de dagen tellen (6) – tienvouden van twee
20-02-2025 - Geplaatst door Andre PietCapelle a/d IJssel
Eerder in deze serie spraken we over “twee dagen” als aanduiding van de afgelopen (bijna) tweeduizend jaar. Maar er zijn in de Schrift veel meer cryptische verwijzingen naar dezelfde periode en die allemaal iets met ’twee’ van doen hebben. Bijvoorbeeld de afstand van tweeduizend el oftewel die van een sabbatsreis. Of denk aan periodes van twintig jaren, zoals Jakobs verblijf in het buitenland. Of Jozef die zijn broers na twintig jaar weer zag. En nog zoveel meer…
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Terugblik op de Rode Draad: Millennia en Jubeljaren
- Het Thema van Vanavond: Tienvouden van Twee
- De Weidegronden van de Levieten: 2000 El (numeri 35)
- Israël Volgt de Ark Door de Jordaan op 2000 El Afstand (jozua 3)
- De Hemelvaart en de Sabbatsreis van 2000 El (handelingen 1)
- Een Ander Tienvoud: Isaak en Rebekka Wachten 20 Jaar op de Belofte
- Jakob Verblijft 20 Jaar in het Buitenland
- Jozef Ontmoet Zijn Broers Na 20 Jaar
- De Ark Verblijft 20 Jaar in het Huis van Abinadab (1 Samuël 7)
- De Discipelen Vissen op 200 El van het Land (johannes 21)
- Samenvatting: de Volkerenzee en de Naderende Nieuwe Dag
Terugblik op de Rode Draad: Millennia en Jubeljaren ↑ hoofdstukken
We gaan verder met de serie onder de titel ‘De dagen tellen’. Zoals u inmiddels weet, is die titel ontleend aan Psalm 90: “Leer ons zo de dagen tellen.” Dat wil zeggen: de dagen zo tellen zoals God ze telt. Het is ook die psalm waarin gesproken wordt over het grote, dragende thema van dit hele seizoen. Het uitgangspunt van deze serie, dat we ook op de eerste avond hebben belicht, is dat God millennia – duizendtallen van jaren – rekent als dagen. Je zou dat ook vice versa kunnen omkeren: één dag is als duizend jaar en duizend jaar is als één dag. Dat zijn gelijke grootheden, althans zoals God telt.
Zo tellen wij de dagen gedurende dit hele seizoen. Wat hebben we daarbij tot nu toe besproken? Op de tweede avond hebben we ons vooral beziggehouden met het grote plaatje: de zeven millennia gerekend vanaf Adam tot aan de grote Shabbat, de zevende dag. Dat zijn de duizend jaren die ook dikwijls simpelweg ‘het millennium’ worden genoemd: de grote dag des Heren. Dat zal de zevende dag zijn.
Op de derde avond was het perspectief wat anders. Er zijn namelijk twee grote perspectieven waarmee je dit onderwerp kunt benaderen. De eerste is door de millennia te rekenen vanaf Adam. Dan komen we inmiddels bij zes millennia die zo goed als voorbij zijn. Maar je kunt ook rekenen vanaf een andere belangrijke mijlpaal: de opstanding van Christus of, misschien beter gezegd, zijn hemelvaart. Sinds de Messias het aardse toneel heeft verlaten, zou hij na twee dagen terugkeren, op de derde dag. Dat is dus het derde millennium sinds zijn vertrek.
Aan dat fenomeen van de derde dag hebben we een hele avond gewijd, waarbij we met name hebben gekeken naar allerlei typologische aanwijzingen. Eigenlijk is het hele seizoen sterk gekleurd door typologie. Aan de ene kant hebben we een aantal harde schriftplaatsen waar expliciet gesproken wordt over één dag als duizend jaar en over de wereldgeschiedenis die is op te delen in zeven dagen, waarbij de laatste dag de Shabbat is. Dat is de ene manier van benaderen: de harde gegevens. Ik denk dan ook aan Hosea 6, een regelrechte profetie waarin weliswaar cryptisch wordt gesproken, maar waar ook uitdrukkelijk wordt gezegd dat Israël twee dagen dood zou zijn – in het graf zou liggen – om op de derde dag te herrijzen. Op die derde dag zal de Heer terugkeren tot zijn volk. Dat zijn expliciete profetieën.
Tegelijkertijd hebben we opgemerkt dat er vele tientallen schriftgedeelten zijn, met name geschiedenissen, waarin gesproken wordt over de zevende dag en de derde dag. Die verwijzen allemaal typologisch – in beeld, schaduw of cryptisch – naar die grote dag. Als je eenmaal weet hoe het profetisch is voorzegd, ga je allerlei geschiedenissen begrijpen die je normaal gesproken niet direct zou vatten. Je zou misschien denken: “Aardig dat het vermeld wordt,” maar waarom staat er dat er een bruiloft wordt gehouden op de derde dag in Kana? Of dat de Heer op de berg Sinaï op de derde dag neerdaalde voor de ogen van het hele volk met luid bazuingeschal? Dat blijkt dus allemaal deel uit te maken van dat ene grote geheel.
Dat is het geweldige: al die boeken getuigen van die ene grote waarheid. Ik ben nog steeds een beetje in de sfeer van afgelopen zondag, toen ik sprak over het ‘vervullen’ van het Woord van God. Veel schriftgedeelten, met name in het Oude Testament maar ook in de evangeliën, zijn in zekere zin ‘leeg’. Ze moeten nog ingekleurd worden en inhoud krijgen. Die geschiedenissen en rituelen krijgen pas werkelijk inhoud wanneer je weet waar ze betrekking op hebben. Dat verraadt het goddelijke karakter van de Bijbelse boodschap; er is één grote Auteur die dat alles zo heeft neergelegd.
Dit gold voor de tweede en derde avond: het fenomeen van de zevende dag en de derde dag. Maar er is nog een ander fenomeen, namelijk wanneer je de millennia op een andere wijze indeelt: in jubeljaren, oftewel vijftigtallen van jaren. Een millennium bestaat uit twintig jubeljaren. Twee millennia zijn dus veertig jubeljaren. Als je dat begrijpt, begrijp je ook waarom die veertig dagen of veertig jaren op tal van plaatsen vermeld worden. Zonder het profetische plaatje blijft dat onduidelijk, maar in dit perspectief krijgt het thema van de veertig jubeljaren – de twee millennia – zijn volle inhoud. Daar hebben we de vierde avond bij stilgestaan.
Je kunt dit ook uitsmeren over de volle zes millennia. Zes millennia zijn, gerekend in jubilea, precies 120 jubeljaren. Dat zijn exact drie periodes van 40 jubeljaren. Met dat fenomeen hebben we ons de vorige keer beziggehouden. Dus linksom of rechtsom, hoe je de tijd ook indeelt, iedere keer worden we bepaald bij dezelfde waarheid. Dat vind ik het mooie: als je de ene afslag hebt gemist, kun je altijd nog de andere nemen. Alle wegen leiden bijbels gezien naar dezelfde waarheid. Het is het grote centrale thema waar je uiteindelijk altijd weer bij terechtkomt.
Het Thema van Vanavond: Tienvouden van Twee ↑ hoofdstukken
Dan nu over vanavond. Aanvankelijk had ik als subthema voor deze avond ‘veelvouden van twee’ opgegeven – ik heb het vandaag trouwens nog even gewijzigd – maar uiteindelijk heb ik het toch gecorrigeerd naar ‘tienvouden van twee’. Dat is namelijk wat ik bedoel. Het verschil is natuurlijk dat een veelvoud van twee 2, 4, 6 of 8 is, maar een tienvoud van twee is iedere keer een vermenigvuldiging met tien: 2 x 10 x 10.
Kijk, twee millennia kun je beschouwen als twee dagen, maar je kunt het ook beschouwen als veertig jubeljaren. Wat we vanavond gaan zien, is dat we die twee millennia beschouwen vanuit het getal twee. In ieder geval staat dat getal twee voorop; daar gaat het om. Die twee staat voorop en dat kun je dan zien als 20 keer 100 jaar, oftewel 20 eeuwen. Je kunt ook zeggen dat het 200 keer 10 jaar is: 200 decennia. Dat zijn ook twee millennia, toch? En nog simpeler – en daar gaan we ook meteen mee beginnen – is natuurlijk dat twee millennia 2000 keer één jaar zijn. Het gaat om 2000 jaren.
Ik geef toe dat dit misschien nog wat cryptisch klinkt, maar waar het dus om gaat is dat we ons vanavond bezighouden met het getal 2000 en het getal 200. Dat laatste komt helemaal aan het eind van de avond aan de orde. Er zijn meerdere voorkomens en ik pretendeer echt niet compleet te zijn, maar een aantal frappante voorbeelden wil ik u zeker niet onthouden. Het gaat met name ook om het fenomeen van de twintig jaren en de twintig eeuwen. In ieder geval is hetgeen daarbij vooropstaat – letterlijk vooropstaat – de twee. Want iedere keer zie je die twee verschijnen; die verschuift iedere keer een positie naar links of blijft gewoon vooropstaan terwijl er een nulletje bij komt. Dat is het idee van een tienvoud van twee.
Dit klinkt misschien allemaal nog een beetje rekenkundig – wiskundig zal ik niet direct zeggen – maar als we het hebben over ‘leer ons de dagen tellen’, dan is dat sowieso al een heel rekenkundige manier van benaderen. Dat is wat je doet als je het hebt over tijden en over het tellen van dagen en millennia. Afhankelijk van hoe je het indeelt, krijg je een heel breed spectrum aan onderwerpen die zich in zo’n serie aandienen.
De Weidegronden van de Levieten: 2000 El (numeri 35) ↑ hoofdstukken
Zo’n heel seizoen zou zich kunnen aandienen. En we zijn er nog niet eens. Maar goed, laten we eerst naar Numeri 35 gaan. Ik zeg niet eens dat dat nu de meest aansprekende passage is, maar ik noem hem eigenlijk omdat het de eerste keer is dat we het getal 2000 tegenkomen. Dat wil zeggen: als afzonderlijk getal; in combinaties kom je het nog wel vaker tegen, bijvoorbeeld als 2050, als er gesproken wordt over lengtematen of aantallen mensen of wat dan ook.
In dit geval, in Numeri 35, gaat het over de weidegronden voor de Levieten. U weet, en als u het niet weet dan zeg ik het bij dezen: Israël kreeg als stammen een stuk grond toebedeeld. Dat heet een lotsdeel. In de meeste vertalingen spreekt men van een erfdeel, wat wel klopt, maar het is eigenlijk een lotsdeel; het werd hun door loting aangewezen en toebedeeld. Er was echter één stam die daarop een uitzondering vormde, en dat is de stam van Levi. De stam van Levi kreeg geen erfdeel.
Laten we dat eerst even lezen vanaf vers 2. “Gebied de Israëlieten”, wordt tegen Mozes gezegd, “dat zij van hun erfelijk bezit” – ik lees uit de NBG-vertaling, maar eigenlijk staat hier dus hun lotsbezit – “steden afstaan aan de Levieten om daar te wonen. Ook zult gij aan de Levieten de weidegronden geven die rondom de steden liggen.” Het idee van die weidegronden was dat het inderdaad grond was die bedoeld was om het vee en de dieren te laten eten. Dus met recht: wijde gronden.
Want die Levieten hadden dan weliswaar geen stuk land toebedeeld gekregen, maar dat wordt ook heel duidelijk gemotiveerd. Levi kreeg geen erfdeel in het land, want hun erfdeel was de HEER. Zo wordt het ook echt gemotiveerd in Numeri: niet hier op aarde was hun deel, maar Yahweh Zelf was hun deel. Maar ja, ze moesten toch ergens wonen en ze kregen steden toebedeeld, in totaal 48. Dat vindt u allemaal beschreven in Numeri 35. Er zijn 48 steden, die ook allemaal bij name genoemd worden, zoals Kirjat Arba, oftewel Hebron. En zes van die 48 steden waar de Levieten zouden wonen, waren vrijsteden. Dat waren steden waarheen iemand die onbewust of zonder opzet iemand had gedood, naartoe kon vluchten. Dat wordt beschreven in Numeri 35 vanaf vers 9: de vrijsteden. Het waren dus allemaal steden van de Levieten, maar slechts 6 van de 48 waren vrijsteden.
Zij kregen dus steden toebedeeld en daaromheen ook weidegrond, zodat ze weliswaar geen eigen land hadden, maar wel weidegronden bedoeld voor het vee om te grazen en om de dieren eten te geven. Maar ze verbouwden geen groente of gewas. Het was namelijk zo geregeld dat de stam van Levi eten kreeg van de overige stammen. Dat was heel mooi geregeld; een leuke rekensom trouwens, als we daar toch aan het rekenen zijn deze avonden. Alle elf stammen gaven tien procent, een tiende van hun oogst, aan de stam van Levi. Zij hoefden dus helemaal niet zelf de grond te verbouwen, want ze kregen dat van hun broederlijke stammen. De elf stammen gaven dus elk tien procent van hun oogst. Dat levert de som op dat de Levieten 110 procent kregen, terwijl die andere elf stammen het met tien procent minder moesten doen. Ze kregen dus twintig procent meer, een vijfde meer dan de overige stammen. Bent u er nog? De Levieten verbouwden dus niets; hun erfdeel was de HEER. Dat lijkt misschien niet eerlijk, maar ze hadden het veel beter. Dat vind ik leuk: ze kwamen niets tekort, ze hadden overvloed. Dat wordt zo ook beschreven.
Dan staat er in vers 3 van Numeri 35: “De steden zullen voor hen zijn om er te wonen, en haar weidegronden zullen voor hun vee en voor hun bezit zijn, en voor al hun levende have.” ‘Haven’ betekent in het Engels een beetje ‘what you have’, dat wat je bezit. Daarvoor was het dus bedoeld: met recht als weidegrond. Vers 4 zegt: “De weidegronden der steden die gij aan de Levieten geven zult, zullen van de stadsmuur naar buiten rondom duizend ellen meten.” Nu wordt het een beetje ingewikkeld, want de Septuagint leest hier niet duizend, maar tweeduizend. Dit is de lezing zoals de Hebreeuwse tekst, de Mazoreten, het weergeeft. Voor het doeleinde van vanavond maakt dat trouwens geen verschil, maar in concreto maakt het natuurlijk wel verschil.
Want kijk, je krijgt in vers 5 deze tekst: “Gij zult buiten de stad afmeten aan de oostzijde tweeduizend ellen, aan de zuidzijde tweeduizend ellen, aan de westzijde tweeduizend ellen en aan de noordzijde tweeduizend ellen, met de stad in het midden. Dit zullen voor hen de weidegronden van de steden zijn.” De gedachte is, zoals de Hebreeuwse tekst dat voorhoudt: vanaf de stadsmuur meet je naar alle kanten duizend el. Dat betekent dat de totale lengte, exclusief de stadsdoorsnede, tweeduizend el is. Ik vind dit een wat vreemde constructie om die stadsdoorsnede niet mee te rekenen, want je zou zeggen: duizend plus duizend is tweeduizend, maar dan heb je de stad niet meegerekend. Maar goed, als je de Hebreeuwse tekst volgt, is dit de onvermijdelijke gedachte. Dit zou de duizend el uit vers 4 verklaren, terwijl de vier zijden van de weidegrond dan tweeduizend el zijn. De Septuagint leest het anders en zegt gewoon: of je nu naar het noorden, zuiden, westen of oosten gaat, het is allemaal tweeduizend el om de stadsmuur heen. Hoe groter de stad wordt, hoe groter ook die omtrek wordt; dat heeft daarop geen invloed.
Waar het nu om gaat, is niet de brandende kwestie hoe het precies zat met die oppervlakte van de Levieten – u slaapt er vannacht niet minder om – maar één ding weet ik wel: het getal 2000 wordt in verband met die weidegrond voor de Levieten heel prominent naar voren gebracht. Het wordt zelfs, zou je bijna zeggen, overbodig herhaald: 2000 el. Waarom is dat dan? Je kunt natuurlijk zeggen dat het gewoon een instructie was van hoe men dat moest doen, maar waarom zo uitvoerig? Er moet een diepere betekenis in gelegen zijn. Ik geloof inderdaad dat zo’n Levitische stad een type is. Vanavond zijn we wederom, net als de voorgaande avonden, behoorlijk met typologie bezig; dat wil zeggen met de diepere betekenis van allerlei Bijbelse passages.
In dit geval is er ook zo’n instructie in verband met die 2000. Ik geloof namelijk dat zo’n Levitische stad een type is van de huidige ekklesia, en dan moeten we onze oren spitsen. Want weet u, over dat wat Paulus in zijn brieven onthult, de verborgenheid, wordt heel vaak gedacht – ik herhaal een beetje wat ik afgelopen zondag ook heb gezegd, het zit nog vers in mijn geheugen – dat aangezien het Paulus is die deze dingen openbaart, het in het Oude Testament totaal niet te vinden is. Maar dat is niet de gedachte; het was verborgen in het Oude Testament. En als je eenmaal weet wat er verborgen is, dan kun je het alsnog ontdekken. Dat wil zeggen: wanneer de bedekking weggenomen wordt, dan wordt duidelijk wat er onder die bedekking ligt.
Dan wordt dat hele Oude Testament – en dat is ook mijn ervaring, daarom is het zo heerlijk om daarin te spitten – een goudmijn. Waarom? Omdat je allerlei dingen vindt die in het Nieuwe Testament, meer specifiek door Paulus, zijn geopenbaard en onthuld. Zodat wat wij dan het Oude Testament noemen, die Hebreeuwse Bijbel, ons bepaalt bij die geweldige dingen die nu onthuld zijn en die daar allemaal open en bloot worden verteld. En daarom is het zo mooi: die hele verborgenheid en dat wat Paulus onthult, is terug te vinden in het Oude Testament. Waar dan? Nou, bijvoorbeeld in Numeri 35, over de Levitische steden.
Wat gaan we na? Die Levieten bezaten geen lotsdeel in het land. Wij ook niet. Maar niettemin hadden zij het hoogste lotsdeel. Waarom? Hun lotsdeel was een erfdeel, zo u wilt; zo wordt het in Numeri 18 ook genoemd. Ik heb voor de zekerheid de ‘bonnetjes’ erbij geleverd, zonder die teksten nu op te zoeken. En dan nog iets: waarom geloof ik inderdaad dat die weidegronden hier verwijzen naar dat wat de ekklesia nu ontvangt? Dat is omdat er nog iets anders is. Zij krijgt namelijk weidegrond toebedeeld, dat wil zeggen: grond die geschikt is om daar te weiden. Hoe vaak lees je dat niet in de Bijbel? De bekendste psalm gaat daar zelfs over: “Hij leidt mij aan grazige weiden.” Hij voedt mij als een herder de kudde. En dat is de weidegrond die die Levitische steden – 48 stuks dus – krijgen toebedeeld.
Deze weidegronden worden gekenmerkt door 2000 el. Dat is de samenvatting van het gegeven, en vervolgens krijg je de vervulling daarvan. De ekklesia ontvangt inderdaad een hemels deel. Met de ekklesia bedoel ik dat ‘uitroepsel’ dat God Zich vandaag vormt. Ons hemels deel, dat is de Heer Zelf. En onze weidegrond bevindt zich buiten de legerplaats. Hoe vindt u die? Want daar gaat het over: wat buiten de legerplaats gelegen is, daar vinden wij weide. En hoe lang duurt dat? Dat duurt 2000… 2000 jaar. U zegt: “Je hebt het hier over jaren?” Ja, maar dat is nu juist wat ik wilde zeggen. Het gaat om die 2000. We zullen dat straks bij het volgende Schriftgedeelte nog veel duidelijker zien. Maar in ieder geval: dat wat die Levieten krijgen toebedeeld, wordt gekenmerkt door 2000 el. En ik verklap nu alvast dat dit inderdaad verwijst naar 2000 jaren. En dat dit zo is…
Israël Volgt de Ark Door de Jordaan op 2000 El Afstand (jozua 3) ↑ hoofdstukken
We gaan naar Jozua 3. Eigenlijk is dit de tweede keer in deze serie dat we dit Bijbelgedeelte aansnijden. Dat is onvermijdelijk, omdat we Jozua 3 al hebben besproken in verband met die twee en drie dagen; in Jozua 3 vind je namelijk beide gegevens. Ik heb als titel boven dit gedeelte gezet: ‘Israël volgt op afstand’.
Laten we dat eens bezien. In vers 1 van Jozua 3 moet u zich voorstellen dat de veertig jaren in de woestijn voorbij zijn. Het is Jozua die hen vervolgens het land binnenbrengt – Jozua, de zoon van Nun. We hadden het er de vorige keer al over: Nun betekent ‘vijftig’ in het Hebreeuws; het is de letter voor vijftig. Na de veertig krijg je op dat niveau de vijftig. Als je het in tientallen bekijkt: na veertig komt de vijftig. Dat zagen we al in verband met Jozua.
Toen stond Jozua ’s morgens vroeg op. Dat vind ik op zich al een mooie opmerking, want ik ken ook zo’n Jozua. In het Hebreeuws heet hij Jehoshua – wij zeggen Jezus, maar het is exact dezelfde naam: ‘JAHWEH Redt’. Hij kwam na de bedeling van de wet. Mozes staat voor de wet en daarna krijg je Jehoshua. En toen stond Jehoshua ’s morgens vroeg op; dat is goed nieuws!
Hij en al de Israëlieten braken op van Sittim. Ze kwamen tot aan de Jordaan, waar zij overnachtten voordat zij overtrokken. Dat Sittim komt van dezelfde stam als ‘Satan’ in het Hebreeuws; het is de stam van een tegenstander. Dat is niet direct positief. De letters zijn de sjien (S) en de tet (T). Ze braken op van Sittim – daar moet je namelijk niet blijven – en kwamen vervolgens bij de Jordaan, waar ze overnachtten. Dat is in feite logisch, want de Jordaan is een type van de dood. Als je daarvoor staat, is dat duister. Ze overnachtten daar voordat ze overtrokken.
Na verloop van drie dagen gingen de opzieners de legerplaats door en zij gaven het volk een bevel. Over die drie dagen wordt in hoofdstuk 1, vers 11, aan het begin van het boek Jozua, al gesproken: “Ga midden door de legerplaats en beveelt het volk: bereidt uw teerkost, want binnen drie dagen zult gij de Jordaan hier overtrekken.” Het gaat dus over die drie dagen. Wat in Jozua 2 wordt besproken, is eigenlijk een intermezzo van de verspieders, want die verspieders moesten eerst het land nog verkennen. Op dag één en dag twee worden de verspieders uitgezonden, en op de derde dag vindt de doortocht door de Jordaan plaats.
In deze twee dagen vindt er inderdaad een ‘undercoveroperatie’ plaats, om het op een moderne wijze te formuleren. Want wat doen die mannen? Ze verspieden, en dat moet je undercover doen, anders ben je geen goede verspieder. In feite komt het woord van God bij een heidense vrouw: Raghab de hoer. Dat gebeurt allemaal in die twee dagen. Als je vraagt naar de verborgenheid – hoe het woord van God bij de natiën terechtkomt en dat dit op een verborgen wijze plaatsvindt voordat Israël daadwerkelijk nieuw leven ontvangt – daarover zijn allerlei profetieën. Maar ik vind het zo mooi dat deze geschiedenissen, zoals hier in de eerste hoofdstukken van Jozua, dat ook beschrijven. Die twee dagen dat de verspieders in Jericho verblijven bij een heidense vrouw en daar het woord van God brengen… daar landt het ook. Vervolgens gaat op de derde dag het volk van Israël alsnog het beloofde land in, door de Jordaan heen.
Dit zijn waarheden die allemaal verband houden met de huidige twee millennia. Men zegt: dat was verborgen in het Oude Testament. Dan vraag ik: waar dan verborgen? Ik durf te beweren dat er geen hoofdstuk in de Hebreeuwse Bijbel te vinden is waarin deze verborgenheid niet verborgen is. Al die geheimen liggen daar onder hun bedekking uitgestald en het is een kwestie van uitpakken, ontdekken en ‘minen’. Je moet de diepte in gaan en dan vind je dat, bijvoorbeeld in deze geschiedenis.
In vers 3 van Jozua 3 staat: “Zodra gij de ark van het verbond van JAHWEH uw God ziet…” Dat is wat Jozua tegen het volk moet zeggen. Het woord ‘ark’ is eigenlijk gewoon een woord voor ‘kist’. In Genesis 50:26 wordt het ook inderdaad met kist vertaald. Volgens mij is dat de eerste keer dat dit woord in de Hebreeuwse Bijbel wordt genoemd: de kist waarin Jozef wordt gelegd. Die kist zou overigens nog een paar eeuwen in Egypte blijven. Toen het volk uit Egypte trok, werd de kist van Jozef meegenomen, want hij had bevelen gegeven aangaande zijn gebeente. Dat heeft hij door geloof gedaan. Hij wilde begraven worden in Hebron, een van de steden van de Levieten. Daar is hij begraven. Het gaat mij er even om: het is een kist, bij gelegenheid zelfs gewoon een doodskist.
Maar die ark van het verbond dan? Het aardige is dat het in alle details een type is van de opgewekte Christus. Die kist was weliswaar van hout – vergankelijk, uit de aarde – maar hij was overtrokken met goud. Hout is een beeld van vergankelijkheid, maar goud is een beeld van onvergankelijkheid. Het is een van de metalen die niet roest en daarom is goud ook zo waardevol. Bovendien moet je er erg naar zoeken voordat je het vindt. Goud is een beeld van onvergankelijk leven. Dat is wat de Heer Jezus Christus ook is: Hij is inderdaad uit de aarde en Hij heeft Zijn vergankelijke leven gegeven, maar Hij werd opgewekt uit de doden en overtrokken met goud. Dat is wat God gedaan heeft door Hem op te wekken. Alleen al het gegeven dat het een houten kist was overtrokken met goud, is een uitbeelding van Hem: een vergankelijk mens die gestorven is, maar die door God onvergankelijk gemaakt is. Hij kreeg een vaste plaats in het Heilige der Heiligen. Zo heilig! Je zou de hele Hebreeënbrief daarnaast kunnen leggen, want daar wordt toegelicht dat het Heilige der Heiligen de woonplaats van God is.
Een beeld van de hemel, toch? Ja, dat is waar de Heere Jezus Christus nu ook is, in het heilige der heiligen. De hogepriester mocht er ook maar één keer per jaar komen en dat wordt allemaal uitgelegd. Ik bedoel dit gewoon te zeggen: die ark is, via welke route je dit ook weer benadert, altijd een type van de opgewekte Christus, Die het Woord ook in Zijn binnenste droeg.
Want één van de kenmerken van die ark is dat ook de stenen tafelen daarin werden bewaard. Het Woord van God werd gedragen in het binnenste; daar was het ook veilig. Want met die eerste set van de stenen tafelen ging het niet goed, dat weet u. Toen het op de mens gelegd werd, lag het al in diggelen voordat het het volk überhaupt bereikt had. Toen gaf God een tweede set. Deuteronomium betekent een ’tweede wet’ en die kwamen terecht in de ark.
Op die kist lag trouwens het zogenoemde verzoendeksel. Kijk het maar na in Romeinen 3 vers 25, daar wordt letterlijk van dat verzoendeksel gesproken; ‘hilasterion’ staat er in het Grieks, en dat is het woord voor het verzoendeksel. Er staat zelfs expliciet dat God Jezus Christus heeft voorgesteld als het verzoendeksel. Dat wil zeggen: het dek waar het bloed op gesprengd werd, waar de hogepriester eens per jaar dat bloed op sprenkelt, namelijk met Yom Kippur.
En daar was nog de gouden kruik met manna, brood uit de hemel, leven. Een gouden kruik is ook weer een beeld van onvergankelijkheid. Dan vergeet ik nog één ding te vermelden: de amandelstaf. Juist, de staf van Aäron die gebloeid had, notabene met amandelbloesem. Ook dat is weer een type van leven uit de dood. Een dodelijke staf die nieuw leven voortbrengt; het is een embleem van opstanding. Kortom, al die attributen of al die aspecten van die ark spreken van de opgewekte Christus. Dat is wat ik eigenlijk gezegd wil hebben.
En waarom is dat zo belangrijk? Wel, daar moest Israël op letten wanneer ze die ark zagen. De ark, het allerheiligste. ‘Wanneer gij de ark van het verbond van JAHWEH, uw God, ziet en de Levitische priesters die haar dragen…’ Hé! Wat hier wordt gezegd, sluit mooi aan bij wat ik zojuist over Numeri 35 zei, namelijk dat die Levitische priesters ook een type zijn van de Ecclesia. Waarom? Ze worden hier uitdrukkelijk onderscheiden van het volk. Aan de ene kant heb je dus het volk dat de ark zou volgen, maar je hebt ook de Levitische priesters die die ark optillen en hooghouden. Ja, dus terwijl het volk afstand moest houden, hielden de Levitische priesters de ark hoog. Welk volk komt daarvoor in aanmerking dat dat doet?
Dus terwijl Israël afstand moet houden, is er een volk dat de ark kent en haar hoog houdt. Ik bedoel dat ook letterlijk en figuurlijk — of eigenlijk figuurlijk. Maar begrijpt u? Ik wil daarmee gezegd hebben dat die priesters die die ark hooghouden, in onderscheid met het volk, een type zijn van de Ecclesia in onze dagen. In feite vind je hier weer een soortgelijke waarheid als we ook in Numeri 35 vonden.
Nou ja, ik lees verder. Want we zijn nog steeds niet bij die 2000, maar we komen er wel om. ‘Dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aantrekken.’ Dus Israël moest de ark door de Jordaan volgen. De ark ging voorop en Israël moest daar achteraan. Waarbij ik nog maar even benadruk en onderstreep dat de ark — ik geef toe dat het misschien wel wat overbodig is om dat hier uit te leggen, maar voor de goede orde, voor degene die het niet helemaal kan vatten — ik wil daarbij gezegd hebben dat de Jordaan een type is van de dood. Eigenlijk, als de Jordaan vermeld wordt, dan gaat het om dood en opstanding. In de Bijbel is het namelijk altijd zo: kijk maar naar de Jordaan, alles wat erin komt, komt er ook weer uit. En hoe?
Vraag dat maar aan Naäman. Die ging er melaats in en hij kwam eruit… hoe staat dat er nou precies? ‘Als een blank kind’. Dat mag je tegenwoordig misschien niet meer zo zeggen; je moet tegenwoordig uitkijken met racisme, maar zo staat het daar ongeveer. Gewoon helemaal schoon, gereinigd kwam hij eruit. Daar had hij aanvankelijk helemaal geen trek in natuurlijk. ‘Zijn onze rivieren daar in Syrië niet veel mooier dan dat slootje daar bij Israël?’, zo had hij de boodschap aanvankelijk opgevat. Maar goed, Naäman ging overstag, hij ging in de Jordaan en hij kwam er volledig gereinigd en genezen uit.
En die geschiedenis is misschien niet zo bekend, maar wat dacht u van die drijvende bijl? Iemand liet een stuk van de bijl vallen en dat kwam in de Jordaan terecht. Hij was geleend, ja, dat is een schitterende geschiedenis. Ik heb daar bij een andere gelegenheid al eens uitgebreider bij stilgestaan, maar om een lang verhaal kort te maken — want ik kan nu niet op alle details ingaan — dat ijzer van de bijl kwam bovendrijven. Alles in de Jordaan komt weer boven water. In de Bijbel is dat natuurlijk altijd het verhaal: al het verlorene wordt gevonden en alles wat we kwijt zijn komt weer boven water, ook uit de Jordaan.
En de meest overtuigende is misschien wel: waarom denkt u dat Johannes ging dopen in de Jordaan? Uiteraard vanwege de typologie. De Jordaan is een beeld van de dood en daar ging men erin om vervolgens in nieuwheid van leven op te staan. Dat is het hele idee van wat Johannes daar in de Jordaan deed. Kortom, de Jordaan is een beeld van de dood. Dit is trouwens zo’n algemeen bekend gegeven geworden dat het in allerlei spirituals, negrospirituals, wordt bezongen. ‘Roll, Jordan, Roll’, daar denk ik aan. Kent u die niet? Ik dacht dat die heel bekend was. O, u wilt dat ik hem ga zingen? Nee, dat ga ik niet doen. Ik dacht eventjes dat ik mijn nek uit zou steken, maar nee, ik doe het niet.
Nou, ‘gij zult van die plaats opbreken’ — ze bevonden zich dus bij de Jordaan — ‘en achter de ark aangaan. Er zij echter tussen u en haar een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte. Komt niet dicht bij haar.’ Dus wat we zagen: de ark is een type van de Messias, van Christus, de opgewekte Christus. De Jordaan is een type van de dood, of meer speciaal van dat wat daaruit voortkomt, wat de dood overwint: opstanding. Israël doet dat ook, zij volgt haar Messias, de ark, maar uitdrukkelijk op afstand. ‘Er zij tussen u en haar een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte.’
Israël doet dus precies wat de ark ook deed. De Heere Jezus Christus ging ook door de Jordaan op de derde dag, en Israël gaat ook op de derde dag door de Jordaan, maar wel op afstand. Van hoeveel? Van 2000 el. Ik geloof dat we de vorige keer er al eventjes om gelachen hebben, dus dat mogen we nu niet meer doen; één keer is genoeg. Want de moderne vertalingen zijn ons dan ter wille door te zeggen dat het ongeveer een kilometer moest wezen. Ja, dank u wel, want dan weten we meteen dat 2000 el ongeveer een kilometer is.
U weet wat een el is, hè? Dat is de afstand tussen je elleboog en het topje van je middelvinger. Die lengte. Dat verschilt trouwens hoor; dat de el van Evert Jansen langer is dan die van mij. Maar het gaat om die 2000 el. Wij zijn met zulke maten niet tevreden, maar het idee is ongeveer een halve meter per el. Maar het maakt niet uit.
Al was een el maar 20 centimeter of 10 centimeter, dat maakt me geen bal uit. Het gaat erom dat het de 2000 zijn. Dat is het hele idee. Dus al die bereidwillige vertalers die ons willen helpen om een idee te geven van hoe groot die afstand was, die zetten ons alleen maar op een verkeerde sport. Want het gaat nu juist om die 2000.
Ja, en dan begrijp je het: Israël volgt haar Messias inderdaad ook in de weg van dood en opstanding. Van de Messias lezen we dat Hij zou opstaan op de derde dag, na twee dagen. Maar van Israël lezen we het ook. Dus inderdaad, het volk volgt haar Messias, alleen op afstand. En die twee dagen drukken dus precies de lengtemaat uit. Het ene is een lengtemaat of een maat in ruimte, 2000 el, het andere is een maat in tijd, maar in beide gevallen 2000. Dus linksom of rechtsom, als je zegt ’twee dagen’, dan is dat 2000. En hier wordt het gezegd: op de derde dag, en er moest een afstand zijn van 2000 el. Hoe duidelijk wil je het hebben?
Kijk, ook hiervan kun je weer zeggen – en dat vind ik erg belangrijk om dat nog een keer te onderstrepen – je kunt natuurlijk niet uit zo’n tekst, ook niet uit Numeri 35, op zich concluderen van: ‘Oh, dat betekent dat de huidige tijd 2000 jaar duurt.’ Nee, dat kun je niet concluderen. Daar heb je echt profetie voor nodig, echt voorzeggingen. Nou, die zijn er. Maar omgekeerd is het wel zo dat als je eenmaal dat gaat begrijpen en als je gewoon gelooft wat de Schrift daarin over zegt, dat de Heer inderdaad na twee dagen zou terugkeren – oftewel na zes dagen gerekend vanaf Adam, en dat dagen gerekend worden als duizend jaar – als je dat ziet, dan ga je zulke geschiedenissen ook in één keer begrijpen.
Het is dus niet kort door de bocht wanneer we hieruit concluderen dat het op deze wijze zal gaan. Nee, dit is illustratief. En al die illustraties bij elkaar demonstreren een machtige grote waarheid van de lengte van tijd van deze verborgenheid en van Gods grote plan. Eigenlijk mag je van zo’n God en Zijn Woord zulke dingen inderdaad verwachten: zoveel veelzijdigheid, maar ook telkens weer diezelfde waarheid geïllustreerd.
O ja, en dan staat er nog dit bij: “Er zij echter tussen u en haar een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte; komt niet dicht bij haar, opdat gij de weg moogt weten waarlangs gij gaan zult, want langs die weg zijt gij noch gisteren noch eergisteren getrokken.” Oftewel: twee dagen lang zijn jullie daar niet doorheen gegaan. Weer die vermelding van twee dagen. Hoezo dan? Natuurlijk had Israël dit nog nooit zo gedaan. Nee, maar waarom wordt het op deze manier geformuleerd? Nou, om ons weer te attenderen op die waarheid van twee dagen. Want in feite zou je deze laatste zin, zoals ik hem hier heb afgedrukt, gewoon weg kunnen laten. Natuurlijk had Israël dat nooit eerder meegemaakt; ze was nog nooit eerder in het beloofde land geweest. Nee, maar het gaat erom: Israël zou weten dat dit een unieke weg is en dat gedurende twee dagen, oftewel 2000 jaar, dit uniek is en daarna zou dit daadwerkelijk gaan gebeuren.
Later lees je nog in Jozua 3 vers 14 – ik sla nu een heel aantal verzen over: “Het geschiedde nu dat, zodra de dragers van de ark aankwamen bij de Jordaan en de voeten der priesters, die de ark droegen, aan de oever in het water gedompeld waren…” Dus op het moment dat die priesters die de ark hoog hielden de rivier de Jordaan aanraakten, zodra hun voeten dus in het water gedompeld waren – net natte tenen, dat was het idee – bleef het water dat van bovenaf kwam staan. Het rees op als een dam, zeer ver weg bij Adam, de stad die bezijden Saretan ligt.
Hier krijgen heel veel uitleggers het wat moeilijk, want het is niet helemaal duidelijk waar Adam en waar Saretan gelegen hebben. Nou, u zegt: daar lig ik ook niet wakker van. Ik ook niet. Maar waar ik wel heel blij om kan worden als ik wakker lig, dat is dat die weg die van Gods wege is gebaand, door de Jordaan al gebaand is vanaf Adam. En waarom heette die stad in hemelsnaam zo? Nou kijk, dit is ook weer zoiets. God baant een weg dwars door de dood voor het volk. Jazeker. Er wordt ook gezegd wanneer dat zou zijn en op die afstand, maar die weg wordt al gecreëerd vanaf Adam. En daarmee worden we trouwens op nog een andere Bijbelse waarheid getrakteerd, namelijk dat het leven dat God geeft voor elke sterveling, voor elke adamiet is weggelegd. Want Hij creëert die weg vanaf Adam, en dan maakt het eigenlijk geen bal meer uit waar die stad gelegen heeft, toch?
Dus in zo’n gedeelte vind je niet alleen maar, zoals hier in Jozua 3, een geweldig wonder beschreven. Want je zou de vraag natuurlijk kunnen stellen: waarom rees het op als een dam zeer ver weg bij Adam? Wat gebeurde daar dan bij Adam, dat daar zo een dam kwam die ervoor zorgde dat die priesters droogvoets door de Jordaan heen konden lopen? Ik weet het niet, dat wordt er niet bij vermeld. Ook daarvan zeg ik weer: het maakt me niet uit. God heeft het gewoon zo gedaan en gearrangeerd. Als je eenmaal de Regisseur kent, dan zeg je: zo gaat Hij te werk. En het is niet voor niks dat die stad Adam heet. Daar ging het nu eventjes om.
Oké, nou, ik zie dat het precies negen uur is. En wij rekenen in deze serie heel erg precies, dus het is een mooie tijd om even te pauzeren. Dan gaan we straks verder met de sabbatsreis in Handelingen 1. En zojuist werd mij nog even de suggestie aan de hand gedaan dat ‘zeer ver weg bij Adam’ wel eens een keertje Amsterdam zou kunnen zijn, waar je tenslotte ook de Jordaan hebt. Dit opent weer hele nieuwe perspectieven in de uitleg. Dankjewel Rob, jij weet ons wel te verrassen met uitleggingen, zeg! Ik weet niet of zij het kan, de combinatie met Amsterdam…
Goed, wij hebben ons al beziggehouden met een tweetal keren dat er heel uitdrukkelijk sprake is van 2000 el: in verband met de weidegrond van de Levitische steden, en in het bijzonder ook die 2000 el die er gelegen was als afstand tussen de ark en het volk Israël. In beide gevallen worden we bepaald bij het geweldige feit dat Israël inderdaad haar Messias zou volgen, en wel op die afstand die van Gods wege vooraf is bepaald. Na twee dagen, na 2000 jaar, of hoe je het ook maar zeggen wil. En dan gaan we nu naar Handelingen 1.
De Hemelvaart en de Sabbatsreis van 2000 El (handelingen 1) ↑ hoofdstukken
Nog een nachtvorst hè? Ja, die komen nog wel. In Handelingen 1 hebben we het ook weer over 2000 el, alleen wordt het daar wat cryptisch vermeld. In Handelingen 1 lees je in vers 11 de bekende geschiedenis van de Heer, die zojuist was onttrokken aan het oog, en dat er dan twee mannen op de Olijfberg staan. Zij zeggen tegen de omstanders: “Galilese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u is opgenomen naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen.” Dat wil zeggen: zoals Hij onttrokken werd door een wolk, zo zal Hij ook straks weer komen met de wolk, of met de wolken. Trouwens, niet alleen op dezelfde wijze, maar ook op dezelfde plaats, namelijk op de Olijfberg, die bij die gelegenheid zelfs middendoor zal scheuren.
Hij zal op dezelfde wijze wederkomen als gij Hem ten hemel hebt zien varen. En dan staat er: “Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan.” Dat roept de vraag op: wat is dan weer een sabbatsreis? Het antwoord daarop is dat de Bijbel dat niet vermeldt. U zegt: dat is jammer, want het zou mooi zijn als de Bijbel zou vermelden wat de lengte van een sabbatsreis is. Maar als de Bijbel dat niet vermeldt, wordt het dus kennelijk als bekend verondersteld. In dit geval is dat ook geen enkel probleem, want het is een heel bekend gegeven in het Jodendom. Een sabbatsreis is namelijk de afstand van 2000 el.
Het is dus dezelfde afstand als waar we het voor de pauze over gehad hebben. Een sabbatsreis is de maximale afstand die mag worden afgelegd in verband met de sabbat. Daar is een heleboel over te vertellen, bijvoorbeeld hoe dat in het Jodendom precies werkt, maar daar gaat het nu even niet om. Het gaat erom dat hier sprake is van de afstand die overbrugd wordt vanaf de Olijfberg tot aan Jeruzalem, waarbij wordt verhaald dat dit een sabbatsreis is. Maar deze geschiedenis vond helemaal niet plaats op een sabbat. Je zou dus de vraag kunnen stellen: hoezo moet dat erbij vermeld worden?
Dan zeg ik weer hetzelfde als wat ik voor de pauze al een paar keer op verschillende wijzen naar voren heb gebracht: het gaat juist ook om de betekenis die daarachter ligt. Het gaat erom dat de afstand tussen de Olijfberg, als embleem van de hemelvaart waar zij zojuist getuigen van waren, en Jeruzalem als de stad van de grote Koning, een afstand is van 2000 el, oftewel een sabbatsreis. Dit is dus exact dezelfde waarheid als waar we het eerder over gehad hebben. Vanaf het moment dat de Heer het toneel hier op aarde verliet tot aan het moment dat Hij zal terugkeren op de Olijfberg om naar Jeruzalem te gaan en daar Zijn koninkrijk daadwerkelijk op te richten, is dat een sabbatsreis van 2000 jaar.
Ik had hier ook nog een plaatje van Israël dat door de Jordaan trekt. Zij volgen daarbij de ark, gedragen door de Levieten, en ook die afstand is 2000 el. U ziet dat dit recht synchroon loopt; het is gelijktijdig. Dit zijn twee hele verschillende geschiedenissen, maar ze drukken exact dezelfde afstand en daarmee ook dezelfde waarheid uit.
Eigenlijk klinkt al 2000 jaar de vraag: hoe lang duurt het nog totdat de sabbat aanbreekt? En dan zeggen wij: maximaal 2000 el. Langer kan niet, want dat was namelijk de maximale afstand. Goed, ik zei dat we het vanavond zouden hebben over tienvouden van twee, dat was immers het onderwerp. Wat we tot dusver hebben gezien, is dat we op drie verschillende wijzen bepaald zijn bij het getal 2000.
Een Ander Tienvoud: Isaak en Rebekka Wachten 20 Jaar op de Belofte ↑ hoofdstukken
Maar je kunt ook nog een ander tienvoud noemen, en dat is eigenlijk een veel kleiner getal, namelijk de 20. En die is ook buitengewoon boeiend. Kijk, die van 2000 spreekt misschien nog het meest tot de verbeelding omdat daar wordt gesproken over duizend. Tweeduizend! Dat is de afstand tussen de Olijfberg en Jeruzalem. Tussen Israël en de Heer die door de Jordaan trekt, en die de dood overwint en leven aan het licht brengt.
Maar nu gaan wij eens een aantal geschiedenissen bezien waarin sprake is van twintig jaar, niet van 2000 jaar, maar waarbij het idee ook weer is dat het gaat om die twee; in dit geval twintig. Zoals 2000 jaar 20 eeuwen is. We zullen eens nader bezien waar dat zoal genoemd wordt. Ik heb een jaar of wat geleden — voor degenen die het nog eens wat uitvoeriger willen beluisteren op mijn website — een zevental voorbeelden gegeven waarbij de periode van twintig jaar wordt genoemd. In al die zeven gevallen worden we bepaald weer bij exact dezelfde waarheid. Hoe bijzonder is dat? Ik ga ze nu niet allemaal noemen, maar een paar wil ik toch wel genoemd hebben.
De eerste is deze: Isaak was veertig jaar oud. Over die veertig hebben we het al een keertje eerder gehad, maar nu even dit. Isaak was veertig jaar oud toen hij Rebekka, de dochter van Betuel, de Arameeër uit Paddan-aram, de zuster van de Arameeër Laban, tot vrouw nam. Een hele uitvoerige manier om dat te zeggen, maar hij was veertig jaar oud toen hij trouwde. Ik dacht even dat ik nu allerlei aanbevelingen zou horen in de trant van: trouw niet voor je veertig bent. Maar hij was dus veertig jaar toen hij Rebekka tot vrouw nam. Dat lezen we van Isaak.
En dan staat er in vers 21: “Nu bad Isaak JAHWEH voor zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar. En JAHWEH liet Zich door hem verbidden en zijn vrouw Rebekka werd zwanger.” Een aantal keren lees je in de Bijbel dat God Zich laat verbidden. Sommige mensen denken dat God dan Zijn plan wijzigt, maar ik zal u vertellen dat God het sowieso al van plan was dat Rebekka zwanger zou worden. Sterker nog, het maakte deel uit van de belofte die God aan Abraham had gegeven: “Want door Isaak zal men van nageslacht van u spreken.” Zo luidde de belofte. De lijn zou niet via Ismaël verlopen, maar via Abraham, Isaak en zijn kinderen. Dus Isaak zou hoe dan ook vader worden. Trouwens, dat gold voor zijn vader Abraham ook al. Het is heel eigenaardig hoe dat fenomeen zich iedere keer door de generaties herhaalt: dat de vrouw onvruchtbaar is, maar dat God leven voortbrengt uit de dood. Ook dat is weer diezelfde basale Bijbelse waarheid.
Rebekka werd zwanger, maar ik zal u vertellen: daar ging een hele tijd overheen. Want Isaak en Rebekka moesten wachten op de vervulling van Gods belofte aan Abraham. Ik zeg het expres op deze wijze om u even aan het denken te zetten. Want dan lees je even later nog — ik sla weer een paar verzen over: “Toen nu haar dagen vervuld waren dat zij baren zou, waren er dan ook tweelingen in haar schoot.” Tweelingen in haar schoot! En de eerste kwam tevoorschijn, rossig, geheel als een haren mantel, en men gaf hem de naam Esau, wat ‘harig’ betekent, en ook Edom, dat is ‘rood’.
En daarna kwam zijn broeder tevoorschijn, wiens hand Esaus hiel vasthield. Hem noemde men Jakob. Er is een heel hardnekkig misverstand — en ik ben er zelf ook schuldig aan geweest om dat wel eens door te geven — dat Jakob een ‘hielenlichter’ was. De term is hieraan ontleend, maar het hele idee bij een hielenlichter in onze taal is natuurlijk dat je een oplichter bent. Maar het idee hier is dat hij Esau bij zijn hiel vasthield. Eigenlijk zit er zelfs een geweldige belofte in; het is helemaal niet dat negatieve van dat hij vals speelde. Er wordt wel eens gedacht dat hij al bij de geboorte zijn broer dwarszat, maar het is eigenaardig dat ook hier weer degene aan wie het eerstgeboorterecht uiteindelijk gegeven zou worden, als tweede verschijnt. Daar wist Isaak trouwens alles van, en Abraham ook. Dat zie je altijd. De rode lijn door heel het boek Genesis is dat het iedere keer de tweede is. Maar daar gaat het me nu niet om, ik wil hier op wijzen:
Er staat in vers 26: “En daarna kwam zijn broeder tevoorschijn, wiens hand Esaus hiel vasthield. En hem noemde men Jakob. En Isaak was zestig jaar oud bij hun geboorte.” Met andere woorden: ze hebben twintig jaar gewacht op de vervulling van de belofte. Ik heb er niet zoveel moeite mee om eraan te denken dat de zoon van de belofte er weliswaar was, maar voordat via hem de belofte daadwerkelijk vervuld zou worden, zou het twintig jaar duren.
En daar krijg je trouwens nog een aardig fenomeen, helemaal in de lijn van waar we deze hele serie over hebben. Kijk, Isaak was veertig jaar oud toen hij trouwde. Twintig jaar later wordt hij vader en toen brak dus het zevende decennium aan. Daartussen heb je die twintig jaren dat hij wachtte op de vervulling van de belofte. Maar kijk nu eens naar het grotere geheel, het grotere plaatje, niet van decennia maar van millennia. Dan krijg je inderdaad Adam, Abraham en dan Christus — dat was in het jaar 4000, even voor het gemak. En dan krijg je een periode van 2000 jaar en dan breekt het zevende millennium aan. Dan wordt de belofte aan Abraham daadwerkelijk vervuld. Maar dat is in eerste instantie wachten, namelijk die tweeduizend jaar. Dat fenomeen wordt hier feitelijk door deze vergelijking van twintig jaar en het zevende decennium automatisch verklaard.
Jakob Verblijft 20 Jaar in het Buitenland ↑ hoofdstukken
Er zijn heel veel geschiedenissen die ik in deze studie eigenlijk als bekend veronderstel. Dat is soms een beetje lastig, maar de geschiedenis die ik nu ga vertellen is redelijk bekend: Jakob die in Genesis 31 twintig jaar bij zijn oom Laban in het buitenland verblijft. Jakob zegt daar tegen Laban: “Het is nu twintig jaar dat ik bij u geweest ben. Uw ooien en uw geiten hebben geen misdracht gehad en de rammen van uw kleinvee heb ik niet gegeten.” Met andere woorden: al die twintig jaar is het Laban goed gegaan.
Het gaat mij erom dat die periode van Jakob in het buitenland precies twintig jaar heeft geduurd. Je leest dat toen hij het land uitging — volgens mij heb ik daar bij een eerdere gelegenheid in deze serie al eens op gewezen — de zon onderging. Dat lees je wanneer hij bij Betel die droom krijgt en zijn hoofd op een steen heeft gelegd: de zon ging onder toen Jakob vertrok. Later, wanneer hij na die twintig jaren terugkeert, staat er dat de zon opging. Hij keerde toen niet terug als Jakob, maar als Israël. Hij ging toen ook door het water, de Jabbok. Dat is in feite een omkering van de letters van de naam Jakob. Het is iets wonderlijks dat daar bij de Jabbok een omkering plaatsvond en Jakob Israël werd, de strijder Gods. Dat was na twintig jaar.
Jakob staat hiermee model voor het volk dat vaak Jakob wordt genoemd. Hoe vaak wordt het volk in de Schrift niet alleen Israël genoemd, maar juist Jakob? Vooral wanneer het ongeloof van het volk wordt benadrukt, heet het Jakob. Je ziet daarvan een heel mooi voorbeeld: “God heeft een woord gezonden aan Jakob en het is gevallen in Israël.” Dus op het moment dat het woord tot het volk komt, is het nog Jakob, maar op het moment dat het ‘kwartje valt’, zoals wij dat zeggen, dan wordt het Israël.
Jakob bevindt zich dus gedurende twintig jaar buiten het beloofde land, oftewel onder de natiën in het buitenland. Die periode kun je aanduiden als twee millennia of als twintig eeuwen; dat is hetzelfde. Dat is waar het getal twintig hier naar verwijst. Ik heb nog een paar van die voorbeelden van twintig jaar die ik wil noemen.
Jozef Ontmoet Zijn Broers Na 20 Jaar ↑ hoofdstukken
Jozef, ook weer. Ga maar eens na. Kijk, ook dit is weer trouwens een heel aardig voorbeeld van hoe je bij Bijbelse gegevens komt door Schrift met Schrift te vergelijken en soms gewoon ook moet rekenen. Er wordt nergens vermeld dat de twintig jaren waar ik het nu over heb ons in de Bijbel worden voorgerekend, maar de getallen die ervoor nodig zijn om ertoe te komen, die worden ons wel aangeleverd. Dus we worden ook geacht met aandacht te lezen en te tellen, oftewel te rekenen.
Jozef was zeventien jaar oud toen hij verkocht werd door zijn broers, zo lezen wij in Genesis 37. En je leest ook in Genesis dat hij dertig jaar oud was toen de zeven vette jaren aanvingen. U weet van die droom; trouwens, hij had eerst ook nog twee jaar gevangen gezeten. Die had ik eigenlijk ook nog moeten vermelden vanavond: de twee jaren gevangenschap. Dat is niet echt een tienvoud natuurlijk, maar het is ook weer een twee. Ik vraag me af waar we die nu weer onder moeten verdelen, want die twee jaren dat Jozef gevangen zat – even terzijde – in die tijd dat hij buiten de maatschappij verkeerde, wat deed hij? Verborgenheden uitleggen. Dromen die niet begrepen werden van een bakker en een schenker. En na die twee jaren, de volle termijn van twee jaar, toen werd hij alsnog koning.
En er was nog iemand anders die ook twee jaar gevangen zat, en dat is Paulus. Zelfs twee keer heeft hij twee jaar gevangen gezeten en ook in die tijd heeft hij verborgenheden verteld. Nou ja, deze geef ik zomaar even cadeau, zonder dat er een diaatje van is.
Laten we de draad weer even oppakken. Jozef was dertig jaar oud toen de zeven vette jaren aanvingen. U kent de geschiedenis, daar moet ik nu even van uitgaan. Na die zeven vette jaren kreeg hij de zeven magere jaren. Aan het begin daarvan was hij dus zevenendertig jaar oud en toen ontmoette hij voor het eerst zijn broers. Ja, dat wordt vermeld in Genesis 45 vers 6. Jozef ziet zijn broeders dus voor het eerst weer na – inderdaad – na twintig jaar. Aanvankelijk zien zij het nog niet, maar het idee hier is dat Jozef uiteraard een type is van de ware Jozef, die, nadat Hij is verworpen door zijn broeders naar het vlees, hen na twintig eeuwen weer zal treffen.
Dus ook hier weer kwamen we de twintig jaren tegen in verband met Izaäk, in verband met Jakob en nu ook weer in verband met Jozef. Iedere keer weer op een hele andere wijze, maar telkens weer krijg je dezelfde waarheid geïllustreerd. Het is een andere illustratie, maar het is dezelfde waarheid.
De Ark Verblijft 20 Jaar in het Huis van Abinadab (1 Samuël 7) ↑ hoofdstukken
En dan heb ik er nog één, maar die komt uit het boek Samuël. Daar staat dat in de dagen van Samuël de ark voor twintig jaar was ondergebracht in het huis van Abinadab. Dat bevond zich op een heuvel, zo lees je in 1 Samuël 7 vers 1. Het is trouwens een prachtige geschiedenis, wat daar allemaal met die ark plaatsvond. Maar het gaat mij nu even om dit specifieke verhaal: de geschiedenis dat de ark daar verborgen of ondergebracht was in het huis van Abinadab. Je leest heel uitdrukkelijk in datzelfde hoofdstuk dat het volk in die tijd niet naar God luisterde. Het volk Israël was ongelovig.
Na die twintig jaar lees je vervolgens dat het volk God alsnog aanroept. Je leest ook dat Samuël daarop aandringt: roep Hem aan! Wat gebeurt er dan? Want al die tijd – dat moet ik er ook nog bij zeggen – werd het volk in die twintig jaar ernstig en zwaar onderdrukt door de Filistijnen. Niks nieuws onder de zon, hè? Nou ja, goed.
Na die twintig jaar lees je dat het volk de naam van God aanroept en dan gebeurt er iets heel eigenaardigs: vanuit de hemel wordt de Filistijnen een nederlaag toegebracht. Hoe staat het er in vers 10? “Maar de Here deed te dien dage machtig de donder rollen over de Filistijnen en bracht hen in verwarring, zodat zij tegen Israël de nederlaag leden.” Zo ging God te werk.
Van bovenaf werden die twintig jaren afgesloten. Twintig jaar lang was het volk ongelovig en werd het ernstig onderdrukt, terwijl de ark zich op een verborgen plek bevond. Na die twintig jaar roept het volk de naam van God aan. Ik zou zeggen: kleur het plaatje nu zelf verder in. Je krijgt hier diezelfde waarheid weer geïllustreerd.
De Discipelen Vissen op 200 El van het Land (johannes 21) ↑ hoofdstukken
Heb ik er tenslotte nog één? En dat is de 200 el. We hebben nu allerlei afstanden en tijdeenheden gezien, maar telkens kwam het getal twee op een bepaald niveau naar voren. Of het nu op het niveau is van enkelingen (2), van tientallen (20), of van duizendtallen (2000). Nu heb ik er nog eentje op het niveau van honderdtallen, namelijk 200 el. Dat is de geschiedenis in Johannes 21, wat trouwens op zichzelf alweer een soort intermezzo is. Ik bedoel dat vrij letterlijk, want het boek was eigenlijk al afgesloten. Als je kijkt naar het slot van Johannes 20, dan staat daar in mijn Bijbeltje boven: ‘Eerste slot’. Wat daarna volgt is een soort appendix, een aanhangsel. Dat is die geschiedenis van de discipelen die daar bij de Zee van Tiberië gaan vissen. Vervolgens wordt het boek voor een tweede keer afgesloten. De geschiedenis waar we het nu over hebben, valt daar precies tussenin. Ook weer zo’n onderbreking, een intermezzo. Eigenlijk is dat heel karakteristiek voor de tijd waarin wij leven. Het is een interval, een intermezzo dat er tussen is geschoven; een onderbreking die vaak ook verborgen is.
Laten we het even kort samenvatten, want je zou de geschiedenis in zijn totaliteit kunnen lezen. Je leest dat de discipelen — dit was dus na de opstanding inmiddels — besluiten om die nacht te gaan vissen. Ze pakken in feite hun oude beroep van destijds weer op. De Heer had trouwens ook gezegd dat Hij, pal na zijn opstanding, zijn discipelen weer zou treffen in Galilea. Dus daar moesten ze naartoe. Hoe dan ook, slechts zeven van de discipelen waren daar en zij hadden de hele nacht gevist, maar niets gevangen. Dergelijke geschiedenissen vind je vaker in de evangeliën. Dan lees je dat ze bij zonsopgang, in de vroege ochtend, worden aangesproken door een Man. Hij is incognito; zij weten in eerste instantie niet wie het is. Hij roept hen toe: “Hebben jullie ook enige toetspijs voor me?” En het antwoord is: “Nee, we hebben de hele nacht gevist en we hebben niets gevangen.” Moet je nagaan, dan ben je een professionele visser.
Dan zegt Hij: “Werp het net uit aan de rechterzijde.” De suggestie is eigenlijk dat ze de hele nacht links hebben gevist. Is dat bakboord of stuurboord? Bakboord, oké. Maar in ieder geval moesten ze het net aan de andere kant van het schip uitwerpen; het is een bekende uitdrukking geworden. Dat is wat deze Man zegt. U weet hoe het verdergaat: ze werpen het net uit. Waar ze ’s nachts aan de linkerzijde niets hadden gevangen, zit het net aan de rechterzijde van het schip nu ineens zo vol dat het niet meer kan worden opgetrokken vanwege de menigte vissen. Later lees je zelfs dat het om 153 grote vissen ging als ze geteld worden. Daar gaan we het nu even niet over hebben — we zijn al zo aan het rekenen geslagen, dus die 153 parkeren we even. Er staat dat de discipelen zich op een afstand van ongeveer 200 el tot het land bevonden.
Dit is de geschiedenis, kortweg aangestipt en samengevat. De nacht waarin niets gevangen wordt — de nacht, de duisternis, de linkerzijde — heeft alles te maken met de tijd dat de Heer afwezig is. Hoe was het ook alweer? De Heer had gezegd: “Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld.” Nu is Hij afwezig en is het donker. In feite is de aanvankelijke verwachting die er was, namelijk dat in die dagen alle volkeren tot discipelen gemaakt zouden worden, niet uitgekomen. Ze hebben gevist en niets gevangen. In ieder geval is er van wat zij hadden verwacht niets terechtgekomen.
Maar alles wordt anders op het moment dat de zon opkomt. Ik zou ook kunnen zeggen: alles wordt anders als daar die Man aan de oever verschijnt. Dat is precies wat hier gebeurde. Hij verschijnt, en zij weten aanvankelijk niet eens met wie ze van doen hebben. Die 200 el staat voor de tijd tussen de eerste komst — waarin men in de tijd die erop volgde tevergeefs heeft gevist in de volkerenzee — en de tweede komst, wanneer de ontmoeting plaatsvindt met de Heer op het land, als een nieuwe dag is aangebroken. Ook hier wordt de afstand tussen beide gemeten. Hier is het dan niet 2000 el, maar 200; ook weer het getal twee op het niveau van honderdtallen.
Samenvatting: de Volkerenzee en de Naderende Nieuwe Dag ↑ hoofdstukken
Met andere woorden, wat we vanavond hebben gezien – want het wordt tijd om af te sluiten – is dat je, of het nu gaat om de 2000 jaar, de 20 eeuwen of de 200 decennia, telkens bepaald wordt bij dezelfde waarheid. Het zijn inderdaad 200 decennia die er gelegen zijn tussen de eerste komst en de tweede komst. Wanneer die Man aan de oever verschijnt… De zee in het algemeen is al een beeld van de volkerenwereld. Waar de nacht hier afwezig is en Hij verschijnt, daar wordt het helemaal anders. Dan zit het net vol en zal de hele volkerenwereld, de volkerenzee, bij wijze van spreken worden leeggevist. Alles wordt dan gevangen en die tijd gaat nu aanbreken.
Dus ook via deze route komen we weer uit bij exact dezelfde waarde. Ik vind het mooi om het op de manier te belichten zoals we dat dit hele seizoen doen. Telkens word je bepaald bij de waarheid dat de tijd nabij is. Inmiddels weten wij dat we leven aan het einde van die zes millennia; je zou ook kunnen zeggen aan het einde van de twee millennia. In al die gevallen weten we: de tijd dringt.
Daarom is het ook niet zo gek – we hebben het er in de pauze nog over gehad – dat het hele wereldgebeuren ook wijst op het gegeven dat er een totale verandering gaat plaatsvinden. Natuurlijk zijn wij maar mensen. We leven weliswaar bij het licht van het profetisch woord dat volmaakt is, maar wij als mensen trekken soms verkeerde conclusies, hebben verkeerde gedachten of bepaalde vooroordelen die niet kloppen. Dat kan allemaal zo zijn, maar louter het gegeven dat je bij het licht van dat profetische woord mag wandelen en deze tijd mag belichten, dat vind ik uniek. Werkelijk uniek!
Het loutere feit dat je ook in het hele huidige wereldgebeuren, elke dag dat je het nieuws leest of de krant openslaat, bepaald wordt bij schokkende gebeurtenissen en bij ontwikkelingen die we tot dusver echt nog nooit hebben gezien, hoeft ons niet te verbazen. De komende tijd gaan we nog heel wat beleven, dat kan niet anders. Wij zijn wakker en we bepalen elkaar daar ook bij. Dit woord is zo geweldig.
Zullen we het daarbij laten? De volgende keer hebben we nog een aantal avonden te gaan over dit thema. Ik weet nog niet helemaal zeker hoe ik het precies ga invullen, maar waarschijnlijk gaan we het op 20 maart hebben over de rekening van Anno Hominis: de jaartelling zoals die wordt gerekend vanaf Adam, vanaf het moment dat de mens er is. Hoe verhoudt die telling zich tot de huidige jaartelling zoals we die kennen als Anno Domini? Daarna zijn er nog een tweetal avonden te gaan. Ik houd nog even een slag om de arm, maar dat komt helemaal goed. Zullen we het hierbij laten en onze hemelse Vader nog dankzeggen voor wat Hij ons laat zien vanuit Zijn Woord.
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews