het Evangelie van de besnijdenis (2)
06-03-2022 - Geplaatst door Andre Piet6 maart 2022, Urk
In Galaten 2 lezen we dat Jakobus, Petrus en Johannes aan Paulus “de rechterhand van gemeenschap” geven, opdat hij naar de natiën zou gaan en zij zich zouden (blijven) richten tot de besnijdenis. Die specifieke adressering zien we ook terug in de brieven die zij hebben geschreven. Hun brieven hebben ten onrechte de naam algemeen of ‘katholiek’ te zijn aangezien het in werkelijkheid besnijdenis-geschriften betreft. In deze studie willen we dat feit nader bezien en ook ontdekken wat dit betekent.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Terugblik op de Afspraak in Jeruzalem (galaten 2)
- Twee Evangelies: Verschillend, maar Niet Andersoortig
- De Letterlijke Adressering van de Jacobusbrief
- De Impact van de Vervangingstheologie op Vertalingen
- De Petrusbrief: Gericht aan Emigranten in de Diaspora
- Israël als Uitverkoren Geslacht en Koninklijk Priesterdom
- De Parallel met de Roeping bij de Sinaï (exodus 19)
- Johannes: Openbaring aan een Koninkrijk van Priesters
- Zacharia 12: Zij Zullen Mij Zien Die Zij Doorstaken
- Afsluiting: Vermeng het Evangelie van de Besnijdenis Niet
Terugblik op de Afspraak in Jeruzalem (galaten 2) ↑ hoofdstukken
Ik stel voor dat we de draad weer oppakken waar we hem de vorige keer ongeveer hebben losgelaten. De vorige maand hebben we ons beziggehouden met het onderwerp dat u hier geprojecteerd ziet: het evangelie van de besnijdenis. Zoals u hier leest, kunt u dat, als het gaat om de gangbare vertalingen, eigenlijk alleen terugvinden in — als ik me niet vergis — de Statenvertaling: 'het evangelie der besnijdenis'. In de meeste vertalingen is het helaas wegvertaald of in ieder geval heel erg verzwakt, alsof het alleen maar om een adressering zou gaan: 'het evangelie voor de besnijdenis' en 'het evangelie voor de voorhuid'. Dan zou het gaan om één evangelie dat aan verschillende adressen, verschillende locaties of verschillende groepen mensen wordt gebracht.
Maar de essentie is juist — en dat is wat we de vorige keer vooral hebben bezien vanuit Galaten 2 — dat het hier inderdaad om een hele specifieke boodschap gaat die speciaal bestemd is voor de besnijdenis. Dat is een technische term voor het volk van Israël, het volk waaraan de besnijdenis is gegeven. Laat ik nog even teruggrijpen op wat we de vorige keer hebben gelezen, want het uitgangspunt in deze serie — en ik vermoed dat er nog één studiebijeenkomst aan toegevoegd zal worden — is Galaten 2, en dan vooral de verzen 7 tot 9.
We zijn de vorige keer al begonnen bij vers 1, waar Paulus melding maakt en beschrijft hoe hij ooit naar Jeruzalem optrok. Dat was veertien jaar nadat hij geroepen was op de weg naar Damaskus. De bijeenkomst waar hij het in Galaten 2 over heeft, is de bijeenkomst die uitgebreid beschreven wordt in Handelingen 15, waar uiteindelijk Jakobus, de broeder van de Heer, de knoop heeft doorgehakt. Hij was daar leidend. Over diezelfde bijeenkomst die in Handelingen 15 beschreven wordt, heeft Paulus het dus in Galaten 2.
Laat ik die verzen 7, 8 en 9 nog even lezen, want die staan centraal. Die vormen de basis van deze studie en de aanleiding voor dit onderwerp. Het is midden in een betoog, maar: "Toen zij waarnamen..." — en dan gaat het over de apostelen daar in Jeruzalem, vooral zij die in aanzien waren: Jakobus, Petrus en Johannes, de steunpilaren zoals we straks ook zullen lezen — "toen zij waarnamen dat mij," — en dan gaat het dus over Paulus, de schrijver — "het evangelie van de voorhuid is toevertrouwd." Ik zei net dat 'de besnijdenis' een technische term is, maar 'de voorhuid' is dat natuurlijk ook; het is de tegenstelling. Het gaat óf om besneden óf om onbesneden.
Als u een mbg-vertaling heeft, dan staat dat er ook zo: "voor de onbesnedenen en voor de besnederen". In de praktijk komt het daar inderdaad op neer. Maar u weet, we kiezen er bij Fokker altijd voor om zo dicht mogelijk bij het taalgebruik van de Schrift zelf te blijven. In ieder geval is het niet 'voor', maar 'van'. Dat is van belang. Aan Paulus was dus het evangelie van de voorhuid, dat wil zeggen de onbesnedenen, toevertrouwd. In de praktijk zijn dat de gooi. Als de besnijdenis de uitdrukking is voor Israël, het volk dat besneden is, dan is de voorhuid de natiën: zij aan wie niet de besnijdenis is gegeven. Het komt er in feite op neer dat aan Paulus een heidens, een goois evangelie is toevertrouwd.
Dat verklaart dan ook meteen waarom de apostel Paulus heel moeilijk lag daar in Jeruzalem en in die kringen. Vergis u niet, dat was in die dagen heel groot. U leest in Handelingen van myriaden Joden die allen de Messias beleden. Dat wil zeggen dat ze geloofden in Jezus de Messias, en allen waren zij ijveraars van de wet. De sabbat en de besnijdenis werden zeer in ere gehouden. Paulus stond daar anders in. Hij had een heidens evangelie en dat was hem toevertrouwd. Ze konden niet anders dan vaststellen dat dit hem van Godswege was toevertrouwd, want God had het getuigenis van deze Paulus rijkelijk bevestigd met tekenen en wonderen. In feite waren die tekenen en wonderen die Paulus deed onder de natiën een bevestiging voor Israël dat het evangelie naar de natiën was gegaan.
Ze namen dat waar en konden het dus ook niet ontkennen. Paulus zegt: "Ze namen waar dat aan mij het evangelie van de voorhuid was toevertrouwd, zoals aan Petrus dat van de besnijdenis." Want Petrus was daarin toch leidend, samen met Jakobus en Johannes. "Want," staat er dan — en dat is even tussen haakjes — "Hij die inwerkt in Petrus tot apostelschap van de besnijdenis, werkt ook in mij voor de natiën." Aan mij mag dan een andere boodschap, een ander type evangelie zijn toevertrouwd, maar dat neemt niet weg dat het van dezelfde Heer is. Dezelfde die Petrus tot apostel maakte van de besnijdenis, was dezelfde Heer die Paulus ook een apostelschap gaf, een afvaardiging voor de natiën.
En dan staat er: "Ook de genade kennend die aan mij gegeven wordt..." Het gaat hier nog steeds over die waarnemers, die steunpilaren daar in Jeruzalem. "De genade kennend die aan mij gegeven wordt, hebben Jakobus, Kefas en Johannes..." Kefas is de Aramese versie van Petrus; dat betekent exact hetzelfde. Soms wordt hij Kefas genoemd, meestal wordt hij Petrus genoemd, zoals we hem doorgaans kennen. Jakobus, Kefas en Johannes golden als steunpilaren. Deze drie namen waren de intimi in de kring van de twaalf — waarbij je er wat op kunt afdingen, want de Jakobus hier is niet dezelfde als de Jakobus van de twaalf, maar dat terzijde. In elk geval golden zij als steunpilaren en hebben zij aan Paulus en Barnabas de rechterhand van gemeenschap gegeven, opdat Paulus en Barnabas voor de natiën zouden zijn, maar Jakobus, Petrus en Johannes voor de besnijdenis.
Hier is dus aan de ene kant sprake van het evangelie van de voorhuid en van de besnijdenis, en aan de andere kant van die verschillende adresseringen. Jakobus, Petrus en Johannes richtten zich tot Israël, tot de besnijdenis. Als ik het even schematisch voorstel, dan krijg je dit verhaal: het evangelie van de voorhuid is toevertrouwd aan Paulus, en het evangelie van de besnijdenis is toevertrouwd aan Jakobus, Petrus en Johannes. Ik heb daarbij nog iets benadrukt vanuit Galaten 1, wat belangrijk is om in te zien. Voor veel gelovigen is dit een lastig punt. Als ze horen dat aan Petrus een ander evangelie was toevertrouwd dan aan Paulus, vragen ze zich af hoe dat kan. Er is toch maar één evangelie? Paulus zegt toch: "Indien iemand u een ander evangelie verkondigt, die zij vervloekt"? Dat is Galaten 1. Hoe kan dat dan? Wel, het antwoord is — en ook dat is helaas wegvertaald — dat Paulus in Galaten 1 spreekt over de boodschap die in Galatië verkondigd werd, waar hij ooit gepredikt had. Hij zegt: "Jullie hebben je laten afkeren tot een evangelie dat wel een ander soort van evangelie is, maar dat niet een ander is." Hij gebruikt daar verschillende woorden.
Twee Evangelies: Verschillend, maar Niet Andersoortig ↑ hoofdstukken
Het is wel verschillend, maar het is niet andersoortig. Het heeft ook hetzelfde fundament. In beide boodschappen staat de opgewekte Christus centraal. Dat zegt Paulus trouwens ook in 1 Korinthe 15. Wanneer hij het erover heeft dat hij als laatste is geroepen en zegt dat hij het niet waard is om een apostel te heten, dan sluit hij dat verhaal af in 1 Korinthe 15 door te zeggen: "Ik of zij" — en dan heeft hij het over de twaalf — "zo prediken wij en zo zijn jullie gelovig geworden." Met andere woorden: de opgewekte Christus hebben we gepredikt en dat is wat jullie tot gelovigen heeft gemaakt. Het is hetzelfde soort evangelie, maar het is wel een verschillend type.
Want dat is eigenlijk het idee. Je hebt daar allerlei verschillende voorbeelden van. Ik had het de vorige keer geloof ik over verschillende auto's: twee verschillende Peugeots of een Rolls Royce, maar je hebt binnen een merk ook verschillende types. En in feite is dat het verschil waar we het hier over hebben.
Trouwens, ik moet erbij zeggen dat daar in Galatië een boodschap werd verkondigd die andersoortig was. Dat was niet slechts het verschil waar we het hier over hebben; nee, daar werd een evangelie verkondigd dat andersoortig is. Wat is de clue daarvan? Ik wil daar de volgende keer graag wat dieper op ingaan. Het probleem in Galatië was dat daar het evangelie van de besnijdenis werd toevertrouwd, werd gebracht. In feite was dat andersoortige evangelie een misplaatst evangelie. Het evangelie van de besnijdenis zou uiteraard gepredikt worden aan de besnijdenis, maar wat gebeurde er in Galatië? Daar had Paulus het evangelie van de voorhuid gepredikt. Geen besnijdenis, zonder de wet en al die gebruiken en gewoonten van de Joden; die speelden geen enkele rol. En toen kwamen daar mensen uit Jeruzalem, uit de kring van Jakobus, en die gingen daar onder de natiën het evangelie van de besnijdenis spreken, waar de sabbat, de besnijdenis en al die Joodse rituelen wel een grote rol in speelden. Dat was misplaatst en daarvan zegt Paulus: dat is andersoortig.
Op het moment dat een evangelie misplaatst is — dat wil zeggen: aan een groep wordt verteld waar het niet hoort — dan zegt Paulus: dat is anathema. Want de genade waar zij in Galatië mee geconfronteerd werden via de apostel Paulus, en de geweldige vreugde die ze daarin hadden gevonden, die verdween op het moment dat ze te horen kregen: "Jullie zijn nu weliswaar gelovig geworden en jullie hebben het evangelie leren kennen, maar als je echt rechtvaardig wilt leven, dan zul je toch ook de sabbat moeten houden en de rituelen moeten kennen." Er waren zelfs mensen die de besnijdenis daarin leerden. Je hebt allerlei gradaties en soorten, maar de kernfout was dat het evangelie van de besnijdenis gebracht werd onder de natiën. Dat was misplaatst en daar is Paulus uiterst fel over. Dat evangelie van de besnijdenis is een geweldig evangelie, dat wil ik vanmiddag ook laten zien, mits het goed wordt toegepast.
Laten we ons nu richten op wat ook voor de vorige keer gepland was, want dat had ik toen al aangegeven. Weliswaar had ik aan de hand van Galaten 2 laten zien dat Jakobus, Petrus en Johannes zich richtten tot de besnijdenis, maar dat moet eens wat nader bezien worden. Ik wil dat laten zien aan de hand van de brieven van Jakobus, Petrus en Johannes, zij die de steunpilaren waren onder de twaalf. Uit hun brieven blijkt dat zij zich inderdaad richten tot de besnijdenis. Op voorhand wist je dat eigenlijk al, omdat dat deel uitmaakte van de nogal officiële afspraak. Het waren immers Jakobus, Kefas en Johannes die Paulus de rechterhand van gemeenschap hebben aangereikt. Daarmee werd bezegeld: dit is de afspraak en hierin vinden wij ook gemeenschap. Dat wil zeggen: hierin zijn wij één. Wij dit en jij dat; wij — Jakobus, Petrus en Johannes — voor de besnijdenis, en Paulus richt zich tot de natiën.
Trouwens, dat deed hij zonder onderscheid. Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat Paulus ook tot de Joden heeft gesproken. Sterker nog, in het boek Handelingen lees je altijd dat hij, wanneer hij ergens kwam, eerst naar de synagoge ging. Maar Paulus' bediening was ongelimiteerd; hij ging naar de natiën, en dat wil zeggen naar álle natiën, ongeacht welke. Dus ook de Joden. Paulus' boodschap was niet gelimiteerd; hij richtte zich tot iedereen. Alleen de bediening van Jakobus, Petrus en Johannes was wel speciaal, namelijk voor één groep: de besnijdenis. Dat is ook de afspraak: zij zouden daar naartoe gaan. Deze adressering — zij richtten zich tot de besnijdenis en ook met het evangelie van de besnijdenis — is belangrijk om te bezien. Het is weliswaar al kort aangestipt wat de essentie is van dat evangelie van de besnijdenis, maar ik denk dat we ook helder moeten krijgen waarom dat werkelijk een evangelie is, een blijde tijding. Wat is daar nu het kenmerk van?
De Letterlijke Adressering van de Jacobusbrief ↑ hoofdstukken
Ik stel voor, laten we maar eerst beginnen bij Jakobus. De naam is eigenlijk al veelzeggend. Jakobus is de Griekse vorm van de naam van Jakob en Jakob is de vader van de twaalf, toch? En Jakob is in feite ook een aanduiding van het volk van Israël, soms juist zelfs van het ongelovige Israël. Heel vaak wordt daar ook met die woorden gespeeld, hè? Het was eerst Jakob, en toen bij de Jabbok vond daar een omkering plaats en werd Jakob Israël. Toen werd Jakob Israël en toen ging de zon ook over hem op trouwens. Dat is prachtig.
Maar je ziet bijvoorbeeld in het boekje Jesaja, daar lees je: God zond een woord tot Jakob en het is gevallen in Israël. Opvallend is dat verschil. Je kunt zeggen: ja, het is gewoon een parallellisme, twee keer dezelfde regel alleen een ander woord gebruikt. Maar er zit meer in. God zond een woord tot Jakob, maar als het valt, als het kwartje valt, als in dit geval het woord valt en het komt terecht, het vindt zijn plaats, het vindt plek, wel dan wordt Jakob Israël.
Oké, Jakobus de schrijver. Hij zegt: slaaf van God en trouwens ook van de Heer Jezus Christus. Dat is opmerkelijk als je er eigenlijk even bij stilstaat en bedenkt dat Jezus Christus zijn oudere broer was, zijn oudere halfbroer zo u wilt. Maar dit is de verhouding. Jakobus is zich maar al te zeer ervan bewust wie zijn oudere broer was. Trouwens, u wist misschien niet dat de Heer Jezus vijf broers had en twee zussen en dat die broers in elk geval in aanvang, tijdens de bediening van de Heer Jezus hier op aarde, niets van Hem wilden weten? Daar hoort Jakobus dus ook bij. Dus Jakobus is pas later tot erkenning gekomen van zijn halfbroer. Dat kan niet anders, want in aanvang geloofde ook Jakobus niet in Hem. U weet trouwens van deze Jakobus: de Heer is als Opgewekte apart ook verschenen aan Jakobus. Dat lees je denk ik in de vijfde... oké, de broer van de Heer.
Later is hij... en ik geloof dat we de vorige keer daar al wat dingen over gezegd hebben. Jakobus is daar in Jeruzalem, in feite speelt hij daar een leidende rol. Jeruzalem, de hoofdstad, eigenlijk ook de plek waar de troon gevestigd zou worden. Maar nu Jezus de Koning afwezig is, neemt naar de maatstaven van het vlees zijn oudste broer de honneurs waar, om zo te zeggen. Ik denk dat dat de gedachte ook is geweest. In ieder geval was hij leidend daar, te midden van dat gezelschap van tienduizenden Joden die allen ijveraars voor de wet waren.
Oké, deze Jakobus dus. Hij stelt zichzelf voor en hij schrijft een brief. Aan wie schrijft hij die brief? Ja, men zegt dat Jakobus de eerste van de katholieke brieven is: de algemene brieven die niet een speciale adressering hebben. Dat kun je wel vergeten. Je hebt een hele specifieke adressering. Jakobus, Petrus en Johannes richten zich tot de besnijdenis. En de eerstbeste brief die je in die volgorde, namelijk Jakobus, ook in de Bijbel aantreft — het is niet voor niks dat we ze in die volgorde aantreffen — dat is gewoon gebaseerd op de afspraak in Galaten 2.
Maar goed, Jakobus schrijft een brief en aan wie schrijft hij die? Precies wat je had mogen verwachten, niet alleen uit zijn naam — dat is alleen maar bevestigend — nee, ook op basis van die afspraak en op basis trouwens ook van de positie die hij had in Jeruzalem. Hij schrijft een brief aan de twaalf stammen, weliswaar niet in het land maar die in de diaspora zijn, in de verstrooiing. Dus weliswaar wereldwijd; die brief is geografisch niet beperkt. Dat is waar, het is niet alleen maar beperkt tot de mensen in het land. Nee, het is gericht aan de verstrooiing, overal waar de twaalf stammen zich ook mogen bevinden. Want die zijn verstrooid, dat betekent diaspora. 'Spora' betekent ook inderdaad strooien en 'dia' betekent er doorheen strooien. Dus te midden van de natiën zijn ze overal doorheen gestrooid. Dat is eigenlijk wat diaspora betekent. Wereldwijd, maar aan één volk.
Trouwens, dat is heel opmerkelijk. Ook dat is weer in veel vertalingen wegvertaald. Als je een Voorhoeve-vertaling hebt, dan zie je het wel in Jakobus 2 terug. Dan staat daar meteen een voorval waar Jakobus schrijft: "Stel, er komt iemand in uw synagoge binnen." Dat staat er echt, er staat gewoon 'synagoge'. Het woordje synagoge komt een stuk of honderd keer voor in het Nieuwe Testament en altijd wordt het vertaald in de NBG-vertaling met 'synagoge', met één uitzondering en dat is in Jakobus 2. Dan vertaalt men 'vergadering'. Een synagoge is ook een vergadering, dat klopt wel. Maar waarom vertaalt men het altijd met synagoge en in Jakobus 2 ineens met vergadering?
De Impact van de Vervangingstheologie op Vertalingen ↑ hoofdstukken
Dat komt omdat men niet gelooft dat Jakobus zich richt tot de besnijdenis. Want ja, de leer is toch dat de katholieke brieven een speciale plaats voor Israël innemen. Kerkhistorisch ligt dat ook niet zo aangenaam, om niet te zeggen dat het vanaf het begin al zo was. Laat ik het nog anders zeggen, het is zelfs nog sterker: op het moment dat de kerkgeschiedenis echt officiële vormen kreeg en de concilies werden gehouden – nota bene onder leiding van keizers – was men niet alleen anti-judaïstisch en antisemitisch, maar men zag zichzelf vooral als in de plaats van Israël gekomen.
Die leer dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen, met alle varianten en toepassingen van dien, hield in dat men alles overnam. In plaats van de sabbat is de zondag gekomen en in plaats van de besnijdenis is de doop gekomen. Alles heeft men overgenomen. In feite is het misplaatst, want men heeft dat wat voor de besnijdenis bestemd is, op zichzelf toegepast. De kerk is in de plaats van Israël gekomen en voor Israël was er geen plek meer, want dat waren zij voortaan zelf. Je kreeg toen echt pure concurrentie. Men geloofde domweg niet dat God nog een toekomst had voor Israël, en dus moest de rol van Israël ook in de vertalingen helemaal worden weggevlakt. Men kon daar niet mee overweg en dus moest ook de Jakobusbrief van zijn Israëlitisch karakter worden ontdaan.
Vandaar ook dat men aanpassingen deed. Ik heb een vertaling gezien waarin staat: "Stel, er komt iemand in uw kerkdienst binnen." Nee, het is niet uw kerkdienst! Het is ook niet zomaar een vergadering. Nee, het is uw synagoge! Hoezo? Wel, Jakobus richt zich tot de twaalf stammen; dat staat gewoon in het begin van de brief. Als je het begin niet tot je neemt, als je niet weet wat de adressering is en daar geen rekening mee houdt, dan ben je op voorhand al ontspoord. Je neemt je startpunt niet serieus. Je accepteert de adressering niet zoals die zich heel expliciet aandient, en daar krijg je allemaal problemen door. Er zijn zoveel voorbeelden, alleen al aan de hand van de brief van Jakobus.
Neem Jakobus 2. Luther had er al zoveel problemen mee. De rol die daar aan de werken en aan de wet wordt toegekend, is zo vreemd aan Paulus. Luther kon dat letterlijk niet plaatsen. Hij heeft toen maar gezegd: "Nou, daar moeten we de kachel mee aanmaken." Hij noemt het een "strooien brief". Of zou hij ermee bedoeld hebben dat het een brief is aan de twaalf stammen in de verstrooiing? Ik zou het graag willen, maar ik denk niet dat dat zijn gedachte was.
Maar goed, de rol die aan de werken wordt toegekend, is niet paulinisch. De rol die aan de wet wordt toegekend, is evenmin "des Paulus". En dan heb ik er nog eentje: in het vijfde hoofdstuk lees je over een zieke die in jullie midden is, die gezalfd zou worden met olie – wat een bekend Joods gebruik was – en dat er dan genezing wordt beloofd. Hoe zit dat dan? Je krijgt altijd problemen op het moment dat je zo'n brief klakkeloos wilt toepassen op de kerk. Want ja, dat zijn wij toch? Nee! Laat die brief staan. We nemen er kennis van en daar steken we in feite nu ook wat van op. Natuurlijk lezen we het en we studeren erop, maar je moet wel op voorhand weten aan wie de brief gericht is. Welnu, de Schrift zegt dat hij gericht is aan de besnijdenis. En als je kennisneemt van de brieven, dan blijkt dat inderdaad voortdurend in de adressering bevestigd te worden. Oké, we gaan naar Petrus. Dit was Jakobus 1.
De Petrusbrief: Gericht aan Emigranten in de Diaspora ↑ hoofdstukken
Dan gaan we naar Petrus, en ook weer hoofdstuk 1. Dat is nogal mooi met de brieven zoals we die in het Nieuwe Testament vinden; naar oud gebruik begint men meteen met de schrijver en met de adressering. Petrus, apostel of afgevaardigde van Jezus Christus, aan uitverkoren emigranten in de diaspora van Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië. Dat is allemaal in het huidige Turkije, in de diverse landstreken daarvan. Asia, dat is de westkant van Turkije. Tegenwoordig is het een heel werelddeel – heel grappig hoe dat gegaan is – maar in ieder geval, ook hier bij Petrus is het in feite niet anders dan wat we lazen in verband met Jakobus. Die richt zich ook tot hen in de diaspora, maar heel breed; hij heeft niet eens speciale gebieden, maar noemt gewoon de twaalf stammen in het algemeen. Petrus doet het specifieker: hij richt zich tot de uitverkoren emigranten in de diaspora van Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië.
Ik kwam voor het woord 'emigranten' eigenlijk 'buitenlanders' tegen, 'par epi demos'. Dat zijn buitenlanders, vreemdelingen. Veel vertalingen geven ook weer 'vreemdelingen', maar dat is wat een buitenlander is. Het is dus niet het woordje 'proselieten' ofzo; nee, het zijn echt buitenlanders die in de diaspora zijn. Dat bevestigt het, want op het moment dat een Jood of iemand van de twaalf stammen zich in het buitenland bevindt, dan is dat in de diaspora. Daar hoort hij niet thuis; daar vertoeft hij als vreemdeling, altijd met de gedachte van 'volgend jaar in Jeruzalem', of in ieder geval om weer teruggebracht te worden. En dus zijn zij daar buitenlanders, maar dus ook emigranten, zodat ook de Petrusbrief heel uitdrukkelijk zo geadresseerd is.
Dat woordje 'diaspora' komen we trouwens drie keer tegen: in Jakobus 1, hier in 1 Petrus 1 en dan nog een keer in Johannes 7. Ook in Johannes 7 gaat het heel uitdrukkelijk over de Joden die in het buitenland vertoeven. Kijk het maar na. Tot op de dag van vandaag heeft dit woord 'diaspora' die betekenis. Als we het hebben over diaspora, dan hebben we het over Joden die zich in het buitenland bevinden, onder de goyim, ook met de gedachte dat ze daar ooit weer uit terugverzameld zullen worden. Hier vind je dus precies bevestigd dat ook Petrus zich als apostel van de besnijdenis richt tot hen voor wie hij een apostelschap heeft.
Ik blader er nu even doorheen. Dit was 1 Petrus 1, gewoon de adressering. En als we dan een hoofdstuk doorlezen, kom je in hoofdstuk 2 uit. In vers 9, daar staat het, en dat is mooi wat Petrus dan zegt over zijn lezers, degenen tot wie hij zich richt. Hij zegt dit:
Israël als Uitverkoren Geslacht en Koninklijk Priesterdom ↑ hoofdstukken
"Maar jullie zijn een uitverkoren geslacht." Hier staat dit woord: genos. Je herkent daar het woordje gen, genen of genetica in. Dat duidt op een soort, een familie of een ras. Een uitverkoren ras, dat wil zeggen: te midden van een groep ergens uit gekozen worden. Dat is uitverkiezing. De één wel, de ander niet. Sommige mensen krijgen daar, zeker in de reformatorische wereld, de rillingen van over de rug. Alsof met die gedachte sommige mensen zijn uitverkoren voor het heil en de rest dus niet uitverkoren is, en die dan per definitie bestemd zijn om verdoemd te worden – of welke mooie termen daar nog meer voor gebruikt worden. Maar dat is nooit wat uitverkiezing in de Bijbel is. Uitverkiezing heeft altijd te maken met het feit dat God uitkiest.
Het mooiste voorbeeld vind ik altijd nog Abraham. Hij koos Abraham uit, niet omdat de wereld of alle stammen van de aarde Hem niet interesseerden, maar Hij koos Abraham uit om via hem en zijn zaad alle geslachten van de aardbodem te zegenen. Hij kiest dus een zegenkanaal uit. Of Hij kiest een koning uit, of Hij kiest een stam uit – bijvoorbeeld de stam van Levi om te midden van de twaalf stammen die specifieke rol te vervullen, namelijk om een priesterlijke stam te zijn. En zo is uitverkiezing altijd. God kiest uit en dat is exclusief. Exclusief betekent: uitsluitend. De één wordt uitgekozen, de ander dus niet. Het is exclusief, maar het is juist bedoeld om de rest te bereiken en tot zegen te zijn. Het heeft altijd te maken met het vormen van een zegenkanaal.
Dat is wat we weten van dat ras wat God heeft uitgekozen. Is de ecclesia, het lichaam van Christus in onze dagen, ook een geslacht? In de zin dat we genetisch allemaal verwant zijn? Nee, dat niet. De ecclesia is een samenraapsel uit alle volkeren. Je kunt wel zeggen dat we allemaal van hetzelfde hout gesneden zijn en dat we allemaal een adamitische oorsprong hebben, maar dat is heel wat anders. Een uitverkoren geslacht wil zeggen dat te midden van alle geslachten er één geslacht is uitverkoren. Nou, dat is niet de ecclesia. Dat heeft niets te maken met een bepaald genetisch kenmerk; we zijn geen familie in de biologische of genetische zin van het woord. Dat is een totaal ander verhaal, waarin afkomst geen enkele rol speelt. Dat kun je dus nooit met elkaar verwarren.
Maar hier zegt Petrus: "Jullie zijn een uitverkoren geslacht." En dan nog meer: een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een verworven volk. Alsjeblieft! Het zijn allemaal kenmerken van dat uitverkoren geslacht. Dat uitverkoren geslacht is koninklijk, dus kennelijk bestemd voor de heerschappij, en het is ook een priesterdom, een priesterschap. Het heeft zowel een koninklijke taak als een priesterlijke taak. En het is ook een natie te midden van de natiën: een heilige natie, apart gezet. Eén aparte natie, één apart geslacht. Uitverkoren, koninklijk, priesterlijk en een volk (laos). Dat is een volk dat de Heer Zich verworven heeft, gekocht ook. Dat laat ik nu even rusten, maar in ieder geval is het een heel speciaal volk (enkelvoud), een heilige natie.
Over welk volk hebben we het dan? Hebben we het over het volk waar Paulus over spreekt, namelijk de ecclesia, het lichaam van Christus dat bestemd is voor de hemel? Nee, want dat is helemaal geen geslacht. En trouwens, dat koninklijke priesterdom en die heilige natie zijn kwalificaties die slechts toekomen aan één volk. Ik zal het u laten zien, want deze aanduidingen zijn bijna stuk voor stuk direct ontleend aan de woorden die ooit klonken bij de voet van de berg Sinaï.
De Parallel met de Roeping bij de Sinaï (exodus 19) ↑ hoofdstukken
Vlak nadat Israël getrokken was uit Egypte en zij bij de Sinaï aankwamen, lees je in Exodus 19 dat de Heer bij monde van Mozes zegt: "En nu, indien jullie naar Mij luisteren en Mijn verbond bewaart, dan zullen jullie Mij speciaal ten eigendom zijn uit alle volkeren." Hier wordt heel specifiek het volk van Jakob, de twaalf stammen, aangesproken. Van hen wordt gezegd: jullie zullen Mij speciaal ten eigendom zijn uit alle volken. Wat is dat uitverkoren geslacht? Dat is dat volk wat ooit daar bij de berg Sinaï stond. Inmiddels bestaat het uit andere individuen, maar het is nog steeds hetzelfde volk, speciaal ten eigendom van Hem. Want ja, er staat bij: "de hele aarde behoort Mij." Met andere woorden, ook hier zie je weer de gedachte in: weliswaar is de hele wereld van Mij en heb Ik ook de gedachte dat Ik al de stammen van de aarde ga zegenen, maar via wie doe Ik dat? Dat is via jullie. En wanneer gaat dat in vervulling? Wel, wanneer jullie naar Mij luisteren en Mijn verbond bewaren. Een ander verbond dan het verbond met Abram was er op dit moment trouwens nog niet eens; dat Sinaïtisch verbond zou pas later gesloten worden. Dus nee: indien jullie Mijn verbond met Abram bewaren. Eén volk, één heilige natie.
En dan staat erbij: "En jullie zullen voor Mij een koninkrijk van priesters zijn, een heilige natie." Hier weer: "en jullie zullen voor Mij een koninkrijk van priesters zijn." Dat herinnert direct aan wat we zojuist lazen bij Petrus: "een koninklijk priesterdom." Wordt dat zomaar van een willekeurig volk gezegd? Nee, dat wordt tegen één volk gezegd. Zij zijn een koninkrijk van priesters en inderdaad een heilige natie. Dat was precies wat Petrus ook zei: "een koninklijk priesterdom, een heilige natie." En dat het een priesterdom is, of een koninklijk priesterdom, betekent dat het bestemd is voor de heerschappij. Israël is het volk dat God inzet om de heerschappij over deze wereld te vestigen. Dat gaat via Israël en via Jeruzalem, de stad van de grote Koning. Dat is de hoofdstad. Het koninkrijk van God straks op aarde is een Israëlitisch wereldrijk. Koninklijk is het dus met recht, leidend onder de natiën, en ook priesterlijk. Dat betekent dat het bemiddelend is tussen God en de volkeren. Dat is wat priesterlijk inhoudt en dat werkt naar twee kanten. Via het priesterschap spreekt God tot zijn volk; de priesters waren ook de bewaarders van de woorden Gods. En omgekeerd komt men via het priesterschap ook tot God. Zo zal het straks ook onder de natiën gaan: zij zullen optrekken naar Jeruzalem, naar de stad van de grote Koning, en allemaal via dit volk en via het land en de stad die God aan dit volk heeft gegeven. Dus echt koninklijk en priesterlijk. Dat zijn hele concrete termen aan een heel concrete groep mensen, dat wil zeggen aan een natie, aan een uitverkoren geslacht.
Als je het nog niet zou willen geloven, dan lezen we nog even verder, want dan staat erbij: "En dit zijn de woorden die je zult spreken tot de zonen van Israël." Oftewel, tot de twaalf stammen. Het gaat dus inderdaad over een heel specifiek uitverkoren geslacht; voor hen is dat bestemd. En Petrus schrijft een brief en hij zegt: "jullie..." Oké, ze waren nog maar een selectie daaruit, maar voor dit volk is dit weggelegd. De twaalf stammen. Ik lees nog één keer de zin, want de zin gaat nog door: "Maar jullie zijn een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een verworven volk." Nu weten we in ieder geval over wie het gaat en waartoe ze bestemd zijn. En dan vervolgens, wat is de bedoeling daarvan? "Om de deugden uit te dragen van Hem die jullie uit de duisternis roept tot in Zijn wonderbaarlijk licht."
Ik weet het, er zijn zoveel woorden waarvan je zou kunnen zeggen: "Ja, maar geldt dat ook niet voor ons?" Ja, natuurlijk, want laten we wel wezen: er is heel veel overlap. Veel dingen die aan Israël gegeven zijn, gelden ook voor de gemeente, de Ecclesia, het lichaam van Christus. Die kunnen universeel van aard zijn. Paulus spreekt er ook over dat we uit de duisternis geroepen zijn. Hoe staat het in Kolossenzen 1? Tot in Zijn licht. Het punt is niet dat er geen overlap zou zijn en dat we niet heel veel gemeenschappelijke zegeningen met hen hebben, maar hier wordt speciaal van dat uitverkoren geslacht, dat koninklijke priesterdom, gezegd dat zij geroepen zijn om de deugden uit te dragen van Hem die hen uit de duisternis roept.
Dit is het Evangelie van de besnijdenis. Kun je je voorstellen dat Jakobus, Petrus en Johannes, als de steunpilaren van de twaalf, een boodschap krijgen toevertrouwd? Dit was allemaal nog voordat Paulus in de picture kwam. De Heer was opgewekt uit de doden, Hij verliet vanaf de Olijfberg het toneel en vervolgens gingen zij Zijn getuigen zijn. Wat hebben ze uitgedragen? De boodschap aan het volk, namelijk dat zij geroepen waren om te midden van de natiën een zegenkanaal te zijn. Een heilige natie. Dat was de boodschap die aan 'de twaalf' was toevertrouwd. Daarom wordt er ook iedere keer opgeroepen — en het is met name Petrus die die rol vervult als je dat in het boek Handelingen leest — die daar dan in Jeruzalem optreedt en spreekt. Dan zegt hij: "Kom tot bekering en kom tot erkenning van Hem, van de Messias die jullie ooit in onwetendheid hebben gekruisigd. Maar God heeft Hem opgewekt en kom tot erkenning van Hem, opdat er tijden van verademing mogen komen." En dat alsnog God Zijn belofte gaat vervullen via dat volk, via jullie. Dat is het Evangelie van de besnijdenis. Dat volk, die heilige natie.
Dat was aan Jakobus, Petrus en Johannes toevertrouwd als representanten van de twaalf. Waarom twaalf? Daarom! Zie je ook waarom daar inderdaad voor dit volk, ook in het Nieuwe Testament, een speciale plek is gereserveerd? Natuurlijk, aan hen was het in de eerste plaats... Heb ik het vorige keer voorgelezen in Handelingen 3? God heeft in de eerste plaats voor jullie, zegt Petrus dan, Zijn Zoon doen opstaan om jullie te zegenen, opdat via jullie de zegen naar de natiën zal gaan. Speciaal, eerst voor jullie. En als later in de loop van de geschiedenis blijkt dat Stefanus officieel wordt gestenigd door het Sanhedrin, dan komt de figuur van Saulus naar voren. Dan komt er een ander verhaal: dat God een omweg gaat via de natiën. Maar dat is het Evangelie van de voorhuid, dat is pas later, dat is een vervolg erop. Paulus wist meer, maar dit blijft ondertussen gewoon staan. Deze boodschap voor Israël die ooit klonk en die nu eigenlijk 'overruled' wordt door Paulus omdat God nu deze omweg is gegaan. Ik weet trouwens dat Petrus daar in de loop van zijn leven heel veel moeite mee gehad heeft en pas aan het einde van zijn leven erkent: "Ja, als je nou echt wilt weten hoe het zit, dan moet je bij Paulus wezen." Want ja, die schrijft veel meer over het uitblijven van de wederkomst. Maar dit getuigenis blijft ondertussen kaarsrecht staan.
Johannes: Openbaring aan een Koninkrijk van Priesters ↑ hoofdstukken
Johannes. Ja, ik zou het aan de hand van zijn brieven kunnen doen, maar ik kies nu even de korte route. Dat wil zeggen dat ik nu meteen naar het laatste Bijbelboek ga dat ook van zijn hand is: de Openbaring. In vers 5 lees je dan de volgende woorden — en die kun je eigenlijk niet overslaan omdat het heel officieel wordt ingeleid: "...van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden en de overste van de koningen van de aarde. Aan Hem die ons liefheeft en ons verlost uit onze zonden in zijn bloed..."
En nu komt het: "Want Hij maakt ons een koninkrijk van priesters voor zijn God en Vader." Dit loopt natuurlijk volstrekt parallel met wat we zojuist zagen in de Petrusbrief, die dan weer aansloot op wat ooit al door Mozes werd gezegd tegen Israël. Hij maakt ons een koninkrijk van priesters, waarmee ook hier weer bevestigd wordt: Johannes richt zich tot de besnijdenis. Trouwens, daar gaat het hele boek de Openbaring over. Alleen inclusief komt de Ecclesia, het lichaam van Christus, daarin naar voren, omdat wij begrepen zijn in de Christus als zijn lichaam, de Zoon. Maar Johannes richt zich inderdaad tot de besnijdenis en het is via het volk van Israël dat Gods koninkrijk op aarde geopenbaard en gevestigd wordt.
Ja, daar staat nog bij: "...voor zijn God en Vader; Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in de aeonen van de aeonen." Dat zijn die wereldtijdperken die nog gaan komen en waarin dat koninkrijk steeds grootser, heerlijker en rijker wordt. Maar dat gebeurt allemaal via Israël. Er staat nog iets bij dat ik er ook even bij moet betrekken. Let op! Zie! Hij komt met de wolken — de nevelen — en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstaken. Weer Israël. Elk oog ja, maar er worden zelfs speciaal degenen genoemd die Hem doorstaken. "En alle stammen van het land zullen heftig treuren over Hem. Ja, amen."
Dit wordt natuurlijk op diverse plaatsen bevestigd: dat als Hij straks inderdaad in de openbaarheid zal komen uit de nevelen, Hij zal verschijnen en alle stammen van het land Hem zullen zien. Ik probeer het me wel eens voor te stellen hoe dat zal zijn. Dat lukt me nog niet zo erg, maar één ding voel je op je klompen aan: dit is zo groot. Wanneer de Messias zich eindelijk weer zal laten zien aan het volk dat zo lang gewacht heeft op haar Messias... Dan kun je zeggen: "Ja maar, Hij is toch al gekomen?" Jawel, maar straks zullen ze het echt zien. Dan zullen ze ook onderkennen: Hij is degene die wij doorstoken hebben. En alle stammen van het land, de twaalf dus, zullen heftig treuren over Hem. Ja, amen.
Weet u waar dit trouwens naar verwijst? In Mattheüs 24 vind je woorden van gelijke strekking, maar het herinnert vooral aan wat de profeet Zacharia ooit zei. Dat vind ik trouwens mooi als ik dit zo zeg: het herinnert aan Zacharia, want Zacharia betekent 'Yahweh herinnert'. Maar goed.
Zacharia 12: Zij Zullen Mij Zien Die Zij Doorstaken ↑ hoofdstukken
In Zacharia 12 lees je dit. Je zou het verband ook moeten lezen waarin staat dat de volkeren der aarde zich zullen keren tegen Jeruzalem. Jeruzalem is een zware steen die alle natiën moeten heffen en ze zullen zich daaraan deerlijk verwonden, zoals Zacharia 12 daarvóór al beschrijft.
En dan staat er in dat verband: "En Ik zal uitgieten op het huis van David, daar in Jeruzalem dus, en op de inwoner van Jeruzalem, de geest van genade en van smeekbeden." Daar staat God Zelf dus garant voor; Hij geeft dat. En zij, de inwoners van Jeruzalem, zij zullen Mij zien. Zo staat er letterlijk. Helaas hebben ze er in de NBG-vertaling "Hem" van gemaakt, en dat klinkt logisch, maar er staat in het Hebreeuws gewoon "Mij".
Ze zien namelijk het icoon van God Zelf. "Ze zullen Mij zien die zij doorstaken, en rouwklagen over Hem." Ja, hier zie je dus die heel eigenaardige wisseling tussen de eerste persoon en de derde persoon: "ze zullen Mij zien... en rouwklagen over Hem." Wie is die "Hem"? Er staat: "...als een rouwklacht over de enige zoon en bitter verdriet over hem hebben." Dat was bitter verdriet als om een eerstgeborene.
De inwoners van Jeruzalem komen dan in aanraking met Hem die ze ooit hebben verworpen en ze zullen daarom ook over Hem rouwklagen; over hoe ze dat ooit hebben kunnen doen. Maar dan zullen de schellen van de ogen vallen en ze zullen Hem zien. Ja, dat is dat Jozef-moment. Dat is namelijk de geschiedenis waar ik direct aan moet denken als je dit leest: Jozef die zich bekendmaakt. "Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie ooit in de put hebben gegooid en verkocht naar Egypte. Maar wees niet bedroefd, want niet jullie hebben mij hierheen gestuurd, maar God Zelf heeft het gedaan om jullie in het leven te houden." Dat zijn geweldige dingen.
Maar weet je, ze zullen Hem zien. Is er nog verschil tussen het huis van David en de inwoner van Jeruzalem? Dat is een goeie vraag. Ik kan daar nu wel wat over gaan speculeren, maar als u het niet erg vindt, kom ik daar nog even op terug. Want ik denk dat er namelijk nog een schriftplaats is die daar licht op werpt, maar die zou ik even moeten opzoeken. Daar kom ik op terug en dat is waar ik nu mee wil afsluiten.
Afsluiting: Vermeng het Evangelie van de Besnijdenis Niet ↑ hoofdstukken
Het moment dat Hij, die nu verborgen is, straks geopenbaard zal worden, onthuld zal worden, gezien zal worden daar in Jeruzalem en erkend zal worden. En vanaf dan wordt dit volk alsnog in haar positie gesteld.
En dat is waar het Evangelie van de besnijdenis van spreekt. Het is speciaal voor hen bestemd, een geweldige boodschap die nu niet direct aan de orde is. Ik bedoel, we spreken erover, we zien en we onderkennen hoe geweldig de blijde tijding daarvan is, maar nu gelden er andere normen.
En misplaats het niet. Ga deze boodschap van Jakobus, Petrus en Johannes niet zomaar lukraak op jezelf toepassen. Dat moet je niet doen. Waarom niet? Wel, omdat officieel is afgesproken dat dit juist voor de besnijdenis is bestemd. De rijkdom die voor ons weggelegd is, is zo overtreffend en zo heerlijk. Maar ga het niet vermengen, want God heeft een hekel aan het mixen van dat soort dingen. Geen water bij de wijn. Water is geweldig en wijn is geweldig, maar je moet het niet bij elkaar doen.
Goed, de volgende keer — dat wordt dan de laatste keer — gaan we daar nog wat op door, over dat Evangelie van de besnijdenis. Ik denk namelijk dat het beslist nog één bijeenkomst verdient om daar nog wat meer puntjes op de i voor te zetten.
UltimateGoodNews