Psalm 118 – De Steen Die De Bouwlieden Afkeurden…
16-08-2015 - Geplaatst door Andre PietPresentatie gehouden op 16 augustus 2015 in EH-Rotterdam.
Psalm 118 is één van de vele psalmen waarin de ik-figuur ver uitstijgt boven de schrijver van de psalm. Het spreekt van Messias die op edelen niet kon vertrouwen maar des te meer op zijn God. Die in benauwdheid terechtkwam maar uitgered werd. Die opstond om niet meer te sterven en verhoogd werd aan Gods rechterhand. Hij is de steen die de bouwlieden (Israëls leiders) hadden afgekeurd maar die vervolgens de Hoeksteen werd… van een geestelijk bouwwerk, Gods tempel in onze dagen.
Van de HERE is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: de Mythe van het Middelste Bijbelhoofdstuk
- De Ware Ik-figuur van Psalm 118
- David Spreekt Profetisch over de Opstanding van de Christus
- De Steen (eben) als Onmiskenbaar Type van de Zoon
- De Oversten van Israël als Dwalende Bouwlieden
- De Hoeksteen en Gods Verborgen Bouwwerk in het Heden
- Een Steen Des Aanstoots Óf een Fundament Dat Nooit Beschaamt
Inleiding: de Mythe van het Middelste Bijbelhoofdstuk ↑ hoofdstukken
Een hele goede morgen, beste vrienden. Want dat word ik dan geacht te zeggen, nietwaar? Goed om hier weer eens te mogen zijn en op deze zondag de aftrap te mogen geven na de vakantieperiode. Het is alweer enige maanden geleden dat ik hier stond en ik wil u vanmorgen heel graag meenemen naar het gedeelte dat we zojuist hebben gelezen. Althans, daar hebben we een aantal verzen uit gelezen, want de psalm is nogal lang. Wat heet? 29 verzen in totaal. Ik heb het als titel meegegeven, zoals u hier achter mij ook ziet: 'De steen die de bouwlieden afkeurden'. Dat is een deel van de frase van vers 22 van die 118e psalm.
Een psalm die de reputatie heeft de middelste psalm te zijn. Ik heb daar door de loop der jaren heen hele mooie PowerPoints over meegekregen die dan opgestuurd werden via de e-mail. Daarin werd verteld dat Psalm 118, en meer specifiek vers 8, het middelste vers van de Bijbel is. Dat is een heel mooi verhaal, want vers 8 is uiteraard een schitterend vers: "Het is beter bij de HERE te schuilen dan op mensen te vertrouwen." Nou, dat zou heel mooi zijn, maar de eerste bijdrage die ik vanmorgen wil leveren, is u deze mooie gedachte te ontnemen. Want het klopt namelijk niet.
Deze week is dat weer eens een keer volgerekend via het internet. Het is een hele klus trouwens om te gaan berekenen wat het middelste hoofdstuk is, want dan moet je al die hoofdstukken bij elkaar gewoon optellen. En wat blijkt dan? Psalm 118 is niet het middelste hoofdstuk, maar Psalm 117. Wel makkelijk te onthouden trouwens, want dat is ook de kortste psalm. Maar dat is dus precies het middelste Bijbelhoofdstuk. Hoe het zo heeft kunnen komen dat dit verhaal de ronde doet, weet ik niet. Het is kennelijk slecht rekenwerk.
Maar ja, er zijn wel meer van die christelijke mythen. Dit zijn trouwens hele onschuldige hoor, moet ik er meteen bij zeggen. Zo hoor ik ook heel vaak – als ik dan toch bezig ben, en daar gaan we meteen maar even de diepte in – het verhaal dat er 365 keer in de Bijbel "vrees niet" zou staan. Voor elke dag één keer. Dat is een heel mooi verhaal en ik wil u de inhoud, wat die dagelijkse steun betreft, natuurlijk niet afpakken, maar het klopt niet. Het komt nog niet eens honderd keer voor. Hoe die gedachte dan toch zo de ronde doet? Heel simpel: met een eenvoudig bijbelprogrammaatje kun je dat gewoon heel makkelijk nazien.
Eén ding is dan wel duidelijk: als Psalm 117 de middelste psalm is, dan is Psalm 118 dus het eerste hoofdstuk van het tweede deel. Trouwens, over die hoofdstukindeling en de verzen moet u zich verder helemaal niets aantrekken. Dat is later mensenwerk geweest. Het is prima en heel makkelijk om dingen terug te vinden, maar het heeft verder geen geïnspireerde waarde. Dat wil zeggen, het staat niet in het origineel en het is niet van Godswege geïnspireerd.
Laat ik nog iets meer zeggen over Psalm 118 zelf. Ze maakt deel uit van een reeks psalmen, het zogenaamde Hallel, waarvan het dan weer de laatste psalm is. Psalm 113, 114, 115, 116, 117 en 118 worden samen het Hallel genoemd, de lofzang. U zou dat kunnen herkennen als u bijvoorbeeld leest in Matteüs 26. Wanneer de Heer Jezus in de nacht waarin Hij wordt overgeleverd de opperzaal verlaat met de Zijnen en naar de Olijfberg gaat, dan lees je: "en na de lofzang gezongen te hebben..." Dat is het Hallel. Ze hebben dan Psalm 113 tot en met 118 met elkaar gereciteerd of gezongen.
Wat valt er verder over Psalm 118 te melden? In ieder geval niet de auteur, want die houdt zich verborgen; zijn naam wordt niet bekendgemaakt. In mijn Bijbel staat erboven: 'Feestzang na verlossing'. Dat komt inderdaad heel sterk uit de verf. Het is ook een hele sterke lofzang, dat blijkt aan het begin, aan het einde en ook tussendoor: "Loof de HERE, want Hij is goed." Ja, Zijn goedertierenheid is tot in de olaam, tot in de aion die gaat komen. Hij is het waard om geprezen te worden, en telkens weer klinkt dat.
De Ware Ik-figuur van Psalm 118 ↑ hoofdstukken
Als we het geheel van de psalm bezien, wil ik u vanmorgen bepalen bij de verzen die zojuist zijn voorgelezen. Ik wil in ieder geval gezegd hebben wat er over deze schrijver, de ik-figuur of de hoofdpersoon, vermeld kan worden. Wat weten we van hem? Dat is een kwestie van de psalm eens doorlopen en dat doen we even snel, gewoon om een totaalindruk te hebben van wat deze psalm naar voren brengt.
In vers 5 zien wij dat hij in benauwdheid tot God riep, en God antwoordde hem ook. In datzelfde vers lees je dat hij in de ruimte werd gesteld. Hij was benauwd, hij riep de HERE, de HERE antwoordde hem en hij wordt bevrijd. Oftewel: in de vrijheid gesteld, in de ruimte gesteld. Hij zegt ook dat de HERE met hem is. Ik zie dat ik "Hem" met een hoofdletter heb gezet; dat was eigenlijk een verschrijving, maar feitelijk klopt het wel. Maar goed, daarover straks meer; laat ik niet vooruitlopen op de conclusies. De HERE is met hem, de psalmist, de ik-figuur, de hoofdpersoon. En hij zegt ook: "daarom vrees ik niet. Als Hij met mij is, wat heb ik te vrezen? Wat zou een mens mij aandoen?" Dat wordt trouwens later ook weer in de Hebreeënbrief aangehaald.
Direct daarop sluit aan dat hij schuilt bij de HERE en op Hem vertrouwt. "Meer dan op mensen," zegt hij dan, "zelfs edelen." Dat vinden we wel vaker in de psalmen. Psalm 146 is een heel bekende: "Zalig hij die in dit leven Jakobs God ter hulp heeft." En dan staat er ook: "Vestigt op prinsen, op edelen niet je vertrouwen." Daar zak je doorheen. Want hoe is het ook alweer? God is waarachtig, maar eigenlijk omgekeerd: elk mens is leugenachtig. Daar kun je niet echt op aan. Helaas, zo is het. Maar dat betekent wel dat we de ogen gericht zouden hebben naar de goede plaats, naar de goede persoon die werkelijk waarachtig is. Die doet wat Hij zegt en die waar is in dat wat Hij spreekt. Hij schuilt bij de HERE en vertrouwt op Hem meer dan op mensen, zelfs edelen. Dat betekent dat die oversten, de edelen, kennelijk iets met hem hebben gedaan waarin hij teleurgesteld was geraakt, waardoor hij wellicht ook in benauwdheid was gekomen. Meer specifiek kan ik dat aan de hand van deze psalm niet zeggen.
Maar dan is er nog iets heel eigenaardigs, en misschien is dat wel de meest duidelijke aanwijzing dat we hier niet slechts aan de schrijver moeten denken. De ik-figuur is natuurlijk de schrijver, maar feitelijk is de ik-figuur een ander. Waarom? Wel, je leest in de verzen 10 en 12 dat alle volkeren hem omringen, maar: "in de naam van de HERE heb ik ze neergehouden." Zij omringden mij, zij omsingelden mij, maar in de naam van de HERE heb ik ze neergehouden. Alle volkeren! Nou, als je dat betrekt op de psalmist, ongeacht wie het geweest is — gesteld dat het David is geweest, wat me helemaal niet uitgesloten lijkt, maar goed, dat weet ik niet — dan nog is het heel gezwollen taal. Overdreven, zou je zeggen. Want dat is toch niet op David van toepassing, dat alle volkeren hem omringen en dat hij ze dan neerhoudt? Commentatoren zeggen dan: "Ja, dat is oosterse overdrijving." Omdat het natuurlijk niet van toepassing is op de schrijver zelf, dikt hij dat een beetje aan.
Maar ik hoop dat er inmiddels, terwijl ik het rijtje zo langsga, lichtjes bij u gaan branden en belletjes gaan rinkelen. Ik denk: hé, hier moet het toch wel over iemand gaan die inderdaad met recht met een hoofdletter aangeduid kan worden. Iemand op wie dit volledig van toepassing is, en met name dit laatste punt: hij verslaat alle volkeren die hem omringen. Ik neem u even mee naar een andere psalm. We zijn vanmorgen heel erg in de psalmen; zojuist Psalm 139, maar nu neem ik u mee naar Psalm 2. Laten we ervan uitgaan dat u die enigszins bekend in de oren klinkt. Je leest in die psalm — een zeer profetische psalm — dat alle volkeren ten strijde zullen trekken tegen de Messias, naar Jeruzalem zullen gaan en tegen de HERE en Zijn Gezalfde. Dan wordt het dus letterlijk waar dat alle volken Hem zullen omringen.
En dan lees je ook dat Hij die in de hemel zetelt, lacht. De hele Verenigde Naties trekken heel serieus op naar het Midden-Oosten, want daar moeten ze wezen en daar gaan ze de raad van de HERE verijdelen. Dat is hun idee, maar het is gewoon humoristisch; het is lachwekkend. De HERE spot met hen. Als er ergens gelachen wordt, dan is het in de hemel. Er is een popliedje dat zegt: "If you want to make God laugh, tell him your plans." Dat vind ik altijd een hele leuke. In het Engels was het een paar jaar geleden een bekend nummer. Dat geldt ook voor je persoonlijke plannetjes, want u weet het: de mens wikt, God beschikt. Je kunt zoveel voornemen, ook al ben je een edele of de hele Verenigde Naties bij elkaar. Hoeveel macht kun je samengebundeld hebben, hoeveel militaire power? Het is gewoon peanuts. Het is lachwekkend, te stupide om het over te hebben. De HERE lacht. De HERE heeft een plan en Hij realiseert het. Hij zegt dan ook in Psalm 2: "Ik heb mijn Koning gesteld over Sion." Dat blijkt dus de Davidszoon te zijn die tevoorschijn zal komen en daadwerkelijk de heerschappij in deze wereld op zich zal nemen. Hij verslaat alle volkeren.
Ik heb hiermee feitelijk al duidelijk gemaakt over wie het natuurlijk moet gaan. Niet over David; als hij al de schrijver hier is geweest, dan heeft hij het niet over zichzelf maar over zijn Zoon. Maar houd Hem even vast, ik lees nog even verder. De psalmist, de ik-figuur, de hoofdpersoon, getuigt van de rechterhand van de HERE die verhoogt en bovendien krachtige daden doet. Denk eens na over iemand die werkelijk uit ervaring kan spreken over wat de rechterhand van de HERE doet die verhoogt. Dat is niet zo moeilijk, hè? Dat doet ook denken aan Psalm 110: "Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gesteld heb tot een voetbank voor uw voeten." Dat is Hem. Dat wordt heel vaak in het Nieuwe Testament aangehaald. Hij die vandaag verborgen is voor het oog, maar die nu gezeten is aan de rechterhand van de HERE. Verhoogd! Van de diepste diepte naar de hoogste hoogte verplaatst. Nou, dat is verhoging. De rechterhand spreekt van de voorrang die Hij verleent, van eer. Hij verhoogt en doet zeer krachtige daden. Welnu, de psalmist kan daarvan getuigen, maar het lijkt mij duidelijk dat dit op één iemand werkelijk van toepassing kan zijn. Natuurlijk kunnen andere mensen dat ook getuigen — de psalmist kon dat persoonlijk en ik kan dat — maar is er iemand van heel het mensdom die dat zo uit eigen ervaring kan zeggen als de Zoon van David?
Hij zegt ook in vers 17 dat hij getuigt niet meer te zullen sterven. Ik las nog zo'n commentaar en die zei: "Ja, de psalmist is uiteraard wel gestorven." Dat zal gedacht zijn, dat geloof ik ook wel, want alle mensen gaan dood. Maar waarom zegt die psalmist dan: "Ik zal niet sterven"? Vers 17, hoe staat het er?
"Ik zal niet sterven, maar leven. Ik zal de daden des HEREN vertellen. De HEER heeft mij zwaar gekastijd, maar aan de dood heeft Hij mij niet overgegeven." Dat is dan vers 18.
Nou, op wie is dit van toepassing? Wie kan dat vandaag zeggen? Die gekastijd is. Die in benauwdheid was. Maar die bij de HERE geschuild heeft. Maar die vervolgens door God geantwoord is. Bevrijd is. In de ruimte gesteld is. Verhoogd is. En nu inderdaad kan zeggen niet meer te zullen sterven.
Dan kun je zeggen: dat is gezwollen taal. Nee, het is geen gezwollen taal. Het is zo, het is op één iemand van toepassing. In die zin is het dus heel makkelijk te volgen. Lees het, neem het zoals het er staat en het is gemakkelijk in te vullen. Je hoeft niet eens een keuze meer te maken, er komt maar één figuur voor in aanmerking. En dat zeg ik met de grootste eerbied natuurlijk. Er is maar één iemand die in dat plaatje past.
De dood voert... Romeinen 6 zegt Paulus: Hij is eens voor altijd gestorven, de dood voert geen heerschappij meer over Hem. Nee, precies. Hij bracht onvergankelijk leven aan het licht. Wel, over Hem hebben we het. En dan zal ik u nog iets vertellen, want dan neem ik u even mee.
David Spreekt Profetisch over de Opstanding van de Christus ↑ hoofdstukken
Naar Handelingen 2. Petrus is daar aan het woord; dat is de pinksterdag. In Jeruzalem, op het tempelplein staat hij daar en dan citeert hij diverse psalmen. Hij citeert weer Psalm 16 en nog een aantal andere psalmen. En dan geeft hij dit commentaar. Dat lijkt me een aardig sluitstuk van wat ik nu naar voren gebracht heb en het bevestigt precies het punt dat ik nu probeer te maken.
Ik val nu midden in dat gedeelte, maar dan zegt Petrus dit, nadat hij dus een aantal citaten heeft gegeven – zo uit het hoofd, mag ik aannemen – uit de boeken van de Psalmen. Dan zegt hij: "Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David" – dat was de psalmist die hij citeerde – "men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David dat hij en gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag." Hij kon het zo aanwijzen, daar in Jeruzalem. Dus als David dan "ik" zegt, dan zou je zeggen: het gaat over hemzelf. Nee, het blijkt dus niet te gaan over hemzelf.
Ik ga even verder, want Petrus is aan het woord en daar zegt hij: "Daar hij nu een profeet was." En profetie, als u het in het Grieks leest, dan betekent dat letterlijk: pro is "voor" en dat andere deel heeft te maken met spreken, zeggen, voorzeggen. Letterlijk betekent profetie dus voorzeggen. Kijk, wij zeggen dan: David, dat was een man die muzikaal was, tot uw dienst. Het was een man die dichterlijke gaven had; het was een poëet tot uw dienst. Maar hier zegt Petrus iets anders. Hij zegt: "Daar hij nu een profeet was en wist dat God hem onder ede gezworen had" – dat doet God niet zo gauw hoor, dat God iets belooft, maar Hij zweert bij gelegenheid een eed. Een dubbele getuige roept Hij erbij; vandaar ook die twee vingers natuurlijk.
"Daar hij nu een profeet was en wist dat God hem onder ede gezworen had, één uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten..." Dat klinkt wat Oudnederlands natuurlijk, maar u begrijpt het: dat God één uit de vrucht van zijn lendenen – dat wil zeggen: iemand die uit zijn lendenen zou voortkomen. Elders heet dat heel plastisch: het zaad van David. Dat moet u ook letterlijk nemen: uit het zaad van David. "Eén uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten." Oftewel: de zoon van David. En dan denk ik niet aan Salomo; die was ook slechts een type. Dan denk ik aan Hem over wie het Nieuwe Testament gewoon ook zo begint. Toch? Hoe is het ook alweer? Mattheüs 1 vers 1, gewoon het eerste vers van het Nieuwe Testament: "Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham." Alsjeblieft, hier is Hij.
Wel, "daar hij nu een profeet was en wist dat God hem onder ede gezworen had één uit de vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten, heeft hij in de toekomst gezien" – dat is wat een profeet doet en daar doet hij uitspraken over – "en heeft hij gesproken van de opstanding van de Christus." En niet alleen dat, ook van al de heerlijkheid daarna. Niet alleen over het lijden dat over de Christus komen zou, maar ook alles wat daarop zou volgen.
Psalm 118 past helemaal in dat lange lijstje van psalmen die Messiaans zijn. Afgezien van het feit trouwens dat deze psalm – maar dat zal ik straks ook nog laten zien – in het Nieuwe Testament heel wat keren wordt aangehaald en direct en expliciet zelfs nog wordt toegepast op Christus. Dus dat kan niet missen. Maar gewoon als u deze lijn volgt, vanaf het begin, dan blijkt het ook onmiskenbaar. David sprak van Hem die na hem zou komen, duizend jaar later pakweg – ongeveer zoveel. Hij was een profeet en daarover heeft hij gesproken. De ik-figuur van Psalm 118 is ten diepste letterlijk Christus Zelf.
Goed, dat was om even een totaalindruk te hebben van deze psalm. En dan haak ik nu aan bij vers 21. Ik moest daarin een keuze maken, maar daar lees je dat hij zegt: "Ik loof U, omdat Gij mij geantwoord hebt." Ja, hij was in benauwdheid – ik heb het zojuist al naar voren gebracht – en dat wil zeggen: hij is van de dood bevrijd en "Gij mij tot heil geweest zijt".
Mooi, want dat woordje "heil" is eigenlijk een betrekkelijk Oudnederlands woord, maar het betekent gewoon: redding. En u ziet hier dat dat een Hebreeuws woord is. Het is dit woord: heil, oftewel redding. Maar ik heb er een vierkantje omheen geplaatst. Waarom? Omdat daar niets anders dan de naam van Jezus staat. Gewoon letterlijk hetzelfde. De uitspraak is anders, maar het zijn exact dezelfde letters: Jeshoea. En Jeshoea is de Hebreeuwse uitspraak van Jezus. Er zijn zoveel talen en in elke taal klinkt dat weer anders: Jesus, Jezus, Jezus, Jeshoea. Maar het is dezelfde naam. Het betekent: "Yahweh is Redder". De naam van Jezus drukt precies uit wie God is, namelijk: Redder. Hoe redt Hij? Door en in Hem. Hier staat: "Gij zijt mij tot heil", Jeshoea Christus. Hier klinkt zelfs de naam door van Hem over wie het allemaal gaat en om wie het draait. En dan komen we bij vers 22.
De Steen (eben) als Onmiskenbaar Type van de Zoon ↑ hoofdstukken
En dat is met name het vers waar ik u bij wil bepalen en waar ook de titel van deze studietoespraak aan ontleend is. De psalmist zegt: "De steen die de bouwlieden versmaad hebben, die is tot een hoeksteen geworden." Als u dat in uw Bijbeltje bekijkt en u hebt een Bijbel met schriftverwijzingen, dan ziet u zo al zeven plaatsen waar dit letterlijk wordt geciteerd in het Nieuwe Testament: in de evangeliën, in het boek Handelingen en in de brief van Petrus. Het zou veel te ver voeren om dat vanmorgen allemaal te illustreren, maar ik wil toch op een paar dingen wijzen.
Laten we het vers eens in stukjes hakken. Eerst dit: de steen. In het Hebreeuws staat daar een woord dat u hier waarschijnlijk goed kent: eben. En eben betekent steen. Dat had u wel kunnen raden; Eben-Haëzer betekent "steen van de hulp". Dat wordt dan vaak uitgelegd als "tot hiertoe heeft de Heer ons geholpen", maar de letterlijke vertaling is "steen der hulp". Het woord eben is prachtig, want als je de eerste twee letters neemt, staat er het Hebreeuwse woord voor vader: ab. En als je de laatste twee letters van dat woord neemt, staat er ben, het woord voor zoon. Dus feitelijk is eben, als je het zo leest, de zoon van de vader. De eben is daarmee een type van de Zoon, van de Christus.
Hoeveel voorbeelden wilt u hebben om dat geïllustreerd te zien? Hoeveel bewijzen zijn er nodig? Daar zijn er vele van, maar ik wil u er twee geven. De eerste is de steen die zo'n grote rol speelt in dat magistrale hoofdstuk Daniël 2. Daar worden al die Babylonische koninkrijken vermeld: van het hoofd en de romp tot de lendenen, de benen en de voeten. Dat zijn allemaal wereldrijken geweest met Babel als hoofdstad, en de laatste komt nog. Maar al die koninkrijken en alle machten van deze wereld gaan uiteindelijk het onderspit delven. Hoe machtig het ooit ook was en hoe reusachtig het ook is, het wordt allemaal tenietgedaan door dat ene steentje. Die ene steen die zonder toedoen van mensenhanden losraakte, van de berg rolde en dat reusachtige beeld neervelde. Die steen groeide vervolgens uit en vervulde de hele aarde. Dat was de droom die Nebukadnezar — nota bene de wereldheerser van die dagen — had gezien. Daniël vertelt hem niet alleen de droom, maar legt ook haarfijn uit waar het betrekking op heeft.
De steen. Ik moet dan eigenlijk ook denken aan een andere steen die ook zo'n reus neervelde. We zongen het zojuist: "Wie is er sterker dan David?" Hij vocht met leeuw en beer, maar versloeg ook Goliath, de reus, door middel van een steentje. Welke steen was het ook alweer? Het vijfde steentje. Dat had u kunnen raden, want hoeveel rijken waren er in Daniël? De eerste vier koninkrijken maken plaats voor de vijfde. Het is dat steentje dat vervolgens groeit en de reusachtige wereldrijken velt. De steen, dat gaat over de Zoon van de Vader.
Ik zal u nog een voorbeeld geven en daarvoor gaan we helemaal terug naar het eerste Bijbelboek. In Genesis 28 vinden we Jakob, die op de vlucht is voor zijn broer Ezau nadat hij weer een heleboel gedoe op zijn hals had gehaald. Heel dom. En dat vind ik zo mooi: Jakob was niet te vertrouwen, maar het is geweldig als je Jakobs God kent, die je wél kunt vertrouwen. Dan krijgt hij een droom — geen nachtmerrie, maar een droom. Hij ziet de hemel geopend en hij ziet een stenen trap. Geen ladder, maar een stenen trap; communicatie tussen de hemel en de aarde. Het is "top-down", van boven naar beneden. Dat is precies het tegenovergestelde van Babel, waar het van beneden naar boven gaat. Daar willen ze een toren maken van de aarde naar de hemel, maar zo werkt het niet. God is degene die het doet; Hij komt naar beneden. De mens klimt niet op, het is geen mensenwerk.
Dan lees je dat Jakob zijn hoofd op een steen legde. Nu zou je kunnen zeggen: "Joh, hij moet zijn hoofd toch ergens op leggen?" Ja, maar ik zou het niet zomaar op een steen leggen. Daar zit dus iets achter. Dat blijkt ook wel uit wat Jakob doet als hij vervolgens ontwaakt. Hij zegt: "Dit is niets anders dan een huis Gods, deze plaats is geweldig." En dan lees je dat hij die steen recht overeind zet. Was Jakob dan bijgelovig? Nee, die man wist gewoon dat die steen ergens mee te maken had. Hij had een stenen trap gezien en had zijn hoofd aan een steen toevertrouwd. God gaat spreken en maakt hem geen enkel verwijt. God zegt: "Jij mag nog zoveel op je hals halen en trucjes uithalen, het is allemaal mensenwerk en het stelt niets voor. Ik ga jou dit land geven en Ik ga dat ideaal van de mensheid — de verbinding tussen hemel en aarde — tot stand brengen."
Vervolgens lees je dat Jakob de steen die daar lag, laat opstaan. Hij zet de steen overeind. Moet ik dat uitleggen? Hij doet de steen opstaan. En alsof dat nog niet genoeg is, zalfde hij de steen met olie. Met andere woorden: hij maakte die steen tot een mashiach, een gezalfde. Christus en Messias betekenen immers allebei "Gezalfde". Die steen waar hij zijn hoofd op had gelegd, gaat opstaan en wordt vervolgens gezalfd. Dat heeft alles te maken met het visioen dat hij daar in die nacht in Betel zag. De steen. Nu bent u in ieder geval in de stemming gekomen om te weten waarover het moet gaan. De steen is een Messiaanse titel, een Messiaanse verwijzing en metafoor. Er zijn er nog heel wat, maar laten we eerst even verder kijken.
De Oversten van Israël als Dwalende Bouwlieden ↑ hoofdstukken
De steen, staat er dan, die de bouwlieden versmaad hebben, maar die is tot een hoeksteen geworden. Met andere woorden, die bouwlieden, dat zijn de experts, de deskundigen. Als er één type mens is dat verstand geacht wordt te hebben van bouwstenen waar je iets mee opbouwt, dan zijn dat toch bouwlieden. Die hebben daar professioneel weet van, nietwaar? Maar, staat hier, hier is sprake van een steen die de bouwlieden, de experts, de deskundigen, niet geacht worden te kennen. Ze hadden hem versmaad, verworpen. Terzijde gelegd met de gedachte: nee, dat is niks, dat stelt niks voor, dat komt niet in aanmerking voor ons bouwwerk. Nou, dat kon wel eens kloppen, dat laatste trouwens.
Maar nu ga ik u eerst meenemen naar Handelingen 4. We waren eerst in Handelingen 2, waar Petrus aan het woord is, en nu neem ik u mee naar Handelingen 4 en daar is Petrus weer aan het woord. U weet, Petrus nam heel vaak het woord; hij was feitelijk ook de woordvoerder van de twaalf. Hij is gevangengenomen en dan staat hij daar voor het Sanhedrin en zegt dit: "Toen zei Petrus, vervuld van heilige geest tot hen: Oversten van het volk en oudsten, laat aan u allen en het hele volk van Israël bekend zijn dat in de naam van Jezus Christus de Nazoreeër, die jullie kruisigden maar die God opwekte uit de doden, dat door die naam deze hier gezond voor jullie staat."
Dat moet ik er even bij zeggen ter toelichting, want waar Petrus het over heeft is dit: er was een hele volksoploop ontstaan nadat Petrus en Johannes die man bij de Schone Poort, die al verlamd was vanaf de moederschoot, hadden doen staan. Iedereen kende die man die daar altijd verlamd zat en nu was hij dus genezen. Sterker nog, die man was verlamd vanaf de moederschoot; hij had dus nog nooit gestaan, laat staan gelopen. Maar hij sprong en hij danste zo de tempel in, zonder therapie, zonder revalidatie. Zo ging dat. Dan lees je dat er een enorme volksoploop ontstond en daar gaat Petrus toelichting geven over wat er gebeurd was, waarom dat gebeurd was en in wiens naam dat gebeurd was.
Hij zegt: "Laat aan u allen en het hele volk van Israël bekend zijn dat in de naam van Jezus, de Christus, de Gezalfde, die jullie kruisigden maar die God opwekte uit de doden, dat door die naam deze hier gezond voor jullie staat." Juist, en dan zegt Petrus dit, en daarom ga ik uiteraard hiernaartoe: "Deze is de steen" – wie is deze? Dat is Jezus Christus die jullie kruisigden – "deze is de steen, onder jullie, de bouwlieden." Dan weten we dus meteen waar Psalm 118 vers 22 profetisch op slaat. Wie zijn die bouwlieden? Wel, dat zijn de oversten van het volk en de oudsten. Dat is ook heel logisch: zij waren verantwoordelijk voor de bouw van Israël, voor het hele bouwwerk. Maar ook waren zij de experts. Zij beheerden de Schriften, zij wisten wat er stond geschreven. Zij waren de schriftgeleerden, deskundigheid genoeg in huis. Ze waren ook geaccrediteerd, ze hadden de officiële papieren enzovoorts; expertise en bevoegdheid in huis. En toch hadden ze totaal geen benul van wat ze deden.
Dat zie je trouwens in de Bijbel altijd: voor wijzen en verstandigen verborgen, maar aan kinderkens geopenbaard. Dat is geen kwestie van op je tenen staan, het heeft niets te maken met intelligentie of met geleerdheid. Integendeel, dat kan je alleen maar enorm blokkeren als je opgegroeid bent in dat wat men verteld heeft en dat zo belangrijk geacht wordt te zijn. Sommige mensen zeggen: "Ja, maar als je theologie hebt gestudeerd..." Want dat waren deze mensen; dit waren orthodoxe theologen van naam, de crème de la crème was daarin vertegenwoordigd, waartegen Petrus hier het woord voert. Hij zegt: "Deze is de steen die onder u, de bouwlieden, versmaad is" – dat wil zeggen: gekruisigd. Dat is met recht: jullie hebben die steen verworpen, maar die nochtans tot een hoeksteen is geworden. Dat is een directe verwijzing naar Psalm 118, dat lijkt me duidelijk.
Dan zegt hij nog iets verder in een bekend vers: "En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden." Dat wil zeggen: dat is bindend. Als er redding is – en die is er – dan is dat slechts in en door Hem. Wie is de hoeksteen? Wel, dat is Christus. Hij is de eersteling. De hoeksteen is ook de eersteling van dat bouwwerk. Jullie hebben Hem verworpen, maar God heeft Hem uit de doden opgewekt. U zag het hier ook: wat de mens doet, is Hem ter dood brengen. Dat is wat wij kunnen doen, dat is het menselijk aandeel zeg maar. Maar wat God doet, is iets wat mensen totaal niet kunnen doen, namelijk Hem uit de doden opwekken. Eens voor altijd, een unieke daad. Hij is de eersteling, en dat betekent dus dat er meer gaan volgen. Wat zeg ik? Er blijft niemand achter. Dat is nog andere koek, maar het begint bij Hem. Er is redding, jazeker, maar dat is in Hem. Jezus, Yahweh is redder, en daarin is redding. En er is onder de hele hemel – dit gaat dus niet alleen maar meer over het volk van Israël dat hier direct wordt aangesproken – maar onder de ganse hemel is er geen andere naam gegeven aan de mensen waardoor het bindend is (dat is wat er letterlijk staat) waardoor een mens gered wordt. Er is geen andere weg.
Dan lees je nog – ik lees het er expres even bij: "Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en bemerkt hadden dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk waren..." Misschien was het allemaal grammaticaal niet zo correct wat ze vertelden. Ze waren ongeletterd, de oversten bemerkten dat, ze hoorden misschien een toontje. Ze waren niet de geleerden, de experts die zij wel waren. En dan staat er: zij verwonderden zich over de enorme vrijmoedigheid en de kracht, maar ook de onweerlegbaarheid. Dat is natuurlijk tandenknarsen, dat konden ze niet verkroppen. Zij wisten het beter, maar nu werd het bewijs geleverd dat het onjuist was. Wat de mens dan vervolgens doet is de waarheid ten onder houden, maar ze verwonderden zich.
Ik neem u nu nog naar een ander commentaar mee. Ik moet een beetje opschieten, maar in Matteüs 21 lees je dit, waar de Heer Jezus Zelf ingaat op dit gedeelte uit Psalm 118. Jezus zei tot hen – en het is feitelijk dezelfde doelgroep: overpriesters en Farizeeën die hier worden aangesproken: "Hebben jullie nooit gelezen in de Schriften?" Inmiddels weet u dat ook; ik kan u verklappen dat het hier gaat over Psalm 118, dat is wat er geciteerd wordt: "De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden. Van de Here is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen. Hebben jullie dat nooit gelezen?" En dan zegt de Heer Jezus daarachteraan: "Daarom zeg Ik jullie dat het Koninkrijk van God van jullie zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt." Van jullie wordt het afgenomen en het wordt gegeven aan een volk dat wel de vruchten daarvan opbrengt.
Er staat nog iets heel onaangenaams bij. Er is redding in die steen, ja, maar het is ook levensgevaarlijk als je je daaraan vertilt. Dat is weer een verwijzing naar nog een andere schriftplaats. Er staat bij: "En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, zal hij vermorzelen." Dat is ook letterlijk vervuld, zo duidelijk, want precies veertig jaar later, in het jaar zeventig...
De Hoeksteen en Gods Verborgen Bouwwerk in het Heden ↑ hoofdstukken
Ik ga nu naar Psalm 118. De steen die de bouwlieden versmaad hebben, die is tot een hoeksteen geworden. In het Hebreeuws staat daar letterlijk Rosh Pina, wat 'hoofd des hoeks' betekent. Er is wat verschil van inzicht over wat dat precies zou betekenen, maar de gedachte is dat het betrekking heeft op de fundering: de funderingssteen, de eerste steen dus. Ik ga er nu niet diep op in, maar ik heb u een aantal schriftplaatsen meegegeven waarbij u inderdaad ziet dat het gaat om het fundament, de eerste steen.
Maar het is niet alleen de eerste steen; het is ook nog eens de sluitsteen. Of wij zouden zeggen: de gevelsteen. Of wat dacht u van de topsteen? Dat is ook een mooie gedachte, bijvoorbeeld van een piramide. U kent de grote piramide in Egypte wel, in Gizeh – wat overigens 'grens' betekent. Daar staat die grote piramide, en wist u dat die al sinds mensenheugenis iets mist? Namelijk een topsteen, de sluitsteen. De hoeksteen is er niet. Waar zou die hoeksteen zijn? Dat is een heel beroemd fenomeen. Als u een dollarbiljet bekijkt – en daar zit via de vrijmetselarij nog heel wat anders aan vast – dan ziet u daar ook die top, die hoeksteen, maar hij ontbreekt. Feitelijk zorgt het ontbreken van die topsteen ervoor dat het niet eens een echte piramide is. De top ontbreekt, terwijl juist die top, die zelf een piramide is, de piramide tot piramide maakt. Het klinkt misschien een beetje ingewikkeld, maar begrijpt u hem?
Ik noem dit omdat u zich misschien afvraagt wat dit ermee te maken heeft, maar ik geef het u graag ter overweging mee. In Jesaja 18 wordt een profetie gegeven over Egypte. Er staat dat de Heer te dien tijde, in de toekomst, in het midden van Egypte een altaar en een gewijde steen zal hebben. En in het midden van Egypte kom je inderdaad bij een legendarische, grote gewijde steen uit: die grote piramide. Wat nu nog ontbreekt, is de hoeksteen. Ik vermoed – ik zei het al ter overweging – dat die hoeksteen er straks alsnog gaat komen als een monument voor Hem: de sluitsteen, de gevelsteen, de topsteen.
Paulus zegt in Efeze 2 vers 19: "Zo zijn jullie dan geen vreemdelingen en bijwoners meer" – hij spreekt hier tot de natiën – "maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God." En dan komt het: "Gebouwd op het fundament van de apostelen en de profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is." Hier gaat het inderdaad over de sluitsteen in de uiterste hoek. Dus ongeacht hoe je die hoeksteen ook opvat, namelijk als de eerste steen of als de laatste steen, in beide gevallen klopt het. Hij is de Eerste en de Laatste. Daarom doe ik niet mee aan de discussie of het nu de eerste of de laatste is, want het klopt namelijk beide. Hij is de fundering – een ander fundament dan Hij is er niet, daarop kan niet gebouwd worden – maar Hij is ook de hoeksteen, de sluitsteen.
En weet u wat zo geweldig is? Terwijl Israël de Steen afwees, gaf God vervolgens het Koninkrijk aan een volk dat wel de vruchten droeg. Feitelijk gaat dat over wat God in onze dagen doet. Er staat achter: "Van de HERE is dit geschied." Dat wil zeggen dat de bouwlieden de Steen hebben afgekeurd, maar niettemin werd die afgekeurde steen tot hoeksteen: de Eerste en de Laatste. Hij is degene waar het hele gebouw op rust en waar het ook helemaal om gaat. En er staat: "Van de HERE is dit geschied; het is wonderlijk in onze ogen." Verbazingwekkend. We hadden dit nooit verwacht; het was verborgen.
Ik hoop dat u begrijpt dat dit inderdaad wonderlijk verborgen is. Kijk naar wat Paulus zegt in Efeze 2: die hoeksteen is Christus. Maar wat doet God vandaag? Israël heeft Hem afgewezen, maar niettemin heeft God Hem tot hoeksteen gemaakt. Wat God vandaag doet, is een bouwwerk maken: een huis, een geestelijk huis dat verborgen is. Alles is verborgen in deze tijd, en Hij is de hoeksteen daarvan: de Eerste en de Laatste. God bouwt vandaag in het verborgene een huis onder de natiën. Feitelijk staat dat al in Psalm 118. Dat is wat ik eigenlijk wil vertellen. U zegt misschien: "Ja, maar het staat er wel verborgen." Dan zeg ik: precies, dat bedoel ik! Het is verborgen, en wat Paulus doet, is die verborgenheid aan het licht brengen.
Waar is het dan wel verborgen? Bijvoorbeeld in Psalm 118 vers 22 en 23. Daar is het verborgen, en als iets verborgen is, kan het ontdekt worden. Als de bedekking wordt weggenomen, dan wordt dat zichtbaar. "Van de HERE is dit geschied; het is wonderlijk in onze ogen. Dit is de dag die de HERE gemaakt heeft; laten wij juichen en ons daarover verheugen." Dat is een prachtig vers; we gaan hem straks trouwens ook zingen. Er is nog een heel bekende andere evangelische variant van dit lied, vroeger was het echt een evergreen: "Dit is de dag die de Heer ons geeft." Maar welke dag? Ik kan niet anders inzien, als ik het gewoon in zijn verband bekijk, dan dat dit gaat over de dag waarin het wonderlijke van vers 22 en 23 gerealiseerd of voltrokken wordt. Namelijk de dag waarop de bouwlieden de Steen afwijzen, maar God die verworpen Steen niettemin tot een hoeksteen maakt. Dat is het wonderlijke.
Misschien heeft u er nooit bij stilgestaan als u dit vers leest, dat het gaat over wat God vandaag in het verborgene doet. Het is wonderlijk in onze ogen; dit is de dag. Dan kun je zeggen: "Ja, dat gaat gewoon over 16 augustus of morgen 17 augustus." Natuurlijk mag je het zo opvatten, maar kijk nu eens naar het verband waarin het staat: "Och HERE, geef toch heil; och HERE, geef toch voorspoed." Weet u wat er staat bij "geef toch heil"? In het Hebreeuws staat daar Hosanna. Dat is wat de mensen riepen toen de Heer van de Olijfberg naar Jeruzalem ging op het ezeltje. Blijkbaar wist het publiek toen ook wel: "Dit is de Man over wie Psalm 118 gaat."
En dan nog deze: "Gezegend hij die komt in de naam des HEREN." Ook dit is weer een woord dat geciteerd wordt in het Nieuwe Testament. Het is de Heer zelf die deze woorden in de mond neemt in Matteüs 23. Ga even met me mee naar Matteüs 23, waar de Heer een tirade houdt in niet al te aardige bewoordingen tegen de oversten van het volk en de schriftgeleerden. "Witgepleisterde graven zijn jullie," zegt Hij. Dat is striemend. Aan het slot van Zijn toespraak zegt de Heer: "Zie, uw huis wordt aan u overgelaten." Uw huis; dat wil zeggen die tempel van jullie. Het is niet eens meer het huis van God, maar "dat huis van jullie". Hij zegt dat het binnenkort helemaal met de grond gelijk gemaakt zal worden. "Uw huis wordt aan u overgelaten," zegt de Heer vlak voor Zijn sterven. Het is eigenlijk Zijn laatste openbare optreden. Want, zegt Hij: "Ik zeg u: u zult Mij van nu aan niet meer zien." Over en uit. Maar er staat iets achter: "Totdat u zegt..." Er zit dus een "totdat" aan vast. Jullie zullen Mij niet zien; Ik ga Mij onttrekken aan jullie gezicht. Maar er komt een moment dat jullie weer gaan zeggen... En als dat gaat gebeuren, als jullie gaan zeggen...
"Totdat gij zegt: Gezegend Hij die komt in de naam des Heren." Waar staat dat? Nou, we zagen het net in Psalm 118. Totdat jullie zeggen: "Gezegend Hij die komt in de naam van de Here." Met andere woorden: dan zullen jullie Me weer zien. Dus voorlopig ben ik er niet meer, maar Ik kom terug. I'll be back. En jullie zullen Me zien, totdat jullie zeggen: "Gezegend Hij die komt in de naam van de Here."
Dat is een hint, geloof ik. De hint heb ik opgepakt, maar ik heb nog een dia ook; dat is waar ik mee wilde afsluiten.
Een Steen Des Aanstoots Óf een Fundament Dat Nooit Beschaamt ↑ hoofdstukken
In Romeinen 9 — ja, kom er maar bij jongens, dit is de laatste dia die ik heb — daar zegt Paulus ook iets over die steen. Hij heeft het daar over de vraag waarom Israël die steen nu heeft afgewezen. Waarom zien zij de Messias nu niet? Paulus geeft dan dit verrassende antwoord: omdat het — en hij heeft het over het volk Israël — omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van werken. Die twee staan tegenover elkaar. Geloven doe je bij een belofte en werken doe je bij een opdracht. Bij een opdracht is het: doe dat, en dan kun je gaan werken. Maar als ik iets beloof, dan kun je dat alleen maar geloven. Welnu, dat is de bottleneck.
Daar staat dat zij zich hebben gestoten aan de steen des aanstoots. Dat is die steen. De hoeksteen is ook een aanstotelijke steen waarover ze gestruikeld zijn. Gelijk geschreven staat — en dat staat in Jesaja 8 en Jesaja 28: "Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, een rots der ergernis." Dat wil zeggen dat God een steen gaat leggen in Sion. Weet u wanneer Hij die eerste steen heeft gelegd? Dat was toen Hij Hem opwekte uit de dood. Toen werd de steen daar gelegd, in Sion, met recht. Maar het werd een steen des aanstoots en een rots der ergernis.
En dan staat erachter: "Maar wie op Hem zijn geloof bouwt, die zal niet beschaamd uitkomen." In Jesaja 28 staat er nog bij dat diegene niet zal haasten. Dat wil zeggen dat je niet hoeft te maken dat je wegkomt of hoeft te vluchten. Er is rust. Wie op Hem zijn geloof bouwt, als je op Hem vertrouwt, zal je never nooit beschaamd uitkomen.
Als u nu helemaal niets hebt kunnen volgen van wat ik vanmorgen vertelde, omdat het te moeilijk was of omdat het gisteravond te laat is geworden — ik weet niet welke redenen daar nog meer voor te bedenken zijn — als u dit ene maar oppakt, dan is dat het belangrijkste. Als je op Hem je geloof bouwt. Want als Hij dood zou zijn, dan zou je inderdaad te kijk worden gezet; daar kom je niet mee uit. Maar wie op Hem zijn geloof bouwt, zal nooit beschaamd uitkomen. Dan heb je vreugde, dan heb je vrede en dan heb je hoop. Dat is de steen, de hoeksteen. En wat een geweldig voorrecht om Hem te mogen kennen. Inderdaad, amen.
UltimateGoodNews