nacht zal verdrijven over deze hele wereld.
Afijn, Petrus zegt dan: "Ik zal mij beijveren." Ik excuseer me weer even voor de soms wat stijve vertaling, maar goed, dat is om zo dicht mogelijk bij die grondtekst te komen. "Ik zal mij beijveren, zodat jullie bij iedere gelegenheid hebben... en na mijn uittocht..." – dus mijn exodus. Petrus spreekt over zijn verblijf in de 'tent' en hij zegt dat hij een exodus heeft die aanstaande is. Dat wil zeggen: dan verlaat ik dit sterfelijke lichaam. "En na mijn exodus, of na mijn uittocht, van deze dingen heugenis gemaakt zal worden."
Waar hij het over heeft, is dat Petrus nu aan het einde van zijn leven gekomen is. Hij zegt dat hij zich zal beijveren. Hij was al bezig met het schrijven van een brief, de tweede Petrusbrief, en hij zegt: "Ik zal mij ook beijveren zodat jullie bij iedere gelegenheid hebben..." Wat? Dat jullie ook na mijn uittocht, dus na mijn overlijden en mijn sterven, heugenis kunnen maken. Zodat jullie herinnerd kunnen worden aan dat wat ik allemaal te melden heb.
En dat geldt niet alleen voor hem, maar ook – dat zullen we zien in het navolgende – voor zijn mede-apostelen. Waar het om ging, is dat de ooggetuigen aan het einde van die generatie er alles aan gelegen was om de Schriften te completeren. Zwart op wit, en ze ook te bundelen trouwens, om de Schriften bij elkaar te brengen. Dat was hun verantwoordelijkheid. Petrus zegt: "Ik zal mij beijveren, zodat ook na mijn uittocht jullie altijd herinnerd worden aan dat Woord."
Dat is het geweldige, want nu zijn wij in 2017 en wat doen wij? Petrus is inmiddels al negentien eeuwen geleden overleden, en wij verheugen ons in het feit dat hij zich inderdaad beijverd heeft. Wij kunnen nu heugenis maken, wij kunnen herinnerd worden en elkaar herinneren aan dat wat hij toen optekende. Geweldig! Dat was zijn verantwoordelijkheid aan het einde van die generatie, zodat wij de Schriften zouden hebben. Het gaat over de apostelen die ons het – wat wij dan noemen – Nieuwe Testament hebben gegeven. Opgetekend, maar zeker ook samengesteld. Een prachtig onderwerp, maar dat skippen we nu even, want we gaan nu weer door.
Geen Vernuftige Mythen: Ooggetuigen van de Parousia ↑ hoofdstukken
Petrus zegt: "Want wij waren geen vernuftige mythen nagevolgd, toen wij jullie bekendmaakten de parousia van onze Heer Jezus Christus." Geen vernuftige mythen. Geen vernuftig verzonnen verdichtsels. Dat allitereert helemaal mooi, hè? Vernuftig verzonnen verdichtsels. Iemand zei twee weken geleden — Peter weet op wie ik nu doel —: "Ik heb jou ooit een keertje in Katwijk horen spreken en je had het toen iedere keer over vernuftig verzonnen verdichtsels. Ik ben dat nooit meer vergeten." Ja, dat is wat Petrus zegt. Geen knap bedachte verhalen; misschien inderdaad heel intelligent of creatief, maar geen mythen, geen verhalen. De essentie en de grote nadruk die in het Nieuwe Testament telkens weer wordt gelegd, is dat het historisch is. Het is waar en het is na te trekken. Paulus staat voor Agrippa en zegt: "Agrippa, je weet het zelf. Dit is niet allemaal in een of andere uithoek geschied. Je weet zelf dat het waar is wat ik jou daarover vertel."
Het is niet knap bedacht. Wat is het dan wel? Wel, hij heeft het over dat wat hij bekendgemaakt heeft: het vermogen, de kracht en de parousia van onze Heer Jezus Christus. U moet even goed nagaan: hij heeft het over de komst — zo staat het ook in de NBG-vertaling — de komst van onze Heer Jezus Christus. Dan heeft hij het niet over zijn komst in het verleden. Dat is natuurlijk ook waar; Johannes zegt: "Wij zijn ooggetuigen geweest, wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd." Gewoon met eigen ogen. Elders zegt Johannes weer: "We hebben het met onze ogen gezien, met onze oren gehoord en we hebben het met onze handen zelfs kunnen tasten." Zo concreet, zo historisch. Lees het ook na in Lukas 1, als hij zijn evangelie aanvangt; hij zegt dat het allemaal gedocumenteerd is.
Niet knap bedacht, integendeel. Hij zegt: "Wij hebben jullie bekendgemaakt met het vermogen, de kracht en de komst van onze Heer Jezus Christus." Dan denkt hij hier trouwens niet aan het verleden, zoals gezegd, maar aan zijn terugkeer. Als je een concordantie zou pakken en je kijkt naar het woordje 'parousia', dan gaat het altijd over zijn verschijning straks in de toekomst in koninklijke heerlijkheid. Dat woord 'parousia' heeft daar alles mee te maken; dat is de komst van een koning. Petrus zegt: "Toen wij jullie dat bekendmaakten, waren dat geen knap bedachte verhalen of vernuftige mythen. Nee, wij zijn toeschouwers geworden van zijn grootsheid."
Wij. Dus niet alleen hijzelf, maar ook nog anderen die dat met eigen ogen hebben gezien. Wij zijn daar toeschouwers of ooggetuigen van geweest, van die grootsheid. Lees even goed wat hier staat. Petrus zegt: "Toen wij jullie spraken over de parousia van onze Heer Jezus Christus, zijn terugkeer straks, toen was dat niet maar een knap of creatief bedacht verhaal." Nee, hij zegt: "Ik ben daar zelf met anderen toeschouwer van geweest, van die enorme grootsheid."
Waar doelt hij op? Wel, we lezen verder, want Petrus verklaart zich nader. Hij nam immers eer en heerlijkheid in ontvangst bij Vader-God, van een stem die tot hem gedragen werd. Zo staat het er. Ik moet er trouwens bij zeggen dat dit zelfs bij meerdere gelegenheden het geval is geweest dat de hemel zich opende. Dat was al bij de aanvang van het officiële begin van de bediening van onze Heer Jezus Christus, toen Hij in de Jordaan gedoopt werd. De hemel werd geopend en een stem uit de hemel klonk. Toen werd ook dit gezegd, of iets vrijwel identieks. Onder een zodanig verheven heerlijkheid klonk er: "Deze is mijn Zoon, de Geliefde in wie Ik mijn welbehagen heb."
Petrus, die aanvankelijk op de berg was — want op die gebeurtenis doelt hij — zei toen: "Het is hier goed toeven." Ik zeg het even met mijn eigen woorden. "Laten we tenten opzetten: voor Elia één, voor Mozes één..." Het was een visioen, maar goed. Hij zegt: "Voor U één en voor Mozes één." Juist bij die gelegenheid, toen hij feitelijk Mozes en Elia op één lijn zette met Jezus Christus, klonk er een stem uit de hemel die hem interrumpeerde: "Deze is mijn Zoon, de Geliefde in wie Ik welbehagen heb." In een van de evangeliën lees je dan nog als toevoeging: "Luistert naar Hem."
En Petrus zegt dat: "Wij zijn toeschouwers geweest van die heerlijkheid. Dat is niet knap bedacht." En niet alleen Petrus heeft dat gezien en is daar toeschouwer van geweest; hij zegt in vers 18: "En deze stem hoorden wij vanuit de hemel gedragen, terwijl wij samen met hem waren op de heilige berg." Een hele speciale, apart gezette berg dus. En we weten — kijk het maar na in de evangeliën, in de verslagen van Matteüs, Markus en Lukas is deze gebeurtenis opgetekend — dat Petrus refereert aan die gebeurtenis toen hij op de heilige berg was samen met, u weet het, Jakobus en Johannes. Een drietal.
Verheerlijking op de Berg: de Zevende Dag en het Koninkrijk ↑ hoofdstukken
Want je leest dan in Matteüs 17, vers 1. Lees met me mee: "En na zes dagen..." Dat is een verhaal apart wat ik hieraan kan koppelen. Want als je het Lucas-evangelie erbij haalt, dan denk je even van: hé, hoe zit dat nou? Maar ik neem nu eventjes de binnenbocht, gewoon even kort rechtdoorzee. Waar het hier over gaat, blijkt als je het vergelijkt: het gaat hier over de tijd na de zesde dag. "Na zes dagen" wil zeggen na zes dagen van de week, oftewel op de zevende dag, de sabbat. Dat blijkt als je het vergelijkt met Lucas of met Marcus; dan kan het niet missen. Het was na zes dagen en toen nam Jezus Petrus, Jakobus en zijn broeder Johannes mee, en Hij leidde hen een hoge berg op in de eenzaamheid.
Het was een heilige berg, en het was ook een hele aparte berg in die zin dat het de hoogste berg was. Als je nu naar het land Israël gaat, dan wordt er meestal gewezen naar de berg Tabor waar dit zou hebben plaatsgevonden. Maar als u het mij vraagt, kun je die wel afschrijven, want de berg Tabor is namelijk helemaal niet zo’n hoge berg. Het klopt ook niet met de beschrijving in Matteüs 17. De Heer was helemaal in het noorden van Israël; het gaat gewoon over de berg Hermon. Ik geef u nu meteen mijn conclusie zonder de bonnetjes erbij, maar dat is echt een hoge berg, veruit de hoogste berg in die hele grote regio. Dat was waar Hij hen mee naartoe nam.
En dan ziet hij dit na zes dagen, op de zevende dag. Alleen al het tijdstip is heel bijzonder. En daar moet ik nog iets bij zeggen, want Matthäus 16 aan het slot — ik heb er nu net geen diaatje van, maar ik betrek het er even bij en zal het toevoegen als ik het op internet zet — daar zegt de Heer Jezus iets wat mensen heeft verbaasd. Er is zelfs de conclusie uit getrokken dat Jezus Zich vergist heeft. Men heeft dan gezegd, of dan zegt de Heer Jezus in het slotvers van Matteüs 16, terwijl Hij daar in de kring van Zijn discipelen staat: "Er zijn sommigen onder degenen die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen, de Ben Adam, hebben zien komen in Zijn koninklijke waardigheid."
Hé, hier zegt de Heer Jezus dus dat een aantal van de discipelen, sommige van hen, de komst van de Heer Jezus Christus in Zijn koninklijke waardigheid zouden zien; wat wij dan de wederkomst noemen. Bijbelcritici hebben daaruit geconcludeerd: zie je wel, Jezus dacht dat het toen allemaal gebeurde, Hij heeft dat zelfs voorzegd of voorspeld, maar het is niet uitgekomen. En dan blijkt trouwens — en dan wreekt zich ook het fenomeen dat hoofdstukindeling in de Bijbel soms heel handig is om een passage terug te vinden, maar tegelijkertijd ook een onding is — want als je namelijk gewoon door zou lezen, dan begrijp je ook meteen waar het over gaat.
Er staat namelijk: "Er zijn sommigen onder degenen die hier staan die de dood voorzeker niet zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in Zijn koninklijke waardigheid." En dan staat er direct daarna in vers 1 van Matteüs 17: "En na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en zijn broeder Johannes mee..." Sommigen dus! Hij leidde hen een hoge berg op in de eenzaamheid. En toen, bij die gelegenheid, is Petrus met Johannes en Jakobus een toeschouwer geweest van de parousia van onze Heer Jezus Christus. Heeft hij dat gezien? Jezus transformeerde; hoe staat het er dan precies? Ze zagen Hem in louter heerlijkheid. Die transfiguratie. Dat staat er ook bij, ik kan het meteen voorlezen: "En Zijn gedaante veranderde voor hun ogen en Zijn gelaat straalde gelijk de zon." Dat is ook mooi, dat betekent dus die nieuwe dag. "En Zijn klederen werden wit als het licht."
Er is veel meer over te melden, maar het gaat me nu even om wat Petrus zegt. Petrus is toen dus een getuige geweest van de komst van Jezus Christus in Zijn koninklijke waardigheid. Oftewel, hij is al een toeschouwer geweest van de parousia van Jezus Christus op die zevende dag. Als je weet wat die verheerlijking op de berg uitbeeldt, namelijk de parousia van onze Heere Jezus Christus op een hoge berg, dan zie je dat dit op zich al een beeld is van het Koninkrijk. En ja, wanneer vond dat plaats? Wanneer verscheen de Heer Jezus in Zijn koninklijke waardigheid? Dat moest juist op zo'n tijdstip zijn: na de zes dagen.
Petrus zegt dat overigens ook in deze zelfde brief, maar dan in hoofdstuk 3. Hij zegt: "Ja geliefden, één ding mag jullie niet ontgaan. Er komen spotters die zullen zeggen: waar blijft de belofte van Zijn komst?" Hij zegt: "Maar dan moeten jullie één ding niet vergeten. Eén ding mag jullie niet ontgaan dat voor onze Heer één dag is als duizend jaar en duizend jaar als één dag." Dat mag je niet ontgaan in verband met de vraag: waar blijft de belofte van Zijn komst? Dat is het eerste wat je moet weten.
Als hij er dus op wijst dat die verheerlijking op de berg een type is van de parousia en het Koninkrijk van onze Heer Jezus Christus, wanneer breekt dat dan baan? Uiteraard, je had het kunnen verzinnen of kunnen bedenken: op de zevende dag. De dag dat de sabbatsrust — dat is trouwens ook een Bijbels beeld — de sabbatsrust voor deze wereld zal aanbreken. Dat zal zijn na zes millennia; het zevende millennium ook. Je zou het ook nog op een andere manier kunnen zeggen, namelijk zoals Hosea daarover spreekt: dat de Heer zou terugkeren na twee dagen. Die termijn is eigenlijk nog wat korter. Dan reken je niet vanaf het begin van de schepping vanaf Adam, maar dan reken je vanaf Zijn eerste komst tot Zijn terugkeer. Een termijn is daarvoor gesteld en in type vind je dat op allerlei manieren terug. Afijn, Petrus is met een aantal anderen een ooggetuige, een toeschouwer geweest van die parousia.
Het Profetisch Woord als Lamp Totdat de Lichtdrager Opgaat ↑ hoofdstukken
Petrus zegt: "En wij hebben het profetisch woord meer bevestigd." Dat wil zeggen dat het daardoor des te vaster is komen te staan. Wat wij verwachten en waar de profeten van spreken, dat hebben wij bevestigd gezien. Wij zijn daar toeschouwer van geweest. En nu hebben ze het vastgelegd en ligt het ook voor ons vast; het is bevestigd en zwart op wit gezet. Wij – Petrus, Johannes en Jakobus – hebben het profetisch woord meer bevestigd. En u doet er goed aan – let op: wij waren de toeschouwers, u bent de lezers – om daar acht op te geven.
Natuurlijk richt Petrus zich als apostel van de besnijdenis vooral tot Israël, maar hij zegt: "U doet er goed aan daar acht op te geven." Waarop? Als op een lamp die schijnt in een grauwe plaats. Eigenlijk staat er zoiets als een groezelige, grauwe of vuile plaats. Inderdaad, het is in de duisternis, maar het is bovendien een hele vieze plek, vuil en groezelig. Hier heb je weer die gedachte: de wereld is donker, het is nacht, maar wat we verwachten is de dag. Ondertussen hebben we een lamp in deze nacht. We weten wat die lamp is; de psalmist wist het al: "Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad." Hier is het dat profetische woord, het woord van de profeten.
"Dat hebben wij des te meer bevestigd," zegt Petrus. En u als lezers, ook de nakomende generaties, doet er goed aan daarop acht te geven. Als Petrus er niet meer is, kunt u daar voortdurend aan herinnerd worden. Waarom? Het is als een lamp die schijnt in een grauwe plaats. Het is geweldig om te weten waar je staat. Dat is sowieso het prachtige: als je mag wandelen in het licht, dan zie je de dingen en zie je elkaar. Als het donker is, zie je helemaal niets, maar wij hebben licht. We kunnen de tijd waarin we leven duiden, ook chronologisch. We weten dat de termijn van de zes dagen bijna is afgesloten. Het is nu niet het moment om dat met precisie op het jaar of zelfs decennium nauwkeurig vast te leggen – dat hebben we bij andere gelegenheden wel gedaan – maar één ding is duidelijk: de Heer verliet dit aardse toneel bijna tweeduizend jaar geleden. Daarmee zeg ik niets bijzonders, want dat is gewoon onze jaartelling; dat weet iedereen.
De twee dagen zijn bijna voorbij. Het bijzondere is dat het hele profetische decor weer wordt opgezet, precies zoals je op grond van het woord van de profeten had mogen verwachten. Kijk naar alle ontwikkelingen in de wereld; alles wijst erop dat de nacht ten einde loopt. Zelfs in de wereld heeft men er besef van dat het in dit bestel niet veel langer meer zo kan doorgaan. Hoe dan ook, wij hebben het profetisch woord en u doet er goed aan daarop acht te geven. Het is een lamp waarmee we de tijd kunnen duiden en die schijnt in een grauwe plaats.
Totdat! Ja, hoe lang heb je die lamp nodig? Zolang het donker is. Als er eenmaal dag is, heb je die lamp niet meer nodig, want dan is datgene waar de lamp ons op wees inmiddels werkelijkheid geworden. Totdat de dag aanbreekt en de lichtdrager opgaat. Ik ben het niet eens met de weergave van de NBG-vertaling die spreekt over de 'morgenster'. Want als de dag aanbreekt, wat komt er dan op? Dan komt de lichtdrager op. De lichtdrager bij uitstek die de dag doet aanbreken, is toch de zon. Dan zal namelijk de Zon der gerechtigheid opkomen. Totdat de dag aanbreekt en de lichtdrager opgaat, of de lichtbrenger; Hij zal met recht opgaan.
"Nu daagt het in het oosten." Dat is trouwens ook een mooi lied, want de Heer zal straks ook verschijnen in het oosten. Zoals de bliksem van oost naar west gaat, zo zal de komst, de parousia van de Zoon des mensen zijn. Ook ten oosten van Jeruzalem zal Hij acte de présence geven en verschijnen op de Olijfberg, die bij die gelegenheid middendoor splijt. U begrijpt dat ik het nu heb over de gebeurtenissen waar de profeten over spreken in verband met Israël. Ik heb het nog niet eens over het moment dat daaraan voorafgaat, wanneer wij Hem tegemoet zullen gaan. Het gaat hier over het aanbreken van de dag, dat wil zeggen die zevende dag: de sabbat, het Koninkrijk. Na zes dagen van menselijke arbeid zegt God: "En nu is het Mijn dag." Rust. Ook weer duizend jaren. Het klopt geweldig; die dag duurt ook weer duizend jaar.
Dan is er nog een andere kwestie. Als u dit in de NBG-vertaling of de Statenvertaling leest, staat er: "In uw harten." Er staat dan: "Totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten." Maar dat "in uw harten" hoort niet bij die voorgaande zin. Die zon gaat niet op in onze harten; de lamp schijnt in onze harten. De zon komt op over de hele wereld, niet specifiek in onze harten. "In de harten van u" hoort bij de volgende zin. Dat noemen ze interpunctie. In het Grieks staan geen punten of komma's, sowieso geen leestekens. Soms is het de vraag waar de punt hoort, maar zoals de punt gezet is in onze vertalingen, schept dat geen duidelijkheid. Die zon komt straks op voor de hele wereld. De lamp schijnt in onze harten, maar de zin loopt door: "...in de harten van u dit eerst wetende." Het hoort dus echt bij de volgende zin en in ieder geval niet bij het opgaan van dat licht. Is het duidelijk wat ik nu zeg? Ik geef toe dat ik het heel kort zeg, maar het is van belang om het gedeelte te begrijpen.
De dag breekt aan. Zolang het in deze wereld donker is – en trouwens ook een hele grauwe, groezelige plaats – hebben wij een lamp. We hebben licht en daarbij wandelen we, in vele opzichten. Het wachten is op het moment dat die zevende dag gaat aanbreken. Zo zegt Petrus het aan zijn lezers.
Eenheid van de Schrift: Geen Profetie Heeft een Eigen Uitlegging ↑ hoofdstukken
In de harten van jullie, en dan lees ik verder. In de harten van jullie, dit eerst wetende. Weten in jullie hart, zodat je het ook diep in je binnenste beseft: dat geen profetie van de Schrift een eigen uitlegging toelaat of wordt. In de Statenvertaling staat: "geen profetie der Schrift heeft een eigen uitlegging." En weet u wat dat betekent? Het is eigenlijk heel simpel. Geen profetie der Schrift heeft een eigen uitlegging, omdat de profetieën der Schrift elkaar uitleggen. Het ene legt het ander uit. En dat kan alleen als al die profetieën van de Schrift, het ene Schriftwoord en het andere Schriftwoord, één geheel vormen. Dat is heel mooi. Geen profetie van de Schrift heeft een eigen uitlegging, omdat andere profetieën van de Schrift die ene profetie weer uitleggen. Ze hebben elkaar nodig. Het is complementair, zoals dat met een duur woord heet. Het mooiste beeld vind ik daar altijd nog van: een legpuzzel. Je hebt al die stukjes nodig om het ene panorama te krijgen. Dat is de Schrift.
Want wij denken, wij hebben het altijd over 'dit boek'. Welnee, dit is geen boek. O ja, je kunt het zo noemen, maar het is een bibliotheek. Het bestaat uit zeventig boeken. Het is op zich al een eenheid, of het geeft aan dat het een totaliteit is. En die zeventig boeken vormen een eenheid. Elk boek, elke profetie, elke voorzegging, elk Godswoord is daarin nodig, zodat het ene het andere uitlegt. En dat is het geweldige: de Schrift legt zichzelf uit, of de Schriften leggen elkaar uit.
Waarom zouden we dat in onze harten eerst weten? Dat dit waar is, dat geen profetie van de Schrift tot een eigen uitlegging wordt. Meestal wordt het zo opgevat dat je een uitlegging niet uit je duim moet zuigen. Nou, dat lijkt mij sowieso wel duidelijk. Nee, het gaat er ook om dat een profetie van de Schrift uitgelegd wordt door andere profetieën. Want, laten we Petrus verder lezen: "Want nooit bij de wil van een mens werd profetie ooit voortgebracht." Dat kan niet. Als je het woord profetie heel letterlijk neemt, ook in het Grieks, dan wil dat letterlijk zeggen: een voorzegging. Ik vind dat mooi om aan te denken. In het Nederlands kennen we enerzijds het woordje 'voorspelling'. Astrologen voorspellen. Maar de profeten in de Schrift voorspellen niet; die kijken niet in een glazen bol. Die voorzeggen.
Weten we hoe dat kan? Wel, God overziet alles. Hij overziet de tijden en Hij spreekt van den beginne over de afloop. Hij overziet de tijden. Vanmorgen kwam Linda naar me toe en zei: "Weet je wat het mooie van tijd is? Het is maar tijdelijk." Het is ooit begonnen, maar die tijden komen ook weer tot een einde. Maar God overziet de tijden en Hij voorzegt nauwkeurig wanneer, waar en hoe. En heel de Schrift bewijst daarin ook zichzelf, dat vind ik ook het geweldige. Die profetieën bewijzen de claim van de Schrift. Ik bedoel: een Jesaja die al twee eeuwen van tevoren voorzegt dat er een vorst zou komen die Israël weer terug zou brengen in het land. Dat was nog voordat Israël zelfs maar in ballingschap was gegaan. Hij had al gezegd dat dat zou gebeuren. En bovendien wordt de naam ook al aangegeven: hij zal Kores heten. God had van tevoren gezegd hoe, waar, wanneer en zelfs wie en bij welke naam. Zo geweldig! Kijk, dat is alleen God bij machte te doen.
En daarom: nooit bij de wil van een mens werd profetie ooit voortgebracht. Dat kan namelijk niet. Een mens weet nog niet eens wat de dag van morgen gaat brengen. Maar God overziet de tijden en die weet: na zes dagen is het Mijn dag. En Ik kan je ook vertellen wat voor Mij één dag is. Dat heeft Hij allemaal zo zwart-op-wit aangetekend. En nu, anno 2017, leven wij — zoals altijd al, maar des te meer naarmate we de dag zien naderen — vol verwachting. Nooit bij de wil van een mens werd profetie ooit voortgebracht, maar onder heilige geest gebracht wordend spreken heilige mensen van God. Dat wil zeggen: het is Gods Geest door wie zij met recht gedragen en geïnspireerd werden om te spreken wat geen mens kan zeggen en voorzeggen.
Gods Woord is een lamp, het is werkelijk licht. Het voorzegt, en dat kan nooit door een mens zijn bedacht. Maar bedenk daarbij dus dat heel die Schrift een eenheid is. Mensen denken: "Ja, die Bijbel is een verzameling van allemaal menselijke boeken." Nee, het is een compilatie van boeken, en het bijzondere is dat al die boeken nodig zijn om het ene geheel te zien en om het ene te laten uitleggen door het ander. Dat kan alleen maar omdat heilige mensen door één Geest gedragen werden en onder één Geest gebracht werden, zodat ze dat spraken. Het zijn in die zin de Schriften, allemaal boeken, maar uiteindelijk is het één Schrift. Er is namelijk één Auteur.
En omdat dat zo is — heilige mensen zijn gebracht onder Gods heilige Geest en spreken van Gods wegen — kunnen zij deze dingen spreken. En dat is wat Petrus dan ook zegt: waarom zouden wij aandacht geven aan dat woord van de profeten en dat geweldige perspectief van die zevende dag die gaat aanbreken? Waarom? Het is een lamp, dat zijn die Schriften, en die schijnt als in een donkere nacht. Het leek mij een heel goed idee om juist dit weekend daarmee af te sluiten, met dat in gedachten. We hebben er eigenlijk de hele tijd aan gedacht: het licht dat nu schijnt. Maar het geweldige is ook: die dag gaat komen en deze nacht loopt ten einde. Die termijn is bijna vervuld.
En daarom, lieve mensen, stellen we dat aan het einde van dit weekend met grote dankbaarheid vast. Terwijl we ons in zoveel heerlijkheid en zoveel licht hebben mogen verblijden: de dag gaat komen! Wees ervan bewust dat de nacht zeer duister is. Het is een grauwe, groezelige plaats waarin we leven; heb daar geen verwachting van. De dag gaat komen. Hoe weten we dat? Wel, het is zo gezegd. En als God dat zegt, dan gebeurt dat. Dat is het licht. En wij zeggen daarop: amen. Zullen we nog een lied zingen, Andreas?
UltimateGoodNews