de dagen tellen (2) – de scheppingsweek als blauwdruk
17-10-2024 - Geplaatst door Andre Piet17 oktober 2024, Capelle a/d IJssel
Bij monde van Jesaja verklaarde God ooit dat Hij van den beginne de afloop verkondigt. Daarin ligt ook de hint besloten dat de zeven dagen in Genesis 1 en 2 niet slechts historie zijn, maar ook profetie. De zes dagen waarin God de scheppingswoorden aan de mens openbaarde vormen tevens een ontwerp van de heilsgeschiedenis die uitloopt op de grote Sabbat – de duizend jaren waarin van rust voor deze wereld!
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: Loofhuttenfeest en de Zevende Dag
- Terugblik: Duizend Jaren als Één Dag en de Derde Dag
- Jesaja 46: de Afloop Verkondigd in Den Beginne
- Genesis 1: Scheppingswoorden Geopenbaard in Zes Dagen
- Mattheüs 16 en 17: de Ben-adam in Zijn Koninkrijk
- De Verheerlijking op de Berg: een Preview op de Sabbat
- Petrus 1: Ooggetuigen van Zijn Parousia
- Het Profetische Woord en de Komst van de Lichtdrager
- Geen Profetie van de Schrift Heeft een Eigen Uitleg
- Hebreeën 4: een Sabbatsrust Die Nog Overblijft
- Menselijk Falen (babel) Versus Gods Geschenk (bethel)
- Historische Getuigenissen over de 6000 Jaar
- De Zes Scheppingsdagen als Blauwdruk voor de Millennia
- De Zevende Dag: het Grote Sabbat-millennium
Introductie: Loofhuttenfeest en de Zevende Dag ↑ hoofdstukken
Wij gaan ons vanavond dus voor de tweede keer bezighouden met dit grootse thema, “De Dagen Tellen”, waar we ons een achttal of negental keren mee bezig gaan houden. Het is vandaag trouwens de tweede dag van een grootse hoogtijd op de Joodse kalender, of eigenlijk moet ik zeggen op de Godskalender. Het zijn namelijk de hoogtijden van Yahweh, zoals dat in Leviticus 23 heet.
Gisteravond is het Loofhuttenfeest begonnen, of zoals dat in het Hebreeuws dan heet: het Sukkot. Dat duurt zeven dagen, met eigenlijk nog een achtste dag als appendix, moet ik er nog bij zeggen. Deze dag is dus zojuist met zonsondergang geëindigd en de tweede dag van het Loofhuttenfeest is zojuist begonnen. De eerste dag is trouwens ook in de praktijk een sabbat; er wordt dan geen werk verricht.
Het aardige van dat feest is dat het feitelijk alles te maken heeft met het overkoepelende onderwerp. Want ja, Sukkot is het zevende feest. Het wordt ook gevierd in de zevende maand van de Hebreeuwse kalender en het duurt ook zeven dagen. Nou, als je daarmee niet duidelijk aangeeft hoe markant dat getal zeven is, dan weet ik het niet meer. En dan moet ik er trouwens bijzeggen dat het Loofhuttenfeest profetisch ook slaat op het Messiaanse Rijk, en dat is de zevende dag.
Daarmee heb ik eigenlijk al meteen een opstapje gemaakt naar het onderwerp voor vanavond: “De scheppingsweek als blauwdruk”. Dat is dus specifiek het onderwerp voor vanavond, waarbij we ons dan vooral bezighouden met — ja nou, ik zeg vooral, maar eigenlijk in laatste instantie ook vooral — Genesis 1; met hoe de dagen in Genesis 1 vooruitwijzen naar Gods programma. En meer in het bijzonder hoe de laatste dag, namelijk de sabbat, de zevende dag verwijst naar het Messiaanse Rijk.
Terugblik: Duizend Jaren als Één Dag en de Derde Dag ↑ hoofdstukken
Nou, eventjes terugblikken. Dat is in dit geval ook niet zo’n punt, want we hebben nog maar één avond erop zitten. Maar ik wil eventjes voor de helderheid: een maand geleden hebben we ons beziggehouden met Psalm 90 in zijn totaliteit. Eén van de highlights in die psalm is dat God zo telt dat duizend jaren in Zijn ogen zijn als de dag van gisteren. Zo staat het er dan. Later haalt Petrus deze tekst ook aan. De prangende vraag in Psalm 90, deze psalm van Mozes, is: “Hoe lang nog, Here, duurt het tot U terugkeert?” En dan wordt er ook gezegd: “Leer ons de dagen tellen zoals U ze telt.” Dat is dus ook de reden waarom we het hele seizoen eigenlijk ons bezighouden met dit thema. We tellen de dagen, en dan wel zo zoals God ze telt.
Een heel belangrijk gegeven, dat eigenlijk als een rode draad door heel het seizoen loopt, is het Bijbelse gegeven dat God millennia telt als dagen. Met daarbij tevens de gedachte — en laat ik die voorzet dan maar meteen geven — dat het zevende millennium, gerekend vanaf Adam, tevens een beeld is van de zevende dag: het grote Messiaanse Rijk. De dag waarin God rust in Zijn schepping, maar waarin ook deze wereld tot rust zal komen.
Nou, dat was Psalm 90. We hebben ons toen ook beziggehouden met 2 Petrus 3. Vorige keer is eigenlijk echt de basis gelegd voor het hele seizoen. Psalm 90 leende zich er ook uitstekend voor, al was het maar omdat het een psalm van Mozes is, wiens leven verdeeld is in drie keer veertig jaren. Oftewel: hij werd honderdtwintig jaar. En deze psalm is ook weer verdeeld in drieën. De millennia tot aan het Messiaanse Rijk zijn ook weer verdeeld in drie keer twee millennia. Nou ja, daar hebben we het later nog even over.
Eerst eventjes nog Petrus’ antwoord in 2 Petrus. Die is buitengewoon belangrijk omdat Petrus zich namelijk ook bezighoudt met de vraag naar de terugkeer van de Heer. Aan het einde van zijn leven stelt hij vast dat die nog niet heeft plaatsgevonden. Dat was voor Petrus trouwens nog een hele bittere pil, mag ik wel zeggen. Nou ja, bitter is misschien niet het juiste woord, maar in ieder geval was het een les die hij heeft moeten leren in zijn leven. Hij heeft gedurende zijn leven de verwachting gehad dat het Messiaanse Rijk in hun dagen, in de dagen van de apostelen, zou aanbreken. Daar was ook goede reden voor, maar de voorwaarde was wel dat Israël tot geloof zou komen in haar Messias. Wel, dat is niet gebeurd. En dat is in feite de aanleiding dat God een nieuwe apostel heeft geroepen, namelijk de apostel Paulus, die geheimenissen ging onthullen.
Maar aan het einde van zijn leven stelt Petrus dan de vraag: “Ja, hoe lang gaat het dan nog duren?” Dan waarschuwt hij ook al voor spotters die zouden komen en vragen: “Waar blijft nou de belofte van Zijn komst? Want vanaf het moment dat de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zoals het geweest is.” Zou het niet zo zijn dat Hij spoedig zou terugkeren? En dan zegt Petrus: “Toch mag dit ene u, geliefden, niet ontgaan, dat bij de Heer één dag is als duizend jaar.” Dan herhaalt hij zijn statement; hij spreekt dus twee keer over een dag en twee keer over duizend jaar: duizend jaar als één dag. Dat vooral zou ons niet mogen ontgaan.
Dit is een buitengewoon basaal gegeven waar we gedurende dit seizoen iedere keer weer op terug zullen komen. Dat bracht ons ook bij de profetie in Hosea 5, of beter wellicht Hosea 6 vooral, namelijk dat daar in cryptische termen wordt gezegd — dat wil zeggen: het wordt niet uitgelegd — dat Israël hersteld zou worden op het moment dat de Heer tot hen zal terugkeren. Dat zal zijn na twee dagen en op de derde dag, en wel bij de aanvang van de derde dag, bij de dageraad. De vraag die daarbij blijft liggen is: “Wat bedoelt de Heer met ‘na twee dagen’?” Nou, die vraag wordt elders in de Bijbel beantwoord. Zo gaat dat.
Geen profetie der Schrift — ik zeg het nu alvast en later komen we er nog op terug — heeft een eigen uitleg. Dat wil zeggen: profetieën in de Schrift leggen elkaar uit. Ik hou van de vergelijking dat de Bijbel een puzzel is waarbij de stukjes in elkaar passen. De ene Schriftplaats legt de andere uit. De Bijbel is ook geen boek; de Bijbel is een bibliotheek. Al die boeken tezamen, geschreven door één Auteur, leggen elkaar uit. Het loutere feit dat de Bijbel zo in elkaar zit en zichzelf zo uitlegt, is op zich al een bewijs van de Bijbelse inspiratie. Het geeft namelijk aan dat al die boeken die geschreven zijn gedurende duizenden jaren, en al die boeken die totaal verschillende oorsprongen hebben, bij elkaar horen. Het blijkt gewoon de enige manier te zijn om de Schriften te verstaan. Dat getuigt van een gemeenschappelijke oorsprong of, in dit geval, een gemeenschappelijke Auteur.
En die derde dag, oftewel na twee dagen, dan zal ook Israël, het volk van God, definitief hersteld worden. Dat is eigenlijk de belofte in met name Hosea 6. Over dit gegeven — over “na twee dagen” en “op de derde dag” — gaan we ons over een maand specifiek bezighouden en daarop inzoomen. We zullen zien hoe dat als een Bijbels gegeven op talloze manieren iedere keer tot ons komt; je struikelt erover. Het loutere feit dat ik het nu zo zeg, bevestigt precies mijn zojuist gemaakte punt: dat heel de Schrift een gemeenschappelijk ontwerp en onderwerp heeft. Alles wijst in dezelfde richting. Goed, dat eventjes wat de vorige keer betreft.
Jesaja 46: de Afloop Verkondigd in Den Beginne ↑ hoofdstukken
Het eerste Bijbelgedeelte dat ik nu wil noemen, en dat eigenlijk een prachtig startschot is voor het onderwerp van vanavond, is Jesaja 46. Ik heb hem zojuist in het gebed ook al even aangehaald, of er in ieder geval aan gerefereerd. Het is trouwens een tekst die ik heel vaak noem, omdat ik hem geweldig vind. Daar spreekt God zelf bij monde van Jesaja en dan staat er: “Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen.”
In het algemeen haal ik dit Bijbelgedeelte of dit vers zo graag aan, omdat het ons bepaalt bij de God die de geschiedenis in handen heeft. Hij heeft alles in handen, Hij is de Creator en er gebeurt bij Hem ook nooit iets bij verrassing. Vanaf het begin kent Hij al het einde. Iets wat een mens totaal niet gegeven is — namelijk om ook maar iets zinnigs te zeggen over zelfs de nabije toekomst — dat is kenmerkend voor God. Profetie is dan ook het meest karakteristieke van het hele Bijbelse getuigenis. God bewijst daarmee Zijn eigen woord.
Ik sprak zojuist al over de eenheid van de Schriften die getuigt van één Auteur, maar dit is ook zo’n bewijs van de Schriften: ze voorzeggen de toekomst. Astrologen, koffiedikkijkers en wat voor figuren je nog meer mag hebben — piskijkers heb je ook nog, al is dat een beetje een uitgestorven groep als ik me niet vergis — dat zijn voorspellers die aan allerlei tekenen conclusies verbinden over de toekomst. Maar de Bijbel voorspelt niet, de Bijbel voorzegt. En God voorzegt de toekomst. Het boek Jesaja zelf is daar al een geweldig bewijs van; denk aan hoe daar twee eeuwen van tevoren de figuur van Kores al wordt voorzegd. Bij name wordt hij genoemd.
Voor vanavond is er echter nog een andere reden waarom ik dit Bijbelgedeelte als startschot gebruik voor ons onderwerp: de scheppingsweek. Ik onderstreepte net al de frase: “van den beginne”. In het Hebreeuws staat daar Be-resjit. En Be-resjit betekent ‘in den beginne’, en dat is precies ook het eerste woord in de Schrift. “In den beginne schiep God de hemel en de aarde.” Over die vertaling zijn nog wel wat nuances aan te brengen, maar voor nu is het genoeg om het zo te citeren.
Het zijn trouwens niet alleen de eerste woorden van het boek Genesis; in de Hebreeuwse Bijbel is het zelfs de naam van het hele boek. Het eerste Bijbelboek heet Be-resjit, ontleend aan dat eerste woord. Dat geldt overigens voor de hele Thora, de eerste vijf boeken. Net zo goed als het boek Exodus is afgeleid van de eerste woorden in Exodus, en Leviticus idem dito, en Numeri en Deuteronomium. Dat geldt niet voor de hele Tenach, maar wel voor de Thora.
Dit is interessant, want als je “van den beginne” leest als een verwijzing naar Genesis 1 — naar het begin waarin God hemel en aarde schiep — dan krijg je het verhaal dat in Genesis 1 reeds de afloop wordt verkondigd. Dat bepaalt ons bij een ander punt dat heel belangrijk is voor vanavond: Genesis 1 is weliswaar historisch — het vertelt hoe de dingen gegaan zijn — maar het is niet alleen historie. Het is vooral ook profetie. Het vertelt niet alleen hoe het ooit gegaan is, het vertelt ook al de afloop. In Genesis 1, en in Genesis in het algemeen maar specifiek in het eerste Bijbelhoofdstuk, wordt al verteld hoe het zou aflopen. Dat is een geweldig gegeven, en daar moeten we ons vanavond maar eens wat specifieker mee gaan bezighouden.
Genesis 1: Scheppingswoorden Geopenbaard in Zes Dagen ↑ hoofdstukken
Overigens moet ik erbij zeggen… Een paar weken geleden heb ik in Nunspeet een Bijbelstudie gegeven die in zijn totaliteit over de Toledot ging, over de geschiedschrijvingen van Genesis. Dat Mozes weliswaar als redacteur is opgetreden en de verslagen bij elkaar heeft gebracht, maar dat het verslagen zijn die geschreven zijn door de aartsvaders zelf.
En Genesis 1… Ja, ik zou zeggen: breek me de bek niet open. Het is zo’n geweldig gegeven, en wat ik nu ga vertellen is zo onbekend, maar ik zeg het nu toch even. Die zes dagen van Genesis 1 worden meestal uitgelegd – ook door zeer gerespecteerde uitleggers overigens – alsof God de hemel en de aarde in zes dagen geschapen heeft. Maar dat staat er niet. Hij schiep “in den beginne” de hemel en de aarde, en gedurende zes dagen heeft Hij de Godswoorden, die ooit bij de schepping geklonken hebben, geopenbaard aan Adam. Het is dus niet een schepping in zes dagen, maar Hij heeft de scheppingswoorden aan Adam bekendgemaakt.
Adam heeft het ook opgetekend, of misschien heeft God het zelfs Zelf opgetekend. Gedurende zes dagen heeft Hij verteld wat Hij ooit bij de schepping gedaan heeft. Dat zet een heleboel dingen in een heel ander perspectief. Kijk, van de mensheid weten we dat ze ongeveer 6000 jaar oud is – vrij precies trouwens in dit geval. Maar hoe oud de schepping is en hoelang God daarover gedaan heeft, daar zegt Genesis 1 niets over. Die zes dagen gaan namelijk over hoe God aan Adam een openbaring heeft gegeven; gedurende die periode van zes dagen openbaarde Hij de schepping van hemel en aarde. Het is een heel boeiend gegeven en ik noem het nu alleen maar even omdat ik vond dat ik dat toch gezegd moest hebben. Ik laat het nu ook meteen weer even voor wat het is. Als het niet helemaal duidelijk is wat ik nu gezegd heb, dan moet u die Bijbelstudie in Nunspeet nog maar eens beluisteren. Heel boeiend, vind ik tenminste.
Dat betekent dus dat Genesis 1 het verslag is van die zes dagen en de zevende dag waarop God staakte. Want dat is wat het woordje Shabbat eigenlijk betekent: Hij stopte simpelweg met het werk. Het was gedaan, het was volbracht. Die dagen van Genesis 1, die scheppingsweek, is een blauwdruk. Dat was ook de titel van deze avond. Een blauwdruk waarvan? Wel, van de hele heilshistorie. Van de geschiedenis vanaf Adam tot aan het zevende millennium. Daarbij is het zevende millennium de duizend jaren, het zogenoemde duizendjarig rijk dat in de nabije toekomst gaat aanbreken. Maar dat gaat heel ver. Het is niet alleen zo dat die zevende dag spreekt van het toekomstige millennium, maar ook de zes dagen die daaraan voorafgegaan zijn, zijn allemaal gelinkt aan de opeenvolgende millennia. Als u wilt weten wat ik daarmee bedoel, dan moet u vooral blijven zitten, want aan het einde van de avond ga ik daar nog meer over vertellen. Maar stapje voor stapje.
Mattheüs 16 en 17: de Ben-adam in Zijn Koninkrijk ↑ hoofdstukken
We gaan nu naar Matteüs 16 en 17. Dit is trouwens een heel fraai voorbeeld van een hoofdstuk- en versnummering die heel misleidend kan zijn. In het algemeen kun je zeggen dat versnummering en hoofdstuknummering buitengewoon handig zijn om iets op te zoeken en naar te verwijzen. Daar is niks mis mee, maar in de praktijk wil het nog wel eens gebeuren dat het ook als een leidraad gaat functioneren voor de uitleg. En dat is heel misleidend, wat je juist in dit geval goed ziet.
Ik heb hier op deze dia de tekst staan aan het einde van Matteüs 16. Daar zegt de Heer Jezus: “Voorwaar, amen” – in het Grieks staat daar amen – “Ik zeg u: er zijn sommigen onder degenen die hier staan…” Hij spreekt hier in het noorden van Israël tot zijn discipelen, de twaalf. En dan zegt Hij dat er sommigen zijn onder degenen die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken voordat zij de Zoon van de mens hebben zien komen in zijn Koninkrijk. Ik wijk hier in mijn weergave iets af van de NBG-vertaling, maar dit is het laatste vers van Matteüs 16.
Dit is nogal eens een vers dat wordt aangehaald. Ik ben daar heel wat keertjes mee geconfronteerd door mensen die zeggen: “Kijk, de Heer Jezus, of in het algemeen de apostelen in het Nieuwe Testament, hebben zich vergist. In dit geval heeft de Heer Zich vergist, want Hij dacht dat het Messiaanse Rijk reeds in hun dagen, in die generatie zou aanbreken.” Voor een deel klopt dat – ik gaf het zojuist al eventjes aan – maar de Heer garandeert het hier zelfs: “Voorwaar, amen!” Hij zegt dus: “Ik zeg u, er zijn sommigen onder degenen die hier staan – niet allemaal dus, maar er zijn er – die de dood voorzeker niet zullen smaken voordat zij de Zoon van de mens hebben zien komen in zijn Koninkrijk.” Of in zijn koninklijke waardigheid, maar eigenlijk gewoon in zijn Koninkrijk of in zijn Koningschap.
Men zegt dan: “Kijk, dat was toen de verwachting, maar het is niet gebeurd.” En dit staat aan het einde van het hoofdstuk. Maar in Matteüs 17 begint een hele nieuwe pericoop. Niet alleen een nieuw hoofdstuk, maar ook een nieuwe pericoop. Als je het niet doorleest, dan zeg je dus: “Hé, die Heer heeft Zich vergist, want dat is niet gebeurd. Want de hele generatie, al die twaalf, zijn allemaal overleden – in die eerste eeuw, mag je aannemen – en ze hebben de terugkeer van de Heer, de Zoon des mensen, de Ben-adam, niet meegemaakt.” O nee? Nou, dat is juist zo mooi als je dan gewoon doorleest en je even niks aantrekt van de hoofdstuk- en versindeling. Want dan lees je vervolgens gewoon door in Matteüs 17.
De Verheerlijking op de Berg: een Preview op de Sabbat ↑ hoofdstukken
En na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en zijn broeder Johannes mee. Eerst even dit: na zes dagen. Dat is overigens nog een probleempje, want als je in het parallelvers in Lukas bekijkt waar deze geschiedenis ook wordt beschreven — in Marcus trouwens ook, in Johannes niet — daar wordt gezegd dat het ongeveer acht dagen na deze woorden geschiedde. Maar hier in Matteüs 17 staat: en na zes dagen. Nu kun je altijd zeggen: ja, ongeveer. Maar dan nog zou je dat niet verwachten. Men zegt dan: is dat tegenstrijdig? Nee, dat is het niet. Het is juist, zoals dat met een mooi woord heet, complementair. Het ene gegeven vult het andere aan. Het was ongeveer acht dagen na deze woorden dat de Heer dit drietal van de twaalf meenam, maar het was tevens op een sabbat, namelijk na zes dagen. Kijk, op de zevende dag dus. Het was inderdaad na ongeveer acht dagen nadat de Heer die woorden had gesproken, maar het was tevens op een zevende dag, namelijk na zes dagen, en dat is in feite een aanwijzing van de weekdag.
Daaruit volgt de conclusie dat als deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden op een sabbat, op de zevende dag oftewel na zes dagen, en het was na ongeveer acht dagen dat Hij die uitspraak deed over de sommigen die de dood niet zouden smaken, dan weet je dus eigenlijk dat Hij die woorden heeft gesproken op een donderdag. Acht dagen later kom je uit op de sabbat van de volgende week. Zo moeilijk is het niet hoor, maar ik zeg dit omdat het voor ‘luie lezers’ misschien makkelijker zou zijn geweest als er simpelweg ‘zondag’ had gestaan. De aanduiding van de sabbat wordt vaak benoemd als Shabbat, wat eigenlijk ‘de dag van staken’ betekent. Er wordt ook vaak gezegd ‘de zevende dag’, maar het wordt hier inderdaad ‘na zes dagen’ genoemd, namelijk na een werkweek van zes dagen. Dat is gewoon een kwestie van een beetje vertrouwd zijn met het hele Bijbelse spraakgebruik en vocabulaire.
Het was dus op een sabbat. Jezus nam Petrus en Jakobus en zijn broeder Johannes mee; dat waren dus de ‘sommigen’ van degenen die daar acht dagen eerder stonden. Hij leidde hen een hoge berg op in eenzaamheid, of de Concordant Version zegt: privé. In de Statenvertaling staat ook zoiets als ‘alleen’, dat wil zeggen: alleen met hen, met achterlating van de anderen. Als u nu naar Israël toe gaat — wat ik overigens niet kan aanbevelen, maar zeker daar in het noorden niet — dan brengen ze je altijd naar de berg Tabor. Ik ben er zelf ooit ook één of twee keer geweest. Dat is die merkwaardige berg die zo’n mooie halve cirkel vormt, vlak bij Nazareth overigens. Men zegt dat dit de plaats zou zijn geweest, maar de Tabor is geen hoge berg. Nu valt daar natuurlijk altijd wel wat op af te dingen, want ja, wat is een hoge berg? Ik ga zelf voor de Hermon, juist ook omdat de gebeurtenissen die in die tijd plaatsvonden, zoals beschreven in Matteüs 16, bij Caesarea Philippi waren. Caesarea Philippi is bij de Banias, een prachtig natuurgebied richting de Hermon. En de Hermon is een hoge berg, de hoogste berg in die hele regio; hij is maar liefst 2800 meter hoog. De berg wordt in de tekst niet bij naam genoemd, dus als u voor een andere berg gaat, maak ik daar geen ruzie over, maar ik denk dat deze berg het meest in aanmerking komt.
En dan staat er dit: “En zijn gedaante veranderde voor hun ogen…” Dat wil zeggen dat dit drietal iets ziet. Voor ‘gedaante’ staat in het Grieks het woordje metamorfose. Zij zagen Zijn gedaante veranderen, Zijn gelaat straalde gelijk de zon en Zijn klederen werden wit als het licht. De geschiedenis gaat door, want je leest dat Petrus helemaal onder de indruk is en het voorstel doet om tenten op te slaan. Er verschijnen namelijk ook nog Mozes en Elia, en in dat geval stelt Petrus voor om daar tenten te bouwen om dat moment vast te houden. Later leest u dat een wolk hen overdekt en dan klinkt de stem: “Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik al Mijn welbehagen heb.”
Deze drie hebben dat allemaal met eigen ogen gezien. Wat zij hebben gezien, is een preview van het komende Koninkrijk. Ik ga het straks ook echt bewijzen, al heb ik het in feite al bewezen. Want wat had de Heer namelijk gezegd? Sommigen van de twaalf zullen de dood voorzeker niet smaken voordat zij de Zoon des mensen, de Ben-Adam, hebben zien komen in Zijn Koninkrijk. Welnu, dat is wat zij op die sabbat hebben gezien: de Heer in de glorie die Hij straks daadwerkelijk zal hebben in Zijn Koninkrijk. Zijn gezicht straalde gelijk de zon, echt in opstandingsheerlijkheid; een getransformeerd lichaam, niet meer onderworpen aan de vergankelijkheid. Bovendien waren Zijn klederen geheel wit als licht. Die moet u trouwens even onthouden, want ik kom daar straks nog op terug.
Dit is wat deze drie hebben gezien; het is wat de Heer acht dagen eerder had voorzegd, namelijk dat een aantal van hen de Ben-Adam zouden zien in Zijn koningschap, in Zijn Koninkrijk. Ze hebben een preview gezien en ik geloof zelfs dat zij — nu loop ik even voor de fanfare uit — verplaatst zijn in de tijd. Net zoals Johannes later bij het boek Openbaring werd verplaatst naar de dag des Heren. Om het eventjes wat sciencefictionachtig te zeggen: zij hebben een tijdreis gemaakt. Zij zijn verplaatst in de tijd en hebben iets gezien van de toekomst. En dat dit inderdaad zo is, horen we als we Petrus nog eens aan het woord laten in diezelfde brief waar ik het in het begin over had. Daarin zegt hij dat er straks spotters komen die zullen zeggen: “Waar blijft de belofte van Zijn komst?”, waarna hij wijst op die twee dagen en op de derde dag.
Petrus 1: Ooggetuigen van Zijn Parousia ↑ hoofdstukken
Ga even met me mee naar 2 Petrus 1. Ik wijs er met name op – houd dat ook even vast voordat ik nu ga lezen – omdat dit namelijk een beeld is. Wat zij hebben gezien, is de Zoon des mensen in het Koninkrijk, en dat was op dag nummer zeven, na zes dagen, op de sabbat. De zevende dag, houd die vooral ook even vast.
En nu komen we dus bij 2 Petrus 1. Petrus is inmiddels aan het einde van zijn leven gekomen, dat zegt hij ook. Hij zegt: het afleggen van mijn tent is nabij. Hij heeft dus niet lang meer en hij heeft nog een paar belangrijke dingen te doen, bijvoorbeeld het bijeenbrengen van de Schriften, de compilatie van het Nieuwe Testament, etcetera. En dan zegt hij dit in vers 16 van hoofdstuk 1: “Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd” – zo staat het in de NBG-vertaling, maar eigenlijk staat er in het Grieks mythos, mythen. Wij zijn geen kunstvernuftig gevonden mythen nagevolgd. De nadruk ligt hier ook op ‘wij’. Dat wil zeggen: anderen wel, maar wij niet. Hij zegt: wat ik vertel, en mijn collega-apostelen eveneens, dat zijn geen mooie verhalen of knap bedachte verhalen met een mooie, rijke boodschap. Nee. Nou ja, wat is het dan wel? “Wij zijn geen vernuftig gevonden mythen nagevolgd toen wij u de kracht en de parousia van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit.”
Even een toelichting: ik heb hier een woordje eigenlijk onvertaald gelaten. In de NBG-vertaling staat hier ‘komst’. Meestal wordt het gemakshalve weergegeven met ‘de wederkomst’, maar eigenlijk betekent het woordje parousia letterlijk ‘Zijn aanwezigheid’. De Heer is nu afwezig en straks zal Hij weer acte de présence geven. Zal Hij Zijn aanwezigheid gaan tonen? Het woordje parousia staat in het Nieuwe Testament exclusief voor Zijn terugkeren; dat er een einde komt aan Zijn afwezigheid en dat Hij dan weer aanwezig is.
En Petrus zegt: toen wij jullie dat vertelden, toen wij dat hebben verkondigd, waren dat geen knap bedachte verhalen of mythen. Want u weet wat een mythe is: dat is een verhaal met dikwijls een hele diepe laag, knap bedacht, maar het is verzonnen. En Petrus zegt: wat wij vertellen, is van een heel andere orde. Het is helemaal niet bedacht. Hij zegt: wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit. Dat is heel boeiend, want als inderdaad de parousia die term is die te maken heeft met de terugkeer van de Heer in Zijn Koninkrijk, dan zegt Petrus: dat hebben wij al verkondigd. Hij zegt: en ik niet alleen, maar ook Johannes en Jakobus zijn daar ooggetuigen van geweest. Met andere woorden: Petrus claimt hier een ooggetuige te zijn van iets wat nog steeds toekomstig is.
Dit bevestigt precies de lijn die ik zojuist eigenlijk al uitzette, namelijk dat hij inderdaad een preview heeft gezien van Hem, van de Koning en Zijn Koninkrijk. En Petrus zegt het hier ook aan het einde van zijn leven. Moet u zich voorstellen: die gebeurtenis daar bij de verheerlijking op de berg… laten we aannemen dat die in het jaar 29 of 30 heeft plaatsgevonden. Dit is ergens halverwege of misschien aan het einde van de jaren zestig, dus decennia later. Aanvankelijk was Petrus nog een jonge kerel, hier was hij een oude man geworden en de marteldood was aanstaande. Maar hij zegt hier dus: ik ben een ooggetuige geweest van iets wat in de toekomst nog gaat plaatsvinden.
Dat hij inderdaad hier verwijst naar de verheerlijking op de berg, is onmiskenbaar, want laten we het even doorlezen: “Want Hij heeft van God de Vader namelijk eer en heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem kwam: Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb.” Nou zou je hier altijd nog van kunnen zeggen: ja, maar die stem heeft toch twee keer geklonken? Want die woorden klonken ook bij Zijn doop, toen Zijn publieke bediening aanving. Daar is Petrus trouwens ook ooggetuige van geweest. Maar laat ik dan gewoon doorlezen. Dan zegt hij in vers 18 dit: “En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren.” Die berg werd bij die gelegenheid vanzelf heilig vanwege de gebeurtenis die daar plaatsvond natuurlijk.
Het gaat hier dus niet over de doop van de Here Jezus in de Jordaan, waar ook al iets wonderlijks plaatsvond. Nee, het gaat hier over die specifieke gebeurtenis waar Petrus, samen met Johannes en Jakobus, ooggetuige was van de parousia van de Here Jezus Christus en de Ben Adam, de Here Jezus Christus, heeft zien komen in Zijn Koninkrijk. Petrus zegt: die stem die toen klonk, die hebben wij zelf gewoon als ooggetuigen gehoord en gezien. En het is wel heel visionair geweest, moet ik erbij zeggen. Later lees je dat in Matteüs 17 ook: als de Here Jezus met Johannes, Jakobus en Petrus van de berg afdaalt, dan zegt Hij: “Vertel aan niemand dit gezicht.” Dit visioen. Want zij hebben die reis gemaakt, die tijdreis om het zo te zeggen. Zij zijn daadwerkelijk ooggetuigen daarvan geweest.
Zoals hij later natuurlijk getuige is geweest van zoveel andere dingen, ook van de opstanding van de Here Jezus en dat de Here Jezus vanaf de derde dag aan hem verschenen is. Later zegt Johannes: we hebben het gehoord, we hebben het gezien met onze eigen ogen en met onze handen zelfs getast. Met andere woorden: hoe reëel, hoe concreet wil je het hebben? Het Nieuwe Testament is door en door historisch. Het is geen verhaal, het is de boekstaving van zaken die deze mensen – Petrus, Jakobus en al die anderen – zelf hebben gezien. Paulus trouwens ook. Dat is buitengewoon belangrijk. En vandaar: geen kunstig verdichte fabelen, om het even met de Statenvertaling te zeggen, of kunstig bedachte mythen. Petrus zegt: nee, want wij waren daar zelf bij, hoogstpersoonlijk. We hebben het gezien en gehoord. En dan zegt hij in vers 19 – dat moet ik er ook nog even bij lezen.
Het Profetische Woord en de Komst van de Lichtdrager ↑ hoofdstukken
En wij achten het profetische woord daarom des te vaster. Het profetische woord is natuurlijk het woord van de profeten, dat wat zij al kenden in de Tenach. U ziet hier in de interlineaire vertaling ook staan: ‘meer bevestigd’. Dat wil zeggen: het was al vast, dat profetische woord, daar niet van. Maar Petrus zegt: met dat wat ik heb gezien als ooggetuige van de PAROUSIA, daarmee is dat wat vast was alleen nog maar meer bevestigd. Het is dus alleen maar vaster en solider geworden. Ik vind het zo geweldig dat Petrus dit aan het einde van zijn leven met zo’n grote kracht optekent. Hij wijst op de Schriften, op het profetische woord, en zegt: “Daar moet je wezen, dat is krachtig.” Hij kan hoogstpersoonlijk verklaren: “Ja, ik heb het zelf gezien en daarom is het des te vaster.” Het is bevestigd.
Hij zegt daarom ook tegen zijn lezers: “En jullie doen er wel aan er acht op te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats.” Nou, dat is wat deze wereld is: deze wereld tast in het duister. Al was het maar omdat ze totaal geen idee heeft waar ze naartoe gaat. Trouwens, ze hebben ook geen idee waar ze vandaan komen. Nou, sorry, maar dat is voor mij ongeveer de omschrijving van in het duister rondlopen: dat je niet weet waar je vandaan komt en ook niet weet waar je naartoe gaat. Dan weet je dus eigenlijk ook helemaal niet waar je op dit moment bent; je bent in feite volledig gedesoriënteerd. Maar daarom is het geweldig als je het profetische woord hebt, dat als een lamp is die schijnt in een duistere plaats. Nogal wiedes dat je er wel aan doet om daar acht op te geven. Want als er iets is wat je werkelijk informeert en wat je vertelt wie je bent, waar je vandaan komt en waar je naartoe gaat, dan moet je daar wezen. Het is geweldig hoe dat Woord zichzelf daarmee bewijst.
Er staat nog bij: “…als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt.” Als dé dag aanbreekt, dan heb je dat licht dus niet meer nodig. De dag is hier trouwens de zevende dag. Want Petrus verwijst naar het moment dat hij ooggetuige was van de PAROUSIA en dat hij de Ben Adam heeft zien komen in zijn koninklijke heerlijkheid. Welke dag was dat? Dat was niet voor niets de zevende dag. Als je aan een Jood vraagt: “Wat is dé dag?”, dan zegt hij: “De sabbat natuurlijk.” Er zijn trouwens een paar dagen die dat alleen maar des te meer onderstrepen, zoals bijvoorbeeld het zevende feest, waarbij de eerste dag meteen ook weer een sabbat is. Dat is waar ik het net over had.
“Totdat de dag aanbreekt en de lichtdrager opgaat.” Die wil ik ook nog even brengen. Ik heb hier een kersverse verrassing die ik u nu doorgeef, want dit wist ik zelf ook niet. Nou ja, ik wist wel dat hier niet het woordje ‘morgenster’ staat dat elders in het Nieuwe Testament voorkomt; dat is gewoon een ander Grieks woord. Maar er zijn nogal wat vertalingen die dit ook weergeven met morgenster. Letterlijk staat hier echter: ‘de lichtdrager’. Waar dat naar verwijst – en dat had ik me nooit gerealiseerd – is… wat denkt u? Laat ik de vraag eens stellen: wat denkt u als we blijven bij de geschiedenis waar Petrus naar verwijst? Hij verwijst naar de Ben Adam die hij heeft gezien, wiens gezicht straalde als het licht. En wat droeg Hij? Hij droeg licht. Wij zeggen: we dragen kleding. Maar de kleding die Hij droeg, was licht; het was Zijn verschijning. Als de dag aanbreekt, dan zal de Lichtdrager komen. Petrus wist waar hij het over had, want daar was hij namelijk ooggetuige van geweest. Hij zag de Ben Adam, wat in feite ‘de Erfgenaam van Adam’ betekent. Dat wat Adam niet lukte – by design overigens – dat zal de laatste Adam wel gaan doen. En dan zal Hij komen als de Lichtdrager. Wat draagt Hij dan? Heeft Hij een stropdas ofzo? Nee, Hij draagt licht. Dat is een hele mooie. Ik ga daar nu verder niet op in, want daar is wel meer over te melden, maar in dit verband is dit in het kort de verklaring: Petrus verwijst naar de Heer die kleding van licht droeg toen hij ooggetuige was van Zijn PAROUSIA. Als de dag aanbreekt, dan komt ook de Lichtdrager op.
Dan heb ik nog een verrassing die ik ook belangrijk vind, want het is erg onbekend. Zo hoor je nog eens wat, hè? Daarom doe je toch bij ons de moeite weer, om niet alleen maar bevestigd te worden in dat wat je al wist, maar ook om weer nieuwe dingen te horen. Meestal worden deze woorden “in uw harten” gelezen als slot van het voorgaande vers: “…totdat de dag aanbreekt en de lichtdrager opgaat in uw harten.” Kijk maar in de NBG-vertaling, daar staat het zo: “Totdat er licht opgaat in uw harten.” Gek genoeg weet ik zelf ook nog niet eens zo heel erg lang hoe de vork precies aan de steel zit. Dat klinkt wat arrogant, met excuses, maar het is wel zo. Ik ken deze passage al heel erg lang, maar ik heb het altijd moeilijk gevonden en eigenlijk niet goed begrepen. Want hoezo: totdat de dag aanbreekt en het licht opgaat in je hart? Nee, het gaat hier over het objectieve aanbreken van de dag, de zevende dag. Als het zevende millennium gaat aanbreken en het Koninkrijk hier op aarde gevestigd zal worden, dan zal Hij ook komen als het Licht en opkomen als de Drager van licht.
Geen Profetie van de Schrift Heeft een Eigen Uitleg ↑ hoofdstukken
Ja, en die woorden ‘in uw harten’ vormen niet het slot van vers 19, maar de aanvang van vers 20. Dan krijg je een hele mooie en ook een heel duidelijke zin die alle vragen oplost. Even voor de goede orde, want u zegt nu misschien: “Ja, maar jij zit nu toch de tekst te wijzigen?” Wacht even. Het Grieks kent geen interpunctie. Geen punten en trouwens ook geen hoofdletters bij de… nou ja, het Grieks kent wel hoofdletters; eigenlijk moet ik het anders zeggen: het Grieks kent geen kleine letters. Alles staat in kapitaalletters, en komma’s en punten kent het Grieks niet. Het Grieks is buitengewoon precies, maar interpunctie zoals wij dat kennen – om over ‘smart icons’ maar te zwijgen – dat kent het Grieks dus niet.
Deze woorden ‘in uw harten’ vormen dus het begin van vers 20: “In uw harten, dit vooral wetende.” Dat wil zeggen: je moet het niet alleen maar weten, maar je weet het hier in je hart. Het benadrukt vooral: besef dat goed. De binnenkant is het hart. “In uw harten, dit vooral wetende, dat geen profetie van de Schrift een eigen uitlegging heeft.” Dit is nu de tweede keer dat ik op deze schriftplaats wijs, want het is een geweldig vers. Dit geeft namelijk aan dat de profetieën van de Schrift uitleg behoeven. Dat is een open deur intrappen, dat weet u.
Maar hoe zit dat nu? Er zijn een heleboel mensen die de theologische benadering volgen: als je wilt weten wat een tekst zegt, dan moet je teruggaan naar de tijd waarin die geschreven is en dan moet je je de vraag stellen wat de schrijver daar bedoeld heeft. Zijn er geen andere geschriften in die tijd geschreven waar soortgelijke dingen in naar voren gebracht worden? En hoe past dat in het literaire genre? Nou, je kunt er hele mooie dingen van maken. Ja, u hoort spot, maar dat bedoel ik ook zo. Want kijk, een profetie in de Schrift heeft uitleg nodig, maar welke uitleg dan? Het heeft geen eigen uitleg. Nee, het wordt uitgelegd door andere profetieën. En dan krijg je dus inderdaad dit verhaal: profetieën leggen elkaar uit.
Ik heb het maar even gevisualiseerd: de ene tekst wordt uitgelegd en verstaan in het kader van een andere tekst. Dan heb je Mattheüs 24, dan heb je 2 Petrus 3 en dan heb je Daniël 7. Dat is trouwens ook zoeken. Het gaat er niet om de Bijbel alleen maar te lezen. Er staat nergens in de Bijbel: “Lees de Bijbel”. Dat is heel goed om te doen hoor, daar gaat het mij niet om, maar er staat: “Onderzoekt de Schriften”. Dat suggereert al dat ze uitleg behoeven en dat je moet onderzoeken. Dat wil zeggen: je moet onder de oppervlakte wezen om te weten hoe het verstaan dient te worden. Profetieën leggen zo elkaar uit, zodat je de hermeneutische regel hebt – de uitlegkundige regel – om Schrift met Schrift te vergelijken.
Als je wilt weten wat een woord betekent, dan kijk je waar het nog meer in de Bijbel gebruikt wordt. Je pakt een concordantie en je kijkt: “Ah, daar komt het ook voor, en daar, en daar.” Zo ontstaat een beeld en dan passen de dingen. Er is nog een waarschuwing: dat je niet moet forceren. U weet, ik ben zelf helemaal geen puzzelaar, tenminste niet als het hier om gaat, maar ik zie sommige mensen die kennelijk wel die ervaring hebben. Dat je aan het puzzelen bent en op een gegeven moment een stukje hebt waar je al een tijd naar hebt gezocht. Op een gegeven moment denk je: “Nou, dit zal het wel zijn.” Maar het past niet echt. Je gaat een beetje forceren; als ik een beetje mijn best doe of er even op klap, dan zit het. Maar zo werkt het dus niet. Nee, het moet echt passen.
Dan kun je je weleens vergissen, want het is vaak echt zoeken naar teksten. Soms moet je ook even iets laten liggen. Dan zeg je: “Nou, dat komt wel een andere keer, die leggen we even apart.” En als dat dan later nog eens een keer aan de orde komt… Je moet trouwens bij een puzzel ook eerst een raamwerk hebben natuurlijk. Dat doe je toch als eerste? Het is eigenlijk leuk en mooi; misschien zou dat nog eens een keertje een mooie studie zijn over Bijbelstudie en puzzelen, over de overeenkomsten. Ik denk dat er nog hele mooie lessen uit te leren zijn. Maar goed, eigenlijk kun je het “eigen kruiswoordpuzzelen” noemen. Ja, ook nog eens het kruiswoord, het woord des kruises. Dankjewel, Bernard.
“In uw hart dit vooral wetende, dat geen profetie van de Schrift een eigen uitlegging heeft.” Oftewel: profetieën leggen elkaar uit. Nu had ik eigenlijk voor de volledigheid even het laatste vers ook moeten noemen, namelijk vers 21. Meestal kan ik hem zo uit mijn hoofd citeren: 2 Petrus 1 vers 21. “Want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar door de heilige geest gedreven hebben mensen van Godswege gesproken.” Zo was hij, dankjewel. Want nooit is profetie – dat is ook logisch – voortgekomen uit een mens. Nogmaals, profetie betekent letterlijk “voor-zeggen”. “Pro” is “voor” en dat laatste deel heeft te maken met spreken. Voorzegging komt niet voort uit een mens. Dus als er profetie is, dan kan dat per definitie alleen maar van Godswege komen. Mensen hebben van Godswege gesproken. Soms wisten de profeten zelf niet eens waar ze het over hadden. Dat lees je trouwens ook bij Petrus, in zijn eerste brief. Daar zegt hij dat profeten in hun eigen geschriften nazochten wat de betekenis ervan mocht zijn. Dat is apart.
Maar goed, dat zouden we in ieder geval ook weten. Ja, en nu blijft er nog een schriftplaats over. Nou, meer, maar daar moeten we het na de pauze maar even over hebben. Want ik zie dat het zo goed als negen uur is. Het gaat over de sabbatsrust die nog over is voor het volk van God. Ik zie dat we nog heel wat dingen te gaan hebben, dus we gaan niet al te lang pauzeren, stel ik voor.
Hebreeën 4: een Sabbatsrust Die Nog Overblijft ↑ hoofdstukken
Na een wat korte pauze stel ik voor dat we de draad weer oppakken. Ja, want we hebben nog het een en ander te bespreken. We hadden het dus over die grote gebeurtenis die ooit plaatsvond op de Shabbat – om het een beetje op z’n Ivritsch te zeggen. Die gebeurtenis, de verheerlijking op de berg waar Petrus een ooggetuige was van de Parousia van de Heere. En hij niet alleen, maar ook Johannes en Jakobus. Dat is buitengewoon belangrijk omdat de Heere dat aankondigt als het Koninkrijk, en dat was inderdaad de zevende dag, dé dag bij uitstek.
Dan wil ik nog een ander Schriftgedeelte in dit verband aanhalen dat niet mag ontbreken. Deze vind ik een beetje lastig, omdat het wat toelichting nodig heeft. Ik verwijs nu naar Hebreeën 4, maar eigenlijk had ik moeten zeggen Hebreeën 3 en 4. Het is een hele passage waarin de schrijver – ik denk Paulus, maar in ieder geval incognito, want hij vermeldt zijn naam niet – ingaat op de zevende dag en op Psalm 95, een psalm die we de vorige keer nog hebben aangehaald. Dat is die psalm van David waarin beschreven wordt dat God een eedzwering doet: “Zij zullen tot mijn rust niet ingaan.” Dat had God gezegd van het volk dat omkwam gedurende de veertig jaren in de woestijn.
Die twee gegevens worden bij elkaar gebracht. De schrijver van de Hebreeënbrief legt dat zo uit en in dat verband verwijst hij naar een sabbatsrust die nog overblijft voor het volk van God. Ik moet erbij zeggen: het volk van God in de Hebreeënbrief is heel uitdrukkelijk het volk van Israël, de Hebreeën dus. Waaraan is de Hebreeënbrief geschreven? Aan de Hebreeën, en dat is al heel veelzeggend.
Ik zei al dat ik het een beetje lastig vind, want in vers 8 van Hebreeën 4 staat: “Want indien Jozua hen in de rust gebracht had, dan zou Hij niet meer over een andere, latere dag gesproken hebben.” Als je midden in zo’n gedeelte binnenvalt, zeg je: wacht even, die snap ik even niet. Waarover heeft hij het dan? Nou, hij had zojuist een citaat gegeven uit Psalm 95 waar ik zojuist op doelde. David spreekt daar over een nog steeds toekomstige rustdag voor het volk van God. In de woestijn hebben ze die niet gekregen. God had gezegd: jullie, die generatie die in de woestijn vertoefde, is omgekomen en ze zijn de rust niet ingegaan. Dan zou je kunnen zeggen: oh wacht even, dus de volgende generatie is toen de rust ingegaan. Nee, zegt de schrijver van de Hebreeënbrief, dat is ook niet gebeurd. Want David, die de psalm componeert, zegt dat er nog steeds een latere rust komt. Pakweg vijfhonderd jaar later heeft David het weer over datgene wat de Heere had gesproken. Nog steeds is die dag, die Shabbat, toekomstig. Dat wil zeggen dat ook in de dagen van David en van Salomo die Shabbat, de rustdag, nog steeds toekomstig was. En daarom zegt hij: indien Jozua hen in de rust gebracht had, dan zou Hij – dat wil zeggen de Heere bij monde van David – niet meer hebben gesproken over een andere, latere dag.
Ik moet dit ook nog eventjes herhalen, want in de voorliggende verzen van Hebreeën 4 had de schrijver daar al op gezinspeeld. Vers 4 zegt: “Want Hij heeft ergens – en dat is in Genesis 2 – van de zevende dag aldus gesproken: En God rustte…” Eigenlijk is het “staakte”. We hadden het er in de pauze nog even over, en voor de pauze heb ik ook al een hint in die richting gegeven, maar het Hebreeuwse woord voor Sabbat is eigenlijk niet rusten in de zin van achteroverleunen en eventjes uitblazen. Het idee is dat je iets staakt, je houdt op met iets. Het Hebreeuwse woord voor staken, bijvoorbeeld wat werknemers doen, heeft in het moderne Hebreeuws, in het Ivriet, dezelfde stam als Shabbat. God staakte Zijn werkzaamheden om een hele simpele reden: Zijn werkzaamheden waren voorbij. Dat was op de zevende dag.
Dan gaat de schrijver verder: “En hier in Psalm 95: indien zij tot mijn rust zullen ingaan.” Aangezien nog te wachten is dat sommigen tot die rust zullen ingaan… Het hele idee van het betoog in Hebreeën 3 en 4 is dat er nog steeds een rust komt die in het verleden niet aan te wijzen is. Er is ooit in het verleden, in Genesis 2, een moment geweest dat God rustte, maar de grote Sabbat moet nog komen. En daarom luidt de conclusie in Hebreeën 4 vers 9, zonder nu alle motieven en het hele betoog verder te vervolgen: “Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God.” Er staat “Sabbatismus” in het Grieks; met een beetje verbeelding kun je het zo in de Griekse letters lezen.
Met andere woorden: die Sabbat die zou komen en waar de zevende dag in Genesis 2 een beeld van is, die echte profetische dag, die grote Sabbat, wacht nog steeds op de toekomst. Hij is in de eerste plaats voor het volk van God gereserveerd; Israël zal de rust ingaan, en in feite deze hele wereld. Daarmee is opnieuw onderstreept dat die dagen in Genesis 1 en 2 niet alleen historisch zijn – de dagen dat Adam vernam van de scheppingswoorden van God – maar bovenal is de diepste en hoogste betekenis juist profetisch. Dat verwijst naar de toekomst die nog steeds moet aanbreken. Die Sabbat kun je niet missen, want dan worden alle werkzaamheden, ook die van de mens, gestaakt.
Menselijk Falen (babel) Versus Gods Geschenk (bethel) ↑ hoofdstukken
In feite is de mensheid al zes dagen, zes millennia bezig om het grote ideaal te bereiken en rust in deze wereld te creëren, maar dat lukt haar niet. Met al het vernuft dat er is, probeert de mens het wel. Waar hij in feite mee bezig is, is het bouwen van een toren. U begrijpt wat ik daarmee bedoel: de toren van Babel. Het grote ideaal is natuurlijk om de krachten te verenigen en alles aan macht en kennis te centraliseren om zo de hemel te bestormen, maar het wordt een groot fiasco. Zo is het ooit gegaan in Babel; daardoor zijn de volkeren uiteengegaan en heeft God hun spraak verward.
De aardigheid is dat je later leest over een man die Jakob heette – later kreeg hij de naam Israël – die zijn hoofd ooit op een steen legde, terwijl hij het er zelf helemaal niet naar gemaakt had. Hij sluit zijn ogen, hij slaapt en krijgt een droom van God. En wat ziet hij? Geen toren. En ook geen ladder trouwens, maar eigenlijk een opgang van steen. Het wordt meestal vertaald met een ladder, de Jakobsladder, maar hij ziet een steen; hij had immers zijn hoofd op een steen gelegd. De steen, eben. Voor een heleboel van u is dat geen verrassing als ik dat zo zeg: eben betekent gewoon steen. De steen, ha-eben.
Jakob legde zijn hoofd op een steen en wat ziet hij? Een verbinding tussen hemel en aarde. De engelen Gods daalden af en op, op en af. Daar wordt gerealiseerd wat de mens niet lukte met al zijn activiteiten en bedoelingen: dat gééft God. Hij brengt inderdaad eenheid tussen hemel en aarde; Hij brengt de hemel op aarde. Maar niet als de vervulling van menselijke prestaties en vernuft, maar als een geschenk van God, op Zijn tijd overigens.
Ik vind het zo mooi om er nog bij te zeggen dat Jakob het er helemaal niet naar gemaakt had. Hij was juist op de vlucht voor Esau – niet die benzinemaatschappij – en ook voor zijn vader. Wanneer Jakob daar in Bethel verblijft, zegt God niet: “Jakob, waar ben je nu toch weer mee bezig? Dat had je niet moeten doen.” Dat soort correcties kun je zover bedenken, maar Hij zegt: “Ik ben de God van jouw vader Isaak en je grootvader Abraham.” God bevestigt daar de belofte die Hij ooit gedaan had, volledig onafhankelijk van al het gepruts en het gedoe. Ik wilde eigenlijk nog andere woorden gebruiken voor wat een mens zich allemaal in zijn hoofd haalt.
Geweldig toch? Kijk, dat zijn de feiten waar je als gelovige mee te maken hebt. God heeft gesproken en Hij doet het. Al het menselijke werk wordt zomaar aan de kant gezet. Als de mens zes dagen lang aan het ‘klooien’ is geweest – als ik het zo heel onparlementair mag zeggen – dan zegt God: “Nu is het voorbij. De termijn is om en nu is het Mijn dag.” Die sabbatsrust blijft dus, die komt er. Wanneer? Op de zevende dag. Hoe rekent God dan? Ik hoop dat dit inmiddels een ‘no-brainer’ is waar u niet meer over na hoeft te denken; inmiddels weet u dat: dat is het zevende millennium.
Historische Getuigenissen over de 6000 Jaar ↑ hoofdstukken
Dit is even een zijpaadje, want dit is niet direct Bijbelstudie. Maar je zou je kunnen afvragen: is dit nou een uitvinding die jij hebt gedaan, André, over die zeven dagen en de zes millennia? Is dat een hele nieuwe gedachte die jij nu zo uitvent of doorgeeft, waarbij jij nu een heel seizoen daar zo in de schijnwerpers zet? Nou, ik dacht het niet. En daar wil ik graag een aantal bewijzen voor geven; gewoon een aantal citaten uit hele oude geschriften, dus buiten-Bijbels. Dit is geen Bijbelstudie, maar het laat zien hoe mensen die de Schrift bestudeerd hebben, tot deze conclusies zijn gekomen. Ik heb er een paar op een rijtje gezet. Een jaar of dertig geleden heb ik daar eens een keer een blog aan gewijd en die gegevens heb ik nu eventjes in de dia’s verwerkt.
In de Encyclopedia Britannica, de 11e editie voor degenen die het nog even willen checken, staat in een artikel over de Talmoed het volgende. Ik citeer het uiteraard vertaald: “De visie die het meest veelvuldig naar voren wordt gebracht, is dat het Messiaanse koninkrijk duizend jaar zal duren.” Hier moet ik even stoppen. Dit staat dus in deze encyclopedie over de Talmoed. Dat wil zeggen: in wat de Joodse wijzen, de rabbi’s, hebben gedacht over het Koninkrijk. De aardigheid is dat dat precies klopt, alleen dan op basis van Bijbelse gegevens die we in het Nieuwe Testament aantreffen, terwijl de Joden in de Talmoed het Nieuwe Testament juist niet geloven. Snapt u wat ik nu wil zeggen? De Talmoed verwerpt het Nieuwe Testament natuurlijk; dat is juist de grote controverse, dat zij het Nieuwe Testament niet erkennen. Maar zij weten: het Messiaanse Koninkrijk zal duizend jaar duren. In het Oude Testament, hun Tenach, staat dat strikt genomen niet, maar ze hebben het wel geconcludeerd. En heel terecht, want in het boek Openbaring spreekt Johannes – die verplaatst was in de Dag des Heren – inderdaad over de duizend jaren waarin Christus zal heersen met de zijnen en de volkeren onderworpen zullen zijn. Israël zal dan als een volk van koningen en priesters de wereld leiden; dat is de gedachte. Eigenlijk duurt het Koninkrijk niet zozeer duizend jaar (dat is niet helemaal correct geformuleerd), maar Satan wordt duizend jaar gebonden en heeft geen bewegingsruimte.
Later werd deze uitleg dat deze duizend jaar nog toekomstig is een ‘no-brainer’. Het is zo vanzelfsprekend: lees Openbaring 20 en je zult, even los van theologie en dogmatiek, never nooit op de gedachte komen dat dat de tijd is die we nu beleven. Maar theologisch was men ertoe gedwongen dat wel te doen, omdat men de gedachte aanhang dat wij Israël geworden zijn. Dat heeft zoveel ellende opgeleverd; dan raak je echt in een identiteitscrisis, want dan weet je niet meer wie je bent. De kerk heeft officieel vaak gedacht: wij zijn Israël en alle beloften die aan Israël gegeven zijn, die gelden voor ons. De vervloekingen trouwens niet, die mogen zij houden. Ja, het verschil moet er zijn… Nee, dat is allemaal zo inconsequent. Maar het heeft er ook enorm toe bijgedragen dat men de Schriften ging vergeestelijken. Als er staat Israël, dan is dat de kerk en als het Jeruzalem is, dan is dat natuurlijk ook de kerk. Het gaat nergens over. Maar goed, het Messiaanse Koninkrijk zou volgens de Joden dus duizend jaar duren. En dat klopt dus! Er staat trouwens nog bij: “De wereld zal zesduizend jaar arbeiden en zwoegen, en dan zal de duizendjarige sabbatsrust aanbreken voor het volk van God in het Koninkrijk van de Messias.” En dat staat niet alleen op de website van goedbericht.nl – nou ja, dat staat er wel – maar de bron is de Encyclopedia Britannica over de Talmoed. Ik vind het heel apart: een officieel, algemeen erkend naslagwerk dat gaat over wat de Joden zo overwogen en gedacht hebben, en die zeggen het precies zoals ik het nu in deze hele Bijbelstudieserie vertel. Alleen gebruik ik de Bijbelse bronnen, die als het erop aankomt de enige zijn die echt interessant zijn. Maar ik vind het mooi als onverdachte getuigen, en dat vind ik van de Talmoed in dit geval echt, zulke Bijbelse of sterker nog, Nieuw-Testamentische dingen vertellen. Dat zou je van iedereen verwachten, maar in ieder geval niet van de Talmoed. Heel apart. Die overwegingen die hier worden gerapporteerd, zijn dus al meer dan tweeduizend jaar oud en gaan vooraf aan de totstandkoming van het Nieuwe Testament.
Dan de Jewish Encyclopedia. Het vers “Duizend jaar zijn in Uw ogen als de dag van gisteren” (Psalm 90:4), waar we het de vorige keer uitgebreid over hebben gehad, suggereert het idee dat de tegenwoordige wereld van arbeid zal worden opgevolgd door een sabbats-millennium: de komende wereld. De Joden spreken tot op de dag van vandaag over de huidige wereld en de komende wereld: Olam ha-zeh en Olam ha-ba’ah. En nu is deze ook heel boeiend, moet je eens kijken hoe dat nog weer nader gepreciseerd wordt. Er staat: “Deze zes millennia zijn onderverdeeld in drie perioden van elk gelijke lengte: de eerste tweeduizend jaar zonder de wet, de volgende tweeduizend jaar onder de heerschappij van de wet en de laatste tweeduizend jaar als voorbereiding voor de heerschappij van de Messias, te midden van strijd en catastrofes.” Dat zijn dus de tweeduizend jaar die inmiddels bijna voorbij zijn. Van Adam tot Abraham, van Abraham tot Christus (even grof, maar vrij precies), en van Christus tot nu. Drie keer tweeduizend jaar. Het is dezelfde onderverdeling die je ook had bij het leven van Mozes: drie keer veertig jaar. Veertig jubeljaren (een jubeljaar is een cyclus van vijftig jaren) is in totaal tweeduizend jaar. Over die veertig jaar gaan we nog een hele avond in het bijzonder spreken; daar heb ik een speciale avond voor gereserveerd, want dat is ook zo’n geweldig verhaal. Dit noteert de Jewish Encyclopedia in deel 5 op pagina 211. Ik vind het mooi en denk: wauw! Je hebt het niet nodig, maar ik vind het toch een mooie bevestiging, juist ook van deze kant.
Tot slot Irenaeus, een kerkvader en een van de eersten. Hij was een leerling van Polycarpus, die op zijn beurt de apostel Johannes nog gekend heeft. Hij schrijft in zijn boek ‘Tegen Ketterijen’ het volgende: “In zoveel duizend jaar zal het worden voltooid.” Dit is ergens in de tweede eeuw geschreven, dus achttien eeuwen geleden. “In zoveel dagen als de wereld is gemaakt, in zoveel duizend jaar zal het worden voltooid. Want de dag des Heren is als duizend jaar en in zes dagen is de schepping compleet gemaakt, dus is het duidelijk dat zij ook voleindigd zal worden na zesduizend jaar.”
…dat zij ook voleindigd zal worden na zesduizend jaar.
Ik geef nog wel eens af op kerkvaders, maar nu denk ik: als ik een pet op had, dan zou ik hem afdoen. Ja, het geeft trouwens aan – ik ben er later ook op gestuurd – dit was gewoon de lijn van de eschatologieën, de leer over de laatste dingen. Dit was in die dagen gewoon algemeen, die visie van die zes dagen en die zevende dag.
En dan heb je ook nog de brief van Barnabas. Dat was ook een kerkvader rond het jaar 200, dus iets na Irenaeus, en die schreef op: “Let op kinderen, wat hij bedoelde met ‘in zes dagen voltooide hij’, hij bedoelde dit: dat de Here in 6000 jaar alle dingen tot hun einde zal brengen. Let op kinderen.” Ja, als Barnabas dat mag zeggen, dan mag ik het ook. Ik moet er trouwens bij zeggen: daar zit een bedenkelijk kantje bij, want zij vergeestelijken de dingen. Dus het was niet historisch, maar het is gewoon de weergave van profetie.
Maar dat verschil, die tweespalt mag je niet maken. Het is historisch én het is profetisch. Het is niet: is het nou het een of het ander? Het is beide. De profetische betekenis is juist gebaseerd op die historische, en omdat het historische solide is, is die profetische betekenis juist ook zo vast.
En dan heb ik er nog eentje, die vind ik misschien wel de mooiste of in ieder geval de meest recente: Maarten Luther. Die schreef in 1540… in 1517 had je natuurlijk die 95 stellingen op de slotkapel van Witteberg, dus dit is inmiddels, wat is het, 33 jaar later. Die heeft een boek geschreven in het Latijn trouwens: Berekeningen van de Jaren van de Wereld. Dat was eigenlijk een Bijbelstudie die ik ook ooit gehaald heb, wanneer was het, in 2016: de Bijbelchronologie van Adam tot nu. En dan is het een kwestie van optellen van generaties, al die jaartallen, en daar komt hij uit.
Luther vond dat zo interessant dat hij ook in dat boek schrijft dat dit boek werd uitgegeven in het jaar 5500 anohominus, gerekend vanaf Adam. Dus volgens Luther is de uitgave van dit boek volgens de christelijke jaarrekening 1540, maar zegt hij: als je rekent vanaf Adam, dan is het in het jaar 5500. Dus 500 jaar verwijderd van het jaar 6000. Hij schreef dit, eigenlijk citeert hij het dan ook weer maar met instemming: “De wereld zal 6000 jaar bestaan. 2000 jaar in ledigheid – wat ik daarmee precies bedoel dat weet ik niet, maar dat maakt ook verder niet uit – 2000 jaar voor de wet en 2000 jaar voor de Messias.”
Meer precies ook weer: je ziet hier altijd die driedeling, die is eigenlijk heel evident in de Bijbelse geschiedenis. En dan houd je dus altijd nog één dag over: de sabbatdag. Die wordt per definitie daarna geplaatst, die sabbatdag die nog overblijft voor het volk van God. Dat is wat je eigenlijk overal aantreft. De Bijbelse boodschap is daarin helder, maar het is ook vaak onbegrepen.
Ik moet er trouwens nog één ding bij zeggen in dit verband. Als Luther deze overtuiging had in het jaar 1540 en hij zou nu hebben geleefd, dan zou hij… die berekening klopt, mensen zien het net niet helemaal, maar als je er niet ver naast zit dan rekenen we hem net goed. Dan zou hij zeggen: in het jaar 2040 is het het jaar 6000. En weet u, dit is algemeen. Duizend jaar geleden zeiden ze al: “Ja, in het jaar 6000 gaat dat gebeuren, want zo lang zal dat bestaan.”
Dan kun je altijd nog zeggen dat het “ongeveer” is. Oké, ik ga even mee in die gedachte. Maar dan nog is het onvermijdelijk dat de tijd waarin wij nu leven pal voorafgaat aan die zevende dag. Zelfs als je de precisievraag even terzijde legt van wanneer dat dan precies zal zijn. Ook Luther zou in onze dagen… Er wordt heel vaak gezegd: “Luthers reformatorisch”, maar ik kan u vertellen: Luther zou in deze dagen zeer wakker geweest zijn, want de tijd is op handen.
Dan kun je zeggen: “Ja, dat roepen ze nou al duizenden jaren.” Dat weet ik. Maar ook dit is al duizenden jaren bekend. Dat er altijd overdreven berekeningen zijn en dat je naar jezelf toerekent… wie wil nou niet de Messias in zijn dagen ontmoeten? Dat is nogal logisch, een psychologisch heel begrijpelijk fenomeen. Juist dan is het van belang dat je nuchter bent. Dat je niet zegt: “Ja, dat je het graag wilt, dat is één ding.” Dat pleit eigenlijk alleen maar voor iemand als je dat graag wilt. Maar is het ook zo? Is het feitelijk?
Dan zeg ik: jazeker. Ook los van wat we in de wereld zien, wat er gaande is en wat er allemaal aan ontwikkelingen speelt in Israël, het Midden-Oosten, et cetera. Puur op chronologische gronden weten we: de zevende dag is nabij. Dat kan niet missen. En dat maakt een Bijbelstudie anno 2024-2025 over dit onderwerp zo buitengewoon actueel, mag ik wel zeggen.
En dan te bedenken dat die nazaten van Luther tegenwoordig allemaal in slaap gevallen zijn. En niet alleen die van Luther trouwens. Ik bedoel, het is toch bijzonder dat men dit 2000 jaar geleden en 500 jaar geleden wist, en nu het zover is, gelooft bijna geen mens het. Ja, u ziet nu een grijns op mijn gezicht, maar het is toch bizar eigenlijk? Er zijn ook wakkere mensen natuurlijk, het is heel bijzonder.
Nu moet ik nog op iets komen… ik heb niet eens zo heel veel tijd, maar dit moet toch nog even naar voren gebracht worden, want…
De Zes Scheppingsdagen als Blauwdruk voor de Millennia ↑ hoofdstukken
Ik had gezegd – en dat was ook de titel van deze avond – dat Genesis 1 over de scheppingsweek een blauwdruk is van de heilshistorie. Daar wil ik dan ook nog wat over zeggen. Kijk, dat de sabbat, de zevende dag, verwijst naar het zevende millennium, dat is een bekend gegeven. Maar wat ik u nu wil vertellen, is dat ook de zes dagen die daaraan voorafgaan keurig de volgorde laten zien van de millennia en wat God daarin doet. De dagen waarin God Zijn scheppingswoorden uitsprak, blijken dus een blauwdruk te zijn. Het laat iets zien; het is een patroon dat je terugziet in de heilshistorie. Daarmee bedoel ik dat wat God gedurende deze zesduizend jaar gedaan heeft, wat Zijn werk is. Ik heb het dus niet over de wereldgeschiedenis en over alles wat er speelt, maar over dat wat Hij doet en waar Hij mee bezig is. Dan blijken die zes dagen prachtig parallel te lopen met de zes millennia die uiteindelijk uitmonden in de sabbat, de grote wereldsabbat.
Het patroon is eigenlijk heel simpel. Dag één komt overeen met het eerste millennium. Wat zie je in het eerste millennium? God zegt: “Er zij licht.” Er is ook sprake van het scheiden van het licht van de duisternis. Wat doet God in het eerste millennium, dus de eerste duizend jaren gerekend vanaf Adam? Hij geeft eigenlijk vanaf de aanvang Zijn belofte: het licht. Daarmee bedoel ik ook Zijn woord; het woord dat een licht en een lamp is. Dat laat Hij schijnen vanaf het moment dat Adam en Eva de hof worden uitgestuurd. Ze krijgen dan meteen al de belofte dat het zaad van de vrouw de kop van de slang zou vermorselen: “Dit zal u de hiel vermorselen en gij zult de kop vermorselen.” Dat noemen we de moederbelofte. In feite zie je dat hele fenomeen ook uitgebeeld in de sterrenhemel met die 48 sterrenbeelden. Die beginnen bij de Maagd en eindigen bij de Leeuw. Dat licht hangt letterlijk aan de sterrenhemel. De typologie van al die sterrenbeelden vertelt het verhaal van het evangelie; het licht schijnt voor alle natiën. Alle volkeren hebben die sterrenbeelden en daarin staat het verhaal uitgebeeld. Het begint bij de Maagd en eindigt bij de Leeuw – u weet wel, zoals bij de Sfinx, met het hoofd van de Maagd en het achterlichaam van de Leeuw. God heeft Zijn belofte gegeven, en al is het nog maar mondjesmaat, het licht heeft toen al geschenen. Maar het is ook het licht van het geweten. Paulus legt dat uit in de Romeinenbrief: de mens weet van goed en kwaad. De mens deelt wetenschap met God. Het woordje geweten is in het Latijn conscientia. Letterlijk betekent het dat je iets samen weet. Je weet iets samen met God; dat wat God weet, namelijk de absolute criteria van wat goed en wat kwaad is, wat waarheid en wat leugen is. Mensen weten dat verschil. Een mens wordt geacht te leven bij het licht dat hij heeft. Meer kan hij niet, maar meer hoeft hij ook niet. Blijf bij het licht dat je hebt: het licht van de belofte, het licht van al die sterrenbeelden, maar ook het licht van het geweten. Dat licht heeft al geschenen vanaf het eerste millennium.
De tweede dag spreekt van het tweede millennium. Ik moet er nu wel snel overheen gaan, maar wat God op de tweede dag deed, was de wateren scheiden. De wateren van boven werden gescheiden van de wateren van onderen, met het uitspansel in het midden. Het meest karakteristieke van het tweede millennium is de zondvloed. De wateren spelen in het tweede millennium een grote rol, maar ook het ontstaan van de volkerenwereld. In de Bijbel zijn de wateren en de zeeën vaak een uitbeelding van de volkeren, de volkerenzee. De volkeren zijn ontstaan in het tweede millennium, na de zondvloed. Ik had het net over Babel; dat is het tweede millennium. Toen zijn de wateren, de volkeren, gescheiden en kregen zij een zelfstandig bestaan. Ze kregen trouwens ook de overheid en het zwaard toevertrouwd. Die tweede dag loopt dus parallel met het tweede millennium.
Dan krijg je de derde dag. Wat gebeurt er op de derde dag? Ik geef alleen de highlights, want er is veel meer over te zeggen. Het belangrijkste van de derde dag is dat het droge land tevoorschijn komt. Je had de wateren, de volkeren, maar uit de wateren komt het land tevoorschijn. En het land is een beeld van Israël. Israël verschijnt uit de wateren wanneer Abraham wordt geroepen. Dat is het derde millennium. Letterlijk zelfs, want Abraham werd geboren exact in het jaar 2000, toevallig ook in het jaar dat Noach stierf. In dat derde millennium zie je dat God het volk Israël vormt en hen apart zet uit de volkeren. Israël komt tevoorschijn, zodat de werkzaamheden op de derde dag – of eigenlijk dat wat God op de derde dag sprak – overeenkomen met het derde millennium en het onderwijs dat toen naar voren kwam.
Op de vierde dag schiep God de lichtdragers. Hij spreekt over de zon, de maan en de tekenen van de sterren. Dat moet spreken van wat er op de vierde dag is gekomen in het vierde millennium. Ik moet erbij zeggen: aan het einde van het vierde millennium kwam het Licht der wereld. Eigenlijk is deze vierde dag het middelpunt: er gaan drie dagen aan vooraf en er volgen nog drie dagen. Het Licht der wereld verschijnt precies in dat vierde millennium.
Dan volgt het vijfde millennium. Dat begon na de steniging van Stefanus en de roeping van Paulus. In dat vijfde millennium wordt de ekklesia gevormd. Iets wat heel kenmerkend is: op de vijfde dag gebeurt er op het land, op het droge, helemaal niets. Ook dat is typerend. In dit vijfde millennium staat Israël eigenlijk aan de kant. Wat God wel doet, is leven vormen in de wateren en in de hemelen. De wateren wemelen van de levende zielen en in het uitspansel vliegt het gevogelte. Hij maakt leven te midden van de wateren en in de hemelen. Daarmee is in de kern ook gezegd wat de vorming van de ekklesia is: Hij vormt Zich een uitgeroepen gezelschap te midden van de wateren, te midden van de volkerenzee. En waar plaatst Hij hen? Daar, boven in de hemel. Het land staat ondertussen even buitenspel. Dat is het vijfde millennium.
Ten slotte krijg je het zesde millennium. Wat gebeurt er dan? Je leest in de eerste plaats dat God spreekt over het scheppen van het vee; er wordt een kudde gevormd. Maar het is ook de dag dat Adam verschijnt. Dat is de zesde dag, de dag dat Adam verschijnt om heerschappij te voeren. Dat lees je heel uitdrukkelijk: hij moet heersen over alles wat God geschapen heeft. Dat is ook precies waar dit zesde millennium in uitmondt. In dit zesde millennium zal Adam verschijnen – en ik bedoel nu de laatste Adam – om te heersen. Dat doet Hij samen met Zijn vrouw, die natuurlijk ook genoemd wordt. Eva, jazeker. Ik tip het nu slechts even aan, maar in dit patroon zie je dat die zes millennia prachtig de weg wijzen.
Of de zes dagen waarvan Genesis 1 en 2 melding maken… Nee, geen 1 en 2 melding maken, maar het sluit gewoon naadloos aan bij het werk dat God doet gedurende de heilshistorie. Ik bedoel gewoon de historie, gerekend vanaf Adam.
En dan zijn in elk millennium dingen aan te wijzen en dat loopt parallel, dus met dat wat in den beginnen is gebeurd. Of met andere woorden: Hij verkondigde in den beginnen, en dat hele patroon keert weer terug. Met een enig gevoel voor typologie, met symboliek zie je diezelfde patronen verschijnen. En natuurlijk, last but not least: de zevende dag.
De Zevende Dag: het Grote Sabbat-millennium ↑ hoofdstukken
En dan is alles voltooid. En waar spreekt dat van? Nou, de Sabbat spreekt van de grote Sabbat met allemaal hoofdletters. En ja, dat is die dag van duizend jaar. We noemen het, het wordt ook altijd genoemd: het Millennium. Dat is de dag. Dat is de zevende dag. En dan komt een einde aan al het menselijke gedoe en dan is er rust. En dat is waar het allemaal op uitloopt. En dat vind ik het geweldige. In feite zou je kunnen zeggen: je slaat de Bijbel open. Ook in onze Bijbel is het weliswaar niet op dezelfde wijze ingedeeld als de Tenach, maar het begint ook, en dat is correct, met Genesis, Be Resjit. En eigenlijk zou je kunnen zeggen dat die eerste bladzijde gewoon de inhoudsopgave is van de hele Bijbel. Zoals je dat bij een boek geacht wordt ook zo in te delen. Maar waar gaat het eigenlijk over? Nou, dan zie je gewoon zes dagen waarin gearbeid wordt en de zevende dag waar het allemaal op uitloopt.
En dat patroon, ja, dat zie je dan. In feite is het historisch. Dan zeggen we: God heeft dat ooit gesproken. Zo is het echt gegaan. Concreet met het land en met de wateren en de zon en de maan en de sterren, en hoe het maar heten mag. Natuurlijk. Maar het is profetisch. Dat is Zijn arbeid die uiteindelijk uitloopt op de zevende dag. Dan heb je ook nog een achtste dag, maar daar gaan we het nu helemaal niet over hebben. En weet u… we gaan het nog een keertje hebben over Johannes 1 en 2, waar ook weer over zeven dagen gesproken wordt. En weet u waar die zevende dag uiteindelijk in uitloopt? Wat is de zevende dag in Johannes 1 en 2? De bruiloft te Kana. Maar u zegt: “Ja, maar dat was toch de derde dag?” Ja, ook. Connect the dots! Dus die derde dag is de zevende dag. Ik geef toe, wat ik nu zeg, dat moet ik veel uitgebreider toelichten; dat ga ik ook nog doen.
Maar ik vind het wel mooi als we het hebben over de zevende dag. En er is ook een hele mooie Psalm, en daar gaan we het nu ook niet over hebben, want ik zie dat het precies tien uur is. Er is een mooie Psalm; we hadden het over Psalm 90 en Psalm 95, maar er is ook nog Psalm 92, jazeker. En weet u wat het opschrift van Psalm 92 is, het Bijbelse opschrift? ‘Een lied voor de Sabbatdag’. En waar denkt u dat die Psalm over gaat? Over het Vrederijk en over het feit dat al de tegenstanders van Gods wegen zijn verpletterd en worden onderworpen. Kortom, het gaat gewoon daarover: het Messiaanse Rijk. Precies wat je had mogen verwachten.
Dus ja, linksom of rechtsom… je komt allemaal uit bij dezelfde waarheid. Je zou haast denken dat al die boeken, die bibliotheek van zeventig boeken, allemaal één Auteur hebben. Prijs God dat je dat mag weten en bij het licht daarvan mag wandelen. En gij doet wel daarop acht te geven, als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt!
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews