geroepenen – wie zijn dat
21-03-2021 - Geplaatst door Andre Piettoespraak gehouden op zondag 21 maart 2021 in Den Haag
Paulus introduceert zich nogal eens in zijn brieven als “geroepene” en apostel (=afgevaardigd). Daar kunnen we ons iets bij voorstellen. Hij was persoonlijk geroepen op de weg naar Damascus. Maar in zijn brieven noemt hij ook zijn lezers regelmatig “geroepenen”. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Wordt iedereen geroepen? Of is dat een bijzonder privilege en voorbestemming? Zo ja, is het Evangelie dan niet universeel? En wat betekent dan de tekst: “velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren?”. De Schrift geeft antwoorden!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- De Misvatting over 'velen Geroepen, Weinigen Uitverkoren'
- Paulus als Geroepen Afgevaardigde en de Betekenis van Ecclesia
- Een Gekruisigde Christus: Valstrik voor Joden, Dwaasheid voor de Natiën
- De Geroepenen: Zij bij Wie de Roepstem Resoneert
- Romeinen 8: Alle Dingen Werken Mee Ten Goede
- De Gouden Ketting van Gods Voorbestemming
- Ieder in Zijn Eigen Rangorde: de Eerstelingen in Gods Plan
De Misvatting over 'velen Geroepen, Weinigen Uitverkoren' ↑ hoofdstukken
Een hele goedemorgen ook van mijn kant. Vrienden hier in Den Haag, het was exact een maand terug dat ik hier ook stond. Dat was de 21e februari en toen hadden we het over een onderwerp uit de brieven van Paulus: 1 Timoteüs 6, over die uitdrukking: Hij die alleen onsterfelijkheid heeft.
En nu gaan we opnieuw ons bezighouden met wat ik zou willen noemen een nogal sterk Paulinisch thema. Dat wil zeggen: een thema dat in de brieven van Paulus juist nogal een grote rol speelt. Niet exclusief, maar hij heeft het nogal eens over 'geroepenen'. De vraag als ondertitel die ik daarbij heb vermeld is: wie zijn dat nou eigenlijk? En eigenlijk een vraag die daaraan nog voorafgaat is: wat zijn dat dan wel?
Kijk, de standaardverklaring die je daarvoor zou kunnen geven, dat is ook de eerste gedachte die je daarbij zou hebben: wat zijn nou geroepenen? Dat zijn alle mensen die geroepen worden. In het algemeen, als het gaat over de Bijbelse dingen, dan zegt men: allen die de uitnodiging van het Evangelie vernemen. Zij worden geroepen. Dat zegt men dan ook traditioneel, en als ik zeg traditioneel, dan bedoel ik eigenlijk ook vooral de traditie waar ik zelf uit voortkom: de reformatorische, de gereformeerde traditie.
Dan zegt men: ja, 'geroepen' zijn zegt niet alles, want staat er niet ergens geschreven dat velen geroepen zijn, maar weinigen uitverkoren? En daar gaat het dan toch maar om. Die uitdrukking, of dat Bijbelwoord, is gebaseerd op een woord uit de gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal in Matteüs 22. Even voor de goede orde: dat is een gelijkenis die Jezus uitsprak en dat gaat over een koninklijk bruiloftsmaal; het is een type van dat toekomende Koninkrijk dat hier op aarde gevestigd zal worden.
Dan lees je dat de koning voor de bruiloft van zijn zoon een maaltijd aanricht. Degene die genodigd worden, blijken echter allemaal, of meestal, niet thuis te geven en geen interesse te tonen. Wat de koning dan doet is dat hij zegt: "Zij willen niet komen, oké, ga dan naar de kruispunten en nodig iedereen die je tegenkomt uit voor het feest, want de zaal moet en zal vol worden." Dus dat gebeurt dan ook. Hier vind je die uitdrukking dus, want daar eindigt die gelijkenis ook mee: dat de Heer Jezus zegt: "Want velen zijn geroepenen, maar weinigen uitverkorenen", in Matteüs 22 vers 14.
Wat men zich daarbij meestal niet realiseert, is dat de betekenis precies omgekeerd is aan hoe men het doorgaans leest. Want wie zijn de uitverkorenen? Dat zijn de oorspronkelijk genodigden. Zij waren uitverkoren, uitgekozen om bij het feest te zijn, maar die wilden in het algemeen niet komen. En de geroepenen? Dat zijn niet zomaar iedereen die uitgenodigd is, maar dat zijn zij die wel ingingen op de uitnodiging en de zaal vulden. De gedachte is dus precies omgekeerd: de uitverkorenen zijn buiten en de geroepenen zijn binnen.
Van de uitverkorenen, de oorspronkelijk genodigden – het volk, want dat is wat Matteüs daar bij moet betrekken, dat is de hele achtergrond: het uitverkoren volk – daarvan zullen er maar weinigen zijn. Maar alsnog zullen er velen zijn die ingaan en dat zijn die geroepenen, zodat de zaal (en dan gaat het vooral over het toekomende Koninkrijk hier op aarde) alsnog vol zal worden. Alleen vanuit de uitverkorenen zullen het er relatief maar weinigen zijn.
De uitverkorenen zijn dus degenen die in het algemeen buiten staan en de geroepenen zijn degenen die binnen zijn. Het is precies omgekeerd van wat men meestal zegt. Want we zeggen vaak: "Ja, je kunt nou wel geroepen zijn, maar het gaat erom dat je uitverkoren bent." Ziet u hoe men dat op die manier opvat? Goed, laten we eens naar de brieven van Paulus gaan.
Paulus als Geroepen Afgevaardigde en de Betekenis van Ecclesia ↑ hoofdstukken
Nu we dit misverstand hebben rechtgezet — als ik het zo arrogant mag zeggen — gaan we naar de brieven van Paulus. Ik zoom vanmorgen met name in op twee brieven, namelijk de Korinthebrief en de Romeinenbrief, want daar vind je dat woord 'geroepenen' vooral, inclusief de uitleg ervan. We gaan daar allerlei bijzondere dingen over ontdekken.
Laten we eerst eens naar 1 Korinthe 1 gaan. Daar vind je de inleiding waarin Paulus meteen de term 'geroepen' gebruikt, wat hij trouwens in Romeinen 1 ook doet. Hij zegt: "Paulus, geroepen afgevaardigde." In het Grieks staat daar eigenlijk gewoon apostolos, wat een wat letterlijke weergave is voor iemand die is afgevaardigd. Je kunt het lezen als 'een geroepen afgevaardigde', of afzonderlijk als 'een geroepene en een afgevaardigde'. In beide gevallen begrijp je bij Paulus meteen wat er bedoeld wordt. Als er immers één is die werkelijk geroepen is, dan is het wel Saulus. Hij is daar een uitbeelding van. Terwijl hij op de weg naar Damaskus bezig was om ook in het buitenland de gemeente Gods te vervolgen, werd hij bij klaarlichte dag geroepen. Inderdaad, zijn naam werd genoemd.
Dat is eigenlijk ook wat we meestal onder 'geroepen' verstaan: als je geroepen wordt, dan wordt je naam genoemd. De aardigheid is trouwens dat dit in heel veel talen geldt. Dat geldt voor het Hebreeuws waarin het Oude Testament is geschreven, maar ook voor het Grieks van het Nieuwe Testament. We zien dat ook in andere talen, zoals het Engels, waar het woord called ook gewoon 'genaamd' of 'benoemd' betekent. In Genesis 1 staat bijvoorbeeld heel vaak dat God het licht 'dag' noemde, maar er staat letterlijk dat Hij het licht riep, namelijk als zijnde de dag. Noemen en roepen is daarbij dus hetzelfde.
Paulus werd werkelijk geroepen. Ik moet erbij zeggen dat dit niet gebeurde bij de naam Paulus — dat is een naam die we pas later bij hem aantreffen — maar hij werd geroepen als: "Saul, Saul! Wat vervolg je mij?" Dat was zijn roeping en daarbij werd hij niet voor de keuze gesteld. Hij zegt later in de Timotheüsbrief dat de genade Gods hem heeft overweldigd. Dat is geen keuze; het was, om het eens reformatorisch te zeggen, onwederstandelijk. Dat was niet tegen te houden. Hij kon ook niet anders; dit was zo duidelijk en overweldigend.
Hij zegt: "Ik ben geroepen", en vervolgens werd hij ook meteen afgevaardigd om een taak te gaan uitvoeren, en niet de geringste taak. Hij zou naar de natiën gaan; hij is de apostel van de natiën. Dat is de taak waar hij voor geroepen is, altijd met een specifieke bedoeling. Hij is een "geroepen afgevaardigde van Christus Jezus". Dat is typisch zo'n term van Paulus. Christus, de titel van Degene die verhoogd is in de hemel, staat voorop, en dat is Degene die hier op aarde ooit als Jezus rondwandelde.
Paulus is een afgevaardigde van Christus Jezus "door Gods wil". Ik proef daar een beetje humor in, een knipoog: het is niet mijn wil geweest. Ik heb er niet voor gekozen. Ik ben een afgevaardigde, een apostel, maar dat is niet bepaald omdat ik daar zelf voor gekozen heb. Als je alleen al nagaat in welke setting ik geroepen werd — namelijk om de gemeente Gods te vervolgen — dan begrijp je meteen dat het niet mijn wil of mijn keuze is geweest dat ik nu een apostel ben. Dat is echt gebeurd omdat ik geroepen ben door Gods wil.
In de aanhef van de brief stelt de auteur zich eerst voor en vervolgens de geadresseerden: "aan de ekklesia van God die in Korinthe is". Dat woord ekklesia is leuk in dit verband, want het heeft ook met roepen te maken. Er staat alleen een voorzetsel bij: ek, wat 'uit' betekent. Een ekklesia is dus letterlijk een 'uit-roepsel'. Je hebt geroepenen en zij vormen samen het uit-roepsel. In het Grieks, en ook in de Bijbel, vind je terug dat dit niet zomaar een uitroepsel is, maar een bijzondere status heeft. Het was de volksvergadering waar de hoogste besluiten werden genomen. Het was het hoogste orgaan met besluitbevoegdheid. In feite was het een politieke bijeenkomst, maar dan met een hele hoge, belangrijke en zware functie.
Dat is wat de ekklesia van God is. Je moet je eens voorstellen waartoe zij geroepen zijn: om straks de regering in handen te nemen. Dat is wel wat anders dan een stemmetje uitbrengen, dacht ik zo. Maar goed, daar zullen we het verder niet over hebben. Hij schrijft aan de ekklesia van God die in Korinthe is. Let op: niet de ekklesia 'van' Korinthe. Dat kent de Bijbel niet, alsof er verschillende afzonderlijke ekklesia's zouden zijn. Nee, het is de ekklesia, namelijk die in Korinthe is, zoals die ook in Rome was of waar dan ook elders.
Vervolgens schrijft hij aan "de geheiligden in Christus Jezus", wat 'apart gezette' betekent, en aan de "geroepen heiligen". Dat is aardig, want Paulus zegt hiermee: ik ben zelf geroepen, maar jullie aan wie ik nu schrijf, zijn net zo goed als ik ook geroepen. Apart gezet, maar ook gewoon geroepen. Waaruit al volgt — ik geef alvast een voorzet — dat 'geroepen' niet alleen betekent dat je iets vernomen hebt, maar ook dat je daarop ingegaan bent. Ik kom daar straks op terug. Nu sla ik even een hele passage over, want het gaat mij vooral om die term 'geroepen' en 'geroepenen'. Ik ga verder naar vers 23, waar ik midden in de zin inval en Paulus dit zegt:
Een Gekruisigde Christus: Valstrik voor Joden, Dwaasheid voor de Natiën ↑ hoofdstukken
En nu wordt het interessant en belangwekkend, ook voor ons onderzoek naar wat een geroepende nu eigenlijk is. Paulus zegt dan: "Maar wij herauten, wij prediken Christus gekruisigd." Hij plaatst dit in een specifiek verband; als je naar het voorgaande kijkt, zie je dat Paulus benadrukt dat het geen filosofie is die wij brengen. Geen wijsheid. Hij etaleerde niet allerlei mooie slagzinnen en intellectuele dingen die bedacht zijn. Nee, hij zegt: "Wij vertellen een bericht." Een goed bericht, een evangelie, een mededeling van Godswege over feiten. Dat is wat het is.
En dan zegt hij: "Wij prediken Christus gekruisigd." Daarmee bedoelt hij ook dat hij niet een boodschap bracht die in eerste instantie aantrekkelijk was. Hij zegt: "Wij prediken Iemand van wie alles afhangt, Die de redding brengt, maar vergis je niet: in de ogen van de wereld is Hij..." Laat ik het anders zeggen: het laatste wat de wereld van Degene die ik predik gezien heeft, is een kruis en een graf. Dat is het laatste. Nou ja, dat graf werd uiteindelijk geopend, dus het graf was leeg. Eigenlijk is dat het laatste wat de wereld van Hem gezien heeft: een graf.
En wij prediken Iemand, die Gekruisigde, een gekruisigde Christus. Zo wordt het wel eens opgevat: alsof Paulus alleen maar Jezus predikte en wees naar Jezus aan het kruis, zoals in dat rooms-katholieke idee met die crucifix, waar je Jezus altijd aan het kruis ziet hangen. Maar dan heb je toch echt een update nodig. Want inmiddels is die Gekruisigde al tweeduizend jaar de Opgewekte. Drie dagen later werd Hij opgewekt van Godswege en nu is Hij daar verborgen, en straks komt Hij terug. Dus als je denkt dat Hij nog steeds aan het kruis is, of als je je dat zo voorstelt... Nee, Paulus predikte een gekruisigde Christus. Dat wil zeggen: een Christus, een Gezalfde, een Messias, die gekruisigd is. De wereld had voor Hem een kruis over. Nou, Die prediken wij. Wij zijn dus niet uit op sensatie en op een aantrekkelijke boodschap, of op iemand voor wie de rode loper is uitgelegd. Nee, wij prediken Hem voor wie de wereld een kruis over had. Dat doen we niet om populair te zijn, maar gewoon omdat het de waarheid is. That's it.
Wij prediken Christus gekruisigd, en dan zegt hij er nog bij: "Voor Joden een valstrik en voor de natiën dwaasheid." Zo, dat is de binnenkomer. Wij prediken Iemand die voor de Joden in het algemeen een valstrik is en voor de natiën dwaasheid. Een valstrik – ik heb hier even een plaatje – is eigenlijk een struikelblok. Maar vooral het idee is dat een val fataal is. Je ziet hier zo'n muizenval; dat is een valstrik met een fatale afloop. Voor de Joden is een gekruisigde Christus, een Messias die gekruisigd is, een valstrik. Een fatale boodschap. Daar kwam Paulus ook achter. Want overal waar Paulus kwam, ging hij altijd eerst naar de synagoge. Dat lees je in het boek Handelingen. Vanuit zijn Joodse achtergrond ging hij eerst naar de Jood. En wat gebeurde er? Daar ontmoette hij zoveel verzet. Verzet, maar ook echt regelrechte haat. Hij zegt in Romeinen 11 dat ze vijanden van het evangelie zijn. Ze zijn orthodox tot op het bot. Ze hebben ijver voor God, zo getuigt hij, maar als het gaat om het evangelie zijn ze vijanden. Hij zegt dat het prediken van een Christus die gekruisigd is, een valstrik voor hen is. Hij sprak uit ervaring.
Voor de natiën ligt het iets anders. Is het daar geen valstrik? Als Paulus onder de natiën kwam, in een heidense zetting – dus een niet-religieuze, niet-Joodse zetting buiten de synagoge om – ontmoette hij in het algemeen ook geen geloof. Maar het was niet de haat die hij daar trof. Daar was hij eigenlijk – even onder ons en een beetje populair gezegd – de dorpsgek. Moet je nagaan: Paulus, een man die van wanten wist en een geweldig intellectueel was. Maar Paulus zegt: "Ik heb dat allemaal schade en drek geacht." Hij zegt: "Ik predik een dwaasheid."
Let maar op als je bijvoorbeeld een heel vrij voorbeeld daarvan neemt: Athene. Paulus komt in Athene, het centrum van de filosofie bij uitstek; tot op de dag van vandaag heeft Athene die reputatie. Als hij daar op de Areopagus wordt uitgenodigd – je leest dat in Handelingen 17 – zijn daar allerlei filosofische scholen aanwezig, zoals de Epicureërs en de Stoïcijnen. Hij doet daar zijn verhaal, en op een gegeven moment, aan het einde van de magistrale toespraak die hij daar houdt, spreekt hij over God die Jezus uit de doden heeft opgewekt. Dan wordt hij afgebroken. Tot zover. Niet zozeer omdat dat haat opriep, maar omdat hij in hun ogen toen echt 'van Lotje getikt' was. Het was dwaasheid. Het was stupide om te denken... Zeker in de Griekse filosofie gingen ze ervan uit dat een mens een onsterfelijke ziel heeft en dat dit lichaam een kerker is. Op het moment dat je sterft, verlaat de ziel deze kerker en heb je uiteindelijk je bestemming bereikt. Het idee dat een lijk, een lichaam dat gestorven is, na verloop van tijd opgewekt wordt door God, dat vonden ze te gek en te dwaas om over na te denken.
Dat was dus waar Paulus tegenaan liep. Als hij in de synagoge kwam, riep het regelrecht verzet op en was het een valstrik. Het was soms zelfs letterlijk dodelijk om dat zo te brengen; dan werd hij gestenigd. Maar als hij bij de natiën kwam, in een heidense setting, dan werd hij niet serieus genomen. In het algemeen zegt hij dat: "Voor Joden een valstrik, voor de natiën dwaasheid." Dat is gewoon gek, bizar. Men zei: "Je bent dit, je bent dat." Is dat nou leuk om daarmee te komen? Nee, maar Paulus zegt: "Het is een goed bericht, het is de waarheid." Hij kan dat onderbouwen. Maar in de beleving – of die nu religieus is of filosofisch, in de seculiere setting van de natiën – is het gewoon belachelijk. Maar we gaan verder. Ik ben echt niet afgedwaald van mijn thema; dit was noodzakelijk om te vertellen wat 'geroepenen' nou eigenlijk zijn.
De Geroepenen: Zij bij Wie de Roepstem Resoneert ↑ hoofdstukken
Maar voor hen die geroepenen zijn, dus nog eenmaal: voor Joden een valstrik, voor de natiën dwaasheid. Voor hen echter die geroepenen zijn, voor Joden zowel als voor Grieken: Christus, Gods kracht en Gods wijsheid. Nou moeten we even de puntjes op de i zetten, want wat zijn geroepenen? Dat zijn zij die de roep verstaan.
Kijk, het idee is dit. Paulus predikt een gekruisigde Christus. Even schematisch voorgesteld: voor Joden is dat een valstrik en voor de natiën is dat dwaasheid. Maar voor hen die geroepenen zijn, zowel uit de Joden als uit de natiën, is die Christus de kracht Gods en de wijsheid Gods. Zowel Joden als de natiën hadden de boodschap vernomen. Waren ze daarom geroepenen? Nee, het is niet zo dat allen geroepenen waren. Voor Joden was het een valstrik, voor de natiën een dwaasheid. Hij zegt: maar voor de geroepenen is Christus — de boodschap die ik breng — de kracht Gods en de wijsheid Gods.
Met andere woorden: die geroepenen, dat is een exclusieve groep. Dat zijn degenen bij wie de boodschap weerklank heeft gevonden. Die hebben vernomen: dit is voor mij. En die zijn daar, net als Paulus, ook door overweldigd. Dus ik zeg dit ook, en ik stel het ook zo voor, om daarmee aan te geven dat geroepenen een bijzonder gezelschap vormen. Dat zijn namelijk degenen die de boodschap van het evangelie aanvaarden en weten: dit is het. Die gekke boodschap, die dwaze boodschap of die fatale, gevaarlijke boodschap van de gekruisigde Christus.
Want voor hen — zowel uit de Joden als voor de Grieken, want dat maakt ook geen verschil, beide kan — is de Christus, diezelfde die ik predik, Gods kracht en Gods wijsheid. Voor de wereld die denkt: jullie lopen achter iemand aan waarvan wij het weten... Het enige wat wij van Hem weten, is dat er een kruis vormt. Zo is het geëindigd met Hem en zo is Hij in het graf gekomen, and that's it. It's dead, zou je ook kunnen zeggen. Ja, dat is dood. Ja, zegt Paulus, maar voor de geroepenen is juist die persoon de kracht Gods en de wijsheid Gods.
En dat heeft te maken met het feit dat die Gekruisigde door God is opgewekt. Hij zegt later in de tweede Korinthebrief, aan het einde van die brief in 2 Korinthe 13, dan zegt hij ook: want ook werd Hij — het gaat over Jezus Christus — gekruisigd uit zwakheid. Dat is wat we denken of wat je ziet. Hij is overgeleverd, Hij is geëxecuteerd, Hij heeft aan het kruis gehangen en zo is Hij in het graf gekomen. Nou, dat is tragisch. Ja, maar zo moest het gaan. Maar, zegt hij dan, niettemin leeft Hij vanuit de kracht van God. En dat gaat over wat er gebeurd is toen God Hem opwekte uit de doden en Hij de overwinnaar werd.
Dus die zwakheid aan het kruis is omgekeerd in kracht; Hij is opgewekt uit de doden. En de geroepenen hebben dat in de gaten. Die weten: de wereld mag dan denken dat het laatste van Hem een kruis was. En dat mag dan voor de religieuze wereld zo zijn; in feite was het ook de religieuze wereld die Hem aan het kruis bracht. Moet je nagaan hè, in Jeruzalem. Die hebben ervoor gezorgd dat Jezus aan het kruis genageld werd. De Romeinen hebben daaraan meegewerkt, die moesten dat ook doen. Dus zowel de Joden als de natiën hebben dat gedaan. Maar geroepenen weten: Hij is Gods kracht, maar daarmee ook Gods wijsheid.
Wat God doet, is de... Ja kijk, dan word je ook geroepen. Dan word je ook geroepen hè? Ah, groeven, ja. I'm cold. Was dit eventjes ter illustratie, Sanne? Niet van mij, het is van mijn moeder. Oh, van je moeder. Ja, niet iedereen gaat op de roepstem in, hè? Oké.
Maar ook Gods wijsheid, want dat is waar... Je zou dat moeten lezen, het is geweldig zoals Paulus dat uiteenzet. Want dat is de truc van God. God zet altijd — lees het maar na — de wijsheid van deze wereld te kijk. Ik wilde het anders zeggen, maar ik zeg het netjes: Hij trekt een lange neus. De wereld met al haar filosofie, met haar universiteiten en met alles wat ze menen te kunnen en te weten, maar ook hun religie en hoe ze hun best doen om voor God iets te betekenen. God zegt: het zegt voor Mij helemaal niks, want jullie wijsheid is voor Mij dwaasheid. Omgekeerd ook trouwens.
Dat is waar. Dus in feite zit je in een enorm spanningsveld. Maar dat is zoals God zegt daarmee te rekenen: jullie wijsheid, dat is voor Mij dwaasheid. En waarvan jullie denken dat het het einde is, daar begin ik pas. De opstanding, ja, dat is waar alles om draait en wat blijkt: juist in de Opgewekte brengt God de redding tot stand voor de hele wereld trouwens. En degenen die het doorhebben? Ja, die hebben het door. Hoe zeg je dat? Als je het ziet, dan heb je het door. Dat was Cruyffiaanse wijsheid, dat is Cruyffiaanse wijsheid dan weer. Maar goed, nou en dan gaan we eens naar Romeinen 8, want nu kom je bij de vraag: hoe komt dat nou eigenlijk?
Romeinen 8: Alle Dingen Werken Mee Ten Goede ↑ hoofdstukken
Hoe komt het nou dat de één de roepstem wel verstaat en de ander niet? Om dat te begrijpen, gaan we naar Romeinen 8. Wij weten nu – Paulus wist zulke dingen gewoon – dat voor degenen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede. Dat staat er niet omdat voor anderen de dingen níét zouden meewerken ten goede, maar degenen die God liefhebben, die wéten dat. Voor hen is het zo: als je God liefhebt, dan weet je dat Hij alle dingen doet meewerken ten goede. Werkelijk alles.
Denk bijvoorbeeld aan een Jozef. Hij werd verworpen door zijn broers, uitgelachen en zelfs verkocht naar Egypte. Hij belandde in de gevangenis en werd daar bovendien ook nog eens een keertje verlinkt, et cetera, et cetera. Maar Jozef wist: God gaat de dingen wel maken. Waarom wist hij dat? Omdat God hem dat al veel eerder ooit bekend had gemaakt. Als je dat weet, welke weg je dan ook gaat, dan weet je dat het gewoon gaat goedkomen. Vandaar ook die rust die Jozef had; hij wist het. Hij zegt later ook tegen zijn broers: "Jullie hebben wel kwaad gedacht, maar God heeft het ten goede gekeerd." En hij zegt zelfs: "Jullie denken dat jullie mij hier naar Egypte hebben gebracht, maar dat is niet zo. God heeft me erheen gestuurd om jullie in leven te houden."
Dat is de clue: God gaat elke min tot een plus maken. Alles werkt mee ten goede. In deze wereld zie je misschien allemaal negatieve dingen en allemaal minnetjes, maar iemand die in geloof tegen die minnetjes aankijkt, die ziet geen minnetjes. Moet je nagaan: we leven allemaal in dezelfde realiteit en tegelijkertijd zie je heel verschillende dingen. Want de wereld zegt: "Dat zijn minnen," maar degene die God kent, die zegt: "Nee, dat is geen min, dat is een plus die nog niet af is." Het is een plus 'under construction'; daar wordt nog aan gewerkt. Het rijmt pas aan het eind, maar daar moet je geduld voor hebben. Dus God doet alle dingen meewerken ten goede. Als je dat weet, heb je God lief. Juist omdat je dat weet, heb je God lief. Wat een God! Iemand die alles plaatst en die de minnen tot plussen maakt, dat is toch een reden om God lief te hebben?
Wij weten nu dat voor degenen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor degenen namelijk die naar Zijn voornemen geroepenen zijn. Naar Zijn voornemen. God heeft een voornemen, een plan. Dat doet iedereen trouwens die iets creatiefs maakt: dan heb je een plan. God heeft ook een plan en Hij wist, zo staat er in Jesaja, van den beginne reeds de afloop. Er gaat bij Hem nooit iets mis. Het is nog niet af en wij zien misschien minnen, maar God ziet al lang die plus. Maar ja, je moet natuurlijk niet nu de dingen al definitief beoordelen.
Ik had gisteren nog een heel gesprek over atheïsten. Echte atheïsten bestaan er niet, maar er zijn wel mensen die teleurgesteld zijn. Dat was de gang van het gesprek: het zijn mensen die teleurgesteld zijn in God. Misschien mag ik even context geven. Het ging over een uitzending die ik ooit gezien heb waarin Midas Dekkers, de bioloog, werd geïnterviewd. Dat was in het EO-programma 'Adieu God', waarin Midas Dekkers uitlegde dat hij niet in God geloofde. Op een gegeven ogenblik ging hij het verhaal vertellen over zijn zus, die zwaar, zwaar gehandicapt was. Ik weet niet exact meer hoe het ging, maar in ieder geval was zij zwaar gehandicapt. En toen werd Midas Dekkers toch boos. Ik zal niet herhalen wat hij zei over "die daarboven", want hij zei het echt heel grof. Ik wil het gewoon netjes houden, dus ik herhaal het niet eens; je krijgt het ook moeilijk uit mijn strot zoals hij God dan benoemt.
Maar hij werd zo fel. En weet u, je wordt niet boos op iemand die niet bestaat. Ik word echt niet boos op een kabouter, echt niet. Hij demonstreerde wel dat hij zei "ik geloof niet in God", maar hij bedoelde eigenlijk: "Ik kan die God niet vertrouwen als Hij zulke dingen toelaat." Dat is het. Want iedereen die intelligent is – en ik blijf het zeggen – die ziet in alles intelligentie. Als je niet intelligent bent, dan zie je hier geen intelligentie en dan zie je geen ontwerp. Maar als je intelligent bent, zie je dat wel. En als er sprake is van intelligentie, dan weet je ook: dat is dus bedacht. Dat is wat intelligentie namelijk is; het is bedacht, er is goed over nagedacht.
Hoe kun je dan zeggen dat er geen God is? Dat komt omdat men zegt: "Als die God er dan is, hoe kan al dat kwaad er dan zijn?" Tja, het schilderij is nog niet af. En dan blijkt bij nader inzien dat al die donkere kleuren, die wij zo als duisternis ervaren, slechts achtergronden waren die noodzakelijk waren in Zijn kunstwerk. En Hij maakt er iets moois van hoor, dat kan ik u vertellen. Goed, het gaat dus om degenen die naar Zijn voornemen geroepenen zijn.
De Gouden Ketting van Gods Voorbestemming ↑ hoofdstukken
Aha, je bent dus een geroepene, maar hoe komt dat nou? Nou, dat is omdat God een voornemen heeft. Hij heeft een plan en daarin roept Hij bepaalde mensen. Laten we even doorlezen. Want die Hij tevoren kende – en die Hij tevoren kende, dat zijn dus degenen uit de voorgaande zin, de geroepenen naar Gods voornemen – die kende Hij tevoren. En die bestemde Hij ook tevoren. Dat is trouwens wat predestinatie is. Predestinatie: 'pre' betekent 'voor' – daar heb je weer zo’n voorzetsel – en 'destinatie', destination, betekent bestemming. Voorbestemming. En God predestineert, dat is gewoon wat hier staat: Hij bestemde tevoren. Die Hij tevoren kende, die bestemde Hij tevoren tot wat?
Ja, en nou komt er natuurlijk nog iets bij om de hoek kijken. Want als je het hebt over predestinatie, dan denk je meteen aan de reformatorische, de kerkelijke leer van de voorbestemming. En ja, God heeft een groep voorbestemd voor de hemel en Hij heeft een groep – volgens sommigen zelfs de meerderheid of bijna iedereen – voorbestemd voor de hel. Daar zijn gradaties in. Mensen die zwaar zijn, die zeggen dat bijna iedereen is voorbestemd voor de hel, en degenen die licht zijn, die zeggen dat er maar weinigen voorbestemd zijn voor de hel. Ik kan u vertellen: er is niemand voorbestemd voor de hel. Waarom niet? Er bestaat geen hel. Maar goed, dat is weer een ander ding.
Weet u, er is zoiets als voorbestemming, maar dat heeft niet met hemel en hel te maken. Dat heeft te maken met het feit dat God een plan heeft met deze schepping, maar in dat plan roept Hij bepaalde mensen die een plaats hebben, een taak hebben in de uitwerking van zijn plan. Hij roept mensen uit om de rest te bereiken. Dat is een uitroepsel. Zoals Hij Abram uitriep, niet omdat de rest van de wereld Hem niet interesseerde; nee, Hij riep Abram uit omdat via hem, in hem en zijn zaad – zoals de Bijbel dat zegt – heel de wereld, alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden. Dus God had de hele wereld op het oog en Abram werd uitgekozen. En daarom ook geroepen. Abram, Abraham, uit Ur der Chaldeeën, werd ook geroepen, omdat via hem en zijn volk enzovoorts de rest gezegend zou worden.
Kijk, dat is voorbestemming. Dat heeft niks te maken met hel of met het idee dat God de wereld eigenlijk niet interesseert. Of sterker nog: zo’n God kun je niet eens liefhebben. Een God die voorbestemt tot de hel – wat dat dan ook zijn moge, maar prettig zal het niet wezen – en die zoiets eindeloos erop nahoudt, die kun je niet liefhebben. Die is namelijk niet te vertrouwen. Maar God laat nooit varen het werk van zijn handen, daar heeft Hij een plan mee. En er zijn mensen die daarin een geweldige plaats mogen hebben; bevoorrecht omdat zij die plaats hebben, maar ook met een bepaalde taak om de rest te bereiken.
Goed, die Hij tevoren kende, die bestemde Hij ook tevoren tot gelijkvormigen van het beeld van zijn Zoon. Ik kan daar nu niet te diep op ingaan, maar het idee is: zij krijgen dezelfde positie als zijn Zoon. Gelijkvormig als Hij. En er staat bij: 'opdat hij zou zijn', namelijk zijn Zoon, 'de eerstgeborene onder vele broeders'. Het komt erop neer dat het allemaal broeders zijn en dat Hij daarin onder hen de eerste plaats inneemt. Maar dat betekent dus dat al die broeders gewoon de zonen Gods zijn. En dat zeg ik expres zo, omdat Paulus juist in het voorgaande had gezegd dat die zonen Gods zijn waar de hele schepping naar uitkijkt.
Ik lees voor, Romeinen 8 vers 19 – dat stond er tien verzen eerder: "Want de reikhalzendheid van de schepping wacht op de onthulling van de zonen Gods." De zonen Gods gaan geopenbaard worden, onthuld worden. En daar wacht de schepping op, omdat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij van de vergankelijkheid. Ik zeg dit even omdat het laat zien dat God de schepping op het oog heeft, de heerlijkheid van de schepping. En wie gebruikt Hij daarin? Wel, dat zijn die zonen. En dat zijn dus die broeders.
God roept... kijk, het idee is dit, even kort door de bocht: God roept nu een gezelschap uit. Puur om niet. Hij doet dat, dat heeft Hij zo voorbestemd, opdat Hij dat gezelschap, de zonen Gods, zou gebruiken om heel de schepping te gaan bevrijden. Daar wacht de schepping op. Dus Hij heeft de hele schepping op het oog en dat gezelschap wat Hij nu uitroept, wel, dat heeft Hij voorbestemd voor die taak.
Nou, en dan staat erbij: degenen die Hij nu tevoren bestemt, dezen roept Hij ook. Dus God heeft een plan en in dat plan zijn er mensen die voorbestemd zijn om zonen Gods te zijn. En als Hij daartoe heeft voorbestemd, dan roept Hij ze ook. Kijk, daar hebben we het weer: roepen. Die roept Hij ook. Dus eerst voorbestemd, daarna geroepen. En degenen die Hij roept, ja, die rechtvaardigt Hij ook. Let trouwens op: dit is de actieve partij hier, als ik het zo mag zeggen. Dat is God zelf. Hij doet dat. Hij kent tevoren, Hij bestemt tevoren, Hij roept, en degenen die Hij roept, die rechtvaardigt Hij ook. Want als Hij je roept, dan overweldigt Hij je. Dat is zijn werk.
Hij bestemt tevoren. Heb je daar een aandeel in? Nee, want dat was al rond voordat jij geboren was. En degenen die Hij voorbestemt, die roept Hij. En degenen die Hij roept, nou, die rechtvaardigt Hij. En ja, want u weet: God rekent geloof tot rechtvaardigheid. En als je gelooft, dan hoor je daarbij. Is dat werk van een mens? Nee, Hij roept. En als dat woord hier resoneert, dan ben je een geroepene. Dat is zijn werk.
En die Hij rechtvaardigt, dezen verheerlijkt Hij ook. Want daar hadden we het net over: die zijn namelijk geroepen om straks onthuld te worden en om het middel te zijn om deze hele wereld, de schepping, te gaan bevrijden. Dat is de klus voor de komende eonen. Wij denken: wat gaan we dan straks doen? Op een harp spelen of een glaasje wijn drinken of piano spelen, wat denk je Johan? Maar nee, we hebben nog een enorme taak. De geroepenen.
Maar alles heeft daarin zo zijn plek. En dit straalt trouwens... even voor de goede orde: als u een NBG-vertaling hebt, dan staat dit meestal in de voltooid tegenwoordige tijd: 'die heeft Hij ook verheerlijkt'. In het Grieks – sorry dat ik het nu eventjes ingewikkeld maak, maar het valt wel mee – staat het in een aorist, en dat is een tijdloze werkwoordsvorm. Het wordt gewoon als een feit gesteld, waarbij het 'wanneer' niet ter zake doet. Die verheerlijking is nog niet gebeurd, maar het gaat erom: Hij kent tevoren, Hij bestemt tevoren, Hij roept, Hij rechtvaardigt, en die Hij rechtvaardigt, die verheerlijkt Hij ook. Wanneer Hij dat ook doet en hoe dan ook, dat doet niet ter zake: Hij dóét het!
En dus, ja, het is een gouden ketting. En waarom zeg ik 'goud'? Omdat het God is die hier de handelende partij is. God is het die dit doet. Er is niets van de mens bij. Je wordt voorbestemd, je wordt geroepen, je wordt gerechtvaardigd, je wordt verheerlijkt. Waar is dan het roemen? Nou, dat zal Paulus in 1 Korinthe 1 al zeggen: het is uitgesloten, dat bestaat helemaal niet.
Dus even over die ketting gesproken: God kent tevoren, God bestemt tevoren, God roept, God rechtvaardigt en God verheerlijkt. Waarmee 'geroepenen' dus een hele bijzondere positie is. Dat zijn de mensen die vandaag het Evangelie horen en die zeggen: "Wauw, geweldig, wat een God!" En die dan geloven. Is dat een prestatie? Nee, helemaal niet. Je hoort het en je wordt overtuigd.
Je wordt overtuigd – dat is ook passief, hè? Je wordt overtuigd en dan ben je een gelovige. Dus je hoeft niet in Gods boeken te kijken: "Zou ik voorbestemd zijn?" U weet het hè, dat is een bekend verhaal. In bepaalde kringen gaan ze uitvogelen of ze voorbestemd zijn. Dat hoef je helemaal niet te doen. Het hele verhaal is gewoon: als je geroepen bent... Hoe weet je nou of je geroepen bent? Je hoort het even en het klinkt, en het resoneert hier: Hij moet mij hebben! En dan zeg je: "Amen." Dat is Zijn werk, dat is Zijn werk.
Dat betekent dus dat ik een geweldige taak krijg. Ik hoor bij dat uitroepsel dat Hij zich vandaag verzamelt. Maar in feite praten we getalsmatig over enkelingen; relatief is dat zo. Maar God heeft het geheel op het oog.
Het wordt ook tijd om af te sluiten, maar ik heb nog één plaatje om te laten zien hoe God gewoon werkt: in fases, in rangorde. Alles in zijn eigen afdeling. Er zijn vandaag geroepenen. Dat is een buitengewoon bevoorrechte taak en zaak als je daartoe mag behoren. Geen prestatie, Zijn werk. Maar God heeft het geheel op het oog.
Ieder in Zijn Eigen Rangorde: de Eerstelingen in Gods Plan ↑ hoofdstukken
Hij werkt in rangorde. Hij zegt dat deze term is ontleend aan 1 Korinthe 15. Daar staat dat zoals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend worden gemaakt. Allen worden levend gemaakt, maar, zegt Paulus erbij: ieder in zijn eigen rangorde. Het is nu voorjaar; het is vandaag 21 maart. Nee, niet het meteorologische voorjaar, want dat is al op 1 maart gestart, maar het astronomische voorjaar is vandaag van start gegaan. De lente. Hoe krijg je dat nu in de lente? Alles in de natuur is dood, maar het komt tot leven. Hoe? Niemand weet het. We kunnen beschrijven wat er gebeurt, maar hoe het kan, dat is een godswonder. En zo moet het ook zijn. Dat vind ik het leuke: hoe meer je ervan weet, hoe groter het wonder wordt. Want als je er weinig van weet, dan zie je ook niet hoe wonderlijk het allemaal is. Hoe meer je de details kent, hoe meer je je gaat verbazen.
Hoe gaat het in de natuur? Heb je dat daar ook, iedereen in zijn eigen rangorde? In januari en februari heb je de sneeuwklokjes. We hebben het dit keer ook zo beleefd: in februari lag er sneeuw en in het grasveld zag je de sneeuwklokjes daar gewoon uit tevoorschijn komen. Die bloeien dan al; dat zijn echte vroegelingen hoor. In de maand maart zijn er de hyacinten. Het is niet allemaal helemaal precies zoals ik het nu zeg, maar ongeveer iets later in maart krijg je die hyacinten. En in april krijg je de tulpen en de forsythia's die dan tot bloei komen. Straks in mei, dan bloeit bijna alles – tenminste, de waterlelies komen dan tot bloei. Eigenlijk is de hele natuur dan ontloken. In de dierenwereld is het trouwens ook zo: in mei legt elk vogeltje een ei. Hoe was die ook alweer? Ja, behalve... juist. Maar dan zie je al: alles in zijn eigen rangorde, dat gaat niet allemaal tegelijk.
Is het nu een prestatie voor dat sneeuwklokje om in februari al een sneeuwklokje te wezen? Nee, het is een sneeuwklokje. Je hebt vroegelingen en in mei komt zo'n beetje alles. Maar in de mensenwereld geldt dat net zo als het gaat om het grote werk van God. Er zijn ook laatbloeiers; ja, dat is het woord daarvoor. In augustus komt de zonnebloem pas tot bloei en je hebt trouwens ook nog herfstbloemen die helemaal laat komen. Wat ik met deze illustratie wil zeggen, is dat alles in zijn eigen rangorde gebeurt. Geroepenen zijn vroegelingen, en dat is een bijzonder voorrecht. De geroepenen heten ook eerstelingen, en 'eerstelingen' suggereert dat de rest nog moet komen en zal volgen, maar wij zijn er nu al. Dat is een goddelijk voorrecht dat je ten deel valt. Als die boodschap tot je komt, je verstaat het en je denkt: 'Wauw, geweldig, dit is van Godswege', nou, dan is dat een bewijs: God, ik hoor bij die geroepenen. Ik mag een krokus zijn of een hyacint.
Sommigen zijn laatbloeiers, en dat geeft ook een geweldige rust. Dat is de boodschap van Christus, van het Evangelie: God houdt van Zijn schepping en Hij roept mensen uit om hen in te zetten in dat geweldige werk dat Hij voornemens is. Wij als uitroepsel hebben straks nog een taak in de hemel, jazeker. En God heeft ook een uitroepsel hiervoor op aarde: dat is Israël. Het heeft allemaal een plaats in Zijn plan. Het werk is gefaseerd, niet allemaal tegelijk. Sommigen nu, anderen straks. Sommigen hier, anderen daar. Er zijn zoveel onderscheidingen, maar God heeft een plan en Hij is God – en dat betekent 'de Plaatser'. Hij geeft alles een plek. Zullen we het daarbij laten voor vanmorgen?
UltimateGoodNews