GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Psalm 139 (1)

22-07-2018 - Geplaatst door Andre Piet
toespraak gehouden op zondag 22 juli 2018 in Den Haag

Psalm 139 behoort tot de allerbekendste psalmen. Vooral beroemd om de dichterlijke beschrijving van het wonder dat plaatsvindt in de moederschoot. Deze psalm bezing GOD in zijn alwetendheid, alomtegenwoordigheid en almacht. Maar wist u dat deze psalm ook in hoge mate profetisch van inhoud is en vooruitwijst naar de Zoon van David?

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze Bijbelstudie behandelt de eerste helft van Psalm 139 en benadrukt de volmaakte eigenschappen van God: Zijn alwetendheid, alomtegenwoordigheid en almacht. De psalm toont een indrukwekkende literaire structuur waarbij het begin en einde met elkaar overeenkomen. Daarnaast wordt uitgelegd hoe de psalm ten diepste profetisch wijst naar de Zoon van David, Jezus Christus. Hierbij komen aspecten zoals Zijn opstanding, hemelvaart en huidige positie onder de natiën aan bod.

“Als je eenmaal weet dat God God is, dan weet je alles.”

Introductie en de Onpeilbare Rijkdom van Psalm 139 ↑ hoofdstukken

Een hele goedemorgen, allemaal. Beste vrienden, en inderdaad, zoals Peter zojuist al aankondigde, hebt u vandaag met mij van doen, maar over twee weken opnieuw. Dat creëerde voor mij de gelegenheid om een psalm te bespreken die ik in één keer heel moeilijk kan behandelen, omdat deze nu verdeeld is over twee samenkomsten. En dat moet wel goed te doen zijn, denk ik. Het is inderdaad Psalm 139.

Een prachtige psalm, ook een van de allerbekendste. De bekendste zal het in ieder geval niet zijn, want dan denk ik aan Psalm 23. Ja, Psalm 23 was ook de psalm die ik in gedachten had, maar Psalm 139 staat ongetwijfeld ook wel in de top vijf, denk ik. Het is de psalm die vooral ook bekend is vanwege de prachtige, poëtische beschrijving van dat wonder dat plaatsvindt in de moederschoot. Vandaar ook dat plaatje wat u hier ziet op de titelpagina.

Het is ook een psalm waar ik recentelijk nog erg sterk mee van doen had. Het was afgelopen vrijdag, toen mocht ik een begrafenisdienst leiden. Boven de rouwkaart van de betrokkene stond ook een tekst uit Psalm 139. Het was een psalm die voor deze vrouw enorm kostbaar was. Ik herinner me nog heel goed – we hebben het zojuist in de auto gememoreerd – dat toen we vorig jaar januari aan het sterfbed van mijn schoonvader stonden, we vlak voor zijn overlijden nog met elkaar deze psalm hebben gelezen.

Een psalm die ons zo geweldig bepaalt bij wie God is en als God zijnde. Namelijk in al Zijn goddelijke eigenschappen: degene die alles weet, degene die overal is, zoals we zojuist ook zongen. Degene die altijd degene is wiens naam is: Ik ben er. Maar ook degene voor wie niets onmogelijk is. Ik wil straks ook laten zien hoe deze eigenschappen in deze psalm naar voren gebracht worden.

De Literaire Structuur en Gods Volmaakte Eigenschappen ↑ hoofdstukken

Laat ik eerst eens wat vertellen over deze psalm in het algemeen, over hoe je de psalm in de Bijbel aantreft. Wanneer je specifieker gaat kijken naar hoe deze is opgebouwd, dan zie je een schitterende structuur en die wil ik u graag laten zien. Dat is het grote voordeel van PowerPoint, want als ik dat allemaal puur met de mond duidelijk zou moeten maken, dan spreekt dat niet zo tot de verbeelding. Dit is de psalm in zijn totaliteit. U ziet dat ik in de weergave iedere keer inspring, ook bij het centrale gedeelte. In dit geval is dat vers 7 tot en met vers 16. Dat gedeelte staat centraal, maar het is ook het punt waar alles in deze psalm naartoe wijst.

Laat ik u het een en ander tonen. Als je naar het begin en het einde kijkt – u ziet hier die rechte lijn – dan zie je dat het begin en het einde met elkaar overeenkomen. Het thema daarbij is doorzocht, onderzocht en gekend. U kunt dat in uw eigen bijbeltje nalezen, want in de tekst op het scherm is het misschien wat klein afgebeeld, maar daar zie je het heel duidelijk. "U doorzoekt en kent mij", staat er in vers 1, maar aan het einde van de psalm klinkt het weer: "Doorzoek mij en ken mijn hart". Dat valt zo samen, zodat je ziet dat het begin overeenkomt met het einde.

Vervolgens zie je het tweede deel: Davids gedachten en wegen. Ook het voorlaatste deel van de psalm komt daar weer mee overeen, namelijk dat wat David in zijn gedachten heeft, maar ook het gebed voor de weg die God met hem gaat. Daarna volgen Davids woorden. Dit gedeelte waar de rechte lijn naartoe wijst, vers 20, gaat over de woorden van de goddelozen.

Dan zien we God die belegert, die hem omgeeft. Zo staat het in onze NBG-vertaling weergegeven, maar letterlijk staat er "belegert". God belegert, maar aan de andere kant stelt Hij ook terecht. Dat is de negatieve kant van diezelfde waarheid. Vervolgens komen we bij Gods gedachten, die te hoog en te veel zijn om te vatten, te bereiken of werkelijk te kennen. "Wonderbaarlijk is die kennis", staat er in vers 6, maar in vers 17 klinkt het: "Hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten, God, hoe machtig veel de sommen daarvan!"

Tenslotte is er het centrale gedeelte, dat weer uiteenvalt in twee delen. Ik heb dat hier in het rood weergegeven. Enerzijds ziet God David, de psalmist en de ik-figuur, overal. Maar de andere helft van dit centrale gedeelte laat zien dat God David al tevoren zag, namelijk in de moederschoot. Hier laat ik het nog een keer zien: God ziet David overal waar hij ook heen zou gaan, en hier ziet God David al tevoren, toen hij nog niet eens geboren was.

Dat is de wijze waarop deze psalm is opgebouwd. Het is dus niet zomaar een losse verzameling van geweldige waarheden; er zit een structuur, een opbouw in. Die opbouw bevestigt altijd weer zo prachtig de goddelijke inblazing, de inspiratie van de psalmist. Zoals ik zojuist al zei, belicht en bezingt deze psalm op een geweldige wijze wie God is in Zijn godheid, het feit dat Hij werkelijk God is.

Laat ik dat laten zien; het valt uiteen in drie delen. De eerste vier verzen gaan over het feit dat Hij alwetend is. Dat is een term die weliswaar zo niet in de Bijbel staat, maar die wel voor het oprapen ligt als samenvatting: Hij kent alle dingen, zelfs van verre; Hij weet alles. Vanaf vers 5 tot en met vers 12 zien we wat we noemen Zijn alomtegenwoordigheid. Dat wil zeggen dat Hij overal present is. Waar ik ook ben, Hij is er. Dat is zelfs Zijn naam: "Ik ben er".

Vanaf vers 13 tot en met vers 18 wordt Zijn almacht beschreven, het feit dat voor Hem werkelijk niets onmogelijk is. Dit zijn echt de grote eigenschappen die Hem als God onderscheiden. Op niemand anders is dat van toepassing. Hij is de enige die inderdaad alles weet, de enige die overal werkelijk present is, en Hij is degene voor wie niets onmogelijk is. Dat is Zijn almacht. Dat bepaalt ons bij het feit dat Hij werkelijk God is. Het laatste deel van de psalm is, als je het zo beziet, een aanhangsel.

De Koorleider: de Toon Gezet in Majeur Door de Zoon van David ↑ hoofdstukken

Nou, dan wordt het tijd om het eens wat nader te bezien en de meest systematische manier is natuurlijk om dat gewoon vers voor vers te doen. Ik noem het maar vers voor vers, want als ik nou had geschreven 'pervers', dan had u weer wat anders gedacht natuurlijk, hè?

En dan beginnen we bij vers 1 uiteraard: "Voor de koorleider", zoals psalmen zo heel dikwijls beginnen. Dat is degene die voorgaat in de zang. Als je het zo zegt, dan bepaalt dat je ook, als je tenminste enigszins op de hoogte bent van de boeken van de psalmen – want ik noem het graag zo, want de psalmen zijn niet één boek, het zijn vijf boeken. Dat kunt u ook gewoon in uw eigen bijbeltje zo nalezen. Bij Psalm 42 begint bijvoorbeeld het tweede boek der psalmen. In totaal zijn het vijf boeken. Maar vele psalmen zijn gewijd en gericht aan de koorleider. Dat is degene die de zang leidt, degene die voorgaat in de zang of degene die de zang zelfs aanheft.

Waarom vind ik dat zo bijzonder? Wel, omdat dat direct doet denken aan Psalm 22, ook een psalm van David. Dat is de psalm misschien wel bij uitstek die zo direct profetisch is en gaat over de Zoon van David. Daar staat eerst gesproken over het lijden en het sterven van de Zoon van David. Dat is die psalm die begint met: "Mijn God, mijn God, waartoe hebt U mij verlaten?" Dan krijg je halverwege de psalm een wending en dan lees je dat daar staat: "U hebt mij geantwoord." Vervolgens staat er in vers 22 – makkelijk te onthouden, Psalm 22 vers 22: "Ik zal Uw naam aan mijn broeders verhalen en in het midden van de gemeente" – de volksvergadering – "zal ik U prijzen." Wie is de koorleider? Wie is degene die voorgaat in de zang? Wie is degene die de toon zet? Dat is een mooie manier om het te formuleren.

Waardoor is er reden om te musiceren? Dat is eigenlijk wat het woord 'psalm' betekent; een lied dat begeleid wordt met een instrument, misschien meer specifiek nog een snaarinstrument. Waardoor is er reden om te musiceren? Wel, omdat er één is die de toon heeft gezet. "Daar juicht een toon", dat is inderdaad Psalm 22. Hij heeft geantwoord. Hij brengt leven uit de dood voort. Daar is de toon gezet in majeur. U weet wat majeur betekent? Ik ben helemaal niet muzikaal, maar ik heb me ooit laten vertellen dat majeur de grote terts betekent, en dat betekent letterlijk dat er een verhoging plaatsvindt bij de derde. Wij zijn niet in mineur, wij zijn in majeur. Daar is iemand die de toon heeft gezet en die op de derde dag verhoogd werd en die sindsdien de toon aanheft. Eerst in een gemeente, vervolgens in een grote vergadering – u kunt het ook wel in Psalm 22 nalezen – en uiteindelijk zelfs onder al de natiën. Die kring wordt steeds wijder daar in die psalm. Nou, daar moet je zoal aan denken bij de koorleider. Het gaat over de Zoon van David.

En dan nog iets anders. Er staat "Davidisch". Dit staat niet zo in uw vertaling, maar er staat letterlijk... De tekst zoals ik hem weergeef, is een wat letterlijke weergave, zoals u dat van mij gewend bent. Het sluit aan op de interlineair, de woord-voor-woordweergave. Er staat namelijk meestal "een psalm van David" en dat zal ongetwijfeld het geval zijn, maar je zou ook kunnen vertalen "een psalm voor David" of "aan David toebehorend". Op een of andere wijze gerelateerd aan David. Het voorzetsel is vrij breed en kan allerlei dingen betekenen, vandaar dus Davidisch. Dat wil zeggen: het heeft het karakter van David, om welke reden dan ook.

Maar Peter zei het zojuist al in zijn aankondiging: deze psalm gaat ten diepste en ten hoogste ook over de Zoon van David. Dat is wat ik vandaag, maar over twee weken opnieuw wil laten zien. Vooral omdat het namelijk heel onbekend is dat deze psalm ten diepste ook over de Zoon van David gaat. En dat geldt trouwens niet alleen voor het tweede gedeelte van de psalm, maar ook voor het eerste gedeelte. Ik wil het graag laten zien. Laat ik eerst eventjes zo in het algemeen beginnen, voordat ik dat later in detail ook ga tonen.

Het Chronologische Spoor van Christus in Psalm 139 ↑ hoofdstukken

Laat ik dat ook in het algemeen even laten zien en dan doe ik dat chronologisch. Dan beginnen we bij de moederschoot. Overigens gaat deze psalm profetisch over de Zoon van David. Dat zou u niet moeten verbazen, want dat staat op zoveel plaatsen in de Bijbel. David schreef weliswaar in de ik-vorm, maar Petrus zegt bijvoorbeeld op de Pinksterdag dat dit niet echt over David gaat. David zegt bijvoorbeeld in Psalm 16: "U laat mijn ziel niet over aan het dodenrijk en mijn gebeente zal geen ontbinding zien." Nu, zegt Petrus dan op het tempelplein, Davids graf is bij ons en inmiddels is het duizend jaar verder en zijn gebeente heeft wel ontbinding gezien. Maar, zegt hij, het gaat niet over David. Het gaat over de Zoon van David die duizend jaar later zou komen. Dat is in het algemeen zo, en dat geldt voor deze psalm ook. Dat wil ik vandaag en over twee weken heel graag eens laten zien: hoe deze psalm zijn vervulling vindt. Soms impliciet, dat wil zeggen meer indirect, maar soms ook heel exclusief en direct heeft het betrekking op de Zoon van David.

Dit gedeelte van vers 13 tot en met vers 16 gaat over de Zoon van David in de moederschoot. Ik ga het nu nog niet toelichten, dat komt de volgende keer. Vervolgens gaat vers 2 tot en met vers 7 over de Zoon van David in zijn wandel hier op aarde en ook over zijn lotgevallen, over dat wat hem overkwam toen hij aan het kruis hing. "Zou ik het dodenrijk tot mijn slaapplaats maken of tot mijn sponde maken? Zie, U bent daar." En zou ik zeggen: "De duisternis kwetst mij, pijnigt mij of overvalt mij," dan licht de nacht om mij heen. Met andere woorden, dat gaat over die duisternis. David zegt het hier nog hypothetisch: "Al zou dat gebeuren..." Dat lijkt misschien soms wat gezwollen taal, maar het is niet gezwollen. Het zou gezwollen en overdreven taal zijn wanneer het over David zelf zou gaan, want bij hem is dat nooit zo vervuld. Maar het is wel heel letterlijk en concreet vervuld in de Zoon van David, die inderdaad ooit meemaakte dat de duisternis hem overviel. En zelfs toen was daar het licht van Gods Woord.

Aan het kruis, maar ook zijn opstanding wordt hier bezongen in allerlei gedeelten. We zullen het straks ook meteen zien. Hij kent mijn zitten, maar ook mijn opstaan. "Zou ik de vleugels van de dageraad dragen?" Ook dat gaat over de opstanding. Ik laat het zo zien in deze PowerPoint en ik ga het ook op mijn website zetten, dus dan kunt u het allemaal nog eens een keertje misschien wat preciezer bekijken, want het is buitengewoon boeiend om dat zo te belichten. Zelfs over zijn hemelvaart wordt er gesproken. David zegt: "Zou ik ten hemel opstijgen, U bent daar." Maar in de echte David – dat betekent trouwens 'geliefde', de ware David, de Zoon van David – is dat werkelijkheid geworden; Hij is ten hemel opgestegen. En dat Hij nu onder de natiën is, aan Gods rechterhand, zelfs dat wordt hier naar voren gebracht.

En tenslotte het slot van deze psalm: dat gaat over dat wat Hij zal gaan doen in de dagen van zijn terugkeer, van zijn parousia, als Hij zal ingrijpen in het wereldgebeuren en de haters van God en al zijn vijanden zal tenietdoen en teneerslaan. Dat is dan het slot van deze psalm, zodat je in een oogopslag ziet dat deze psalm in zijn totaliteit gaat over David, jawel, maar dat is de Zoon van David. Straks in detail laat ik het nog wat specifieker zien; dit lijkt me even genoeg om zo als geheel een indruk te hebben gegeven. Oké, we gaan weer eventjes verder om de psalm in detail te bezien.

Vers 1-4: Gods Alwetendheid en het Louterende Wannen van Ons Pad ↑ hoofdstukken

En dan die woorden: "U doorzoekt en kent mij." Ik zal er vaak op wijzen hoe dit met name zijn vervulling vindt op het hoogste niveau in de Zoon van David, maar ik moet er meteen bij zeggen dat ik daarmee niet de indruk wil wekken dat deze psalm niet ook in het algemeen van toepassing gebracht kan worden op de mens, op u en mij, en op degene die gelooft. Daar heb ik helemaal geen enkel bezwaar tegen, integendeel. Want er zijn van die waarheden die hier naar voren gebracht worden, bijvoorbeeld in dit vers: "U doorzoekt en kent mij." Gij doorgrondt en kent mij. Dat is een waarheid die voor u, voor mij en voor jou geldt. Er is Eén die mij kent, werkelijk kent. En sterker nog, Hij doorgrondt. Hij doorzoekt mij tot op het bot, zoals we dat dan noemen. Ten diepste. De motieven die we zelfs niet eens van onszelf kennen, laat staan van een ander, die kent Hij. Dat is een onbegrijpelijke gedachte. Er is niemand die mij zo kent als Hij. We zeggen wel eens: "Wie kent mij beter dan ikzelf?", maar dat is niet waar. Er is er één, de Schepper, die kent mij. En die doorzoekt mij, die proeft als het ware... Dat staat ook in een psalm: Hij proeft de nieren, het diepste motief. Een mens kan zichzelf ook een heleboel dingen wijsmaken, waarmee trouwens maar gezegd is dat een mens zichzelf niet kent. Als je jezelf werkelijk zou kennen, dan zou je jezelf niet zomaar iets wijs kunnen maken. Nee, maar mensen kunnen dat echt hoor, waarvan ze zouden denken of zelfs zouden zweren van: "Nee, het is zo."

Als ik het zo zeg, dan moet ik meteen denken aan Petrus, die ook dacht van: "O nee, zeker, ik zal U niet verloochenen." En in no time had hij het al drie keer gedaan. Waarmee ik maar wil zeggen: Petrus dacht zichzelf zo goed te kennen, maar dat was helemaal niet waar. Maar Hij, God, doorzoekt en kent mij. "U kent mijn zitten en mijn opstaan." Dat wil zeggen, eventjes gewoon in het algemeen genomen: waar ik ook ga, of ik nu zit of ik sta, U begrijpt mij. "Van verre mijn gedachten." We zeggen wel eens dat je gedachten kunt lezen, waar we trouwens ook heel slecht in zijn hoor. Ja natuurlijk, als je iemand goed kent, dan weet je bij één oogopslag al veel en de lichaamshouding maakt je al een heleboel duidelijk. Maar kijk uit, want je kunt zomaar verkeerde conclusies trekken. Ja, daar zou ik wel aardige voorbeelden van kunnen geven, maar laat maar. Er is er één die ons niet alleen maar kent – dat vind ik trouwens ook een geweldige troost – die ons ook begrijpt. Als mensen je misschien volkomen ten onrechte onbegrip tonen, dan is er één die jou kent, doorzoekt, jouw motieven kent en jou ook begrijpt. En er staat zelfs: "van verre". Dat kun je trouwens op twee manieren opvatten. Je kunt het ruimtelijk opvatten, gewoon op afstand al, maar je kunt het zelfs ook in tijd, chronologisch opvatten. Dat wil zeggen: ver van tevoren. Kent Hij mij? Dat is wat hoor. Dat iemand mij kent en zelfs begrijpt, zelfs voordat ik mijn gedachten had. Nou, dan moet je er scherp voor wezen, dan moet je echt dé God voor zijn. Nou, dat is degene die David hier pakweg 3000 jaar geleden aansprak: "U, mijn God, U kent en U begrijpt mij, van verre mijn gedachten."

"U schift mijn pad en bedstede." Ja, ik zei al, deze weergave is wat afwijkend soms van wat in de vertalingen staat, maar toch wil ik er graag even op wijzen. Want ja, dat is een groot voordeel als ik dat dan zo ook kan presenteren. Dan gaan we eventjes naar de grondtekst, zoals David het echt ook geformuleerd heeft. In de NBG-vertaling staat: "U onderzoekt mij." En in de Statenvertaling weet ik het even niet uit mijn hoofd. Maar hier wordt een woord gebruikt: schiften. U zegt: "Ja, ik wil liever niet geschift zijn", misschien, maar in dit geval graag zelfs! "U schift mijn pad." Hier staat een woord dat elders wordt weergegeven met wannen, bijvoorbeeld in Ruth 3. Dat is de bekende geschiedenis van Boaz. Dat was trouwens de overgrootvader van David, die ook al in Bethlehem woonde. En van Boaz lees je dat hij bezig was te wannen. Wannen betekent letterlijk graansuiveren, je ziet het hier op een plaatje. Dat is een beetje een ouderwetse manier, want tegenwoordig gaat het allemaal machinaal natuurlijk, maar van oudsher was wannen het graansuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen. Het idee daarbij is dat de graankorrel dan valt, want die heeft gewicht en valt dan op de dorstvloer. Maar als er dan een wind staat, dan wordt het kaf dat heel licht is en nauwelijks iets weegt, weggeblazen. En dan houd je dus de graankorrel over. Dat is wat wannen is. Dat is wat deze man hier ook doet. Je hebt dus enigszins wind nodig – of veel wind, dat weet ik eigenlijk niet, ik heb er verder geen verstand van, maar dit is gewoon de definitie van wannen.

Het is trouwens een prachtig beeld voor wat de Heer ook doet. Het staat hier ook: "U schift mijn pad." Ik had ook kunnen zeggen, alleen klinkt het in het Nederlands een beetje raar: "U wandt mijn pad en bedstede." Ja, maar dat is wel wat er staat: wannen. Want moet u zich voorstellen wat de Heer met ons doet: Hij gooit ons omhoog. Dat is wat wannen is: graan omhoog gooien. En wat doet Hij dan? Het is eigenlijk een prachtige beschrijving van wat heiliging is. Dat wil zeggen, Hij heiligt ons. En hoe doet Hij dat? Wel, Hij richt ons omhoog. En dan vervolgens is het de wind, een type van de Geest – pneuma, ruach, Godsgeest – die dan vervolgens het kaf, alles wat geen waarde heeft, wegblaast in ons leven. U ziet, Hij richt ons op. Hij is de ware Boaz, om zo te zeggen. Hij want ons, Hij richt ons omhoog, en vervolgens is wat er gebeurt dat Zijn Geest het kaf wegblaast. U ziet trouwens daarin ook dat heiliging geen mensenwerk is. Dat is wat Zijn Geest in ons doet. Hoe gaat dat? Dat klinkt misschien wat ongrijpbaar; als je het over wind en geest hebt, dan heb je het al gauw over dingen die onzichtbaar zijn. Want wind zie je niet, maar je ziet wel het resultaat. En dat zie je hier ook: het kaf wordt weggeblazen. Dat is wat de Heer in ons leven doet. Hij richt ons omhoog, en door ons omhoog te richten, is het de Geest vervolgens die het kaf wegblaast. En wat erover blijft, dat is het. Dit is nou echt het scheiden van het kaf van het koren. Dat is wat wannen is, en dat is wat de Heer ook doet: "U schift mijn pad", dat wil zeggen, U want dat.

Het is een prachtige gedachte wat de Heer dus aan ons doet. En uiteraard, hoe anders dan door Zijn Woord? Hij richt ons omhoog. Maar hoe richt Hij ons omhoog dan? Wel, Hij geeft Zijn Woord. Hij spreekt, en daardoor worden we georiënteerd op wie God is en op wat Hij te melden heeft. En dat is het. Vervolgens is het de Geest – we hebben dat niet in de gaten, dat hoeft ook helemaal niet – die ons omhoog richt, en dan is het vervolgens de Geest die het kaf wegblaast, zodat er van het kaf helemaal niks overblijft. Dat is wat de Bijbel dan het "vlees" noemt. Dat is de buitenkant eigenlijk, dat is kaf. Kaf is gewoon de omhulling en waar het om gaat is wat erin zit, de binnenkant. Er zijn ook andere beelden voor waar je dan ook aan moet denken; eigenlijk is het scheiden van kaf en koren een soortgelijk proces als de besnijdenis, waarbij ook de omhulling wordt weggenomen en de vrucht blijft. Nou ja, dat soort dingen. Zo zie je, als je de psalm zo gaat bespreken, dan heb je aan twee samenkomsten niet genoeg hoor. Dan gaan we heel erg in detail.

Maar ik wilde u dit toch graag vertellen: "U schift mijn pad en bedstede". In de NBG staat "mijn gaan en liggen"; daar komt het in de praktijk op neer. Die vertalingen geven het dan weer als werkwoord: "mijn gaan en liggen". Maar letterlijk is het een zelfstandig naamwoord: mijn pad en mijn bedstede, of de plaats waar ik lig, het bed. En in al mijn wegen hebt U voorzien. Hij is het die, als ik mijn pad ga of als ik neerlig, wanneer dan ook, mij oriënteert op Hemzelf. Daardoor voltrekt Hij ook de schifting in mijn leven.

"En in al mijn wegen hebt U voorzien." Niet "bent U vertrouwd", hier staat letterlijk het woord voor "voorzien". Dat vind ik nog veel mooier. En u ongetwijfeld ook, want dit staat al zo'n dertig jaar voor mij vast: de HEERE zal voorzien. Ik zeg het er weer even bij: hier is in de eerste plaats en in de hoogste zin ook de Zoon van David die terugkijkend vaststelt: "Ja, U o God, U kent mij en U want mij." Ik zal er niet altijd expliciet op wijzen, maar ik wil u graag als suggestie aanbevelen om deze psalm inderdaad Christocentrisch te lezen.

Dat wil zeggen dat u zich in alles de vraag stelt: hoe spreekt dit van Christus? De ik-figuur is in feite Christus zelf, die ook zei: "Heer, hier ben ik, in de boekrol staat over mij geschreven en U voorziet in alles." U geeft wat ik nodig heb. "En in al mijn wegen hebt U voorzien." God voorziet. Dat betekent niet alleen maar — trouwens, vanuit deze psalm gezien — dat Hij het van tevoren ziet. Dat is wat voorzien ook betekent. Maar voorzien betekent in onze taal vooral ook de beschikkingen treffen, de dingen van tevoren zo regelen zodat je inderdaad voorzien bent. In die zin dus. Dat woord "voorzien" is dubbelzinnig.

Want vers 4 zegt: "Er is geen uitspraak op mijn tong of zie, JAHWEH, U weet er alles van." JAHWEH is de Naam: "Ik ben er". Of: "Zie JAHWEH, U weet er alles van." Niet een beetje, niet veel, maar alles. Dus in de gedachte en in het spreken: alles is Hem bekend.

Vers 5-7: Gods Alomtegenwoordigheid en Belegerende Bescherming ↑ hoofdstukken

En dan Gods alomtegenwoordigheid. Ik heb het tussen aanhalingstekens gezet, want het is een wat theologische term, maar ik heb er totaal geen bezwaar tegen. Dat is precies wat Hij is. Hij is overal. Ik moet eraan denken wat Paulus op de Areopagus ook zegt voor dat filosofische publiek dat hij voor zich heeft. Hij zegt dan ook: de God van hemel en aarde, in Hem leven wij en bewegen wij. Waar je ook heen gaat, het is altijd in Hem, want Hij omvat de schepping. Niets gaat buiten Hem om; Hij is God. Vergeet dat nooit: Hij is God.

Daarom is het ook zo'n geweldige waarde. Bij Hem gaat er dus ook nooit iets mis, want Hij weet de dingen tevoren. En omdat Hij de dingen van tevoren weet, kan Hij ook de beschikkingen treffen. Hij heeft alles gewoon perfect, tot in de details, onder controle en Hij geeft het allemaal een plek. Hij is God. Als je eenmaal weet dat God God is, dan weet je alles. Er is geen waarheid die zo fundamenteel is als die hier in Psalm 139 bezongen wordt, namelijk: Hij is God. Dat zijn allemaal hoofdletters; denk daar nooit te klein van. Laat ik het anders zeggen: als je erover spreekt, dan denk je er eigenlijk per definitie als schepsel al te klein van, want je kunt dat niet vangen. Hij is altijd meer, grootser. Dat vind ik ook wel mooi. Als je spreekt over Gods heilsplan en iemand zegt: "Nou, dat lijkt me te mooi om waar te wezen," dan zeg ik: dat kan niet. Onmogelijk. Hij overtreft namelijk altijd onze verwachting. Nooit kan het geloof te veel van Hem verwachten. Sommige dingen zijn eigenlijk heel simpel.

Vanaf vers 5 dus. "U omgeeft mij," staat er in de NBG-vertaling, maar letterlijk staat daar het woord voor "U belegert mij". Dat vind ik eigenlijk nog veel mooier. Het is dus niet alleen dat Hij om mij heen is – dat is waar – maar dat woord "belegeren" heeft ook de gedachte in zich dat Hij mij beschermt. Elders komen we ditzelfde Hebreeuwse woord ook tegen in 2 Koningen 6 en 2 Samuel 20; ik geef zomaar eventjes twee voorbeelden. Ditzelfde woord wordt dan vertaald met belegeren; dat is namelijk de fundamentele betekenis van het woord.

En dan te bedenken: U belegert mij van achteren. Dat is heel erg belangrijk, want aanvallen vinden dikwijls juist van achteren plaats. Een dolksteek in de rug. Maar Hij is het; Hij belegert mij van achteren en van voren. En Hij legt Zijn hand op mij; dat is een gebaar, een embleem van zegenen. U legt Uw hand op mij. Ook voor bescherming trouwens, maar de zegen is juist ook gelegen in het feit dat Hij beschermt. Wat kan mij gebeuren? Hij belegert mij van achteren – wat je trouwens ook in de tijd kunt opvatten, namelijk achteraf – maar ook van tevoren. Dat wil zeggen: in tijd en ruimte omgeeft en belegert Hij mij.

Wonderbaarlijk, zegt David dan, is die kennis. En ja, dat kunnen wij natuurlijk niet zelfs maar bij benadering verstaan met die paar ons grijze hersencellen. Het is allemaal zo beperkt. Wat denken we nou eigenlijk? Wat verbeelden we ons dat we hierin kunnen vatten? Nou, heel weinig. De een heeft een wat groter hoofd dan de ander, wat trouwens ook niks zegt over de capaciteiten, moet ik erbij zeggen, anders denkt u: wat een arrogante jongen. Maar wonderbaarlijk is die kennis, dit is onvoorstelbaar. Trouwens, dat is altijd zo als je het hebt over God en die eigenschappen waar deze psalm dan zo prachtig over spreekt: over Zijn alwetendheid, Zijn alomtegenwoordigheid, Zijn almacht. Dat zijn allemaal eigenschappen die Hem karakteriseren als God, maar Hem ook onderscheiden als God. Hij is de enige God. En dat is precies wat Hem Schepper maakt en ons schepsel. Wij weten niet wat het is om alles te weten. Al ons weten is beperkt, ons kennen is beperkt, ons doorgronden is beperkt en onze presentie is beperkt. We zijn niet alomtegenwoordig en wij zijn ook maar in heel beperkte mate in staat om te doen wat wij willen.

Maar Hij is God en dat is een kennis die zo wonderbaarlijk is. Wonderbaarlijk vind ik in het Nederlands een mooi woord, want het heeft nog te maken met het Engelse woord 'wonder' en dat betekent: je vraagt je af. Je weet gewoon: hoe kan dat? Dat zijn allemaal vraagtekens, heel veel vraagtekens. Hoe kan het? Maar dat hoef je ook niet te weten. Het is voldoende om te weten: Hij is God. Dat ik het niet begrijp, vind ik geen enkel probleem. Sterker nog, het zou een probleem zijn als je het wel begreep, want dat betekent dat het toch kleiner is. Als jij of ik het kunnen begrijpen, dan is het te klein en kunnen we het omvatten. Maar het is juist het overtreffen; het is zo oneindig veel groter dan ik of u, of al die miljarden mensen bij elkaar maar zouden kunnen vatten.

Wonderbaarlijk is die kennis, het gaat mij te boven. Ik kan er niet bij, dat is mooi. Ik kan het niet bereiken. Al ga ik op mijn tenen staan, of pak ik een ladder, of al maak ik een toren die reikt tot in de hemel: ik kan er niet bij. En zelfs de gedachte dat je er wel bij zou kunnen, is al pure hoogmoed.

En dan: waarheen? Ik las in een commentaar – een prima commentaar trouwens, hoor, daar niet van – dat David hier vervolgens vanaf vers 7 daar min of meer satirisch op ingaat om duidelijk te maken dat het hem te groot is. Waarheen zou ik gaan voor Uw Geest? Maar het is niet zomaar in het wilde weg wat dagdromerij. Nee, ik herhaal wat ik zojuist al zei: het gaat over de Zoon van David, en vanuit dat oogpunt wil ik het ook belichten. Waarheen zou ik gaan voor Uw Geest en waarheen zou ik vluchten of wegrennen voor Uw aangezicht?

Er is iemand die dat ooit probeerde: Jona. Die inderdaad probeerde te vluchten voor het aangezicht van de HEERE. Hij ging toen naar de andere kant van de zee, naar Tarsis, dat waarschijnlijk bij Spanje lag (niet Tarsus waar Paulus vandaan kwam). In ieder geval, hij ging naar de andere kant van de zee en hij dacht te vluchten. Maar dat kan helemaal niet. Je kunt niet vluchten voor God. Waar ik ook heen ga, Hij is er. Iemand zei trouwens een keer, en dat vond ik ook wel mooi: het gaat in de eerste plaats in Psalm 139 niet zozeer om het feit dat Hij overal ís, maar de gedachte is: waar ik ook heen ga, dáár is Hij. Dat is een ander accent. Dat betekent dat waar ik ook heen ga, Hij mij nooit kwijt raakt. Hij volgt mij altijd; Hij is er altijd. En zelfs al vlucht ik – de gedachte is te bizar om zelfs te opperen – het is volstrekt ondenkbaar dat je voor Hem zou kunnen wegrennen of vluchten.

Vers 8-12: Slaapplaats in het Dodenrijk en de Vleugels van de Dageraad ↑ hoofdstukken

Zou ik ten hemel opstijgen? U bent daar. Ik ga nu iets doen wat ik zojuist ook al eventjes naar voren gebracht heb, maar nu laat ik de tekst ook zien. Je leest in Handelingen 2 de rede die Petrus heeft gehouden op het tempelplein. Dat was op de dag van Pinksteren en u kent die roemrijke geschiedenis waarbij het talenwonder plaatsvond. Petrus nam daar het woord en citeerde de Schriften. Hij liet zien dat de profeten in de Hebreeuwse Bijbel al over de Christus hadden gesproken. Hij toont dat aan en laat daarbij vooral veel uit de Psalmen zien. In vers 34 zegt hij, naar aanleiding van Psalm 110 – ook een psalm van David – waar God tegen David zegt: "Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gesteld heb tot een voetbank voor uw voeten." Petrus legt uit dat David dit wel zegt, maar dat het over de Zoon van David gaat. Hij zegt immers: "Niet David is omhooggegaan tot in de hemelen, maar hij zegt zelf: de Heer zei tot mijn Heer: zit aan mijn rechterhand." David heeft dat nooit letterlijk gedaan, maar de Zoon van David is wel letterlijk ten hemel opgestegen, als enige trouwens. Er is niemand ten hemel gevaren dan de Zoon des mensen die uit de hemel neergedaald is.

En mocht u nu denken: "Maar Elia dan?", laten we het daar nu even niet over hebben. Dat is weer een ander verhaal. Elia is namelijk gewoon weer op aarde terechtgekomen; hij heeft later vanuit een andere plaats zelfs nog een brief aan een koning geschreven. Maar in ieder geval: David profeteert hier feitelijk over de Zoon van David die inderdaad ten hemel opsteeg. En wat dacht je? Toen Hij daar kwam, wie was daar? God. Hij werd gezet aan Gods rechterhand.

"Zou ik het dodenrijk tot slaapplaats en tot mijn sponden maken." Dat is wel mooi hoor, heel poëtisch. Wie spreekt er tegenwoordig nog over sponden? Een sponde is Oudnederlands voor een slaapplaats. "Zou ik het dodenrijk tot slaapplaats maken." Het dodenrijk is in de Bijbel de plaats waar je niets meer weet, waar je van niets bewust bent; oftewel, de plaats waar je slaapt, wachtend op de tijd dat je ontwaakt en dat je gewekt wordt. Het signaal klinkt: "Opstaan!" Precies zoals dat vanmorgen ook bij u ging. U zit hier omdat u bent opgestaan na de nacht. Je hebt geslapen en vervolgens sta je op. Dat is een prachtig beeld, want de nacht en het slapen zijn een beeld van de dood, en vervolgens sta je daaruit op en breekt een nieuwe dag aan. Denk er maar eens aan als morgenochtend de wekker gaat: "Hé, ik ga opstaan. Een nieuw leven en een nieuwe dag breken aan. de zon komt op en ik mag opstaan." Dat is een beeld van de opstanding. Ik kan u verzekeren dat als je dat als eerste denkt, je meteen met je goede been uit bed staat, want het bepaalt je bij de essentie waar het allemaal om gaat.

"Zou ik het dodenrijk tot slaapplaats maken, zie, U bent daar." Nu citeer ik weer even datzelfde Handelingen 2, waar David door Petrus geciteerd wordt: "Terwijl hij tevoren waarnam, sprak hij aangaande de opstanding van de Christus, dat Hij niet in de steek werd gelaten tot in het dodenrijk, noch zijn vlees ontbinding waarnam." Voor de goede orde: dit is naar aanleiding van een andere psalm, Psalm 16, waar David zegt: "In het dodenrijk verlaat U mij niet en mijn vlees zal geen ontbinding zien." Petrus legt uit dat dit niet over David gaat, maar over de Zoon van David. En dat zie je hier in Psalm 139 ook. "Zou ik het dodenrijk tot slaapplaats maken? Zie, U bent daar." Dat zou ook blijken, want Hij zou namelijk op de derde dag opstaan.

Dat is precies waar ik het nu over wil hebben, want vers 9 spreekt daarover. Eerst de vraag: "Zou ik de vleugels van de dageraad dragen?" De dageraad is een woord dat we niet veel meer gebruiken, maar het is het moment dat de zon opgaat en de dag aanbreekt. Welnu, de dag breekt aan, de opgang van de zon... en die vleugels spreken van opstijgen, opvaren en verrijzen. "Zou ik de vleugels van de dageraad dragen" wil zeggen: "Als ik bij de opgang van de zon verrijs of opstijg..." Dat is precies wat er gebeurde toen de Heer Jezus Christus in het dodenrijk zijn slaapplaats vond. Hij stierf en op de derde dag, bij het aanbreken van de dageraad terwijl de zon opkwam, nam Hij de vleugels. Hij steeg op uit het graf door de kracht van zijn Vader. Dit spreekt dus echt van zijn opstanding. Als je dit zo leest, zou je daar misschien niet direct aan denken, maar daarom is het goed om dit precies te bekijken.

"...en aan het uiterste van de zee verblijven." Dat is trouwens waar de Heer Jezus nu ook is. Als je de zee ziet als een type van de natiën – in de Bijbel wordt de volkerenwereld vaak vergeleken met een onstuimige zee. In het boek Openbaring staat: "De zee die gij zaagt, dat zijn de natiën." Wij spreken daarom ook wel over de volkerenzee. Waar is Hij nu? "Zou ik aan het uiterste van de zee verblijven" betekent: "Zou ik te midden van de natiën zijn?" De opgewekte Christus houdt nu verblijf aan het uiterste van de zee: de kustlanden, de natiën. Dat is de plaats waar Hij nu is. En dan zegt de psalm: "Ook daar zou uw hand mij geleiden en uw rechterhand mij vasthouden." Het is een prachtig type van de opgewekte Christus. Waar is Hij nu? Ergens aan het uiterste van de zee. Niet in het land, maar onder de natiën. Je kunt zeggen dat het er op een verborgen wijze staat; het is immers een verborgen tijd. Maar niettemin verblijft Hij daar nu en tegelijkertijd houdt Gods rechterhand Hem vast. Hij is aan Gods rechterhand. Dat is precies zijn positie nu: onder de natiën en tegelijkertijd aan Gods rechterhand. Paulus zegt in Colossense 1 ook dat de geweldige verborgenheid nu is: "Christus onder jullie natiën, de hoop der heerlijkheid." Dat zijn van die geweldige verborgen schatten in zo'n psalm.

"Ja, zou ik zeggen: de duisternis kwetst mij." In de NBG-vertaling staat: "overvalt mij", maar letterlijk staat er zelfs dat het hem pijnigt. "Zou ik zeggen: de duisternis kwetst mij." Ik denk dat als er één moment is geweest dat iemand op aarde heeft kunnen zeggen dat de duisternis hem overviel, kwetste en pijnigde, dan was dat tijdens die drie uren op Golgotha, even buiten de poorten van Jeruzalem. Toen was er Iemand die tussen hemel en aarde hing terwijl de duisternis Hem overviel en pijnigde, zodat Hij zelfs moest roepen – ook een psalmwoord van David: "Mijn God, mijn God, waartoe hebt U Mij verlaten?" Maar de psalm zegt: "Zou ik zeggen: de duisternis kwetst mij, dan licht de nacht om mij heen." Ook toen was daar het licht van Gods Woord, want ook in die uren van duisternis heeft de Heer Jezus de woorden van de Psalmen, de woorden van God, op de lippen gehad. Je leest in Hebreeën 12 ook dat Hij het kruis en de schande verachtte om de vreugde die voor Hem lag.

veracht heeft. Waarom? Wel, vanwege de hoop die hem voorgesteld was. Ook toen, in die duisternis, had de Heer Jezus, de Zoon van David, het licht van Gods Woord. Hij wist waar Hij het voor deed en Hij heeft het allemaal gedragen; Hij heeft zelfs de schande en de pijn veracht. Zelfs de duisternis is niet donker voor U, en de nacht geeft licht als de dag. Duisternis is als licht.

Kijk, dat is nou typisch; dat zouden we al kunnen weten bij de eerste bladzijde van de Bijbel, in Genesis 1. Wat doet God? Hij brengt licht voort uit de duisternis. "Er zij licht," en er was licht. Dat is Gods Woord. Het was Gods Woord dat de Zoon van God deed opstaan uit de doden, waardoor er onvergankelijk leven sindsdien aan het licht gekomen is. Dat zijn die vleugels van de dageraad. Hij is opgestaan uit de doden en in de nacht is er een licht verschenen.

Duisternis heeft te maken met de dood, toch? In de Bijbel is duisternis zelfs een synoniem voor de dood. "Al ga ik door een dal van schaduwen des doods..." – dan is het Uw stok en Uw staf die mij vertroosten. Maar zoals duisternis een type is van de dood, zo is licht een type van leven. Het licht des levens; licht is leven. Welnu, uit de duisternis is licht verschenen. In dat donkere graf is het licht binnengekomen; toen de zon opging, is het licht doorgebroken. De steen werd weggewenteld en toen werd de duisternis als licht.

Ja, ik zou verder kunnen gaan, maar dat doe ik niet. Want ik zie trouwens ook dat het hoog tijd is om hier nu een punt te zetten. Maar eigenlijk is het een komma, een puntkomma. Want we gaan de volgende keer – over twee weken hoop ik – verder bij vers 13. En dat is inderdaad ongeveer halverwege de psalm. Dus in die zin zitten we puur en mooi op schema. Zullen we het hierbij laten, vrienden?

🎧 Psalm 139 (1)
Delen: