de dagen tellen (1) – Psalm 90: hoe lang nog?
19-09-2024 - Geplaatst door Andre Piet19 september 2024, Capelle a/d IJssel
Tijdens deze eerste avond verdiepen we ons in Psalm 90, een psalm van Mozes. In de kiem zullen daarbij alle sub-thema’s van het komend seizoen aan de orde komen. Hoe God aankijkt tegen millennia, de honderdtwintig jaar van Mozes’ leven verdeeld in drie gelijke delen en de veertig jaren op weg naar het beloofde land. Maar niet in het minst ook de klemmende vraag: hoe lang nog? Wanneer zal JAHWEH terugkeren?
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: het Profetisch Woord en de Dagen Tellen
- De Structuur van de Vijf Boeken Der Psalmen
- De Driedeling van Psalm 90
- Een Gebed van Mozes, de Man Gods
- Van Aion tot Aion Zijt Gij God
- De Sterveling Keert Weder tot Stof
- Duizend Jaren Zijn in Gods Ogen als Één Dag
- De Drie Nachtwaken als Blauwdruk voor de Historie
- De Mens Vergaat als het Gras
- Gods Toorn en de Veertig Jaren in de Woestijn
- Zeventig of Tachtig Jaren: de Grens voor de Woestijngeneratie
- Leer Ons Zó Onze Dagen Tellen
- Keer Weder O Jahweh: de Vraag Hoe Lang Nog
- Het Antwoord uit Hosea: Na Twee Dagen Herleven
- Laat Uw Werk aan Uw Knechten Openbaar Worden
- Vooruitblik op het Komende Bijbelstudieseizoen
Inleiding: het Profetisch Woord en de Dagen Tellen ↑ hoofdstukken
En ik gaf het zojuist al even in mijn gebed aan, en daarvoor ook al, dat we ons wederom gaan bezighouden met het profetisch woord. Goedenavond!
Het is wederom een onderwerp over het profetisch woord. In het voorgaande seizoen hebben we ons beziggehouden met de vier koninkrijken zoals het boek Daniël daarover spreekt, in het tweede en het zevende hoofdstuk. Eigenlijk hebben we ons een heel seizoen lang beziggehouden met wat daar staat geschreven, maar we hielden ons dus ook bezig met het verleden, met die koninkrijken die inmiddels achter ons liggen. In het bijzonder keken we ook naar dat Koninkrijk dat nog gaat komen — dat vierde Koninkrijk bedoel ik, het laatste Koninkrijk van menselijke makelij. De actualiteit van wat we toen hebben gezien van dat vierde rijk dat zich in het Midden-Oosten steeds vernietigender manifesteert… nou, ik zou zeggen dat we daar de afgelopen maanden en zelfs de afgelopen dagen alleen maar meer mee geconfronteerd zijn. Het is heel apart om dat allemaal vast te stellen. Trouwens, je mag aannemen — en dat zeg ik gewoon op basis van het nieuws als je daar niet helemaal een vreemde in bent — dat het einde daarvan nog niet in zicht is. Daarom denk ik ook dat ik niets teveel zei zojuist in het gebed: we leven toch wel in heel spannende tijden.
Het seizoen dat nu voor ons ligt, is wederom profetisch van aard, laten we maar zeggen. Het overkoepelende thema dat we aansnijden, heb ik de titel ‘De dagen tellen’ gegeven. Deze uitdrukking zullen we vanavond ook bezien wanneer we Psalm 90 gaan behandelen, want dat is het subthema voor vanavond. De aardigheid is dat ik er in de loop van de studie vanzelf achter kwam hoe in Psalm 90 eigenlijk een prachtige basis ligt voor al de avonden die nog gaan volgen en waarin we dit onderwerp willen behandelen. Hoe dat eigenlijk al in de kiem hierin wordt aangesneden; in die zin komt dat prachtig uit. Dat zullen we vanzelf nog wel zien.
Nog even over het overkoepelende thema, ‘De dagen tellen’. Dat heeft dus te maken met het nummeren van de tijden. Wij zeggen het ook wel: de dagen tellen of de dagen aftellen. Ook dat is nu de gedachte. Het heeft alles te maken met de wijze waarop God naar de tijd kijkt en hoe God rekent. Dat is anders dan wij mensen gewend zijn. Om op dat niveau te komen, is het eigenlijk logisch dat je moet gaan bepalen bij wat Hij heeft gezegd en wat Zijn gedachten zijn.
In de aankondiging heb ik ook geschreven dat dit seizoen feitelijk een vervolg is op een seizoen dat al ver achter ons ligt. Dat was in 2015-2016, waarin ik de serie ‘De Rekenmaar’ gaf. Daarin ben ik door de loop van de tijden gegaan, beginnend bij Adam. Zo zijn we door de eeuwen en de millennia heen gegaan. Puur op basis van de Schrift zelf hebben we de getallen ingevuld en opgeteld. Dat was het meest frappante: een Bijbelse chronologie vaststellen hebben al velen gedaan, maar wat we toentertijd hebben gezien, is dat de structuren zo volmaakt goddelijk zijn. Ik ga dat in dit seizoen natuurlijk niet overdoen, maar het is er wel op gebaseerd en het borduurt erop voort. Toen hebben we de blokken van tijd — de generaties, de decennia, de eeuwen, de millennia — als het ware op elkaar gestapeld. Nu dat gedaan is (en ik zal daar vaak aan refereren), kunnen we het hele bouwwerk bezien en vaststellen hoe bijzonder het geheel is. U weet: het geheel is altijd meer dan de som der onderdelen. De som der onderdelen was het onderwerp van 2015-2016; dit keer gaan we het hebben over de tijden in hun algemeenheid en hoe God telt.
De onderwerpen die daarbij voorbij zullen komen… ik heb daar aan het eind van de avond nog een diaatje van dat ik even zal laten zien. Het belooft een heel boeiend seizoen te worden, kan ik u al vertellen. U zegt: dat zegt hij natuurlijk altijd, of dat is pure reclame. Nou ja, dat weet ik niet, maar het is zo buitengewoon. Wat ik daarbij helemaal apart vind, is dat we dat nu mogen bespreken, nu deze dingen zo’n enorme en toenemende actualiteit krijgen.
De dagen tellen. Ik zei al dat het subthema Psalm 90 is, met daarbij de vraag: hoe lang nog? Die vraag is ontleend aan diezelfde psalm. Dat zullen we vanzelf in de loop van de avond, pas later trouwens, gaan bezien.
De Structuur van de Vijf Boeken Der Psalmen ↑ hoofdstukken
Eerst eventjes hoe we dit hoofdstuk aanvliegen. Want ja, aan Psalm 90 zijn 89 psalmen voorafgegaan. Wij zijn gewend om te spreken over ‘het boek der Psalmen’, maar dat is eigenlijk een misverstand. De Psalmen zijn namelijk geen boek, maar een verzameling van boeken, en wel van vijf boeken. Als u een fatsoenlijke bijbelvertaling hebt, dan zult u dat er ook bij zien staan. Of u nu leest in de NBG of de NBV, er staat altijd bij hoe die boeken zijn ingedeeld. En de grap is in dit geval: we gaan ons nu bezighouden met Psalm 90, en dat is de eerste psalm van het vierde boek der Psalmen.
Die telling is niet voor niks. Ik heb er al vaker op gewezen, maar ik vind het te apart om dit niet nog een keertje te zeggen. Ik hoor namelijk nog zo vaak spreken over de 66 boeken van de Bijbel. Iedereen die enige feeling heeft met typologie, die weet en die voelt op zijn klompen wel aan dat dat getal niet kan kloppen. Die dominantie van dat getal zes… en dan nog helemaal zonder verwijzing naar D66, want daar hebben we het nu niet eens over, hoewel sommigen daar natuurlijk wel meteen aan denken. Maar dat bedoel ik niet eens. Nee, het hele verhaal is dat als de Psalmen inderdaad geen één boek zijn maar vijf boeken, dat betekent dat er in de gangbare telling vier boeken te kort worden geteld. Toch? Dat betekent dat er geen 66 bijbelboeken zijn, maar vier meer, oftewel 70. En als je feeling hebt met typologie, dan weet je: aha! Inderdaad, 70. Het is niet alleen de volheid van zeven, het is trouwens ook nog eens het getal van de volkeren. Gods Woord voor deze hele wereld. Dat klopt helemaal.
Maar goed, dat eigenlijk allemaal terzijde. Die vijf boeken blijken overigens weer prachtig samen te vallen met de eerste vijf boeken van de Bijbel. Die worden dikwijls aangeduid met een duur woord: de Pentateuch. ‘Penta’ betekent vijf; het gaat daarbij over de vijf boeken van Mozes. Het aardige is — zonder dat nu direct aan te tonen — dat die eerste 41 psalmen, het eerste boek der Psalmen, overeenkomen met Genesis. Het tweede boek van de Psalmen, Psalm 42 tot 72, komt overeen met Exodus. Het derde boek, van Psalm 73 tot en met 89, komt overeen met Leviticus. Waarom dat zo is, is nu niet aan de orde. Neem dat maar even van mij aan. Als u het niet aanneemt, dan moet u het zelf maar eens uitzoeken en dan zult u waarschijnlijk dezelfde conclusie moeten trekken, denk ik zo.
En dan het vierde boek. Dat komt overeen met het boek Numeri. In het Hebreeuws heet dat boek ‘In de wildernis’ of eventueel ‘In de woestijn’, want daar gaat Numeri dan ook vooral over. Trouwens, daar zullen we het straks ook nog over hebben. Ten slotte het vijfde boek, Psalm 107 tot en met 150; dat is eigenlijk het grootste psalmenboek en het komt overeen met Deuteronomium, de ’tweede wet’. Dat zijn dus de verschillende boeken. Ik heb hiermee nu heel kortweg even de plaats aangestipt die de 90ste psalm in het totaal van de boeken der Psalmen heeft. En dan nu even voor de goede orde.
De Driedeling van Psalm 90 ↑ hoofdstukken
Psalm 90 valt uiteen in drie delen; ook dat is tamelijk onmiskenbaar. Hoewel de precieze indeling soms wat verschilt, is het bekend dat de psalm in drie delen uiteenvalt. Trouwens, hou die gedachte ook even vast. Dat is ook niet zo gek, want dat heeft weer alles te maken met Mozes en ook met het onderwerp van dit hele seizoen. Dat is cryptisch, dat geef ik toe, maar hou het even vast; het wordt vanzelf helder.
In Psalm 90 gaan de eerste vier verzen over de vergankelijke mens, in tegenstelling tot de onvergankelijke God. Ik ben van reformatorische huize en wij hadden thuis de gewoonte — ik weet dat sommigen dat zullen herkennen — dat op oudejaarsdag of oudejaarsavond vooral Psalm 90 werd voorgelezen. Dat was omdat het daar inderdaad gaat over de mens die eigenlijk komt en weer gaat. We zijn allemaal voorbijgangers tegenover de God der aionen, de God van de eeuwen.
De eerste vier verzen gaan daarover, en dan gaat vers 5 tot en met vers 12 over de veertig jaren van toorn. Dat deel is trouwens wel heel apart hoor, want als ik dat zo aangeef, zal blijken dat dit een heel belangrijke uitlegkundige sleutel is voor deze psalm. Je kunt deze psalm eigenlijk alleen maar begrijpen wanneer je weet wie de auteur is en dat vooral deze verzen te maken hebben met die veertig jaren in de woestijn. Weet u wel, dat Israël geteld werd? Numeri, dus ja.
Het laatste deel van de psalm, het derde deel, gaat over Jahweh, de Here, die weer terugkeert tot Zijn volk en hen gaat zegenen. Inderdaad, het is het derde deel en dan mag je dit ook verwachten. Ziet u? Ik hoop tenminste dat u momenteel al typologisch — nee, theologisch juist niet, typologisch bedoel ik — ook al een beetje op stoom bent gekomen en voelt van: aha, dat is het dus. In het derde deel van de psalm gaat het over Jahweh die terugkeert. Nou, een hele eenvoudige structuur; ik laat het even hierbij. Laten we gewoon dan toch bij het begin beginnen.
Een Gebed van Mozes, de Man Gods ↑ hoofdstukken
En dit is, staat er, ik lees het in een gegeven vertaling met af en toe daar een correctie op: een gebed van Mozes. Dat staat boven de psalm. En de man Gods. Dat is wel een uniek gegeven, want alleen deze psalm – ik denk trouwens ook Psalm 91, de navolgende psalm, maar dat even terzijde – zijn eigenlijk twee psalmen die bij elkaar horen en allebei van de hand van Mozes zijn. Maar in ieder geval, alleen hier tref je zijn psalm aan, van Mozes. De rest is, zoals u weet, voor het grootste gedeelte gecomponeerd door David, Salomo en Korach, etcetera. Maar Mozes is degene die deze psalm heeft geschreven en dat zal vanzelf ook wel blijken uit de inhoud. ‘Uit het water getrokken’, dat is wat zijn naam betekent. Het betekent eigenlijk een man die in de doodswateren was gelegd en daaruit opgetrokken was.
In dit vierde boek van de psalmen wordt zijn naam zeven keer vermeld. We zullen dit seizoen heel vaak stuiten op bepaalde getallen: twee, drie, het getal veertig, maar ook het getal zeven. De volgende keer gaan we het hebben over zeven als een blauwdruk van eigenlijk de hele heilsgeschiedenis. De scheppingsweek met de zes dagen en de zevende dag als een ontwerp van heel de wereldgeschiedenis tot aan de grote shabbat, het vrederijk, aan toe. Maar het is heel apart dat zijn naam in dit vierde boek zeven keer wordt vermeld, en hij is de man Gods. En Therese begrijpt heel goed waarom ik dat zo zeg natuurlijk. Ja, de man heet dus zo; dat weet niet iedereen, maar wij maar al te goed: Mozes, de man Gods.
Trouwens, die moet ik wel even corrigeren, want ik vind dat wel leuk. Dat is niet zozeer kritiek op de vertalers, maar er staat in onze vertaling ‘de man van God’ of ‘de man Gods’. Maar dat bepaalde lidwoord is eigenlijk verdwaald, want het hoort namelijk niet bij de man, maar bij de God. En dat staat er dan weer niet. Het is niet ‘de man Gods’, maar het is ‘een man van de God’. Dat bepaalde lidwoord moet je natuurlijk niet bij de mens zetten, bij de man, maar bij God. Waarvan akte.
En heel apart, ja, die had je kunnen verzinnen: er zijn zeven mannen in de Bijbel die bij name zo genoemd worden, namelijk mannen Gods. Noem er eens een paar? Ja, Mozes indeed. We hebben hier Samuël, die wordt zo genoemd. Ik heb de lijstjes er maar bij geleverd, ik ga ze natuurlijk niet allemaal na. Dit is misschien even voor de statistiek, maar het is wel heel apart. David heet een man Gods. Elia, maar ook zijn opvolger Elisa heette zo. Semaja, die is erg onbekend, die heette ook zo. En deze is helemaal onbekend: Jigdaljahu. Zijn naam komen we in Jeremia tegen en hij wordt inderdaad ook man Gods genoemd. Nou ja, daar zou een bijbelstudie op zich in zitten. Dat is een suggestie: als jullie een bijbelstudie moeten geven, zou je die kunnen geven over de man Gods en waar hij allemaal voor staat, en dan kun je deze zeven namen zo de revue laten passeren.
Het gebed van Mozes, de man Gods, vangt zo aan: “Heer”. Hier wordt niet de godsnaam genoemd maar echt Adonai of Heer, dus ons woord Heer. “Gij zijt ons een toevlucht geweest, van geslacht tot geslacht.” Dat is dus iets wat Mozes zegt en ik vind het wel mooi om dan te vermelden dat Mozes – als we het dan toch over een overzicht van de tijden hebben – de 26ste generatie is, gerekend vanaf Adam. En u zegt: ja, en?
Nou, ik heb ooit een keertje deze dia laten zien, maar dan krijg je dus deze indeling. Deze indeling begint bij Adam en eindigt bij nummer 26: Mozes. Die is onder te verdelen in vier tijdvakken: de tijd tot de zondvloed, de tijd daarna tot aan de verdeling van de aarde en de volkerenwereld, vervolgens de namen tot aan Izak, en de laatste vijf generaties vanaf Jakob gerekend tot Mozes. Waarom zeg ik dat? Omdat dit opgeteld 26 generaties zijn, en daarmee krijg je tevens de naam van God. Want de naam van God, dat is Yahweh, bestaat uit vier letters: Yud, He, Waf en He. Hebreeuwse letters zijn ook cijfers. De Yud staat voor tien en de He staat voor vijf. Een ‘heitje’, dat waren vijf stuivers, een kwartje toch? Zelfs via de link met het Nederlands kom je nog een heel eind. Die letters zijn dus niet alleen letters waaruit de naam van God is opgebouwd, maar het zijn ook getallen. Dan krijg je inderdaad de tien, de vijf, de Waf – de zesde letter die verbindt – en dan weer de vijf, zodat de naam van God eigenlijk ook het getal 26 is.
Daar is heel veel over te melden, maar dit zeg ik nu eventjes omdat de naam van God staat voor het getal 26. En wanneer heeft God zijn naam ook gegeven? Aan wie? Aan Mozes. Ja, dus dat soort rijkdommen en dat soort getalstructuren vind je daar, waarin in feite ook de tijdlijn en de generatietelling is opgenomen. Dus wat wij doen, wat ik vertel deze avonden, is tellen. God telt ook op een hele speciale manier en dat zie je zelfs in de woorden en in de namen. Woorden zijn namelijk ook gewoon getallen; het vertegenwoordigt een getalswaarde.
Kijk eens aan, dankjewel. Ik ben niet zozeer dorstig als wel… ik heb gauw last van een droge keel. Degene die mij wel eens vaker hoort spreken weet het al lang, daar moeten we mee leren leven. Dus, dat even over ‘van geslacht tot geslacht’. Mozes kijkt dus generatie op generatie terug: “Bent U onze toevlucht geweest, eer de bergen geboren waren en Gij de aarde en de wereld had voortgebracht”, als door barensweeën heen. Dat is het Hebreeuwse woord wat hier gebruikt wordt.
Van Aion tot Aion Zijt Gij God ↑ hoofdstukken
Ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God. Waarom ik dat ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’ heb doorgestreept, zal voor de meesten van jullie geen verrassing zijn. Maar ik moet dan toch maar even dit zeggen: dat is niet omdat ik niet geloof dat God er altijd al was en er ook altijd zal zijn. Natuurlijk, dat is nogal logisch. Maar dat is niet wat deze woorden uitdrukken.
Het staat hier in het Hebreeuws en dat is heel interessant. Want exact dezelfde uitdrukking die hier vertaald wordt met ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’, komt in Jeremia 7 vers 7 van de NBG-vertaling ook weer voor. En weet u wat men daar vertaalt? Van eeuw tot eeuw. Dus als je dezelfde uitdrukking in Jeremia 7 vers 7 leest, dan vertaalt men ‘van eeuw tot eeuw’. En waarom dan hier in Psalm 90 ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’? Ja, ik kan het wel argumenteren hoor, dat men zegt: ‘God was er altijd al, dus we gebruiken hier eeuwigheid.’ Maar dat is geen correcte manier van denken.
Het is gewoon het Hebreeuwse woord wat hier gebruikt wordt, olam, dat overeenkomt met het Griekse woord aion. Olam en aion komen met elkaar overeen en de gedachte is: al die generaties van geslacht tot geslacht, en van aion tot aion of van eeuw tot eeuw. Ik heb op zich niet zoveel moeite met het woord ‘eeuw’, als je je tenminste maar realiseert dat het niet te maken heeft met honderd jaar, wat bij ons de specifieke gedachte is. Nee, het is gewoon meer een wereldtijd.
Van wereldtijd tot wereldtijd, van aion tot aion bent U de God, bent U God. En zo is het. En vandaar ook dat elke generatie volledig op Hem aan kan en in Hem ook een toevlucht vindt. Dus ook hier zou de vertaling moeten luiden: van eeuw tot eeuw, van aion tot aion bent U God.
De Sterveling Keert Weder tot Stof ↑ hoofdstukken
En dan vers 3: “Gij doet de sterveling wederkeren tot stof en zegt: Keer weder, gij mensenkinderen,” of letterlijk: “gij zonen van Adam.” Dat is wat er letterlijk staat. Je kunt dit op twee manieren lezen, namelijk als twee parallelle zinnen. Dat wil zeggen: Gij doet de sterveling wederkeren tot stof, oftewel: “Keer weder, gij mensenkinderen,” namelijk tot stof. Dat geeft een goede zin.
Je zou het ook anders kunnen lezen, namelijk als opeenvolgend. Eigenlijk weet ik niet zo goed of ik een keuze moet maken, want beide geven een hele goede zin. Er wordt immers twee keer over wederkeren gesproken. De eerste keer betreft de sterveling die weerkeert tot stof. Dat is de waarheid die we in de eerste hoofdstukken van Genesis tegenkomen: stof ben je en tot stof zul je wederkeren.
Als je het opeenvolgend leest, dan krijg je de gedachte: eerst keert de mens weer tot stof. In feite is sterven ook een terugkeer; je bent gewoon weer terug bij af. Je wordt weer verzameld bij je voorouders. “Hij werd vergaderd tot zijn vaderen,” zo staat het zo dikwijls in onze Bijbelvertalingen. Eigenlijk ben je weer terug bij af. Het is in die zin gewoon ’the circle of life’. Je bent uiteindelijk weer daar waar je begon.
Als je het opeenvolgend leest, dan is het: Gij doet de sterveling wederkeren tot stof, en God zegt daarna vervolgens: “Keer weder, gij mensenkinderen” of “zonen van Adam.” Dat is ook een mooie gedachte. Ik maak geen keuze, maar dan krijg je dus het idee: de mens keert terug tot het stof. Dat is wat we allemaal kennen en weten, en waar we mee te maken hebben. Maar God zelf verklaart ook, Hij zegt: “Keer weder,” namelijk tot het leven waar jullie ooit waren. Dat wil zeggen: sta op! Dat is ook een terugkeer in het bestaan. Weliswaar een hele ronde verder, maar dat is ook cyclisch, toch? Want ook als je een rondje maakt, kun je zeggen dat je weer terug bent in de oorspronkelijke positie.
Je kunt zeggen: ik ben hier met de auto gekomen of met de fiets, dat maakt niet uit, maar een wiel komt iedere keer in dezelfde positie en toch kom je verder. Gelukkig wel. In feite is dat hier dan ook de gedachte: daarna keert de mens ook weer op Gods woord terug, namelijk in de opstanding. Zoals in Adam — want het gaat hier over de zonen van Adam — allen sterven, zo zullen in Christus, de laatste Adam, allen worden levend gemaakt. En dat is een terugkeer, jawel, maar je bent dan ook werkelijk weer verder. Oké, dus beide gedachten zou je kunnen verdedigen.
Duizend Jaren Zijn in Gods Ogen als Één Dag ↑ hoofdstukken
Dan vervolgens in vers 4. Dit is een heel centraal vers in deze hele serie. Afgelopen zondag mocht ik hier in de buurt spreken bij Eben-Haëzer en toen heb ik hier ook nog naar verwezen, want het ging ook over deze waarheid. Toen was het trouwens naar aanleiding van 2 Petrus 3 vers 8, waar Petrus aan het einde van zijn leven zegt dat men bedacht in termen van decennia dat de Heer terug zou keren, maar dat je ervan uit moet gaan dat je moet denken in termen van millennia.
Je spreekt dan twee keer over een dag en twee keer over duizend jaren. Waaraan Petrus dat ontleent? Dat is niet een uitspraak die hij gewoon ‘out of the blue’ doet. Nee, het is gebaseerd op wat je in de Psalmen leest, en wel hier. Mozes heeft dit ooit al opgetekend: “Want duizend jaren” – een millennium dus – “zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is.”
Kortom: een dag is als duizend jaar. Petrus herhaalt het, maar dan door het om te keren, om daarmee aan te geven hoe belangrijk dat is. Hij zegt er ook bij: “Dit ene mag u niet ontgaan.” Het is kennelijk een buitengewoon belangrijke waarheid als we willen weten hoe God rekent. En staat er ook dat die dag al voorbij is? Ja, als de dag voorbijgegaan is, dan is die dag van gisteren dus een complete dag van duizend jaren.
Zijn die duizend jaar nu voorbij of bijna voorbij? Welke duizend jaren? Tweeduizend jaar? Oh, tweeduizend… Ja, er zijn al heel veel duizenden jaren voorbij. Ik gaf het al even aan: we zullen over deze dingen dit seizoen natuurlijk veel dieper op ingaan, maar hier aan de hand van Psalm 90 stuiten we daar direct op. We hebben het al gehad over aionen, over wereldtijden, maar nu hebben we het ook over een millennium en hoe God dat beschouwt.
Het hele idee is natuurlijk – want dat is meestal de gangbare uitleg – dat wij maar voorbijgangers zijn en hier een aantal decennia verblijven, ‘and that’s it’. Maar daar staat de grote God tegenover, en voor Hem zijn duizend jaren als één dag. Meestal interpreteert men dat alsof er voor Hem geen tijd bestaat, maar dat is niet correct. Weliswaar zijn voor Hem duizend jaar als één dag – Hij denkt op een totaal ander niveau – maar het is van belang dat Hij het zo formuleert en niet andersom of op een andere wijze. Het is heel consequent dat als hier gesproken wordt over hoe God rekent, er inderdaad staat dat duizend jaren in Zijn ogen zijn als de dag van gisteren wanneer die voorbijgegaan is. We gaan het daar nog heel vaak over hebben.
De Drie Nachtwaken als Blauwdruk voor de Historie ↑ hoofdstukken
En er staat nog iets bij: duizend jaren zijn in Zijn ogen als de dag van gisteren wanneer die voorbijgegaan is, en als een nachtwake. Dat woordje ‘als’ moet je eigenlijk doorstrepen; heb ik ook gedaan, want dat staat er niet. In feite wordt hier een millennium vergeleken met een dag, namelijk voor de Heer, voor Hem, in Zijn ogen. Maar het wordt niet zozeer vergeleken met een nachtwake; het wordt er in ieder geval mee in verband gebracht. Dus duizend jaar wordt vergeleken met één dag voor Hem, en niet ‘als een nachtwake’ in de zin van een directe vergelijking.
Je kunt zeggen: dat is gewoon een ellipsis en je moet het woordje ‘als’ hier weer invoegen. Nou, dat is maar de vraag. Het wordt in ieder geval in verband gebracht met een nachtwake, en dit is een vrij nieuw gegeven voor mij. Ik stuitte daarop en vond dat weer zo apart. Want ik dacht — en die gedachte was niet onjuist op zich, maar wel incompleet — dat de Bijbel vier nachtwaken onderscheidt. En dat klopt, je leest in het Nieuwe Testament dat er wordt gesproken over vier nachtwaken. In Marcus 13 bijvoorbeeld wordt er gesproken over de tweede en derde nachtwake, over de avond, te middernacht en bij het hanengekraai of ’s morgens vroeg; ja, vier nachtwaken. Maar dat is de Romeinse telling.
Dan heb je dus een cyclus van twaalf uren; de dag telt twaalf uren en de nacht telt twaalf uren. Romeins ingedeeld krijg je dus een indeling van vier: vier keer drie uren. Toen ik daar even op zat te zoeken in de Bijbel, kwam ik erachter dat de Hebreeën in het Oude Testament niet vier nachtwaken onderscheiden, maar drie. De Hebreeën kennen drie nachtwaken en ik zal ze ook noemen. In Klaaglieden 2 wordt er gesproken over de eerste nachtwake, dat wordt dan genoemd ‘het begin van de nachtwaken’. En in Richteren 7 wordt er gesproken over ‘de middelste nachtwake’, wat trouwens al aangeeft dat hier niet geteld wordt met vier, want bij vier heb je geen middelste. Of je hebt er twee, dat kun je ook nog verdedigen natuurlijk, maar nee, je hebt niet ‘de middelste’ in het enkelvoud. Dat is trouwens ook het argument dat de Hebreeën drie nachtwaken onderscheiden. De middelste nachtwake en de derde nachtwake worden verschillende keren genoemd in Exodus, maar ook in Samuël. Ik vermeld de teksten erbij voor degene die het gewoon wil checken uiteraard. Dat doe ik nu hier niet, want dan hebben we aan één seizoen tekort. Maar de derde wake heet dan de morgenwake. Dat wil zeggen: de wake die leidt tot zonsopgang, en dat is dan rond zes uur.
En u weet: elke dag telt gemiddeld, waar je ook bent, twaalf uur. En een nacht dus ook. Bij ons in het voorjaar of in de zomer is dat veel meer, maar gemiddeld telt een dag twaalf uur — wat zei ik daar, zes uur? Nee, twaalf uur — ongeacht waar je bent. Trouwens, dat zegt de Heer Jezus ook: ‘Gaan er geen twaalf uren in een dag?’ En ja, dus ook twaalf uur in de nacht. Vandaar dat als de nacht in drieën gedeeld wordt, je drie keer vier uren krijgt. Dat is nogal logisch.
Waarom vond ik dit zo apart en waarom heb ik dit klokje er ook bij vermeld, de twaalf? Wel, omdat die drie nachtwaken ook weer een representatie zijn van zesduizend jaar menselijke historie. Dat moet ik even toelichten. Die twaalf gedeeld door drie — drie keer vier dus — komt ook weer overeen met het leven van Mozes. Want u weet, of u weet het niet maar dat zeg ik u nu: Mozes werd honderdtwintig jaar oud en zijn leven is verdeeld in precies drie keer veertig jaar. Vanaf het moment dat hij uit het water getrokken werd tot aan het moment dat hij voor Farao vluchtte — toen was hij veertig jaar, dat wordt expliciet vermeld — heeft hij vervolgens veertig jaar in de woestijn een leerschool van Gods wegen moeten doorgaan als schaapherder. En de laatste veertig jaar heeft hij zijn volk geleid uit Egypte tot aan de grens van het beloofde land. Daar mocht hij niet ingaan, want dat was weggelegd voor Jozua. In ieder geval krijg je dus een indeling van de nacht die eigenlijk overeenkomt met het leven van Mozes, dat ook ingedeeld is in drie keer veertig jaar.
Maar ik zal u dit vertellen: dat is ook de menselijke geschiedenis. Want die veertig jaren kun je ook rekenen als veertig jubeljaren. U weet — maar daar gaan we het ook nog wel over hebben — elk vijftigste jaar is een jubeljaar. Dat is een instelling die God trouwens ook weer in de dagen van Mozes gaf. Een eeuw bevat dus twee jubeljaren, en vijfhonderd jaar zijn tien jubeljaren. De periode van Adam tot Abraham is precies tweeduizend jaar. Dat zijn dus, als je het in jubeljaren uitdrukt, veertig jubeljaren: veertig cycli van jubeljaren, veertig periodes met iedere keer een interval van negenenveertig jaar. Hetzelfde heb je dan weer bij de tweede periode van veertig jubeljaren, van Abraham tot Christus. Die is een beetje globaal, maar voor het gemak reken ik nu even zo — eigenlijk tot de dood van Stefanus, maar goed. Ook weer tweeduizend jaar, van het jaar 2000 tot 4000, dus ook weer veertig jubeljaren.
Vervolgens komt de laatste nachtwake overeen met het laatste deel van Mozes’ leven, toen hij Israël door de woestijn leidde. In feite komt het overeen met de tijd van het jaar 4000 tot aan het jaar 6000, gerekend vanaf Adam. Oftewel: het begin van het zevende millennium. Dat zijn in totaal zes millennia. Eigenlijk zijn het ook weer veertig jubeljaren. Bent u er nog? Echt moeilijk is het niet, maar ik kan me voorstellen dat het tellen u duizelt als u de hele dag achter een calculator hebt gezeten. Maar goed, dat moet u dan maar voor lief nemen.
Veertig jubeljaren dus. Die zesduizend jaar menselijke geschiedenis, die zes millennia, is het klokje rond. Dat zijn zestig eeuwen. Elke minuut op de klok staat feitelijk voor een eeuw. En zesduizend jaar menselijke geschiedenis is trouwens ook een nacht, hoor, dat moet ik erbij zeggen. Want het is het gezwoeg en getob van de mens; dat is per definitie nacht, heel donker en duister. Maar ziet u hoe geweldig dat is ingedeeld en hoe juist Mozes over deze dingen spreekt? Hij brengt de wijze waarop God telt en de millennia in verband met nachtwaken. Hij zegt niet dat duizend jaar voor Hem precies hetzelfde is áls een nachtwake, maar hij brengt het op de een of andere manier met elkaar in verband.
Wat is dat verband dan? Nou, als je daar de loep op legt, is dat onmiskenbaar. Die zesduizend jaar menselijke geschiedenis is inderdaad in drieën te verdelen: drie keer veertig jubeljaren, wat overeenkomt met de drie keer vier uren van de nachtwaken. Apart hè, heel apart, zulke parallellen. Dat is typologisch denken. Dat wil zeggen: je zou kunnen zeggen dat het een niet causaal met het ander te maken heeft. Nee, dat is waar, maar het zijn wel lijnen; je kunt van het een op het ander springen. Ze lopen parallel en drukken allemaal dezelfde gedachte uit; er hangt hetzelfde concept aan. Wat ook logisch is als het allemaal — als ik het met eerbied mag zeggen — uit het brein van God voortkomt. Hij denkt zo. Hij brengt zulke structuren tot uitdrukking. En het loutere feit dat wij spreken over uren…
De Mens Vergaat als het Gras ↑ hoofdstukken
We gaan weer even terug naar Psalm 90, want ik moet uiteindelijk wel in vers 17 belanden. We hebben nog even te gaan. Hoe was het ook alweer? “Duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren wanneer hij voorbijgegaan is, en als een nachtwake.” Zo staat het daar. “Gij spoelt hen weg; zij zijn…” En dan moet je het woordje ‘als’ eigenlijk wegstrepen. De mensenkinderen worden hier namelijk niet alleen vergeleken met een slaap; zij zijn een slaap. In de Statenvertaling is de lezing overigens anders, en die volg ik hier eigenlijk ook. De mensenkinderen worden weggespoeld in de slaap, namelijk de doodslaap. Dat is natuurlijk een heel bekende Bijbelse voorstelling van zaken: dat de dood eigenlijk een slaap is. Vandaar ook dat je daar weer uit ontwaakt; dat is feitelijk wat ‘slaap’ uitdrukt. Je gaat dood, maar wij halen daar als mens in geloof onze schouders over op. Want wij kennen een God die triomfeert over de dood en die weer doet wederkeren. Hij doet de zonen van Adam wederkeren uit de dood, want de dood is voor Hem een slaap. Voor ons is het het einde; verder kun je niet. Maar voor Hem niet. Voor Hem is het geen punt, maar een komma. Dat is het verschil. Het verschil moet er zijn, nietwaar?
“Gij spoelt hen weg; zij zijn een slaap.” Dat wil zeggen: de mensen zijn gewoon een slaap en die worden weggespoeld. Het beeld is dat van een rivier die met kracht iets wegspoelt. Of denk aan een voetafdruk op het strand; er komt een golf aan die de hele afdruk wegspoelt en je ziet er niets meer van. Nou, dat is de mens dus. Die wordt weggenomen in de slaap, namelijk door te sterven.
“In de morgen zijn zij…” — en dan kom je nog een vergelijking tegen. In de morgen zijn de mensenkinderen, de zonen van Adam (want daar gaat het hier over: de sterveling), als het gras dat opschiet. In de morgenstond bloeit het en schiet het op, en ’s avonds verwelkt het en verdort het. All we are is dust in the wind. Dat is het. Wat hier vooral benadrukt wordt, is dat de dag waarin de mens opschiet — de morgen — dezelfde dag is als die waarop hij aan het eind weer weg is. In de dag dat de mens opschiet, verdort hij ook weer. Dat is die hele korte cyclus van een mensenleven. En die is trouwens wel heel apart, want de gedachte is: de mens komt in de morgen, en aan het einde van de dag is het voorbij.
Die gedachte moet u vasthouden, want daar gaan we ons later in het seizoen ook nog mee bezighouden. Ik weet nog niet precies hoe, maar dat komt wel. Want hoe was het ook alweer wat God tegen Adam had gezegd? “Ten dage dat gij daarvan eet” — van die boom van kennis van goed en kwaad — “zult gij stervende sterven.” Zo staat het er letterlijk. “Zult gij voorzeker de dood sterven.” Daarover is al heel wat gespeculeerd, maar ik denk dat het hier simpelweg over God gaat. Voor Hem is namelijk één dag als duizend jaar.
God zei tegen Adam: “In de dag dat je daarvan eet, zul je stervende sterven.” Maar hoe is dat voor God? Is Adam op datzelfde moment meteen overleden? Nee, we weten dat hij 930 jaar werd. Maar voor God is hij in diezelfde dag nog gestorven. Stervend was hij stervende. En het aardige is — tussen aanhalingstekens — dat je dit bij alle mensen ziet. Zelfs de oudste, Methuselah, werd 969 jaar. Maar geen van hen passeerde ooit de grens van de duizend jaren. In dezelfde dag dat hij opkwam, opschoot en bloeide, verwelkte en verdorde hij ook weer, en keerde hij terug naar de aardbodem waaruit hij genomen was. Allemaal op dezelfde dag, althans voor God. Feitelijk wordt dat hier ook weer gezegd: de mens wordt vergeleken met gras dat opgroeit, maar op dezelfde dag weer verdort. We worden hier dus via een andere route bij dezelfde waarheid bepaald, namelijk dat in de dag dat de mens opkomt, hij ook weer sterft. Voor God is dat gewoon zo, als je tenminste rekent zoals Hij rekent: namelijk duizend jaar als één dag. Want ik volg hier eigenlijk ook een nieuw gedeelte.
Gods Toorn en de Veertig Jaren in de Woestijn ↑ hoofdstukken
Want wij vergaan door Uw toorn, door Uw grimmigheid worden wij verdelgd. In het algemeen – dat zeg ik trouwens met diezelfde reformatorische achtergrond waar ik het net over had, want daar past het helemaal in – wordt vaak gedacht dat hier in het algemeen gesproken wordt over de mens die vergaat, sterft en omkomt door Gods toorn. Ik denk niet dat dit de gedachte is. Het gaat hier namelijk niet zozeer over de mensenkinderen in het algemeen, maar over de generatie van Mozes. En dan klopt het helemaal. Want inderdaad is die generatie vergaan door Gods toorn en grimmigheid; zij werden verdelgd. Waar vind je dat? In Numeri, inderdaad dat vierde boek van de Bijbel.
In Numeri 14 staat dit – laat ik het even goed voorlezen, want de reden wordt in deze perikoop ook aangegeven: “In deze woestijn,” wordt via Mozes tegen Israël gezegd, “zullen uw lijken vallen. Namelijk zovelen als er van u geteld zijn naar uw volle getal, van twintig jaar oud en daarboven, omdat gij tegen Mij gemord hebt.” Overigens, degenen die hier geteld worden, dat zijn de mannen die strijdbaar waren. Ik zeg het er alvast even bij: in Numeri – de naam van het boek zegt het al – gaat het om de mensen die genummerd en geteld worden. En wie werden geteld? Dat lees je in Numeri 1 vers 2 en 3 al: dat zijn degenen die geselecteerd waren om op te trekken in de strijd. De reden waarom ik dit vermeld, wordt straks vanzelf nog duidelijk.
Als ik dan een paar verzen oversla, staat er in datzelfde hoofdstuk 14: “Overeenkomstig het aantal dagen gedurende welke gij het land verspied hebt, veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten.” Veertig dagen waren de verspieders in het land. Toen ze terugkwamen, geloofde Israël het niet. Trouwens, de verspieders zelf geloofden het ook niet, op twee na: Jozua en Kaleb. Maar dan wordt dit gezegd: overeenkomstig die veertig dagen zult gij veertig jaar lang uw ongerechtigheden boeten. Dus weer wordt het getal veertig als uitgangspunt genomen, maar nu niet op het niveau van dagen, maar op het niveau van jaren. Dit fenomeen zullen we nog vaker tegenkomen: het getal houdt stand, maar er wordt op een ander niveau geteld. Feitelijk deed ik dat net ook al toen we het hadden over die veertig jubeljaren. “Voor elke dag,” staat er, “één jaar.” Dus elke dag dat zij het land verspied hebben, werd een jaar, “opdat gij weet wat het betekent als Ik Mij afkeer.” God is verbolgen hierover en daarom zou Israël veertig jaar in de woestijn bivakkeren.
Het gaat hier inderdaad over de getelde strijdbare mannen. “Gij stelt onze ongerechtigheden voor U; onze heimelijke zonden in het licht van Uw aanschijn.” Dat wil zeggen: God doorziet de motieven. Hij doorziet wat hier aan de hand was. Het ging er niet simpelweg om dat mensen zulke slechte dingen deden, maar het ging erom dat ze niet vertrouwden op wat God gesproken had. God had gezegd: “Jullie krijgen het land, er is niets voor te doen.” Maar die mannen zeiden: “Ja, maar er lopen zulke indrukwekkende figuren rond, dat krijgen we nooit voor elkaar.” Maar God had het beloofd. Er is niets wat Hij zo honoreert – niet als prestatie, zo bedoel ik het niet – maar er is niets wat God zo honoreert als dat men Zijn woord voor betrouwbaar houdt en ‘amen’ zegt op wat Hij gesproken heeft. Ook al zegt de hele wereld dat het anders is, Hij heeft gesproken.
Vers 9 zegt daar nog bij: “Want al onze dagen gaan voorbij door Uw verbolgenheid.” Al die veertig jaren dat wij hier in de woestijn zijn, zegt Mozes, gaan voorbij door Uw verbolgenheid. “Wij voleindigen onze jaren als een gedachte.” Een kort moment. Nogmaals, het gaat hier specifiek over de jaren van toorn; de jaren dat Mozes zijn volk leidde in de woestijn. Dáárop is dit van toepassing.
Nu aarzel ik even… Nee, we gaan het nu parkeren. Ik stel voor dat het negen uur is en dat we eerst even pauzeren. Daarna pakken we de draad op bij vers 10 van Psalm 90. We maken de pauze niet al te lang, want de dagen van onze jaren zijn maar kort. Voordat we de draad weer oppakken waar we hem voor de pauze hebben losgelaten, wijs ik er nog even op dat we aanstaande zaterdag hopen weer in Maarn te zijn. Net als vorig jaar aan het einde van september houden we daar een Goedbericht-conferentie, een studiedag. Er is nog wat ruimte, inmiddels zijn er al dik over de 130 aanmeldingen. Het wordt erg op prijs gesteld als u zich even opgeeft, zodat de organisatie daar rekening mee kan houden. U kunt zich ook opgeven voor een lunch. Het is zeer aanbevolen, want we gaan het over een heel profetisch onderwerp hebben. Eigenlijk is het een vervolg, want vorig jaar ging het over de wegrukking van de ecclesia. Volgende week zaterdag zullen we ons gaan bezighouden met wat er na de wegrukking, met name hier op aarde, gaat gebeuren. Dat is een onderwerp waar heel veel over te melden is. De sprekers zijn ondergetekende en Gerard Aldijn. Bij dezen is dat aangekondigd, u bent van harte welkom.
Dan gaan we nu verder met die negentigste psalm. Negen verzen daarvan hebben we al gezien en we zagen met name in het laatste deel voor de pauze dat er sprake is van een logische reis. De generatie die Mozes uitleidde naar het beloofde land, maar waar een stop kwam. Men had eigenlijk al na twee jaar in het beloofde land kunnen zijn, maar daar kwamen 38 jaren bij. Het werden er dus veertig. Die tijd wordt ook duidelijk afgemeten en daar gaan we nu verder op door.
Zeventig of Tachtig Jaren: de Grens voor de Woestijngeneratie ↑ hoofdstukken
Want dan komen we bij vers 10. Daar staan deze woorden, en ik heb ze al zo vaak aangehaald gehoord en ik heb ze zelf trouwens ook heel vaak aangehaald in verband met de leeftijden waarmee wij rekenen. Op zich is daar niks mis mee, want het klopt wel aardig. En toch denk ik niet dat het hier in Psalm 90 gaat over de mensheid in het algemeen, en ook niet over de leeftijden die wij bereiken, maar over de leeftijden in de woestijn. Dáár gaat het hier over en dat wil ik graag nog eens wat onderstrepen.
“De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren.” U zegt: “Nou, dat komt aardig overeen met onze beleving.” De gemiddelde leeftijden zijn de laatste decennia weer wat aan het stijgen, maar dit is inderdaad een lijn die wel klopt. Dat is ook zo. Maar ik moet er meteen bij zeggen: eigenlijk, als je het ziet in het licht van Mozes, dan was die wel echt een uitschieter. Want hij werd honderdtwintig. Dus aan het einde van de woestijnreis, toen men op het punt stond het land binnen te gaan, had Mozes inmiddels de leeftijd van honderdtwintig jaar bereikt.
Dat was een grote uitzondering. Ik noemde zojuist de namen van Jozua en Kaleb. Van Kaleb lezen we dat hij, toen hij het beloofde land inging, vierentachtig jaar was. Ja, ook een gezegende leeftijd. En dan lees je ook nog trouwens dat hij… ja, ik weet niet meer precies hoe het er staat, maar even profaan gezegd: hij was nog buitengewoon fris en fruitig.
“De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren.” Ik zei al: dit gaat specifiek over de dagen van de generatie in de dagen van de woestijnreis. De getelde strijdbare mannen van twintig jaar en ouder, daarvan lazen we zojuist in Numeri 14 dat zij allen in de woestijn zouden sterven. Dat betekent – denk even met mij mee – dat als men twintig jaar was bij de uittocht, men maximaal zestig jaar werd. Als men dertig jaar was bij de uittocht – en dat is ongeveer de gemiddelde leeftijd – dan werd men dus maximaal zeventig jaar. En was men veertig jaar bij de uittocht – dit zijn geen heel moeilijke rekensommen – dan krijg je dus veertig plus veertig, dan werd men tachtig jaar.
Gemiddeld klopte die leeftijd van zeventig jaar dus wel; die wordt hier dan ook genoemd. “De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren.” Dit klopt ook helemaal in verband met de woestijnreis. Je moet je voorstellen: als jij een kerel was van twintig jaar bij de uittocht, dan wist je na dat hele debacle van de verspieders die terugkwamen: ik ga niet ouder worden dan zestig jaar. Dat wist je. Want God had gezegd bij monde van Mozes: “Allen zullen in de woestijn omkomen.” In feite kon men dus gewoon aftellen. Natuurlijk kon er altijd nog iets gebeuren waardoor je nog jonger overleed, maar maximaal kon je zestig jaar worden, meer niet. Zo, dat was gesproken. Afhankelijk van de leeftijd die je had bij de uittocht, zijn dit dan de leeftijden die je krijgt voor die veertig jaren in de woestijn.
En Mozes zegt daar nog dit bij: “wat daarin onze trots was…” Dat wil zeggen: die jaren dat wij in de woestijn rondzwierven, de jaren van Uw verbolgenheid. “Wat daarin onze trots was, dat is moeite en leed.” God had voor hen gezorgd, zeker. Hij had ze water gegeven, voedsel gegeven, elke dag opnieuw. En Hij heeft ze bewaard, dat is waar. Maar het was wel een woestijnreis, hoor. Het was moeite en leed.
Want het gaat snel voorbij. Natuurlijk kun je deze dingen in het algemeen zeggen; ze zijn algemeen toepasbaar en wij herkennen ons hier ook in. Daarom heb ik er ook helemaal niet zoveel bezwaar tegen wanneer dit bijvoorbeeld boven een rouwadvertentie staat. Als men het zo algemeen toepast: prima. Maar het is van belang voor de uitleg. Kijk, toepassen kun je altijd alles, maar de uitleg: waar gaat het specifiek over? Dan zeg ik: dit is opgetekend door Mozes en het gaat over die generatie, over die veertig jaren dat ze in de woestijn waren. Maar dat neemt niet weg dat wij ons hier in het algemeen ook in herkennen.
Het gaat snel voorbij en wij vliegen heen. Wij zeggen altijd: “De tijd vliegt,” maar dat is eigenlijk niet juist. Wij vliegen eigenlijk. Wij vervliegen. Zo staat het hier, want het gaat snel voorbij. Niet omdat de tijd vliegt, maar wij vliegen. Dat is in ieder geval de formulering die hier gebruikt wordt. Eigenlijk is er niks… we gebruikten al eens die songtekst: “Dust in the wind.” Dat zijn we. Stof in de wind; stof dat terugkeert tot het stof waaruit het genomen is, maar ook zo vervliegend en vluchtig allemaal.
Dat is wat wij zijn. En dan staat er ook nog bij: “Wie kent de sterkte van Uw toorn en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?” Ook hier geldt: dit kun je niet zomaar in het algemeen op de hele mensheid van toepassing brengen, zo van: de mens sterft vanwege de verbolgenheid. Nee, dat is wel heel specifiek van toepassing. Kijk, wij zijn allen vergankelijk, dat is waar. Dat is een gevolg van het feit dat we stervelingen zijn en geen toegang meer hebben tot de boom des levens, etcetera. Tot uw dienst. Maar de tijd van Gods verbolgenheid, dat waren die veertig jaren in de woestijn. Het wordt ook bij herhaling zo genoemd.
Wie kent de sterkte van Uw toorn en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? Want weet u, er staat ook heel uitdrukkelijk… Je leest niet zo vaak dat God een eed zweert, maar bij een paar gelegenheden doet Hij dat. Onder andere ook in verband met de woestijnreis. Er staat dat God had gezworen dat die generatie die op weg ging vanuit Egypte naar het beloofde land, dat beloofde land niet zou binnengaan. Daarin zouden zij niet arriveren.
Je leest in Psalm 95 – dit is weer dat vierde boek der Psalmen, en ik zei al: alles heeft hier te maken met het boek Numeri – daar wordt dit gezegd. De psalmist zegt dit eigenlijk ook, maar God is hier aan het woord: “Veertig jaren heb Ik Mij geërgerd aan dat geslacht.” In de Bijbel is een geslacht gewoonlijk veertig jaar. “Ik zeide: Het is een volk dwalende van hart en zij kennen mijn wegen niet.” Eigenlijk is het heel triest als je het zo beschouwt. Ze hadden zoveel van Gods daden gezien bij de uittocht en die hele doortocht door de Rode Zee, etcetera, etcetera. En toch zijn ze helemaal van de kook wanneer ze die verhalen horen over die reusachtige inwoners in het land Kanaän. “Zij kennen mijn wegen niet. Daarom heb Ik gezworen in mijn toorn: Tot mijn rustplaats zullen zij niet komen.”
Daarom had God gezegd: dit hele geslacht zal omkomen in de woestijn. Met de bekende uitzonderingen, maar dat was dus de regel. En die veertig jaar… hier hebben we weer de veertig jaren. Ik kan u alvast verklappen – maar ik had het eigenlijk al aangegeven – dat die veertig jaren feitelijk een toepassing waren van wat er gebeurd was in die veertig dagen. Over die termijn gaan we het later in dit seizoen zeker nog hebben, omdat het ook weer staat voor een periode van tweeduizend jaren, namelijk van veertig jubeljaren. Waar vind je het getal veertig allemaal niet? Daar gaan we nog een hele avond aan wijden. De veertig dagen en de veertig jaren tussen opstanding en verwoesting van Jeruzalem. De veertig dagen van de opstanding tot aan de hemelvaart. Allemaal heeft het te maken met het getal veertig. En trouwens, deze hele periode van tweeduizend jaren is ook een periode waarin Israël niet gelooft.
De verlossing is tot stand gekomen. Het lam is geslacht. En toch is Israël niet gearriveerd in het beloofde land. Nou, dat is eigenlijk typerend voor deze tijd. Het heeft ook weer een dubbele toepassing, want het slaat zowel op de periode van het jaar 30 tot het jaar 70 – vanaf het jaar van de opstanding tot aan het jaar dat Jeruzalem verwoest werd – maar ook… Kijk, dat is het geweldige van structuren: die vind je iedere keer weer terug op allerlei niveaus. Ik bedoel, op het niveau van dagen, jaren, maanden, weken, noem maar op; je herkent het iedere keer.
En ook weer die veertig jubeljaren: die tweeduizend jaren waarin Israël in ongeloof verblijft en omkomt. Ja, tot dan. En dan krijg je dus Jozua die opkomt, opstaat en die het volk dan brengt in het beloofde land, op een afstand van tweeduizend el en op een derde dag, et cetera. Maar dat bedoel ik dus; over die structuren gaan we het hele seizoen hebben. Ik vind het zelf wel… Je struikelt erover. Als je het eenmaal kent, herken je het overal. Dat is met meer Bijbelse waarheden zo; dan krijg je het rare fenomeen dat je denkt: hoe kon het me ooit ontgaan? Want nu struikel ik er elke keer over.
“Wie kent de sterkte van uw toorn, en uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?” Dat heeft dus alles te maken met die perioden waarin God gezworen had in Zijn toorn, van die veertig jaren. En dan krijgen…
Leer Ons Zó Onze Dagen Tellen ↑ hoofdstukken
In vers twaalf lezen we: “leer ons zo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.” In feite is dit de titel van het hele seizoen: de dagen tellen. Hoe tel je dagen? U zegt misschien: “Ja, nou, dat is toch heel simpel? Dan pak je gewoon een scheurkalender en elke nieuwe dag trek je er weer een pagina vanaf. En zo tel je dagen.” Ja, maar hoe tel je dagen werkelijk? Het gaat erom dat je gaat tellen zoals God telt. Wij bidden: leer ons zo onze dagen tellen, zodat we werkelijk een wijs hart bekomen en de dingen gaan zien zoals God ze ziet.
In dit geval wil ik er zeker ook op wijzen dat als deze verzen inderdaad te maken hebben met de generatie die in de woestijn omkwam, het tellen van die mensen in die dagen ook met recht een aftellen was. Ik zei al: was je een man van twintig bij de uittocht, dan wist je dat je niet ouder zou worden dan zestig. Dan kon je dus ook gewoon aftellen. Dat tellen van de dagen was met recht aftellen, want je wist: het gaat tot veertig jaar en dan wordt het anders. God had gezegd dat men na de veertig jaren het land in mocht. In feite is dat ook nu weer het verhaal. Ook de huidige periode is gelimiteerd; er geldt een maat voor: “zolang”. En daarna slaan we weer een bladzijde om.
“Leer ons zo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.” Men wist dus dat men niet voorbij die veertig jaar in de woestijn zou komen. Trouwens, ik wil nu nog even wat meer terugkijken in deze psalm. Want hoe was het ook alweer? God zegt dat duizend jaren in Zijn ogen zijn als de dag van gisteren als die voorbijgegaan is. Zo telt God. En nou staat hier vervolgens: “leer ons zo onze dagen tellen.” Ook dit kun je dus weer op verschillende manieren linken, maar het klopt altijd. Je kunt de dagen tellen en aftellen, maar het betekent ook dat je de tijdvakken gaat benaderen op een goddelijke wijze, zoals God dat ziet.
Een millennium is voor God als een dag. De zevende dag is voor God Zijn dag, Zijn Shabbat; dat is de dag waarop Hij gaat rusten. Net zo goed als dat de derde dag voor Hem een derde millennium is, enzovoort. Zo, leer ons zo de dagen tellen. Dat is wat we dit hele seizoen gaan doen: de dagen tellen.
Keer Weder O Jahweh: de Vraag Hoe Lang Nog ↑ hoofdstukken
Dan vers 13. Hier krijg je het derde deel van de psalm. Ik zei al dat de feiten verwijzen naar de derde dag, en dat zeg ik niet voor niks. Want dat derde deel van de psalm begint met: “Keer weder, o JAHWEH! Hoe lang nog? En ontferm U over Uw knechten.” Dat “hoe lang nog” is aan de ene kant hier, denk ik, een uitroep van nood, maar ook het uitschrijven van de vraag: hoe lang duurt dit nog? Het is gewoon ook een vraag, namelijk: hoe lang nog? En het is een vraag die in feite niet hier, maar elders wordt beantwoord.
Wanneer keert de Heere weer terug? Want het is een heel apart fenomeen, dat wederkeren. Dat begrip wederkeren is eigenlijk terugkeren, want het Hebreeuwse woord is teshuvah. En teshuvah heeft zowel de gedachte van wij die terugkeren tot God, als het terugkeren naar het land; ook dat is teshuvah. Maar het is ook een wederkeren van de Heere. De Heere keert weer terug nadat Hij weg was. Hij had Zijn aangezicht verborgen, Hij was weg en Hij keert weer terug.
Maar de vraag is dan: hoe lang dan nog? Hij keert weer terug, maar wanneer dan? Hoe lang nog? En wanneer gaat Hij Zich ontfermen? Want als Hij terugkeert, dan zal Hij Zich ontfermen over Zijn knechten die in Zijn dienst staan. Kijk, hier wordt de vraag gesteld, maar elders wordt die beantwoord. En we gaan nu naar een Schriftgedeelte dat via andere aanvliegroutes zeker nog wel vaker voorbij zal komen.
Het Antwoord uit Hosea: Na Twee Dagen Herleven ↑ hoofdstukken
Maar dit is zo essentieel. We gaan wederom naar Hosea 6. Ik zeg wederom, omdat ik afgelopen zondag hier in de buurt sprak en toen ditzelfde Bijbelgedeelte heb aangehaald. Maar waarom? Omdat het eigenlijk over exact dezelfde dingen gaat. Trouwens, in het algemeen vind ik het zo mooi om je te realiseren dat Schrift met Schrift vergelijken wil zeggen dat de Bijbel als een puzzelboek is; het zijn puzzelstukjes die in elkaar grijpen. Er staat in de Petrusbrief: ‘Geen profetie van de Schrift heeft een eigen uitlegging.’ Dat betekent dat profetieën elkaar uitleggen. De ene profetie legt de andere uit, dus je moet een tekst nooit geïsoleerd zien. Een tekst heeft context nodig. Hoe zit dat dan? De ene profetie legt de andere profetie uit en dan krijg je het verhaal, wat je ook met puzzelstukjes hebt. Je legt het ene stukje uit, dat past, dat hoort hierbij, en op een gegeven moment is het af en heb je het complete plaatje. Met één stukje heb je nog niet zoveel, maar als je al die stukjes die bij elkaar horen bij elkaar gelegd hebt… dat is Bijbelstudie doen. Bijbelstudie is eigenlijk niks anders dan puzzelen: alle stukjes die bij elkaar horen gewoon bij elkaar leggen en dan krijg je het geheel. En ook hiervoor geldt weer dat het geheel meer is dan de som der delen. Als je de puzzel af hebt, is dat meer dan alleen de losse stukjes in de doos. Die heb je dan wel al, maar de puzzel heb je nog niet; die moeten op een speciale wijze geordend worden. Daar is het voor bedoeld.
Waar wordt dit beantwoord? Wanneer keert de Heer terug? Daarvoor gaan we naar Hosea 5, en daar lees je in het laatste vers dat God weer zelf aan het woord is. Hij zegt: ‘Ik zal heengaan en Ik wil terugkeren naar mijn plaats.’ De Heer had plaatsgenomen, kwam uit de hemel, maar trekt zich als het ware terug naar de hemel. Hij zegt: ‘Ik keer terug naar mijn plaats’, de plaats waar Ik thuishoor, namelijk mijn woonplaats: de hemel. ‘Ik zal heengaan, Ik wil wederkeren naar mijn plaats.’ Maar er staat bij: ’totdat’. God trekt zich terug naar Zijn plaats, maar Hij zegt dat daar een ’totdat’ aan vastzit. Het is dus gelimiteerd: ‘Totdat zij – Israël – zich schuldig gevoelen en mijn aangezicht zoeken.’ Dat betekent dus dat Hij Zijn aangezicht verborgen heeft. Dat is in feite de situatie tot op de dag van vandaag. Hij is er wel, maar Hij is op Zijn plaats en heeft zich teruggetrokken. Hij laat Zich niet zien, wat Hem vaak kwalijk genomen wordt. Maar dan gaan ze Zijn aangezicht zoeken. En wanneer zullen ze dat doen? Wanneer het hun bang te moede is. De Bijbel spreekt over de ‘dag van benauwdheid van Jacob’. Wanneer het hun bang te moede is, dan zullen zij verlangend naar Mij uitzien.
Dan zegt Hosea 6 vers 1: ‘Komt, laat ons wederkeren tot de HEERE.’ Dat is het weer: Tesjoewa. Het volk keert weer terug naar de God die ze ooit kenden, de God van Jacob, de God van Israël. ‘Komt, laat ons wederkeren tot de HEERE, want Hij heeft verscheurd, maar Hij zal ons ook helen; Hij heeft geslagen, Hij zal ons ook verbinden.’ En dan gaat het erom, want de vraag was: hoe lang nog en wanneer gaat dat gebeuren? ‘Hij zal ons na twee dagen doen herleven.’ Israël bevindt zich nu in het graf, dood in het graf der volkeren. Als natie zijn ze dood, maar na twee dagen zal Hij ons doen herleven. ‘Ten derde dage zal Hij ons oprichten en wij zullen leven voor zijn aangezicht.’ Israëls herleving en opstanding wordt voorzegd, maar niet alleen dat: het wordt ook getimed. Het tijdstip waarop dat zal plaatsvinden wordt hier gezegd, al is het cryptisch. Want als het hier niet over twee etmalen van 24 uur gaat, hoe telt God dan wel? Dat is inmiddels voor ons geen vraag meer, want dat weten we door Schrift met Schrift te vergelijken. Dan weet je hoe de dingen in elkaar steken en is dit helemaal geen loze opmerking. Integendeel, dan is het perfect: Hij zal ons na twee dagen – na twee millennia – doen herleven. Op de derde dag, in het derde millennium, zal Hij ons oprichten en zullen wij leven voor Zijn aangezicht.
Ja, wij willen Yahweh kennen en ernaar jagen Hem te kennen. Dat zullen ze pas gaan zeggen als het hun bang te moede is en ze onder grote druk Zijn aangezicht gaan zoeken. Dan zal dit gebeuren: ‘Zo zeker als de dageraad is zijn opgang.’ Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen die het land besproeit. Hier wordt dus een moment aangegeven waarop Israël zal herrijzen, maar ook het moment dat Hij tot Zijn volk zal komen. Dat zal zijn als de dageraad, bij zonsopgang. Bij de aanvang van de nieuwe dag, de derde dag, zal Hij opgaan als de zon. Mooi hè? Als de zon gaat Hij op, de nacht wordt verdreven en dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen die het land besproeit. Als Psalm 90 dus de vraag stelt: ‘Heer, keer weder, maar hoe lang nog?’, dan ga je puzzelen. Dan ga je zoeken waar het staat en of de Schrift daar zicht op geeft. Ik vermeld met grote vreugde dat dit deze serie voor dit hele jaar weer zo enorm actueel maakt, want dat betekent dat de tijd nabij is. We zullen wellicht nog wat preciezer gaan rekenen, maar voor nu is het genoeg om te vermelden dat de twee millennia bijna voorbij zijn. Rond het jaar 30 verliet Hij het aardse toneel. Reken thuis maar eens na met een calculator waar je uitkomt als je tweeduizend jaar verder telt.
Daarna zal Hij tot ons komen. ‘Verzadig ons in de morgenstond.’ Daar heb je het weer: de morgenstond, het krieken van de dag, de derde dag. ‘Zo zeker als de dageraad is zijn opgang.’ Verzadig ons in de morgenstond met Uw goedertierenheid, opdat wij jubelen en ons verheugen al onze dagen. Wat een geweldig uitzicht is dit na al die veertig jubeljaren waarin men in het graf was, geslagen en verscheurd. Als het eindelijk zover is en het hun bang te moede is in de grootste nood, en ze Zijn aangezicht gaan zoeken, dan gaat dit gebeuren in de morgenstond. Dan zullen we jubelen en ons verheugen al onze dagen. ‘Verheug ons naar de dagen waarin Gij ons hebt verdrukt, naar de jaren waarin wij onheil hebben gezien.’ Dat was er, zo zeker als dat was, en zoals God dat ook had gelimiteerd. Niet minder, maar ook niet meer. Dat was de portie: veertig jaar. En daarna komt Jozua – Jeshua – en Hij zal het volk doen verheugen.
Laat Uw Werk aan Uw Knechten Openbaar Worden ↑ hoofdstukken
“Laat Uw werk aan Uw knechten openbaar worden,” zegt het op één na laatste vers van Psalm 90. Dan staat er letterlijk: “Laat Uw werk aan Uw knechten openbaar worden en Uw heerlijkheid over hun zonen.” Dat werk gaat niet meer over mensenarbeid, maar over Zijn werk. Laat Uw werk aan Uw knechten openbaar worden. Want ja, dan krijg je na zes dagen menselijke arbeid en, laat ik maar zeggen, gezwoeg in het zweet des aanschijns, waarbij we hebben geprobeerd met allerlei idealen en bouwwerken iets te creëren, maar het leidt tot niets. Na al dat mensenwerk gaat God, als Hij Zijn aangezicht laat zien en het niet langer verbergt, Zijn werk tonen aan Zijn knechten. Zal dat openbaar worden? Hij is nu verborgen, maar dat wordt straks openbaar. En Zijn heerlijkheid zal openbaar worden over de zonen van Israël.
“De liefelijkheid van de Heere, onze God, zij over ons.” Hier staat trouwens ook weer dat woordje Adonai. Niet de eigennaam van God, JAHWEH, maar de liefelijkheid van de Heere, onze God, zij over ons. Dat is prachtige liefelijkheid. Het woordje ‘Naäm’ heeft daar ook mee te maken; de naam die mij op het hart geschreven staat. Naomi heeft daar ook mee te maken, Naïm, Naäm, dat is lieflijk. En Zijn lieflijkheid zal dan over het volk worden geopenbaard. Samen met, nou, lees al die termen maar na die vanaf vers 12 opklinken: ontferming – Ruhama – verzadiging, goedertierenheid, jubelen, verheugen, heerlijkheid en hier dus liefelijkheid. Dat alles zal openbaar worden over het volk. Na veertig jaren toorn en verbolgenheid en het omkomen in de woestijn, wordt er inderdaad een bladzijde omgeslagen. Dan krijg je dit: “De liefelijkheid van de Heere, onze God, zij over ons. En bevestig Gij het werk onzer handen over ons; ja, het werk onzer handen, bevestig dat.”
Twee keer staat dat daar: God moet dat vaststellen en bevestigen. Dat is wat het is: iets vastleggen, iets grondvesten. Want als God het werk niet bevestigt en vaststelt, dan heeft alles wat de mens doet geen enkele betekenis. Zonder Zijn bevestiging is alles per definitie gedoemd te mislukken. Ik moet altijd denken aan alles wat de mens doet; je leest de krant, je ziet het nieuws tot je komen. Alle menselijke ideeën en gedachten, de plannen die ze hebben, vooral de grootste plannen om het groter en sterker te maken; het zal allemaal opnieuw op niets uitlopen. En weet u ook hoe? Dat staat ergens in de Psalmen, in het laatste Psalmenboek, Psalm 127. Daar staat dit, en daarmee wil ik afsluiten: “Als JAHWEH het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan.”
Ik denk trouwens ook dat het hier gaat over het huis van Israël. Mensen kunnen wel een staat oprichten – we hebben het daar vorig seizoen uitgebreid over gehad. Je kunt een staat oprichten en zeggen: “Nou heeft het lang genoeg geduurd. we steken de koppen bij elkaar, we hebben vernuft genoeg en we hebben kapitaal genoeg. We slaan de handen ineen en nu gaan wij het maken. Dat huis van Israël gaan we op onze tijd weer oprichten.” De orthodoxe Joden zeiden aanvankelijk: “Nee, dat moeten we niet doen. Dit is ons altijd beloofd, maar we wachten tot de Messias komt. We gaan dat niet op eigen initiatief door middel van geweld realiseren.” Uiteindelijk zijn de meesten van hen ook overschreeuwd en hebben zich toch bij dat zionistische streven gevoegd. Maar in feite bouwt men een huis, maar als Hij het huis niet bouwt… En nogmaals, ik heb enorm diep respect voor het vernuft van dat volk. Ook wat er deze week gebeurd is – ik wil daar nu verder niet te diep op ingaan, maar het komt me zo voor de geest. Wow! Ik las het vandaag nog in de krant; experts staan overal versteld. Hoe krijgen ze dit in hemelsnaam gedaan, wat daar in Libanon gebeurd is? Ik heb het nu niet over alle ellende die het teweegbrengt, maar gewoon over het vernuft om zoiets te doen. Dat hebben we nog nooit gezien.
Ja, in termen van technologie en vernuft en dergelijke dingen is het indrukwekkend, maar ik moet er wel bij zeggen dat het mensenwerk is. Als JAHWEH het huis niet bouwt, zwoegen de bouwlieden tevergeefs daaraan. En als JAHWEH de stad niet bewaart – en ik denk hier trouwens ook in het bijzonder aan Jeruzalem – als Hij de stad niet bewaart, dan waakt de wachter tevergeefs. Geen Iron Dome kan dan hulp verschaffen, dat kan ik u wel vertellen. Zover is het nog niet, dat weet ik wel, maar dit is het principe: Hij doet het. Pas als Hij de dingen gaat doen, het huis gaat bouwen en de stad gaat bewaren, dan wordt onze arbeid ook vruchtbaar, met recht, en wordt deze levend en krachtig. En trouwens, dan doet Hij dat ook allemaal. Hoe was het ook alweer? 1 Korinthiërs 15, dat is een mooie tekst om mee af te sluiten deze avond: “Wordt standvastig, onwankelbaar, steeds overvloedig in het werk van de Heere” – niet werk voor de Heere, maar het werk van de Heere – “wetende dat uw arbeid niet tevergeefs is in Hem.” Voor ons geldt dus ook niets anders dan dat principe. Nou, daar wilde ik het vanavond bij laten.
Vooruitblik op het Komende Bijbelstudieseizoen ↑ hoofdstukken
Oh ja, nog één ding, en dat is om even te wijzen op de avonden die nog in het verschiet liggen – Deo Volente uiteraard. Nou, vanavond hebben we het dus hierover gehad. En ik zeg het onder voorbehoud, want misschien dat ik de planning nog weer omgooi, maar dit zijn zo van die onderwerpen die u mag gaan verwachten.
De scheppingsweek als blauwdruk, dat wordt 17 oktober – dus over een maand, de derde donderdag van de maand. Het onderwerp over het fenomeen van ’twee dagen’, waar we het ook al even over gehad hebben, gaat nog veel uitgebreider aan de orde komen op 21 november. En over de termijn van veertig – uren, dagen, maanden, jaren, jubeljaren – daar gaan we het dan op 19 december over hebben.
Over honderdtwintig jaar – die is ook heel apart – gaan we het ook nog een keertje op een aparte avond hebben. Over tweeduizend el en de wijze waarop dat vernoemd wordt, moeten we het ook nog een keertje hebben. En dan over… deze is cryptisch, maar ik verwijs alleen naar Leviticus 26 als u wilt weten wat ik hiermee bedoel: de vier maal zevenvoudige wraak. Die hebben we nog niet eerder besproken, maar die is wel heel apart, dus die bewaar ik nog even.
En de avond over maten en afmetingen, waarin allerlei andere details die nog niet genoemd zijn aan de orde zullen komen. En dan nog gewoon over zevens, zevens en nog eens zevens. Eigenlijk heb ik daarvoor vanavond al een aanzet gegeven. Dus ja, als u wilt weten wat ons dit seizoen boven het hoofd hangt op deze avonden, dan heb ik u in ieder geval een inkijkje gegeven. Maar nogmaals onder voorbehoud, want het kan zijn dat ik de indeling nog omgooi.
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews