de geest getuigt en pleit!
23-05-2021 - Geplaatst door Andre Piettoespraak gehouden zondag 23 mei 2021, Den Haag
Het woord ‘geest’ heeft om begrijpelijke redenen, een nogal schimmig imago. Logisch, want het staat voor wat niet gezien kan worden. Daar staat tegenover dat geest wel gehoord kan worden. Van de geest Gods in elk geval: die getuigt en pleit en onderwijst ook. Gods geest is daarom ook zijn woord. Terwijl gelovigen op aarde, samen met de rest van de schepping, in zwakheid sprakeloos zuchten onder de broosheid van het bestaan, is het Gods geest die van zich laat horen. Die getuigt en pleit. Die geest maakt, samen met de hoop, het grote verschil!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: de Kalender van God en de Sprekende Geest
- Het Verschil Tussen Kindschap en Zoonstelling
- De Schepping Is Doelbewust aan de Ijdelheid Onderworpen
- De Eersteling van de Geest en het Wachten op de Zoonstelling
- Onze Zwakheid en het Niet Weten Wat te Bidden
- De Geest Pleit in Onze Sprakeloze Verzuchtingen
Introductie: de Kalender van God en de Sprekende Geest ↑ hoofdstukken
Het is vandaag, het zal u niet ontgaan zijn, Pinksteren en dat is een feest op de kerkelijke kalender. Daar heb ik in het algemeen niet zo heel erg veel mee, ik excuseer me daarvoor, maar ik heb daar wel een heel goed motief voor: God houdt zich niet aan de kerkelijke kalender. Waarom niet? Omdat Hij een eigen kalender heeft, de Hebreeuwse kalender. Dat is de kalender waarin Hij zelf Zijn hoogtijden heeft bepaald, en die wijkt ook echt af van de kerkelijke kalender zoals wij die kennen. Vandaag is het Pinksteren, wat de vijftigste dag betekent. In het Hebreeuws heet dat het Wekenfeest, maar dat is niet vandaag. Vandaar dat voorbehoud.
En toch vind ik het altijd een aardige aanleiding om juist bij deze gelegenheid aandacht te vragen voor de thema's die bij dit feest een grote rol spelen. In dit geval is dat heel duidelijk: de gaven van de Geest die ooit zo rijkelijk op de Pinksterdag – dat wil zeggen op de Hebreeuwse kalender in Handelingen 2 – werden uitgestort. Ik heb deze studie als titel gegeven: 'De Geest getuigt en pleit'. We hebben zojuist van Boy al gehoord, toen hij voorlas uit hoofdstuk 14 van het Evangelie van Johannes, vers 26, dat de Geest ook onderwijst. Dat wil zeggen dat die Geest, de Geest van God, spreekt; Hij laat Zich horen. Dat maakt het allemaal ineens een heel stuk concreter.
Ik weet niet hoe u dat ervaart, maar ik heb altijd heel sterk de gedachte gehad dat zodra het over 'geest' gaat, het erg wazig wordt. Dat zit ook een beetje in het onderwerp, want geest is in het algemeen een containerbegrip; een verzamelnaam voor alles wat je niet kunt zien. Zelfs adem en wind heten in het Hebreeuws en in het Grieks 'geest'. Dat valt allemaal onder die noemer. Wat is de overeenkomst tussen al die dingen? Je kunt het niet zien. Dat het wazig overkomt, is in die zin dus logisch. Al moet ik erbij zeggen: je kunt het wel horen. Ik had het zojuist over adem, maar van de wind lees je in Johannes 3: "Je hoort zijn geluid." Je ziet de effecten ervan, maar de wind op zich kun je niet zien.
De wind laat wel van zich horen, en ik wil dit onderwerp bespreken aan de hand van een geweldige passage waar ik momenteel intensief mee bezig ben en die ik ook op mijn website vers voor vers bespreek: Romeinen hoofdstuk 8, een geweldig hoofdstuk van triomf. Ik begin te lezen bij vers 14. Voor degenen die dat niet kennen van mijn toespraken: ik ben gewend om ook altijd even de interlineair erbij te voegen. Dat wil zeggen de oorspronkelijke tekst waarin dit ooit werd opgetekend, in dit geval door Paulus. Die rare tekentjes die u ziet, is de Griekse taal waarin Paulus dat opschreef. Denkt u dus niet: "Goh, wat schrijft die André slordig." Nee, dat is Grieks. De vertaling die u daarboven ziet, is gebaseerd op een woord-voor-woord weergave, dus vrij letterlijk. Soms wijkt dat wat af en als dat nodig is, licht ik dat toe.
Het is wel een beetje een probleem als ik bij vers 14 begin, want dat begint meteen met 'want'. Paulus gaat dus iets motiveren wat hij in het voorgaande had gezegd, maar daar komen we wel uit. "Want", staat er, "zovelen door Gods Geest worden geleid, die zijn zonen van God." Wie de Geest heeft ontvangen – en in de praktijk wil dat zeggen dat Zijn Woord tot je is gekomen en in jouw hart terecht is gekomen – die heeft Geest.
Dat Woord is in feite een van de kernpunten van wat ik vanmorgen wil vertellen. Woord is Geest, of beter: Geest is Woord. Je hoort het, het klinkt. Dat is net zoiets als muziek; dat hoor je ook. Muzikanten zeggen wel eens tegen elkaar: "Heb jij de muziek bij je?" Dan bedoelen ze de bladmuziek, dat wat er genoteerd staat, de noten op schrift. Maar dat is niet eigenlijk de muziek, dat is de neerslag daarvan. Dat is net zoals dit boek: dit is niet het Woord. Nee, dit is de Schrift. Het Woord is wanneer het tot klinken gebracht wordt. Dat is Woord. Woord wordt gehoord, maar dat is wat je dus weer niet ziet. De Schrift kun je zien, maar het Woord dat tot klinken gebracht wordt, kun je niet zien maar wel horen.
"Want zovelen door Gods Geest worden geleid, die zijn zonen van God." Er staat niet: wie de Geest van God heeft ontvangen. Nee: wie daardoor worden geleid. Dat is namelijk heel karakteristiek voor zonen. En nu ga ik...
Het Verschil Tussen Kindschap en Zoonstelling ↑ hoofdstukken
Ik wil iets vertellen wat, naar ik meen, tamelijk onbekend is, en dat is het verschil tussen kindschap en zoonstelling. Ik kan het heel kort samenvatten: een kind wordt geboren. Dat lijkt me niet zo moeilijk om uit te leggen, maar dat is de Bijbelse gedachte. Als we het nu in overdrachtelijke zin hebben, zoals Paulus daar ook over spreekt – we zullen dat straks ook nog zien – dan ben je een kind van God geworden op het moment dat je het nieuwe leven van Hem hebt ontvangen, door het Woord van leven, het Woord van de opgestane Christus.
Dat heeft op zichzelf ook weer verschillende lagen, maar laten we het niet te ingewikkeld maken. In ieder geval, als je nieuw leven hebt ontvangen, is er sprake van kindschap. Een kind is nieuw leven, maar wanneer het geboren wordt, is er sprake van kindschap. Een zoon wordt echter niet geboren; een zoon wordt gesteld. Ik heb daar een plaatje bij gezet van een bar mitzwa. Wanneer een Joodse jongen dertien jaar wordt, wordt hij bar mitzwa, wat letterlijk 'zoon van de wet' betekent. Op dat moment wordt hij gesteld tot zoon. Hij was altijd al een kind en dat blijft hij ook, maar hij komt op een hoger niveau: hij wordt aangesteld als zoon. Dat maakt hem tot een erfgenaam, of nog beter gezegd: een lotbezitter. Hij wordt van kind ook een zoon; hij wordt tot zoon gesteld.
Helaas komt dat in de vertalingen zelden tot uitdrukking. Eigenlijk staat er niet 'zoonschap', maar letterlijk 'zoonstelling'. Je wordt tot zoon gesteld. Maar wanneer gebeurt dat dan? Wanneer je het Woord van nieuw leven ontvangt, word je een kind van God, maar die zoonstelling is nog steeds toekomst, ook voor ons zoals we hier zitten. Dat vindt namelijk plaats wanneer ons lichaam verlost wordt. Ik kan dat heel gemakkelijk aantonen en we zullen dat straks ook zien in vers 23, maar ik loop er nu alvast even op vooruit. Als ons lichaam verlost wordt, worden we tot zonen gesteld. In de praktijk betekent dit dat in de opstanding ons lichaam vernieuwd wordt.
Dan ontvangen we een nieuw lichaam dat voldoet aan de eisen die God voor het lichaam gesteld heeft. Dat wil zeggen dat het de tijd, de aionen, zal doorstaan. Dat lichaam is onvergankelijk; het is een lichaam in heerlijkheid en in kracht. Maar er is meer: een zoon is een lotbezitter. Op het moment dat iemand tot zoon gesteld wordt, zoals bij een bar mitzwa, krijgt hij ook de verantwoordelijkheid en wordt hem een bezit toevertrouwd. Dat was bijvoorbeeld ook het geval in het maatschappelijk leven van vroeger: op een bepaalde leeftijd stelde een vader zijn kind tot zoon. Dan kreeg hij nog niet direct de volledige erfenis – want die volgde pas bij het overlijden van de vader – maar hij kwam wel 'in de zaak'. Hij werd verantwoordelijk gesteld voor dat wat de vader bezat. De bezittingen van de vader vielen hem ten deel en daar werd hij overheen gesteld. Een kind kan dat nog niet, maar een zoon wel.
Waar het in de Bijbel om gaat bij die zoonstelling, is het moment waarop ons lichaam verlost wordt. Dan worden we gesteld tot zonen, en dat betekent dat het heelal – dat wat de Vader bezit – ons ten deel valt. Dat is ons bezit en we krijgen daarin een enorm belangrijke taak. Dat is ook een van de kernonderwerpen van Romeinen 8: dat de schepping wacht op de openbaring of de onthulling van de zonen van God. Want die zonen van God gaan een sleutelrol spelen om de gehele schepping te bevrijden. Die zonen zijn als het ware het bruggenhoofd, het kanaal waarvan God Zich bedient om de hele schepping te bevrijden. Zoonstelling heeft dus te maken met een enorm hoge positie. Als je dat niet begrijpt, dan begrijp je ook niets van die verzen in Romeinen 8.
"Want jullie ontvingen geen geest van slavernij om weer te vrezen, maar jullie ontvingen een geest van zoonstelling, waarin wij roepen: Abba, Vader!" Een zoon bekleedt een hoge positie; hij is geen slaaf. Dat is een enorm verschil. We hebben nu weliswaar alvast de geest van zoonstelling, maar de zoonstelling zelf is nog toekomstig. Laat ik het eens op een rij zetten: je hebt de slaaf en de zoon. Een slaaf gehoorzaamt, maar een zoon wordt gehoorzaamd. Hij wordt namelijk gesteld over de bezittingen van zijn vader en ook over het personeel dat de vader heeft; zij moeten zich onder die zoon stellen. Een slaaf bezit niets; in feite is hij zelf een bezit, een lijfeigene. Maar een zoon bezit alles vanaf het moment dat hij tot zoon gesteld wordt. Alles wat de vader bezit, valt hem ten deel. Een slaaf heeft een heer, maar een zoon heeft een Vader. Een zoon staat in een heel andere verhouding tot die Heer, namelijk als tot een Vader.
Een zoon heeft een vader en staat in een veel intimere verhouding tot God. Wij kennen God als Vader. Zoals ik zojuist voorlas: "...maar jullie ontvingen een geest van zoonstelling, waarin wij roepen: Abba, Vader!" Het is juist als zonen dat wij "Abba, Vader" zeggen. Wij bespreken met Hem de dingen van de hele schepping die ons ten deel valt. In die hoedanigheid spreken wij tot Hem als Vader. Het wordt vaak zo voorgesteld alsof we als kleine kindertjes "abba" of "papa" roepen, maar nee: het is juist als zonen dat wij spreken tot de grote God als onze Vader. Omdat heel de schepping ons ten deel valt, spreken wij in die verhouding tot Hem. Dat is een enorm hoge positie. Daarin is de Zoon van God Zelf natuurlijk de Eerstgeborene – dat staat ook in Romeinen 8 – en wij zijn Zijn broeders. Dat is een groots onderwerp en ik kan me voorstellen dat dit op deze eerste Pinksterdag een flinke kluif is, maar wees gerust: er komt nog meer. Houd de aandacht er dus nog even bij.
De Geest Zelf, zo staat er, getuigt samen met onze geest. Daar heb je het weer: de Geest getuigt. Dat betekent dat die Geest wordt gehoord. God heeft een Geest en wij horen die, want die Geest getuigt samen met onze geest. Dat is mooi, want als Gods Geest getuigt, komt Zijn Woord tot ons. Dat is immers wat getuigen is. Gods Geest getuigt en Zijn Woord klinkt tot ons. Als wij dat horen, verstaan en beamen, dan getuigt onze geest ook wat Gods Geest ons vertelt. Als Gods Geest getuigt en wij vallen Hem bij, dan getuigt onze geest het ook.
De Geest Zelf getuigt dus samen met onze geest dat wij kinderen van God zijn. Dat staat in de tegenwoordige tijd: we zijn nu nog steeds kinderen. We hebben de geest van de zoonstelling, en als we ons daar nu al door laten leiden, dan leven we eigenlijk al het leven dat we straks ten volle zullen leven, namelijk een leven waarin we volledig door Gods Geest worden geleid. Het is die Geest die ervan getuigt dat wij kinderen van God zijn, door Hemzelf verwekt, want Hij heeft ons dat nieuwe leven gegeven. Ik sla nu een paar verzen over en dan komen we aan bij vers 22.
De Schepping Is Doelbewust aan de Ijdelheid Onderworpen ↑ hoofdstukken
En daar schrijft Paulus dit, want wij weten dat de schepping aan de ijdelheid en de vergankelijkheid is onderworpen. Nou, dat lijkt mij een duidelijk gegeven. Deze hele schepping is vergankelijk. Alles vergaat, dat is wat het betekent. En het is ook aan de ijdelheid onderworpen. Er is een heel Bijbelboek dat daarover gaat, namelijk het boek Prediker. Het begint zo en het eindigt zo, en in de tussentijd staat het er tientallen keren: alles is ijdelheid. En dat stel je vast: alles vergaat. Het is inderdaad opgaan, blinken en verzinken. En dat is die cirkelgang, eigenlijk ook de circle of life. Uiteindelijk eindigt het weer waar het begonnen is en dan ben je ook geen steek verder gekomen.
Nee, dat is ook zo. Maar dat is deze schepping. Dat is in feite ook de tragiek van deze schepping: het brengt uiteindelijk nergens. U zegt: dat is zwartgallig. Nee, maar dat is helemaal niet zwartgallig. Het geweldige is namelijk dat dit niet vrijwillig is, maar dat God die schepping daaraan heeft onderworpen, eraan ondergeschikt heeft gemaakt. Het is design. Zo is het ontworpen. Deze schepping is bedoeld om ijdel te zijn. Dus dat is geen fout. Dat is geen weeffout of een bedrijfsongeval ofzo. Nee, dat staat allemaal in die verzen die hieraan voorafgegaan zijn. Kijk het maar na. Het is niet vrijwillig, maar de Schepper heeft de schepping aan de ijdelheid onderworpen. Dus don’t worry als je dat inderdaad vaststelt, want er staat bij dat het feit dat God dat gedaan heeft, betekent dat Hij daar een bedoeling mee heeft.
Dat is trouwens in het algemeen zo. God doet... dat staat ergens al in Spreuken: God heeft alles gemaakt voor zijn doel. Alles! En als je dan zegt: "Nou, alles?", ja, zegt de spreukendichter dan: zelfs de goddeloze voor de dag van het kwaad. Dus mocht je denken dat er iets is... nee, God heeft alles gemaakt voor zijn doel. Er is niets wat gebeurt wat geen doel of betekenis heeft. Dat vind ik een geweldige blijde boodschap, weet u dat? Want met de ijdelheid waaraan deze schepping is onderworpen en de vergankelijkheid die je ziet, dan denk je: het is niet voor niets. De Schepper, de grote Creator, heeft daar een bedoeling mee. En dat weten wij.
Waarom weten we dat? Wel, we hebben dat van God Zelf vernomen en dat lijkt me toch de hoogste instantie van wie je iets kunt vernemen. Ik bedoel, als mensen iets zeggen, dan mag je het altijd met een korreltje zout nemen, maar als God iets zegt, dan is het absoluut vast en solide. Daar kun je echt op staan. En daarom zegt Paulus: "Wij weten dat tot nu toe de hele schepping tezamen zucht en tezamen barensweeën heeft." Dat is twee keer hetzelfde eigenlijk. Het is een Griekse stijlvorm, een hendiadys; dat betekent gewoon 'tezamen zuchten, tezamen barensweeën hebben'. In feite is het zuchten van de schepping het zuchten van barensweeën. Dat is trouwens ook wel heel hoopvol.
Want kijk, barensweeën... ik spreek niet uit ervaring, maar ik heb het toch wel enigszins van nabij gezien. En bovendien, het is een algemeen bekend gegeven: dat is buitengewoon pijnlijk. Het is maar goed dat mannen geen kinderen kunnen krijgen, dan zou dat nooit wat worden. Dat is een mooie Moederdag-gedachte, maar goed, het is vandaag Pinksteren. Maar goed, dat zuchten van de schepping, dat aangeeft dat er pijn geleden wordt en dat er moeite, leed en verdriet is... dit is hoopvol. Want het betekent namelijk dat het eigen is aan het einde van de zwangerschap. Nieuw leven komt eraan, dus er is hoop, er is verwachting. Een vrouw die in verwachting is, heeft die barensweeën. Dus dat zuchten, ja, dat is het zuchten van barensweeën.
En waarom zucht je? Uiteindelijk om wat extra lucht te hebben. Iemand troostte ons al dat er hier extra geventileerd werd – ik zei al: gehyperventileerd, maar dat is weer wat anders. Maar in feite is dat wat... ik heb zelfs begrepen dat elk mens minimaal eens per vijf minuten zucht. Ja, in het algemeen zucht je, we kennen dat ook wel in de uitdrukkingen, om de pijn te verlichten, om te ontstressen. We spreken ook over een zucht van verlichting. En dan met verlichting niet in de zin van een lamp die je aanzet, maar verlichting in de zin van: de last wordt minder. Daarom zucht je ook. Weet je wat? Dat.
En het zuchten associëren we ook altijd met moeite, met eventueel verdriet. Maar ja, ook met emoties inderdaad. Want juist wanneer je veel stress hebt, dan zucht je. Dat is ook een noodzaak, want je hebt extra lucht nodig. En dat lucht ook met recht op. Daarom doe je dat ook. Goed, maar dat is deze hele schepping die zucht. Het is dus niet alleen maar vergankelijk, maar dat wordt ook gevoeld. Dat is eigenlijk wat het woord zuchten ook aangeeft. Je voelt de pijn en de moeite daarvan.
De Eersteling van de Geest en het Wachten op de Zoonstelling ↑ hoofdstukken
Paulus gaat verder: maar niet alleen zij, ook wijzelf. Dat is heel eigenaardig, want daarmee suggereert hij dat wij eigenlijk niet bij die schepping horen. Daar is een goede reden voor: wij zijn een nieuwe schepping. En toch zegt Paulus: ook wij. De schepping in het algemeen is aan de vergankelijkheid en de ijdelheid onderworpen. Ze zucht, maar Paulus zegt dat wij dat ook doen. Wij als gelovigen, wij die de eersteling van de geest hebben.
Nu komen we dan toch weer op Pinksteren uit. De eersteling is een bekende Bijbelse gedachte. Het is altijd zo dat het eerste wat geboren wordt—de eerstgeborene, de eerste vrucht van de oogst—de hoogste positie heeft. Dat is een vast principe in de Bijbel: van al het eerstgeborene en de allereerste vrucht zegt God: dat is voor Mij. Het krijgt de hoogste plaats. Dat fenomeen kennen wij zelf ook wel; het eerste is altijd het belangrijkste. Vraag het de vakmensen maar eens: de eerste haringtjes. Die smaken misschien hetzelfde als al die latere haringen, maar je betaalt er een vermogen voor. Waarom? Gewoon omdat het de eerste zijn. Dat gold voor kievitseieren ook; die gingen vroeger zelfs naar de koningin. Het eerste is het belangrijkste.
Wat heeft dat met Pinksteren te maken? Pinksteren, de vijftigste dag, was in feite een oogstfeest. De eerste vrucht van de tarweoogst werd in de tempel gebracht en was voor God. Dat werd met Pinksteren gevierd. Paulus zegt hier: wij hebben de eersteling van de geest. Dat is de geest van dat nieuwe leven. Christus Jezus stond op als de eersteling uit de doden, en de geest die Hem uit de doden heeft opgewekt, bracht nieuw leven waarbij de dood achter Hem gelaten werd. Dat is de nieuwe schepping, dat is die geest. Wij hebben die eersteling ook ontvangen, dat nieuwe leven. Het is geest en het woont in ons hart. Als dat woord inderdaad tot je gekomen is en het kwartje is gevallen, dan heb je die eersteling van de geest ontvangen. Dan woont dat nieuwe leven in je. Dat is de Geest van Christus, de Geest die Hem uit de doden heeft opgewekt en die in ons woont. Wij hebben die Geest al.
Toch zegt Paulus dat wij niettemin ook in onszelf zuchten. Ondanks dat we naar de geest gerekend al bij de nieuwe schepping behoren, horen we naar het lichaam nog steeds bij de oude schepping. Wat je hier ziet, is heel dualistisch of binair; het is tweeledig en heeft twee kanten. De binnenkant, de geest, is nieuw leven en maakt deel uit van de nieuwe schepping. Maar dit lichaam is, net als de rest van deze hele schepping, vergankelijk en aan de ijdelheid onderworpen. Ook wij zuchten in onszelf. Er zijn mensen die dat op dit moment veel sterker ervaren dan ik hier op het podium, en zij kunnen dit maar al te goed beamen. Het is een zuchten vanwege dit lichaam en alles wat je hier meemaakt. Naar het lichaam zijn we ook psychisch zwak; we kunnen niet zo heel veel hebben. Daar kun je onder lijden. Het is niet alleen de vergankelijkheid die vergaat, nee, ook wij zuchten. Is dat gek? Nee, helemaal niet; het hoort er gewoon bij. Ik ben overigens blij dat het heel tijdelijk is.
Het hoort namelijk bij de blijde verwachting. Dat is ook weer zo bijzonder: bij blijde verwachting hoort dat zuchten. Het is in feite de zuchting van de zwangerschap, van het in verwachting zijn van nieuw leven dat op komst is. Het is nog verborgen, maar het staat te dringen om geopenbaard te worden. Wij zuchten bij onszelf, wachtend op de zoonstelling. Hier heb ik het bewijs van wat ik zojuist al zei: die zoonstelling zelf is toekomstig. Wij wachten op de zoonstelling. We hebben al de geest van de zoonstelling, die woont al in ons, maar de zoonstelling zelf is toekomstig. Dat is namelijk de verlossing van ons lichaam.
Laten we hier de puntjes op de i zetten. De verlossing van ons lichaam moet u niet met Griekse oren beluisteren. Het betekent niet dat we van ons lichaam verlost worden, maar dat ons lichaam verlost wordt. Ik hoop dat u het verschil ziet. De Grieken hadden het idee van de onsterfelijke ziel: het lichaam is de kerker waarin de ziel woont. Op het moment dat je de laatste adem uitblaast—wat ook een zucht is—wordt de ziel uit die kerker bevrijd en heeft zij haar bestemming gevonden. Dat idee is verschrikkelijk onbijbels. In de eerste plaats zijn we een ziel, en op het moment dat we de laatste adem uitblazen, is het een dode ziel. Wat wij verwachten is niet de bevrijding uit dit lichaam, maar dat dit lichaam zelf verlost wordt.
Dat gebeurt in ieder geval op het moment van de parousia, wanneer Hij komt. Dan zullen onze lichamen getransformeerd worden en gelijkvormig gemaakt worden aan het lichaam van Zijn heerlijkheid. We hebben geen idee wat dat precies is, want er is er maar één die dit op dit moment heeft en kent: de Heer Jezus Christus. Hij is daar momenteel boven, zoals vorige week uitgebreid door Peter Slagter naar voren is gebracht. Dat zien wij nu nog niet, maar niettemin is Hij de eersteling die onsterfelijk en onvergankelijk is. De rest gaat komen, en wij zijn eerstelingen. Uiteindelijk volgt de rest, ieder in zijn eigen rangorde. Het is geweldig zoals God dat allemaal plant: er zijn mensen die vooraan mogen staan en mensen die achteraan komen, ieder in zijn eigen rangorde.
Ons lichaam gaat verlost worden. Ik durf wel te zeggen dat we er echt geen idee van hebben wat dat betekent: dat ons lichaam compleet getransformeerd en geschikt gemaakt wordt voor die hele nieuwe conditie van de nieuwe schepping. Het is ongekend, maar het gaat gebeuren. Het is alleen nog even afwachten. Daarom staat er ook: verwachtend de zoonstelling. Want in hoop werden wij gered. Dat is heel eigenaardig: hoop ziet op de toekomst, terwijl wij werden gered in de verleden tijd staat. Hoe kan dat? Wij hebben hoop ontvangen. Laat ik het anders zeggen: wij zijn inmiddels gered, maar dat is in hoop. Dat wil zeggen dat het een verwachting is. Maar aangezien we er absoluut zeker van zijn dat het gebeurt, is het alsof het al gebeurd is. Een hoop die echter gezien wordt, zegt Paulus, is geen hoop. Logisch, je hoopt altijd op dingen die nog gaan komen en die je nu dus niet ziet. Als je het ziet, dan is het geen hoop meer. Want hoe kan men hopen op het moment dat men het al ziet? Indien we echter hopen op wat we niet zien, dan wachten we dat af.
Dan wachten we af, of liever: we wachten af door verduren. Het idee is dit: we hebben een geweldig woord ontvangen van hoop, van nieuw leven. De hele schepping gaat bevrijd worden. Wij mogen daarin eerstelingen zijn, zonen die de hele schepping gaan bevrijden en daarin deel mogen nemen.
Tot die tijd wachten we gewoon. Ik bedoel, daar kunnen we niks aan afdoen en we kunnen er niks aan toedoen. Je kan zeggen: "Goh, ik wou dat het vandaag al was", maar dat verandert er niks aan. Wij wachten dus, maar we zijn er zeker van. Die hoop is een anker; dat staat absoluut vast. En als dat bootje heen en weer gaat door alle golven enzovoorts – ja, dat kan wel, maar dat anker ligt absoluut vast. Dat is het embleem van de hoop bij uitstek. Kijk, dat is het Woord van God.
En wij wachten dus. En we zien helemaal niks. Nee, daar is die hoop ook voor. Maar het is absoluut solide. En dus in die tussentijd verduren we de dingen. Verduren we ook het zuchten, de moeite. It's all in the game, zeggen we dan. Dat klinkt misschien wat lichtvaardig, maar ik bedoel dit: het hoort bij deze oude schepping. Accepteer het, bestrijd het niet. Het is een gegeven. Maar we verduren.
Hoe kunnen we dat verduren? Omdat we hoop hebben! En dat maakt het verschil. Hoop doet leven. Als je hoop hebt, dan kun je eigenlijk alles aan. Als die hoop vast en solide is, dan kun je echt alles aan. En daarom getuigt Paulus ook: we wachten af door verduren. Duurt het kort? Dan duurt het kort. Duurt het lang? Dan duurt het lang. Maar komen doet het.
Onze Zwakheid en het Niet Weten Wat te Bidden ↑ hoofdstukken
Evenzo echter, vers 26, komt ook de geest onze zwakheid te hulp. Ja, evenzo – dat wil zeggen: net als die hoop die voor ons nu al zo'n anker is – maar we hebben nog een hulp. En dat is de geest. Die komt onze zwakheid te hulp. Ja, wat is dat? Paulus zegt erbij: "want wij weten niet wat wij zullen bidden". Nee. Er staat nog bij... letterlijk staat er: "naar hetgeen moet zijn". Er staat in de NBG-vertaling: "wij weten niet wat wij zullen bidden naar behoren."
Kent u dat fenomeen? Ik ken het eigenlijk heel goed. Je bidt voor dingen... ja, het liefst dank ik gewoon, want ik weet gewoon: Gods weg is de beste, altijd. Dus wat ik ook bid, ik weet één ding zeker: ik mag al mijn wensen bij Hem bekendmaken. Laat ik dat even vooropstellen. Alles wat ik wens, mag ik bij Hem bekendmaken. Vrijmoedig. Maar ik weet op voorhand dat wat ik ook wens, Zijn wil en Zijn weg vele malen beter is. En als ik denk het beste te vragen – ik vraag zilver, Hij geeft goud – is mijn gebed dan verhoord? Nou, daar mag u eens over nadenken, dat is een hele goede. Ja, als ik zilver vraag en Hij geeft goud, is mijn gebed dan verhoord? Nou, eigenlijk meer dan dat. Kijk, en dat is het.
Maar wat moeten wij nou bidden? In onze omstandigheden, terwijl we zuchten. Terwijl we de zwakheid aan den lijve ervaren. Dat er zoveel moeiten zijn. En terwijl ik in de zaal kijk, zie ik eigenlijk mensen voor me... maar ook hoor ik de verhalen van mensen die zeggen: "Je zou eens moeten weten wat mijn zwakheid en mijn gezucht op dit moment is." En nu heb ik nog een vraag: wat is dan wat je moet bidden?
Nou, ik kan alleen maar beamen wat Paulus zegt: we weten het niet. Ik weet echt, ik weet in hemelsnaam niet wat ik moet bidden. Want ik weet namelijk niet wat het beste is. Ja, ik weet wel, je hebt natuurlijk wensen, maar je voelt zelf ook aan: ja, je geeft het over aan God. Wij weten niet wat wij zullen bidden naar hetgeen moet zijn. Niet naar behoren, maar naar hetgeen moet zijn. Dat we zeggen: het punt is, Zijn weg is altijd de beste. En ik weet niet wat de beste is. Ja, ik denk het soms wel te weten, maar ik weet het niet. En ga er nu maar op voorhand van uit dat Zijn weg de beste is.
Hoe zongen we het ook alweer? Altijd hè: "Zijn weg is de beste, de beste, altijd." En dat is logisch, want er is één God en die houdt van ons. En Paulus zei – dat is ook Romeinen 8 – als God voor ons is, wat kan er dan tegen ons zijn? Als Hij nu, die alles in de hand heeft – alles, ik bedoel: alles – als Hij voor mij is, wat kan er dan tegen mij zijn? Dat is een retorische vraag, hè. Het antwoord is natuurlijk: niks.
Voel je dat? Nee, dat zeg ik niet. Maar het is zo. En daar heb je wat aan trouwens hoor. Aan gevoel heb je niks uiteindelijk. Klinkt ook misschien wat laagdunkend ten aanzien van emotie, maar ik bedoel eventjes relatief: ten opichte van de waarheid heb je aan gevoel niks. Feiten trekken zich niks aan van gevoel, weet u dat? En het feit is, de waarheid is: daar kun je op staan. U zegt – dat zeggen mensen wel eens: "Het is zo hard." Ja, wees blij dat het zo hard is, want dan kun je erop staan. Dat is wat juist een rots is. Kijk, Gods weg is de beste. En daar staat er nog iets bij.
De Geest Pleit in Onze Sprakeloze Verzuchtingen ↑ hoofdstukken
Wij weten niet wat we zullen bidden naar hetgeen moet zijn, maar de geest zelf pleit ten behoeve van ons. En dan heb je een tweede punt uit die titel: de geest getuigt — laat van zich horen, spreekt Gods woord — en pleit ten behoeve van ons. Pleiten is een werkwoord, het is wat een advocaat doet. Dat iets pleit voor je. Welnu, de geest pleit ten behoeve van ons. Hij spreekt namens God, maar juist ten behoeve van ons; hij behartigt onze belangen. Dat is wat pleiten is en dat is wat de geest doet. De geest spreekt, en dat pleit voor ons.
Nu ga ik iets zeggen wat u misschien nog nooit gehoord hebt en wat misschien ook wat onorthodox klinkt, en toch ga ik het vertellen. Meestal wordt er verteld — ook in de vertalingen staat dat — dat de geest zelf voor ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen. Ik geloof dat niet. Maar dan moet ik dat natuurlijk even toelichten. Ik bedoel dit: die onuitsprekelijke verzuchtingen... er staat trouwens niet 'met'. Er staat een voorzetsel dat sowieso in het Grieks ontbreekt; het staat gewoon in de derde naamval. Het is namelijk dit: die onuitgesproken verzuchtingen, die zijn van ons. Kijk, het idee is dat wij zuchten. De ganse schepping zucht en ook wij zuchten. Dat is sprakeloos, want dat is wat zuchten is: je kunt er soms geen woorden aan geven, maar je voelt het wel tot in je tenen. Dat zuchten is van ons.
Maar de geest pleit, en dat is niet onuitgesproken. Integendeel: pleiten is juist dat hij spreekt. Dus aan de ene kant heb je ons verzuchten, dat sprakeloze zuchten, en aan de andere kant Gods geest die spreekt, die zijn woorden laat klinken ten behoeve van ons. Het idee is: de geest zelf pleit ten behoeve van ons ín onze onuitgesproken verzuchtingen. Het is dus niet zo dat de geest onuitsprekelijke verzuchtingen heeft. Ik heb het al zo vaak horen zeggen en ik heb het altijd vreemd gevonden. Dat de schepping zucht, ja, dat begrijp ik. En dat wij zuchten, dat is ook duidelijk, naar het lichaam sowieso. Maar doet de geest dat nu ook al? Nee, de geest pleit! Die is niet sprakeloos; wíj zijn sprakeloos. Maar dan is het heerlijk dat er iemand is die het Woord — met allemaal hoofdletters — laat klinken en dat pleit voor ons.
Trouwens, er is ook nog Eén boven — dat is het slot van Romeinen 8, zo’n geweldig hoofdstuk — namelijk dat Christus Jezus daarboven is. Want Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is: de opgewekte, die aan Gods rechterhand is en pleit. Het feit dat hij daar is, dat pleit al voor ons. Alleen dat al. Dus ja, die geest hebben we ontvangen. Wij, in onze moeite en in ons zuchten, hebben iemand die ons nabij is en die ons kracht geeft. Dat geeft echt kracht. Terwijl wij geen woorden kunnen geven aan dat wat we meemaken en beleven, aan de lasten — wij zuchten — dan is het Gods woord dat tot ons komt. Dat vernemen wij, en dat pleit voor ons. Die geest onderwijst, die getuigt en die geest pleit. Die laat inderdaad van zich horen. Dat is wat ons de kracht geeft, samen met de hoop die wij vernemen; dat is het goddelijk woord.
Hij nu die de harten doorzoekt — en dat is God zelf — weet wat de gezindheid van de geest is. Dat weet ik ook, want Paulus had het een paar verzen eerder ook al gezegd: de gezindheid van de geest is leven en vrede. Want die geest is juist de geest van hem die God uit de doden heeft opgewekt. Dat is leven, toch? En als je dat leven echt kent en weet wat dat leven allemaal gaat uitwerken, en dat de hele schepping bevrijd gaat worden... Probeer je dat voor te stellen: de hele schepping gaat bevrijd worden. Wij mogen daar nu al... wij zijn voorbestemd om daar zo'n enorme rol in te spelen. God heeft een geweldig plan. Het weten daarvan en daardoor geleid worden, dat is vrede. Want er is Eén die dat beschikt en zijn weg is de beste. Dan ken je leven en vrede, dat is de gezindheid van de geest. Als je daar nu al in mag wandelen, ja, dat is het leven van het zoonschap.
Hij nu die de harten doorzoekt, weet wat de gezindheid van de geest is en dat hij in overeenstemming met God pleit ten behoeve van heiligen. Dan heb je weer exact hetzelfde. Die geest pleit, en dat is allemaal ten behoeve van ons. Hij spreekt ten gunste van ons terwijl wij in onze zwakheden zijn en zuchten, onderworpen aan de ijdelheid en de vergankelijkheid. Dat is niet gering, maar er is één ding dat alles niet een beetje, maar ver overtreft: zijn woord. Dat woord klinkt. Je kunt het niet zien, maar daarom is het ook geest. Het is leven en het is vrede. Het pleit, het spreekt en het getuigt. Dat is wat ons in onze zwakheid er helemaal doorheen trekt.
Nou, dat is wat ik graag vanmorgen met jullie wilde delen en daar wilde ik het graag bij laten. Ik stel voor dat we met elkaar nog een lied gaan beluisteren of zingen.
UltimateGoodNews