waarvoor zullen we bidden?
12-11-2023 - Geplaatst door Andre Piet12 november 2023, Benthuizen
In Romeinen 8:22-31 beschrijft Paulus hoe heel de schepping zucht. En niet alleen de schepping in het algemeen maar ook wij als gelovigen die reeds deel uitmaken van een nieuwe schepping. Naar het lichaam zijn we immers nog onverlost. Ook wij zuchten, en we weten niet wat we bidden zullen “naar wat moet zijn”. Onze gebeden zijn vaak niet meer dan onbeholpen en onuitgesproken verzuchtingen. Maar terwijl wij zuchten en niet weten wat we moeten bidden is er Eén die wel wat weet wat Hij moet zeggen en daarmee onze zwakheid te hulp komt!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- De Onbeholpenheid: Wat Moeten We Bidden?
- De Ganse Schepping Is aan de Ijdelheid Onderworpen
- Wij Hebben de Eersteling van de Geest Ontvangen
- De Geest Komt Onze Zwakheid te Hulp
- De Geest Pleit in Onze Onuitsprekelijke Verzuchtingen
- God Doet Alle Dingen Meewerken Ten Goede
- Tevoren Bestemd tot Gelijkvormigheid aan Zijn Zoon
- Als Dé God voor Ons Is, Wie Zal Tegen Ons Zijn?
De Onbeholpenheid: Wat Moeten We Bidden? ↑ hoofdstukken
Ik wil jullie vanmorgen, beste vrienden, graag eens meenemen naar een geweldig mooi en buitengewoon treffend Bijbelgedeelte, namelijk Romeinen 8. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als één van de hoogtepunten in het hele oeuvre dat Paulus ons heeft nagelaten; er klinkt een geweldige triomf in door. De zin die u hier achter mij ziet geprojecteerd, is ook aan dat hoofdstuk ontleend.
Ik zal u vertellen wat de directe aanleiding hiervoor was. Toevallig — of wat heet toevallig — kreeg ik vorige week deze vraag direct, en deze week ontving ik opnieuw een mail van iemand die zei: "Ik vind dat toch een ingewikkeld onderwerp: gebed, of 'bidden voor'." Hij schreef: "Ik ken de geweldige boodschap van God, die een geweldig plan heeft en alles uitwerkt. Ik dank Hem voor alles wat Hij geeft en ik weet dat Zijn weg de beste is, maar ik loop heel vaak aan tegen de vraag: wat moeten wij nou eigenlijk nog bidden?" Hij liep daar eerlijk gezegd een beetje in vast.
Ik moet zeggen dat ik dat heel goed begrijp. Sterker nog, de apostel Paulus, die over deze dingen geschreven heeft, begrijpt dat ook maar al te goed. We zullen dat straks ook zien. Ik begin een aantal verzen eerder — we beginnen trouwens niet bij Romeinen 8 vers 1 — en dan zullen we zien hoe de apostel Paulus een geweldig antwoord geeft op deze, laat ik het maar noemen, onbeholpenheid.
Wat moeten we nou eigenlijk bidden? Want het is één ding om te weten dat Gods weg de beste is, maar je hebt zo dikwijls je wensen en je vragen. Dan dringt het zo vaak aan je op: "Wat mijn wens is, is wel bekend, dat is duidelijk. Maar is dat ook wat God wil?" Bij die vraag tasten we zo dikwijls in het duister.
De Ganse Schepping Is aan de Ijdelheid Onderworpen ↑ hoofdstukken
Ik stel voor dat we beginnen bij vers 22 te lezen. Het is altijd lastig om dan aan te haken, want dat blijkt meteen al uit het eerste woord van vers 22. Want er staat: "Want, wij weten..." Dat woordje "want" is redengevend. Dat betekent dat het uiteraard een antwoord is op de vraag waarom de ganse schepping aan de vergankelijkheid is onderworpen. Dat is namelijk wat in de voorgaande verzen gezegd was: de wereld, de hele schepping is aan de ijdelheid onderworpen. Als u het woordje "ijdelheid" hoort, dan zou het me niet verbazen als u direct denkt aan een heel Bijbelboek, namelijk het boek Prediker, dat daarover gaat. Alles is ijdelheid. Die cirkel uiteindelijk: alles in deze schepping is vergankelijk en je komt uiteindelijk weer terug bij af. Wat ben je nou eigenlijk opgeschoten? Dat is misschien een wat cynische benadering, maar dat is ook wat we vaststellen: de hele schepping is aan de ijdelheid onderworpen.
Dan staat er nog bij dat dit niet vrijwillig is. Dat wil zeggen: de schepping heeft daar niet zelf voor gekozen. Uiteraard niet. Zou je haar dat vragen? Nee, maar het is met opzet. Er staat: "om Hem" — uiteraard met een hoofdletter — "die haar", de schepping, daaraan onderworpen heeft. De schepping is dus aan de ijdelheid onderworpen en dat heeft een doel. Er staat trouwens ook nog bij dat het "in hoop" is. Dat wil zeggen: God doet dat met een bepaalde opzet en alleen als je het doel ervan kent, dan begrijp je ook waarom Hij het zo doet. In vers 20 zegt Paulus dat de schepping aan de ijdelheid onderworpen is, en wat hij daarmee in feite ook bedoelt, is wat je in vers 21 leest: dat eigenlijk de hele schepping vergankelijk is en zelfs in de slavernij van de vergankelijkheid verkeert. Een mens, of welk creatuur dan ook, kan wel proberen zich te ontworstelen aan die vergankelijkheid, maar dan kom je toch van een koude kermis thuis. Dat gaat je niet lukken. Je zit vast aan die ijdelheid, die vergankelijkheid. Alles vergaat. Het is haast een open deur intrappen natuurlijk, want dat is nu juist wat deze hele schepping kenmerkt. Het is per definitie vergankelijk en daar zit het aan vast. Maar, zo staat erbij, het is in verwachting, want de schepping zal bevrijd worden van deze slavernij van de vergankelijkheid.
In dat verband zegt Paulus dan: "Wij weten..." We constateren — en dat is op zich helemaal niet uniek — dat de ganse schepping in al haar delen, dat wil zeggen in al haar aspecten waar je ook kijkt, zucht. Zuchten. Dat zuchten is trouwens niet zomaar zuchten; het is de metafoor die hier wordt geïntroduceerd: het zuchten van een zwangere vrouw, of eigenlijk een vrouw die, zoals hier staat, in barensnood is en op het punt staat een kind voort te brengen. Daarin komen eigenlijk twee elementen mee: aan de ene kant is dat de pijn en de moeite, het zuchten. Het is een beetje moeilijk om daar als man over te praten natuurlijk, maar goed, ook dat weten wij wel. Maar weten en beseffen, of ervaringsdeskundige zijn, dat is weer wat anders. Dat weet ik, maar u begrijpt wat ik bedoel.
Kijk, de pijn en de moeite van de hele schepping die aan de vergankelijkheid en de ijdelheid is onderworpen, met alle moeite die daarbij komt kijken... Want het is niet alleen maar een objectief gegeven van "nou ja, we zien dat alles weer vergaat en dat alles vergankelijk is", nee, het brengt ook pijn met zich mee. We hadden voorafgaand aan deze samenkomst nog een heel gesprek over hoeveel pijn je kunt lijden. Voor de hele schepping geldt dat zij aan dat proces onderhevig is, maar ook wijzelf. Wat ik er eigenlijk nog even bij wilde zeggen: het zuchten is niet alleen maar negatief in de zin van de moeite en de pijn. Het is met het oog op nieuw leven dat voortgebracht gaat worden. En dus is het toch allemaal in het kader, het frame van de blijde verwachting. Als je die verwachting hebt, dan is precies dat wat motiveert en kracht geeft om die dingen ook te ondergaan in barensnood.
Dat bepaalt ons bij nog een ander gegeven, iets wat juist in de Romeinenbrief nogal sterk naar voren komt. God is inderdaad de Schepper; Hij is mannelijk, Hij is "Hij". De schepping is vrouwelijk en vervult de functie en de rol van een moeder die in blijde verwachting is. De vergelijking gaat in veel opzichten door: God heeft nieuw leven door opstanding verwekt in de schepping. Dat is het zaad ook van de wedergeboorte. De metafoor gaat in heel veel opzichten zo door, maar het is nu even niet de tijd om dat zo specifiek eruit te lichten. Waar het om gaat is dat de schepping de rol vervult van een moeder, of eigenlijk een aanstaande moeder, die in barensnood verkeert.
Wij Hebben de Eersteling van de Geest Ontvangen ↑ hoofdstukken
En dan zegt Paulus erbij – ik gaf zojuist al even een hint in die richting: "En niet alleen zij, maar ook wijzelf. Wij, die de eersteling van de Geest hebben." Ik geef overigens nog maar even mee dat wanneer u de tekst in de presentatie cursief ziet staan, dit afwijkt van de NBG-vertaling. Soms licht ik dat ook even toe. Maar eerst dit: "niet alleen zij, maar ook wijzelf". Dat is eigenlijk wel apart, want Paulus zegt hier feitelijk: ja, de ganse schepping, en dan zegt hij: "ook wijzelf". Dat suggereert een beetje de vraag: horen wij dan niet bij die schepping? Het antwoord daarop is: ja, in zekere zin wel. Het is ja en nee. Het punt is namelijk dat gelovigen – zij die de eersteling van de Geest hebben, ik kom daar straks nog op terug – een categorie apart vormen.
Zij horen in zekere zin bij deze schepping. Dat is in feite ook de meest vanzelfsprekende kant van de zaak, want wij zijn niet anders dan onze buurman of onze collega's. Voor het oog en in de beleving maken wij net zo deel uit van deze schepping als ieder ander. Dat wil zeggen: naar het lichaam. Wat dat betreft maakt het geen enkel verschil of je een gelovige bent of een ongelovige. Dat geldt niet alleen voor de conditie van het lichaam, maar ook voor de dingen die we hier in deze wereld meemaken aan tegenslag en moeite, maar ook de plezieren en alles wat bij de oude schepping hoort. In die zin, naar het lichaam, horen wij bij de oude schepping.
Maar er is iets wezenlijk anders, want wij hebben al de eersteling van de Geest ontvangen. In die zin – namelijk in de spirituele of geestelijke zin – maken we geen deel uit van de oude schepping, maar van de nieuwe schepping. In feite is dat de essentie van wie wij zijn. Wij zijn een nieuwe schepping in Christus en dat is het meest wezenlijke. Ik geef toe: het is niet hetgeen voor het oog zichtbaar is, en misschien ook niet altijd onze beleving, maar het is wel zoals het in feite is en zoals God rekent. Of je het nu ziet, voelt of beleeft of niet: wij zijn het. En met 'wij' bedoel ik degenen die tot erkenning gekomen zijn van de Christus, de Opgewekte uit de doden. Wij hebben de eersteling van de Geest ontvangen.
En hoezo 'de eersteling'? In feite wordt die nieuwe schepping gekenmerkt door Geest. Dat wil zeggen: door leven, want geest en leven zijn synonieme begrippen. Wij hebben het nieuwe leven ontvangen, namelijk het leven dat de dood achter zich heeft. Dat is dus overwinningsleven. Dat is karakteristiek voor de nieuwe schepping. Wij kennen Hem die de Eersteling is uit de doden, en het leven dat Hij aan het licht bracht, is nu reeds door geloof ons deel. Wij die de eersteling van de Geest hebben.
Paulus zegt dus, om het even kort te sluiten: niet alleen zij – dat wil zeggen niet alleen de schepping in het algemeen die zucht in al haar delen – maar ook wijzelf. Wat dan? Nou, hij zegt: "wij zuchten bij onszelf in de verwachting van de zoonstelling". In de NBG staat 'het zoonschap', maar letterlijk staat er dat we tot zoon zullen worden gesteld. Dat is een begrip apart in de Bijbel. Een kind wordt geboren, maar een zoon wordt gesteld. In het jodendom kennen we dat moment natuurlijk als de Bar Mitzvah; dat je op een gegeven ogenblik tot zoon wordt gesteld. Dan ben je verantwoordelijk en ben je ook in de conditie om de erfenis te ontvangen. We hebben nu al de Geest van de zoonstelling, dat stond in vers 15 al, maar de zoonstelling zelf – het moment dat we daadwerkelijk zonen worden en in de positie en conditie zijn om de erfenis, of zo u wilt het lotsdeel, in ontvangst te nemen – in die conditie zijn we nu nog niet.
Wat houdt dat moment in? Paulus zegt erbij: dat is de verlossing van ons lichaam. Dat betekent niet dat we van dit lichaam áf zijn; nee, het betekent dat ons lichaam verlost zal worden. Dat het van oud nieuw zal worden, van vergankelijk onvergankelijk. Verlost ook van de slavernij; een lichaam in een totaal nieuwe conditie. Ik zie sommige mensen al denken: dat kan me niet vroeg genoeg gebeuren. En dat is ook zo. Juist als je erg geconfronteerd wordt met dat zuchten en de moeite, dan denk je dat. Maar wij zuchten weliswaar, hoe reëel dat ook is, maar het is het zuchten van een zwangere vrouw. Het is een zuchten in verwachting. Wat zeg ik? In blíj́de verwachting.
Het moment gaat komen dat wij tot zonen gesteld worden. Paulus had daar in vers 19 al over gesproken. U ziet hoe lastig het is om zomaar ergens aan te haken in zo'n gedeelte, want alles hangt met alles samen. Maar kijk, als ons lichaam verlost wordt... dat is het moment waar we het de vorige keer over hadden bij de wegrukking. Degenen die op dat moment nog hier op aarde leven, hun lichaam zal in één keer worden getransformeerd. En de gelovigen die ontslapen zijn, zullen worden opgewekt – in de omgekeerde volgorde trouwens: eerst zij en dan wij gezamenlijk. Samen zullen we de Heer tegemoet gaan. Dat is het moment dat alle gelovigen die de Heer vandaag uitroept, verloste lichamen krijgen en op dat moment tot zonen gesteld worden.
En weet u, heel de schepping wacht op dat moment. Dat staat ook in dit hoofdstuk, in vers 19: de ganse schepping ziet reikhalzend uit, eigenlijk 'met opgestoken hoofden'. Ze weten misschien niet eens wat ze precies verwachten, maar heel de schepping wacht op het moment dat de zonen Gods openbaar worden. Want wij gaan straks een geweldige functie krijgen. Van de week had ik een gesprek over de toekomst die ons wacht, en toen werd er gesproken in termen van dat we een harpje krijgen en door gouden straten moeten lopen enzo. Toen dacht ik: je moest eens weten! Nee, want dan begint het eigenlijk pas. Dat valt sommige mensen misschien tegen, maar dan beginnen we eigenlijk pas echt. Want de hele schepping gaat ons ten deel vallen als erfenis, als lotsdeel. Dat valt ons toe. Wij zullen de schepping gaan regeren en haar brengen wat ze nodig heeft: de schepping zal bevrijd worden.
God heeft een geweldig plan met de gehele schepping, en daarvoor is er een select gezelschap van zonen: zij die vandaag worden uitgeroepen. Zij worden geroepen om deel uit te maken van dat gezelschap dat heerschappij zal hebben en de voortrekkersrol gaat innemen in deze schepping. Israël hier op aarde, wij in de hemel. Hoe dan ook, wat Paulus zegt is: wij zuchten bij onszelf, maar het is wel in verwachting, namelijk van de zoonstelling, en dat is de verlossing van ons lichaam.
En dan zegt hij erbij: "Want in die hoop werden wij gered." Dat vind ik wel apart. Feitelijk wordt hier gezegd: in die hoop – wat spreekt van toekomst – werden wij gered. Ja, onze redding is een feit, maar het is in verwachting. We hebben de Geest ontvangen, we hebben het Woord ontvangen, wij rekenen al zo en God rekent zo, maar dat neemt niet weg dat het nu nog hoop is. En daarmee bedoel ik niet een onzekere hoop. Nee, het is iets waar we naar uitzien met een absolute zekerheid. Een zekere verwachting. In die hoop werden wij gered. Dus als je Hem mag kennen, ben je dan gered? Ja, in hoop. Sommige mensen vatten dat dan weer anders op als: "ik hoop het maar". Nee: in verwachting!
Maar we zien nog niks. Daar hebben we wel mee te maken. Dat is gewoon ook de handicap om zoveel dingen duidelijk te maken. Paulus zegt er ook bij: in die hoop, die verwachting werden wij gered.
Om even bij de metafoor van die zwangerschap te blijven: ook dat is zuchten en moeite enzovoort. Jawel, maar het nieuwe leven is nog steeds verborgen. Zo hoort het ook. En ja, dat geeft zo zijn conflicten. En dat is niet alleen bij een vrouw in barensnood, maar dat is voor de hele schepping en ook voor ons. Ook wij zuchten, maar we hebben hoop en verwachting.
Maar, zegt Paulus erbij, hoop die gezien wordt, ja, dat is geen hoop natuurlijk. Want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? Op het moment dat je het ziet, dan is de hoop dus kennelijk al gerealiseerd. Maar per definitie heeft hoop altijd een verwachting te maken met dingen die nog gaan komen en die je dus per definitie nog niet ziet.
Maar dat is net als met dit plaatje. Ik had het net over het nieuwe leven dat tot de geboorte verborgen is. Maar wat dacht u van het embleem van hoop bij uitstek? Het is een Bijbels embleem trouwens: het anker. Heet rezes. Maar een anker is ook zoiets wat vast en zeker is, maar het is per definitie verborgen. Als het zijn functie uitoefent of zijn rol vervult, dan is het verborgen natuurlijk. Een schip dat in de deining is en door golven gedreven wordt, maar uit het schip is het anker geworpen en dat ligt daar op de zeebodem. En dat geeft vastheid te midden van al die woelige baren en de wind en de moeite. Maar daar is die hoop. Een anker is ook per definitie verborgen. Dat is een prachtig embleem daarom ook van die hoop.
Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien — wat dus nogal logisch is, maar het is zo vast — verwachten wij door verduren. Met andere woorden: niet met volharding verwachten wij het. In de NBG-vertaling staat: 'verwachten wij het met volharding', maar er staat: 'verwachten wij door verduren'. Dit klinkt je voor en dat heeft ermee te maken dat we verwachting hebben, maar we zien die dingen nog niet. En ondertussen komt er zoveel op ons af, of maken we deel uit van deze schepping. Zuchten we, hebben we de moeite. En dus komt het erop aan om al die dingen te verduren.
En hoe kun je verduren? Nou, alleen als je die hoop en die verwachting hebt. Dat geeft de kracht en ook de motivatie en de wetenschap: het dient ergens toe. Maar verduren is per definitie... daar zit iets in van moeite die je ondervindt. Tegenslag. Tegenslag verduur je. Ja, maar hoe kun je het verduren als je weet waar de focus op gericht is? Als je weet wat er gaat komen. En dat weten wij. God heeft gesproken, Hij heeft Zijn woord en dat ankert vast en zeker. Nou, en dan komt...
De Geest Komt Onze Zwakheid te Hulp ↑ hoofdstukken
We komen nu bij de verzen waar ik naartoe wil, vers 26 en 27. Daar zegt Paulus: "En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp." Wij zuchten dus, maar ik zal u dit vertellen: we zuchten niet alleen, er is ook nog sprake van zwakte. Een zwakte waarin wij zelf onbeholpen zijn. En als je onbeholpen bent, wat heb je dan nodig? Dan heb je hulp nodig. Welnu, hier staat: de Geest komt onze zwakheid te hulp. De vraag is dan: hoezo zwak? Kijk, dat zuchten, daar hadden we het al over; dat zijn de moeiten die eigen zijn aan deze hele oude schepping. Maar wij hebben nog een zwakheid en dat is precies ook het onderwerp, feitelijk het thema van deze samenkomst: we zijn zwak vanwege onwetendheid. Hoe ik dat weet? Dat staat er: "Want wij weten niet wat wij bidden zullen naar wat moet zijn."
Dus evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. De vraag is dan: hoezo zwakheid? Paulus zegt: wij weten niet wat wij bidden zullen. En dat maakt ons, behalve dat zuchten, ook zwak. Dat onbeholpene wat ik zojuist benoemde en waar ik het ook over had bij de aanvang over dat mailtje dat ik gekregen heb. De vraag die heel vaak naar voren komt: wat moeten we eigenlijk bidden? Dat weten we niet. Kijk, aan de ene kant... nee, laat ik eerst, voordat ik daarop inga, nog iets anders zeggen. Wij hebben geen idee hoe de dingen gewoon in het algemeen, in het grote geheel, maar ook in ons eigen kleine, privé, particuliere leventje zullen en moeten gaan.
Ik vind het trouwens apart, het zal u wellicht opgevallen zijn, dat het hier net even anders staat dan in de NBG-vertaling. In de NBG-vertaling staat: "Wij weten niet wat we bidden zullen naar behoren." Maar het idee van onze zwakte is niet dat we niet weten hoe het moet, of hoe we zouden behoren te bidden. Wij weten niet wat moet zijn. Voelt u het nuanceverschil? Het gaat er niet om dat wij ons onbehoorlijk voelen als we bidden; nee, het punt is dat we zwak zijn in ons gebed. Eigenlijk weten we niet hoe we daar woorden aan moeten geven. En ik weet zeker dat als u de vrijmoedigheid zou hebben om mij bij te vallen, ik heel veel bijval zou krijgen: het is vaak zo moeilijk om te bidden als het gaat over de dingen die "moeten zijn".
Kijk, wij hebben onze wensen, die zijn vaak niet moeilijk in de omstandigheden waarin je verkeert in verband met relaties, met de kinderen, met je werk of met gezondheid — noem maar op. En nu heb ik het alleen nog maar over dat microbestaan. Maar ook het grotere geheel, zoals in die mail waar ik het aan het begin over had, over het wereldgebeuren. Iemand zegt: "Mijn dochter zit in Israël en moet daar in het leger dienen. Wat moet je dan bidden?" Kijk, nogmaals, onze wensen zijn onszelf wel bekend. En weet u wat ik nou erg mooi vind? Paulus zegt ook in Filipenzen 4, waar ik hier ook naar verwijs, dat we in alles onze wensen bij Hem bekend mogen maken. Niet in de zin dat Hij daarvan niet op de hoogte is, of om Hem te informeren, maar gewoon om ons hart te luchten. Al je wensen. Er staat geen enkele beperking: maak al je wensen bekend. Wat je ook wenst, maak het gewoon bij Hem bekend. En er staat nog bij: met dankzegging. Niet omdat God per definitie onze wensen vervult, maar omdat Zijn weg altijd de beste is.
Maar dan passeer je eigenlijk een andere vraag en dat is: wat moet je nou bidden als het gaat om die omstandigheden "naar wat moet zijn"? Dat weten we niet. Dat weten we echt niet en dat maakt het heel moeizaam. Dat is aan ons verborgen en dat maakt ook dat we ons zo onbeholpen voelen als het gaat om bidden. Ja, en dan is de vraag: waarom zou je eigenlijk nog bidden? Dat vindt u misschien een beetje vreemd. Nou, voor de rust in je hart. Die rust in het hart is niet zozeer dat je weet wat moet zijn, maar dat is omdat je weet — ik loop nu even voor de fanfare uit — dat Gods weg altijd de beste is. En dan heb je rust.
Maar je weet niet wat je bidden moet. Je weet wat je wensen zijn, maar moet je daarom vragen? Dat is moeilijk. Daar loop je tegenaan en dan, zoals mij van de week gezegd werd: daar loop ik eigenlijk in vast. En die onbeholpenheid is niet ongewoon; het hoort erbij. Het levert wel een andere conclusie op. We weten het niet, maar wat moet je dan doen? Nou, dan denk ik dat het antwoord door de schrijver al was aangegeven: je kunt gewoon altijd danken. Dat kun je altijd.
En waar kun je dan voor bidden? Paulus bad ooit tot drie keer toe voor die doorn in het vlees — ongeacht wat dat geweest is — die boodschapper van Satan die hem met vuisten sloeg. Hij heeft tot drie keer toe gebeden dat dat van hem mocht worden weggenomen. En dan zegt de Heer... dat lijkt dan heel vroom, maar hij bad iets naar wat niet moest wezen, als u begrijpt wat ik bedoel. Zijn wens was bekend, maar hij bad om iets waarvan de Heer zegt: "Nee, Mijn genade is jou genoeg. En als Ik vind dat dit nodig is, dan kun jij menen het beter te weten en dan kun je nog veel meerdere keren bidden, maar verander dat bidden nu maar gewoon in danken."
Hoezo danken? Nou, dat wat jij bidt, dat wordt overtroffen door wat Ik bij machte ben te doen. Mijn weg is veel beter dan wat jij zelfs maar zou kunnen vermoeden. En die wetenschap dat God zoveel groter is, dat geeft rust. Want inderdaad: wij weten niet wat we bidden zullen naar wat moet zijn.
De Geest Pleit in Onze Onuitsprekelijke Verzuchtingen ↑ hoofdstukken
En nu komen we bij het tweede gedeelte van vers 26. Dat is een vers wat in mijn beleving – en ik wil het ook graag aantonen – altijd verkeerd gelezen wordt. Daar staat: ‘maar de Geest zelf...’ Laat ik het eerst even lezen zoals de NBG en eigenlijk alle vertalingen het weergeven: ‘maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.’ Ik heb dat altijd zo vreemd gevonden. De Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen? Heeft die Geest dan ook die verzuchtingen? En hoezo onuitsprekelijk?
Ik wil het nu niet al te technisch maken, maar strikt genomen staat dat er niet. Er staat een naamval die in de NBG-vertaling, zoals de meeste vertalingen, wordt weergegeven met: de Geest zelf pleit voor ons mé́t onuitsprekelijke verzuchtingen. Dan is het idee dat de Geest zelf verzucht, en wel op een onuitsprekelijke wijze. Maar dat woordje kan namelijk ook worden weergegeven met ‘in’ of zelfs met ‘door’. Dan krijg je een heel andere gedachte. Het idee is niet dat de Geest onuitsprekelijk verzucht; het gaat erom dat de Geest zelf pleit voor ons ín onze onuitsprekelijke verzuchtingen. Dat is hier heel anders. Dus niet de Geest verzucht onuitsprekelijk, nee, die onuitsprekelijke verzuchtingen liggen aan onze kant. Maar in die verzuchtingen waar wij eigenlijk geen woorden aan kunnen geven, is het de Geest die pleit. En dat is logisch, waar of niet? Nu moet u ja zeggen natuurlijk.
Kijk, wij zijn zwak. Wij zijn zwak, want we weten niet wat we bidden zullen. Maar de Geest komt ons te hulp. Dat kan alleen maar als wij zwak zijn omdat we het niet weten, en de Geest ons te hulp komt. Als de Geest het ook niet zou weten, dan schiet je er niks mee op. Nee, in onze zwakheid komt de Geest ons te hulp omdat wat wij niet weten, Hij wel weet. Onze verzuchtingen vinden geen woorden, want wij weten niet wat we bidden zullen. Maar de Geest zelf, verzucht Die ook onuitsprekelijk? Nee, God zij dank niet. Die spreekt. Die pleit. En pleiten wil toch echt zeggen – ik heb het niet over het loutere feit dát het gebeurt – maar dat de Geest pleit, betekent dat Hij spreekt. Zoals een advocaat pleit; die voert een betoog of spreekt overtuigend. Dat is pleiten. En dat is wat die Geest doet. In onze onbeholpenheid en in ons zuchten waarin wij geen woorden vinden, is het de Geest die spreekt en ons overtuigt, en ons te hulp komt om ons bij te staan in dat wat wij niet kunnen en niet weten.
Zie je dat je dan een heel andere betekenis krijgt? Dan begrijp je ook waarom de Geest ons inderdaad daadwerkelijk in onze zwakheid te hulp komt. Dus niet omdat de Geest Zich niet uit zou spreken; Die spreekt juist wel uit! Die pleit namelijk. In feite geeft het loutere feit dat de Geest pleit al aan dat het onuitsprekelijke niets van de kant van de Geest vandaan komt. Wíj verzuchten, en de Geest is het daarentegen die ons daarin te hulp komt.
Ik lees verder: ‘en Hij die de harten doorzoekt – God zelf natuurlijk – weet de gezindheid van de Geest, dat deze namelijk in overeenstemming met God voor heiligen pleit.’ Dat is een typische Paulus-zin, maar laat ik eerst nog iets duidelijk maken. Als hier staat ‘de gezindheid van de Geest’, dan slaat dat terug op wat Paulus eerder in dit hoofdstuk had gezegd in vers 6. Daar wordt exact dezelfde terminologie gebruikt. De gezindheid van de Geest, waardoor wordt die gekenmerkt? Door leven en door vrede. Rustig dus. De Geest – en dan kun je denken aan de Geest waarmee Christus ooit uit de doden werd opgewekt, dat is trouwens ook Romeinen 8 vers 9 en 10, kijk het maar eens na want ik geef niet iedere keer de tekstverwijzing erbij – dat is allemaal een lopend betoog. De Geest die Christus uit de doden opwekt, die Geest hebben wij ontvangen en die wordt gekenmerkt door leven. Geest is leven, namelijk leven dat sterker is dan de dood en de dood ook achter zich heeft. Maar ook vrede daarom, uiteraard, want dat is de Geest van de nieuwe schepping die onvergankelijk is.
Wel, het heeft dus eigenlijk allemaal te maken met dat wat God spreekt. En ja, dat spreken van God, dat is pleiten. Het wordt trouwens ook wel zo opgevat dat de Geest bidt, maar nee, de Geest pleit. De Geest spreekt. Hoe? Gewoon door het Woord. Dat komt ons te hulp en dat pleit inderdaad. Het draagt dat over. Want als je eenmaal op de foute toer zit, begrijp je het eigenlijk helemaal niet meer. Dan denk je dat de Geest pleit bij God, alsof het een advocaat is die God moet overtuigen. Nee, het gaat er niet om dat Gód overtuigd moet worden, maar wíj. Het gaat erom dat wij de overtuigende kracht van het Woord ervaren. Het overtuigt ons, en daarom is dat pleiten van de Geest niks anders dan het spreken van de woorden Gods. Dat komt ons te hulp en daardoor leren wij ook zien wie we zijn en hoe de vork aan de steel zit. Dat geeft ons die zekerheid, dat leven en die vrede: de gezindheid van de Geest. En die pleit voor heiligen, dat wil zeggen: het pleit voor ons, het overtuigt ons.
Wij weten nu... Ja, hoe weten wij nu? Wij weten niet wat we bidden zullen naar wat moet zijn. Dat weten we niet, daarom tasten we in het duister; dat is die onbeholpenheid. Maar wij weten wel iets anders. En hoe komt het dat wij weten? Dat komt omdat God gesproken heeft. Daardoor. Dat is dus niet op basis van gevoel. Wij voelen het niet. Het is ook niet onze ervaring. Het zijn ook niet andere mensen die ons dat wijsmaken of iets op de mouw spelden. Nee, het is het spreken van God zelf: Zijn Woord. Daardoor hebben wij vastheid, zoals een anker dat geeft. We hebben vastheid zoals een rots dat geeft; daar kun je op staan en daar kun je op bouwen. Wij weten het, niet vanwege ons gevoel, maar eigenlijk ondanks ons gevoel. Zelfs juist terwijl al onze zintuigen ons andere dingen toeroepen.
Dat is trouwens ook het einde van Romeinen 8, we zullen dat straks ook overzien: van moeite en tegenslag, vijandschap, overheden, machten, honger en benauwdheid. Al die omstandigheden roepen ons toe. Ik hou van die metaforen, dat weet u wellicht: dat zijn allemaal van die minnen. Ja, maar wij weten dat het geen minnen zijn. Waarom? Omdat God ze om gaat vormen tot plussen. Het zijn plussen, ook al zien wij nu nog minnen. Het zijn plussen die nog niet af zijn. Dat kun je alleen maar zeggen als je hoop en verwachting hebt. Dan reken je op voorhand al met wat we straks zullen zien. Dat is de kracht van hoop: dat je nu al beleeft wat je nog niet ziet en wat je nog niet voelt, maar wat God gesproken heeft en waar je op vertrouwt. Dan heb je nu al het rendement, en ook de vreugde en de vrede, terwijl je het straks pas daadwerkelijk, concreet en zintuiglijk zult gaan beleven. Dat is geloof. Dat is vertrouwen. Maar het is ook hoop, namelijk verwachting. Wij weten nu, ja dus.
God Doet Alle Dingen Meewerken Ten Goede ↑ hoofdstukken
Dit staat tegenover wat wij niet weten, namelijk wat we zullen bidden. Wij weten namelijk dít: dat God alle dingen doet medewerken ten goede. U kent deze zin, maar zijn wij ons werkelijk ervan bewust van de enorme kracht van deze wetenschap? Wij weten dat God álle dingen doet medewerken ten goede. Kijk, met dat bidden weten we dikwijls niet naar wat het moet zijn, maar er is een Geest die in onze zwakheid te hulp komt en die weet het wél. Die spreekt, en wat Hij spreekt is: God doet alles, al die omstandigheden waarin wij verkeren en die wij dikwijls als 'minnen' ervaren, meewerken ten goede.
Juist die omstandigheden geven natuurlijk ook dat zuchten. Maar Hij doet al die minnen meewerken ten goede. Dus we ervaren en we beleven, we zien en we voelen kwaad, moeite, verdriet, tegenslag en minnen; maar het is God die ons verzekert dat Hij alles omkeert ten goede. Ja, voor hen die God liefhebben. En dat is geen beperking. In het algemeen doet God dat, maar zij die God liefhebben, die wéten dit. Daarom heb je God ook lief. Je hebt God lief omdat je weet: Hij maakt alles goed, Hij maakt alles wel. Dat vertrouwen heb ik, dat geloof en die hoop heb ik. Paulus was ervan verzekerd: wij weten nu dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen die God liefhebben, die volgens Zijn voornemen geroepenen zijn.
Dat is een prachtige zin natuurlijk. Als je God mag liefhebben en je kent Zijn woord, dan ben je een geroepene. Ik denk dat dit ook nogal eens misverstaan wordt. Mensen denken dan: God doet nu Zijn woord uitgaan en iedereen die het hoort, dat is een geroepene. Nee, niet iedereen die het hoort is een geroepene. Ieder die wordt aangesproken in het hart, dat is een geroepene.
God heeft een plan, een voornemen, en in Zijn voornemen is heel de schepping – all-inclusive – betrokken. De ganse schepping zucht in hoop; dat is wat die verzen zeggen. De ganse schepping dus. Maar in die schepping is er een gezelschap van zonen dat wordt uitgeroepen. 'Ecclesia' betekent 'uitgeroepen'. Dat zijn zij die in hun hart worden aangesproken. Er staat in de Korinthebrief, in 1 Korinthe 1, dat Paulus zegt: "Wij prediken Christus gekruisigd, voor Joden een valstrik, voor de natiën een dwaasheid. Voor hen echter die geroepenen zijn, voor Joden zowel als voor Grieken, is Hij de kracht Gods en de wijsheid Gods." Geroepenen zijn dus zij die overtuigd zijn en die zich aangesproken weten door Hem. Dat zijn geroepenen. En als je een schepsel bent, dan mag je sowieso verwachting hebben, maar die geroepene is een hele categorie apart. Ik lees even verder.
Tevoren Bestemd tot Gelijkvormigheid aan Zijn Zoon ↑ hoofdstukken
Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon. En nu komen we eigenlijk weer terug bij waar ik al eerder op wees, namelijk dat God vandaag voor Zichzelf een gezelschap verzamelt van zonen die allemaal de positie delen met Christus, om gelijkvormig te zijn aan het beeld van Zijn Zoon. Er is Christus, de Zoon van God, en er is een gezelschap dat tevoren bestemd is. Hier is ons woordje 'predestinatie' — predestination — oftewel voorbestemming, van afgeleid. Voorbestemming: God bestemt van tevoren.
Ik weet dat voor sommige mensen het begrip voorbestemming en uitverkiezing koude rillingen over de rug oplevert. Maar dat komt omdat je niet weet dat Gods plan alomvattend is. In dat plan van God zijn er echter speciaal mensen — om maar een heel sprekend voorbeeld te noemen: God gaat alle geslachten van de aardbodem zegenen, maar Hij had Abraham uitverkoren, uitgekozen en voorbestemd om via hem en zijn zaad heel de wereld te zegenen. Ziet u? Dus aan de ene kant wil Hij de hele wereld zegenen, en daardoor is de hele wereld voorbestemd, maar de kanalen waardoor die zegen stroomt, dat zijn die zonen.
Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij, de Zoon, de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. En ja, dit is dus precies waar de gedachte van de metaforen bij komt kijken die heel dikwijls door Paulus gebruikt worden, zoals die van het hoofd en het lichaam. Het lichaam deelt de positie van het hoofd; een onverbrekkelijke eenheid. En hier wordt het beeld gebruikt van: daar is de Zoon, en een heel gezelschap dat Zijn positie deelt tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon. Opdat Hij, de Zoon, de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. Het zijn dus allemaal zonen Gods, jawel, maar Hij is onder hen de Eerste, zoals Hij in het lichaam het Hoofd is. Dus hoezeer wij ook Zijn positie delen, Hij is de Eerste, de Eerstgeborene, het Hoofd, of welk beeld je daar ook voor zou willen gebruiken. Wij delen in Zijn positie als zoon, en daar is God vandaag mee bezig: om zo dat gezelschap te vormen om straks de hele schepping te gaan bevrijden.
En er staat nog iets bij in vers 30. Je zou werkelijk met gemak een hele samenkomst alleen al aan dit ene vers kunnen wijden. Het wordt wel een 'gouden ketting' genoemd, omdat elke schakel hierin goud is. En daarmee bedoel ik: het is goddelijk. Hier zit niets van de mens bij. Hij kende het van tevoren. Ik moet er trouwens nog even iets bij zeggen, zonder dat nu ook weer al te precies toe te lichten, maar de werkwoordsvorm die gebruikt wordt, is niet die van de voltooid tegenwoordige tijd: 'Hij heeft bestemd', 'Hij heeft geroepen'. Het staat in een aorist. Dat wil zeggen: het is tijdloos, of in ieder geval geeft het aan dat er geen indicatie is van wanneer het gebeurt.
Dus: die Hij tevoren kent, die bestemt Hij tevoren. En die Hij tevoren bestemt, die roept Hij ook. En die Hij roept, die rechtvaardigt Hij ook. Wat is hier de rol van een mens? Voordat ik er was, kende Hij mij. Heeft Hij mij tevoren... ik maak het maar even persoonlijk... voordat ik er was, al ver daarvoor — Paulus zegt zelfs: voor de nederwerping der wereld — kende Hij mij en heeft Hij mij tevoren bestemd. Welk aandeel heb ik daarin dan? Ik wist nog niet eens dat ik voor Hem gekozen had. Nee, Hij koos voor mij toen ik er nog lang niet was.
Nou, die Hij tevoren kent, die bestemt Hij, en die Hij tevoren bestemde, die roept Hij ook. En als Hij roept, dan zorgt Hij ook dat het Woord in je hart landt, en dan rechtvaardigt Hij via dat Woord ook. Hij rechtvaardigt uiteindelijk de hele schepping, maar het gaat nu over dat uitgelezen gezelschap van zonen. En die Hij roept, ja, die rechtvaardigt Hij ook. Ziet u, er is maar één handelende persoon hier, en dat is Hij. Dat is Hij die tevoren kent, Hij die tevoren bestemt, Hij die roept en Hij die rechtvaardigt. En wie Hij rechtvaardigt, die verheerlijkt Hij ook.
Trouwens, bij dit laatste onderdeel zie je ook dat dit niet — zoals het in de NBG-vertaling staat: 'die heeft Hij ook verheerlijkt' — voltooid kan zijn. Die verheerlijking is juist nog toekomstig. Dus hier blijkt inderdaad dat het een tijdloze werkwoordsvorm is. Het gaat er niet om wanneer het gebeurt, het gaat erom dat het gebeurt. Hij kent ons tevoren, Hij bestemt ons tevoren, Hij roept ons, Hij rechtvaardigt en Hij verheerlijkt, ongeacht wanneer. Maar het gaat erom: Hij doet dat. En daar is niets van een mens bij. Vandaar ook dat ik zei: het is een gouden ketting. Al die schakels, dat is puur het werk van God. Geweldig toch? Ja.
Als Dé God voor Ons Is, Wie Zal Tegen Ons Zijn? ↑ hoofdstukken
En Paulus zegt er dan nog bij – eigenlijk begint hier min of meer een nieuw gedeelte wat we niet gaan bespreken, maar ik wil hem er graag nog even bij betrekken: als je deze dingen nu gerealiseerd hebt, nou, dan krijg je ook zo’n typische Paulus-vraag: wat zullen wij nou van deze dingen zeggen? Als je dit op je hebt laten inwerken, als je je dit realiseert, dan stel je die vraag. De eerste vraag die Paulus zo stelt, is eigenlijk retorisch; of eigenlijk zo retorisch als wat. Dat wil zeggen dat het antwoord al in de vraag besloten ligt: als God voor ons is... En u ziet het hier, er staat eigenlijk: dé God. Ik hou ervan om dat zo even te benadrukken, omdat we het niet zomaar over een god hebben. Er is maar één God en dé God, dat is Degene die alles beschikt, die alles plaatst, die alles in Zijn hand heeft als dé God.
Nou, als God voor ons is, dan moet u mij eens vertellen wat er überhaupt tegen ons of tegen mij zou kunnen zijn. Ik kan het heel persoonlijk maken, maar voor ons als gelovigen: wie of wat zal er dan tegen ons zijn? Paulus gaat in het vervolg natuurlijk nog even uitleggen: benauwdheid, ziekte, noem maar op, vijandschap, vervolging. Er komt natuurlijk een hele lijst. Dat líjkt tegen ons, maar het is niet zo, want God doet dat namelijk allemaal meewerken ten goede. Dus als God nou voor mij is, dan is er niets wat zo’n geweldige power in je leven geeft, zoveel kracht geeft en vreugde genereert als die wetenschap: Hij die de hele schepping bedacht en gemaakt heeft, en daar een bestemming mee heeft, heeft alles in Zijn handen. En die God is voor mij! Dat betekent dus dat alles wat er is, en waarvan Hij Zelf de Schepper is, noodzakelijk moet meewerken in Zijn plan. Dat kan niet anders. Kijk, dat weten wij.
En als je dat weet, dan ga je Hem prijzen. Ik wou zeggen: je weet bij God niet wat je moet bidden. Zo zeggen we dat vaak tegen Hem: ik weet het echt niet. Nee, maar ik weet wel dat Hij alles doet meewerken ten voordeel. En daar kan ik Hem elke dag voor danken en Hem daarvoor prijzen dat Hij zo groot is. Het enige waar ik nog voor kan bidden, is dat ik dat ga beseffen. En dat is wat je Paulus ook al in zijn brieven hoort doen en wat hij optekent: dat we die epignosis, die boven-kennis, dat besef gaan krijgen en ons gaan realiseren hoe geweldig rijk we zijn.
Het is één ding om het te weten, maar ook om echt het rendement daar elke dag van te beleven. Ja, daar bid ik voor. Ik weet dat ik dat kan bidden, want het is namelijk ook een gebed naar Zijn wil: dat ik ga beseffen wat ik mag weten, en dat ik me dus ga realiseren hoe gigantisch rijk ik ben. En weet u wat het mooie daarvan is? Daarmee wil ik eindigen. Dan heb je ook zoveel weg te geven aan de ander en te wijzen op zo’n God en op zo’n geweldige, glorieuze toekomst. Zullen we het daarbij laten voor morgen?
UltimateGoodNews