vergezichten in het boek Ruth (1)
24-09-2006 - Geplaatst door Andre Pietstudie gehouden op 24 september 2006 in het NH-hotel te Zoetermeer
Vanwege ongehoorzaamheid heeft Israël zwaar te lijden onder een hongersnood. In dit boek worden de lotgevallen beschreven van een Judese (lees: joodse) familie die om die reden een onderkomen zoekt in het buitenland. Maar ook daar worden ze zwaar getroffen door de hand des HEREN zodat uiteindelijk slechts een gering en verbitterd overblijfsel van hen terugkeert naar het land. Tezamen met een heidense vrouw die zich heeft gevoegd bij het volk van God: Ruth. Dit alles is een profetische heenwijzing naar onze dagen waarin we de terugkeer van het joodse volk meemaken (inclusief jodengenoten). Vanuit de diaspora naar het land der vaderen. Maar nog steeds zonder Man en Losser…
Het hoofdstuk eindigt met één hoopvolle mededeling: juist bij hun aankomst begint de gerstenoogst. Een verwijzing naar Pasen!
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: Vergezichten in het Boek Ruth
- Het Verhaal van Elimelech, Naomi en Ruth in een Notendop
- De Plaats van Ruth in de Hebreeuwse Bijbel en de Feestrollen (megillot)
- De Profetische Betekenis: het Joodse Volk in de Diaspora en Hun Losser
- Het Geslachtsregister: de Wortel van David en het Geheim van Bethlehem-efrata
- De Gersteoogst: Leviticus 23 en de Opstanding van de Eersteling
Introductie: Vergezichten in het Boek Ruth ↑ hoofdstukken
U gaat luisteren naar een Bijbelstudie-bijeenkomst die gehouden is op zondag 24 september 2006 in het NH Hotel te Zoetermeer. De spreker is André Piet en het thema is: Vergezichten in het boek Ruth, deel 1.
Ook van mijn kant een hele goede morgen toegewenst, beste vrienden. Wel spannend hoor, zo’n eerste keer in deze zaal. Er is zoveel licht dat de gordijnen dicht moesten, zodat u een beetje kunt zien wat er op het scherm geprojecteerd staat. De vraag is: kunnen degenen die achterin zitten het natuurlijk allemaal goed zien? Ja, dat is geen probleem.
Het thema van niet alleen deze ochtend, maar ook de komende samenkomsten die we op deze plaats zullen hebben, is: Vergezichten in het boek Ruth. Het is niet zozeer een loep die we op de tekst houden, zodat we heel precies vers voor vers kunnen zien wat er in dit boek geschreven staat. Dat zou namelijk veel te ver voeren. Nee, het is veel meer dat we met een verrekijker als het ware vanuit dit boek kijken en de perspectieven willen beschouwen die dit boek opent. En dat zijn er veel. Want inderdaad, zoals Huip al even aangaf, er staat zoveel meer in dan zich aan de oppervlakte alleen aan je voordoet.
Dat geldt altijd voor de Bijbel. De Bijbel is veel rijker; daar ga je op voorhand altijd van uit wanneer je het Schrift opent. De Bijbel is veel rijker dan je ooit zou kunnen denken. Het is precies wat de koningin van Scheba ooit zei: de helft was me nog niet aangezegd. En dat is waarschijnlijk dan nog maar het uiterlijke. Het is namelijk nog veel rijker. Zelfs als je denkt: het zal wel rijker zijn, of er zal nog wel veel meer in staan dan ik altijd had gedacht, dan staat er toch nog veel meer in dan je ooit had kunnen denken. Maar dat is misschien een beetje te ingewikkeld zo op de vroege ochtend. Waar ik vanmorgen uw aandacht voor wil vragen, speciaal deze ochtend, is… Nou, ik zal eerst even het verhaal in een notendop vertellen.
Het Verhaal van Elimelech, Naomi en Ruth in een Notendop ↑ hoofdstukken
Kijk, we hebben zojuist het eerste hoofdstuk gelezen. Daarin wordt beschreven hoe een familie uit de plaats Bethlehem — Elimelech met zijn vrouw Naomi en hun beide zonen, Mahlon en Chilion — vertrekt uit het land. Ze trekken de Jordaan over en komen aan aan de andere kant, in het land Moab. Ze gaan zich vestigen in de velden van Moab, zoals we gelezen hebben. Daar is dan wel brood, want ze waren door honger en armoede naar het buitenland gedreven.
Maar het zit hen daar niet erg mee. Dat is natuurlijk ook een eufemisme, zoals dat zo mooi heet; dat wil zeggen dat het daar vast kommer en kwel was. Want het eerste wat gebeurde, was dat Elimelech, de man, stierf. Zijn naam betekent: ‘Mijn God is Koning’. Deze man sterft en vervolgens sterven ook de beide zonen. Daarbij ben ik trouwens vergeten te vermelden dat de beide zonen inmiddels een Moabitische vrouw hadden gevonden en daarmee waren getrouwd: Orpa en Ruth. Maar de beide zonen sterven ook betrekkelijk kort na elkaar, allemaal in een periode van tien jaar, zo hebben we gelezen.
Uiteindelijk verneemt Naomi dat er toch weer voedsel in het land Israël te vinden is en ze keert dus weer terug naar het land van Juda, naar Bethlehem. Haar beide schoondochters gaan in de aanvang met haar mee, maar zij spoort hen aan dat ze vooral dan maar weer terug zouden gaan naar hun eigen vaderland, naar hun eigen moederschoot, hoe je het ook maar zeggen wilt. Orpa gaat na lang aandringen inderdaad, maar Ruth blijft meegaan. En dat is natuurlijk de rode draad in dit boek. Ruth doet haar naam werkelijk eer aan, want de naam Ruth betekent ‘gezelligheid’, dat wil zeggen: iemand die meegaat. En dat is precies ook wat zij doet.
Ze gaat met Naomi mee met die prachtige woorden die zojuist ook werden voorgelezen. Misschien zijn dat wel de allerbekendste woorden van het hele boek geworden. Ik herinner me dat we een paar jaar geleden, toen Willem-Alexander en Máxima met elkaar trouwden — Alexander en Máxima, niet die volgorde natuurlijk, want we zijn Nederlanders — toen hield dominee Ter Linden een preek. Over die man en over zijn preek zullen we het verder maar niet hebben, maar die heeft toen een preek gehouden over Ruth 1. De tekst die we in Ruth 1 ook aantreffen, namelijk: “Uw volk is mijn volk.” Dat zegt Ruth dan als Moabitische. “Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. En waar u zult overnachten, daar zal ik overnachten. En waar u zult sterven, daar zal ik sterven en ook begraven worden.” Kortom, zij snijdt alle banden door en ze gaat inderdaad naar de andere kant van de Jordaan. Misschien dat ik daar vandaag of bij een andere gelegenheid nog op terugkom. Ze gaat weer door de Jordaan; weg van dood en opstanding, want dat is wat het in de Bijbel altijd betekent. Ze gaat door de Jordaan en ze arriveert met Naomi weer in Bethlehem.
Nou, dat is Ruth 1. En dan Ruth 2 en 3 en 4. Daar ga ik niet veel van vertellen, maar in Ruth 2 kan ik alvast wel verklappen… het is een prachtig boekje natuurlijk. Als je je best doet, kun je het volgens mij in een kwartiertje of veertig minuten uitlezen. Het is een kort boekje, maar een prachtige romance, mag ik wel zeggen. Hoe een buitenlandse vrouw uiteindelijk een rijke boer ‘aan de haak slaat’ — want zo kun je het ook formuleren. Dat is niet zo netjes geformuleerd hoor, dat geef ik direct toe, maar zo zou je het kunnen zeggen. En hoe zij elkaar dan op een hele spannende manier treffen op de dorsvloer — dat was Ruth 3 trouwens. Uiteindelijk treft Ruth dus Boaz, die rijke boer, een vermogende man uit Bethlehem. Ze krijgt een zoon, Obed, en die krijgt later ook weer een zoon, want daar eindigt het boek Ruth mee. Die krijgt ook een zoon en die heet Isaï, ofwel Jesse, en die krijgt ook een zoon en die heet David.
Dan zijn we precies waar we wezen moeten. Want het was in de dagen van de richteren dat deze geschiedenis plaatsvond. Ieder deed maar wat recht was in zijn eigen ogen; dat was die periode. Er was nog geen koning over Israël, maar het boek eindigt bij David. In wezen zeg je daarmee ook dat dit boekje gaat over de totstandkoming van het koninkrijk over Israël. Hoe het koningshuis van David tot stand gekomen is, daar in de velden van Efratha.
Ja, over dat boekje is natuurlijk heel veel te vertellen. Ik heb er zelf van huis uit al veel mee te maken. Er gaat geen dag voorbij of wij worden in huis al herinnerd aan dat boekje Ruth. Want dan is het: “Naomi, heb je je kamer al opgeruimd?” of “Boaz, we gaan eten,” weet je wel, dat soort dingen. Dus er gaat geen dag voorbij of wij worden aan dat boekje herinnerd. Toen kregen we een derde kind en toen dacht iedereen: “Nou, dat zal wel Elimelech worden ofzo.” Maar dat was niet waar. Het hoort wel helemaal thuis in het rijtje, want die naam heeft alles met Boaz te maken. Als we het de volgende keer over Boaz gaan hebben, zal ik waarschijnlijk ook nog wat over Jachin vertellen, want dat kan ik dan toch ook weer niet nalaten natuurlijk.
Nou, dat is al een beetje het verhaal in een notendop. Ik ben er eigenlijk gemakshalve een beetje van uitgegaan dat u de geschiedenis kent. De geschiedenis is volgens mij erg bekend; zelfs als je niet al te vertrouwd bent met de Bijbel, dan weet je nog wel waar dat boekje Ruth over gaat.
Vervolgens wil ik ook wat vertellen over de plaats van Ruth in de Hebreeuwse Bijbel en uiteindelijk — en dat is waar de hoofdmoot van deze Bijbelstudie absoluut zal liggen — bij de profetische betekenis van het boekje Ruth. De profetische betekenissen, want het zijn er vele. Uiteindelijk wil ik deze Bijbelstudie dan afsluiten met een lichtstraal in dit donkere hoofdstuk. Want laten we wel wezen: het is een heel erg donker hoofdstuk. Het is één en al tragedie wat je in die 22 verzen tegenkomt.
In de eerste plaats al het loutere feit dat een familie het beloofde land moet verlaten vanwege armoede en honger is al tragisch. En dan vervolgens overlijdt in no-time Elimelech, en bovendien raakt Naomi haar beide zonen ook nog eens kwijt. Daarom is het ook met recht dat Naomi zegt, als ze weer terugkomt in het land en al die inwoners van Bethlehem haar vroeger nog kenden en zeggen: “Is dat nou niet Naomi?”, dan zegt ze: “Nee, ik ben niet Naomi. Noem me alsjeblieft geen Naomi.” Want Naomi betekent ‘lieflijk’. Kijk, in Hebreeuwse oren is dat volstrekt duidelijk. Die mensen in Bethlehem begrepen echt wel dat Naomi ‘lievelijk’ betekent, want het was hun eigen taal. Het is een Hebreeuwse naam en zij spraken Hebreeuws. Ze zegt: “Noem mij maar Mara.” En Mara betekent ‘bitter’. Ze wordt zelfs vertaald met bitterheid of gekweldheid, want ze zegt: “De hand van de HEERE heeft zich tegen mij gekeerd.” En dan, in die duisternis van dat eerste hoofdstuk, vind je aan het einde een lichtstraal. Ik zeg niet dat het de eerste lichtstraal is, maar het is wel de eerste heldere.
Een duidelijke lichtbundel die als het ware zo doordringt in de duisternis, in de donkerte. Want er staat dat ze arriveerden in Bethlehem, in de velden van Efrata. Op zich is dat al een lichtstraal. Want wat betekent Bethlehem? Broodhuis. Ja, als je honger hebt en je hebt geen eten, waar moet je dan wezen? In het Broodhuis.
En bovendien was het daar in de velden van Efrata, want Efrata betekent vruchtbaarheid. Dat is op zich al hoopvol. En vervolgens staat er dan ook bij dat het het begin van de gerstoogst was. Nou, daar wil ik straks absoluut nog even op terugkomen, want daar zit nog heel wat meer aan vast dan je op het eerste gezicht zou denken.
Je zou zeggen: dat is mooi meegenomen. Er was armoede, er was honger, en dan arriveren ze daar in Bethlehem net aan het begin van de gerstoogst. Dus toen konden ze als arme, berooide mensen — Naomi en Ruth — gaan arenlezen. Ze konden achter de maaiers aan gaan en wat de maaiers hadden laten liggen, konden ze meenemen om daar hun voedsel van te nemen. Ik kom er nog op terug.
De Plaats van Ruth in de Hebreeuwse Bijbel en de Feestrollen (megillot) ↑ hoofdstukken
In de eerste maand wil ik dus wat vertellen over de plaats van het boekje Ruth in de Hebreeuwse Bijbel. Want kijk, in onze Bijbel is het boekje Ruth geplaatst achter het boek Richteren. En dat is niet zonder betekenis. Ik gaf het al eventjes aan: dat boekje Ruth speelt zich ook af in de dagen van de Richteren. We kunnen dat ook lezen; het begint meteen zo in Ruth 1 vers 1: ‘In de dagen dat de richters richtten, gebeurde het dat er een hongersnood in het land ontstond.’ Het speelt dus in de tijd van de Richteren. In de Septuagint, in de Griekse Bijbel, is het ook een boekje dat pal achter Richteren is geplaatst. Maar in de Hebreeuwse Bijbel is het anders. Daar maakt het geen deel uit van het boek Richteren en staat het er ook niet achter. Het maakt ook geen deel uit van de profetische boeken, zoals dat heet.
Grappig hè? Tussendoor: voor ons zijn Jozua, Richteren, Samuël en Koningen de historische boeken. Dat zijn het ook hoor, maar in de Hebreeuwse Bijbel staan ze niet bij de historische boeken, maar bij de profetische boeken. Dat is op zich al een eigen onderwerp. Het zijn profetische boeken waarin weliswaar wordt beschreven hoe het ging en verslag wordt gedaan van historische zaken, maar dan is het ook met een spatie tussen de eerste twee letters, zeg maar. Ik zeg het graag zo: His story is His story. En dat is in de Bijbel in ieder geval zo: het is altijd Gods verhaal. Het is God die Zijn voetstappen zet, God die Zijn lijnen trekt, God die Zijn plannen uiteenzet en ontwikkelt en ook manifesteert. Dat is wat er gebeurt. Maar het zijn profetische boeken; er worden profetische vergezichten geschilderd. En in wezen is dat met Ruth ook het geval.
Maar Ruth maakt in de Hebreeuwse Bijbel deel uit van een andere sectie. De Hebreeuwse Bijbel bestaat uit drie delen: de Tenach. De Hebreeuwse Bijbel wordt de Tenach genoemd, en dat is een afkorting. De T staat voor de Tora, de vijf boeken van Mozes. Dan krijg je de Nebi’im, de profeten. En dan vervolgens krijg je nog het derde deel, de Ketoebiem, de geschriften. Dus de Tora, de profeten en de geschriften. Van dat laatste onderdeel maakt het boekje Ruth deel uit, en dan nog van een speciaal onderdeel, want de Hebreeuwse Bijbel kent ook nog de zogenaamde Megillot. Ja, zo leer je nog eens wat en hoor je nog eens vreemde woorden, maar Megillot betekent feestrollen.
Er zijn vijf boeken in de Hebreeuwse Bijbel die deel uitmaken van de Megillot, van de feestrollen. Dat betekent dat zo’n boekje gelezen wordt bij een Hebreeuws of Israëlitisch hoogtij, bij een Israëlitisch feest. Het boekje Esther bijvoorbeeld — om een heel simpel voorbeeld te geven — wordt gelezen bij het feest van Uri. Het boekje Hooglied wordt gelezen, ook heel bijzonder, bij Pesach, ons paasfeest. Nou, het boekje Ruth wordt gelezen tijdens het Pinksterfeest. Pinksterfeest is een beetje hoe wij het noemen, maar in de Hebreeuwse Bijbel heet dat het Wekenfeest of Sjawoe’ot. Het Wekenfeest. En waarom het Wekenfeest? Wel, met het Pinksterfeest wordt er heel wat herdacht, maar in ieder geval was het ook het oogstfeest. En welk oogstfeest? Wel, het feest van de oogst van de tarwe.
Kijk, er zijn in wezen een drietal oogsten die een belangrijke rol spelen in de Bijbelse kalender. In de eerste plaats heb je rond de paastijd de gersteoogst. Dan begint de gersteoogst. Een week of zeven later — dat wil zeggen: vanaf Pasen tel je zeven weken, een week van weken, dus zeven maal zeven — kom je uit bij Pinksteren, en dat is het feest van de tarweoogst. En dan krijg je nog weer een heel aantal maanden later, in de zevende maand van de Hebreeuwse kalender, het feest van de wijnoogst en dan wordt het Loofhuttenfeest gevierd. Bij die gelegenheid wordt trouwens in de synagoge altijd het boekje Prediker gelezen.
Om een lang verhaal korter te maken: Ruth maakt dus deel uit van de Hebreeuwse Bijbel, van de geschriften, meer specifiek van de feestrollen, en werd gelezen met Pinksteren. En waarom met Pinksteren? Nou, dat is helemaal niet zo moeilijk. Ik zeg wel: ‘Ja, maar het was toch wat we zojuist hebben gelezen in vers 23 van hoofdstuk 1, dat ze kwamen aan in het begin van de gersteoogst?’, terwijl Pinksteren betrekking heeft op de tarweoogst, een zevental weken later. Dan zeg ik: jawel, maar het boekje speelt zich af tussen Pasen en Pinksteren. Het grootste gedeelte. En Pasen en Pinksteren vallen nooit op één dag; er zitten gewoon zeven weken tussen, oftewel 49 dagen, en dan ben je bij Pinksteren op de vijftigste dag.
Als u dan nog eventjes doorleest in hoofdstuk 2 — dat is trouwens het laatste vers van het tweede hoofdstuk — dan vindt u ook de tarweoogst. Daar staat: ‘Zo sloot zij zich aan bij de arbeidsters van Boaz om op te lezen totdat de gersteoogst en de tarweoogst afgelopen waren.’ En ze bleef wonen bij haar schoonmoeder. Het gaat erom dat hier zowel de gersteoogst als ook de tarweoogst in één adem genoemd worden. Hoe dan ook, het boekje Ruth heeft alles te maken met Pinksteren en dat op zich is ook al een profetisch gegeven. Daarom geef ik dit mee.
De Profetische Betekenis: het Joodse Volk in de Diaspora en Hun Losser ↑ hoofdstukken
Daarmee wordt ook de toon gezet van het boekje Ruth. Dat vertelt in wezen niet alleen over wat er heeft plaatsgevonden in het verleden, maar ook over wat er gaat plaatsvinden in de toekomst. Namelijk, er zal een feest aanbreken en wel het Pinksterfeest. U weet waar Pinksteren vooral mee te maken heeft? We weten allemaal: Pinksteren is de uitstorting van de Geest. En dat is precies wat er straks gaat gebeuren. In het boek Zacharia lees je dat God Zijn Geest zal uitstorten op alle inwoners van Jeruzalem en dat daar in de eindtijd werkelijk Pinksteren zal zijn, echt Pinksteren. Er wordt tegenwoordig heel veel over Pinksteren gesproken en ook heel veel – als u het mij vraagt – gefaket. Men denkt dat het Pinksteren is, maar het moet allemaal zo gespeeld worden; het is een rollenspel waarmee men bezig is. Dat is op zich helemaal niet zo’n punt hoor, want dat kun je wel even volhouden, maar op een gegeven ogenblik, als je bezig bent met een rollenspel, dan val je vroeg of laat – meestal vroeg, maar in ieder geval láát – door de mand. Want dan blijkt het allemaal niet te kloppen. Al die pinksterfenomenen waar zo hoog over opgegeven wordt… God heeft dat inderdaad bestemd voor het einde. Het zal ook straks weer in verband met Israël gaan plaatsvinden.
Het boekje Ruth spreekt over – laat ik het zo zeggen, want dan hebt u de lijn in zijn grotere verband misschien ook meteen te pakken – een Joodse familie die door ellende gedreven in het buitenland terechtkomt. Daar in het buitenland maken ze kommer en kwel mee, tegenspoed, dood en verderf. Van lieflijkheid verandert alles in Mara, in bitterheid. Uiteindelijk keert die Joodse familie weer terug naar het land. Let op, alles wat ik nu zeg is hartstikke dubbelzinnig en ik ga het straks nog toelichten. Maar voor de goede verstaander: wie begrijpt nu misschien al een klein beetje waar ik heen wil? Die Joodse familie keert weer terug naar het land waar ze uiteindelijk ook thuishoort, maar nog steeds arm en berooid. Nog steeds zonder losser. Dan heb ik meteen een ander thema aangesneden dat in deze Bijbelstudies absoluut nog aan de orde zal komen. Dat wil zeggen: ze hebben hun land verloren. Ze hebben nog steeds geen enkel bezit. Ze zijn wel weer teruggekeerd naar het Beloofde Land, maar ze hebben nog helemaal niets. Ze hadden ooit land en eigendommen daar in Bethlehem – hier specifiek die familie van Naomi – maar door armoede gedreven hebben ze dat moeten verkopen. Ze komen dus arm en berooid aan in het land. Maar uiteindelijk vindt de familie daar in het land de man die ze moet ontmoeten, waar alles toe is voorbestemd. God doet nooit zomaar iets; bij God heeft alles altijd een betekenis. Vergeet u niet: alles heeft een betekenis en God heeft het zo geleid. Zij komt in aanraking met die vermogende man uit Bethlehem, uit de velden van Efrata – ik hoop dat we daar nu aan denken. Daar vindt een ontmoeting plaats met die vermogende man uit Bethlehem en die zorgt er uiteindelijk voor dat de verloren gegane bezittingen weer terugkomen bij de familie. Er vindt ook een huwelijk plaats tussen die vermogende man uit Bethlehem en die teruggekeerde, schamele familie – of ik moet eigenlijk zeggen: tussen hem en die Ruth waar ik het zo over had.
Kijk, waar het gewoon over gaat – en nu ben ik niet dubbelzinnig, maar vertel ik het expliciet en heel uitdrukkelijk – waar het werkelijk betrekking op heeft, is het Joodse volk. Ook zij zijn in het verleden door armoede gedreven in het buitenland terechtgekomen. Waarom? Er was geen brood; het Woord was er niet. Ze kwamen in het buitenland terecht, in de diaspora, in de verstrooiing. Je zou zeggen: daar vinden ze het dan wel. Ja, misschien wel, maar eigenlijk ook niet. Want wat ze gedurende tweeduizend jaar – en eigenlijk zelfs langer – hebben ondervonden, is ellende op ellende. Ze zijn vervolgd, nergens waren ze gewenst. Er waren pogroms, er was antisemitisme dat ze altijd hebben ondervonden. Zelfs al wilden ze niets meer te maken hebben met de God van Israël en met de Schriften – want zo is het vaak gegaan hoor, het was echt niet allemaal even edel wat er plaatsvond en het was echt niet zo dat het een vroom volk was dat altijd haar God zocht en altijd in Zijn Woord wandelde, helemaal niet – toch konden ze nooit hun identiteit kwijtraken. Zelfs al moesten ze niets hebben van hun Joodse achtergrond, dan nog wist de wereld hen wel te vinden. Louter het feit dat ze Jood waren, was al voldoende om vervolgd te worden. En daarom heeft het Joodse volk gedurende tweeduizend jaar, zelfs als ze dus niets te maken hadden of wilden hebben met de God van Israël, ondervonden wat hen trof daar in de diaspora. In het buitenland, buiten het Beloofde Land, was dat verderf, dood, vervolging en ellende. Tegenspoed. Mara, zeg het maar zo. Bitterheid, allemaal bitterheid.
Zoals Naomi – want zo heet ze officieel natuurlijk – het ook echt ondervonden heeft. Ze zegt het tegen de vrouwen van Bethlehem als die vragen: “Hé, is dit niet Naomi?” Dan zegt ze: “Noem mij alsjeblieft Mara in plaats van Naomi. Want vol ben ik heengegaan en leeg heeft de Heer mij doen terugkeren.” Wat trouwens ook weer niet helemaal correct was hoor. Want “vol heengaan” was ook niet waar; het was per slot van rekening geen weelde dat ze naar het buitenland gingen. Dat blijkt ook al uit de namen die ze hun kinderen hebben meegegeven. Die ene, de oudste, heette Machlon. Dat betekent “doorboord”; sommigen vertalen het zelfs met “ziekte”. Dat is niet echt een optimistische naam. De andere heette Kiljon, en dat betekent “wegkwijnen”. Ja, kijk, u moet zich realiseren: in de hele wereld hebben namen altijd een betekenis. Namen worden gekoppeld aan omstandigheden en situaties; het heeft betekenis. Zij ondervonden armoede en hongersnood, en toen de jongens werden geboren, hebben ze hen gewoon passende namen gegeven. Namen die pasten bij de situatie die zij toen ondervonden. Ze hebben hen Machlon en Kiljon genoemd. U zegt: dat is niet al te optimistisch. Nee, maar het was wel heel realistisch, laten we het zo zeggen.
Zo is dus het Joodse volk in het buitenland terechtgekomen, evenals die Judeese familie. Ze ondervonden daar zoveel tegenspoed, net zoals het Joodse volk in het buitenland ook geen rust vond en alleen maar tegenspoed ondervond als je het helemaal tot zijn essentie terugbrengt. Wat we nu sinds een aantal decennia kennen, is dat het Joodse volk weer terugkeert naar het land. Dat is inderdaad de actuele situatie; ze is weer teruggekeerd naar het land. Maar nog steeds moeten we vaststellen: weliswaar is ze dan weer in het Beloofde Land, maar nog steeds heeft ze geen bezittingen. Nog steeds is het land niet haar eigen bodem. Nog steeds kent ze de Losser niet. Ze zal Hem daar gaan ontmoeten. Ze zal Hem ook daar gaan zoeken.
Ook door nood gedreven trouwens.
Nou, dat is waar het boekje Ruth vervolgens over gaat. Daar gaan we het de volgende keer uitgebreid over hebben: dat ze dan Boaz ontmoet. En dan is het ook zo dat ze hem uiteindelijk ontmoet op de dorstvloer. Dat is dan de derde bijeenkomst die we hier, zo de Here wil, zullen hebben. Maar hem ontmoeten op de dorstvloer, dat heeft alles te maken met Jeruzalem. Ik ga nog niet veel verklappen natuurlijk, maar dat heeft alles te maken met Jeruzalem, waar ze uiteindelijk de vermogende man uit Bethlehem – ik noem hem graag zo – zal aantreffen en ontmoeten.
En daar zal hij er uiteindelijk ook voor zorgen dat zij het land wat verloren gegaan is, weer terug zal krijgen. Dat wil zeggen: het Beloofde Land wordt dan ook inderdaad weer zijn land. Waarom? Omdat de Losser ervoor zal zorgen. En dat niet alleen, maar daar zal ook een huwelijk plaatsvinden, een nieuw huwelijksverbond. Of laat ik het anders zeggen: daar zal een nieuw huwelijk tot stand komen, een nieuw verbond tussen dat teruggekeerde overblijfsel en die man van Bethlehem.
Nou, daarmee heb ik iets gezegd over de totaliteit van het boek. Dat boekje Ruth is dus profetisch en het spreekt inderdaad over het Joodse volk dat in het buitenland terecht is gekomen, maar dat terugkeert naar het land en daar uiteindelijk haar Verlosser zal ontmoeten en vinden. En daar zal ook een nieuw verbond plaatsvinden. En zo komt uiteindelijk ook het koninkrijk over Israël tot stand. Want laten we wel wezen: dat is het uiteindelijke thema van het boek, namelijk hoe het koninkrijk over Israël tot stand komt.
Het Geslachtsregister: de Wortel van David en het Geheim van Bethlehem-efrata ↑ hoofdstukken
Ja, dan zijn we helemaal aan het einde van het boekje Ruth aangekomen. Maar zo eindigt het, met dat geslachtsregister. Laten we het even lezen. Ze zeggen weleens: ‘de klappen vallen aan het eind’, maar in het boekje Ruth vindt dat zeker niet plaats — althans niet in negatieve zin. Want het hoogtepunt vindt pas plaats in het slot, en eigenlijk moet ik zeggen: in het allerlaatste woord pas.
Kijk, er staat in Ruth 4 vers 18: “Dit nu zijn de nakomelingen van Peres.” Nou, dan gaan we nog wat verder terug in de geschiedenis. Peres verwekte Gerson, Gerson verwekte Ram, Ram verwekte Abinadab, Abinadab verwekte Nachzon, Nachzon verwekte Salma. Salmon verwekte Boaz. Bij Rachab staat er in Mattheüs 1 nog iets bij. Ja, Rachab, die vrouw uit Jericho met dat fraaie beroep, weet u wel? Dat was dus de moeder of misschien de oma van Boaz; dat is niet helemaal duidelijk en zelfs omstreden. Ik denk eerlijk gezegd gewoon de moeder.
Maar van Boaz dus, en Boaz verwekte Obed en Obed verwekte Isaï. Ik gaf het zojuist al even aan: Jesse dus, als u een Statenvertaling hebt. En Isaï verwekte David. Kijk, en dat is het einde van het boek. Daarmee klopt het feitelijk ook gewoon: David namelijk, de koning. Heel dit boekje gaat over hoe het huis van David ontstaan is. Het gaat over de wortels van het huis van David, of zal ik het nog anders zeggen voor de Bijbelkenners? Het gaat over de wortel van David. Dat is een uitdrukking uit de Bijbel: de wortel van David. Maar uiteindelijk natuurlijk over de Zoon van David.
Want de geschiedenis die hier verhaald wordt, vindt voor het grootste gedeelte plaats in Bethlehem. Ja, waarom nou Bethlehem? Dat heeft trouwens ook nog een heel oude voorgeschiedenis, hoor. Want Bethlehem vinden we al in het boek Genesis. Sterker nog, niet alleen Bethlehem, maar ook de velden van Efrata worden daar genoemd. Daar was al eens eerder iets tragisch gebeurd. Daar was namelijk één van de vrouwen van Jakob overleden bij de geboorte van hun jongste zoontje, namelijk Benjamin. U kunt het in Genesis lezen; ik weet even niet exact het hoofdstuk uit mijn hoofd. Daar staat die geschiedenis dat Rachel moet bevallen van een kind en je leest dat het allemaal erg zwaar gaat. Zij komt ook te overlijden, maar tijdens de bevalling zegt ze van dat jongetje: “Hij moet heten Ben-Oni: zoon van mijn smart.” Ze heeft waarschijnlijk aangevoeld dat het weleens dodelijk zou kunnen zijn. En vandaar ook: hij moet heten Ben-Oni, zoon van mijn smart. Maar uiteindelijk heet hij niet Ben-Oni, want Ben-Oni wordt uiteindelijk Benjamin.
En zo kennen we hem allemaal: de jongste zoon van Jakob. Rachel zei: “Hij moet Ben-Oni heten”, maar de zoon van mijn smart werd de zoon van de rechterhand. Ben-Jamin. ‘Ben’ betekent zoon en ‘Jamin’ heeft in het Hebreeuws niets met snoepjes te maken, maar wel met rechts. Rechts en links; Jamin betekent rechts. Dus de zoon van smart is uiteindelijk de zoon van de rechterhand. Hebt u hem? Dat is de eerste keer dat we in de Bijbel lezen over Bethlehem-Efrata. Dat is bij die gelegenheid als Jakob weer terugkeert uit het buitenland en arriveert in het Joodse land, in die streken van Efrata.
Efrata — ik herinner er nog eens aan — dat betekent vruchtbaarheid. Hier wordt nieuw leven voortgebracht. Ja, maar hoe? Wel, door de dood heen. Ziet u hoe dat allemaal gaat? Ik vermeld het, en terwijl ik het hierover spreek, noem ik het lang niet eens altijd, maar ik hoop dat u zo ook gaat denken: profetisch gaat denken. Er zit zoveel in verborgen in wat er in de Schrift staat. Maar daar, in de velden van Efrata, wordt nieuw leven tot stand gebracht. Jawel, maar wel door de dood heen. Vandaar ook Ben-Oni: door smart heen. Maar die zoon van de smart is uiteindelijk de laatste, maar daardoor ook degene die de zoon van de rechterhand is.
De zoon van smart werd geboren; het verwijst uiteraard naar wat duizenden jaren later zou plaatsvinden. Voor ons is het tweeduizend jaar geleden, maar toen zou het nog tweeduizend jaar moeten duren dat daar in die velden van Efrata iemand geboren werd die de zoon van smart is door de weg van de dood heen, maar die uiteindelijk de zoon van de rechterhand is en zal blijken te zijn. Het verwijst uiteraard naar de Messias die in dezelfde streek geboren zou worden. Want ik heb dat natuurlijk nog niet eens gezegd, maar dat weten we toch allemaal?
Kijk, de Hebreeuwse feesten onttrekken zich misschien een beetje aan onze aandacht, maar dan toch in ieder geval niet de christelijke feesten. We weten allemaal dat met Kerst wordt gezegd en gedeclameerd dat in de velden van Efrata ooit Jezus werd geboren. Ja, maar dat heeft een voorgeschiedenis. En waarom nou in Bethlehem? Waarom nou in het Broodhuis? Nou, omdat Hij het levende Brood is. Als er één plaats is waar Hij geboren zou moeten worden, dan is het juist ook daar. Daar liggen de wortels van het huis van David. Daar is het Brood als het ware uit de hemel gevallen. En daar wordt nieuw leven tot stand gebracht. Ja, door de dood heen in eerste instantie, maar uiteindelijk brengt het heerlijkheid. En Hij is de Zoon van Gods rechterhand. Dus het is allemaal zo profetisch als het maar kan.
En dan wil ik ook nog iets anders zeggen. Ik maak even een korte onderbreking, een beetje improvisatie, want het is misschien een beetje mosterd na de maaltijd, maar ik hoop dat u me dat niet kwalijk neemt. Ik heb een plaatje opgezocht van het land Israël. U ziet daar ook Bethlehem. Kijk, hier is Bethlehem. Dit is de grens tussen het Joodse land en hier heb je Moab, de velden van Moab. De grens is de Jordaan. Mooi. En dan hier het Joodse land, hier het land van Moab. Hier is een plaatje van de velden van Moab, heel groen. In bepaalde tijden van het jaar is het dus logisch geweest dat hier ook wat gevonden werd toen het in het beloofde land honger was. Er was hier nog wel wat te vinden. Trouwens, dat was ook de berg Nebo op de achtergrond; die kennen we ook uit de Bijbel.
Want als het erop aankomt, komen we Moab heel vaak tegen in de Bijbel. Moab vinden we trouwens ook al in het boek Genesis. Dat is allemaal mooi, hoor. Kijk, dan ga ik even terug. Hier heb je dus Moab en dan heb je ook nog het gebied van Ammon, en dat is hier. Dat kennen we allemaal, want de hoofdstad van het huidige Jordanië is Amman, maar dat is niks anders dan een verbastering van het woord Ammon. En u weet wie Ammon was? En u weet wie Moab was? Moab en Ammon zijn eigenlijk broedervolkeren. U kunt het lezen in het boek Genesis: dat waren broertjes van elkaar. Ik kan ook nog zeggen — maar dat zeg ik om het ingewikkeld te maken — dat waren ook zijn kleinkinderen. Maar dat is een naar verhaal, een incestueus verhaal, want het waren zijn kinderen én kleinkinderen. Dat kan dus, ja. Heel naar. Het waren namelijk de zonen van Lot.
De Gersteoogst: Leviticus 23 en de Opstanding van de Eersteling ↑ hoofdstukken
Ruth en Naomi zijn aangekomen in het Beloofde Land. Ik zeg nog eens: de berooiden, ze hebben helemaal niks. Naomi zegt het met haar eigen woorden: “Vol ben ik heengegaan, maar ik keer helemaal leeg, helemaal blut terug.” Zonder man, zonder zonen. En ze zegt: “Ik ben Mara.” Maar dan staat erbij: “En zij kwamen te Bethlehem aan” — in het Broodhuis dus — “in het begin van de gersteoogst.”
Daar wil ik nog even op ingaan, want het begin van de gersteoogst is heel bijzonder in de Bijbel. Er is een officiële datum voor geprikt — of nou ja, een officiële datum is niet helemaal correct gezegd, want de datum varieert op de Hebreeuwse kalender, maar de dag ligt vast. U kunt het nalezen in Leviticus 23; laten we dat er eens even bij pakken. In Leviticus 23 lees je over een zevental hoogtijdagen die God had ingesteld. Al die hoogtijdagen die God aan Israël heeft gegeven, blijken — zo weten wij inmiddels — een vervulling gehad te hebben in de Messias, of ze moeten hun vervulling nog krijgen in de Messias. Dit is historisch: God heeft die feesten en hoogtijden aan Israël gegeven, en Israël viert ze tot op de dag van vandaag. Maar al die hoogtijden zijn niet voor niets uitgekozen. Zelfs de data, zelfs de precieze dagkeuze, is altijd gerelateerd aan belangrijke momenten in het heilsplan.
Om maar wat te noemen: dan lees je in Leviticus 23, in vers 5: “In de eerste maand, op de veertiende van de maand, in de avondschemering” — tussen twee avonden, staat er letterlijk — “is het Pascha voor de HEERE.” En zal ik u nu eens wat vertellen wat er ooit op deze zelfde dag gebeurd is? Op deze dag moest Israël een lammetje slachten. Maar weten we wat er gebeurd is, ooit op deze precieze dag? Wel, het Lam Gods werd geslacht. Dat was al duizenden jaren van tevoren gefixeerd. God had gezegd: “Die dag.” En “toevallig”, zeggen wij dan, is de Heer Jezus ook als het Lam Gods op die dag geslacht. De priesters hadden daar hun minder fraaie redenen voor, want die zeiden: “Het moet vlak voor het feest gaan plaatsvinden.” Na de veertiende begon het Feest van de Ongezuurde Broden, het eigenlijke Pesach. Voordat het feest zou aanbreken, wilden ze die Man uit Nazareth — die Man die geboren was in de velden van Efratha — een kopje kleiner gemaakt hebben; ze wilden Hem uitschakelen. Dat waren hun overwegingen, en de priesters hebben er inderdaad voor gezorgd dat het Lam Gods geslacht en gekruisigd werd.
Bijzonder hè? Maar goed, u weet, wij weten allemaal wat er plaatsvond drie dagen later, namelijk op de dag na de sabbat. Ik zeg het nu kort, want hierover is heel veel te zeggen en het is ook wat ingewikkeldere materie dan ik het nu formuleer. Absoluut. Dus als u mij tegenwerpt dat ik het nu wel erg simpel zeg, dan zeg ik: helemaal waar, maar ik wil het niet te ingewikkeld maken. Het is gewoon zo: op de dag na de sabbat — de dag nadat de Heer Jezus is gekruisigd, in diezelfde week — wat gebeurde er toen? Dat is hét hoofdthema van het Nieuwe Testament: toen stond de Eersteling op uit de doden. We hebben er zojuist over gezongen: “Daar juicht een toon, daar klinkt een stem die door gans Jeruzalem… een heerlijk morgenlicht breekt aan: de Zoon van God is opgestaan!” Daar gaat de hele Bijbel over. Over hoe door de dood nieuw leven tot stand gebracht wordt. Hoe er door de Jordaan, weg van de Jordaan, nieuwe hoop gaat gloren. Of hoe een arme en berooide familie uiteindelijk toch in Bethlehem, het Broodhuis, en in de velden van Efratha in de vruchtbaarheid terechtkomt en daar inderdaad voedsel en nieuw leven vindt.
Op de dag na de sabbat… we vinden dat in Leviticus 23. Moet u eens even met mij doorlezen vanaf vers 9: “De HEERE sprak tot Mozes: Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u in het land komt dat Ik u geef, en de oogst ervan binnenhaalt” — het gaat hier over de gersteoogst, zo blijkt uit het verband — “dan moet u de eerstelingsgarve — dat wil zeggen de eerste schoof van uw oogst — naar de priester brengen. Hij moet de garve voor het aangezicht van de HEERE bewegen, opdat u welgevallig bent. Daags na de sabbat moet de priester die bewegen.” Gij zult op die dag waarop gij de garve beweegt een gaaf eenjarig schaap de HEERE ten brandoffer bereiden. Dat wil zeggen: het moet opstijgen tot een lieflijke reuk voor God. Met als bijbehorend spijsoffer twee tiende fijn meel met olie aangemaakt — een beeld van nieuw leven trouwens, van de Geest — ten vuuroffer tot een lieflijke reuk voor de HEERE. En als bijbehorend plengoffer een vierde hin wijn. Dat wil zeggen: er moest ook wijn bij, de drank van nieuw leven. Maar ook de drank van vreugde moest daarmee geassocieerd worden.
Dat was dus op de dag na de sabbat. En dan lees je in vers 15: “Dan zult u tellen vanaf de dag na de sabbat, vanaf de dag waarop u de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn, tot de dag na de zevende sabbat.” Dan moest men dus zeven weken gaan tellen. Om een lang verhaal korter te maken — want ik kan me best voorstellen dat niet iedereen dit meteen oppakt: het gaat erom dat in diezelfde week dat de Heer Jezus als het Lam Gods geslacht werd op de veertiende van de eerste maand, Hij in diezelfde week op de dag na de sabbat opstond. De Heer Jezus Christus! En laat dat nu net de dag zijn — zo lezen wij hier in Leviticus 23 — van de eerstelingsgarve. Dus de Heer Jezus stierf niet alleen op een Hebreeuwse hoogtijdag, Hij stond ook op op een Hebreeuwse hoogtijdag, en wel op de dag van de eerstelingsgarve, waarbij de eerstelingsschoof van de gersteoogst door de priester bewogen werd. Een beeld van beweging, van nieuw leven.
Op die dag stond Hij op. Je zou het commentaar van Paulus er zo naast kunnen leggen. Ik doe het nu niet, want ik zie dat het tijd wordt om af te ronden, maar u zou 1 Korinthe 15 er eens naast moeten lezen. Want wat staat daar? Daar staat dat de Heer Jezus is opgestaan als Eersteling. Ja! Wanneer zou de Eersteling anders moeten opstaan? De Eersteling van de oogst. Want weet u wat het geweldige is? De Bijbel zegt dat Hij inderdaad de Eersteling is; de Eerste die werkelijk de dood definitief achter zich liet. Dat was Hij: de eerstelingsschoof. The First. The Force. Oftewel: de Vorst. Het is aan elkaar verwant.
Hij stond als Eersteling op, en daar volgt een geweldige, alomvattende oogst op. Dat gelooft niet iedereen, maar ik wel. De Bijbel spreekt over een goed bericht, over een blijde boodschap waarbij de dood volkomen ongedaan wordt gemaakt. Niet een beetje, ook niet grotendeels, maar helemaal, voor iedereen — of je het nu wilt of niet. Dat is de Bijbelse boodschap. De Eersteling is ooit, tweeduizend jaar geleden, opgestaan uit de dood op de dag van die eerstelingsgarve. U ziet het, ik kan er nog veel meer over vertellen; wellicht dat ik dat voor de volgende keer bewaar. Want waarom nu juist gerst? Daar zit ook nog een heel mooi verhaal aan vast. Maar één ding moeten we vasthouden: als Ruth en Naomi weer terugkomen in het Beloofde Land…
En er staat geschreven: het was eerst, het was het begin van de gerstenoogst. Dan worden we direct herinnerd aan die dag van de eerstelingsgarve. Oftewel: de dag waarvan wij inmiddels weten dat de Heer Jezus toen is opgestaan uit de dood. Die man van Bethlehem, weet u wel? Die door de dood heen nieuw leven tot stand brengt. En die daarom de voorste is en daarom ook de Vorst des Levens.
Ja, nou, daar wilde ik het graag maar even bij laten. Kunnen we er nog een mooi lied over zingen? Dank u wel.
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews