de rechtvaardigen onder de natiën
08-10-2023 - Geplaatst door Andre Piet8 oktober 2023, Benthuizen
In de beschrijving van Paulus’ reizen komen we ze soms tegen: de Godvrezenden. Ze worden onderscheiden van de Joden en ook van de Jodengenoten oftewel de proselieten. Het betreft mensen uit de natiën (‘heidenen’) die de ene God vereerden. In Romeinen 2 worden ze beschreven als rechtvaardige heidenen die de wet niet hebben maar van nature doen wat de wet gebiedt. Wat zal hun lot zijn bij de aanvang van de toekomende aeon (Mat.25)? En bij de grote witte troon (Openb.20)? Staan hun namen in “het boek des levens”?
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: de Actualiteit en het Thema
- Yad Vashem en de Joodse Traditie
- De Godvrezenden in Handelingen
- De Taak van Israël en de Haat Tegen Hashem
- Romeinen 2: de Wet in het Hart Geschreven
- Gods Oordeel als Evangelie van Rechtszetting
- Mattheüs 25: de Schapen in het Messiaanse Rijk
- De Grote Witte Troon en het Boek Des Levens
- Conclusie: een Vergeten Groep Die God Niet Vergeet
Inleiding: de Actualiteit en het Thema ↑ hoofdstukken
Goedemorgen, ook van mijn kant, vrienden. Dirk hield het over slakken en u zou misschien denken dat ik het over schapen ga hebben. Dat is echter slechts heel ten dele het geval. De vorige keer, twee weken geleden, had ik het onderwerp dat we nu vanmorgen gaan bespreken al gepland, maar vanwege de actualiteit hebben we het toen gehad over Yom Kippur. We hebben gesproken over de dag die toen juist gevierd werd in Israël, over wat dan heet de Grote Verzoendag. Ik zou trouwens nu opnieuw het thema kunnen aanpassen vanwege de actualiteit, maar ja, je blijft aan de gang, want er is wel weer heel veel aan de hand.
Dirk refereerde in zijn gebed al aan het rumoer in de wereld en al het gedoe — nou ja, ik hoef u niets te vertellen. Maar we werden gisteren, zeker als je enig weet hebt van het plan van God, van de Schriften en van het profetisch woord, opnieuw bepaald bij het feit dat dit niet voor niets is. Toch zijn we allemaal weer opgeschrikt, want het was onverwacht, ook voor Israël trouwens, wat daar momenteel allemaal weer plaatsvindt. Juist een week geleden hadden we in Maren nog een conferentie die eigenlijk ook over het profetisch woord ging en over de dingen die we voor de komende tijd mogen verwachten. Het is wel heel bijzonder hoor. Ongetwijfeld zal dat wat zich nu voltrekt bij gelegenheid nog wel aan de orde komen. Als de kruiddampen, in de letterlijke zin, wat opgetrokken zijn, dan moeten we het er nog maar eens over hebben.
Ik moet zeggen: ik ben blij dat we dit op afstand enigszins kunnen waarnemen, want dan kun je ook nog zeggen van: "Wauw, wat boeiend wat er zich allemaal voltrekt." Maar ik realiseer me ook dat als je daar middenin zit en die verhalen tot je komen, dat het dan wel heel heftig is. We denken daar natuurlijk ook aan. Het is altijd moeilijk om daarin helemaal de juiste toon aan te slaan. Vanmorgen wil ik het dus hebben over het onderwerp dat ik al had aangekondigd: de rechtvaardigen onder de volkeren.
Yad Vashem en de Joodse Traditie ↑ hoofdstukken
Laat ik een paar inleidende dingen daarover zeggen. De titel is bekend; iemand zei zojuist nog: "Waar ga je het over hebben? Over de rechtvaardigen onder de volkeren." Hij zei: "Oh, dat is Yad VaShem," en daar heeft hij helemaal gelijk in. Want de titel is vooral bekend als eretitel die de staat Israël al sinds haar ontstaan in 1948 toekent aan gojim. Ik zeg het expres even op zijn Joods, op zijn Hebreeuws: gojim. Dat zijn de niet-Joden, de heidenen zeg maar, die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben ingezet voor het lot van de Joden.
In Jeruzalem heb je de Laan van de Rechtvaardigen bij Yad VaShem. U kent dat wel, dat is dat geweldige herinneringsmonument dat de staat Israël heeft opgericht ter nagedachtenis aan al de verschrikkingen van de Holocaust en vooral het leed dat de Joden is aangedaan. Yad VaShem betekent 'een gedenkteken en een naam'. Als je daar naartoe gaat, dan heb je daar een laan, zo heet dat: de Laan van de Rechtvaardigen onder de volkeren. Daar zie je ook allemaal naamkaartjes bij de bomen. Er zijn nogal wat Nederlanders vertegenwoordigd; als ik me niet vergis zijn er voor zo'n 4.000 Nederlanders bomen geplant. Bekende namen zijn bijvoorbeeld Corrie ten Boom, maar ook een Miep Gies van Anne Frank. Dat zijn heel wat namen van mensen die zich verdienstelijk hebben gemaakt en Joden hebben opgenomen in hun huis of hen anderszins hebben geholpen. Het is een groot eerbetoon: elke boom representeert een bepaalde naam, een rechtvaardige. Zo worden ze genoemd: rechtvaardigen onder de volkeren. Het is heel indrukwekkend als je daar die lange lijst ziet op de platen met al de namen die daarin vertegenwoordigd worden.
Ik spit er nu even wat dieper in, want dat is de reden waarom de frase vooral bekend is. Maar ze is ontleend aan de Talmoed, aan de Joodse traditie, en het verwijst naar niet-Joden. Dat zie je als je de Joodse geschriften van oudsher daarop naslaat: het gaat over niet-Joden die Godvrezend zijn. Nu wordt het interessant voor ons als bijbelstudenten, als mensen die zich oriënteren op de Schriften. Die groep komen we namelijk ook in de Schriften tegen, en met name ook in het Nieuwe Testament. Dan vooral in het boek Handelingen; daar kom je de frase 'Godvrezenden' nogal eens tegen en dan blijkt het te gaan over heidense mensen, niet-Joodse mensen, die op een of andere wijze toch de God van Israël, de ene God, erkennen.
Dat bestaat dan ook weer in soorten en maten. Ik wil straks een aantal passages daarvan opslaan in het boek Handelingen, maar kenmerkend is dus dat zij niet Joods zijn. Het zijn ook geen proselieten, want dat is weer een andere categorie die we straks trouwens ook nog zullen zien. Je hebt proselieten, dat zijn mensen die uit de gojim Joods geworden zijn. Mannen laten zich dan besnijden en worden eigenlijk ook opgenomen in het Jodendom. Het Jodendom heeft daar een zekere reserve tegen – 'antipathie' is misschien niet het juiste woord – maar in ieder geval ondersteunt men dat streven bepaald niet. Als jij als goj het verlangen hebt om ook Joods te worden, dan zal je op alle mogelijke manieren ontmoedigd worden om toe te treden tot de synagoge. Dat moedigen ze bepaald niet aan. Ook daar zijn weer soorten en maten en allerlei stromingen binnen het Jodendom; ik veralgemeniseer het ongetwijfeld een klein beetje.
De proselieten vormen dus een categorie apart. Dat zijn gojim die alsnog Joods zijn geworden en die, als het proces helemaal voltrokken is, voluit ook als Jood worden gerekend. Ik heb hier de schriftplaatsen genoemd waar de proselieten ook worden genoemd in het Nieuwe Testament. In Matthäus 23 is er trouwens een aparte schriftplaats, want daar vind je precies het tegenovergestelde van wat ik net beschreef. Want daar worden farizeeën of schriftgeleerden genoemd – een Joodse groep – die juist wel heel erg actief onder de natiën bezig waren om bekeerlingen te werven, zodat mensen zouden toetreden tot hun godsdienst. De Heer Jezus is niet mals in Zijn oordeel daarover. Hij zegt: "Jullie reizen stad en land af" – ik parafraseer het nu even – "om één bekeerling te maken, een proseliet." Want dat is het woord wat er eigenlijk wordt gebruikt. In de praktijk is het resultaat volgens Hem dat zo iemand een zoon van Gehenna wordt, een "zoon der hel" zoals in onze vertaling staat. Het is nog erger dan jullie zelf zijn, zegt Hij. Dat is nou niet bepaald een vriendelijk oordeel dat daarover uitgesproken wordt. Maar goed, de rechtvaardigen onder de volkeren...
De Godvrezenden in Handelingen ↑ hoofdstukken
In het boek Handelingen worden ze dus 'de vrezenden' genoemd. Ik wil daar om te beginnen een aantal voorbeelden van geven. In Handelingen 10 lees je over een heel bekend geval, namelijk dat van Cornelius. Je zou misschien denken dat ik eerst had verwezen naar de kamerling uit Morenland, maar dat is nog maar zeer de vraag. De kamerling uit Morenland was ofwel een proseliet, ofwel een Jood in de verstrooiing die gewoon Israël bezocht. Hij was vertrouwd met de Schriften en hij ging naar Jeruzalem om de God van Israël te aanbidden. Maar van de man die we hier in Handelingen 10 tegenkomen, weten we in ieder geval dat hij tot die groep hoort waar we het over hebben.
Er was in Caesarea – dat ligt daar aan de kust, boven Tel Aviv – iemand genaamd Cornelius. Hij was een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling. Het was dus gewoon een 'goj', een heiden. In de NBG-vertaling lees je over hem dat hij een godvruchtig man was, een vereerder van God. Letterlijk staat er dat hij eerbiedig was. Meestal wordt dat in onze vertalingen weergegeven met 'godsvrucht', maar dat is even terzijde: godsvrucht is een beetje een misleidend woord. Waarom? Omdat wij bij godsvrucht meteen denken aan vrucht dragen voor God, maar daar heeft het niets mee te maken. Het woord heeft te maken met 'vrezen'. Hij was dus eigenlijk Godvrezend. Er staat hier dat hij eerbiedig was en 'vrezende de God'. Hij had ontzag. Dat betekent niet in de eerste plaats dat hij bang was, maar hij had diep ontzag voor 'de God', met dat bepaalde lidwoord ervoor.
Dat gold overigens niet alleen voor hem, maar voor zijn hele huis. Hij bewees dat ook in sociaal opzicht door vele aalmoezen aan het volk te geven en hij bad geregeld tot God. In hoeverre hij zich voegde naar de gebruiken wordt hier niet gezegd. Dat werd ook helemaal niet verlangd, behalve wat er verlangd werd van een 'vreemdeling in de poorten'. Want zo worden zulke mensen feitelijk genoemd: mensen die zich wel onder het volk bevinden en geen Israëliet zijn vanwege hun afkomst, maar zich daar wel ophouden. Je leest bijvoorbeeld in Exodus 20 vers 10 – en een aantal van u kennen het gebruik maar al te goed dat de Tien Woorden worden voorgelezen – dat de Heer zegt: "Ik ben de Heer, uw God, die u uit het land Egypte geleid heb." In verband met het houden van de sabbat staat er dan: "Dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon noch uw dochter... noch de vreemdeling die in uw poorten is."
In feite was Cornelius zo iemand. Hij was een vreemdeling, dat wil zeggen een niet-Jood. Hij hoorde strikt genomen niet thuis in het land, maar hij bevond zich daar wel. Hij werd dus in principe geacht zich in ieder geval te voegen naar de gebruiken, of althans op de sabbat geen arbeid te verrichten. Daar is een heleboel over te doen, maar het gaat dus in ieder geval niet over het eerbiedigen van de zondag, wat kerkmensen vaak geneigd zijn om direct één-op-één zo over te zetten. Dat heeft er niets mee te maken. Bovendien wordt het gezegd tegen het volk van Israël. Maar het gaat mij nu even om het punt: deze Cornelius was geen Israëliet, hij bevond zich in het land en wat we van hem weten is dat hij God eerde. Hij stond trouwens ook in hoog aanzien onder het volk van Israël.
Van hem lezen we natuurlijk – daarom wordt het in Handelingen 10 ook uitgebreid beschreven – dat het evangelie tot hem komt. Petrus moet een bezoek aan hem brengen om hem te vertellen van de God van Israël. Dat gaf trouwens nogal wat voeten in de aarde. Want de Joden, ook de gelovige Joden – moet u nagaan, degenen die geloofden dat Jezus de Christus is – die dachten: wat heeft die Cornelius daar mee te maken? Het moet toch eerst naar Israël? Zij geloofden ook wel dat de natiën het zouden horen, maar eerst moest Israël tot bekering komen. Het was dus niet eens zo gemakkelijk om bij die Cornelius binnen te komen. Petrus heeft heel wat uit de kast moeten halen om te verdedigen wat hij gedaan heeft. Het was trouwens niet op eigen initiatief; hij wilde eigenlijk helemaal niet. Dat vertelt hij ook in zijn verdediging. Hij zegt: "Ik heb dat niet uit eigen beweging gedaan; ik heb van Godswege een droom gekregen, ik móest wel." In ieder geval was de strijd daarna weer geluwd en werd hij duidelijk gerekend als een vreemdeling in de poorten binnen hun eigen gemeenschap.
Dan gaan we nu naar Antiochië. Er zijn er twee van, maar we kijken naar de stad in Turkije. Daar lees je dat Paulus naar de synagoge gaat; dat was meestal de gang van zaken. Hij was daar met Barnabas en het was kennelijk een grote synagoge daar in Antiochië. Wat Paulus dan doet, is daar spreken als een Jood op bezoek. Dat was een open podium; zo werkte dat in een synagoge, iedereen kon zomaar wat zeggen. Paulus wordt uitgenodigd en neemt het woord. Er staat in vers 16 van Handelingen 13: "En Paulus stond op, wenkte met zijn hand en zeide: Mannen van Israël en vereerders van God, luistert." Hier worden letterlijk woorden gesproken over de 'vrezenden van de God'. De Godvreesden, had ik beter gezegd. Ook hier weer die twee groepen: aan de ene kant worden de mannen van Israël aangesproken, maar er is nog een categorie die daar ook kwam. Mensen die op een of andere wijze sympathiseerden met de dienst van God, zonder zelf tot Israël te behoren. De vereerders van God.
Tien verzen verderop, in hetzelfde hoofdstuk, zegt Paulus als hij eenmaal van wal gestoken is en zijn conclusies trekt: "Mannen broeders, zonen van het geslacht van Abraham..." Het woord voor geslacht is 'genos', daar zit ons woordje 'gen' in. Het gaat dus om degenen die het DNA van Abraham dragen; dat is eigenlijk wat er staat, wat wij dan een ras of een geslacht noemen. "Zonen van het geslacht van Abraham en de vereerders van God onder u, tot ons is deze heilsboodschap gezonden." Ook hier weer: de Godvrezenden.
En dan lees je nog een stukje verder in Handelingen 13: "En na het uitgaan van de synagoge volgden velen van de Joden en de vereerders van God, die jodengenoten waren, Paulus en Barnabas." Dit is trouwens wel apart, want hier worden de vereerders van God proselieten genoemd. In de NBG-vertaling staat er 'jodengenoten', maar letterlijk staat er in het Grieks het woord 'proseliet'. Dat is eigenlijk een aparte categorie van Godvrezenden. Meestal waren de Godvrezenden 'goyim' die zich alleen daarin onderscheidden dat ze wel heidens waren, maar ontzag hadden voor God. Maar hier worden ze nog een aparte groep genoemd: de vereerders van God die ook proselieten waren. Dus goyim die zich volledig bij het Jodendom hadden gevoegd. Paulus en Barnabas spraken tot hen en drongen er bij hen op aan om te blijven in de genade van God. Ja, en dan komen we meteen natuurlijk bij het onderwerp.
Paulus doet altijd wat hij spreekt: aansporen om te blijven bij de genade van God. Dat is wat Paulus uiteraard ook daar in Antiochië heeft verteld. We komen ze later trouwens nog meer tegen, maar ik houd het even bij deze opsomming. Wel wil ik nog vermelden dat je ook leest over Lydia, de purperverkoopster. Ook zij was een vereerder van God. In welke categorie ze precies viel, weet ik niet, want zoals ik al zei: de term 'Godvrezende' is breed. Allerlei soorten mensen kunnen God vrezen, maar in de praktijk is het vooral een aanduiding van gojiem die God vrezen.
Dat brengt mij bij Romeinen 2. Want daar gaat Paulus ook in op deze groep mensen onder de volkeren die de wet niet hebben, maar die wel weet hebben van de ene God. We zullen daar eens nader kennis mee maken, want het is vooral interessant en van belang om deze groep te herkennen en te onderscheiden. In Handelingen lees je dat men in het jodendom dat fenomeen maar al te goed kent.
Misschien mag ik daar nog even iets over zeggen voordat ik bij Romeinen 2 kom. Ik zei al hoe dat in de praktijk in het jodendom werkt: men is er helemaal niet op uit om de heidenen te verjoodsen. Ik heb dat ooit van Pinchas Lapide gehoord, een bekende theoloog van wie ik veel boeken heb gelezen. Het is heel leerzaam wat hij vertelt. Deze Pinchas Lapide zegt: "Joden hebben niet de taak om de wereld te judaïseren." Maar, zo zegt hij, we hebben wel de taak om de wereld te monotheïseren. Dat klinkt misschien wat theologisch, maar het klopt namelijk wel; het is Bijbels heel goed te verantwoorden.
De Taak van Israël en de Haat Tegen Hashem ↑ hoofdstukken
God had één volk uitgekozen, namelijk de zonen van Jacob, en aan hen heeft Hij ook Zijn woorden toevertrouwd. Paulus zegt dat hen de woorden van God zijn toevertrouwd en Hij heeft hen Zijn Torah gegeven. Dat volk, dat etnische Israël, heeft een heel bijzondere, bevoorrechte taak gekregen om straks de hele wereld bij God te brengen; zij zijn een koninklijk priesterdom. Die taak hebben ze, en daarom is er tot op de dag van vandaag zoveel te doen over dat kleine volkje. Waarom is er in hemelsnaam zoveel om te doen, de hele geschiedenis door en nu nog? Je kunt de krant niet openslaan of het gaat over Israël. Waarom was dat zevenhonderd jaar geleden al zo, en in de Tweede Wereldoorlog? Waarom hebben ze het altijd gemunt op dat volk?
Dat is antisemitisme. Maar antisemitisme is in feite een veelzeggende aanduiding: het is letterlijk 'anti-Hashem'. Shem is de Hebreeuwse aanduiding voor God. Joden zijn heel aarzelend om de naam van God uit te spreken; dat mag eigenlijk helemaal niet. Daarom spreken ze de Naam niet uit, maar zeggen ze Hashem. In feite is antisemitisme niet alleen Jodenhaat of haat tegen dat etnische Israël; er zit haat achter van de tegenstander, de diabolos. Het is haat tegen hun God, de God die hen heeft uitgekozen voor die taak. En zo’n pretje is dat niet; menig Jood heeft dat uitgesproken. Zelfs als je alles in werking stelt om je van je Joodse identiteit te ontdoen, dan weet Hij je nog te vinden. Zelfs als je zegt: "Ik ben geen Jood", dan nog. Het zit zo diep. Maar het heeft te maken met het feit dat God een etnisch volk heeft uitgekozen. Het mag waar zijn dat ze momenteel van Godswege op een zijspoor gezet zijn, maar God gaat straks de draad weer oppakken met dat volk. Dat volk wordt straks het volk om in de duizend jaren de volkeren te dienen.
De Joden zelf zien ook dat zij die positie van Godswege gekregen hebben. De natiën hoeven helemaal geen Israëlieten te worden. Het enige wat van een mens gevraagd wordt en geacht wordt dat hij weet, is dat hij God kent. Dat lees je ook in Romeinen 1: wat van God niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt van de schepping af met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. Elk mens weet van die God. Het kan weggeredeneerd worden — op scholen en universiteiten zetten ze alles in het werk om het weg te redeneren — maar elk mens weet het gewoon: Hij is er. Waar het om gaat is dat je Hem kent en Hem vertrouwt. In feite ben je, als je Hem vertrouwt, ook een rechtvaardige. God rekent geloof tot rechtvaardigheid. Als je God gelooft — en daarmee bedoel ik niet dat je een bekeerling bent in de kerk, maar dat je God gelooft.
Ik durf zelfs te zeggen dat een heleboel religie juist ontworpen is omdat men God niet gelooft. Men vertrouwt God niet en daarom zegt men eigenlijk dat God niet te vertrouwen is, omdat er een doem van hel en verdoemenis op je wacht. Omdat die God eigenlijk niet te vertrouwen is, moet men door middel van zo’n boodschap mensen dwingen zich te bekeren. Maar vertrouwen zulke bekerlingen God? Mijn insteek is dat ze juist bekeerlingen worden omdat ze God niet vertrouwen; ze zijn zo bang om in de hel te komen. Daarom zijn ze christen geworden, of religieus, of kerkmens. Wij noemen dat dan 'godvruchtigen', maar dat zijn ze juist niet; ze vertrouwen God niet.
Begrijp me goed: het kennen van God betekent niet dat je hoort bij de kerk. Het heeft te maken met de Godvrezenden; dat zijn mensen onder de natiën, geen Israëlieten. De categorie die hier zit, namelijk zij die Christus Jezus nu al mogen kennen, dat zijn eerstelingen; dat is nog weer een andere categorie. Maar ik heb het over de mensen die verder van niets weten, maar wel weten wat elk mens van nature al weet: er is één God. Zij leven bij dat licht en vertrouwen die God. Dat zijn de rechtvaardigen onder de natiën. Ze zijn voor ons nu heel moeilijk aan te wijzen, maar dat zal straks vanzelf wel blijken.
Weet je hoe de Joden hen trouwens noemen? Zij spreken dan over de Noachieten. In feite stamt de hele mensheid af van Noach. De nakomelingen van Abraham hebben een speciale taak gekregen, maar de nakomelingen van Noach — de hele mensheid dus — hebben een aantal dingen die zij geacht worden te weten. Er is een regel: "keep the seven, go to heaven". De Noachieten zeggen dat er voor alle nakomelingen van Noach een zevental morele regels geldt: dat een mens niet zou moorden, geen afgoderij pleegt, enzovoort. Er zijn zeven van die morele regels en als je ze leest, dan zeg je: "Ja, dat is nogal logisch, dat weet elk mens." Daar gaat het juist over. Ik zeg deze dingen niet om de wijsheid van de Joden te overdreven, alsof het gezag heeft omdat de Joden het zeggen of omdat het in de synagoge geleerd wordt. Ik zeg dit juist omdat wat hierover beweerd wordt, inderdaad in overeenstemming is met wat ook in de Schriften gevonden wordt.
Romeinen 2: de Wet in het Hart Geschreven ↑ hoofdstukken
In Romeinen 2 begin ik even een paar verzen later. Dat klinkt misschien wat onlogisch, maar daar blader ik straks nog eventjes in terug in datzelfde hoofdstuk. Om mijn betoog helder te krijgen, kijk ik naar Romeinen 2 vers 14. Daar staat: "Wanneer toch natiën – die de wet niet hebben – van nature doen wat de wet gebiedt..." Want de wet is aan het volk van Israël gegeven, aan één specifieke groep, en de rest van de mensen heeft die documenten niet. Wanneer de natiën, die de wet dus niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, zegt Paulus, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet.
Hij zegt dit heel positief, wat ook blijkt uit het volgende vers. Zij doen van nature wat de wet gebiedt. Dit is trouwens wel weer apart, want ik heb van huis uit altijd geleerd – ik zeg weer iets onaardigs – dat de mens van nature niet deugt. Maar hier lees je juist over de mens die van nature doet wat de wet gebiedt. In de Bijbel is de natuur van de mens niet fout, maar is juist het tegennatuurlijke fout. Dat is trouwens Romeinen 1, waar je leest over mannen en vrouwen die tegennatuurlijke omgang promoten. Dat wil zeggen: gedrag dat niet ingegeven is door het DNA, door wat natuurlijk is en wat je eigenlijk in je diepste vezels al weet.
"Van nature" heeft te maken met het Griekse woord phusis, dat verwant is aan ons woord fysica. Het gaat om wat uitspruit. Het heeft inderdaad te maken met het DNA, zoals wij dat noemen, en wat uit de natuur voortkomt. Er zijn dus onder de natiën mensen die weliswaar de wet niet hebben en daar ook geen weet van hebben, maar die wel weet hebben van de ene God en die leven bij dat misschien heel beperkte licht. Ze hebben de Schriften niet, maar ze hebben wel wat de wet gebiedt. Daarmee doelt Paulus er niet op dat zij de Sabbat en dergelijke houden, maar wel op het meest fundamentele onderwijs voor elk mensenkind; dat kennen ze. En dan zijn deze mensen weliswaar zonder wet, omdat ze die documenten missen, maar ze zijn daarmee zichzelf tot wet.
Zij tonen dat het werk van de wet in hun hart geschreven is. Hoe komt het daar dan? Paulus zegt dat dit "van nature" is. Daarmee is dus inderdaad ook bewezen dat de mens in het algemeen weet heeft van God. Dat zagen we in Romeinen 1 al, en in feite borduurt Paulus daar in Romeinen 2 op voort: er zijn mensen die bij dat licht wandelen, hoe beperkt ook. Ze hebben de Schriften niet, maar het werk van de wet staat in hun harten geschreven, terwijl hun geweten medegetuigt en hun gedachten elkaar onderling aanklagen of ook verontschuldigen.
Dit heeft er direct mee te maken dat men dingen weet. Het woord 'geweten' is heel interessant. In het Grieks, maar ook in het Nederlands en in ons woord 'consciëntie', zit de betekenis van 'medeweten'. Con betekent 'mede' en scientia heeft met weten te maken. Eigenlijk is het geweten dus het medeweten. Mede met wie dan? Mede met God, dat is de essentie. God weet dingen en Hij heeft die kennis in de mens gelegd. Ik heb het vroeger op catechisatie al geleerd: de mens heeft een ingeschapen Godskennis. Dat is dat geweten.
Een mens weet dingen; hij heeft een moreel besef van goed en kwaad. Elk mens weet: als ik iets van jou afpak, dan schend ik dat weten. Dat doe je niet. Je wordt daarover aangeklaagd in je binnenste. Dat hoef je niet te verdedigen, dat weten we allemaal en dat hoef je niet eens af te spreken. Dat heeft te maken met het weten dat ingeschapen is. Die wetenschap is in elk mens aanwezig. Dat geweten kan besmet zijn, dat lees je ook in de brieven, of zelfs dichtgeschroeid. Maar het geweten zelf, onaangetast, heeft elk mens.
In elk geval – en dat is het belangrijkste – weet de mens dat Hij er is. Elk mens weet, en dat vind ik ook zo mooi in Romeinen 1, dat je helemaal niet verteld hoeft te worden dat er een Schepper is. Je ziet het gewoon. Denk aan wat Dirk vertelde over een slak. Je ziet zoiets en je zegt: "Wauw, wat zit dat ingenieus in elkaar, wat een design!" Maar als ik zeg: "Wat een ontwerp, wat een design, wat is daar goed over nagedacht," dan zeg ik daarmee impliciet dat er een God is. Dan is er een Designer. Bij een design hoort een ontwerper. Als je de laptop ziet die hier voor me staat, zeg je: "Wauw, dat is ingewikkeld, dat is knap." Elk mens weet dat daar echt goed over nagedacht is. Dat geldt dus ook voor alles wat wij in de schepping zien. Een mens weet het. Dat is de korte versie: elk mens weet dat er een God is.
Dat geweten spreekt. Het idee is dat op het moment dat je iets doet waarvan je weet: "dit is niet van God," dan gaat je geweten spreken. Dan tast je dat aan en gaat er een storingslampje op het dashboard branden. Nogmaals, dat geweten kan misvormd worden, maar in essentie is dat wat God aan de mens heeft gegeven. Hun geweten getuigt mede en de gedachten klagen elkaar onderling aan. Dat geweten, dat medeweten, die conciëntie, is wat een mens met God mee weet; de wetenschap die Hij heeft meegegeven.
Vervolgens staat er: "...ten dage dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie door Christus Jezus." Deze zin kun je op twee manieren lezen, en uitleggers doen dat dan ook. De eerste manier is: "Ten dage dat God het in de mens verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus." Dat 'volgens mijn evangelie' betekent dan dat God het verborgene gaat oordelen dóór Christus Jezus. En dat klopt; God heeft een Man aangesteld, zegt Paulus in Handelingen 17, door wie Hij de wereld rechtvaardig zal richten. Hij heeft het oordeel, volgens Johannes 5, overgegeven aan de Zoon. Dus die uitleg klopt helemaal.
Maar je kunt de zin ook op een andere manier lezen, en wat mij betreft hoef je helemaal niet te kiezen; het is namelijk allebei waar. De tweede lezing is: God oordeelt het in de mens verborgene door Jezus Christus, maar Hij zal dat doen "volgens" of in overeenstemming met het evangelie dat Paulus vertelt. Ik moet zeggen dat ik die lezing ook heel mooi vind. Dat het door Christus Jezus gebeurt, is nogal wiedes, maar hoe gaat God oordelen? Hij gaat oordelen in overeenstemming met het goede nieuws. En dat vind ik het geweldige.
Gods Oordeel als Evangelie van Rechtszetting ↑ hoofdstukken
God gaat de dingen rechtzetten. Dat is het mooiste van die hele waarheid. Aan een heleboel mensen is het van huis uit natuurlijk anders verteld; traditioneel religieus. Ja, er komt een oordeel van God, en daar komen hel en verdoemenis meteen weer bij. Maar weet u, het feit dat God oordeelt en dat God richt, dat is evangelie. Weet u wat dat namelijk betekent? Die rechtszetting is niet alleen maar een rechtszitting straks. Nee, het is een rechtszetting; Hij gaat de dingen rechtzetten en ook terechtbrengen. Dat is een pijnlijk proces, dat ontken ik niet. Want als de waarheid aan het licht komt, reken maar dat er dan heel veel gebeurt. Dat kan heel pijnlijk zijn, dat is waar. Maar God gaat alles rechtzetten. En waarom gaat God dat doen? Wel, omdat Hij alles terecht wil brengen. Het is een essentiële stap om de wereld te redden en te verzoenen.
Meestal wordt er gezegd: "De boodschap die hier wordt uitgedragen en die we geloven, dat is onverzoening; jullie denken er te makkelijk over en redeneren het oordeel van God weg." Dan denk ik: je weet niet waar je het over hebt. God zet recht, en hoe pijnlijk dat ook mag zijn, het doel is dat evangelie dat Paulus onder de natiën mocht uitdragen. Het doel is dat Hij alles gaat redden en daarom zet Hij het recht. Dat doet Hij niet om Zijn gram te halen, maar omdat Hij Zijn creaties liefheeft. Hij laat niet varen de werken van Zijn handen. Voordat Hij de wereld verzoent, moet Hij echter eerst wel dingen rechtzetten. En dat is dus evangelie. Ik vind het geweldig om dat te weten. Dat besef van het rechtvaardige oordeel van God, en dat Hij straks het verborgene gaat oordelen.
Als we het hebben over de vraag wie die rechtvaardigen onder de volkeren zijn, dan zal dat straks vanzelf wel blijken. Maar ze zijn er. Daar zijn de Israëlieten, de zonen van Jakob met wie God een weg gaat. Daar zijn de gelovigen van vandaag die het evangelie verstaan en voor wie de ogen zijn geopend. Maar daar is ook nog een bredere categorie: de rechtvaardigen onder de natiën.
Laten we weer kijken naar Romeinen 2. Ik ga een paar verzen terug naar vers 5, maar eerst moet ik er iets bij zeggen. In Romeinen 1 had Paulus gesproken over hoe in de wereld in het algemeen onder de natiën de waarheid van God ten onder wordt gehouden en hoe de wereld verduisterd is. Maar in Romeinen 2 spreekt hij de lezer aan en zegt: "Wacht even met je oordeel." Hij heeft het over de Israëlieten, maar ook over degenen die een oordeel hebben over de wereld. In de praktijk is dat vooral de orthodoxie, de godsdienstige mensen, maar ook de moralisten; mensen die zich in feite moreel verheven voelen boven anderen.
Ik wil het voorlezen, want ik kan het nooit mooier zeggen dan Paulus: "Want gij die oordeelt, gij bedrijft dezelfde dingen. Wij weten echter dat het oordeel Gods onpartijdig is over hen die zulke dingen bedrijven. Rekent gij wellicht hierop, o mens die oordeelt over hen die zulke dingen bedrijven en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult? Of veracht gij de rijkdom van Zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en langmoedigheid? En beseft gij niet dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid brengt?" Het brengt je tot inzicht, eigenlijk tot bezinning. Het is juist de boodschap van Gods goedertierenheid die een mens tot inkeer brengt. Niet hel en verdoemenis, maar de boodschap dat Hij werkelijk God is, Zijn schepping liefheeft en Zijn creaties op het oog heeft. Dat Hij dat nooit laat varen, dat brengt een mens tot het besef van wie hij is.
Mensen die in de godsdienstigheid zitten, zeggen vaak: "Wij hebben ons bekeerd, en die heidenen weten er niks van." Zij hebben hun oordeel klaar over anderen, maar zij worden hier aangesproken: degenen die oordelen over anderen terwijl ze denken juist goed te zitten. Het is in feite precies hetzelfde wat je in de evangeliën leest over de Heer Jezus, die tegen de Farizeeën en schriftgeleerden — de religieuze kampioenen — zei: "Ik geef je deze verzekering: straks bij het Koninkrijk zullen hoeren en tollenaars jullie voorgaan." Dan staan jullie achter, of zijn jullie zelfs buiten, knarsetandend, terwijl zij binnen zijn. Jullie dachten dat zij hun God niet vertrouwden, maar de rollen zijn dan precies omgedraaid. Dat is waar het hier over gaat. Hij zegt: "Juist jullie hopen je daarmee de toorn op." Jullie verzamelen toorn door die zogenaamde verhevenheid boven andere mensen.
En dan heeft hij het over de dag van de toorn en de openbaring van het rechtvaardige oordeel Gods. Ik geloof dat dit over twee periodes gaat. De term "dag van toorn" vind je vaker terug, maar ik refereer nu vooral aan Openbaring 6:17. Bij de opening van het zesde zegel spreekt de dag van de toorn tot ons. Wanneer Israël eenmaal teruggebracht zal zijn in het land, zal God Zijn toorn openbaren over de natiën die zich tegen Israël keerden. Dat is de dag van de toorn, en dat vindt plaats vóór de duizend jaren. Het betreft heel uitdrukkelijk de levenden; degenen die op dat moment in leven zijn.
Maar je hebt ook nog het rechtvaardige oordeel van God in het algemeen. Dat is wat plaatsvindt ná de duizend jaren, dus een millennium later. Dat wordt beschreven in Openbaring 20: de grote witte troon. Voor die duizend jaren lees je dat er mensen zullen opstaan; zij die omgekomen zijn gedurende de grote verdrukking zullen opstaan. Maar over de overige doden staat er dat zij niet levend werden voordat de duizend jaren voleindigd waren. Bij de grote witte troon staan al die resterende doden, zij die dus nog niet opgestaan waren. Zij zullen dan opstaan. De dag van de toorn is dus voor het millennium en betreft de levenden. En nu komen we bij het plaatje.
Mattheüs 25: de Schapen in het Messiaanse Rijk ↑ hoofdstukken
Ik noem ze expres schapen, want daarover lees je in Mattheüs 25. Je leest daar dat de Messias de volkeren zal verzamelen wanneer Hij op de troon van Zijn heerlijkheid zal zitten in Jeruzalem. Dan zal Hij de volkeren gaan scheiden en lees je over de schapen en de bokken. Dat is weer zo’n gedeelte dat, naast de definitie, vaak zo fout wordt uitgelegd. Het gaat over de dan levende volkeren, en die schapen worden de 'rechtvaardigen' genoemd. Mattheüs 25:40.
Zij zullen de komende eeuw, het millennium, gaan meemaken. En waarom? U kent dat gedeelte wellicht. Dan lees je... Ik zeg het even in mijn eigen woorden: "Toen Ik in de gevangenschap zat, hebben jullie Mij bezocht. Toen Ik geen huisvesting had, hebben jullie Mij een dak gegeven." "Dat hebben we helemaal niet gezien!" "Nee, maar wat je aan de minste van Mijn broeders hebt gedaan, dat heb je Mij aangedaan."
Zij hebben dus de boodschappers van het evangelie van het koninkrijk ontvangen. Er wordt verder helemaal niets van hen gezegd, maar zij zijn de rechtvaardigen en zij zullen inderdaad binnengaan. Let wel: we hebben het hier dus niet over u en mij. Wij zullen daar helemaal niet bij zijn; wij horen niet bij die volken. Wij zijn nog veel eerder 'geëvacueerd', om het zo te zeggen.
Het gaat trouwens ook niet over Israël; dat zijn juist 'Mijn broeders' die zij ontvangen hebben. Dat is het gelovige Israël dat het evangelie van het koninkrijk uitdraagt. Nee, het zijn de rechtvaardigen onder de volkeren die zich zo hebben opgesteld ten opzichte van het getuigenis en de minste van Zijn broeders. De Heer zegt: "Jullie zijn rechtvaardig; jullie maken de toekomende aion, die duizend jaren, mee."
Ik denk trouwens dat er heel veel mensen zijn... Vorige week hebben we een hele dag gewijd aan de wegrukking. Ja, dan zijn wij geëvacueerd, maar daarna gaat het evangelie opnieuw rond – in feite een ander type boodschap, omdat die past bij de actualiteit: dat koninkrijk gaat aanbreken. Er zullen er velen zijn die die boodschap alsnog gaan horen, daar sympathie voor hebben en het accepteren. Hoeveel? Geen idee, maar ze zijn er. Daar gaat Mattheüs 25 over.
Er zijn schapen en er zijn ook bokken; dat zijn de onwilligen, dat weet u. Maar ik bedoel maar te zeggen: wie zullen de komende eeuw binnengaan? Dat zijn de rechtvaardigen. Dat is een categorie apart. Dat is dus niet Israël en het is ook niet de gemeente, maar het is weer een categorie apart. Ook zij beërven de toekomende eeuw. Nu gaan we eventjes duizend jaar verder. Niet moeilijk, hè? Het gaat toch niet in een slakkengangetje met u? Nee, gelukkig.
De Grote Witte Troon en het Boek Des Levens ↑ hoofdstukken
We slaan de duizend jaren nu even over en kijken naar wat er na die periode gebeurt. Ik neem dat heel letterlijk. Ik zag een grote witte troon en Hem die daarop zat. En de doden, die staan daar voor de troon. Dat komt omdat ze opgestaan zijn; een dode staat normaal gesproken immers niet, maar deze doden staan daar. Dan gaan de boeken open en iedereen wordt geoordeeld naar zijn werken. Wanneer iemands naam staat in het boek des levens – de plaats waar we het nu over hebben – dan zal hij niet de tweede dood ondergaan. Want die tweede dood is alleen bestemd voor de onrechtvaardigen.
Overigens, dat zeg ik er even bij, maar dat had u waarschijnlijk al begrepen: ook de onrechtvaardigen zullen uiteindelijk het leven ontvangen. Ik ben geneigd om te zeggen: halleluja, want ook zij gaan het leven krijgen. Dat is echter pas aan het einde. Zij zullen de heerschappij van Christus niet meemaken, want Christus moet heersen totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten zal hebben gelegd. Er staat: de laatste vijand die Hij tenietdoet, is de dood. Wat betekent dat? Degenen die aan het einde van zijn heerschappij nog dood zijn – dat zijn zij die in de tweede dood zijn geworpen of voor de tweede keer gestorven zijn – zullen dan ook levend gemaakt worden. Zij maken de heerschappij van Christus niet meer mee, want als de laatste vijand tenietgedaan is, geeft de Zoon het Koninkrijk weer terug aan zijn God en Vader en wordt God alles in allen.
Hier bij de grote witte troon zullen dus velen staan. Je leest dat als iemands naam niet staat in het boek des levens, hij de aion die erop volgt niet zal meemaken en in de tweede dood zal zijn. Dat is heel interessant. Ik ken de verklaring die zegt dat in het boek des levens alle 'eerstelingen' staan, maar daar geloof ik niets van. Dat klinkt ook zo arrogant, en die reputatie heb ik toch al. Maar ik bedoel dit: lees hierover in Psalm 69. Daar staat het, ik geloof dat het David is die het zegt: "Laten zij uit het boek des levens worden uitgedelgd en met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven." Het idee is dat de onrechtvaardigen uit dat boek des levens worden uitgegumd.
Hier blijkt dus ook dat degenen die in het boek des levens staan, juist de rechtvaardigen zijn. Zij blijven daarin over en de rest wordt eruit geschrapt. Bij de grote witte troon wordt 'some way, somehow' – want ik weet ook niet precies hoe het in zijn werk gaat, maar zo wordt het in het kort beschreven – alles rechtgezet. Dan zal ook blijken wiens naam in het boek des levens staat. Dat zijn de rechtvaardigen. En dat vind ik interessant, want dat zijn de doden die dus niet die duizend jaren hebben meegemaakt. Het zijn niet u en ik; wij staan daar sowieso niet. Wij die vandaag mogen geloven, staan niet voor die grote witte troon. Ook de gelovige Israëlieten zullen daar niet staan.
Wie blijven er dan over? Dat zijn de rechtvaardigen onder de natiën. Dat zijn zij die God kennen, vertrouwen en vrezen. Dat zal dan blijken. "Velt geen oordeel vóór de tijd," zegt Paulus. Want dat is een vooroordeel; op het moment dat je een oordeel uitspreekt over iets wat je nog niet weet, is dat een vooroordeel. Dat geldt nu ook. Dat is de terughoudendheid waarmee ik dit onderwerp benader. Ik kan ze niet aanwijzen; dat zal straks blijken. Ik wil alleen aangeven dat er rechtvaardigen onder de natiën zijn. Er zijn mensen die God aanmerkt als rechtvaardig bij het beetje wat zij weten. Meer kennis hebben ze niet opgedaan of hun ogen zijn daar niet voor geopend, maar ze kennen God en ze vertrouwen op Hem. Hun namen staan in het boek des levens en zij zullen dan ook inderdaad die nieuwe aarde beleven en de heerschappij van de Zoon meemaken.
Het is een groep mensen waaraan ik me niet kan herinneren dat ik daar al te vaak aandacht aan heb gegeven in deze samenkomsten. Maar ik vind ze toch vermeldenswaard, om te denken aan deze rechtvaardigen onder de natiën die God weet te vinden. Straks, bij de aanvang van het Messiaanse Rijk, zal dat duidelijk worden voor de levenden, maar daarna ook voor de doden. God weet ze te vinden en Hij zal eenieder vergelden naar zijn werken: eerst de Jood en ook de Griek. Het gaat hier niet over wetswerken of over verdiensten, maar gewoon over mensen die geleefd hebben bij het licht dat ze hadden, in vertrouwen. Zij die met volharding in goed werk heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, zullen inderdaad het aionische leven ontvangen. Dat is het leven van de komende aion of de aion die daarop volgt.
Conclusie: een Vergeten Groep Die God Niet Vergeet ↑ hoofdstukken
Dus de rechtvaardige levenden zullen voor de duizend jaren dat millennium ingaan? Laat ik het even heel concreet maken. Dat komt er dus op neer dat als we inderdaad binnenkort dat millennium gaan aanvangen, er velen zijn die nu op aarde leven, die straks dat millennium zullen ingaan en die aion zullen beërven.
En dan hebben we het dus niet over de gemeente, de Ecclesia, en ook niet over Israël. Nee, we hebben het over de mensen uit de volkeren, de 'schapen' zal ik maar zeggen, en zij zullen dat inderdaad gaan meemaken. Dat betekent dus dat er velen zijn in de wereld die die aion gaan meemaken, terwijl wij ze niet eens zouden aanwijzen als gelovigen. Het zijn ook geen gelovigen die het evangelie kennen zoals wij. Apart hè? Nou ja, ik geef het in ieder geval zo in overweging.
Het zijn dus de levenden die het bij die gelegenheid dan inderdaad zullen meemaken. En dan zullen duizend jaar later uiteindelijk alle doden opstaan. Dan zullen ook degenen van wie de naam staat in het boek van het leven, ook daarna die geweldige tijd gaan meemaken. Uiteindelijk ontbreekt er helemaal niemand meer.
Maar zo zie je maar dat God dit bij aanvang al heeft gememoreerd. God heeft een geweldig plan. Wij hebben de Schriften en wij leven bij het licht daarvan. Wij mogen nu dingen zien en overwegen die een ander mens niet gegeven zijn. Ja, dat is een voorrecht. Maar ik vind het zo geweldig: bij Hem valt er uiteindelijk niemand buiten de boot. Het is Zijn genade die dat allemaal realiseert en daar kunnen we niet genoeg aan denken. In wie God is, daar raak je nooit in teleurgesteld.
Nou, dat wilde ik vanmorgen heel graag eens met jullie delen. De rechtvaardigen onder de natiën vormen zo’n grote vergeten groep, maar God vergeet ze niet. Houd dat vast.
UltimateGoodNews