de dagen tellen (8) – scenario’s & disclaimer
17-04-2025 - Geplaatst door Andre PietCapelle a/d IJssel
God telt millennia als dagen, zo stelden we vast. Na een zevental studies over “na twee dagen” en “na zes dagen”, wordt het tijd voor conclusies. Welke jaartallen markeren het einde van deze millennia? En vallen die jaartallen exact samen met profetische hoogtepunten? Zo ja, wat betekent dat voor de komende tien jaar? Zo nee, hoeveel marge laat de Bijbelse tijdrekening toe?
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: de Afsluitende Studie
- De Betekenis van Scenario's en Disclaimers
- Terugblik: Zes Millennia en de Grote Wereldsabbat
- De Messias Keert Na Twee Dagen Terug
- De Geschiedenis Verdeeld in 120 Jubeljaren
- Typologische Bevestigingen van de Tijdlijn
- Scenario 1: Terugkeer voor Israël op Z'n Vroegst in 2030
- Scenario 2: een Spectaculair Tijdpad Richting Najaar 2030
- Terugrekenen: de Grote Verdrukking en Jom Ha'aliyah
- Voorwaarden: de Offerdienst en een Tienstatenbond in het Midden-oosten
- Een Scharnierpunt in de Tijd en Profetisch Besef
- Ooggetuigen van de Parousia op de Heilige Berg
- Het Profetisch Woord als Lamp in een Groezelige Plaats
- Totdat de Dag Aanbreekt en de Lichtdrager Opgaat
- De Schrift Verklaart Zichzelf Door de Heilige Geest
Introductie: de Afsluitende Studie ↑ hoofdstukken
En we gaan voor de achtste keer samenkomen, en ik moet erbij zeggen – en dat is voor een aantal van jullie misschien een verrassing – dat dit ook de laatste keer is in deze serie, in dit seizoen, dat we een studie houden over dit onderwerp: de dagen tellen.
Aanvankelijk was er nog een andere avond in mei gepland, maar om verschillende redenen, met name de drukte mijnerzijds, is dat gewijzigd. Maar er speelt nog iets een rol. Ik had in aanvang een onderwerp gepland dat bij nader inzien eigenlijk niet zo thuis hoort in deze serie en daar had ik eigenlijk niet zoveel vrede mee. De combinatie van die beide redenen deed mij besluiten om het bij deze avond te houden. Dit wordt dus de afsluitende avond waarin we onze conclusies gaan trekken: scenario’s en disclaimer.
De Betekenis van Scenario's en Disclaimers ↑ hoofdstukken
Dat klinkt wat ‘duur’, zowel het ene als het andere woord. Ik houd er altijd wel van om woorden even te analyseren: waar hebben we het dan precies over? Als we het hebben over een scenario, ga ik u iets vertellen dat u misschien nog niet wist; voor een deel was het voor mij in elk geval onbekend toen ik er onderzoek naar ging doen. Het woord ‘scenario’ is afgeleid van een Grieks woord, zoals zo ontzettend veel woorden in onze taal. Het is het woord voor toneel, of eigenlijk het woord voor tent: skenas. In het Nieuwe Testament komt dat woord ook heel vaak voor en dan wordt het dikwijls vertaald met ’tabernakel’. Maar een tabernakel is natuurlijk ook een tent. U leest bijvoorbeeld in Johannes 1 vers 14: “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons…” en dan staat er letterlijk “getabernakeld”. Er wordt een woord gebruikt dat hiermee direct verband houdt.
Ik vroeg mij af wat het verband is tussen een tent en het toneel. Het Griekse woord voor toneel hangt dus samen met het woord voor tent. Dat werd me pas duidelijk toen ik besefte dat een toneel van origine, ook het hele decor, de aanblik heeft van een tent waarvan het doek opengaat. Je staat eigenlijk naar een tent te kijken; dat is van oudsher de achterliggende gedachte. Dat is één ding. Maar bij een scenario denk je aan verschillende scènes. Ook dat woord ‘scène’ houdt direct verband met het woord voor tent. Waar denk je bij een scenario aan? Aan opeenvolgende scènes. Je hebt een toneelspel en daar is een overzicht of een bepaald script waarin scènes plaatsvinden. Het doek gaat dikwijls even dicht, de toneelspelers hebben tijd om zich te verkleden achter het gordijn, en dan komt er weer een nieuwe scène. Die scènes achter elkaar en het overzicht daarvan, dat heet een scenario. Ik gebruik dat woord omdat we het vanavond gaan hebben over de lijnen die we doortrekken en de conclusies die we trekken uit wat we tot dusver hebben vastgesteld. Welke scenario’s dringen zich dan eigenlijk aan ons op?
Dan hebben we nog dat andere woord uit de ondertitel: ‘disclaimer’. Een disclaimer – we komen ze zo vaak tegen – betekent letterlijk afstand doen van een claim. Het voorvoegsel ‘dis’ heeft te maken met het afwijken of ontkennen van een claim of aansprakelijkheid. We kennen daar natuurlijk veel voorbeelden van. In een krant lees je boven een rubriek van ingezonden stukken of een opiniestuk: “De inhoud van dit artikel weerspiegelt niet noodzakelijk het standpunt van de redactie.” Dat is een disclaimer. De redactie kan niet aangesproken worden op de inhoud; ze geven het alleen door voor wat het waard is en het is aan de lezer ter beoordeling.
Je komt het ook vaak tegen bij beleggingen: “De waarde van beleggingen kan fluctueren. Resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.” Dat zijn overigens verplichte disclaimers bij beleggingsadviezen, zodat zo’n instantie niet aangesproken kan worden als je met een advies de ‘bietenbrug’ op gaat, zoals dat dan zo mooi heet. Zelf pleeg ik ook dikwijls een disclaimer te gebruiken. Als u naar mijn website gaat, ziet u dit helemaal onderaan staan voor de gehele inhoud van de site: “Onderzoek zélf in de Schrift of deze dingen alzo zijn.” Dat laatste is een citaat uit Handelingen 17 vers 11, waar je over de Bereeërs leest dat zij dit deden. Dat is ook mijn aanbeveling. Ik geef door wat ik heb gevonden en het is aan de lezer of luisteraar om dat ter beoordeling bij het licht van de Schrift te checken.
Dat is in feite de disclaimer, niet alleen op de website, maar altijd als ik een Bijbelstudie doorgeef. Ik vertel wat ik heb ontdekt en lever daarvoor, voor zover in mijn vermogen, de ‘bonnetjes’ erbij. Het is aan de luisteraar om dat te controleren. Zo kan het gebeuren dat je weleens van inzicht moet veranderen; dat je bepaalde dingen voorheen zo zag, maar dat het bij nader inzien toch net even anders aan de vork blijkt te zitten. Ik ben dan ook heel blij dat mensen mij daar niet juridisch op kunnen aanspreken, in de zin van: “Ik krijg nog wat van je, want je hebt me ooit op het verkeerde been gezet.” Dan kan ik alleen zeggen: “Sorry.”
Dat klinkt misschien wat al te luchtig, maar het is een enorme verantwoordelijkheid. Als je het Woord doorgeeft, is dat een ernstige zaak; je praat niet zomaar wat in het wilde weg. Het is echter altijd onder voorbehoud: naar het inzicht dat ik op dit moment heb. Meer is mij, u en jou per slot van rekening niet gegeven. De Schrift is volmaakt, maar hoe was het ook weer? “God waarachtig,” zo staat het in Romeinen 3, maar “elk mens leugenachtig”. Dat zijn de verhoudingen als je het helemaal op de keper beschouwt.
Terugblik: Zes Millennia en de Grote Wereldsabbat ↑ hoofdstukken
Scenario’s en de disclaimer. Laten we eerst nog even — dat bent u sowieso altijd wel van mij gewend, maar in dit geval is het een slotavond waarbij we nogmaals alles bij elkaar brengen en conclusies gaan trekken. Wat hebben we vastgesteld? De meest basale stelling, die we meteen de eerste avond vrij grondig hebben aangepakt en toegelicht, is: God rekent millennia, duizendtallen van jaren, als dagen. Het is een bekend Bijbelwoord, zelfs voor degenen die nauwelijks vertrouwd zijn met de ins en outs en de consequenties ervan. Men weet nog wel dat er ergens in de Bijbel zo’n tekst staat als: “voor God zijn duizend jaren als één dag”. En het wordt trouwens herhaald: “en duizend jaar als één dag”. Omgekeerd is dat uiteraard net zo goed het geval.
Wonderlijk genoeg wordt in zo’n uitspraak — bij Petrus, zeg ik er dan maar bij — gezegd dat dat ene u niet mag ontgaan. Als we het hebben over het gegeven dat die terugkeer van de Messias maar zo lang op zich laat wachten, dan zegt hij: “Dit enige, geliefden, mag u niet ontgaan, dat duizend jaren bij de Heer zijn als één dag en één dag als duizend jaar.” Zodat hij daarbij twee keer spreekt over duizend jaren en twee keer over een dag. Ook dat is niet zonder betekenis. Daar hebben we het toen dus over gehad.
Vanuit dat perspectief kom je op heel veel andere dingen. De eerste is deze, en die is heel bekend — nou ja, wat heet — maar in ieder geval: dat zou u dus ook niet mogen ontgaan. Dat betekent dat na zes dagen van menselijke geschiedenis, lees: na zes millennia, de wereldsabbat zal aanbreken. Die term “wereldsabbat” moet ik eerlijk zeggen — dat is ook weer zo’n disclaimer — is niet een specifiek Bijbelse term. Maar de Bijbel spreekt wel, bijvoorbeeld in de Hebreeënbrief: “Zo blijft er voor het volk van God” — specifiek voor de Hebreeën, Israël — “een sabbat over.” Dan gaat het niet over een wekelijkse sabbatdag, maar over die grote Sabbat die voor Israël en eigenlijk voor de volkerenwereld is weggelegd.
Het is ook heel apart dat het boek Openbaring inderdaad spreekt over die dag. Dat heet dan ook — een bekende term — het Duizendjarig Rijk. Ook dat is trouwens geen Bijbelse term, maar goed, we rekenen hem voor het gemak dit keer goed. “De duizend jaren”, dat is de betere formulering, waarin Satan gebonden is, zodat hij niet in staat is om de volkeren te verleiden. Trouwens, als je die definitie gewoon aanhoudt, dan weet je ook meteen dat het in ieder geval niet kan gaan over de tijd waarin wij leven. Het is een tijd waarin Satan totaal niet in staat is om de volkeren te verleiden. Ik heb mijn punt gemaakt: dat gaat niet op voor deze tijd. Maar ik moet er meteen bij zeggen dat de theologie al heel lang geleden een hele andere afslag heeft genomen, namelijk dat wij nu in dat Duizendjarig Rijk zouden leven — dat dan al wel bijna tweeduizend jaar duurt, wat ook weer een vrij raar gegeven is.
Het punt is: die duizend jaren, dat is dus die Sabbat. En dat bevestigt trouwens ook weer het punt dat de Heer rekent met duizend jaar voor één dag. De aardigheid daarbij is niet alleen dat die zevende dag, de grote Sabbat voor deze wereld, duizend jaar duurt, maar dat ook de voorgaande zes dagen precies een periode vormen van zes millennia. We hebben bij een andere gelegenheid, dat is al jaren geleden, een heel seizoen daaraan gewijd. Dat was in het seizoen 2015-2016, als ik me niet vergis. Dat is bijna tien jaar geleden. Toen hebben we die Bijbelse chronologie, die lijn, zo doorgedrukt en zijn we begonnen bij Adam. Dan is het een kwestie van Schrift met Schrift vergelijken. Dan kun je gewoon een tijdbalk maken, een tijdtafel en een chronologische lijn. Dan kun je tot de meest bijzondere ontdekkingen komen over de dingen die synchroon lopen, maar ook de symmetrie en hoe al deze mijlpalen weer gemarkeerd en gelinkt zijn aan belangrijke Bijbelse gebeurtenissen.
Ik kom er straks nog even op terug. Maar dat is dus één ding: na zes dagen, na zes millennia van menselijke geschiedenis, zal de Sabbat aanbreken, namelijk de dag van de duizend jaren, het Millennium. In het Nederlands taalgebruik is het gebruikelijk om te spreken over het Duizendjarig Rijk, en in de Engelse literatuur en dergelijke spreekt men over het Millennium. Die term vind ik wel erg mooi, want dat geeft precies aan wat het is. Het is niet zomaar een millennium, maar het is hét Millennium: dat ene millennium waar het wachten op is. Oké, dan een heel belangwekkend gegeven.
De Messias Keert Na Twee Dagen Terug ↑ hoofdstukken
Namelijk dat Christus de Messias of de Heer, hoe je het ook maar wilt formuleren, na twee dagen weer zou terugkeren. Hij ging heen vanaf de Olijfberg, maar we weten vanuit de profetie dat Hij ook weer Zijn voet zal zetten op de Olijfberg, die bij die gelegenheid zal scheuren. Maar dan zal Hij terugkeren voor Zijn volk en hen ook doen herleven. Dat is de profetie van Hosea 6; ik kom daar straks nog op terug.
Maar je krijgt dus dit verhaal, heel simpel: de Heer vertrok vanaf de Olijfberg en twee dagen later – namelijk twee millennia later – zou Hij terugkeren op diezelfde Olijfberg. Zoals die twee mannen ooit zeiden toen de discipelen nog omhoogstaarden, terwijl Jezus uit hun zicht was verdwenen: “Wat staren jullie nu naar de hemel? Want deze Jezus, Die van jullie is heengegaan, zal op dezelfde wijze – en we kunnen er inmiddels aan toevoegen: ook op dezelfde locatie – weer terugkeren.” En dan lees je dat ze vervolgens weer vanaf de Olijfberg naar Jeruzalem gaan. En daar staat nog bij: dat was een sabbatsreis daarvandaan.
Daar hebben we het dit seizoen ook over gehad. Want de afstand tussen Jeruzalem en de Olijfberg – oftewel tussen de stad en de berg waar de Heer ooit van vertrok, de stad van de Grote Koning – hoe groot is die afstand? Nou, dat is een sabbatsreis, en we hebben daarvan vastgesteld dat dit 2000 el is. Dat is met andere woorden een onomstreden gegeven. De afstand tussen Zijn heengaan en de stad van waaruit Hij zal regeren – hoe moet je die afstand uitdrukken? Oftewel: ook die tijd. Want dat is ook een afstand; daar zit ook een tijdslengte tussen. En dat is 2000 jaar, of zo u wilt: ongeveer 2000.
Ik zeg dat er even bij, want we hebben het er natuurlijk ook over gehad dat het volk ooit door de Jordaan trok en daarbij achter de ark aan ging. Er wordt gezegd dat die ark eerst door de Jordaan gaat – dood en opstanding – en het volk Israël zou volgen, maar op een afstand die beschreven wordt als ongeveer 2000 el. Met andere woorden: zoals de ark – waar de Heer Jezus Christus een type van is – door de doodsjordaan is gegaan, zo zal ook het volk door de doodsjordaan gaan. Maar niet pal daarachter, maar op een veilige afstand. Namelijk van, zoals de NBV dat zegt, ongeveer een kilometer.
Maar die hadden we inmiddels al getackeld, want dan ontgaat je juist de hele clou. Dat is leuk hè, dat de clou je juist door een verduidelijking ontgaat. Het zit hem nu juist in die 2000. Dit is een heel belangrijk gegeven. In die periode lees je dan in Hosea 6 – want dat is waar we die profetie rechtstreeks vinden. De taal is cryptisch, dat is waar; er wordt niet uitgelegd wat bedoeld wordt met twee dagen. Wat zijn voor de Heer twee dagen? Maar zowel vanuit de Psalmen als vanuit de brieven van Petrus wordt dat heel duidelijk uitgelegd.
In ieder geval zou de Heer in die periode Zijn aangezicht verbergen – zo heel plechtig altijd – en tegelijkertijd zou Israël in het graf der volkeren zijn. En daarna zou de Heer terugkeren, maar ook het volk zou terugkeren en het leven ontvangen. Wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden? Wanneer? Net als bij haar Heer, haar Messias; dat heeft plaatsgevonden op de derde dag. En ik kan zelfs nog verklappen: vroeg in de ochtend. Maar nu loop ik ook weer een beetje vooruit op wat we straks nog gaan bespreken.
De Geschiedenis Verdeeld in 120 Jubeljaren ↑ hoofdstukken
En ja, deze is ook belangrijk, want we hebben een aantal avonden gewijd aan dit fenomeen van de jubeljaren. Je kunt de geschiedenis of de tijd natuurlijk opdelen in millennia of in eeuwen. Dat is trouwens ook boeiend; we hebben het er al over gehad in het kader van de twintig jaren van Jakob die in het buitenland was. Maar je kunt de tijd ook opdelen in heilige jaren, en dat is een heel Bijbels gegeven. Voor ons is dat wat onbekend, hoewel we natuurlijk wel spreken over jubilea. Een jubileum in Bijbelse termen is echter specifiek een periode van vijftig jaar. Israël kreeg de instelling van de vijftig jaren: na zeven sabbatsjaren, na zeven keer zeven jaar, volgde het vijftigste jaar, oftewel het jubeljaar. Dat betekent dat een eeuw precies twee jubeljaren telt.
De aardigheid is dat wanneer je zes millennia uitdrukt in tijdseenheden van jubeljaren, je in plaats van zes millennia spreekt over 120 jubeljaren. 120 maal 50 – kijk het maar na, vraag het aan ChatGPT of pak er een rekenmachine bij – dat is inderdaad precies 120. Dat levert een heel verduidelijkend plaatje op. De hele geschiedenis tot aan het Millennium is op te splitsen in drie keer veertig jubeljaren, oftewel drie keer tweeduizend jaar.
De eerste periode loopt van de creatie van Adam tot aan de geboorte van Abraham, wat tevens het sterfjaar was van Noach. Binnen die tijd krijg je vervolgens vier perioden van exact vijfhonderd jaar. Als vijftig jaar een jubeljaarscyclus is, dan zijn vijfhonderd jaar precies tien cycli van jubeljaren. Die vijfhonderd jaar komen we dus telkens weer tegen. Abraham werd geboren in het veertigste jubeljaar. De uittocht uit Egypte vond vervolgens plaats in het vijftigste jubeljaar, het 2500ste jaar (50 x 50). Wat gebeurde er tijdens een jubeljaar? Er werd de vrijheid uitgeroepen. Een mooier moment voor de uittocht uit Egypte, de bevrijding uit de slavernij, kon dus niet vallen dan precies in het vijftigste jubeljaar.
Nog eens vijfhonderd jaar later is de tempel gereed, of eigenlijk moet ik zeggen: Jeruzalem is gereed, met het paleis en de tempel. Weer vijfhonderd jaar later wordt Jeruzalem hersteld na zeventig jaar ballingschap. En nog eens vijfhonderd jaar later komen we uit bij de Messias. Eigenlijk moet je dan vooral die laatste jaarweek hebben: de Messias werd gekruisigd en ongeveer vier jaar later werd Paulus geroepen. Het is altijd een beetje lastig om dat laatste jubeljaar in een paar zinnen uit te leggen, want dat laatste sabbatsjaar telt zeven jaar, maar daarna volgt nog een jubeljaar. Dat is een dingetje dat ik er even bij zeg, omdat ik daar in het verleden zelf ook verschillende keren mijn tanden op stuk heb gebeten; dan lijkt het niet te kloppen, maar het klopt wel degelijk als je dat even in de gaten houdt.
Zo zie je dus het 40ste, 50ste, 60ste, 70ste en 80ste jubeljaar. Allemaal vallen ze samen met hele markante Bijbelse hoogtijden of mijlpalen. Dat is onmiskenbaar het geval als je deze gebeurtenissen koppelt aan het zoveelste jubeljaar. Bij de roeping van Paulus zitten we in het jaar 4000, oftewel het 80ste jubeljaar. Daarna volgt weer een periode van 2000 jaar voordat het Millennium zou aanvangen, wat ons bij het 120ste jubeljaar brengt.
We hebben het natuurlijk niet alleen gehad over het totaal van 120 jubeljaren, maar ook over het fenomeen dat die veertig jaren telkens terugkeren. Het fenomeen van veertig dagen en veertig jaren vind je zo talloze keren terug in de Bijbel; vandaar dat we daar ook een hele avond aan hebben gewijd. Het is allemaal zo wonderlijk. Met de disclaimer erbij dat onze overdenkingen per definitie feilbaar zijn, verwonder je je echt over de geweldige precisie en de accuratesse, de goddelijke volmaaktheid die daarin tot ons komt. Ik vind het adembenemend en werkelijk geweldig. Je zou bijna zeggen dat het het Woord van God is, hè?
Typologische Bevestigingen van de Tijdlijn ↑ hoofdstukken
We hebben er al uitgebreid over gesproken en ik heb al een paar hints in die richting gegeven. Het is echter een bevestiging, niet direct een bewijs. Ik heb het over de typologische aanwijzingen. Met typologie in het algemeen kun je niets bewijzen; typologie illustreert. Alleen met profetie of expliciete uitspraken kun je een bewijs leveren. Neem bijvoorbeeld Hosea 6, waar staat dat Israël ten derde dage zal worden opgericht en hersteld, en dat de Heer dan tot hen zal terugkeren. Dat is een expliciete uitspraak. Zelfs als er cryptische zaken in verborgen zitten, blijft de uitspraak zelf expliciet.
Daarnaast heb je natuurlijk een heleboel geschiedenissen waarin sprake is van typologie. Ik noemde net al de tweeduizend el, bijvoorbeeld de afstand tussen de Olijfberg en Jeruzalem, maar ook de tweeduizend el die er lag tussen de ark die door de Jordaan ging en het volk Israël dat volgde. Dat is een type, een beeld. Als je alleen dat gegeven zou hebben, zou je daar niet uit kunnen afleiden dat de Heer door de Jordaan is gegaan en Israël dus tweeduizend jaar later volgt. Nee, zo werkt dat niet. Met typologie kun je dat niet bewijzen. Omgekeerd is het echter wel zo dat als je het eenmaal weet, de typologie dat bevestigt en schitterend illustreert. Het bevestigt de waarheid iedere keer weer.
Van de week werd ik nog op iets anders gewezen dat ik te mooi vind om voor me te houden, ook al is het in dit seizoen nog niet direct aan de orde gekomen. In Leviticus 12 staat de wetgeving voor de kraamvrouw. Als zij een mannelijk kind baart, is ze veertig dagen onrein en mag ze niet tot de tempel komen. Baart ze een meisje, dan is ze tachtig dagen onrein in het bloed van haar reiniging. Als je die beide termijnen bij elkaar optelt, kom je op honderdtwintig dagen. Gedurende die honderdtwintig dagen is zij eerst onrein en daarna mag ze tot de tempel komen. Dat vond ik heel apart.
Dit is weer zo’n typisch punt: het bewijst op zichzelf niets. Als je je al niet hebt laten overtuigen door de expliciete Bijbelse uitspraken, dan zal dit je ook niet raken of haal je er je schouders over op. Maar als je het eenmaal ziet, dan zie je het overal. Dat geldt voor een heleboel Bijbelse waarheden. Wat zei Johan Cruijff er ook alweer over? “Je gaat het pas zien als je het doorhebt.” Je snapt het pas als je het doorhebt.
Over het fenomeen van de twee dagen of de derde dag struikel je in de Schrift; we hebben in het lopende seizoen al aardig wat voorbeelden daarvan gezien, in totaal zelfs tientallen. Dat geldt ook voor die veertig dagen, de honderdtwintig en de leeftijd van Abraham of Mozes, wiens leven onderverdeeld is in drie keer veertig jaar. Het zijn allemaal typologische bevestigingen en evenzoveel illustraties van die geweldige waarheid over wanneer de dag gaat aanbreken. Dat is één ding.
Scenario 1: Terugkeer voor Israël op Z'n Vroegst in 2030 ↑ hoofdstukken
Maar nu moeten we, zoals gezegd, toch wel wat conclusies gaan trekken. En ja, scenario’s… Aanvankelijk had ik een heel aantal scenario’s in gedachten, maar ik dacht: ik ga het niet ingewikkeld maken. Ik wil het houden bij twee scenario’s en ik zal het toelichten. Scenario 1: de Heer keert terug voor Israël. Nou, dat is nauwelijks een scenario te noemen, want dat is een duidelijk profetisch gegeven. En wanneer zal dat zijn? Dat is dan ergens vanaf 2030 AD. Dat moet je natuurlijk gaan toelichten.
Ik kom daarvoor weer even terug bij Hosea 5, vanaf het laatste vers tot aan hoofdstuk 6 vers 3. Dit is misschien wel een van de vier of vijf schriftplaatsen die het meest essentieel zijn in verband met het onderwerp waar we dit seizoen over hebben, omdat daar in expliciete bewoordingen gezegd wordt wanneer de Heer zou heengaan, voor hoe lang en onder welke omstandigheden Hij zou heengaan en zich zou verbergen. Ook het terugkeren van Israël tot de Heer en het herleven van het volk staat in dit Bijbelgedeelte. We hebben de tweede of de derde avond een hele avond gewijd aan het fenomeen ‘na twee dagen, op de derde dag’. Toen hebben we dat voor ons gezien: de Heer keert terug tot Zijn volk, want daar gaat het hier specifiek over. Na twee dagen, oftewel op de derde dag, zal Hij Israël, het volk, doen herleven.
Ik vind het vooral mooi om in deze Pesachweek te memoreren dat dit fenomeen van de derde dag zelfs op het niveau van een natie van toepassing is. Dus niet alleen de Heer Jezus individueel, de Messias die op de derde dag verrijst, maar ook de natie als volk zal dat zo gaan meemaken. Daarbij kunnen we vaststellen dat dit ‘na twee dagen’ is, oftewel na twee millennia. Als in het jaar 30 de hemelvaart plaatsvond, dan heb je niet eens een calculator nodig om te weten dat die twee millennia eindigen in 2030. Dit is geen speculatie, dit is gewoon heel simpel: als je twee millennia vanaf het jaar 30 tekent, dan kom je in 2030 uit. Dus als de Heer terugkeert na twee dagen, oftewel na twee millennia, dan is dat in 2030 of later. Dat is wat de term betekent. Eigenlijk is 2030 feitelijk geen maximum, maar een minimum: pas na twee millennia keert Hij terug. Hoeveel later staat er niet bij, maar Hij keert terug ná twee millennia.
Nu moet ik er wel bij zeggen dat daar een bepaalde marge in zit. Je zou kunnen concluderen: ‘Wacht even, Hij keert na twee millennia terug, dus in het derde millennium’. Maar dat betekent dat het ergens in dat derde millennium is. Van 2030 tot 3030 is het immers nog steeds het derde millennium. Op het niveau van een millennium is dat de nauwkeurigheid, maar in het schriftgedeelte zelf wordt die marge aanzienlijk beperkt doordat er staat: ‘Als de dageraad is Zijn opgang’. U weet wat de dageraad is: wanneer de dag aanvangt, oftewel bij zonsopgang. Dat wil zeggen bij het begin van de dag. En dan staat er in Hosea 6 vers 3 ook bij: ‘Dan komt Hij tot ons’. Dus niet alleen na twee dagen op de derde dag, maar specifiek in de dageraad. Oftewel: de Heer keert terug ergens in de aanvang van de derde dag.
Kent u dat tekentje van de wiskundeles vroeger nog? Dat van ‘gelijk aan of groter dan’ ($\ge$). Dit teken zegt eigenlijk twee dingen: het is 2030 of meer, maar in ieder geval niet minder. Die optie is uitgesloten: het is na twee millennia. Ergens in de aanvang van de derde dag; dat is nog niet al te precies, zou je kunnen zeggen. Want wat is ‘in de aanvang’? Op een termijn van duizend jaar kan dat zomaar decennia zijn. Is dat een eeuw? Als we het over jubeljaren hebben en je rekent met 120 jubeljaren, dan is die marge maximaal één jubeljaar. Want anders heb je, stel je voor dat het nog weer vijftig jaar later zou zijn, 121 jubeljaren. Ik zet daar een vraagtekentje bij, maar het is een overweging die ik daarbij heb.
Mooier kunnen we het niet maken. Volgens de Schrift, de tekst zelf, is het na twee millennia. Of, als je de hele menselijke geschiedenis erbij betrekt — namelijk ‘na zes dagen’ — dan krijg je dezelfde gedachte. Gerekend vanaf Adam keert Hij na zes dagen, na zes millennia, terug en zal de sabbat aanbreken. Wanneer precies? In dit scenario is dat in die zin onbepaald: op zijn vroegst 2030. Dat is de gedachte: op zijn vroegst 2030. Maar dat brengt me meteen naar het volgende scenario.
Scenario 2: een Spectaculair Tijdpad Richting Najaar 2030 ↑ hoofdstukken
Bij het tweede scenario gaan we uit van de situatie dat de Heer op zijn vroegst terugkeert voor Israël. Dat is een heel spannende optie. Als je zegt dat de Heer na twee millennia terugkeert, is dat een sterke indicatie dat de tijd zeer aanstaande is, maar het geeft nog geen exacte datum. Echter, als Hij precies in het jaar 2030 voor Israël zou terugkeren, dan wordt het pas echt spannend. We zitten nu immers al in het jaar 2025.
Ik zeg er meteen bij—en u mag dat best weten—toen ik deze dia’s aan het maken was, dacht ik: ‘André, wat doe je nu?’ Ik spreek al wat langer en ik weet dat mensen zomaar met data op de loop gaan. Daarom noem ik het ook uitdrukkelijk een scenario. Of het gelijk aan 2030 is of later, ik weet het niet; de tijd zal het leren. Maar rekening houden met de optie dat Hij inderdaad in 2030 voor Israël terugkeert, is tot op de dag van vandaag nog steeds een reële mogelijkheid. Als we over drie jaar hier nog steeds zijn, dan kunnen we die optie in ieder geval afvinken; dan weten we meer. Maar zoals gezegd, we rekenen nu verder met de optie ‘vanaf 2030 of later’.
Dat scenario wordt spectaculair als we een tijdpad gaan uittekenen. Ik heb deze berekening ooit een aantal jaar geleden in Urk al eens gebruikt, maar inmiddels ben ik weer wat wijzer geworden en heb ik hem na drie jaar aangepast. We gaan uit van het scenario dat Hij voor Zijn volk terugkeert in 2030, wat precies 2000 jaar na Zijn hemelvaart is. Je zou het zelfs nog iets preciezer kunnen zeggen. De eerste komst van de Messias had alles te maken met het voorjaar en de hoogtijden in het begin van het jaar. We zitten nu in april, in de maand Aviv. Aviv betekent ‘lente’. In onze Bijbelvertalingen staat altijd ‘Abib’, maar het is gewoon Aviv, ‘Lenteheuvel’. Later kreeg die maand een andere naam, namelijk Nisan. Of Nissan… niet Nissan, dat is een automerk, toch?
De hoogtijden zijn een onderwerp apart; we hadden het hele seizoen aan Leviticus 23 kunnen wijden en zeven avonden lang de zeven hoogtijden kunnen bespreken. Maar één ding is duidelijk: die hoogtijden vallen uiteen in twee groepen. De hoogtijden in de eerste maand houden allemaal verband met de eerste komst van Christus: Zijn Pesach, de dag van de eerstelingsgarve en het feest van de ongezuurde broden. Dan heb je de hoogtijden in de zevende maand, de maand Tishri. Dat is september of oktober, een beetje afhankelijk van het jaar. Die hoogtijden houden allemaal verband met de terugkeer van de Messias: Jom Teruah (de dag van het bazuingeschal), Jom Kipoer op de tiende van de maand Tishri, en Sukkot. Ook dat laatste is een typisch oogstfeest dat verband houdt met de voltooiing, want de zevende maand is de maand van de wijn- en de druivenoogst. De hoogtijddag bij uitstek is de tiende, namelijk de Grote Verzoendag voor Israël.
Kort door de bocht: de hoogtijden in de eerste maand horen bij de eerste komst van Christus, en de hoogtijden in de zevende maand houden verband met Zijn terugkeer, waarin Hij alles tot volheid gaat brengen. Vandaar ook de plaatsing in de zevende maand. Er zit nog één hoogtijd tussenin, het Wekenfeest of Pinksterfeest, en dat gaat precies over wat de Heer doet tussen de eerste en de tweede komst. Het is zo logisch; het is een geweldige waarheid die zich telkens weer opdringt. Ik ga er dus inderdaad van uit, zelfs los van het precieze jaar, dat zoals de Heer letterlijk stierf op de dag van het Pesach, opstond op de dag van de eerstelingsgarve en het Pinksterfeest precies op de dag van het Wekenfeest begon—dagen die God al 1500 jaar tevoren had gefixeerd—dat ook Zijn terugkeer voor Israël op de vastgestelde dag zal plaatsvinden. Ik geloof dat de bazuin zal klinken op de eerste van de maand Tishri. En wanneer zal Israëls grote verzoening plaatsvinden? Op Jom Kipoer. Waarom? Omdat wat God zo lang van tevoren heeft vastgelegd in de eerste maand exact zo zijn vervulling heeft gekregen. Als je de God van het Woord en het Woord van God kent, dan is dit pure geloofslogica.
Ik ga er dus inderdaad van uit dat de Heer terugkeert in het najaar. Als Hij in het jaar 2030 terugkeert op zijn vroegst voor Israël, dan zal dat in de maand Tishri zijn, wellicht op de dag van het bazuingeschal. Daar kom ik straks nog even op terug. Die 2000 jaren lopen namelijk af een paar jaar voor het jaar 6000 Anno Hominis (AH). We hebben eerder vastgesteld: het jaar 2000 markeerde de geboorte van Abraham, het jaar 3000 Salomo die de tempel voltooide, en het jaar 4000 de roeping van Paulus. Het jaar 6000 zou dan het begin van het zevende millennium markeren. Aangezien een Hebreeuws jaar altijd begint op 1 Tishri—niet het jubeljaar, dat begint op de tiende—zit je daar gelijk goed. Dat het jubeljaar pas tien dagen later wordt uitgeroepen, is een heel scherpe opmerking; dat zijn de luisteraars die je wilt!
Maar even los van deze kanttekening: er zit nog een periode tussen de terugkeer van de Heer voor Zijn volk en het daadwerkelijke aanbreken van de duizend jaren. Die periode wordt in de Bijbel, bij mijn weten, niet met een specifieke naam benoemd, maar laat zich wel afleiden. Het is de ‘dag van toorn’, oftewel de periode van de zeven bazuinen uit het boek Openbaring. Dit onderwerp is te uitgebreid om nu in een paar zinnen te vatten, maar degenen die de bijbelstudies over Openbaring hebben gevolgd, weten waar ik het over heb. In de evangelische wereld wordt vaak gedacht dat het duizendjarig rijk meteen begint op het moment dat de Heer terugkeert voor Israël, maar dat klopt niet. Op het moment dat de Heer voor Zijn volk terugkeert, zal Hij het volk verzamelen en Zijn koninkrijk in Jeruzalem vestigen, maar er gaat nog een periode overheen voordat de volkeren ook daadwerkelijk zijn onderworpen. Dat is de tussenliggende periode, en dat zou een periode van drieënhalf tot vier jaar zijn, afhankelijk van of je dat zesduizendste jaar zelf meerekent. In die orde van grootte moet u dan denken.
Terugrekenen: de Grote Verdrukking en Jom Ha'aliyah ↑ hoofdstukken
Maar dan moet ik er nog iets bij zeggen, en dat maakt het allemaal nog wat dichterbij. Want stel dat de Heer inderdaad zou terugkeren in het jaar 2030 voor het volk van Israël, dan moet u zich ook nog realiseren dat dit zal zijn ter afsluiting van wat de Grote Verdrukking heet, de dag van Jakobs benauwdheid. Dat is een periode die heel duidelijk gemarkeerd en gelimiteerd is: drieënhalf jaar, oftewel 42 maanden. Dat is de tijd waarin de gruwel der verwoesting op de heilige plaats zal staan, maar ook de tijd waarin een overblijfsel van het volk tijdig naar de woestijn vlucht en daar bewaard zal worden. Dat valt allemaal binnen deze periode.
Dat betekent dus dat als je ervan uitgaat dat de Heer in het najaar van 2030 zou terugkeren voor het volk, en daar de periode van de Grote Verdrukking aan voorafgaat, je door terug te rekenen uitkomt in het voorjaar van 2027. Dat is heel dichtbij, hoor, dat kan ik u vertellen. Nogmaals, ik zeg het er maar even bij: ik beweer dus niet dat de Grote Verdrukking in het voorjaar van 2027 begint. Dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat dit op zijn vroegst het geval zou kunnen zijn.
Ik kan het trouwens nog wat preciezer maken, als u mij dat toestaat. Want gesteld dat de Heer terugkeert op de Dag van de Bazuin in het jaar 2030, en je rekent 1260 dagen terug, dan kom je uit op 10 Aviv – of Nisan, zo u wilt. En dat is zaterdag 17 april 2027. Weet u wat zo aardig is aan die datum? Nogmaals, het is een scenario. U zegt misschien: “Dat heb je nu al een paar keer gezegd.” Ja, maar ik zeg het expres nog een keer, want ik weet hoe gemakkelijk er verkeerde conclusies getrokken worden. Maar goed, die tiende Aviv heeft op de Hebreeuwse kalender – kijk het maar na – een speciale naam: Yom HaAlijah.
En weet u wat daarmee bedoeld wordt? De tiende Aviv is sowieso de dag waarop het land in bezit werd genomen en het lam in huis werd gehaald. Op de veertiende werd het lam dan geslacht; dat is trouwens ook letterlijk zo gebeurd. De tiende Aviv kwam ook overeen met de dag van de intocht. We hebben het er ook wel eens over gehad dat de tiende Aviv de dag is geweest waarop de Heer Jezus ooit geboren is; het was dus ook Zijn verjaardag. Ja, mooi, het wordt steeds mooier. Het gaat trouwens niet helemaal op wat ik nu zeg wat betreft de 17e april als vaste verjaardag, want de tiende Aviv fluctueert natuurlijk ten opzichte van onze kalender. Daar moet u wel even rekening mee houden. Ik wil het niet nog mooier maken dan het is, maar kijk: het is de dag – zal ik het nog wat kritischer zeggen voor wie oren heeft om te horen? – het is de dag waarop de mannelijke zoon ooit geboren werd.
Waarom heet het dan de dag van Yom HaAlijah? Omdat het de dag is van het ingaan in het beloofde land. In Jozua 4 lees je dat men op de tiende van die maand door de Jordaan ging en in het land kwam. Daarom heet dat nu nog steeds Yom HaAlijah. Waarom? Omdat op die dag gevierd wordt dat Joden terugkeren of ‘opgaan’ naar het land. Opgaan naar het land, dat is wat Yom HaAlijah letterlijk betekent: de dag van de opgang. De dag van de opgang!
Wat ik er eigenlijk mee wil zeggen is dit: stel nou eens dat dit inderdaad de datum zou zijn van de wegrukking. Als je dan 1260 dagen verder rekent, kom je uit op de Dag van de Bazuin, oftewel 1 Tishri. Ik beweer het niet, ik zeg alleen: het is een optie. Zet hem alvast in uw agenda; als het gebeurt, dan gebeurt het, en als het niet gebeurt, dan gebeurt het niet. Zo simpel is het. Ik vind het alleen mooi en zelfs heerlijk om eraan te denken. Niet om erop te rekenen, maar om ermee te rekenen.
Zie het ook als een disclaimer. Van Maria lees je dat de engel het woord van God tot haar had gesproken en dat ze zwanger zou worden. Naderhand lees je dat ze zich afvroeg wat bepaalde woorden betekenden en dat ze die woorden overwoog in haar hart. Nou, eigenlijk is dat precies wat wij nu ook doen. Als de Heer zegt: “Ik kom na twee dagen terug voor het volk van Israël” – en dat is na twee millennia – dan gaan wij daar met een gelovig hart over nadenken. Zou het misschien zus of zo kunnen zijn? We doen dat met de nodige voorzichtigheid, want het zijn conclusies, dat is waar. Maar het is een hele reële mogelijkheid, in ieder geval tot op de dag van vandaag. Dat betekent dat als dit scenario zich op deze wijze zou uitrollen – eventueel nog met afwijkingen van enkele dagen, dat zou heel goed kunnen – dan moet ik er trouwens nog wel dit bij zeggen.
Voorwaarden: de Offerdienst en een Tienstatenbond in het Midden-oosten ↑ hoofdstukken
Er moet dan ook nog wel wat gebeuren. Eigenlijk wordt dit scenario niet pas gefalsificeerd op 1 Tishri — dat is trouwens een mooie sabbat ook, dat vind ik prachtig — als dan de terugkeer van de Heer op de Olijfberg niet zou plaatsvinden. Nee, veel eerder al. Want dat betekent namelijk ook dat in die perioden, vanaf het voorjaar van 2027, de grote verdrukking zou moeten aanvangen. Maar dat betekent nog iets: voorafgaand aan het begin van de grote verdrukking moet er dus ook weer een offerdienst in Jeruzalem zijn. En dat is op dit moment nog niet aan de gang. Er moet ook nog een tienstatenbond komen in het Midden-Oosten.
Dit tweede scenario wat ik u nu als optie en mogelijkheid voorhoud — dat de Heer inderdaad in 2030 zou terugkeren — betekent dus dat we voorafgaand aan het voorjaar van 2027 al ontwikkelingen moeten zien. Het is trouwens vandaag over precies twee jaar, als ik het zo mag stellen. Ja, ik zat zo met jouw verjaardag in mijn hoofd dat ik me dat eigenlijk niet realiseerde, maar in ieder geval dient tussen nu en uiterlijk begin 2027 in Jeruzalem de offerdienst weer te zijn ingevoerd. Dat moet dan wel plaatsvinden. En er moet dan ook een federatie zijn van tien landen in het Midden-Oosten die inmiddels gevormd is.
Dat betekent dat er nog wel wat moet gebeuren, want dat is nu nog niet aan de orde. Maar u begrijpt natuurlijk ook dat als dit scenario zich zo aan ons zou voordoen, het heel logisch is dat je nu heel scherp kijkt naar wat er allemaal gaande is. Wie gaat die vrede daar in het Midden-Oosten realiseren? Vandaar ook dat je denkt: zou het Trump zijn? Dat is heel snel, maar het kan. Tot op dit moment is dit scenario wat mij betreft nog steeds reëel, heel zeker reëel.
Het zal vanzelf blijken of het inderdaad dit scenario is. Als dit zich niet gaat voltrekken in de komende twee jaar, dan is dit scenario gefalsificeerd. Dat betekent simpelweg dat de Heer niet in 2030 terugkeert op de Olijfberg. Dat staat overigens ook niet zo in de profetie; wat in de profetie staat, is dat het vanaf dat jaar kan gaan plaatsvinden. Dat is wat er gezegd is. Vandaar dat we dit scenario en dit tijdpad zo zijn langsgegaan. Met name dit scenario maakt de tijd waarin we leven buitengewoon spannend.
Ik weet niet hoe u dat hebt, maar zo beleef ik dat wel. Gods Woord staat vast en die toekomst is geweldig. Stel je voor dat… Nou, we gaan het zien. We gaan nu eerst koffie drinken. Laten we daarna weer verder gaan, want de tijd dringt. Het zijn boeiende dingen die we zo hebben overwogen, want één ding is wel duidelijk.
Een Scharnierpunt in de Tijd en Profetisch Besef ↑ hoofdstukken
De tijd is hoe dan ook zeer nabij; die twee millennia staan op het punt te eindigen. Hoe zich dat dan ook verder gaat afwikkelen – we zullen het vanzelf zien. Maar ik moet u zeggen dat we in de pauze met diverse mensen hebben overwogen hoe bijzonder het is dat we in deze tijd mogen leven. Tijdens een van de avonden hebben we ook nog even nagedacht over Luther, die ooit een Bijbelse chronologie schreef en zei: “We zitten nu in het jaar 5500”. Dat zou betekenen dat ergens in 2030 of 2040 het Millennium gaat aanbreken, het jaar 6000. Wij leven nu vijfhonderd jaar na de Reformatie. Niet helemaal klopt dit wat ik nu zeg, maar wij beleven nu die tijd.
En hoe bijzonder is het? Iedereen voelt wel aan – en dat vind ik een heel opmerkelijk gegeven – dat er niet alleen in de grote godsdienstige wereld, in de islam, het jodendom en het christendom, maar ook in de seculiere wereld een eindtijdsbezef leeft. Het gevoel dat we op een scharnier van tijden leven, dat er een omslag plaatsvindt. Hoe dat precies gaat, daarover is een hoge mate van onzekerheid, maar mensen voelen als het ware aan hun water aan dat er iets gaat gebeuren. En dat klopt.
In dat licht levend, wil ik deze serie heel graag afsluiten met enkele woorden uit het slot van 2 Petrus 1. Op de een of andere wijze heeft dit slot mij, met name dit jaar en dit seizoen, enorm beziggehouden. Het is niet de eerste keer dat ik het erover heb, maar die laatste woorden in het eerste hoofdstuk van de tweede Petrusbrief zijn cruciaal. Het wordt Petrus’ geestelijk testament genoemd, want hij tekent dit op met het uitzicht dat het afbreken van zijn tent nabij is. Zijn tent – heerlijk woord. Zoals de Heer hem ook had gezegd. De Heer had hem ooit al verklapt dat wanneer hij eenmaal oud geworden was – ik zeg het even met mijn eigen woorden – hij de marteldood zou sterven. Petrus wist dus wat hem te wachten stond. In plaats van dat hij met het hoofd in de schoot lag, was hij buitengewoon verwachtingsvol. Over dat gedeelte hebben we het dan: het profetisch woord dat des te vaster is.
Ik ben er trouwens nog even op gewezen, en misschien moet ik dat ook nog eventjes toelichten: ik heb een jaar of wat geleden iets soortgelijks, zo’n tijdpad, ook besproken op Urk. Zo moet ik het dan correct zeggen natuurlijk. Toen had ik ook zoiets gezegd over het herstel van de stad Babel, dat dan ook al zou hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de Grote Verdrukking. Dat is nou typisch zo’n voorbeeld waar ik inmiddels wat anders over denk. Ik denk eerlijk gezegd dat Babel pas weer een grote rol gaat spelen vanaf het moment dat Jeruzalem zal vallen, dat wil zeggen verwoest zal worden, en de Heer zal terugkeren. Ik ga dat nu niet verder toelichten, maar ik bedoel ermee te zeggen dat ik eerst dacht dat dit allemaal nu nog moest gaan plaatsvinden, terwijl dat wel eens heel anders zou kunnen zijn. Daaraan zie je dus ook dat je Bijbelleraars, zelfs als je hen respecteert – ik weet niet hoe u dat doet, maar goed, u zit hier – altijd moet narekenen. Letterlijk en figuurlijk: narekenen en checken.
Oké, het profetisch woord des te vaster. Petrus zegt dan in vers 19: “En wij hebben het profetische woord daarom des te vaster.” Dan moet je even weten waar hij het over heeft. Wat bedoelt hij met “daarom”? Nou, Petrus – kijk maar na in de voorafgaande verzen, ik betrek ze er nu expres niet meer bij, maar ik moet het wel even noemen – Petrus had namelijk zojuist betoogd…
Ooggetuigen van de Parousia op de Heilige Berg ↑ hoofdstukken
Petrus schrijft dat hij een ooggetuige was van de parousia van Christus. Hij zegt: “Wij zijn geen kunstig verdichte fabelen nagevolgd, wij zijn geen kunstig bedachte mythen nagevolgd toen wij u de kracht en de parousia van de Christus verkondigden, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn Majesteit.” Hier refereert hij speciaal aan dat moment dat hij heeft beleefd samen met Johannes en Jakobus, de intimi van het twaalftal, die op de heilige berg waren. De verheerlijking op de berg, die gebeurtenis. Daarvan lezen we dat het plaatsvond “na zes dagen”. De Heer had voorzegd dat niet iedereen van hen zou sterven voordat een aantal van hen de parousia van de Ben Adam, de Zoon des mensen, zouden meemaken. En dan lees je inderdaad dat Hij zes dagen later het drietal mee de berg op nam. Daar werd Hij voor hun ogen getransformeerd en zagen zij Hem in Zijn heerlijkheid.
Petrus stelt dus: wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn parousia. Dat wil zeggen dat Petrus heeft meegemaakt wat nog in de toekomst ligt. Eigenlijk heeft Petrus iets soortgelijks beleefd als wat Johannes later op Patmos ervoer, namelijk dat hij verplaatst is in de dag van de Heer. Hij heeft dat visionair gezien; wij zouden zeggen dat hij een tijdreis heeft meegemaakt. Petrus getuigt: “Ik ben een ooggetuige geweest van Christus’ parousia,” en dat was na zes dagen. Dat hele plaatje wat hij daar op de berg heeft gezien, is een uitbeelding van het Messiaanse Rijk: dat de Messias zal verschijnen in heerlijkheid en zal heersen, en dat ook Mozes en Elia daar zullen zijn.
Zo kon Petrus het profetische woord bevestigen. De profeten hadden gesproken over het Messiaanse Rijk, over die grote Shabbat die zal aanbreken voor Israël en de volkeren, en Petrus zegt: “Ik ben daar ooggetuige van, ik heb het gezien.” Hiermee bevestigt hij wat in het profetisch woord al stond opgetekend. Feitelijk is Petrus dit ook schriftelijk gaan bevestigen. Hij heeft hier niet alleen mondeling over gesproken, maar omdat het punt van zijn overlijden nabij was, beijverde hij zich om dit alles vast te leggen voor nakomende generaties.
Er zouden nog heel wat generaties volgen, want dat is het onderwerp van het hoofdstuk dat daarop volgt: 2 Petrus 3. Dat is een hoofdstuk waar we belangrijke informatie aan ontlenen. Petrus zegt daar: “Eén ding mag u niet ontgaan.” Er zullen spotters komen die vragen: “Waar blijft de belofte van Zijn komst?” Maar het ontgaat hen dat voor de Heer één dag is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.
Wat betreft de betekenis van het woord parousia: dit betekent letterlijk ‘presentie’. Ons woord ‘presentie’ zit er zelfs nog in als je de klinkers weglaat; presence, de tegenwoordigheid. In de meeste vertalingen wordt het weergegeven met ‘komst’. En die zes dagen? Die hebben ook betrekking op die zesduizend jaar. In Mattheüs 17 staat dat Hij hen na zes dagen meenam, wat dus op de zevende dag was. Dit gebeurde nadat Hij had gezegd dat niet alle twaalf zouden sterven voordat een aantal van hen de parousia van de Zoon des mensen nog zou meemaken.
Dit is overigens een van de teksten die door Bijbelcritici vaak wordt aangehaald om te beweren dat Jezus Zich heeft vergist. Het is een standaardargument: men zegt dat Jezus dacht dat de terugkeer van de Messias nog in Zijn eigen dagen zou plaatsvinden. En dan de drie-eenheid… dat is waarschijnlijk weer een andere categorie. Over het algemeen moet je bij theologen niet je licht opsteken; die opmerking houden we erin.
Het gaat mij nu om die duizenden jaren. Petrus vindt het buitengewoon belangrijk om dit alles zwart op wit vast te leggen, zodat wij nu, anno 2025 – enkele jaren voor 2030 – dit allemaal kunnen lezen. Al die generaties hebben dit tot zich kunnen nemen omdat het opgeschreven is. Wie schrijft, die blijft. We mogen ons gelukkig prijzen dat dat woord daadwerkelijk is geboekstaafd. Ook dat is een thema dat me dit seizoen bezighoudt. Petrus zegt dus: “Wij hebben het profetische woord daarom des te vaster.”
Het Profetisch Woord als Lamp in een Groezelige Plaats ↑ hoofdstukken
Oftewel, het was al vast, maar het is nu bevestigd, nog vaster. Voor zover dat mogelijk is, is het nog vaster gezet en meer vastgesteld of bevestigd dan het al was. En jullie doen er wel aan om daar acht op te geven als op een lamp die schijnt in een groezelige plaats. Het is misschien een beetje een vreemd woord. In de meeste vertalingen staat er ‘een duistere plaats’, maar duister is net weer een ander Grieks woord. Het is iets van groezelig, het idee een beetje macaber.
Ik denk dat Petrus hier doelt op ons eigen hart. Ons eigen hart is zonder die lamp echt een hele groezelige plaats. Juist vanavond, voordat ik hierheen ging, hadden we het er tijdens de maaltijd thuis nog even over dat er zoveel mensen zijn die ‘van het padje’ zijn, om het zo maar te zeggen. Gedeprimeerd, het niet meer zien zitten, maar ook echt verward. We leven in die zin echt in hele verwarde tijden. Ik sla een paar concrete voorbeelden over, dat doet nu verder niet ter zake, maar ik wees er toen nog even op dat ik juist vanavond 2 Petrus 1 zou gaan aanhalen.
Eigenlijk geldt dat voor iedereen: een mens heeft vastheid nodig. Hij heeft licht nodig. Hij moet weten: wie ben ik? Waar kom ik vandaan? En waar ga ik naartoe? Dat kan alleen maar als je weet hebt dat er een God is. Iemand die de dingen plaatst, die de dingen realiseert, die de dingen beschikt en tot een goed einde brengt. Als je dat hebt, dan heb je een God die gesproken heeft, waar je werkelijk van op aan kunt.
Nou, en wij hebben een lamp. Wij hebben het profetisch woord daarom des te vaster, en jullie doen er wel aan om daar acht op te geven als op een lamp. Het is natuurlijk geen lamp, maar het functioneert als een lamp. Waarom? Omdat het licht geeft in een groezelige plaats. Als je afgaat op mensen, of het nu jezelf is of gewoon je omgeving, of voor mijn part de opiniestukken in de krant of wat er in talkshows allemaal uitgekraamd wordt; als je het daarvan moet hebben, dan word je niet blij. Dan begrijp je ook hoe inderdaad de verwarring alleen maar toeneemt. Ik bedoel, God is publiekelijk, zeker in ons werelddeel, helemaal afgeschreven. Er is geen God meer, er wordt totaal niet meer mee gerekend. Maar de wrange en duistere vruchten die zul je vanzelf dan gaan plukken. Daar zul je achter komen hoe verschrikkelijk leeg, zinloos en donker het bestaan dan wordt.
Of je mag weten: er is er Één die het allemaal in Zijn hand heeft. Niet dat ik het begrijp — ik hoef het helemaal niet te begrijpen — maar Hij is er en Hij houdt van mij. Hij heeft mij gemaakt, Hij heeft jou gemaakt en ik kan dat tegen al die miljarden mensen zeggen. Juist deze dagen houdt me dat bezig. Tweeduizend jaar geleden was daar in die week, vlak voorafgaand aan de dag van het Pascha, Iemand die Zijn leven gaf tot een losprijs voor allen. Niemand uitgezonderd. Voilà. Dat is een mededeling van Godswege.
Nou, en op het moment dat je daar amen op zegt, dan ineens komt er licht in je hart en moet je eens kijken wat er dan gaat gebeuren. Dan hoef je helemaal niks meer te zeggen over wat mensen dan moeten gaan doen, of dat ze moeten gaan praten of evangeliseren of weet ik veel wat. Dan wordt de mens van binnenuit veranderd. Maar ja, zonder die lamp zijn onze harten echt een groezelige plaats, dat zeker. En jullie doen er wel aan om acht te geven op dat profetische woord als op een lamp die schijnt in een groezelige plaats. Hoe lang zouden we daar acht op geven?
Totdat de Dag Aanbreekt en de Lichtdrager Opgaat ↑ hoofdstukken
Nou, zegt Petrus: “totdat de dag aanbreekt”. Welke dag? Daar had hij het net over, namelijk de dag van de parousia, waar hij zelf ooggetuige van is geweest. Weet u wel, op de zevende dag. Die dag is eigenlijk hier dus gewoon de Dag van de Heer. Dat is trouwens ook een van de standaard uitdrukkingen: de Dag van de Heer. Dat is niet de zondag, dat is de Shabbat. Voor een Jood is dat volkomen verzelfsprekend; dat is de zevende dag. Maar ook in het grote geheel, in termen van millennia, klopt dat precies. Die Shabbat gaat aanbreken en die dag gaat aanbreken. Petrus spreekt ook hier met het oog op zijn positie; hij is een apostel van de besnijdenis, dus hij richt zich ook speciaal tot dat volk. Totdat die dag aanbreekt, hebben wij dat licht, en we zouden er wel aan doen om daar acht op te geven. Ja, waarop anders? Waar moet je anders wezen dan bij dat woord?
Laten we het even doorlezen: “en de lichtdrager opgaat”. Het voert eigenlijk een beetje te ver om daar nu al te veel over te zeggen, maar ik vind het erg mooi, want in de meeste vertalingen staat dan ‘de morgenster’ of zoiets. Maar eigenlijk staat er een woord dat betekent ‘de lichtbrenger’, of nog sterker: ‘de lichtdrager’. En weet u waarom ik dat zeg? Omdat ik meen te weten waar het op slaat. Dat is de Heer zelf. En waarom heeft Petrus het over die lichtdrager? Nou, Petrus had de Heer toch gezien? Hij was toch een ooggetuige? En wat had hij gezien op die zekere dag? Zijn gelaat, staat er, straalde gelijk de zon en Zijn klederen werden wit als het licht. Hij droeg licht. En dat was de parousia van de Heer waar hij ooggetuige van is geweest.
Hij zegt: wij letten op dat profetische woord. Waarom? Omdat het een lamp is. En hoe lang doen we dat? Nou, totdat de zevende dag aanbreekt en dan zal de lichtdrager opkomen. Dan zal Hij komen wiens aangezicht straalde gelijk de zon, zoals Johannes later ook zou zeggen. Trouwens, Paulus is daar ook ooggetuige van geweest; die werd er zelfs blind van. Maar totdat de lichtdrager opgaat. “In jullie harten dit eerst wetende…” En u zegt misschien: “Hè, in mijn vertaling staat het anders.” Dat klopt, maar dat is een kwestie van interpunctie. Ik ga dat nu niet helemaal uitleggen, maar dit is veel logischer. Het is niet zo: “totdat de dag aanbreekt en de lichtdrager opgaat in jullie harten”. Nee, daar wandelen we nu al bij. Het gaat erom dat hier een nieuwe zin begint. Dus “in jullie harten” slaat niet op vers 19, maar het hoort bij vers 20. Dan krijg je een veel logischere zin.
Er was iemand, een Bijbelleraar uit Amerika, die me daar ooit eens een keer op wees. En dat is zo aardig als je dan met een bepaald probleem zit. Het is niet zo dat ik er ooit wakker van heb gelegen, maar ik vond het wel een hele rare zin: “totdat de morgenster opgaat in uw hart”. Ik vond het een vreemde zin. En toen zei hij: “Nee, maar wacht even, het is gewoon een verkeerde interpunctie.” Dat wil zeggen: je moet de punt gewoon eerder zetten. “In jullie harten” hoort bij vers 20. Dat is volstrekt toelaatbaar en de exegese wordt ineens volstrekt helder en duidelijk. En dus zegt hij:
De Schrift Verklaart Zichzelf Door de Heilige Geest ↑ hoofdstukken
In jullie harten dit eerstwetende – dus niet alleen hier in het hoofd, maar gewoon van binnen echt de overtuiging hebben – dat geen profetie van de Schrift een eigen uitlegging heeft. Dat is zo mooi. Profetieën en de Schriften in het algemeen leggen elkaar uit. Daar ben ik verschrikkelijk blij mee: dat de Schrift zichzelf uitlegt. Ik hoor vaak – en dat is trouwens weer typisch theologie – dat men zegt: “Ja, je moet de Bijbel begrijpen in het licht van de tijd waarin het toen is geschreven. Wat heeft de bewuste schrijver, David ofzo, er toen mee bedoeld? Wat heeft hij geweten, tegen wie schreef hij dat en hoe hebben de eerste luisteraars dat begrepen?” Maar ja, hoe kom je daarachter?
We zouden eerst dít weten, dit in jullie harten eerst wetende: dat geen profetie een eigen uitlegging heeft. Dat wil heel simpel zeggen: als je wilt weten wat een bepaalde Schriftplaats betekent, dan ga je naar andere Schriftplaatsen toe. Het is namelijk één geheel. Het gaat er niet om wat een mens als schrijver heeft bedoeld, maar om de Schrijver die het allemaal heeft laten optekenen met een hoofdletter: God. Hij legt Zijn eigen woord uit. Het is als een puzzel. Er was ooit een theoloog, dominee T.J. Boelsma – ik heb het boek in de kast staan – dat heet ‘De Bijbel is geen puzzelboek’. En ik zeg: de Bijbel is wel degelijk een puzzelboek!
Het geweldige daarvan is dat al die boeken en documenten in de loop van duizenden jaren bij elkaar zijn gebracht en het is één geheel. Het ene begrijp je slechts bij de gratie van het andere. Al die stukjes horen bij elkaar en dan krijg je één groot geheel. Dan weet je ook, juist omdat alles in elkaar past: dit is geen mensenwerk. Dit is van goddelijke origine. Geen profetie der Schrift heeft een eigen uitlegging. Ik heb het ook pontificaal op mijn website gezet: “De Schrift bewijst zichzelf”. Ik houd ervan om daaraan te denken. Het past precies bij de God die we kennen. De Schrift bewijst zichzelf en ze legt zichzelf uit.
Kunnen wij als mensen mistasten? Ja, ik dacht het wel. Dat was ook de reden om vanavond deze disclaimer te introduceren. Natuurlijk! Maar Gods woord is volmaakt en Hij bewijst Zijn eigen woord. Dat vind ik zo mooi. Je kunt gewoon het woord doorgeven aan de mensen en zeggen: “Nou, check het zelf maar.” Ik ben ervan overtuigd, juist omdat ik dit weet: het Godswoord doet zijn werk wel. God is in staat en bij machte om iemand te overtuigen van de waarheid van Zijn woord. Ik hoef de Bijbel niet te bewijzen.
Ik gebruik vaak de vergelijking van de profeet Amos: “De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen? De Heere HEERE heeft gesproken, wie zou niet profeteren?” Nou, dat is het. Laat de leeuw maar los! Dan bewijst dat woord zichzelf en het legt zichzelf ook nog eens uit. Het enige wat daarvoor nodig is, is een oprechte houding van: “Heer, maak Uzelf en Uw woord door Uw eigen woord bekend.” In jullie hart dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift een eigen uitlegging heeft.
Want nooit werd profetie gedragen – voortgebracht of gedragen staat er eigenlijk – uit de wil van een mens. Profetie betekent namelijk letterlijk “voorzeggen”. Ook dit seizoen heb ik dat ongetwijfeld wel vaker gezegd: als je het Griekse woord uitsplitst, betekent het letterlijk voorzeggen. God voorzegt. Mensen speculeren, voorspellen of ze maken prognoses. Dat is hun vak: goede prognoses maken, ergens een vooruitblik op geven. Maar ja, totdat er iets gebeurt wat je niet voorzien hebt. Dat is precies waar de schoen wringt: een ketting is zo sterk als de zwakste schakel. Voorzeggen kan er slechts één, en dat lijkt me nogal wiedes: dat is God. Dat is precies wat Hij in Zijn woord doet.
Daar zijn zulke prachtige voorbeelden van. Ik bedoel waar we het over hadden: dat de Heer stierf op de dag van Pascha en dat Hij opstond op de dag van de Eerstelingsgarve. En als je het niet geloven wilt, dan zou je eens aan Kores moeten vragen hoe grondig dat kan zijn. Dat je al bij naam genoemd wordt anderhalf of twee eeuwen voordat je geboren bent! Dat je naam al genoemd wordt. Niet alleen dat je Israël zou terugbrengen naar de stad, maar ook wanneer het zou zijn en door wie. Kores raakte hiervan waarschijnlijk via Daniël op de hoogte, en u begrijpt dat hij daar helemaal mindblown van was. Dit is echt zo geweldig.
Nooit werd profetie gedragen uit de wil van een mens. Dat is een mens nu eenmaal niet gegeven, en dat is maar goed ook trouwens. Maar door de Heilige Geest gedreven, of weer “gedragen” – dat is eigenlijk een soortgelijk woord – zijn mensen gedragen door de Heilige Geest. Dat wil zeggen: de Geest van God zelf inspireerde mensen. Eigenlijk moet ik het anders zeggen: Hij inspireerde de Schrift. Hij leidde hun hand. Zo hebben mensen van Godswege gesproken, mondeling, maar ze hebben het ook opgetekend. Dat werkt zo wonderlijk.
Petrus had dat in zijn eerste brief al gezegd: dat zij zelfs, terwijl zij dingen zeiden of optekenden, zelf niet eens begrepen wat zij optekenden en uitdroegen. Zij wisten het niet. Nou, dat is inspiratie! Gedragen door de Heilige Geest hebben mensen van Godswege gesproken. God heeft natuurlijk ook de expertise gebruikt van een Daniël, die ook niet de eerste de beste was. Dat staat allemaal tot Zijn dienst. Ik zeg ook niet dat de menselijke factor is uitgeschakeld, maar daar is die x-factor: de goddelijke factor. Dat is hoe mensen ertoe in staat waren om van Godswege te spreken. Daar hebben we een complete bibliotheek van. Zo noemen we het ook wel: de Bijbel, ta biblia.
Ik doelde op die Schriftplaats in 1 Petrus 1, waar staat dat de profeten gezocht en geworst hebben naar de voor u bestemde genade, waarvan zij zelf geprofeteerd hebben. Leuk hè? Zij profiteren dus over dingen waar ze zelf naar gezocht en geworst hebben, terwijl zij naspeurden – ik zal de tekst even vermelden, 1 Petrus 1 vers 10 en 11 – “terwijl zij naspeurden op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden dat over de Christus zou komen en van al de heerlijkheid die daarop zou volgen”. Met andere woorden: zij spraken erover, maar wanneer zou dat dan precies zijn? En op hoedanige tijd zou dat zijn beslag krijgen? Dat wisten ze niet.
Nee, maar ze hebben het gesproken. En God maakt bepaalde dingen op Zijn tijd duidelijk. Daar wil ik ook mee afsluiten, want ook dat is iets wat we ons in de pauze nog realiseerden in een gesprek dat we hadden: de inzichten die we hebben in verband met de tijd waarin wij nu leven.
Ja, dat gaat over die derde dag en de zevende dag. Dat is tijd, dat is ook wijsheid. En Godspraken die al lang in de Schrift staan opgetekend, al duizenden jaren. Nu komt het aan het licht; nu worden de dingen duidelijk. Ik denk trouwens dat er nog heel wat dingen zijn die ook straks alsnog duidelijk zullen worden, ook als het gaat over het boek de Openbaring, op het moment dat het zich zal voltrekken.
Dat was het dan. Wij mogen nu leven in 2025. Ik herhaal het nog maar eens, en dat is een mooie afsluiter voor dit seizoen: Lieve mensen, 2025. De tijd is, hoe dan ook, zeer nabij; de dag waar Petrus het al tweeduizend jaar geleden over had, die gaat aanbreken.
Ongeacht of we aan scenario 1 of 2 denken, of misschien aan een heel ander scenario, de komst van die dag is een zekerheid. Dus ik zou zeggen: wij heffen ons hoofd omhoog naar die grote God. Met dit in gedachten kun je met des te meer bewondering terugdenken aan dat wat tweeduizend jaar geleden plaatsvond in de week van Pesach: het sterven en bovenal de opstanding van onze Heer.
Ik zie dat het twee minuten over tien is. Laten we het hierbij laten.
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews