Uw Weg Was In De Zee
30-07-2006 - Geplaatst door Andre Piettoespraak gehouden op 30 juli 2006 in den Haag
Deze toespraak gaat over Paulus’ loflied in Romeinen 11. Over de diepte van Gods wijsheid en kennis. Over Gods ondoorgrondelijke beschikkingen en Zijn onnaspeurlijke wegen.
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
Introductie op de Lofzang van Romeinen 11 ↑ hoofdstukken
Maar ik moet zeggen: het jaagde de zangkwaliteiten wel weer aan. Er zijn geen noodzaken om nog wat beter te zingen dan we gewoon zijn, en dat kan natuurlijk nooit kwaad. Ik stel voor dat we de Bijbel gaan openen bij een voor mij favoriet gedeelte. Die heb je wel meer, dat geef ik toe, maar ik doel nu op Romeinen 11. Romeinen 11, en daarvan het slot.
Dat is een lofzang die we zelf zojuist lekker hebben gezongen, hebben lofgezongen. Het kan geen kwaad om ook eens een keertje naar een geïnspireerde lofzang te luisteren. Het gedeelte is bekend, en u weet hoe dat gaat met bekende gedeelten: ze kunnen zo bekend zijn dat we ons nauwelijks meer realiseren wat er eigenlijk staat. Dat op zich is al reden genoeg om daar eens de aandacht voor te vragen. Daar komt bij dat ik zelf bij dit gedeelte de laatste weken heel vaak bepaald ben. Het maakt altijd weer een grote indruk en ik wil graag uw aandacht vragen voor de bevindingen die ik de afgelopen weken heb gedaan, terwijl ik met deze dingen zo bezig was.
Ik begin te lezen vanaf vers 32, hoewel dat nog niet de lofzang is. De lofzang begint in het volgende vers en het zijn maar een paar verzen die ik in eerste instantie voorlees, want we gaan nog meer gedeelten uit de Bijbel lezen. In Romeinen 11 vers 32 trekt Paulus de conclusie uit wat hij tevoren heeft geschreven. Hij zegt – en ik lees u nu voor uit de NBG-vertaling, en waar het erg afwijkt van de grondtekst zal ik u daarop wijzen. Trouwens, we beginnen meteen al, want daar staat: “Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten”. Nou, dat “hen” kunt u wel wegstrepen, want dat staat er niet. Er staat gewoon: “God heeft allen onder de ongehoorzaamheid besloten, om Zich over allen te ontfermen”.
En dan begint die lofzang: “O, diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen.” De Statenvertaling heeft het wat correcter – sommigen lezen mee uit de Statenvertaling, weet ik – want daar staat: “Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen”. Dat is wat er echt letterlijk staat. En hoe “onaanspeurlijk”, vervolgt Paulus dan in vers 33, “zijn Zijn wegen”. Want wie heeft de zin, de denkzin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen – “het al” staat er eigenlijk. Hem zij de heerlijkheid tot in de aionen! Amen.
Tot zover; dat is de lofzang. “O, diepte van rijkdom…” Het feit dat Paulus zo aanvangt, geeft al aan dat hij het uitroept. Als je zegt “o”, dan roep je inderdaad iets uit, en dat blijkt vervolgens ook uit wat volgt. Het is inderdaad één grote ode aan een grote God. Bij wijze van spreken: als je het zou moeten uitbeelden – als hier een mimegroepje zou zijn die dit gedeelte zou moeten uitbeelden – dan val je op je knieën en dan hef je je armen omhoog: “O, diepte van rijkdom!” Het is onvoorstelbaar wat Paulus in het voorgaande heeft verteld en zo is het op hem ook overgekomen. Terwijl Paulus dat liet opschrijven – want hij had een secretaris in dit geval, zo weten we uit het einde van de brief – terwijl Paulus dit zo heeft verwoord en het heeft laten optekenen, is hij zo onder de indruk gekomen van dat wat God doet en wat Zijn plannen zijn, dat hij het op deze wijze uitroept.
Ik heb vers 32 er nog even bijgenomen, omdat dat de uiteindelijke conclusie is van het hele voorgaande gedeelte. Ja, je zou kunnen zeggen: vanaf hoofdstuk 1 vers 1 tot aan dit vers toe. Maar meer in het bijzonder ook van de hoofdstukken 9, 10 en 11, waarin Paulus een exposé geeft – dat klinkt wel heel deftig – maar in ieder geval ingaat op de wegen die God gaat in verband met Zijn volk Israël. Israël staat blijkbaar vijandig tegenover het evangelie en Paulus stelt zich de vraag: hoe kan dat nou? Hij gaat in deze hoofdstukken daarop in als “apostel der heidenen” – zo noemt hij zich ook in Romeinen 11 – en legt uit dat door de afwijzing van Israël juist de boodschap, middels deze figuur – middels Paulus bedoel ik – naar de volkeren is gegaan. Dat hele gedeelte heeft een conclusie en die conclusie vind je dan in vers 32, maar dat had hij ook al in eerdere hoofdstukken naar voren gebracht. Hij zet het nog eens heel duidelijk uiteen, hij concludeert en onderstreept wat hij zojuist in het voorgaande naar voren heeft gebracht. Hij schrijft dit:
Allen Onder de Ongehoorzaamheid Besloten ↑ hoofdstukken
Want God heeft allen onder de ongehoorzaamheid besloten. Dat is iets wat Hij, zoals gezegd, in de voorgaande hoofdstukken ook al had geschreven. Romeinen 3 is heel bekend; daar wordt een plaatje gegeven van de hele mensheid – van u en ik, van al die zes miljard mensen die nu leven en van al die miljarden mensen die geleefd hebben. Daar zegt Paulus dat allen hebben gezondigd en de heerlijkheid Gods derven. Dat wil zeggen: ze missen Gods heerlijkheid, ze komen tekort. En dan staat er: er is niemand die goed doet, zelfs niet één.
God heeft allen onder de ongehoorzaamheid besloten. Dat woord ‘besloten’ is heel frappant. Je vindt het vaker in de brieven van Paulus, maar ook in de evangeliën kom je het al een keer tegen. Ik vind het leuk om u daarop te wijzen, want dan zie je ook hoe krachtig dat woord is. Dat woord ‘besloten’ kom je ook tegen in Lukas 5 vers 6. Laten we het even opzoeken. In vers 6 komt dat in onze vertaling helemaal niet uit de verf. Daarom is het, als je Bijbelstudie doet of de Schrift leest en overdenkt, nodig om daarop gewezen te worden. Ik zie het ook als mijn verplichting om u daarop te wijzen.
In Lukas 5 vers 6 staat, nadat ze het net hadden uitgegooid: “Toen zij dit gedaan hadden, haalden zij een grote menigte vissen binnen.” Hun netten dreigden te scheuren. Het gebeurde niet, maar bijna was dat het geval; het scheurde net niet. Dat staat ergens anders in de Bijbel. Maar dat is een woordspeling waarbij het misschien soms wat laat op de dag moet zijn voordat je dat doorhebt. Maar goed, in Lukas 5 vers 6 vind je hetzelfde woord als wat we ook aantreffen in Romeinen 11 vers 32. Hier in Romeinen 11 wordt het vertaald met ‘besloten’: God heeft besloten. En in Lukas wordt het vertaald met “zij haalden een grote menigte vissen binnen”. Dat wil zeggen dat al die vissen besloten – gevangen – in dat net zaten. Ze konden er niet uit.
Dat is het woord dat Paulus gebruikt. Met die kennis moet u Romeinen 11 vers 32 nog eens een keertje teruglezen, met de associatie hoe krachtig die uitdrukking is: God heeft allen onder de ongehoorzaamheid besloten. Als vissen in een net; ze kunnen er niet uit, er is geen ontkomen aan. Alle mensen zijn onder de ongehoorzaamheid besloten. Dat is trouwens ook geen vrije keuze geweest. Alle mensen zijn tot zondaren gesteld. Dat verzin ik niet, want dat vind je ook in deze zelfde brief, in Romeinen 5 vers 19. Ook dan is het weer een groot voordeel als u een Statenvertaling hebt, want daar staat het op een hele mooie manier – de enige correcte manier – weergegeven. Helaas is het op een gegeven moment wat afgevlakt, maar de kracht ervan kon toch niet worden weggepoetst; daarvoor is de Schrift eenvoudigweg te duidelijk.
In Romeinen 5 vers 19 staat: “Want gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens de velen tot zondaars gesteld zijn…” Het gaat hier over Adam. De velen – zeer velen, letterlijk staat er ‘de velen’ – zijn zondaren geworden. Nou, dat zijn er inderdaad zeer velen, zeg maar gerust: allen. Dat stond trouwens in het voorgaande vers. “En zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardig worden.” Het gaat mij nu even over dat ‘zondaren geworden zijn’. Weet u wat er eigenlijk letterlijk staat? Dat ze tot zondaren gesteld zijn. Neergezet als zondaar. Door één mens, via één mens, heeft God dat gedaan. Heel de mensheid is gesteld tot zondaar; daar is geen uitzondering op.
Het feit dat er geen uitzonderingen zijn op al die miljarden mensen, geeft aan dat dit niet iets is van een vrije keuze of een statistisch gegeven van “het is nu eenmaal zo gekomen”. Nee, het is een gegeven. Zo zijn we in de wieg gelegd, zo zijn we ter wereld gekomen: als zondaren. We zijn daarin besloten, als een gevangen vis in een net. Je kunt er niet uit. En God heeft dat zo gedaan. U vindt dat misschien verbijsterend, maar het is echt zo. Het zou ook verbijsterend zijn als dit het hele plaatje was, maar je moet ook weten waarom dat zo gegaan is.
Als u nu weer even teruggaat naar Romeinen 11 – want we bladeren vanmorgen gewoon wat. We hebben alle tijd; vakantie, zondag, kortom: we doen niet zo moeilijk. Paulus schrijft dus: “God heeft allen onder de ongehoorzaamheid besloten.” Maar dat heeft Hij niet zomaar gedaan, alsof God er een plezier in zou hebben dat de mensheid onder de zonde is gesteld en dat ze allemaal zondaren zijn. Nee, Hij heeft dat gedaan met een oogmerk. Heel die mensheid zit daarin gevangen. Voordat ik daarop verderga, wil ik u nog op een…
De Schepping aan de Ijdelheid Onderworpen ↑ hoofdstukken
Ik wil u op een andere schriftplaats wijzen in dezezelfde brief, namelijk in Romeinen 8 vers 20. Paulus schrijft daar ook zoiets. Het is een geweldige brief, deze Romeinenbrief, waarin Paulus zulke fundamentele, essentiële waarheden naar voren brengt die je eigenlijk niet mag missen. Weinig mensen hebben daar oog voor, maar wat Paulus naar voren brengt, is dat God de soevereine God is. Hij handelt, Hij gaat Zijn weg.
In Romeinen 8 vers 20 staat – ik lees even vanaf vers 20: “Want de schepping is aan de vruchteloosheid” – in de Statenvertaling staat “aan de ijdelheid” – “onderworpen”. Let u eens op wat er vervolgens staat: “niet vrijwillig”. Dat wil zeggen: niet uit eigen keus. Het is niet zo dat het schepsel daarvoor gekozen heeft. Nee, er staat: “maar om de wil van Hem” – met een hoofdletter natuurlijk – “die haar daaraan onderworpen heeft”.
Er staat een komma, hè? Want als hier een punt zou staan, dan zou je weer datzelfde verbijsterende hebben: heeft God er een behagen in om het zo te doen? Nee, maar Hij heeft daar een reden voor. Het heeft een bedoeling. Het is niet ‘de’ bedoeling, het heeft een bedoeling. Dat staat er ook: “want in hope”. In hoop, met een verwachting, met uitzicht en perspectief. Dat perspectief verklaart waarom God het juist zo doet. Als je heel kortzichtig bent en alleen maar ziet op dit gegeven, dan snap je er helemaal niets van.
Waarom hebben mensen ook zo enorm veel problemen met God? Mensen staan vaak vijandig tegenover God. Ga maar eens na. Vraag het maar eens aan de mensen in de straat, of aan collega’s. Als je over God praat, zeker wanneer het niet-religieuze mensen betreft, dan weten ze bijna allemaal wel dat God er is. Als er uitzonderingen zijn, dan hebben ze het gewoon verdrongen, maar ze weten het wel. Maar ze kunnen het niet verdragen dat áls er dan een God is – en het is zo’n bekend verwijt dat elke dag klinkt – waarom er in Gods naam dan al deze ellende is. Had Hij het niet kunnen verhinderen? Hij is toch de Almachtige? Had Hij het dan niet veel beter kunnen doen? Hoe kan Hij zich dit permitteren?
Daarom kan men niet in God geloven, omdat men dan zou moeten accepteren dat Hij dit alles zomaar toelaat. En ja, dat is ook zo: Hij laat dit allemaal toe, Hij laat het zo gaan. Ik moet u zeggen – en dat vind ik altijd zo mooi – we hebben een evangelie, lieve mensen. Dat is een blijde boodschap. Er gaat namelijk niets mis. Wij denken dat wel, maar dat komt omdat we weer zo kortzichtig zijn en het perspectief niet zien. God doet het namelijk om een reden.
Heel de schepping is aan de ijdelheid onderworpen. We worden ziek en gaan uiteindelijk allemaal dood, of dat nu na een kort of een lang leven is. We hebben een zwaar leven of een minder zwaar leven, maar we ondergaan allemaal moeite en verdriet. Zo staat het ook ergens in de psalmen: “het uitnemendste daarvan is moeite en verdriet”. Wat we in het leven meemaken, dat is wat eruit steekt. Dat is misschien een wat pessimistische manier van kijken, maar het is de realiteit: deze wereld is aan de ijdelheid onderworpen. Oorlog, narigheid, zoveel ellende.
Dan staat er in Romeinen 8: “niet vrijwillig”. Dat wil zeggen dat de schepping dat zelf niet gekozen heeft, maar het is om Hem die haar daaraan heeft onderworpen. God gaat Zijn weg, Hij heeft dat gedaan. Ik haal dit aan omdat we het natuurlijk over Romeinen 11 vers 32 hebben, waar Paulus zegt: “God heeft allen onder de ongehoorzaamheid besloten”. Dat is niet een waarheid die hij nu voor de eerste keer naar voren brengt in deze brief. Nee, hij had het in het voorgaande gedeelte iedere keer al zo uiteengezet. Deze conclusie is gerechtvaardigd omdat hij het al veel eerder heeft uitgelegd: God heeft allen onder de ongehoorzaamheid besloten. Als vissen in een net gevangen. Onontkomenbaar.
Maar let op, nu krijg je het omgekeerde. Je moet de vraag stellen: waarom dan? Dat God allen onder de ongehoorzaamheid besloten heeft, is een gegeven. Het is in wezen niet moeilijk om te aanvaarden; het is gewoon zo. De vraag is: waarom? Dan kan ik gaan filosoferen of theologiseren, maar we kunnen ook gewoon lezen. Paulus heeft het antwoord op die vraag. Hij zegt namelijk waarom: “God heeft allen onder de ongehoorzaamheid besloten, om zich over allen te ontfermen”.
Waar geen ongehoorzaamheid zou zijn, waar geen zonde zou zijn, daar zou God zich ook niet hoeven te ontfermen. Ontfermen doe je over iemand die gevangen zit, over iemand die in de penarie en de ellende zit. Paulus schrijft ook al in deze brief, in Romeinen 5, dat de wereld onder de zonde besloten is. En dan staat erbij dat God dat effect zelfs nog verergerd heeft door de wet te geven. Want God gaf de wet niet opdat de mens beter zou worden, maar God gaf de wet opdat de zonde meerder zou worden. Ook al zo’n verbijsterende tekst. Het zijn van die “ketterse” teksten, van die ketterse schriftplaatsen die zo rechtstreeks uit de pen van Paulus zijn gevloeid. God heeft die wet gegeven en er staat bij: opdat de zonde te meerder zou worden.
Maar, zegt Paulus, waar de zonde meerder werd, daar is de genade des te overvloediger geworden. Kijk, als God de overvloed van Zijn genade wil bewijzen, dan heeft Hij een achtergrond nodig. Dat kan alleen als daar zonde tegenover staat. Daarom heeft God dat alles zo laten gebeuren. Het is met opzet. God wil laten zien dat Hij van deze wereld houdt. Daarom heeft Hij allen onder de ongehoorzaamheid besloten om zich over allen te gaan ontfermen. Zoals u een ongehoorzame bent, een zondaar, een doelmisser, zo is het ook dat God zich over u gaat ontfermen, of over deze wereld gaat ontfermen. Of ik moet eigenlijk gewoon zeggen als een feit: God ontfermt zich over deze wereld. In beide gevallen staat het er.
De Diepte van Gods Ondoorgrondelijke Oordelen ↑ hoofdstukken
En dan roept Paulus uit in Romeinen 11 vers 33: “O, diepte van rijkdom, van wijsheid en kennis Gods!” Let op hoe hij het formuleert. Hij zegt niet: “O, hoogte van rijkdom”, maar: “O, diepte van rijkdom.” En die diepte heeft ook weer te maken met datgene wat hij nu juist uiteen had gezet. Het gaat hier niet over Gods doel, dat is hoog; maar het gaat over de wegen die God gaat, en die zijn diep. Die gaan langs hele diepe ravijnen en langs een heel zwaar traject. De uitkomst is zeker, die is hoogstaand, maar het is de diepte van rijkdom.
Dat blijkt ook uit dit vers, kijk maar met me mee. Er staat: “O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis Gods. Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn Zijn wegen!” Het gaat over Gods oordelen en over Gods wegen. Die zijn diep, heel diep. Maar zonder die diepte zou er ook geen hoogte zijn. Hebt u wel eens van een berg gehoord waar geen dal bij is? Nee, een berg is nooit hoger dan het dal diep is. Ja, dat is toch zo? Er bestaat helemaal geen berg zonder een dal. Er bestaat helemaal geen hoogte zonder diepte. Er bestaat helemaal geen ontferming als er ook niet een ongehoorzaamheid zou zijn. Er bestaat niet eens zoiets als genade als we niet zondaar zijn. Dat kan helemaal niet. Het één bestaat juist bij de gratie van het ander.
Kennis van goed bestaat ook bij de gratie van de kennis van kwaad. Dat vind je meteen al in de eerste hoofdstukken van het boek Genesis. Er stond een boom in de hof en van die boom mochten ze niet eten; het was de boom van kennis van goed en kwaad. Dat wil zeggen: op het moment dat ze van die vrucht aten – dat mocht niet, het was verboden – kregen ze kennis van kwaad, jawel, maar in de eerste plaats ook van goed. Daarvoor kenden ze het goed niet. Kennis van goed is niet los verkrijgbaar. Je kunt niet zeggen dat God kennis van goed kon geven zonder dat de mens ook eerst kennis ging krijgen van kwaad. Die twee zijn aan elkaar gekoppeld, zoals hoogte en diepte aan elkaar gekoppeld zijn. Je zou zelfs kunnen zeggen: het is in wezen dezelfde dimensie. Hoogte en diepte zijn dezelfde dimensie, alleen het een is de onderkant en het andere is de bovenkant. Zo simpel is het. Heel logisch.
Maar goed, Paulus roept dus uit: “O, diepte van rijkdom en van wijsheid en kennis van God.” Het is inderdaad diepte, want het gaat over de wegen die God gaat. Het blijkt ook uit wat er vervolgens staat. Hij zegt: “Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen, Zijn oordelen.” Ook daarover had Paulus in het voorgaande al gesproken. Als u een paar hoofdstukken terugbladert, dan vindt u in Romeinen 9 dat gedeelte waarin Paulus spreekt over de Farao die door God verhard werd. Ja, een heleboel mensen hebben daar zoveel problemen mee. Want kijk, God had gezegd door Zijn knecht Mozes tegen de Farao: “Laat Mijn volk gaan.” Farao zegt: “Nee.” God had trouwens van tevoren al gezegd dat de Farao het niet zou doen. Dus God gaat de druk vergroten; er komen plagen over Egypte en iedere keer blijft het zo dat Farao “nee” zegt. En op een gegeven ogenblik lees je dat Farao zou bezwijken onder de druk, en weet u wat God dan doet? Hij verhardt zijn hart. Het staat letterlijk in het Hebreeuws: Hij versterkt zijn hart. God gaf Farao de kracht om “nee” te zeggen. Sterker nog, Hij versterkte Farao’s hart, zodat hij “nee” bleef zeggen, met alle ellende van dien. Zoveel doden nog meer, want het was gewoon een gigantisch schrikbewind wat hij voerde. Maar God was degene die van dat alles de hele regie voerde.
Paulus legt dat dan uit in Romeinen 9. Lees het gewoon voor uzelf na, dan kunt u het zwart-op-wit zien, omdat het waar is wat ik nu naar voren breng. Farao werd door God verhard zodat hij “nee” bleef zeggen. En weet u waarom? God had ook een doel. Want juist door een Farao die “nee” zei en zich bleef verzetten ondanks de zware druk, kon God juist Zijn kracht gaan demonstreren en Zijn volk krachtig uitleiden door de Schelfzee, met al die wonderen, zodat Zijn naam bekend zou worden over de gehele aarde.
Dan krijg je die vraag in Romeinen 9 van de denkbeeldige opponent. Die zegt dan: “Ja, maar wat heeft God dan nog aan te merken?” Sommigen vinden dat zo ongelooflijk, die hebben dat zeker nog nooit gelezen. Maar in Romeinen 9 vers 19 zegt Paulus: “Gij zult nu tot mij zeggen” – nadat hij dat allemaal al uiteengezet heeft over de Farao, over verharding, en dat God Zich ontfermt over wie Hij wil –: “Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie heeft Zijn raad weerstaan? Want wie wederstaat Zijn wil?” Nou, “wil” staat er eigenlijk niet hoor, want Farao weerstond wel Gods wil. God had gezegd: “Laat Mijn volk gaan”, en dat deed de Farao niet. Maar als God Zelf het was die Farao de kracht gaf om “nee” te zeggen en zich te verzetten, dan is de vraag die zich vanzelf aan je opdringt: “Wat heeft God daar nog aan te merken? Waarom oordeelt Hij dan Farao? Want Farao heeft, doordat hij zo deed, toch niet Gods raad, Zijn bedoeling, weerstaan?”
En weet u wat het antwoord is? Er komt geen antwoord. Het antwoord in vers 20 is: “Maar gij, o mens, wie zijt gij dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom heb je me zo gemaakt? Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol en het andere tot alledaags gebruik?” enzovoorts. Het antwoord is gewoon: je moet je mond houden, mens. Wie denk je wel dat je bent? Je bent gewoon een stukje klei in de hand van de pottenbakker. Dat bent u, dat ben ik, dat zijn al die miljarden mensen. Ze zijn allemaal stukjes klei. Mensen zeggen dan: “We zijn geen robot.” Nee, we zijn geen robot; we zijn een stuk klei en we worden gekneed door de pottenbakker. Dat is wat we zijn.
Dat was Farao ook. Hij was een bepaald vat; een vat ten onere, dat is waar. En God heeft hem zo gemaakt. Niemand heeft zichzelf gemaakt. U hebt uzelf niet gemaakt, ik heb mezelf niet gemaakt. Ik heb niet voor Jezus gekozen; Hij heeft mijn ogen geopend. Zo is het ook nog eens een keer. Er is niets van onszelf bij, helemaal niets. Maar waar het nu even om gaat: God ging Zijn weg met Farao. Hoe kan God Zich dat dan permitteren? Wat heeft Hij daar nog aan te merken? Paulus zegt dan: “Jij bent maar een mensje, je bent gewoon een stuk klei. Wie ben jij nou dat je God zoudt tegenspreken?”
Nu gaan we even terug naar Romeinen 11, want we hebben het over die lofzang. Paulus breekt in die lofzang uit om alles wat hij tot dusver uiteengezet heeft. Daarom doet hij dat. Hij zegt dus in vers 33: “O, diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen.” Er staat dus letterlijk: “Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen.” Als God oordeelt, begrijpen we het niet. We kunnen onze vingers er niet achter krijgen. Dat komt omdat we het geheel niet overzien. Een menselijke rechter, hoe knap hij ook is, betrekt alleen de uiterlijke factoren in zijn overwegingen. Meer kan hij niet; hij kan nooit alles erbij betrekken. Maar God is anders. God is degene die weet wat voor maaksel wij zijn; Hij kent ons door en door.
En Hij kent heel Zijn schepping. En Hij gaat Zijn weg, en daar hebben we geen klap mee te maken. Zo is het. Ik kan het niet anders zeggen, maar zo is het gewoon. Daar hebben we niets mee te maken. En wij begrijpen Zijn oordelen en Zijn beschikkingen niet.
Eén ding weten we wel. En dat is dat als God oordeelt, als God besluit onder de onhoorzaamheid, dan is dat uitsluitend om Zijn liefde te gaan bewijzen. Daarop! Het is altijd de liefde die Hem beweegt om de weg te gaan die Hij gaat.
En dan wil ik u nog wat anders lezen in vers 33, want er staat ook nog bij hoe onnaspeurlijk Zijn wegen zijn. Ja, prachtig. Gods wegen zijn niet na te speuren.
Uw Weg Was in de Zee ↑ hoofdstukken
Dat is waarschijnlijk ook een verwijzing naar iets wat we in de Psalmen lezen. Psalm 77, moet u even met me meegaan? U moet niks, maar ik stel voor: laten we eens naar Psalm 77 gaan. Heel mooi. Daar blikt de psalmist terug op de geschiedenis. Dan gaat het over Israël dat door de Schelfzee geleid werd, wat we zojuist al even aangehaald hebben. Er staat een hele diepe zin, diep in meer dan één opzicht. Er staat in vers 20: “Uw weg was in de zee, Uw pad in grote wateren.” Er wordt hier direct verwezen naar dat wat gebeurd is bij de Schelfzee en wat later, veertig jaar later, min of meer werd herhaald bij de Jordaan. Maar toen was er geen sprake meer van een zee.
Let op wat hier staat: “Uw weg was in de zee, Uw pad in grote wateren, zodat Uw voetsporen niet werden gekend. Gij leidde Uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.” Het gaat nu even om dit ene punt wat we lezen in vers 20: “Uw weg was in de zee, Uw pad in grote wateren, zodat Uw voetsporen niet werden gekend.”
We blijven even bij dit vers, maar we nemen ook in gedachten wat Paulus schrijft in Romeinen 11. Paulus schrijft daar dat God momenteel Zijn weg gaat onder de natiën, onder de volkeren. Dat is de zee. In de Bijbelse symboliek staan de volkeren voor de zee. Daar kan ik nog heel wat voorbeelden van geven. Wij spreken ook inderdaad over de volkerenzee. “De zee die gij zaagt,” wordt tegen Johannes gezegd, “dat zijn vele natiën.” Gods weg is momenteel in de zee. Wat dat betekent? De consequentie daarvan staat er ook bij: “zodat Uw voetsporen niet werden gekend.”
Die ervaring heb ik de laatste weken ook heel wat keertjes mogen opdoen. We zijn op vakantie, het is prachtig weer. We wonen in Katwijk, vaak aan het strand. Je loopt daar langs de kustlijn, langs de strook waar de zee het strand raakt. Als je daar zo loopt en je kijkt achterom in het harde zand, dan zie je de voetsporen. We kennen dat waarschijnlijk allemaal. Je ziet de voetsporen, maar zodra de zee eroverheen gaat, zodra dat water aanspoelt, dan is er van die voetsporen ineens helemaal niks meer te zien.
Dat is het beeld wat hier ook gebruikt wordt: “Uw weg was in de zee, zodat Uw voetsporen niet werden gekend.” Dat is wat er momenteel ook aan de hand is. God gaat Zijn weg in het verborgene. God gaat Zijn weg door de zee, door de natiën, maar het is een verborgen weg. Alles is momenteel verborgen. God laat Zich nu niet aan het publiek kennen. Mensen vragen ook: “Waar is Hij dan?” Welnu, in Jesaja staat, ook in verband met de tijd waarin wij leven: “Waarlijk, Gij zijt een God die Zich verborgen houdt.” Dat is wat God doet. God verbergt Zijn aangezicht en Zijn voetsporen zijn inderdaad onnaspeurlijk. Uw wegen zijn niet te traceren. En dan wil ik u nog wat vertellen over dat woord.
Gods Verborgen Voetsporen in de Volkenzee ↑ hoofdstukken
Want toen ik dat in de grondtekst eens nakeek, dan staat er bij voetsporen een woord dat letterlijk ‘hiel’ betekent. Bij de Bijbelkenners onder u gaat er misschien een lampje branden of een belletje rinkelen. Want waar doet een hiel u aan denken? Aan welk Hebreeuws woord? Jakob. Precies. Jakob betekent ‘hiel’, dat weten we toch? Hij hield de hiel van zijn broer vast bij de geboorte. Een heel merkwaardige geschiedenis; hij hield de hiel van zijn broer vast en daarom is hij Jakob genoemd. Dat is het woord wat hier ook gebruikt wordt. Dus eigenlijk zijn het niet zozeer voetsporen; het is gewoon die hiel. Die voetsporen hebben te maken met Jakob.
Toen ik daarover nadacht gisteren, dacht ik: wauw, geweldig! Dat ga ik morgen lekker vertellen in Den Haag. Dat vond ik zo mooi, want dat is nou precies wat het is. Waar is Jakob momenteel? Jakob is momenteel inderdaad opgelost in de natiën. God bewaart ze daar, maar momenteel zijn Gods voetsporen inderdaad Jakob. De weg die God in deze wereld gaat, verloopt via Zijn volk Israël; God handelt met deze wereld middels Israël. Maar momenteel is het zo dat die voetsporen niet gezien worden. Waarom? Omdat God Zijn weg in de zee gaat. Gods weg gaat door de zee, door de volkenzee, en Jakob staat tijdelijk aan de kant. Hij wordt niet gezien. Straks pakt Hij de draad weer op en dan gaat Gods weg weer over het land: Israël. Dat is de diepte van de woorden die we in Psalm 77 aantreffen. Gods weg is in de zee; dat is momenteel zo. God gaat Zijn weg onder de natiën, in het verborgene, en van Zijn voetsporen is niets te zien. Waar is Israël? Nou, het staat aan de kant.
U zegt misschien: “Elke dag staat het pontificaal op de voorpagina van het nieuws: Israël, Israël.” Ja, maar dit is nog niet het Israël dat God ‘aan de bovenkant’ heeft. Het is allemaal in overeenstemming met de profetie, tot uw dienst, maar het is niet het Israël dat God gaat herstellen – godzijdank. Sommige mensen denken van wel, maar dat is echt niet waar. Dit is nog menswerk. Dat is allemaal menswerk en daar blijft niets van over. Momenteel is het echt zo dat Gods voetsporen niet te traceren zijn; Zijn weg is in de zee.
Als we dat zo overwegen en we gaan terug naar Romeinen, dan lees je vers 33 ineens heel anders: “O, diepte van rijkdom en van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en hoe ondoorgrondelijk Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!” We begrijpen het: het is niet na te zoeken. Zijn weg is in de zee, onder de natiën, verborgen.
In vers 34 staat: “Wie heeft de denkzin des Heren gekend?” Dat wil zeggen: wie kent die denkende zin van de Heer? Wie kent Zijn overwegingen? Voor zover wij iets weten te zeggen over Gods denkzin, dan is dat gewoon omdat Hij daarover gesproken heeft, omdat Hij Zich bekend heeft gemaakt en verteld heeft wat er in Zijn hart is. Maar God vertelt ook niet alles. Nee, er staat ergens in Spreuken dat het Gods eer is om een zaak te verbergen. Zelfs aan ons die geloven maakt Hij Zijn geheimenissen bekend, maar hoe dan ook: we blijven schepseltjes. Wie God is, de grote onzienlijke God… wij kennen de denkzin des Heren niet. Slechts voor zover Hij ze bekendmaakt, kennen wij ze. Niemand heeft dat doorgrond. “Wie heeft de denkzin des Heren gekend?” Dat is een retorische vraag en het antwoord is: niemand. Uiteraard.
Of wie is Hem tot raadsman geweest? Andere vertalingen zeggen: “Wie heeft Hem geadviseerd?” Dat vind ik mooi. Wie heeft God nou van advies gediend? O, Hij heeft adviseurs genoeg hoor – ik schat zo’n zes miljard. Want we weten allemaal precies wat God had moeten doen. En weet u wat er in de Bijbel staat? Die in de hemel woont, lacht. Het is volstrekt belachelijk wat wij allemaal denken en overwegen; het slaat helemaal nergens op. God weet wat Hij doet. Hij vergist Zich niet. En als Hij de hele mensheid onder de ongehoorzaamheid besluit, dan doet Hij dat. En als mensen zeggen: “Hoe kan God Zich dat permitteren?”, dan zegt Paulus heel netjes: “Wie ben jij dat je God zou tegenspreken?”
Kortom: wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Zo van: “Ja, God is mij nog iets schuldig.” Het is natuurlijk precies omgekeerd. Alles wat wij zijn en alles wat we hebben, dat hebben we gewoon ontvangen. Dat zingen we toch in een lied? We kunnen het misschien straks zien: “Alles wat ik ben, dat ben ik door mijn Vader en alles wat ik heb, dat heb ik van mijn Heer.” Zo is dat. Wat u ook hebt, wat u ook bent: we zijn maakseltjes. We zijn goddelijk ingenieus in elkaar gezet hoor. Zo staat het ook in Psalm 139: “Wonderbaarlijk zoals U mij bereid hebt.” Zeker, we zijn schepseltjes en niet meer. Maar ook niet minder, want het is nogal wat!
“God’s original creation”, sommigen hebben dat op hun T-shirt staan. Dat zijn wij. We zijn door Hem bedacht en Hij heeft een rol voor elk schepseltje weggelegd. De een heeft in onze ogen een mooiere of makkelijkere rol dan de ander, dat is waar, maar het is Gods liefde die alles bepaald heeft en elk schepseltje neerzet. En dat is opdat Hij Zijn ontferming zou bewijzen, om Zich over allen te ontfermen. En dan zegt Paulus: “Uit Hem…”
Uit Hem, Door Hem en tot Hem ↑ hoofdstukken
Dat is dan weer de uiteindelijke conclusie van dat loflied. Want uit Hem – dat wil zeggen: Hij is het die de dingen brengt en ontworpen heeft en gemaakt heeft. Uit Hem, door Hem en tot Hem. Ja, het is maar net waar je de nadruk op wilt leggen. Het is: uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Dat wil zeggen dat de ganse schepping uit Hem is voortgekomen.
Hij is degene die de wegen gaat, die de weg ook bepaalt. En waarom gaat Hij die weg? Wel, omdat Hij Zich een doel heeft gesteld. Eerst stel je een doel en vervolgens bedenk je – ik weet niet of je dat zo kan zeggen in verband met God, dat is echt op menselijke wijze uitgedrukt – maar vervolgens stel je vast welke wegen je moet gaan om bij dat doel te komen. En verkijk u niet op de wegen van God. Gods wegen zijn diep. Onnaspeurlijk en bovendien ondoorgrondelijk. Ze zijn diep. Maar ik zeg u: die diepte – en ik herhaal wat ik zojuist al eerder zei, neem dat mee – Gods wegen zijn zo diep omdat Hij zo hoog wil eindigen. Daarom.
En daarom is het ook dat alles uit Hem en ook door Hem is. Die weg die God gaat is diep, maar ook volmakend. Ook dat gaan we straks maar eens met elkaar zingen: Gods weg is de beste, de beste altijd. En daarom zegt Paulus ook: uit Hem, door Hem en ook tot Hem. Dat wil zeggen dat alles weer tot Hem leidt. Ja, God weet wat Hij doet. Hij vergist Zich niet. Er gaat nooit iets mis. Het komt allemaal bij Hem uit. Het komt bij Hem vandaan en het komt ook weer bij Hem uit. En tussendoor gaat er ook nog eens een keertje niets mis. Lieve mensen, dat is evangelie hoor. Er gaat niets mis. Uit Hem, door Hem, tot Hem zijn alle dingen.
En daarom zegt Paulus ook: Hem zij de heerlijkheid, tot in de aeonen en al die tijdperken die nog gaan komen. En weet je wat de conclusie is? U vraagt zich misschien af: en wat kan ik doen? Weet u wat uw logische eredienst is? Ja, daarvoor zou je het vervolg moeten lezen.
Onze Redelijke Eredienst ↑ hoofdstukken
Weet u wat de logica is? Als het waar is dat God ons gemaakt heeft, dat wij uit Hem zijn, door Hem zijn en tot Hem zijn, en dat er werkelijk niets van onszelf blijft, weet je wat je dan zegt? Als dat kwartje gaat vallen – of anders gezegd: als Hij je ogen daarvoor gaat openen – weet je wat je dan zegt? “Heer, hier ben ik. Kneed me maar.” Ben ik een stukje klei in de hand van de Pottenbakker? Welnu, hier ben ik, kneed me maar.
U zegt misschien dat dit een eigen conclusie is, maar lees het maar eens gewoon verder in Romeinen 12: “Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods…” Een conclusie! “Ik vermaan u dan, broeders” – naar aanleiding van wat ik zojuist naar voren heb gebracht – “dat gij uw lichaam stelt tot een levende, heilige, Gode welgevallige offerande. Dat is uw redelijke eredienst.” Dat is uw logische eredienst. Alles is immers uit Hem, door Hem en tot Hem. Daar zeg je dan “amen” op. Je stelt je lichaam ter beschikking, je presenteert het: “Hier ben ik, kneed mij en maak mij tot een offerande voor de Heer.” Een Gode welgevallige offerande. Amen.
Gods weg is de beste, altijd de beste. Dat vind ik altijd een heel mooi lied. Veel mensen weten wel dat Gods doel goed is, zo hoog en het allerbeste, maar ook Gods weg – de weg die Hij gaat om daar te komen – is altijd de beste. De beste, altijd. Gods weg is de beste; gehoorzaam Zijn roepstem, neem je kruis op en volg Hem. Gods weg is de beste.
Hemelse Vader, we willen U heel hartelijk dankzeggen dat U ons bepaalt bij deze waarheid en bij zo’n geweldig Schriftgedeelte. Dat Paulus het zelf ook uitroept: “O, diepte van rijkdom, beide van wijsheid en kennis Gods!” Heer, we hebben er een klein beetje aan mogen ruiken, aan wat er door Paulus zelf heen is gegaan toen hij dit uitriep en liet opschrijven. Of liever: wat U in gedachten had toen U het Paulus liet opschrijven. Want uiteindelijk bent U degene geweest die de Schriften geïnspireerd heeft en U hebt de hand van Paulus zo geleid.
Heer, we danken U dat we vanmorgen opnieuw bepaald mochten worden bij die grote, soevereine God wiens wegen wij niet begrijpen, die ondoorgrondelijk en ondoorzoekelijk zijn. Voor zover we er iets van begrijpen, is dat omdat U Zich bekendmaakt, omdat U Uw geheimen vertelt. Heer, dank U wel dat we bij dat selecte gezelschap mogen behoren, bij de ‘happy few’ van wie de harten en de ogen nu al geopend zijn. Dat we daar kennis van mogen nemen, dat we het ook mogen uitdragen en mogen uitspreken. Want het is weliswaar thans slechts bestemd voor een select gezelschap, voor de mensen die U vandaag uitroept – het is niet de hele wereld waarvan op dit moment al de ogen en de harten geopend worden – maar niettemin mag iedereen het weten. We kunnen het luid en duidelijk verkondigen.
Heer, we danken U dat we mogen weten dat U God bent, dat U alles op zijn plek zet en dat Uw doel zo ultiem en groot is. Dat U Uw liefde gaat bewijzen aan heel de schepping en dat U Zelf voor die uitkomst garant staat. U laat niets aan een mens over. U zegt: “Ik ga Mijn weg, Ik zal het doen”, zodat alle roem volkomen is uitgesloten. Heer, we danken U dat die blijde boodschap een boodschap van genade is, ‘om niet’. Zo mogen we U werkelijk leren kennen.
We danken U dat we Hem mogen kennen die Zijn leven gaf als bewijs van Gods liefde. Die Zich liet kruisigen, maar die ook degene is die op de derde dag opstond uit de dood en de Eersteling is van het nieuwe leven. Dat nieuwe leven zal geopenbaard worden en de schepping vullen, zodat uiteindelijk de dood er niet meer zal zijn. Heer, we danken U dat we zo’n geweldig perspectief mogen hebben en dat U ons met deze dingen vertrouwd en bekend hebt gemaakt.
Heer, we willen U dankzeggen dat we ons daarin elke dag mogen verblijden en dat we daarmee mogen opstaan. Dat ons leven inderdaad een offer mag zijn, dat we ons lichaam mogen stellen tot een levende, heilige, Gode welgevallige offerande. We zeggen: “Heer, hier ben ik. Kneed me maar.” Heer, we danken U dat we zo mogen leven, dat ons leven zo zin en inhoud heeft. Terwijl de wereld aan de ijdelheid is onderworpen, mag ons leven gevuld zijn. Heer, dat is een groot voorrecht. Geef ons dat we die rijkdom niet voor onszelf houden, maar dat we ervan spreken aan iedereen die het maar horen wil. Want Heer, er is zoveel nood, er zijn zoveel vragen en zoveel ‘waaroms’. Er is ook zoveel vijandschap tegenover God bij hen die deze wegen niet begrijpen. Laat ons dan vertellen van de liefde Gods. Heer, wilt U ons zo gebruiken? Amen.
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews