de wet & het nieuwe verbond (2)
09-05-2021 - Geplaatst door Andre Piettoespraak gehouden op zondag 9 mei 2021 te Benthuizen
In deze toespraak wordt het vervolg van Romeinen 7 besproken (vanaf vers 7). Over de complexe strijd die ontstaat bij degene die het gebod van “je zult niet begeren” opvat als “je mag niet begeren”. In de praktijk wordt “het gebod ten leven” dan juist ten dode. De wet prikkelt de zonde. Dat komt omdat Gods wet dan niet als belofte wordt gelezen (“je zult”) maar als een commando. Een hopeloze innerlijke strijd is daarvan het gevolg. Een conflict dat pas stopt wanneer het pogen wordt gestaakt en opgezien wordt naar boven. Naar Hem die kan en zal doen waartoe de mens zelf niet in staat is. “Gode zij dank!”
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Terugblik op Romeinen 7 en de Huwelijksmetafoor
- De Essentie van het Nieuwe Verbond: Gods Belofte
- Is de Wet Zonde? de Wet en de Zonde
- 'gij Zult Niet Begeren': een Gebod over het Innerlijk
- De Bar Mitswa: Toen het Gebod Kwam, Stierf Ik
- De Misleiding: een Bevrijdende Belofte Wordt een Belastend Commando
- De Innerlijke Strijd: het Goede Willen, het Kwade Doen
- Het Failliet van de Godsdienst: Ik Ellendig Mens!
- De Uitredding: Gode Zij Dank Door Jezus Christus
Terugblik op Romeinen 7 en de Huwelijksmetafoor ↑ hoofdstukken
Dit is het tweede deel dat wij gaan besteden aan het onderwerp dat u hier achter mij geprojecteerd ziet: de wet en het nieuwe verbond. Ik had ook kunnen zeggen: aantekeningen bij Romeinen 7, want daar komt het eigenlijk op neer. De vorige keer hebben we de eerste zes verzen van Romeinen 7 besproken en nu wil ik de rest van dat hoofdstuk behandelen. Dat zal veel sneller gaan dan u van mij gewend bent, maar dat heeft er ook mee te maken dat we wat we nu gaan lezen in één keer moeten bespreken. Ik ga er daarom soms wat sneller doorheen, maar niettemin denk ik dat dit de beste insteek is.
Ik noem het met opzet 'de wet en het nieuwe verbond', want feitelijk is dat waar Romeinen 7 over gaat. Romeinen 7 heeft de reputatie dat het een nogal complex hoofdstuk is, en ik denk dat dit op zich terecht is. Het is eigenlijk het hoofdstuk over iemand met een complex, en in die zin is het gecompliceerd omdat het gaat over een innerlijk conflict. Dat is dan ook ons onderwerp. We gaan diverse verzen met elkaar lezen, maar laten we eerst nog even terugblikken op wat we de vorige keer hebben gezien, al was het maar voor degenen die er toen niet bij waren of voor degenen die het even opgefrist willen hebben in hun geheugen.
In de eerste zes verzen tekende ik op voorhand aan dat Paulus zich primair richt tot zijn Joodse lezers. Hij zegt: "Ik spreek tot degenen, broeders, die de wet kennen." Dat waren van huis uit uiteraard Israëlieten of Joden. Vervolgens introduceert hij de metafoor die de Joden en zij die onder de wet zijn maar al te goed kennen: de getrouwde vrouw is aan haar man verbonden door de wet. Op zich is dat een algemene waarheid; het huwelijk is in ieder geval een wettige aangelegenheid. Er wordt officieel iets verklaard en het jawoord wordt gegeven totdat de dood scheiding brengt. Zo zijn man en vrouw aan elkaar verbonden. Waarom is deze metafoor in deze context zo veelzeggend? Dat is omdat de Joden maar al te goed wisten dat de relatie die zij als volk met God hadden in feite een huwelijksrelatie is. Het oude verbond is een huwelijksverbond.
Het jawoord is ooit gegeven bij de berg Sinaï; de Man heeft Zijn verplichtingen op Zich genomen en de vrouw ook. U weet hoe dat ging: het volk zei toen eigenlijk: "Al wat de Heer gesproken heeft, dat zullen wij doen." Dat bleek heel riskant te zijn. De wet in de vorm van die stenen tafelen was nog niet eens helemaal naar beneden afgedaald in de hand van Mozes toen het al misging. Meestal wordt het zo voorgesteld dat Mozes de tafelen in zijn arm hield, maar er staat gewoon: hij had de stenen tafelen, meervoud, in zijn hand, enkelvoud. Is dat belangrijk? Dat weet ik niet, maar zo staat het er wel.
U weet hoe het gegaan is met die eerste huwelijksakte; die was op voorhand eigenlijk al gedoemd om vernietigd te worden, en dat gebeurde dan ook daadwerkelijk. Feitelijk is dat heel symbolisch. Vervolgens lees je dat Mozes een tweede stel tafelen kreeg en die werden wel veilig bewaard, namelijk in het binnenste van de ark. Ook dat is veelzeggend: het is niet de eerste, maar de tweede. In de ark is de wet veilig. Als het op het volk gelegd wordt, wordt het niks, maar als het bewaard wordt in het binnenste heiligdom – een beeld van Christus – dan is het veilig. Als de wet in het binnenste geschreven is, is dat een kenmerk van het nieuwe verbond. Dan wordt de wet niet opgelegd, maar in de harten geschreven. Dat is het grote verschil tussen het oude en het nieuwe verbond. Het idee daarbij is: Israël is de vrouw en de Heer is de Man.
Paulus werkt die vergelijking verder uit. Hij zegt dat het huwelijk standhoudt totdat een van de echtelieden overlijdt. Hij specificeert: als de man overlijdt, is het huwelijk voorbij; de dood brengt scheiding. Wat Paulus naar voren brengt, is dat de Heer Jezus Christus het icoon is van de Heer die op de Sinaï de Man was. Hij heeft Zich gerepresenteerd in de Messias en Hij stierf; dat was het einde van het oude verbond. In de nacht dat Hij overgeleverd werd om gekruisigd te worden, gaf Hij bij de Pesachmaaltijd de uitleg over de beker van het nieuwe verbond. Daarbij verklaarde Hij het bestaande verbond feitelijk voor verouderd, want als je spreekt van iets nieuws, is er ook iets ouds. Sinds het overlijden van de Man, sinds de dood van de Heer, is het oude verbond verleden tijd.
Sinds de opstanding van Christus ligt de weg open naar een nieuw verbond, zodat de vrouw eigendom wordt van een Ander. Het is dezelfde Heer, en toch een Ander, namelijk in een hele nieuwe conditie: een onvergankelijke conditie, het nieuwe leven. Dat nieuwe verbond is als zodanig nog niet gesloten, maar de basis ligt er al. De geest van het nieuwe verbond is over ons vaardig, zoals Paulus uitlegt in 2 Korinthiërs 3. Het nieuwe verbond zal gesloten worden met hetzelfde volk als waarmee het oude verbond gesloten werd. Dat is logisch, maar in Jeremia 31 wordt het zelfs uitdrukkelijk gezegd: het nieuwe verbond wordt gesloten met Israël en met Juda. Het is dus niet zo dat het oude verbond werd gesloten met Israël en het nieuwe met een kerk. Dat is de gangbare christelijk-theologische versie, maar dat is niet correct.
De sluiting van het nieuwe verbond en het concreet in werking treden ervan voor Israël is nog steeds toekomstig, al is het zeer aanstaande. Wanneer wordt dat nieuwe huwelijksverbond gesloten? Jazeker, op de derde dag! Dat moet u maar eens aan Petra navragen, want ons huwelijk staat helemaal in het teken van de tekst uit Johannes 2 vers 1. Dat was onze trouwtekst: "Op de derde dag nu was er een bruiloft te Kana." Aangezien er nu twee millennia oftewel twee dagen voorbij zijn, gaat de derde dag binnenkort aanbreken. De sluiting van dat nieuwe verbond is ook in die zin zeer actueel; we lopen in feite vooruit op de actualiteit ervan.
De Essentie van het Nieuwe Verbond: Gods Belofte ↑ hoofdstukken
Ja, de essentie van dat nieuwe verbond is iets wat ik de vorige keer ook echt goed benadrukt heb; althans, ik heb daar een grote nadruk op gelegd. Die essentie is dat alle verplichtingen bij het nieuwe verbond bij de Heer Zelf liggen. Er wordt niets van Israël verwacht. God zegt in Jeremia 31 tot zeven keer toe: "Ik zal." Ik zal Mijn wetten in hun harten schrijven, Ik zal hun zonden geenszins meer gedenken, enzovoort. Lees het maar na. Het is een belofte waarbij alles afhankelijk is van de Heer, en dan weet je: dan komt het goed. Vandaar ook dat ik zei dat die tweede set stenen tafelen veilig is. Waarom? Omdat het niet op het volk wordt gelegd.
Dat nieuwe verbond is inderdaad een aeonisch verbond, zo lezen we. Alle verplichtingen liggen bij Hem. Daarom is het nieuwe verbond in feite ook de vervulling van het verbond dat God gesloten heeft met Abraham, want dat was ook onvoorwaardelijk. Paulus legt in Galaten 3 uit dat het verbond dat bij de Sinaï gesloten werd, eigenlijk een intermezzo was, iets tijdelijks. De wet is er 430 jaar later bijgevoegd, totdat het beloofde Zaad zou komen. In feite was dat Sinaï-verbond een tijdelijke zaak; het had een functie, maar het was niet definitief.
Definitief is het nieuwe verbond, en daar word ik altijd zo blij van. Het is een goed bericht. God zegt: "Ik ga dat doen." En wat is een gelovige? Dat is niet iemand die zijn best doet. Nee, een gelovige is iemand die zegt: "O, U zegt dat U dat gaat doen? Amen. Als U dat zegt, dan ligt het helemaal aan U." Zoals Abraham dat ooit zei toen er tegen hem werd gezegd: "Zo zal jouw nageslacht zijn." Hij keek op en daar waren al die sterretjes, terwijl hij impotent was en zijn vrouw onvruchtbaar en op leeftijd. Maar wat kon het hem schelen? God zegt het. Als de Schepper van hemel en aarde spreekt, dan is het mijn probleem toch niet hoe Hij dat gaat realiseren? Wat is dan nog het probleem van mijn handicaps en beperkingen?
Dat is geweldig, want het betekent dat je opziet naar boven. Alleen al met dit in gedachten ga je de goede kant op kijken. Want op het moment dat er iets van jóu gevraagd wordt, dan moet jíj het doen. En als je er dan achter komt — en dat is Romeinen 7 — dat jij eigenlijk maar heel zwak bent, sterfelijk en falend, dan word je daar niet vrolijk van. Maar als je dan omhoog kijkt naar de levende God, de vermogende God voor wie niets onmogelijk is en die zegt: "Zo gaat het gebeuren", dan heb je grond onder de voeten. Dat is natuurlijk heerlijk en geweldig. Goed, nu gaan we de vaart erin houden, want ik heb nu twaalf minuten een inleiding gehouden maar we moeten nog een heleboel verzen bespreken.
Is de Wet Zonde? de Wet en de Zonde ↑ hoofdstukken
Paulus vraagt: "Wat zullen we dan zeggen?" Dat is typisch Paulinisch om zijn betoog zo voort te zetten. Is de wet zonde? Hij beantwoordt het meteen: volstrekt niet! Totaal niet aan de orde. Kijk, waarom zegt hij dat? Hij had naar voren gebracht dat de wet de zonde prikkelt. Dat had hij in vers 5 van Romeinen 7 gezegd en trouwens al eerder in hoofdstuk 5 vers 20. Daar was al gezegd dat de wet erbij gekomen is opdat de zonde zou toenemen. Er zijn heel veel vertalingen die dat een beetje proberen te ontkrachten, maar zo staat het er echt. Dus de wet is niet gegeven opdat de zonde ingedamd of verminderd zou worden. Nee, de wet is gegeven met de intentie dat de zonde zou toenemen. Dat was ingebouwd. Het feit dat de zonde toenam door de wet was geen constructiefout of een fabrikatiefout. Het was geen mislukte missie; nee, dat was de bedoeling.
Als je Paulus’ gedachtegang nu even meeneemt, begrijp je de vraag ook heel goed. Want als het de bedoeling van het oude verbond was dat de zonde zou toenemen en dat de zonden daardoor juist verleidelijk worden, is de wet dan een zonde? Dat is een logische gedachte, toch, als de wet dat veroorzaakt? Maar Paulus zegt: nee, volstrekt niet. Maar dat moet hij dan wel even gaan uitleggen. Dat gaat hij ook doen. Hij zegt: "Integendeel, ik kende de zonde niet tenzij door de wet." Ik ben er juist achter gekomen dat ik een zondaar ben door de wet. Hij spreekt ook hier weer als Israëliet. Ik ben eigenlijk met de zonde bekend geworden door de wet. De wet brengt de zonde aan het licht, dat is één ding.
Want, zegt hij dan ter toelichting, ook van begeerte zou ik niet geweten hebben... En let u nu alvast eens op: er staat hier "ik". Daar word je nogal moe van in dit hoofdstuk, want vanaf hier tot aan het einde van het hoofdstuk, vers 25 of 26 afhankelijk van de vertaling, gaat Paulus alleen nog maar spreken in de ik-vorm. Dit vers is wat dat betreft een verandering. Vanaf hier gaat hij meer dan dertig keer spreken over "ik" en "mij". Elk vers is raak, het is allemaal "ik". Het wordt in die zin dus heel egocentrisch. Niet egoïstisch zozeer, maar egocentrisch: het ik staat in het middelpunt. Het gaat allemaal over mij. Hij doet het wel heel bescheiden, want hij zegt: "ik kan het niet." Maar ook dat is egocentrisch. Dan sta je zelf centraal. Er zijn wel mensen die altijd zichzelf centraal stellen, niet omdat ze zo hoogmoedig of arrogant zijn, maar omdat ze altijd de aandacht vragen. Om wie gaat het dan? Nou, dat is Romeinen 7. Het maakt dit relaas dat vanaf hier komt niet vrolijk. Ik waarschuw u: we zijn samen rondom een goed bericht, maar dit stuk is niet vrolijk. Het is echter juist de opmaat tot... daar kom ik later nog op terug.
Maar eerst dit: het is dus een heel persoonlijk verhaal. Paulus spreekt vanuit het ik-perspectief waarbij het in zekere zin over hemzelf gaat, maar het gaat vooral om het feit dat dit persoonlijk is. Dit raakt de mens zelf in zijn persoonlijkheid. Het gaat niet eens zozeer over Israël als natie, maar over hem als Israëliet, als Jood. En waarom dat zo is? Hij geeft het voorbeeld: "Van de begeerte zou ik niet geweten hebben indien de wet niet zei: je zult niet begeren." Dit gebod — of verbod eigenlijk, net hoe u het zeggen wilt — is bekend. Het is dit specifieke gebod waar Paulus in dit hoofdstuk voortdurend naar verwijst.
In feite laat hij weg wát er niet begeerd zou worden. Dat staat wel weer in Exodus 20. Daar staat: "Gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch iets dat van uw naaste is." Ik heb het vaak genoeg op zondag horen voorlezen, dus ik weet dat nog wel. Sterker nog, ik geloof dat ik een jaar of zes of zeven was, Dirk, en toen kreeg ik van opa Piet een tientje als ik de Tien Geboden uit mijn hoofd kon opzeggen. En ik heb dat tientje gekregen. Ik ben het inmiddels kwijt — ik bedoel niet dat tientje. En ik heb trouwens ook toen nog geld gekregen — hoeveel weet ik niet meer — als ik de Twaalf Artikelen des Geloofs uit mijn hoofd kon opzeggen. En dat heb ik ook gekund, ja. Ik moet er wel bij zeggen dat ik daar zeker profijt van heb gehad. Dat geldt in het algemeen voor het kunnen citeren van passages in de Schrift. Dat is geweldig, daar heb je je hele leven profijt van.
Maar goed, er staat in feite niet alleen "je zult niet begeren", maar er staat dat je niet zult begeren wat van je naaste is. Waarbij ik er ook nog bij moet zeggen dat het vooral een voornemen is. Het is niet alleen maar een gevoel. Kijk maar naar David toen hij op het dak stond. Ik vind het van belang omdat daar vaak verkeerde conclusies uit getrokken worden. David stond op het dak en zag daar een vrouw zich baden, ergens in Jeruzalem. Je leest dat hij daardoor geprikkeld was. Was dat de zonde? Dat hij die vrouw zag en dat zij hem aanstond? Ik probeer het gewoon netjes te zeggen. Nee, natuurlijk niet. Dat is namelijk op zich heel gezond. Dat David toen in Jeruzalem was en niet elders, dát was niet gezond, maar dat is nog weer een ander onderwerp. Er was namelijk oorlog en hij zat daar gewoon maar een beetje in zijn paleisje. Dat was niet gezond. Maar goed, het punt was: het werd pas fout toen hij het voornemen had. Toen hij er inmiddels achter gekomen was dat de vrouw van een ander was, om haar te schaken. Dat was het. Dus het hele idee dat seksuele verlangens naar iemand op zich al fout zouden zijn, dat is niet wat de Schrift zegt. Ook niet in dit gebod. Maar goed, dat even terzijde.
'gij Zult Niet Begeren': een Gebod over het Innerlijk ↑ hoofdstukken
Waarom is ook dit gebod van een andere orde dan eigenlijk alle andere geboden? Omdat dit namelijk direct over het innerlijk gaat, over zo’n begeren. Eigenlijk zou je van die andere dingen nog kunnen zeggen: ja, maar dat gaat over gedragingen. 'Je zult niet stelen', 'je zult niet doodslaan', enzovoorts; dat zijn uiterlijke gedragingen. Maar dit, 'je zult niet begeren'… dat spreekt tot jouw hart. Want begeerte is iets wat zich in de mens bevindt. Daarin verschilt het dus van al die andere geboden. Want de naam ijdel gebruiken doe je met je mond en iemand doodslaan doe je met je handen. Nou ja, enzovoorts. Al die dingen zijn zaken die te maken hebben met het uiterlijk. Dit gebod gaat over het innerlijk.
Maar het punt is: dit is wel een heel speciaal voorbeeld in die zin dat op het moment dat je dit gebod, 'je zult niet begeren', als een opdracht opvat – en zo wordt het alom opgevat, tot op de dag van vandaag in de christelijke wereld ook trouwens, als iets wat je moet doen – ja, dan krijg je onherroepelijk strijd. Wat voor strijd? Nou, daar gaat de rest van deze verzen over. Dat leidt per definitie tot conflict. Als je hoort: 'je zult niet begeren', en jij gaat je best doen om niet te begeren, ja, wat gebeurt er dan? Wat gebeurt er dan? De begeerte wordt geprikkeld.
Laten we verder lezen: 'Maar de zonde verkreeg door het gebod een aanleiding en bewerkt in mij elke begeerte.' Door het gebod, ja. En dan kun je zeggen: 'Ja, maar dat is zonde.' Ja, dat is waar. Maar waar zit dan de zonde? Ik vind het een heel aparte tekst in 1 Korinthe 15, dat is ongeveer de afsluiting van het hoofdstuk, daar staat: 'De kracht van de zonde is de wet.' En zo werkt het inderdaad in de praktijk.
In feite is wat ik nu vertel een beginsel dat in de pedagogiek eigenlijk tot het ABC behoort: op het moment dat je iets verbiedt, maak je het aantrekkelijk. Als je iets weet van opvoeding, dan weet je dat het zo werkt. En zelfs als je niks weet van opvoeding, dan kun je het fenomeen gewoon vaststellen: wie probeert niet te begeren, die bekrachtigt de zonde. De wet is de kracht van de zonde, want er staat dat zonder wet de zonde een dode is.
In feite was dat in de hof van Eden ook al zo: 'Je zult van die boom niet eten', maar juist dat maakte het aantrekkelijk. En nou ja, we zitten nu nog steeds met de gebakken peren, wou ik zeggen, maar het was geen peer. Nee. En ook geen appel trouwens, want dat is weer een ander misverstand. Want zonder de wet is de zonde een dode. En dat is eigenaardig. Ik ben daar vaak over gestruikeld in het verleden, maar ik denk dat ik daar een antwoord op heb en ik leg het aan u voor.
De Bar Mitswa: Toen het Gebod Kwam, Stierf Ik ↑ hoofdstukken
Paulus zegt: "Ik nu leefde eens zonder wet, maar toen het gebod kwam, toen leefde de zonde op, maar ik stierf." Waar doelt Paulus op? Je vindt er allerlei verklaringen voor, maar ik moet zeggen: als ik dit gewoon neem zoals het zich aandient, beschrijft Paulus dat er een periode was dat hij niet zonder wet was, maar dat er ook een moment kwam dat het gebod kwam. En dan zeg ik: ja, dat is een officieel moment in het leven van een Joodse jongen, namelijk bij zijn bar mitswa. Dan wordt hij namelijk een 'zoon van het gebod'. Daarvóór, ook al is hij als Joodse jongen grootgeworden, is hij niet verantwoordelijk voor de wet; dat zijn de ouders namelijk nog. En op het moment dat hij dertien jaar oud wordt, dan krijgt hij een bar mitswa, wat betekent: zoon van het gebod. Vanaf dat moment is hij zelf verantwoordelijk voor het gebod.
Dus in feite waar Paulus het over heeft: de eerste twaalf jaren van mijn leven was ik zonder wet. En voor zover ik er wet had, was dat de verantwoordelijkheid van mijn vader, van mijn ouders. Maar toen het gebod kwam bij zijn bar mitswa, ja, toen leefde de zonde op. "Maar ik stierf", zegt hij. De zonde werd geactiveerd, leefde op, maar ik stierf – uiteraard in de overdrachtelijke zin van het woord. Dat werd 'killing', zo zeggen wij dat ook. In die zin moet ik zeggen: als je dat gewoon allemaal heel concreet probeert voor te stellen, begrijp je dat ook heel goed. Op het moment dat je als jongen – ik heb het nu even niet over een meisje, daar ligt het in de praktijk ook wat anders bij een bat mitswa; of dat trouwens in Paulus' dagen ook bestond weet ik niet, ik zit op de plek om het me zo af te vragen – maar goed, hij werd een bar mitswa.
Maar dat is ook tevens... ja, dan ben je dertien jaar. Wat gebeurt er dan? Nou, dan gaan de hormonen gieren in het lijf van een jongeman. En de hormonen, en daarmee bedoel ik ook de begeerten. Hij zegt: "Toen het gebod kwam" – dat was dertien jaar – "toen leefde de zonde op, maar ik stierf." En dan gaat het dus over iemand die juist zich wil inzetten om te doen wat de wet zegt. Dat is heel wrang, toch? En godsdienstig. Ik bedoel vroom ook, trouwens niet in de onaardige zin van het woord van schijnvroom of hypocriet. Nee, vroom. Gewoon, je wilt het beste voor God doen. Ik wil voor Hem leven. En God zegt tegen mij: "Je zult niet begeren." En dan merk ik: ja, maar ik begeer het wel! Nou, dan moet je beter je best doen... Onzin hè, beter je best doen. Als je je best doet... maar over die strijd heeft Paulus het. Het is hopeloos.
"En het werd bevonden voor mij", zegt hij in vers 10, "dat het gebod ten leven, voor mij ten dode was." Hoe kan dat nou? Een gebod ten leven, dat voor mij ten dode is? Ik verklap het meteen maar – in feite heb ik het al lang verklapt. Ik beschrijf dit conflict en deze strijd, en dat doet Paulus trouwens ook, vanuit het antwoord dat hij al heeft. Dat is meestal zo: als je eenmaal het antwoord hebt, dan kun je ook veel beter begrijpen wat de vraag was. En dan kun je ook zo goed begrijpen wat de strijd en het conflict was als je eenmaal het antwoord weet. Dat is de oplossing. Dan ben je trouwens ook wat meer geneigd om uit te komen voor het probleem waar je mee worstelde.
Maar hij zegt: hoe kan dat nou, dat het gebod ten leven voor mij ten dode was? Dat kan alleen maar omdat ik dat gebod ten leven kennelijk niet goed begreep. Nee, dat is ook zo. Want dat gebod ten leven – ook: "Jij zult niet begeren" – als je het opvat als: "Jij mág niet begeren", ja, dan word je dus aan het werk gezet. Dan wordt er iets van je afgepakt, dan wordt er iets verboden en daarmee aantrekkelijk gemaakt, en wordt het dus ook gestimuleerd. En ja, je wordt daarbij bepaald. Maar op het moment dat je weet dat je een woord hoort, een belofte: "Jij zál niet begeren", dan wordt er niks van jou gevraagd. Dan krijg je een profetie te horen, een voorzegging: "Je zult niet begeren." Er wordt niets van je gevraagd, maar dat geeft hoop en dan is het ook een gebod ten leven. Alleen dan. Alleen dan.
Ik lees verder in vers 11: "Want de zonde verkrijgt door het gebod een aanleiding, zij misleidt en daardoor doodt zij mij." Dit is essentieel. Want door het gebod krijgt de zonde een aanleiding. Maar door de zonde wordt het gebod... nee, de zonde is er ook die misleidt, waardoor ik het gebod of de wet niet goed versta. Want dat is wat misleiding is. Ik zeg u dit: niet het gebod zelf, maar de misleidende interpretatie daarvan, de uitleg ervan zoals het opgevat wordt. Ja dit, dat is 'killing', dat doodt. Dus ik bedoel dit: als je dit opvat als een opdracht in plaats van als een belofte, ja, dan doodt het je. En dan wordt inderdaad zo'n gebod ten leven ineens veranderd in zijn tegendeel; dan doodt het je. Want jij vat op, of jij hoort: "Je zult niet", en je hoort: "Je mag niet".
Maar laat ik u dit vertellen – ik wilde een percentage noemen van mensen die dat zo opvatten. Ik durf de stelling aan dat 99% van de mensen die horen "Je zult niet begeren", horen: "Je mag niet begeren". En ik denk dat ik vrij conservatief ben in mijn raming. Terwijl er een eigenaardigheid is: als je het grammaticaal of taalkundig benadert, dan is "Je zult niet begeren" niet een verbiedende wijs. Hoe noemen ze dat ook weer... "Je zult niet begeren". Er zijn talloze vormen in de Bijbel waarbij je diezelfde constructie vindt. "Je zult een vader van vele volkeren worden" – iedereen begrijpt dat dit natuurlijk een profetie is. Maar als het in de Tien Geboden staat, dan wordt het ineens: "Je mag niet". Ja, maar dat is nou het grote verschil en dat is de misleiding. Dat is de misleiding waar Paulus eigenlijk vanaf zijn dertiende, vanaf toen het gebod kwam, mee te maken kreeg, waardoor de zonde ging opleven. Want hij was zo actief juist op dat punt; die andere dingen, dat was het probleem kennelijk niet, maar: "Ik begeerde".
"Je mag niet begeren"... ja, en daardoor... "Want de zonde verkrijgt door het gebod een aanleiding, zij misleidt en daardoor doodt zij mij." Zodat Paulus concludeert in vers 12: "Zodat inderdaad de wet heilig is en het gebod heilig, rechtvaardig en goed." Dus daar ligt het niet aan. Op voorhand is dat zo, want het komt van God. En bovendien: het is ten leven. Dus zelfs als je het niet begrijpt, zelfs als je niet begrijpt hoe het een gebod ten leven kan zijn, kan Paulus het op voorhand al vaststellen: het is God die het zegt, en dus is het zo. Maar nu begrijpt u ook waarom het zo is. Het is namelijk: de wet is heilig en rechtvaardig en goed, want God belooft daarin. En Hij voorzegt daarin ook. Dat vind ik geweldig: dat de wet inderdaad profetie is.
Ik vind het ook wel heel frappant dat je van de profetie leest dat ze vervuld wordt, toch? Een profetie wordt vervuld. "Je zult het land bewonen", om maar wat te noemen. Dan denk je: "Ik moet het land bewonen." Nee, "jullie zullen het land bewonen". Maar de wet wordt ook vervuld. Exact dezelfde terminologie wordt in dat verband gebruikt, waaruit dus in feite blijkt – als je het begrijpt, dan zie je de connectie meteen – dat de wet profetie is. En inderdaad, voortdurend worden daar die termen gebruikt: "Je zult" en "Je zult niet". Dat is profetie. En op het moment dat het profetie wordt, is de wet nog steeds dezelfde, maar de bedekking is ineens van de wet genomen – dat waardoor je niet verstond wat er in die wet stond. Paulus zegt ook: tot op de dag van vandaag – en dat is nu nog steeds zo – ligt er een bedekking bij de voorlezing uit het Oude Verbond. Ze begrijpen het niet. Totdat de bedekking wordt weggenomen, en dan zullen ze zien dat het profetie is en dat de profetie vervuld is in de Messias.
De Misleiding: een Bevrijdende Belofte Wordt een Belastend Commando ↑ hoofdstukken
Ja, dat betekent dus dat een bevrijdende belofte een belastend commando wordt. Maar dat is zonde. Iets geweldigs, het goede van God, tot zoiets maken: een belofte veranderen in een belastend commando dat je onmogelijk kunt vervullen. Dat is zonde, ja, met recht zonde. Het gebod ten leven wordt zo ineens een dodelijke prikkel. En dan vers 13: "opdat de zonde overtreffend zonde zou worden door het gebod." Want dit is een belangrijk punt: juist wanneer zonde een religieus, godsdienstig en vroom gewaad krijgt, dan wordt het overtreffend zondig.
Wil je dat herhalen? Ja, want het is belangrijk genoeg. Juist wanneer de zonde godsdienstig wordt, wordt ze overtreffend zondig. Waarom? Omdat het geweldige van God, het goede dat ten leven is, verdraaid wordt tot iets dodelijks en iets belastends. En dat wat bevrijding is, wordt juist tot een last en een complex probleem gemaakt. Maar dat is zonde als je dat doet met het grootste wat God geeft: Zijn woord. In feite is dat het hele verhaal van het oude verbond.
Ik zit er nu nog even over door te denken terwijl ik erover spreek: feitelijk is dat ook wat er met het evangelie gebeurd is. Dat is zo geweldig groot wat God daarin behoeft en geeft. Ik heb juist gisteren nog een artikeltje geschreven op mijn blog over een plaatsgenoot, de heer Henk Binnendijk, die een interview op het CIP had. Hij schreef daarover dat tegenwoordig in de kerken de genade zo goedkoop is. Wat hij eigenlijk zegt, is: "Ja, het gaat allemaal niet zomaar hoor, het is allemaal zo goedkoop." En hij stelt daar feitelijk een 'dure genade' tegenover, want ja, je komt dan niet zomaar binnen. Er zijn allerlei dingen, en pas als je binnen bent, dan gaat het — ik citeer vrijwel letterlijk — pas als je binnen bent, dan gaat het offer van Christus pas werking en effect krijgen.
Kijk, nu kun je zeggen: Henk Binnendijk is een aardige man. Ik vind hem ontzettend aardig en ik ken hem toevallig een beetje persoonlijk, dus daar gaat het niet om. Kan hij geweldige dingen vertellen? Absoluut. Maar dit, sorry dat ik het zeg, dit is killing. Want het geweldigste en het grootste wat God te bieden heeft, namelijk werkelijk een blijde tijding voor alle mensen, wordt op deze manier gewoon te grabbel gegooid. Aan dat wat God 'gratis' noemt, wordt gewoon een prijskaartje gehangen. En het maakt mij geen bal uit of er nu een cent op staat of honderd miljoen euro; in beide gevallen heb je de genade tenietgedaan. Want het is niet meer gratis. Gratis wil zeggen: voor niks.
Op het moment dat je zegt: "Ja, maar je hoeft er niet veel voor te doen," dan heeft Henk Binnendijk daar kritiek op, want hij vindt dat het allemaal wat zwaarder aangezet moet worden. Weet u wat zwaarder aangezet moet worden? Dat het gratis is! En als je daar iets van afdoet, dan heb je geen evangelie meer. Paulus zegt in Galaten 1: "Tracht ik thans nog mensen te behagen?" Nou nee, dat niet echt. Je scoort daar misschien niet mee in die setting; in de religieuze wereld word je er niet populair van. Maar als ik van de genade van God iets afdoe, dan heb ik het evangelie verdraaid. En Paulus zegt: dat is geen evangelie. Hij spreekt daar zelfs een anathema over uit.
Als u zegt: "Dat vind ik wel heel zwart-wit," dan klopt dat; dit is verschrikkelijk zwart-wit. Er valt ook niet mee te sjoemelen, dat is het grote punt. Hier valt niet mee te sjoemelen. Het is genade en dus voor iedereen. "Allen zondigden en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade." Dat is wat de Schrift zegt. Ga dan niet bij die boodschap zeggen: "Ja, maar het is maar goedkoop." Goedkoop? Het is gratis!
Waarom zeg ik dit nu? Omdat juist in de godsdienstige versie blijkt hoe zondig de zonde is. Men heeft het grootste en het heerlijkste wat God te geven heeft, gemaakt tot een last en in feite tot een afschuwelijke boodschap. Want als je daar niet 'binnen' bent, dan ben je voor eindeloos in de hel. Nou, alsjeblieft. Dan heb je een geweldige blijde tijding tot zijn tegendeel veranderd. En dan ben je er nog veel beroerder aan toe dan je ongelovige buurman die zegt dat het met de dood gewoon over en uit is. Dan is de zonde overtreffend zonde geworden.
De Innerlijke Strijd: het Goede Willen, het Kwade Doen ↑ hoofdstukken
Paulus zegt: "Want wij weten dat de wet geestelijk is." Maar, zegt hij, "ik ben van vlees." Elders lees je ook nog over vlees en been, maar vlees is eigenlijk een heel mooie term voor dat zachte, dat zwakke van de mens. Ik ben van vlees. Trouwens, ik moet er nog iets bijzonders bij zeggen: ik had het zojuist over de ik-vorm die tot en met het einde van het hoofdstuk wordt gebruikt, maar vanaf hier spreekt Paulus ook in de tegenwoordige tijd. De tegenstelling is dus niet: vroeger kon ik het niet, maar nu ik christen ben geworden kan ik het wel. Dat is in sommige eenheden een beetje de versie: vroeger lukte het niet, maar nu ben ik gelovig en nu kan ik het wel. Nee, dat is niet de tegenstelling. De tegenstelling is niet tussen vroeger en nu. Het is niet zo van: nu ik gelovig ben, ben ik er wel toe in staat. Nee, de tegenstelling is tussen 'ik' en 'Hij'. Het grote antwoord — en nu loop ik dus vooruit, maar ik had het toch al verklapt — is: Hij doet het. En dat is het antwoord. Hij kan het, Hij belooft het, en dus gebeurt het ook. Probeer daar dan maar eens iets tegenin te brengen. Ik kan het niet, nu nog steeds niet, want ik ben nu nog steeds vlees. Ik bedoel gewoon naar de ervaring en de beleving. Ben je nu echt anders dan je buurman of buurvrouw? Oh, u zegt: "Ja, maar ik ben in Christus Jezus." Nou, dat is heel mooi als je dat ziet en als je zo gaat rekenen, maar naar de ervaring moet je je hier niets verbeelden dat jij nu beter bent geworden omdat je christen bent geworden, of hoe je dat noemen wilt. Nee, Paulus zegt: "Ik ben van vlees en ik ben in die hoedanigheid verkocht onder de zonde." Dit lichaam is nog net zo sterfelijk en doelmissend als dat van iedereen. De verlossing van ons lichaam — dat is trouwens Romeinen 8 — dat wacht nog in de toekomst. Dan wordt ook ons lichaam verlost, dat is van een andere orde.
Want wat ik bewerk... nu wordt het echt complex in psychologische zin. Want wat ik bewerk, weet ik niet. Want niet wat ik wil, dat verricht ik, maar wat ik haat, dat doe ik. Ik wou bijna zeggen: de psychiatrische inrichtingen zitten er vol mee, maar niet alleen daar. Want we weten eigenlijk altijd: alles wat je aandacht geeft, dat wordt groter. Dat is psychologie van de koude grond, maar het is wel zo. Kent u dat fenomeen? Dat je een krasje op je auto hebt? Niemand ziet het, maar als jij erg op je auto gesteld bent — mij maakt het niet zoveel uit, ik denk dan: dat is mooi meegenomen, want het tweede krasje merk ik minder erg op dan het eerste — maar in ieder geval, dat is net zoiets met een vlekje. Toon Hermans heeft daar ooit zo'n liedje over geschreven: dat vlekje, op het moment dat je ernaar kijkt, wordt het steeds groter. Dat is ook zo: op het moment dat je denkt "ik mag niet begeren", dan haat je die begeerte, maar juist daardoor wordt het alleen maar groter. Het slokt alle aandacht op. Paulus zegt: "Dat doe ik." Hij zegt: "Indien ik dat doe wat ik niet wil, dan stem ik toe dat de wet goed is." Wat hij hier dus niet doet, is de norm ter discussie stellen. Die wet, de normstelling, dat is het probleem niet; die is correct. Maar het probleem is: ik kan het niet.
En dan zegt hij erbij — en mensen vinden dat weleens een excuus, dat je dat eigenlijk niet mag zeggen — hij zegt: "Maar let eens op, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde die in mij woont." Ja, dat is makkelijk, "dan bewerk ik het niet, maar de zonde die in mij woont". Maar dit is namelijk de oorzaak: de zonde die in mij woont. En laat ik het nu nog even concreter maken, of eigenlijk in herinnering roepen: in vers 11 zagen we al dat het de zonde was die het gebod misleidend heeft uitgelegd. Dat is het: ik ben misleid. Dus het is niet zozeer 'ik' die dat doe, nee, het is de zonde, namelijk de misleiding die zich meester heeft gemaakt van mij. "Want jij mag dat niet." De tragische, complexe uitwerking van de zonde die Paulus hier beschrijft, is het gevolg van de misleiding waar hij religieus eigenlijk vanaf zijn bar mitswah mee getobd had, als dat de uitleg is. Want, zegt hij in vers 18: "Ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont." Wat bedoelt hij met "in mij"? Nou, dat vlees. Dat vlees is gewoon onmachtig en zwak, sterfelijk. Daar moet je niets van verwachten. Ik moet er trouwens bij zeggen: Paulus beveelt nooit, hij heeft het er nooit over — dat staat wel in een doopformulier in de protestantse kerken, als ik me niet vergis — dat wij zouden "strijden tegen de zonde". Kijk het maar na in uw Bijbel, u zult het nooit vinden. Paulus zegt in Efeze 5: "Niemand haat ooit zijn eigen vlees." Dat doet hij hier ook niet. Hij zegt alleen: in het vlees woont geen goed. Het is niet goed om vanuit het vlees te handelen, want het is onmachtig en zwak. Het vlees heeft leiding nodig. Als de Bijbel spreekt over de werken van het vlees, dan wil dat zeggen dat je gewoon doet wat het vlees je ingeeft. Niet de impulsen zelf die het lichaam geeft zijn fout, maar het feit dat je daar de leiding aan geeft. Paulus stelt gewoon vast: van mijn vlees moet ik het niet hebben. Oké, dat is even de korte versie, want het vlees is daar ongeschikt voor. "Want het willen ligt naast mij, maar het goede bewerken niet." We weten het allemaal: goede intenties... hoe was het ook alweer? De weg naar de hel — die overigens niet bestaat — is geplaveid met goede intenties, met goede voornemens. Maar dat is niet genoeg natuurlijk. Je kunt het wel willen, maar kijk, wat is nu het punt? En ik wil me er echt voor hoeden om psychologie te gaan bedrijven, maar het ligt er wel heel dichtbij.
Een mens heeft namelijk zekerheid nodig als hij iets wil doen. Om gemotiveerd te zijn, is het onvoldoende om alleen te weten dat iets goed is. Ja, dat kan wel wezen, maar als je denkt dat je het niet kunt, dan is dat in feite hetzelfde als dat je het niet kunt. Als ik denk: "Ik kan nooit piano spelen", dan zal ik het ook nooit kunnen, want dan ga ik het niet eens proberen. En trouwens, als ik het al ga proberen, dan is dat nog geen motivatie. Dat zie je bij een heleboel dingen waar mensen echt mee tobben, of met drugs. Mag ik daar één persoonlijk ding over vertellen? Ik was een jaar of 31, ik had Petra net ontmoet. Ik had vanaf mijn dertiende tot het einde van mijn dertigste behoorlijk gerookt. Ik had diverse keren pogingen gedaan om te stoppen met roken. Maar bij "pogingen", daar zie je het al: je probeert het en dan weet je eigenlijk al dat het niet gaat lukken. Ik zeg heel vaak: bij het proberen zit de mislukking er al in. "Ik probeerde de deur dicht te doen" — dat is dus niet gelukt. Nee, wat veranderde er? Er kwam een moment — de details doen er niet toe en ik zal ze u besparen want de tijd dringt — maar er komt een moment dat je weet: dit is klaar, dit gaat veranderen. Dan weet je: het zal niet meer gebeuren. "Ik rook niet meer." Dan is het niet meer een wens of een intentie, dan voorzeg je eigenlijk zelf al: ik zal het niet meer doen. Maar dan heb je zekerheid dat het kan en dat je het dus ook zult doen. Dat is belangrijk: bij een poging mis je de zekerheid en daarom ook de motivatie om het daadwerkelijk te doen. Paulus zegt: "Ja, die intentie is niet genoeg." Je hebt zekerheid nodig. En dat is nu het geweldige van Gods belofte, want die geeft je die zekerheid. Die zegt: "Jij zult." En dat ook nog eens zonder verdere verklaring.
En die heb je niet nodig, want als je daarop vertrouwt, als je mag zeggen dat God zegt: "Ik zal", dan heb ik zekerheid. Daar vertrouw je dan ook op en dan is het probleem opgelost. Dat is simpel; dit is echt zo simpel. Wie poogt, is onzeker over de uitkomst.
Nog even verder, want niet het goede wat ik wil doe ik, maar het kwade wat ik niet wil, dat praktiseer ik. Maar indien ik doe wat ik niet wil, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde die in mij woont. Ja, dat was wat hij ook al in vers 17 had gezegd. In feite hoef ik er nu eigenlijk ook niet zo diep op in te gaan, want dit is echt een cirkeltje. Dit is een cirkelredenering. Je draait eigenlijk in een rondje in je eigen onvermogen.
En je probeert je aan je... hoe was het ook alweer wat die graaf daar ooit deed, die in de modder wegzakte? Die probeerde zich aan zijn eigen haren uit de modder te trekken. Ja, dat gaat dus niet gebeuren. Dat lukt niet. En dan kun je zeggen: "Moet je harder trekken?" Nou, nog niet hoor. Dat is de weg niet.
Dus, zegt hij, vind ik deze wet. Maar nu bedoelt hij niet de wet van God, maar gewoon de wetmatigheid. Zoals wij ook spreken over een natuurwet; het is gewoon een wetmatigheid: waar ik het goede wil doen, ligt het kwade in mij erlangs. Hij zei: "Want ik verlustig mij in de wet van God naar de innerlijke mens." Dat wil zeggen: in mijn denken weet ik: dit is het! Dat wist hij, daar twijfelde Paulus ook niet aan. Daar verlustigt hij zich in, wetend dat de wet heilig, rechtvaardig en goed is.
Maar ik zie, ik stel gewoon in mijn waarneming vast, een andersoortige wet. Namelijk: je hebt de wet van God, en dit is een natuurwet in mijn leden die oorlog voert tegen de wet van mijn denken. Die wet van mijn denken, dat is die innerlijke mens die zich verlustigt in de wet van God. En hij zegt er ook nog bij: "en mij in krijgsgevangenschap brengt in de wet van de zonde die in mijn leden is." Ik zei al: dit is complex, hè? Dit is heel complex, ook als je het opleest, maar het is wel herkenbaar.
Het Failliet van de Godsdienst: Ik Ellendig Mens! ↑ hoofdstukken
Ik denk dat heel veel mensen, als je dit gewoon op je in laat werken, het wel herkennen, in meerdere of mindere mate. Dit is het conflict, de oorlog. Paulus spreekt daarover: de oorlog, het is een strijd, een conflict. En het brengt je in krijgsgevangenschap. Je wordt gewoon een slaaf. Het is dus een oorlog die je verliest; dat is wat krijgsgevangenschap is: een verloren strijd. Die wetmatigheid is in mijn leden. ‘Leden’ is een mooie anagram van ‘delen’, namelijk de lichaamsdelen. Gewoon mijn handen en mijn handelen. Want in feite zijn je lichaamsdelen ook weer functies: dit zijn mijn handen en daar handel ik mee, dit zijn mijn voeten en daar wandel ik mee, enzovoorts.
Hij zegt: dat is die wetmatigheid die ik in mijn leden zie. Mijn intenties schieten gewoon volstrekt tekort. Die intenties mogen goed zijn, maar dat is dus niet waar ik het van moet hebben. En dan roept hij uit: ‘Ik ellendig mens!’ Sommige mensen in ons lieve vaderland, maar ook daarbuiten, denken dat dit ongeveer het toppunt is van geestelijk leven. Als je in je leven tot dit stadium komt van ‘ik ellendig mens’, dan moet je dat vooral heel goed kunnen beschrijven en kunnen documenteren dat je echt zo die ervaring hebt opgedaan.
Maar even los daarvan: ‘Ik ellendig mens’, dit is de feitelijke conclusie van deze strijd. Paulus wist ook waar hij het over had. Hij was ernstig genoeg, ook als Joodse jongen al; hij is daar groot mee geworden. Toen werd hij een zoon van de wet, een bar mitswah, en toen is hij daar zo actief mee geweest. Hij beschrijft dit, want zó werkt dat. Wat hij hier feitelijk ook mee aangeeft, is dat het het failliet van godsdienstigheid is. Want zijn intentie is: ‘Ik verlustig mij in de weg van God’, ja, maar ik kán het dus niet. Dat betekent dus dat je godsdienstigheid failliet is. Als de wet ten leven, het gebod ten leven, jou zo doodongelukkig maakt, dan is dat toch het faillissement van religiositeit?
Vrome pogingen leiden tot niets. En als je eenmaal bij dat punt aangekomen bent, dan heb je in feite je plafond erkend. Verder kan ik niet, ik kan niet verder. En wat doe je dan? Als je bij dat punt aangekomen bent, dan ga je om je heen kijken. Want ik kan het niet, ja, wat moet je dan? Dan ga je hulp vragen. ‘Wie zal mij uitredden uit dit lichaam van deze dood?’ Want daarmee heeft het te maken, uiteraard met het feit dat dit een sterfelijk, zwak lichaam is. Daarmee heeft hij te maken en Paulus zegt: ‘Wie redt mij uit?’
Nu komt vers 25, en ik ben blij dat dat erbij staat. Eigenlijk is vers 25 bijna het einde van dit hoofdstuk, maar dit wordt in een lang hoofdstuk in Romeinen 8 vervolgens toegelicht. Een heleboel mensen denken bij wat Paulus zegt over de ‘ellendige mens’ — en dit is even de reformatorische uitleg, en dat zeg ik helemaal niet spottend want het is echt zo — zij zeggen: ‘Zie je wel, dit was ook de ervaring van Paulus als gelovige, dat hij iedere keer weer zei: ik ellendig mens.’
Nee. Niet omdat Paulus inmiddels beter was geworden, maar omdat hij het antwoord had op deze vraag: ‘Wie zal mij uitredden?’ Dat is een vraag: wie zal mij uitredden? En wat is het antwoord dan? Vanuit het gegeven antwoord dat hij nu ook in Romeinen 8 en de navolgende hoofdstukken gaat toelichten, blijkt dat de vraag hier voor hem geen vraag meer was. Hij weet het antwoord, maar hij kan het hele traject beschrijven. En juist daarom kan hij ook zo trefzeker het antwoord geven. Hij weet hoe het werkt.
‘Ik ellendig mens.’ Waarom? Ja, alle vrome pogingen leiden tot niets. Ik doe mijn best, ja, maar dat is dus niet toereikend. Totaal niet zelfs. ‘Ik ellendig mens, wie zal mij redden?’ En dan staat er: ‘Gode zij dank!’ Met andere woorden: hij weet dat er een uitweg is. Er is er één die het Doel is. Hij kijkt de goede kant op. Kijk, als je het meer dan dertig keer over jezelf hebt gehad — ik, mij — en als je dan de conclusie trekt: ‘Ja, maar daar moet ik het niet van hebben’, dan ga je op een gegeven moment zeggen: ‘Wie dan wel?’ Nou, dan ga je omhoog kijken, toch?
De Uitredding: Gode Zij Dank Door Jezus Christus ↑ hoofdstukken
En nu is het antwoord: Gode zij dank! Trouwens, het is opmerkelijk dat hij hier begint met charis. Dat heeft in dit geval te maken met dank, maar charis betekent gewoon genade. Genade. Het antwoord is ook hier weer: genade. Dat is het antwoord. God redt. En het zijn niet mijn pogen, niet mijn pogingen of mijn proberen, maar Gods belofte. God zegt het, en dus is het niet meer een kwestie van: "jij zult niet begeren" in de zin van "ik mag niet begeren". Nee, het is een belofte geworden. De bedekking is weggenomen en dan heb je ineens zekerheid. Je hoeft ook niet eens meer te pogen, want je hebt zekerheid gekregen.
Het probleem is niet dat ik het niet kan. Ja, dat was natuurlijk wel het probleem. Oké, dat was het probleem wel. Maar als je eenmaal het antwoord weet van: "ja, maar mijn onvermogen is geen probleem, geen obstakel"... Integendeel, in feite is mijn onvermogen niet het probleem. Het is eigenlijk het antwoord, of daar begint het antwoord. Want dat onvermogen is ons plafond. Ik kan niet verder, maar dat is voor God de vloer. Kijk, als jij het niet kunt, zegt God: "Ik ga het wel doen." En wat ga je dan doen op het moment dat je dat hoort? "Ik ga het doen. Jij stopt nu maar met je poging. Ik beloof: jij zult." En dan ga je danken, want er wordt niets meer van jou verwacht. Hij zegt: "Gode zij dank." En dan kijk je de goede kant op. Dan kun je de eigen pogingen rustig staken en dan wordt het shabbat; dan wordt het rust.
Hij zegt: "Door Jezus Christus, onze Heer." Dat is ook Romeinen 8. We zijn verbonden — dat was trouwens ook Romeinen 6 — ik ben verbonden met Hem die opgestaan is uit de doden. Dat is leven, een onvergankelijke kracht die in mij woont. En Zijn Geest woont in mij en die is absoluut krachtig en vermogend. En als ik dat weet, tot zekerheid, ja, dan wordt de belofte vervuld.
Nu krijg je een samenvatting van het hele probleem: "Dus ben ik inderdaad zelf met het denken slaaf aan Gods wet, maar met het vlees aan een wet van zonde." Oké, dat was dus het probleem. Het is de afsluiting. En Paulus beschermt dit, en dit is heel belangrijk. Ik wees er zojuist op en ik herhaal het nu — dat is ook het laatste wat ik erover zeggen wil: Paulus beschrijft de strijd in Romeinen 7 vanuit het antwoord dat hij heeft. Het is niet het normale christelijke leven om altijd maar te tobben en te pogen en te strijden met de vaststelling dat het niet lukt. Niet omdat jij het nu wel kunt of omdat jij het nu wel kunt pogen, of dat jouw proberen nu wel succes heeft. Nee, wij proberen helemaal niet meer. Wij leven uit Gods belofte. En dat is het grote verschil. Dat is het grote antwoord wat dan inderdaad in Romeinen 8 ook toegelicht wordt. Nou, daar wilde ik het graag bij laten voor morgen.
UltimateGoodNews