staan en doorstaan
20-02-2022 - Geplaatst door Andre Piet20 februari 2022, Den Haag
In 1Korinthe 10 betoogt Paulus dat de meerderheid van hen die waren uitgetrokken uit Egypte, zijn omgekomen in de woestijn. En met nadruk leert hij ook dat wat Israël toen overkwam voor ons typen zijn. Waar ging het bij Israël mis? Zij meenden te staan… maar waarop? En waarin? Buitengewoon belangwekkende lessen kunnen wij hieruit leren!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: Staan en Doorstaan in de Storm
- De Korintiërs: Ziels Georiënteerd in Plaats van Geestelijk
- Korinthe 10: Allen Gedoopt in Mozes en Geestelijk Gevoed
- De Val bij de Sinaï: de Rotsgrond van Genade Verlaten
- Historische Waarschuwingen: Mopperen Versus een Geest van Dankbaarheid
- Typologische Lessen voor Ons aan het Einde Der Aionen
- Beproeving en Gods Trouw: Zien op de Gegarandeerde Uitkomst
Introductie: Staan en Doorstaan in de Storm ↑ hoofdstukken
Een hele goedemorgen, vrienden hier in Den Haag. Van mijn kant dankjewel Ron voor de introductie en voor de mooie dingen die je al mocht delen, en ook trouwens de minder mooie dingen. Maar daar ben je een geloofsgemeenschap voor: om ook dat alles met elkaar te delen, nietwaar? En om op te zien naar boven.
Het thema dat ik zou gaan bespreken heeft wel een relatie met de weersomstandigheden van de afgelopen week, maar die connectie heb ik me eigenlijk pas de laatste minuten gerealiseerd. Dat je die connectie kunt leggen: namelijk dat als het heel erg stormt, er heel veel wordt neergeveld aan bomen die dat allemaal niet kunnen doorstaan. Waar het dan op aankomt in de storm, is te staan en de stormen te doorstaan en te weerstaan, oftewel staande te blijven.
Nou, dat is inderdaad het onderwerp: staan en doorstaan. Maar ik doe dat... Goh, ik zie het een beetje slecht vanaf deze plaats. Het lijkt wel alsof de vorige keer beter was. Nee, jij denkt dat het nu mijn ogen zijn? Dat kan het niet wezen, want ik heb net een nieuwe bril, Tineke. Maar laat ik... Nou, ik kan het zien als ik een klein beetje om mijn hoekje kijk.
De Korintiërs: Ziels Georiënteerd in Plaats van Geestelijk ↑ hoofdstukken
Eerst even wat dingen vooraf, want ik wil u meenemen naar 1 Korinthe 10 en een aantal verzen uit dat hoofdstuk met jullie bespreken. Laat ik ter introductie op die brief het volgende zeggen. Deze brief is geschreven door de apostel Paulus vanuit Efeze. Dat moet zo ergens rond het jaar 54 van onze jaartelling zijn geweest. Dat kun je opmaken uit de omstandigheden waarin hij dat deed en van waaruit hij schreef, als je de plaatsen die ik vermeld erop naslaat. Dan kun je inderdaad zien dat hij in Efeze was, in het huidige Turkije aan de westkant. Hij schrijft een brief aan de Korintiërs, waar hij een jaar of twee, drie eerder het evangelie heeft mogen brengen. Daar was rond het woord dat hij daar gebracht heeft een geloofsgemeenschap ontstaan. Je brengt een woord en er zijn mensen die daar amen op zeggen en die door God geroepen zijn. Zo ontstond daar een Ecclesia. Paulus heeft diverse brieven aan deze Ecclesia geschreven, maar dit is de eerste brief die we in de Bijbel aantreffen.
Hij spreekt hen aan als onmondigen. Dat is een term die hij zelf ook gebruikt in deze brief; als mensen die nog melk nodig hebben, als baby's. Hij had wat meer ontwikkeling verwacht. Dat is de normale procedure: een mens komt ter wereld als baby, maar het is de bedoeling dat je opwast en dat je op een gegeven ogenblik van de moedermelk af bent en vast voedsel neemt. Dat zijn metaforen die Paulus gebruikt om duidelijk te maken dat het bij de Korintiërs maar niet erg wilde vlotten met de ontwikkeling. Zij waren nog steeds erg gericht op 'het zielse'. Ook dat is een term die hij juist in deze brief nogal gebruikt. Zij waren heel ziels georiënteerd in plaats van geest-georiënteerd.
Paulus legt ook uit wat hij daarmee bedoelt. Ziels — als ik het op z'n Grieks zeg, zou ik zeggen: psychisch. Ons woord psyche komt uit het Grieks, maar dat betekent ziel. Zij waren eigenlijk heel erg gericht op de ziel van de mens. Dat heeft te maken met de gevoelens en met de ervaringen; dat wat je via de zintuigen allemaal op je af ziet komen. Ze waren bijvoorbeeld ook georiënteerd op de wijsheid van deze wereld. Per slot van rekening leefden zij in Korinthe, en Korinthe was één van dé steden in die dagen, letterlijk naast Athene. Het zijn steden die tot op de dag van vandaag, inmiddels een aantal millennia verder, nog steeds beroemd of berucht zijn vanwege hun filosofie en hun wijsheden. De Korintiërs gaven daar ook nogal hoog over op.
Paulus — notabene dé Paulus, een man die zo hoog opgeleid was en doorkneed was in niet alleen zijn eigen Joodse traditie, maar die ook zeer goed op de hoogte was van de filosofie van die tijd — had dat allemaal achter zich gelaten sinds dat ene moment in zijn leven. Hoe hij later ook onderwijs heeft gekregen van de Heer die hij ooit vervolgde; alles was anders geworden. Paulus zegt in de Korinthebrief: ik heb jullie verteld dat ik niet met de wijsheid van deze wereld wilde aankomen, maar met de stupiditeit, de dwaasheid van het kruis. Hij wees hen op een paal waar iemand ooit aan gestorven is. Notabene de zwaarste vorm van executie die in die dagen bekend was. En daarin, in zo'n stomme, stupide, dwaze paal — want dat is eigenlijk wat het woordje stauros, het Griekse woord voor kruis, betekent — aan zo'n vloekhout, daar is Gods wijsheid juist aan het licht getreden.
Paulus schrijft aan de Korintiërs dat hij dat heel bewust zo gebracht heeft. Hij heeft zich niet willen meten met academische wijzen. Hij had het kunnen doen, maar dat heeft hij niet gedaan. Wat hij hen gebracht heeft, wat hij verteld en verkondigd heeft, is wat er buiten de poorten van Jeruzalem was gebeurd: dat er iemand, die door God in de Schriften was aangekondigd, beloofd en geprofeteerd, is gekomen. Hij is gestorven aan dat hout en via die weg gaat God de wereld redden. Dat is bizar om aan te denken, maar dat is zoals God meestal te werk gaat: via hele banale, dwaze, nietszeggende dingen. Vraag maar aan David die een steentje had, of denk aan het feit dat de mensheid overleeft door een paar planken die aan elkaar getimmerd waren. Een ark, dat is toch dwaas?
Eigenlijk is dat steevast de wijze waarop God werkt. Niet door grote legers, maar door een handjevol mensen die als een hond uit een beek drinken — als u weet waar ik nu op doel. Dat is standaard de wijze waarop God werkt. Door dwaasheid, door wat de wereld dwaas vindt, openbaart God juist Zijn wijsheid. Dan krijg je dus het merkwaardige fenomeen dat de wijsheid van de wereld voor God dwaasheid is en vice versa: de wijsheid van God is in de ogen van de wereld dwaasheid. Probeer die twee niet bij elkaar te brengen. Probeer ook niet die boodschap aantrekkelijk, attractief of aannemelijk te maken. Doe het niet!
Dat is wat Paulus ook zegt tegen die Korintiërs. Maar goed, zij waren nog heel erg bezig met het zielse. Paulus wijst ze op geest. Geest heeft te maken met wat je niet ziet; dat is eigenlijk een verzamelterm voor de dingen die blijvend zijn. Dat was ook de boodschap. Het heeft ook te maken met de nieuwe wereld, met de nieuwe schepping en met het nieuwe lichaam. Christus Jezus werd na dat kruis drie dagen later opgewekt uit de doden met een spiritueel, een geestelijk, een pneumatisch lichaam. Dat is het woord dat hij gebruikt: een pneumatisch lichaam dat al het zielse, al het materiële en alles wat wij hier zien te boven gaat en achter zich laat.
Deze Korintiërs waren, om een lang verhaal kort te maken, nog heel erg gericht op dat zielse. Paulus wijst ze op het geestelijke, op wat er werkelijk toe doet en wat blijvend is. Vandaar trouwens ook dat er allerlei problemen waren in Korinthe van allerlei aard: onderlinge toestanden, ook in de gezinnen en in de huwelijken. Lees de brief na; eigenlijk is het een opeenstapeling van alle problematiek die zij hadden. Paulus koppelt dat ook: dat wordt mede veroorakt door het feit dat ze nog zo ziels georiënteerd waren.
Daar wijst hij op en hij maakt trouwens een hele lange aanloop, want pas in het vijftiende hoofdstuk, bijna aan het slot, gaat hij echt uitpakken. Dan wijst hij op waar het hem uiteindelijk allemaal om te doen is, namelijk de boodschap van de opgewekte Christus en hoe in Hem een totale nieuwe schepping aan het licht is gekomen en zal komen. Goed, wij gaan nu naar 1 Korinthe 10 toe.
Korinthe 10: Allen Gedoopt in Mozes en Geestelijk Gevoed ↑ hoofdstukken
En daar zegt Paulus dit — want ik wil, nu haken we dus aan in zijn betoog, er zijn al negen hoofdstukken aan voorafgegaan — en dan zegt hij: "Want ik wil niet, broeders, dat jullie onwetend zijn." Dat "want" sluit dus aan bij het voorgaande. Daarmee zegt hij ook, hij had zojuist ook gesproken over dat je wel goed kunt beginnen. Hij gebruikt het beeld van een sportwedstrijd, van een renbaan. Ja, maar dan gaat het niet alleen om een goede start, maar het gaat erom om ook gefocust te blijven op het grote doel. Vandaar ook dat plaatje erbij. Paulus zei ook: "Ja, ik vergeet alles, het gaat mij om één ding." Zoals een ware sporter ook alleen maar de prijs kan halen door volledig te gaan en af te zien van alles om voor het doel te gaan. Het ging Paulus om de winst, en dan vooral de winst van het evangelie, dat hij dat goede bericht wat hij te melden had, uitbazuinde. Eigenlijk deed al het andere feitelijk, in het licht daarvan, niet ter zake.
Nu komt hij met een ander motief daarvoor. Hij zegt: "Want broeders, ik wil niet dat jullie onwetend zijn dat onze vaders allen onder de wolk waren en allen door de zee gingen." Met "onze vaders" bedoelt hij de Israëlieten van de exodus. Paulus schrijft deze brief samen met Sostenes, dat weten we uit het eerste hoofdstuk, en zij beiden waren Joden. Dus zij konden met recht zeggen: onze vaderen. De Korinthiërs zelf waren voor een groot gedeelte uit de natiën, goyim, gewoon niet-Joden. Maar goed, Paulus kan toch zeggen: onze vaderen. Hij zegt: let op dat woordje "allen". Ik heb het ook expres even gearseerd, wat vetter gedrukt. Dat onze vaderen allen onder de wolk waren en allen door de zee gingen. Hij refereert hier aan een bekende Bijbelse geschiedenis van de exodus, hoe het volk inderdaad uittrok uit Egypte. Trouwens, precies ook op de geprofeteerde dag die al honderden jaren tevoren was aangekondigd. En toen trokken ze uit en ze waren allen onder de wolk die hun voorging, en allen gingen ze ook door de zee.
Dan staat er: "En allen in Mozes werden gedoopt." Dat is een wat eigenaardige term, maar dat betekent dat ze werden geïdentificeerd met hem. Mozes voorop, en Mozes ging in de wolk en in de zee. Dat is vrij letterlijk. En zo werden zij, de Israëlieten, als het ware gedoopt. Nee, ze werden niet nat. Dat hoeft ook niet. Van de Korinthiërs lees je ook dat ze door één Geest in één lichaam gedoopt waren; daar komt ook geen druppel water bij te pas. Vinden mensen het soms wat lastig om bij doop aan iets te denken waar je niet nat van wordt? Maar dat kan echt. Sterker nog, dat is eigenlijk de belangrijkste doop. Zelfs Johannes de Doper, die bekendstaat om de natte doop, die zei al: "Ik doop jullie in water, maar Hij die na mij komt, zal jullie dopen in Geest." Met andere woorden: dat is het echte.
Goed, even terzijde. "En allen in Mozes werden gedoopt in de wolk en in de zee en allen dezelfde geestelijke voeding aten." Iedere keer weer dat woordje: allen. Allemaal. En geestelijke voeding, was dat dan niet letterlijk? Jawel, natuurlijk. Ze kregen letterlijk manna uit de hemel. Dat is een heel apart verhaal. Ze vroegen zich ook af: "Wat is dat?" Vandaar ook dat het manna heet, want dat betekent letterlijk: "Wat is dat?". Maar het was brood uit de hemel. Uiteraard noemt Paulus het hier geestelijk voedsel vanwege de betekenis die daaraan vastzit. Het was letterlijk natuurlijk, maar het is geestelijke voeding, het is hemels brood. In dit geval zelfs letterlijk, maar ook figuurlijk.
En allen dezelfde geestelijke drank dronken, want ze dronken vanuit een geestelijk volgende rots. De rots echter was Christus. Nou moet je even, als je dit wilt volgen, een klein beetje sjoegen hebben van Bijbelse symboliek of typologie. Dat wil zeggen: natuurlijk zijn dit werkelijk historische gebeurtenissen, ooit gewoon letterlijk gebeurd, wonderlijk oké, maar niettemin gedocumenteerd en het is allemaal zo concreet, het heeft plaatsgevonden. Maar het heeft allemaal ook een geestelijke betekenis. En dat water wat zij dronken uit de rots — en ik ga er nu maar even gemakshalve vanuit dat jullie een klein beetje die geschiedenissen kennen; zo niet, dan heb je nog enige bijscholing nodig, maakt niet uit — zij dronken die geestelijke drank, water uit de rots. Het was trouwens iedere keer een andere rots, maar Paulus zegt: "Ja, maar het was eigenlijk gewoon één en dezelfde rots." Want de rots, dat is Christus. Dat zegt hij hier ook, in beeld. En die rots, Christus, ging hen eigenlijk achterna en overal waar zij dronken uit de rots en van dat water, dronken ze eigenlijk een geestelijke drank en uit een geestelijke rots. Wie het vatten kan, vatte het. Zo moeilijk is het niet, maar dat is de manier waarop Paulus denkt.
En nu komt het eigenlijk waar ik al eerder even aan doelde. Terwijl Paulus dus zegt van "allemaal", dus het hele volk ging achter Mozes aan, het was gedoopt in de wolk, in de zee en allemaal aten ze dat manna en allemaal dronken ze dat water. Ja, en nou staat er in vers 5... dat krijg je maar.
De Val bij de Sinaï: de Rotsgrond van Genade Verlaten ↑ hoofdstukken
Maar God had in de meerderheid van hen geen welgevallen. Dat is eigenlijk een eufemisme, een verzachtende uitdrukking. Want dat er staat dat de meerderheid van hen God geen welgevallen had, betekent feitelijk: bijna iedereen viel. Er waren er maar twee die niet omkwamen in de woestijn, en zij worden bij name genoemd: Jozua en Kaleb. Dat is een prachtig verhaal, een geweldige geschiedenis, maar zij zijn de enigen die niet zijn omgekomen in de woestijn. Dat is ook wat hier bedoeld wordt met 'waarin God geen welgevallen gehad heeft'. Dat wil zeggen: ze kwamen om. Dat had niet gehoeven, maar ze zijn gevallen; ze zijn letterlijk neergeveld.
U weet, Israël trok uit Egypte en het had een kwestie van een paar maanden kunnen zijn voordat het volk in het beloofde land was gearriveerd. In werkelijkheid hebben ze er veertig jaar over gedaan. Dat was een enorme omweg, letterlijk en figuurlijk, ook qua tijd. Maar de meerderheid werd neergeveld in de woestijn. Ik heb daarbij iets heel eigenaardigs ontdekt: als je dat fenomeen in de geschiedenis nader beziet, dan zie je dat totdat het volk bij de berg Sinaï arriveert, er nog niemand is omgekomen. Dat is een periode van vijftig dagen — het was met Pinksteren dat ze daar kwamen bij de Sinaï. Tot die tijd had er al het een en ander plaatsgevonden en hadden ze ook gemopperd tegen Mozes, maar niemand was omgekomen. Dat begint pas bij de Sinaï, en dat is heel opmerkelijk. Ook daarin zit weer een enorme typologische les.
Wat was er gebeurd? Het volk Israël had, voordat ze de wet hadden gekregen, al tegen God gezegd — nationaal had men beloofd: "Alles wat JAHWEH zal zeggen, dat zullen wij doen." Oei. Je zou kunnen zeggen dat dit een geweldige intentie is, maar het is ook een enorme pretentie. Ze zakten al door het ijs — om een wat vreemde metafoor in de woestijn te gebruiken — nog voordat de wet arriveerde. U kent het: toen Mozes van de berg afkwam, waren de stenen tafelen al aan diggelen geslagen, nog voordat het volk ook maar iets van die stenen tafelen had vernomen. En zo gaat dat.
U moet zich realiseren dat het volk tot die tijd leefde uit Gods belofte. De belofte die eeuwen eerder aan Abraham, Izak en Jakob was gedaan: "Jullie nageslacht ga ik zegenen en via jullie nageslacht ga ik alle geslachten van de aardbodem zegenen." Dat was de belofte, en daaruit hebben ze geleefd. Dat was onvoorwaardelijk. God had een belofte gegeven aan Abraham en vervolgens aan zijn kinderen, en met die belofte op zak hebben zij geleefd. God belooft, onvoorwaardelijk, om niet: genade. Daaruit hebben ze geleefd. Waren het zulke geweldige mensen? Nee, helemaal niet. Maar het was genade, en daar gaat het om.
Bij de Sinaï verandert alles. Want wat gebeurt er bij de Sinaï? Daar gaat het volk het beloven. Op het moment dat een mens dat doet, dan heet het een gelofte. Het volk deed een gelofte: "Alles wat JAHWEH zegt, dat gaan wij doen." Maar dat betekent dat ze in feite de grond waar ze op stonden verlieten, de rots waar ze op stonden. Waarom zeg ik een rots? Kijk, als het allemaal afhangt van Gods genade en van Gods belofte, dan kun je daar onvoorwaardelijk op staan. Dat betekent namelijk dat je het nooit door wangedrag kwijt kunt raken. Want als God belooft zonder mitsen en maren, zonder kleine lettertjes, dan gaat Hij het ook vervullen. Dat is aan God.
Maar op het moment dat het afhankelijk wordt van de mens, zoals in dit geval waarin het volk nationaal gaat zeggen: "Wij gaan op andere grond staan, namelijk: alles wat God gesproken heeft, dat gaan wij doen", dan heeft God hen daar ook aan gehouden. Al was het maar om te demonstreren dat dat geen grond is. En inderdaad, vanaf dat moment gingen ze bij bosjes vallen. Het hele volk kwam om, uitgezonderd Jozua en Kaleb. Op dat moment — en dat is ook typologisch de les die Paulus hier neerlegt — heeft God in de meerderheid van hen geen welgevallen gehad. Want op het moment dat je gaat bogen op eigen prestaties en op eigen werken, ook al is het met de beste intenties, dan is het ook pretentie. Het is religieus: alles voor God willen doen en denken dat je het op die manier wel zou kunnen verdienen. Daar heeft God helemaal niets mee.
Voor God gaat het maar om één ding: wat Hij zegt, wat Hij belooft en wat Hij doet. Je kunt natuurlijk zeggen: "Ja, maar wat heeft een mens dan nog?" Nou, niks. Waar blijft het roemen dan? Paulus zegt, ook in 1 Korinthe 1 vers 30 en 31: "Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten." Het is uitgesloten opdat het zij gelijk geschreven staat: "Wie roemt, die roeme in de Heer." Niet op het moment dat je denkt dat het iets is van jezelf omdat je godsdienstig toch wel alles goed gedaan hebt. Mooie intenties, maar je hebt de rotsgrond verlaten. En dan staat er inderdaad: in de meerderheid van hen heeft God geen welgevallen gehad. Zo is het ook gebleken.
Vervolgens staat erbij: "Deze dingen nu zijn typen geworden van ons." Prachtig, want ik had het net over dat woordje 'typen', het typologische. Dat is precies het woord dat hij hier en straks nog een keer gebruikt. Typen betekent gewoon een beeld. Wij gebruiken het woordje 'type' ook wel als werkwoord, maar hier is het in de zin van een beeld, een schaduw of een bepaalde impressie van een geschiedenis. Denk aan de rots, het water of het brood; het zijn allemaal typen. Het is een ding, een gebeurtenis of een mens — ook personen zijn typen. Mozes zelf was een type, Jozef was een type, David was een type. Het is een model, een prefiguratie zoals dat zo deftig heet, van Degene die zou komen.
Het zijn allemaal typen en Paulus zegt: deze dingen zijn typen geworden. Daar zit een typologische les in. Dat wil zeggen: het is een beeld, het is onderwijs voor ons. Deze dingen zijn typen van ons geworden. In dit geval spreekt het ervan dat het goed ging tot aan de Sinaï, maar toen de mens ging beloven, zelf geloftes ging doen en ging steunen op eigen werken, ging het mis. Dat is waar het van spreekt: van wet versus genade en Gods belofte. Deze dingen zijn typen geworden van ons, opdat wij geen begeerders van kwade dingen zouden zijn zoals zij begeerden.
Kijk naar wat Paulus vertelt over die geschiedenis, die in zijn dagen ook al 1500 jaar eerder had plaatsgevonden en inmiddels voor ons 3500 jaar geleden: het staat opgetekend opdat wij daar een les uit zouden leren. Opdat wij geen begeerders van kwade dingen zouden zijn. Waar het op neerkomt — en dat is wat Paulus hen eigenlijk vertelt — is: blijf staan in de genade. Op het moment dat je namelijk die bodem verlaat, dan kom je om. Paulus zag het ook gebeuren bij de Korinthiërs. En zeg nu niet: "Ja, maar dat gebeurt nu niet meer." Ik weet wel dat mensen daar de conclusie uit hebben getrokken van...
Dat betekent dus dat je nog verloren kan gaan. Op het moment dat je dat zegt, in de zin dat je je redding kan verspelen, dan heb je volgens mij het evangelie nog niet begrepen. Het evangelie is namelijk om niet. Hij is Redder voor alle mensen, speciaal van de gelovigen; dat is juist het evangelie.
Maar het punt is: wat wel verloren kan gaan, dat is je getuigenis. Op het moment dat jij gaat staan op eigen werken en godsdienstig bent geworden — je doet nog wel ergens aan, weet je wel — dan heb je de bodem van genade verlaten. Dan gaat je getuigenis gewoon, om nog een andere beeldspraak te gebruiken, naar de Filistijnen. Dan ben je gewoon omgekomen. Dan ben jij als getuige en als lichtverspreider — namelijk het licht van Zijn genade — verloren. Daar is niets meer van over.
Dat is wat Paulus zegt over de Israëlieten: ze hebben de bodem van genade verlaten en ze zijn allemaal neergeveld in de woestijn. Hij zegt dat dit een les voor ons is, want het betekent namelijk dat als je niet staat en blijft staan op de genade, je hier op aarde gewoon omkomt. Je redding verspeel je uiteraard niet, want dat is juist wat genade is. Maar als getuigenis ben je dan inderdaad gevallen en verloren. Dat komt om.
Het is dus inderdaad heel ernstig wat hij zegt. Hij zegt dat ze toen bij bosjes gingen, en nu nog steeds. Het onderstreept alleen maar de ernst waar we het over hebben, namelijk om te staan en te blijven staan.
Historische Waarschuwingen: Mopperen Versus een Geest van Dankbaarheid ↑ hoofdstukken
Ik lees verder, want er zijn nog wat verzen te gaan. Ik ga nu niet te diep in op alle voorvallen die Paulus hier noemt. Dat is met opzet, want het refereert ook aan allerlei situaties waar de Korinthiërs mee geconfronteerd werden. En dan zegt hij: "Wordt ook geen afgodendienaars zoals sommigen van hen." Zoals geschreven staat – en dat kunt u terugvinden in Exodus 32 – het volk ging zitten om te eten en te drinken en stond op om te spelen. Dan zou je zeggen: daar is niets mis mee. Nee, maar als je weet dat dit allemaal in dienst stond van de afgoderij en ze van God werden afgeleid... En dat kan trouwens ook heel concreet zijn: dat je meegaat in de religie van de mens. Het kan ook christelijk zijn, hoor. Er bestaat ook een christelijke religie, zeg ik er nog maar bij. Dat is de grootste religie die er bestaat, maar het heeft niets met het Evangelie te maken; het is gewoon religie. Dat kan allemaal heel gezellig zijn en je kunt het sociaal heel erg goed hebben met elkaar, maar dan word je een afgodendienaar. Dan ben je van God afgetrokken. Je leest wat Paulus zegt: "Wordt geen afgodendienaars zoals sommigen van hen." En u weet – hoewel het er in dit geval niet bij staat wat de gevolgen waren – dat er velen omkwamen.
En dan staat er ook: "Ook zouden we geen hoererij plegen zoals sommigen van hen hoererij pleegden." Hoererij betekent gewoon dat je niet seksueel trouw bent. Een man zal zijn vader en moeder verlaten, zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn. Op het moment dat je één vlees wordt met een ander, heb je de trouw tenietgedaan. Dat is hoererij. Bij de Korinthiërs speelde dat trouwens ook, en ik denk dat hij daarom dat beeld gebruikt. Hij zegt: ook in dat geval heb je de trouw verlaten. En dan bedoel ik ook de trouw aan God. Ook dan gaat je getuigenis naar de gallemiezen. Welke termen zullen we er nog meer voor gebruiken? Naar de Filistijnen, ja. Dan kom je alsnog om en ben je niet bestand tegen de stormen. Dat is dan gebleken. Er staat bij dat er op één dag drieëntwintig duizendtallen vielen. En een dag later trouwens nog duizend meer; dat staat allemaal in Numeri 25.
Laten we ook niet de Heer uitproberen, zoals sommigen van hen probeerden en zij omkwamen door de slangen. Dat refereert dan weer aan de geschiedenis in Numeri 21. Zeg ik het goed? Ja. Wat deden ze? Ze probeerden de Heer uit. U leest dat God hen... ik bedoel, tijdens de woestijnreis kwamen ze niets tekort. God gaf letterlijk voedsel uit de hemel, ook met kwartels. Ze hadden geen vegetarisch menu, maar gewoon alles erop en eraan. En dan gingen ze zich daarover beklagen en over de lengte van de reis. Terwijl God voorzag, gaan ze vervolgens God uitproberen. Ze beklaagden zich over deze dingen en daarmee verlieten ze de bodem van genade. God geeft wat Hij beschikt. En ze kwamen om door de slangen.
En "mort ook niet". Morren, mopperen, klagen. In de Statenvertaling staat "murmureren". Dat is een oud woord dat we nauwelijks meer kennen. Maar morren... "mort ook niet zoals sommigen van hen en zij kwamen om door de uitroeier." Dat staat in Numeri 16. Het is allemaal dezelfde gedachte. In feite, op het moment dat je gaat mopperen... ja, wat gebeurt er dan? Dan denk je dat God het niet goed doet. Misschien spreek je dat niet zo uit, maar dat is wel de suggestie. Dat is in feite wat je doet op het moment dat je gaat mopperen of klagen over dat wat God geeft en beschikt. Ik weet niet of u er zo weleens over nagedacht hebt, maar als je gelooft dat God geeft wat nodig is en dat Zijn weg altijd de beste is, dan betekent dit dat alles wat er gebeurt Zijn weg is.
U vraagt zich misschien af: heb je dan geen begrip voor mensen die mopperen? Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat als je weet dat we leven uit Zijn genade, Hij ook genoeg geeft. Mopperen staat daar tegenover. In de wereld wordt gezegd: "Ja, dat moet je doen, dat lucht op." Wat de wereld daarover zegt, daar hebben we het even niet over. Maar weet u wat er tegenover mopperen staat? Dat is een geest van dankbaarheid. Danken voor het goede en ook voor het kwade. U zegt: hoe kan dat? Ja, maar dat kwade, dat zijn die "minnen". Er zijn zoveel dingen – ze zijn vanmorgen ook genoemd – er kunnen zoveel minnen zijn waardoor je het zwaar hebt. Ik gebruik vaak dat beeld van de minnen: de negatieve dingen waar je moeite mee hebt. Of dat nu fysiek is, in je werk, of sociale dingen in je persoonlijk leven. Ik hoef toch niet uit te leggen wat minnen in je leven zijn? Maar hoe kun je God daarvoor danken? Je dankt God natuurlijk niet vóór een min, maar waar je wel altijd voor kunt danken, is genade. Dat Hij de minnen tot plussen maakt. Sterker nog: dat een min een plus is, alleen voor ons nog niet af. God ziet die plus al wel; het is werk in uitvoering. Dan kijk je heel anders tegen de dingen aan. Maar goed, van Israël lees je over hun morren, met alle consequenties van dien. Ze vielen achter elkaar om; ze werden neergeveld in de woestijn.
Typologische Lessen voor Ons aan het Einde Der Aionen ↑ hoofdstukken
Deze dingen overkwamen hen als typen, typologisch. Dit is de tweede keer dat Paulus dat beeld gebruikt. Ik weet dat sommige mensen zeggen: "Typologie, daar heb ik niks mee." Nou, dan moet je de Bijbel maar dichtlaten, want in de Bijbel heeft alles per definitie, naast het feit dat het historisch letterlijk genomen wordt, een diepe typologische betekenis. Dat is juist de geweldige rijkdom daarvan. De betekenis is niet uitgeput met alleen de letterlijke betekenis – gewoon lezen wat er staat – maar ze ligt ook in de connecties en de geweldige vergezichten die het biedt. Dat is fantastisch; het is het mooiste wat er is.
Deze dingen overkwamen hen als type en het werd geschreven tot attendering van ons. Dat is eigenlijk de letterlijke weergave: om ons daarop attent te maken. Ja, het is hen overkomen om ons attent te maken, om ons erop te attenderen, ons ervan bewust te maken en ons erop te wijzen, zodat we de les die daarin besloten ligt ter harte zouden nemen.
Want de einden van de aeonen hebben ons bereikt. Oei, over alleen al deze term zou je met gemak een hele serie Bijbelstudies kunnen houden. Maar in ieder geval: in de gewone vertalingen staat voor 'aeonen' vaak 'eeuwen', maar dat zijn geen tijdperken van honderd jaar; het zijn wereldtijdperken. Welnu, in Christus bereiken alle aeonen hun doeleinde. Het hele idee dat een aeon een eeuwigheid is... het is heel gek, maar ik kan het niet nalaten. Sommigen noemen dat een stokpaardje van André Piet; zij het dan maar zo. Maar een aeon is geen eeuwigheid. Dat is buitengewoon belangrijk. Zo wordt het in onze vertalingen meestal vertaald: er staat 'aeon' en men maakt er 'eeuwigheid' van. Maar ik zal u vertellen: het kenmerk van een eeuwigheid is, tenminste in ons spraakgebruik, dat het geen einde heeft. Toch? Een eindeloze eeuwigheid. "Het duurde een eeuwigheid," zeggen we, en dan bedoelen we dat het eindeloos was. Maar in de Bijbel hebben aeonen zowel een begin als een einde. Dus het hele idee van eeuwigheid? Parkeer het maar. Zet het niet in de ijskast – dat doen ze in Den Haag wel met allerlei dingen – nee, gooi het maar in de kliko.
De einden van de aeonen hebben ons bereikt in Christus. Daarom zegt Paulus: "Laat wie meent te staan, uitkijken dat hij niet valt." Want de vraag is: waarop sta je? Of eventueel: waarin sta je? Sta je op de genade of sta je op eigen werken? En wanneer blijkt dat? Dat komt uit de verf en komt aan het licht als er stormen komen, van welke aard dan ook. Paulus heeft er zojuist een paar genoemd. Als de verleidingen en de beproevingen op je afkomen, waarop kun je dan staan? Dat is de vraag. Op het moment dat je denkt te staan, maar je bent eigenlijk gegrond in je eigen ideeën of in de wijsheid van de wereld, of je hebt een goed geloof in je eigen prestaties of die van je medestrijders en medegelovigen... dan is het allemaal vlees en ziels. Het is heel begrijpelijk hoe zulke misverstanden kunnen bestaan, maar dan meen je slechts te staan. Zorg dat je niet valt. En dat kan alleen als je stevig staat en een solide bodem hebt.
Beproeving en Gods Trouw: Zien op de Gegarandeerde Uitkomst ↑ hoofdstukken
Paulus zegt dan in vers 13... Het is een wat letterlijke vertaling, daar bent u van me gewend. U ziet het in de interlineair die eronder staat. Als je helemaal achterin zit, zie je het misschien niet, want daar is de tekst net even te klein voor, maar hij zegt: "Geen beproeving heeft jullie bevangen dan alleen menselijke." Het idee is: denk nou niet dat de beproevingen die op jullie afkomen uniek of onmogelijk zijn. Paulus had zojuist een paar voorbeelden gegeven uit de woestijnreis van Israël destijds, waar ook zij als Korintiërs — en ik zou zeggen wij als Hagenezen hier anno 2022 — net zo goed mee te maken hebben. Wat dat betreft verandert er niet veel; al dat soort beproevingen en verzoekingen zijn menselijk. Hij zegt: "Geen beproeving heeft jullie bevangen dan menselijke," en vervolgt: "God nu is trouw."
Dat betekent gewoon dit: we zingen het toch zo vaak? Groot is Uw trouw. Dat betekent dat je op Zijn trouw kunt aanstaan. Hij is trouw; Hij doet wat Hij zegt en Hij zegt ook wat Hij doet. Hij is te vertrouwen, dat is wat betrouwbaar betekent. Van Hem kun je altijd op aan. Dat wat Hij gesproken heeft en wat Hij heeft laten optekenen in de Schriften, dat is vast en solide. God is trouw. Denk dus niet dat de verzoekingen die op je afkomen te zwaar zijn en dat je die niet aan zou kunnen, want God is trouw. Je kunt altijd staan op dat wat Hij belooft. Hij geeft altijd wat nodig is. Hij geeft vandaag niet wat morgen nodig is. Hoort u wat ik zeg? Want sommige mensen zeggen: "Ja, maar er zijn bepaalde omstandigheden die ik nu echt niet aan zou kunnen." Nee, maar God geeft, zoals dat vroeger werd gezegd, kracht naar kruis. Hij geeft vandaag kracht om te leven en geeft morgen stervensmoed. Hij geeft wat nodig is, altijd en genoegzaam. God is trouw.
Hij zal ook niet toelaten dat je boven vermogen verzocht wordt. Je kunt altijd in Zijn weg gaan. Dat is toch geweldig, dat je daar vast op aan kunt. Nu is er een probleempje waar ik jaren geleden mee geconfronteerd werd en waar ik eigenlijk wel blij mee ben. Er staat namelijk in 2 Korintiërs 1 vers 8, aan dezelfde Korintiërs geschreven, dat Paulus vertelt over zijn eigen ervaringen en zegt: "Wij werden boven vermogen belast." Hij zegt zelfs dat hij vreesde voor zijn leven. Maar dan heeft hij het over verdrukking en over het gevaar van de dood dat hen bedreigde. Dat zijn dingen waarop je boven vermogen belast wordt. Dat kan wel, en ik hoop dat u het verschil ziet. Dat je boven vermogen belast wordt, dat je dingen te dragen krijgt — met name fysiek, zoals ziekte of door verdrukking, ik bedoel echt vervolging — dat overleef je soms niet. Als je overlijdt aan een ziekte, komt dat omdat de draaglast van de ziekte je draagkracht, namelijk je gezondheid en je weerstand, overtreft. Dan ga je "een zakje door je hoeven". Dat is eigenlijk wat we allemaal zijn: stervelingen. We leven wel, maar we worden voortdurend bedreigd door de dood. Dat kan dus wel; Paulus spreekt daar ook over.
Maar hij heeft het hier in 1 Korintiërs 10 niet over belasting boven vermogen. Dat kan wel degelijk gebeuren, maar ook dan is God degene die geeft wat nodig is — kijk maar na in 2 Korintiërs 1 hoe Paulus daarvan getuigt. Hier zegt hij echter dat we niet boven vermogen verzocht of beproefd worden. Beproeven en verzoeken zijn eigenlijk twee kanten van één medaille. Het is een verzoeking voor ons, maar van Gods wege is het een beproeving om de test te doorstaan. Een storm is een beproeving in die zin dat het uittest hoe stevig de dingen zijn. Van de week hadden we het erover; als je een paar stormen achter elkaar hebt, dan blijft alleen staan wat stevig is. Bij die eerste zware storm waait alles weg wat rammelt, dakpannen die niet goed vastzitten of spullen in de tuin. Als er dan vervolgens weer een storm komt, is de schade niet zo groot, want alles wat niet tegen de storm kon, is al gevallen. Het test en beproeft de dingen. Dat is trouwens heel positief. Ik zeg niet dat het leuk is, maar het is wel heel positief.
God is trouw en Hij zal niet toelaten dat jullie beproefd worden boven vermogen, maar Hij zal samen met de beproeving — of verzoeking — ook zorgen voor de uitkomst. Niet voor een uitweg trouwens, dat is wat anders, alsof je aan de beproeving zou ontsnappen. Nee, dat is het idee niet. Als de beproeving daar is, dan is daar altijd Hij die trouw is, want Hij wijst op de uitkomst. En de uitkomst, dat is de afloop, het resultaat of het rendement. Er zijn allerlei termen die je daarvoor kunt gebruiken, maar dat is waar het om gaat: wat is de uitkomst ervan? Het resultaat onder de streep. Dat is waar Hij altijd op wijst. In feite is die uitkomst Zijn belofte. Er is een mooie term of een mooi spreekwoord in dit verband: God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst. En dat is die uitkomst.
Als je daar nu altijd op gericht bent, op die uitkomst gefocust bent, dan zorgt Hij met de beproeving ook voor de uitkomst, zodat jullie het kunnen doorstaan. Daar heb je het weer: zodat jullie het kunnen doorstaan. Dat betekent ook dat je het kunt weerstaan, dat je weerstand hebt. Hoe heb je geestelijk weerstand? Hoe kun je al die stormen en beproevingen doorstaan? Dat kan alleen als je staat op Zijn trouw. Ik noem een paar voorbeelden die ik er vrij willekeurig bij heb gehaald. Denk aan Jozef in het huis van Potifar. Hij werd verzocht, dat weten we, maar Jozef had een droom van Gods wege. Hij wist van die scepter. Hoe kon Jozef in die tijden dat allemaal doorstaan? Omdat hij zijn ogen gericht had op de uitkomst. Dat maakt het verschil. Of denk aan Abraham toen hij Izaak moest binden, zoals de Joden dat benoemen, of een Rachab die de verspieders opnam. De Hebreeënbrief zegt: door geloof. En geloof wil zeggen dat je staat op wat God gezegd heeft. Hij heeft gesproken, Hij heeft beloofd en Hij zorgt ook voor de uitkomst. Hij garandeert dat. Dat is niet afhankelijk van wat wij ermee doen; het is de beloofde uitkomst en dat is de enige grond waar je werkelijk op kunt staan. Dat doet Hij altijd.
De conclusie is dus: staande blijven, doorstaan en de dingen weerstaan in alle verzoekingen en beproevingen kan uitsluitend — let op: uitsluitend — door te staan op Gods Woord en Zijn belofte. Door te beseffen dat Hij trouw is en betrouwbaar, en door zo te zien op de uitkomst die gegarandeerd is. Want Hij heeft gesproken, en dus doet Hij het ook.
UltimateGoodNews