GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

duimen voor Adoni-Bezek

16-05-2021 - Geplaatst door Andre Piet
zondag 16 mei 2021 in Rotterdam (Gezonde Woorden)

In Richteren 1 :1-8 lezen we een eigenaardige geschiedenis, pal na de dood van Jozua. Juda moet het voortouw nemen om het beloofde land te veroveren. De inwoners van het land worden verslagen en hun aanvoerder, Adoni-Bezek, wordt gegrepen en de duimen van zijn handen en voeten worden afgehakt. Daar had Adoni-Bezek ervaring mee want zeventig koningen hadden onder zijn tafel met afgehakte duimen de kruimels opgeraapt. Adoni-Bezek wordt naar Jeruzalem gebracht alwaar hij sterft. Want Juda had in Jeruzalem gestreden en haar inwoners gedood en de stad in brand gestoken.

Wat doet dit verhaal in de Bijbel? In welk opzicht zet deze eigenaardige opening van ‘Richteren’ de toon voor het hele boek?

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De studie behandelt de typologische betekenis van de eerste acht verzen uit het boek Richteren. De periode na de dood van Jozua verwijst naar de huidige tijd na de opstanding van Christus en voorafgaand aan de openbaring van het Koninkrijk. De geschiedenis van Adoni-Bezek, wiens duimen werden afgehakt, illustreert het oordeel over het hoogmoedige Sanhedrin dat ten onrechte het land claimde. Tot slot wijst de inname en verbranding van Jeruzalem door de zonen van Juda vooruit naar de uiteindelijke verwoesting van de stad door de mond van het zwaard in het jaar 70.

“Als ik het zo formuleer, blijkt eigenlijk meteen dat het boek Richteren feitelijk verwijst naar de tijd van nu.”

Inleiding: de Typologische Betekenis van de Richterentijd ↑ hoofdstukken

Ik ga over iets totaal anders spreken, en de boosdoener van dit alles is Gerard, die mij afgelopen vrijdag appte met de vraag: "Weet je al waar je het over gaat hebben?" Toen zei ik: "Nou, ik heb nog geen knoop doorgehakt – en ook geen duimen trouwens, maar daarover straks meer." Ik zei: "Maar misschien heb jij een suggestie?" En toen kwam hij met de geschiedenis uit Richteren. Ik weet absoluut zeker dat er niemand hier is die zegt: "Gaan we het nu wéér over die duimen van Adoni-Bezek hebben?" Want ik had het er met Petra nog even over: "Weet jij daar iets van, van Adoni-Bezek? Weet je iets van die duimen van Adoni-Bezek?" Niemand weet er wat van.

Ja, en dit "duimen voor Adoni-Bezek", dat is een beetje dubbelzinnig. Bij ons is duimen het meervoud van duim, maar het is natuurlijk ook een werkwoord: je duimt voor iemand. Die associatie zit er ook bij, en dat wordt vanzelf nog wel duidelijk. Adoni-Bezek wist daar alles van. We komen daar allemaal over te spreken.

Laat ik eerst even wat vertellen over het boek Richteren. We gaan in feite de eerste acht verzen van het boek Richteren bespreken. Dan is het misschien wel handig om in het algemeen iets te zeggen over dit Bijbelboek en vooral over de achterliggende betekenis. Want het zal u niet verbazen dat ik met name daar ook wat dieper op in wil gaan. Niet alleen op de geschiedenis zoals die verhaald wordt, maar ook op de vraag waarom het überhaupt in de Bijbel is opgenomen en waar het naar verwijst.

Als ik het historisch neerzet, wordt het eigenlijk meteen al duidelijk. Je krijgt eerst de chronologische lijn: Mozes, als representant van de wet. Na de dood van Mozes nam Jozua het stokje over. En na de dood van Jozua begint het boek Richteren. Dat zie je meteen al in hoofdstuk 1 vers 1, wat ik straks nog laat zien. En dan krijg je een hele tijd... ja, niks. Nou ja, die periode is in veel opzichten inderdaad "niks"; het is nogal negatief gekleurd. Zo wordt het ook heel vaak in het boek als een refrein vermeld: er was in die dagen geen koning en ieder deed wat goed was in eigen ogen. Het zou nog eeuwen duren na de dood van Jozua voordat Israël een koninkrijk werd en een koning kreeg, eerst met Saul en vervolgens de Davidische koningen uit het huis van David.

Als ik het zo aangeef, typeert het de tijd na Jozua en vóór het koninkrijk. En als u nu een beetje dubbelzinnig luistert – u heeft immers twee oren – houd dan de gedachte vast: wat zit daarachter? Typologisch spreekt het namelijk van de tijd na de opstanding van Christus. Je zou kunnen zeggen: na Mozes, na de wet, en vervolgens na de opstanding van Christus. Want u weet het, of u weet het niet, maar het boek Jozua is vooral het boek van ná de doortocht door de Jordaan. Jozua bracht hen in het beloofde land, en die doortocht door de Jordaan is in wezen de weg door de dood heen naar nieuw leven; door de doods-Jordaan heen. Maar het is ook de tijd voordat het koninkrijk openbaar wordt.

Als ik het zo formuleer, blijkt eigenlijk meteen dat het boek Richteren feitelijk verwijst naar de tijd van nu. Namelijk de tijd na Mozes, na het oude verbond, maar ook na de opstanding van Christus en voorafgaand aan het koninkrijk dat hier op aarde geopenbaard zal worden. Dat duurt nog even, en die tijd daartussen is een Richteren-periode. Dat is in feite de tijd waarin wij leven: na de opstanding van Christus, maar voordat het koninkrijk hier op aarde openbaar wordt vanuit Jeruzalem, vanuit de vervallen hut van David die opgebouwd gaat worden. Maar dat is nabije toekomst.

Nou, dat even ter inleiding. Ik had het eigenlijk niet eens zo hoeven doen, want ik had ook gewoon bij vers 1 kunnen beginnen. Dat doen we nu dan ook, want daar staat in het eerste hoofdstuk: "En het geschiedde na de dood van Jozua..." Nou, daar begint dus het boek.

Na de Dood van Jozua: de Toewijzing aan Juda en Simeon ↑ hoofdstukken

En het is opmerkelijk als je dat vergelijkt met het boek Jozua. Want in Jozua 1 vers 1 staat: "na de dood van Mozes". Zodat daar dus heel duidelijk die chronologische link zit. De periode van Mozes is afgesloten, dan krijg je de periode van Jozua. En na de periode van Jozua krijg je het boek Richteren, waarbij de dood van Jozua aangeeft dat hij niet meer op het toneel is. Dat is het idee.

En als ik er dan nog bij zeg dat Jozua een Hebreeuws woord is — Jozua — maar als je het op zijn Grieks zegt, dan zeg je Iesous, of Jezus, of in welke taal je het ook zegt; wij zeggen dan Jezus. Maar in feite is Jezus de Nederlandse verhaspeling van het Griekse woord, dat eigenlijk oorspronkelijk Hebreeuws is: Jozua dus. Je kunt zeggen: ik hoor het er nauwelijks nog in terug. En toch gaat dat zo met transliteratie en met woorden die je overzet in een taal; die herken je soms nauwelijks meer. Moet je maar eens een keertje tegen een Chinees "Peking" zeggen. Peking-eend, dat begrijpen ze wel, maar Jozua is de naam die betekent: "Yahweh redt".

Ik heb er een verwijzing naar Hebreeën 4 vers 8 bij vermeld. Daar staat inderdaad dat Jozua hen in het land bracht, maar in het Griekse Nieuwe Testament staat daar gewoon exact de naam Jezus. Exact dezelfde naam. Nou goed, dan weten we dus in welke sfeer we spreken.

En het geschiedde na de dood van Jozua dat de zonen van Israël Yahweh vroegen: "Wie van ons zal optrekken tegen de Kanaäniet om de strijd tegen hen te beginnen?" U ziet, ik heb hier de interlineair en deze vertaling sluit daar wat bij aan. Dan krijg je dus ook het verhaal dat er staat "de Kanaäniet" en niet "de Kanaänieten". Zo wordt het in het Hebreeuws ook inderdaad weergegeven, in het enkelvoud. Nou ja, dat soort eigenaardigheden.

Maar de eerste vraag die zich dus aandient in het boek Richteren is deze: wie van ons zal optrekken, oftewel wie van de zonen van Israël, tegen de Kanaäniet om de strijd tegen hen te beginnen? Tegen de Kanaäniet, dat wil dus eigenlijk gewoon zeggen: tegen de inwoners van het land die, dat moet duidelijk zijn, ten onrechte het land claimden. Ja, die kwestie is in onze dagen nog zeer actueel. Want nu zijn we duizenden jaren verder en nog steeds is er zoveel gedoe over: van wie is dat land nu eigenlijk? Maar ik ga vanmorgen mijn nek niet uitsteken naar de politieke actualiteit. Dat doet nu namelijk niet ter zake.

Nou, de vraag is dus daar: wie van ons gaat dat dan doen? En Yahweh zei — en er wordt niet vermeld hoe dat antwoord dan kwam, maar we weten uit andere schriftplaatsen via welke weg dat kennelijk ging: via de Urim en de Tummim. Dat waren van die stenen waarmee de hogepriester inderdaad een goddelijk antwoord doorgaf. Het wordt hier niet vermeld, dus ik hoef daar verder ook niet op in te gaan; Yahweh is het die hier antwoord geeft. En het antwoord is volstrekt helder: "Juda zal optrekken. Zie, Ik geef het land in zijn hand."

Waarom dat antwoord zo klinkt, begrijp je als je in je herinnering roept hoe dat ooit al bepaald was. Dan ga ik helemaal terug naar Genesis 49. Honderden jaren tevoren was op het sterfbed van Jakob al gezegd dat aan Juda de scepter was toevertrouwd. Aan Juda zou de scepter, de heersersstaf, tussen zijn voeten gegeven worden. Hij zou de koninklijke stam zijn. Nou, ik zei al: het koninkrijk zelf zou nog wel tijden duren voordat het zou aanbreken, maar niettemin is die functie, die rol, aan deze stam toegekend. Feitelijk refereert het antwoord van Yahweh hier direct aan die belofte die ooit al gegeven was op het sterfbed van Jakob. Juda zal optrekken. Zie, Ik geef het land in zijn hand.

Toen zei Juda tot Simeon, zijn broeder, zijn mede-erfgenaam — en daar zit in dit geval ook nog wat meer achter. Eerst nog even dit: hij zegt: "Trek met mij op in mijn lotsdeel en laten wij strijden tegen de Kanaäniet." Je zou de vraag kunnen stellen: hoezo Simeon? Want het verhaal is dat Simeon een lotsdeel had binnen Juda. Ik zeg een lotsdeel; ik zou ook kunnen zeggen een erfdeel, maar eigenlijk is het Bijbelse woord "lotsdeel", want het land was namelijk via loting aan de stammen toevertrouwd.

In feite is de Bijbelse gedachte bij loting dit: wij mensen geven ons oordeel niet, wij weten het niet, maar er is slechts Eén die het weet en we geven het aan Hem over. Daarom lees je ook bijvoorbeeld in het boek Spreuken dat het lot wel in de schoot geworpen wordt, maar elke beslissing daarvan is van Yahweh. Want als een mens daar geen invloed op heeft, dan is het Yahweh Zelf die rechtstreeks daarmee antwoordt.

Simeon had dus een lotsdeel binnen Juda. Dat kan ik wel even via een kaartje weergeven. Dit is het gebied van Juda en Simeon had daar plekken binnenin. Het wordt hier als een geheel weergegeven, maar feitelijk waren het gewoon plekken; een beetje vergelijkbaar nu met de Palestijnse nederzettingen in het land. In ieder geval, Simeons gebieden lagen in het gebied van Juda. Dat heeft ook weer te maken met een ander fenomeen: dat Simeon dikwijls in één adem genoemd wordt met Juda. Als je het geografisch bekijkt, snap je dat meteen. Simeon is eigenlijk helemaal omsloten, inbegrepen in Juda. Je ziet het bijvoorbeeld in Deuteronomium 33, waar je de uitgebreide zegen van Mozes vindt aan het einde van zijn leven; daar wordt Simeon niet eens genoemd, maar wordt hij inderdaad al inbegrepen en gerekend tot Juda.

Dat heeft ongetwijfeld ook te maken met het feit dat je idealiter een telling van twaalf hebt. Maar aangezien Jozef dubbel gerekend wordt — want hoeveel stammen zijn er nou? Twaalf, dertien? Dat hangt er een beetje vanaf hoe je telt — is het in de praktijk zo dat Jozef eigenlijk al gerekend wordt als twee stammen: Manasse en Efraïm. Als je dan al die andere zonen er ook nog bij zou rekenen, zou je er dertien hebben. Vandaar dat er in opsommingen meestal toch maar twaalf vermeld worden. Wil je dat twaalftal houden met die dubbele telling van Jozef, ja, dan moet er één afvallen en dat is Simeon, die eigenlijk gewoon gerekend wordt tot Juda.

Vandaar dat samenspel tussen die twee; dat vind je veel vaker. En toen zei Juda tot Simeon, zijn broer: "Trek met mij op in mijn lotsdeel en laten wij strijden tegen de Kanaäniet, en ik zal ook optrekken met jou in jouw lotsdeel." En Simeon ging met hem mee. Het is eigenaardig dat er twee keer in dit ene vers wordt gesproken over "jouw lotsdeel" en "mijn lotsdeel". Nogmaals, dat is niet zomaar een erfenis, maar dat is iets wat je door loting ten deel is gevallen. Door het dubbel te vermelden krijgt het extra nadruk: het gaat hier echt om wat het volk naar goddelijke toewijzing heeft ontvangen. Want dat is loting: goddelijke toewijzing.

En dan staat er in vers 4: "En Juda trok op..." En Yahweh gaf de Kanaäniet en de Perizziet in hun hand. Heel uitdrukkelijk wordt dit dus aan God toegeschreven.

Juda en Simeon representeren hier heel uitdrukkelijk het gelovig deel van Israël. Ik zeg het er even expres bij waarom; dat zal vanzelf nog wel duidelijk worden als ik het vooral in een typologisch licht wil gaan zien. Dat wordt vanzelf wel duidelijker. Maar in ieder geval: Juda en Simeon representeren het gelovig deel.

JAHWEH is het die de Kanaäniet en de Perizziet in hun hand geeft. Ja, ze worden vaker samen genoemd, al veel eerder, in Genesis 13 al. Maar meestal, ook in ons spraakgebruik, heten ze gewoon 'de Kanaäniet' en duiden we ze daaronder aan als verzamelnaam. Wie wonen er in Kanaän? Nou, de Kanaänieten. Maar in de praktijk waren het veel meer stammen; in Genesis 15 worden er zelfs zeven stuks genoemd. Het zijn eigenlijk grote, uit de kluiten gewassen families, want dat is wat stammen zijn. Een volk is eigenlijk ook een hele grote familie.

Leuk hè? Zoals Nederlanders onder elkaar. Wij zijn ook een familie. Wij zijn trouwens ook een volk. Nee, geen natie, maar wel een volk. Maar in ieder geval: de Kanaäniet. En...

Het Goddelijk Oordeel in Bezek en Adoni-bezek ↑ hoofdstukken

En ze sloegen hen neer in Bezek. Tienduizend man. Of dat allemaal strijders geweest zijn... er was geen speciale oproep voor militairen, maar in feite waren het alle strijdbare mannen. Zo wordt het ook heel vaak genoemd: iedereen die iets vast kon pakken. De mannen moeten in ieder geval hun vrouwen en kinderen beschermen; dat is de reden waarom die mannen strijden. In ieder geval worden er tienduizend man neergeslagen in Bezek. Bezek betekent 'bliksem'.

Het is heel logisch wat bliksem in feite is. Vroeger schreef men bliksem en donder direct aan God toe. Als u mij vraagt naar de associatie met hoogmoed, zoals men erover dacht... men begreep vroeger veel beter wat typologie is, ook in de natuur. Zoals Art zojuist vertelde over de betekenis van kleuren: het is Gods schepping, daar gaat een sprake van uit. Dat geldt ook voor natuurlijke fenomenen zoals de bliksem. Dat is licht dat van boven komt. Het is overloting: daar waar de mens geen invloed op heeft, daar is het God die beschikt. Aan de bliksem kan een mens niets doen; je wordt erdoor getroffen en je kunt het niet sturen. Bliksem is inderdaad een aanduiding van Goddelijk oordeel, want het komt van boven. In feite geldt dat ook voor de donder; God spreekt daarin. Het is letterlijk de taal van de hemel.

U kunt zeggen dat het een natuurlijk fenomeen is, dat het wolken zijn die tegen elkaar botsen of hoe het natuurkundig ook verklaard mag worden. Natuurlijk zal dat zo zijn en kun je het op die manier herleiden, maar dan heb je het wonder nog niet begrepen. De echte sprake is waar het naar verwijst. Het is een creatie van God en dus spreekt het van de Schepper, per openbaring. Als je begint bij God, dan kom je daar op voorhand al uit. Als je God op voorhand uitsluit, kom je nooit bij God uit, omdat je Hem namelijk op voorhand al hebt uitgesloten.

Ze sloegen hen neer in Bezek en zij vonden of troffen — zoals de NBG-vertaling zegt — Adoni-Bezek in Bezek. Dan weet je meteen dat die twee met elkaar te maken moeten hebben. Ze streden tegen hem en sloegen de Kanaäniet en de Perizziet neer. Het idee is natuurlijk dat Adoni-Bezek de aanvoerder is, de overste of de heer van Bezek. Dat is ook precies wat zijn naam betekent, want Adoni-Bezek betekent 'heer van Bezek' of eventueel 'mijn heer van Bezek'. Wij gebruiken dat in het Nederlands ook: de heer Piet of mijnheer Piet. Petra zegt dat niet hoor, maar Sara deed het trouwens wel; die noemde haar man 'mijnheer'. Maar goed, laten we het daar even niet over hebben.

Adoni-Bezek is dus een heer van Bezek. In het Hebreeuws is het 'Adon'. Dat komt in allerlei talen weer terug. In het Grieks is het 'Adonis' — over Petra gesproken — en in het Spaans, Portugees en Italiaans is het 'Don'. De vrouwelijke vorm is 'Donna', mevrouw. In het Latijn is het 'Dominus', wat ook gewoon 'Heer' betekent. En een dominee? Nee, dat ben ik gelukkig niet, maar het betekent gewoon 'heer'.

Adoni-Bezek betekent dus 'heer van Bezek' en hij werd kennelijk ook beschouwd als de beheerder van het Goddelijk oordeel. Daarmee zijn we meteen een laag dieper gestoken. Je kunt zeggen dat hij de heer van Bezek was en dat hij die stad leidde — hij moest uiteindelijk ook het onderspit delven — maar niettemin werd hij beschouwd als de beheerder van het Goddelijk oordeel. Ik geef meteen alvast een aanwijzing prijs: dit is in feite ook de status van het Sanhedrin. Waarom zeg ik dat? Het Sanhedrin was de Joodse raad, de representant van de inwoners van het land. Daar moet u even goed over doordenken, want ik ga de link leggen tussen wat er plaatsvond na de dood van Jozua en wat er plaatsvond na de dood en het heengaan van de Heer Jezus Christus. Dan heb je te maken met de inwoners van het land die ten onrechte het land claimden, maar die zichzelf ook beschouwden als de beheerders van het Goddelijk oordeel. Dat is de autoriteit die het Sanhedrin zich toedichtte. Ik ga straks het verhaal wat meer inkleuren, maar ik geef zo af en toe al wat aanwijzingen prijs om in de afsluiting het geheel te kunnen overzien. Het is een heel opmerkelijke parallel die ik u wil laten zien.

De Symboliek van de Afgehakte Duimen ↑ hoofdstukken

Dan staat er dat Adoni-Bezek vluchtte. Zij achtervolgden hem en grepen hem. Met 'zij' worden dan Juda en Simeon bedoeld, want zij zijn degenen die strijden. Wat doe je als eerste als je de strijd hebt geleverd? Dan wil je in de eerste plaats de leider hebben, de vorst of de generaal, hoe hij ook maar heten mag. En dan staat er: en zij hakten de duimen af van zijn handen en zijn voeten.

Het eerste waar je in het Nederlands tegenaan loopt, is de vraag: hebben voeten ook duimen? Jazeker. In onze taal noemen we dat niet zo, maar in het Hebreeuws is de duim en de grote teen gewoon hetzelfde woord, ze zijn identiek. De grote teen is dus de duim van de voet. Ik gaf trouwens ooit lessen aan Polen en zij vertelden, toen we het hadden over de benaming van lichaamsdelen, dat bij hen vingers en tenen ook gewoon hetzelfde woord is. Het een zijn de vingers van de handen en het ander zijn de vingers van de voeten. Dat vinden wij wat vreemd, want wij hebben daar verschillende woorden voor. Overigens heb ik begrepen dat 'vingers' uiteindelijk afgeleid is van 'pink' en dat dit weer te maken heeft met de vijf, terwijl 'teen' weer afgeleid is van 'tien'. In het Engels zie je dat ook: ten en teen. Je hebt tien tenen, maar je hebt vijf vingers. Eigenaardig eigenlijk, waarom je op die manier telt. Het totaal van de tenen en slechts één hand van de vingers. Oké.

Daarbij heb je ook nog de vraag: hoeveel vingers heb je? Sommigen zeggen vier vingers en een duim, anderen zeggen vijf vingers. Meestal wordt de duim ook een vinger genoemd. Ik zeg weleens tegen mijn schoonmoeder – ze zitten daar achterin de zaal en ze zitten mij ondertussen te becommentariëren, die zijn na de samenkomst nog niet klaar met mij – dat de duimen de 'dikke dames' zijn. Maar goed, dat is weer zoiets eigenaardigs. Want zoals de pink de vijfde vinger is, zo is de duim logischerwijs de eerste. 'Pink' komt eigenlijk van het Griekse woord voor vijf; Pentakost, Pinksteren, de vijftigste. Maar de duim is de eerste. Waarom begin je hier te tellen? Omdat dit logischerwijs de eerste is en bovendien ook de grootste, net als bij de grote teen. Althans, bij een normaal iemand dan. Dit is ook weer zo'n foute opmerking waar ik boosheid over over me heen krijg, ik weet het niet, maar als ik het zo zeg: de duim is de eerste en de grootste.

Het afhakken daarvan, dat is de typologie, de symboliek. Je kunt het natuurlijk puur praktisch benaderen: waarom werden die duimen afgehakt van die Adoni-Bezek? Kijk, in het algemeen ben je dan, om een aardig woord te gebruiken, flink onthand. Als je geen duim meer hebt, ben je beperkt, want de duim is de belangrijkste vinger qua functie. Als je de duim mist, kun je helemaal niets meer goed vasthouden. Zonder een andere vinger is het nog enigszins te doen. Mijn vader is pianist en organist en hij mist een deel van zijn vijfde vinger, de pink, maar hij kan nog prima koralen spelen, ondanks zijn negentig jaar. Maar het afhakken van die duim typeert ook iets, namelijk het ontnemen van de eerste plaats. Het is eigenlijk een ontering van iemand. Je neemt de eer van iemand af, in feite vooral de positie van de eerste plaats.

Laat ik een paar voorbeelden geven, want we kennen het fenomeen eigenlijk allemaal wel. Kijk, wij steken de duim op. Je kunt zeggen dat dit is om te liften, maar dat wil ik even buiten beschouwing laten. Ik bedoel dit: je zegt daarmee 'prima'. Prima is trouwens ook weer verwant aan 'primus', de eerste. Je zegt eigenlijk: het is het beste, het is nummer één. Wij zeggen dat het betekent dat het goed is, maar het staat voor nummer één; dat is de duim opsteken. We hebben een hele verzameling uitdrukkingen waarbij we de duim betrekken. "Hij laat de wereld om zijn duim draaien." Wat wil je daarmee zeggen? Dat hij de nummer één is in de wereld. En wat dacht u van deze: "onder de duim houden". Dat betekent in feite dat je macht uitoefent. Je profileert je als de eerste en daarmee sta je boven de ander; de ander is onder jou. Die uitdrukking typeert dat perfect. We realiseren ons vaak niet wanneer we dat soort uitdrukkingen over duimen gebruiken.

Trouwens, als we het hebben over het werkwoord 'duimen', dan heeft dat er eigenlijk ook mee te maken. Je zegt: "ik zal voor je duimen". Dat betekent ook dit gebaar. De duim speelt een belangrijke rol in de symboliek. Niet omdat we denken dat als we op onze duim zuigen of onze duimen bewegen het dan wel goed zal gaan, maar de symboliek is dat je iemand de eerste plaats toewenst. Eigenlijk zeg je: "ik duim voor je, ik hoop dat je wint, dat je de eerste wordt."

Dan is er trouwens ook nog de duim als lengtemaat, in het Engels een inch. Dan gebruik je de duim als maatstaf. Dat is in feite wat je ook doet wanneer je de eerste bent: dan ben jij de maatstaf, jij bepaalt de meetlat. Ik kwam erachter dat er heel wat meer van die lengtematen zijn die we met ons lichaam associëren: een voet, een span (de ruimte tussen je pink en je duim), een palm, een yard, een vamer, een el. De 'el' is verwant aan onze elleboog, het is deze lengte. Het probleem met zulke maten is dat ze nooit helemaal precies zijn. De el van wie? De el van een Goliath is toch echt wat groter. Dat geldt trouwens ook voor de duim, want een inch is geloof ik 2,54 centimeter.

In dat verband gebruiken we die duim dus. Waar het nu om gaat, zijn de duimen van Adoni-Bezek. Hij wordt gegrepen en de duimen van zijn handen en zijn voeten – feitelijk dus vier duimen – worden afgehakt. Hem wordt daarmee zijn prominente positie als heer, de Adon, afgenomen. Hij moet een toontje lager zingen; hij wordt 'onder de duim' gehouden. Zijn duimen worden afgehakt en daarmee krijgt hij in feite een koekje van eigen deeg.

Zeventig Koningen: de Volheid van de Naties Onder de Tafel ↑ hoofdstukken

En Adoni-Bezek zei: "Van zeventig koningen zijn afgehakte duimen van handen en voeten verzameld onder mijn tafel." Ja, wat aardig deze vertaling. We moeten het misschien toch even toelichten, want in de NBG-vertaling en de Statenvertaling, in de meeste vertalingen, kwam ik een andere weergave tegen. Het is wat omstreden, namelijk dat die zeventig koningen onder zijn tafel aten zonder duim. Of het idee is, zo wordt er dan bijgezegd, dat ze van de brokken of van de kruimeltjes aten. Maar ik denk eerlijk gezegd — en ik laat dat vertaaltechnische onderdeel maar even buiten beschouwing, want het doet er in de praktijk ook niet zoveel toe — het gaat erom dat Adoni-Bezek zegt: "Ik heb het zelf ook gedaan." Sterker nog, bij zeventig koningen ooit. Dus die Adoni-Bezek, en dat moet ik er wel bij zeggen, dat was er wel eentje hoor. Ja, ik bedoel niet alleen om wat hij hier deed of wat hij allemaal op zijn geweten had, maar ook wat hij dus allemaal al aan overwinningen had behaald. Dus het was niet de eerste de beste.

Adoni-Bezek zei daarvan: "Van zeventig koningen heb ik dat gedaan." Eerst even dat getal zeventig, want dat vind ik ook wel apart hoor. Want zeventig, dat is namelijk in de Bijbel... kijk, je kunt het op twee lijnen zien. De eerste lijn is zeven. Het is de volheid van zeven, een veelvoud: tien keer zeven. En zeven is het getal in de Bijbel van volheid. Dat is zo apart, want het woord 'zeven' in het Hebreeuws betekent ook... dat is inderdaad het cijfer, maar het is ook het woord voor volheid. Dus in het Hebreeuws is het zo dat als je het hebt over zeven, als je zegt 'zevens', dan zeg je daarmee... je ziet het ergens in de psalmen, daar wordt het allebei zo in één zin vermeld. Maar als je zeven zegt, of zoals een heleboel Nederlanders zeggen: 'zeuven', dan zeg je dus in het Hebreeuws 'volheid'. Dan is het compleet. En ja, we hadden het net over de... sorry, die haal ik ook altijd door elkaar, maar ja, je hebt de zeven kleuren, die zijn beroemd. Hoeveel zeventallen hebben we niet? Maar de Schepper bedient zich daar gewoon van, van zeventallen. En dan is het compleet. En na de zeven krijg je de acht, maar de acht is weer de eerste van een nieuwe reeks.

Maar dus de zeventig is volheid. En de Schriften zijn compleet. En hoeveel boeken telt het? Ja, als je in Wikipedia kijkt staat er 66, maar dat getal kun je wel vergeten. Ik denk: wie zou dat nou bedacht hebben, 66? Ik denk van mevrouw Kaag. Ah nee, of ik weet het niet, maar in ieder geval iemand die er geen verstand van heeft. Ik stapel de foute opmerkingen wel op elkaar, maar ik ga daar lekker mee door. In ieder geval: nee, 66 natuurlijk niet. Dat komt gewoon omdat men het boek de Psalmen als één boek rekent, terwijl de Psalmen wel degelijk vijf boeken zijn. Kijk het maar na, in uw bijbeltje staat er 'het eerste boek van de Psalmen' en bij de Psalm 43 staat er 'het tweede boek der Psalmen'. Vijf stuks. Dus Psalmen zijn niet één boek, maar zijn vijf boeken. Dat betekent dus bij die telling van 66 boeken, dan moet je er vier bij tellen en dan heb je 70. En dan zeg ik: dat klopt. Dat is niet een getal van een mens, het is een goddelijk getal uiteraard. En dat is compleet, dat is vol.

Ooit was het Israël dat arriveerde bij Elim en dan staat er: daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. Dat was het, Elim, en dat was een oase. En dat betekent dus: die zeventig palmbomen, waarom stonden die daar? Omdat daar twaalf waterbronnen waren. Twaalf symboliseert Israël. Zeventig — en nou zijn we er — representeert de volkerenwereld. Hoezo? Wel, dat heeft te maken met de oudste en meest complete tafel van volkeren die we in de Bijbel hebben, namelijk in Genesis 10. Daar worden de zonen van Noach vermeld en zijn kleinzonen, en dat zijn er zeventig stuks. Dus de zonen van Noach, dat zijn zeventig volkeren. Dat is de Bijbelse gedachte. Ja dus, het hele idee in de Bijbel is ook dat de zeventig, de volkerenwereld, gegroepeerd wordt rondom de twaalf. Daar ontlenen ze ook hun water en voedsel, hun leven, van af. En in feite de zeventig boeken van de Bijbel, wie hebben die boeken aan ons gegeven? Hun! Dat staat in Romeinen 3: aan hen — dan gaat het inderdaad over de Jood en over de Israëlieten — aan hen zijn de woorden Gods toevertrouwd. En via hen is het bij de wereld terechtgekomen. De zeventig boeken zijn bij de wereld terechtgekomen. En dan laat ik de Septuagint, de zeventig, nog maar buiten beschouwing.

Ja, zeventig representeert dus de natiën als volheid. Dus ja, dan krijg je dit verhaal. Laat ik eerst nog even dit zeggen: Adoni-Bezek zegt dan, terwijl zijn duimen zijn afgehakt... ja, hij zegt: "Van zeventig koningen zijn afgehakte duimen van handen en voeten verzameld onder mijn tafel." Het is een eigenaardige uitdrukking, dat 'onder de tafel', want het is eigenlijk verzameld als kruimels voor honden. En als ik het zo zeg, dan denk ik dat de meesten van jullie wel weten waar ik nu aan refereer: aan wat ooit die vrouw uit Syrië, een Venetische vrouw, tegen Darius zei. Ja, maar de honden die eten toch ook van de kruimeltjes die op de tafel... en de hondjes, dat is voor de Jood een aanduiding van de natie inderdaad. Daar klinkt nogal dit in door, maar de natiën die worden inderdaad gerekend als honden. En ja, die eten wel wat, maar gewoon wat op de grond valt van de tafel af, dat is voor de hond.

Nou, dat is het. En Adoni-Bezek zegt: "Ja, die zeventig koningen die waren allemaal onder mijn tafel." En of dat nou hun duimen waren of dat zij het zelf waren, dat maakt me even geen bal uit. Het gaat er even om: die zeventig koningen, de natiën, die waren allemaal onder mijn tafel en daar mochten ze van eten. Dat is dus vernedering. Maar ja, wat dacht je wat? Hij had zelf ooit van die zeventig koningen die hij had onderworpen, zelf de duimen afgehakt. Dus wat hem nu overkwam, dat was precies wat hij met zeventig anderen, met zeventig koningen nog wel, gedaan heeft. Ja, en nou zegt hij in vers 7: "Zoals ik deed, zo heeft God mij vergolden." En er staat: zij brachten hem in Jeruzalem en hij stierf daar. Dat vind ik ook weer zo opmerkelijk, want je zegt: is dit niet een beetje — het heet met een duur woord — een anachronisme? Is dit niet een beetje verplaatst uit de tijd? Want Jeruzalem zou toch pas de stad worden in de dagen van David? Toen hij het veroverde: Jeruzalem. En pas in de dagen van Salomo werd het dé stad bij uitstek. En dit is nog honderden jaren daarvoor, na de dood van Jozua. Maar hier wordt al gesproken over Jeruzalem. Waarom is dat dan toch? En die Adoni-Bezek, hij sterft in Jeruzalem en hij realiseert zich ook: ja, dit is vergelding van God, van Godswege. En wat ik ermee wil zeggen.

Adoni-bezek als Representant van het Sanhedrin ↑ hoofdstukken

Ik heb al een paar keer een hint, een aanzet in die richting gegeven, en ik zeg dit nu ook om het typologische verhaal compleet te maken: Adoni-Bezek representeert de inwoners van het land. Als ik het zo zeg, dan begrijpt u meteen waar ik het over heb. In de dagen na de dood van Jozua waren dat de letterlijke inwoners, maar typologisch vertegenwoordigt hij de inwoners van het land na de dood en het heengaan van Jezus.

Wie waren op dat moment de vertegenwoordigers? Dat was het Sanhedrin in Jeruzalem. Die Joodse raadsleiders waren de 'Adonissen', de heren die meenden het goddelijk oordeel te beheersen — de 'Adoni-Bezeks'. Als er besluiten genomen moesten worden, dan waren zij daarvoor aangewezen. Aan hen wordt vergolden vanwege hun onterechte claim op het land, want dat is eigenlijk wat er aan de hand is. Kijk, Adoni-Bezek dacht als representant van de inwoners van het land: 'Het land is voor ons.' Maar God zegt: 'Nee, het land is van dit volk aan wie Ik het beloofd heb.'

Zo was het in de dagen na de dood van Jozua ook. Wat werd er gepredikt? De opgewekte Messias. Voor degenen die in de Messias geloofden en de belofte aanvaardden, was het land en het Koninkrijk weggelegd. Dat betekent dat alles wat zich daartegen verzette, het land ten onrechte claimde.

Ik maak hierbij toch even een politiek uitstapje naar de tijd van nu, want in feite is dat nog steeds zo. Onze sympathie gaat uiteraard uit naar het Joodse volk; we weten dat aan hen de woorden van God zijn toevertrouwd en dat er een geweldige toekomst voor hen is. Dat neemt echter niet weg dat hun claim op het land op dit moment onterecht is. Er zijn ultraorthodoxe Joden die dat donders goed weten. Zij zeggen: 'Wij beweren nu wel dat het voor ons is, maar dat is helemaal niet zo. Het land is van God en Hij geeft het aan degene die op Hem vertrouwt.'

In feite is dat verhaal nu nog steeds aan de orde. Het Sanhedrin claimde niet alleen ten onrechte het land, ze waren ook hoogmoedig ten opzichte van de natiën. Dat zien we terug in het boek Handelingen. Wanneer Paulus op een gegeven ogenblik in Jeruzalem komt — dat is in Handelingen 21 en 22 — wordt hij gevangengenomen. Hij mag zich verantwoorden en vertelt hoe hij ooit geroepen werd en hoe God tegen hem had gezegd: 'Ga weg uit Jeruzalem, want ze zullen jouw getuigenis over Mij niet aanvaarden. Ga weg naar de natiën.'

U leest in Handelingen 21 dat ze hem aanhoorden tot dit woord, tot hij het over de natiën had. Het feit dat hij Jeruzalem terzijde moest stellen en hen de eerste plaats moest ontnemen door te zeggen dat het naar de natiën toe gaat, leidde ertoe dat hij bijna werd gelinched. De Romeinen moesten tussenbeide komen om dat te voorkomen. Uiteindelijk komt hij voor het Sanhedrin terecht en belandt hij in Rome, puur omdat hij in Jeruzalem durfde te zeggen: 'Ik ben gezonden naar de natiën.' Die hoogmoed ten opzichte van de natiën is wat hen uiteindelijk fataal is geworden.

De Zonen van Juda en de Val van Jeruzalem in 70 Ad ↑ hoofdstukken

Ik lees nu verder: "De zonen van Juda streden te Jeruzalem." Dit is misschien even een lastige overstap om nu te maken, maar houd hem even vast. Aan de ene kant heb je dus de inwoners van het land die ongelovig zijn, en de zonen van Juda vervullen hier de rol — zij zijn het type — van het gelovig overblijfsel dat de strijd in Jeruzalem overleefde. Zoals ik al zei: aan Juda was dat lotbeeld gegeven en God had het hen allemaal toevertrouwd. Hoe lazen we dat ook alweer in vers 3 of 4? Dat God hen in de macht van Juda gaf. Dat betekent dat Juda hier inderdaad het gelovig overblijfsel vertegenwoordigt.

Wat is er met dat gelovig overblijfsel gebeurd na de dood van de Heere Jezus Christus en na Zijn heengaan? Nou ja, heel veel, maar precies veertig jaar later komen we in het jaar 70 uit. De stad is compleet verwoest. Het Sanhedrin is eruit, de duimen zijn afgehakt, als ik het zo mag zeggen; hun eerste plaats is hen ontnomen. En er was één deel dat overbleef. Waarom? Wel, zij zijn gevlucht. Het woord 'overblijfsel' betekent eigenlijk ook 'wat overgebleven is'. We hebben er nauwelijks een idee van wat er in het jaar 70 is gebeurd; dat was zo'n gigantisch drama. De hele stad werd verwoest. De inwoners zijn allemaal omgekomen of als slaven verkocht, met name naar Egypte, waar ze ooit nota bene als slaven vandaan waren verlost. Het was zelfs zo dat de prijs van de slaven in die dagen extreem laag was vanwege het gigantische aanbod. Er waren zoveel slaven dat je er bijna niets meer voor betaalde, omdat er vanwege de Joden die in Jeruzalem als slaaf verkocht waren — zij die het overleefd hadden, maar vervolgens als slaaf verkocht werden — een overschot was.

Er was echter één deel dat daar geen last van heeft gehad, en dat waren de gelovigen in de Messias. Waarom? Zij zijn de stad uit gevlucht. Daar zijn hele mooie geschiedenissen over bekend, zoals hun vlucht naar Pella. De Heer Jezus had dat namelijk al voorzegd; in Lukas 21 kun je dat nalezen. Ik wil daar graag nog eens een keertje speciaal over spreken, want Lukas 21 gaat in dat gedeelte niet over de eindtijd, maar over de jaren 70 van de eerste eeuw. Hij zegt daar: "Als jullie de Romeinen de stad zien omcingelen, zorg er dan voor dat je weggaat en naar de bergen vlucht." En inderdaad, men is toen de stad uit gevlucht en men heeft het overleefd, gedachtig aan het woord dat de Heer Jezus had gesproken.

Trouwens, als Paulus hen een brief schrijft in Hebreeën 13, dan zegt hij dat we zouden moeten uitgaan buiten de legerplaats. Vertrek uit Jeruzalem! Een paar jaar daarvoor was al gezegd: vertrek uit Jeruzalem, hier moet je niet wezen, want dit is geen blijvende stad. Deze gaat helemaal verwoest worden. En dat is ook precies wat er gebeurd is. De zonen van Juda streden te Jeruzalem en ze namen haar in. Ze versloegen haar — en ik geef het weer zoals het er echt staat — met de mond van het zwaard. In onze vertalingen staat meestal "met de scherpte van het zwaard", maar in het Hebreeuws staat er altijd "met de mond van het zwaard". Het zwaard wordt dus geacht een mond te hebben. Dat is natuurlijk weer pure typologie. Dat is het grote voordeel als je begrijpt dat de dingen gemaakt zijn door de Schepper: dan ga je 'dubbelzinnig' kijken en luisteren. Dan weet je dat dingen niet alleen een oppervlakkige, maar ook een diepere betekenis hebben.

Een zwaard in de Bijbel is een type van het Woord; de Bijbel zegt dat zelf expliciet. In Hebreeën 4 staat dat het Woord van God scherper is dan enig tweesnijdend zwaard, en dat het scheidt tussen ziel en geest, merg en gebeente, enzovoort. Het zwaard is een type van het Woord dat spreekt en dus een mond heeft. Jeruzalem werd inderdaad verslagen met de mond van het zwaard. Feitelijk is wat er gebeurde in het jaar 70, veertig jaar na de dood en het heengaan van de Heer Jezus, dat de stad inderdaad verslagen werd met de mond van het zwaard. God had gesproken: de stad zal verwoest worden en degene die hier wil overleven, moet vluchten uit de stad. Zij die daar gehoor aan hebben gegeven, wisten wat er zou gaan gebeuren en wat hen te doen stond, namelijk vluchten naar de bergen. Dat is precies wat ze gedaan hebben en zij hebben overleefd. De rest is allemaal omgekomen, of hen trof het lot om verkocht te worden als slaaf. De formulering "verslagen met de mond van het zwaard" is een aanwijzing dat hier meer aan de hand is; het gaat over het Woord van God dat gesproken had en daardoor vielen zij. Het was immers veertig jaar van tevoren voorzegd — precies een generatie — en ze zaten er nog bij.

En ze staken de stad in brand. Dit is puur parallellisme, want het betekent dat wat er gebeurde in de dagen na de dood van Jozua een exacte parallel heeft met wat er plaatsvond na de dood en het heengaan van de Heer Jezus. Wat er gebeurde, is dat inderdaad de stad Jeruzalem verslagen werd door de mond van het zwaard, zoals voorzegd, maar ook dat het helemaal in vlammen opging. Ze staken de stad in brand; dat was het lot van de stad in 70 AD.

Hier heb je een plaatje van hoe die stad er in die dagen ongeveer uitgezien moet hebben. Vanuit de lucht gezien is het plaatje misschien niet al te helder — ik zie het op mijn scherm beter — maar het is een heel aardige aanduiding. Je ziet hier de Olijfberg aan deze kant, en dit is de plek waar nu de 'Dome of the Rock', de Rotskoepel, staat. Hier stond de tempel, en als u het mij vraagt, gaat die daar binnenkort weer staan. Je ziet ook de brug vanaf de tempel naar de Olijfberg; je hoefde dus niet helemaal door het Kedrondal heen. Dit is allemaal bekend omdat we uitgebreide verslagen hebben in de boeken van Flavius Josephus, die dit allemaal als ooggetuige heeft gezien en uitgebreid heeft beschreven hoe het er in die dagen, juist in het jaar 70, heeft uitgezien. Er zijn veel plaatjes van te zien: die stad is helemaal afgebroken, er is geen steen op de andere gebleven en alles is in vlammen opgegaan. Dat gebeurde in de dagen van Richteren en exact hetzelfde vond later weer plaats. We zeggen wel eens dat de geschiedenis zich nooit herhaalt, maar dat het wel vaak rijmt. Dat is hier ook het geval: je ziet de structuren zich iedere keer weer aftekenen.

Laat ik het eventjes samenvatten in de typologische betekenis, want de historische is duidelijk, lijkt mij. Het is een gruwelijke geschiedenis waar je een film over zou kunnen maken. Ik heb allerlei plaatjes; jullie moeten maar eens kijken hoe dat ging met die afgehakte duimen. Ja, ik kan het je echt aanraden... of nee, misschien moet je er niet te veel je ogen bij dicht doen om het gewoon voor je te zien. Het zijn lugubere geschiedenissen, en als ik u dan vertel dat het boek Richteren wat dat betreft echt een kampioen is onder de Bijbelboeken... In die dagen is er veel gebeurd dat typologisch is voor de hele tijd tussen Jozua en het Koninkrijk. Maar goed.

Typologische Samenvatting van Richteren 1:1-8 ↑ hoofdstukken

Laten we het typologisch nog eens samenvatten. In Richteren 1 lees je over de dood van Jozua. In het jaar 30 hebben we de typologische vervulling daarvan: de dood van de Heer, maar uiteraard ook Zijn opstanding, want dat vond allemaal in diezelfde dagen plaats, op de derde dag.

Na de dood van Jozua zien we dat aan Juda de eerste plaats wordt toegekend. Hoe ging dat ook alweer in het boek Handelingen? Eerst de Jood. Dat was voor hen een belofte: eerst de Jood. Dat is precies wat er gepredikt wordt.

Vervolgens is daar Adoni-Bezek, die zeventig koningen vernederde. Dat wordt weliswaar pas even later, terugblikkend, vermeld, maar hij vernederde die zeventig koningen. Dat is precies parallel met het Sanhedrin, dat de inwoners van het land representeert en de natiën vernedert. Die afgehakte duimen zijn inderdaad een embleem van die vernedering: het ontnemen van de eerste plaats.

Vervolgens wordt Adoni-Bezek vergolden in Jeruzalem, precies zoals het ook met het Sanhedrin is gegaan. Ook dat krijgt de vergelding in Jeruzalem, en dat alles nog in diezelfde generatie.

Daarna valt de stad door het zwaard — door de mond van het zwaard, zoals de Schrift zegt — en de stad wordt in brand gestoken en verbrand. Dat heeft zijn typologische tegenhanger in het jaar 70, want toen gebeurde exact hetzelfde: de stad viel door het zwaard en werd verbrand.

Zodat de eerste verzen — en dat is het laatste wat ik erover wil zeggen — de eerste acht verzen van het boek Richteren in feite al de toon zetten voor het hele boek. Zo zal het gaan. Die eerste acht verzen zijn in feite een beschrijving van wat er gebeurde na de dood van Jozua, wat resulteerde in de val van Jeruzalem. Dat is precies wat er ook gebeurde in de dagen van de Handelingen: de boodschap ging eerst naar de Jood, maar uiteindelijk viel de stad en werd deze compleet verbrand.

Daarmee zie je dat de Schrift absoluut samenhangend is. Dit soort verbanden en structuren ontgaan je compleet als je alleen de oppervlakte leest. Maar als je de Schriften kent en vergelijkt, dan tekent dit zich af. Dan kun je alleen maar hoogachting hebben voor de Auteur van deze zeventig boeken tellende bibliotheek. En daar wilde ik het graag bij laten.

🎧 duimen voor Adoni-Bezek
Delen: