GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Bezaleël Ben Hur

07-09-2010 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 5 september 2010 in Eben Haëzer, Rotterdam

Bezaleël was de man uit de stam van Juda die het huis van God zou bouwen. Zijn naam staat voor ‘schaduw’, hoewel uit licht (Uri) voortkomend. Wat hij zou ontwerpen en bouwen is alles een schaduw, d.w.z. duister in zichzelf maar niettemin getuigend van het Licht. Bezaleëls grootvader was Hur, de man die we kennen van de top van heuvel, toen Amalek streed met Israël. Samen met Aäron ondersteunde deze de armen van Mozes om “de staf Gods” hoog te houden, omdat daarin het succes verzekerd bleek! Het spreekt van Hem die nu boven is gezeten en onze belangen in de aardse strijd behartigt. Opmerkelijk is verder dat de familie van Hur in het beloofde land de velden van Efratha en Bethlehem kreeg toegewezen. Allemaal hints die wijzen in de richting van de Messias. De Messias die weliswaar als “de Leeuw van Juda” ooit de scepter zal ontvangen, maar die nu, terwijl het volk van God door de woestijn reist, bezig is met de bouw van een geestelijk huis.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze Bijbelstudie toont aan hoe Bezaleël, de bouwer van de tabernakel, een schaduwbeeld is van de Heer Jezus Christus. Door de typologische betekenis van zijn naam, zijn afstamming via Chur en de geografische link met Efrata, wordt een profetisch beeld geschetst van de ware Bouwer. Hoewel Bezaleël uit de koninklijke stam Juda kwam, was zijn aardse taak niet om te regeren, maar om Gods huis te bouwen. Op dezelfde manier bouwt Christus in de huidige bedeling niet een aards koninkrijk, maar Zijn geestelijke huis, de ecclesia.

“Hij bouwt vandaag, tijdens de woestijnreis, gewoon een huis. Een huis Gods, de gemeente, de ecclesia, een uitroepsel.”

De Verborgen Ben-hur in Exodus ↑ hoofdstukken

Goedemorgen, beste vrienden, dames en heren, broeders en zusters. Ik wil vanmorgen uw aandacht eens vragen voor Ben-Hur. En ik moet u eerlijk toegeven, het is toch wel wat eigenaardig op het eerste gezicht: ik heb het boek noch de film echt tot me genomen. Ja, ik ben enigszins een cultuurbarbaar, dat geef ik toe. Want het heeft decennialang, met name in de Engelstalige wereld, op de bestsellerlijsten gestaan. Het boek is ooit geschreven in 1880, heb ik me laten vertellen – want zo ben ik dan toch weer geïnformeerd voor de gelegenheid. En het is talloze keren verfilmd; nou, dat is wat overdreven, maar toch heel wat keren in de loop der tijden. De ouderen onder u zullen het wellicht wat beter kennen dan de jongeren, veronderstel ik.

Het gaat over een jonge, Joodse man. Het speelt zich af aan het begin van onze jaartelling; hij was bevriend met een Romeinse gouverneur. Ik moet er niet al te veel over vertellen, want ik zou zomaar mijn fouten kunnen maken. Maar hij heette Judah Ben-Hur en hij komt op een gegeven ogenblik in Nazareth terecht, waar hij in aanraking komt met een heel vriendelijke timmerman. Later ontmoet hij hem weer in Jeruzalem, en dan wordt diezelfde timmerman weggeleid naar het kruis. Nou, daarover gaan deze film en dat boek dus.

Ik ga het hebben over Ben-Hur, maar niet over déze Ben-Hur. Nee, ik ga het hebben over Ben-Hur, maar hij heette eigenlijk niet zo. Dat is heel raar. Hij was Ben-Hur, maar hij heette Bezaleël. Maar toch was hij Ben-Hur, en ik zal dat uitleggen. We vinden in Exodus 31, het gedeelte dat we zojuist met elkaar hebben gelezen, de beschrijving van in hoofdzaak één iemand: deze Bezaleël, die de tabernakel zou moeten gaan maken en alles wat daarbij hoort.

In de voorgaande hoofdstukken was al uitgebreid een beschrijving gegeven van die tabernakel: de maten, de klederen die daarbij van belang waren voor de priesters, voor de hogepriester en alle bijzonderheden, de kleuren en de stoffen die daarbij gebruikt moesten worden. Kortom, zoveel details; er wordt een uitvoerige beschrijving gegeven. En het was de Heer zelf die ooit aan Mozes op de berg een model heeft laten zien van die tabernakel. Of hij een maquette gezien heeft, dat weet ik niet, of dat het allemaal wat abstracter is geweest; dat Mozes verteld is over de betekenissen en dat dit vervolgens gestileerd is in de bouw van de tabernakel, dat is moeilijk te achterhalen. In elk geval lees je dat Mozes een model heeft gezien en vervolgens is daar een uitgebreid, gedetailleerd bouwplan van opgetekend. Dat vinden we allemaal in deze hoofdstukken in Exodus.

En dan komen we aan in hoofdstuk 31 en daar worden twee mannen genoemd. De eerste was de hoofdman, degene die verantwoordelijk was voor de bouw van het huis van God – dat mobiele huis, zeg maar, dat werd meegenomen gedurende de woestijnreis en later trouwens ook nog geplaatst werd in het land. De tabernakel, die tent van God. Over hem, degene die dat zou moeten maken, gaat het 31e hoofdstuk, en dat vangt aan met deze woorden.

Bezalël en Uri: Schaduw van het Ware Licht ↑ hoofdstukken

Yahweh sprak tot Mozes: "Zie, let op – dat is: 'zie' – Ik heb bij name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur uit de stam van Juda." Maar let even op: "Zie, Ik heb bij name geroepen Bezaleël." Dat betekent niet alleen maar dat Ik zijn naam geroepen heb, maar let eens even op die naam. De naam Bezaleël betekent 'in de schaduw van God'.

Dan lezen we vervolgens over woordspelingen – het is meer dan dat hoor – die ons in het Nederlands vaak ontgaan, maar die er in het Hebreeuws eigenlijk duimendik bovenop liggen. Bezaleël: in de schaduw van God. Is het zo triest wat ik vertel? Dat valt toch wel mee? Zo, het houdt al op gelukkig. De zoon van... en dan staat er Bezaleël, 'in de schaduw van God', en dan vervolgens: de zoon van Uri. Uri is een hele bekende naam, ook tegenwoordig in Israël. Trouwens, in Nederland ook; we hadden nog niet zo lang geleden een Joodse informateur die ook zo heette: Uri Rosenthal. Maar Uri betekent letterlijk 'mijn licht'. Dat is eigenaardig: de schaduw kwam voort uit licht, toch? Zo wordt het hier beschreven. Ik zei al dat de woordspeling ons in het Nederlands ontgaat, maar in het Hebreeuws blijkt het duidelijk.

Daar zit echter veel meer in. Kijk, het is zo: schaduw bestaat inderdaad bij de gratie van licht. Het is feitelijk zo dat doordat het licht op iets of iemand valt, er schaduw ontstaat. Schaduw in zichzelf is niks, het is duister, en toch getuigt het van licht. Namelijk in de contouren, want de begrenzing van de schaduw is het licht. Zodat schaduw in zichzelf dan wel duister mag zijn, maar het wijst op licht. Op iemand – ik zeg het meteen maar in de richting waar we naartoe gaan – op iemand waar het licht op valt.

Als we dat zo wat overdenken, dan kom je al vanzelf bij de Hebreeënbrief uit, waar we ook zo'n uitgebreide beschrijving vinden van de tabernakel en alles wat daar plaatsvond en alles wat daar verordend was. Een schitterend boek is dat hoor, die Hebreeënbrief, want er wordt namelijk uitleg gegeven; daar wordt licht geworpen op Hem van wie dat alles getuigt. In die Hebreeënbrief wordt in vers 1 van het tiende hoofdstuk het woord 'schaduw' namelijk gebruikt. Dat is heel opmerkelijk en daar wil ik toch even uw aandacht voor vragen. Daar staat in vers 1 van hoofdstuk 10 dit: "Want..." – en dat geeft dus alweer aan dat het voortbouwt op wat eraan voorafgegaan is. De schrijver van de Hebreeënbrief had immers uitgebreid stilgestaan bij het hemels heiligdom, de ware tabernakel die getuigt van een bouwwerk dat niet met handen gebouwd is. Nou, dat is hoofdstuk 9 dan.

Maar dan vers 1 van hoofdstuk 10: "Want daar de wet slechts..." – nou, dat 'slechts' kunt u wegschrappen, hoewel het idee hier inderdaad wel de vergelijking is – "Want daar de wet een schaduw heeft van de toekomstige goederen." Bij goederen moet u niet denken aan artikelen ofzo. In het Grieks is dat gewoon het meervoud van 'goed', dus eigenlijk zou je het volgens mij het beste kunnen weergeven met 'de goede dingen'. U moet dus niet denken aan een of andere expeditietrein of een goederenwagon; nee, het zijn goede dingen. De wet heeft een schaduw van de toekomstige... dat wil zeggen: toekomstig in de dagen dat de wet gegeven werd... van de toekomstige goede dingen. En er staat bij: "Het is niet de gestalte van de dingen zelf." Het gaat niet om de wet zelf. De wet is alleen maar een schaduw.

Duister vinden we de wet ook vaak. Ik weet niet hoe het u vergaat als u die boeken leest, Exodus, maar dat geldt ook voor Leviticus waar je leest over die offerdienst. Heel bloederig, veel met de dood; echt schaduw, ja. Maar in de contouren van die schaduw zien wij het licht. Dat is waar de schrijver van de Hebreeënbrief zich zo druk over maakt, dat wil zeggen: waar hij zo enorm enthousiast over uitweidt, dertien hoofdstukken lang, om dat allemaal in de picture te plaatsen. Hij zegt: die wet, dat is een schaduw. En niet alleen de wet, maar ook de tabernakel. Een groot gedeelte van die wet die God gegeven heeft op de berg Sinaï gaat juist over die tabernakel, over de priesterdienst en over de offers die gebracht zouden worden. Dieren die geslacht moeten worden en dan vervolgens op een altaar gelegd worden, wat opstijgt tot een 'liefelijke reuk'.

Maar de schrijver van de Hebreeënbrief zegt heel laconiek: "Ja, het is natuurlijk onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken..." – dat is trouwens in ditzelfde hoofdstuk – "...dat het onmogelijk is dat het bloed van stieren en bokken zonde zou wegnemen." Dat is het ook niet; het is in zichzelf niks. Schaduw. De schaduw is eigenlijk ook niks. Het zegt eigenlijk meer dat er geen licht is. Het spreekt eigenlijk alleen maar van iets, het spreekt van dat wat ontbreekt eigenlijk, namelijk licht. Nou, dat is de wet, dat is die offerdienst, dat is de tabernakel. Het gaat niet om dat voorwerp of om dat gebouw zelf. Nee, het is een schaduw, het wijst op het licht. Het spreekt van toekomstige goede dingen – en van hoeveel goede dingen spreekt het niet? – maar het is niet de gestalte van de dingen zelf.

Welnu, dat is waar Bezaleël voor was aangesteld. Hij was de 'schaduw van God' en feitelijk is hij aangesteld om iets te maken dat in zijn geheel één groot schaduwspel is, als ik het zo mag zeggen, maar dat alles heen wijst naar het licht. Uri: mijn licht. Het is de schaduw die voortkomt uit het licht. En als dat zo staat in Exodus 31: "Ik heb bij name geroepen Bezaleël", dan wordt als het ware al de attentie gevraagd voor zijn naam: Bezaleël. En dan ook Uri: schaduw en licht.

Ja, dat is trouwens helemaal opmerkelijk hoor, want zijn medewerker, degene die hem zou assisteren, heette Oholiab. Pieter sprak het wat anders uit, maar goed, wat maakt het uit? Oholiab. Maar Oholiab – weet je, dat is ook leuk hè – Oholiab betekent gewoon 'de tent van mijn vader'. Ja, welke tent en welke vader? Nou, dat is niet zo moeilijk hoor: het spreekt gewoon van de tent van Hem, namelijk het heiligdom, de tabernakel. Zo is ook met Bezaleël: hij wordt aangesteld om de schaduwen te ontwerpen, uit te voeren en te maken.

Laat ik dan even verder lezen: "Zie, Ik heb bij name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur..." – of als u de Statenvertaling hebt, dan staat er Hur. Eigenlijk is het Chur, Goer. Maar goed, over de uitspraak maken we ons helemaal niet druk, als we maar weten over wie we het hebben: over Chur.

Hur in Exodus 17: Overwinning Door de Staf van God ↑ hoofdstukken

Wie is die Chur? Daar kan ik nu wel over vertellen. Want deze Besaleël was de zoon van Uri, maar hij was dus de kleinzoon van Chur. Hier staat trouwens in het Hebreeuws: Ben-Hur. Dus Ben-Hur is geen uitvinding van een romanschrijver van een paar eeuwen terug. Nee, Ben-Hur komen we al tegen in Exodus 31. Dat bedoelde ik in de aanvang ook te zeggen: we gaan het over iemand hebben die 'Ben-Hur' is, maar hij heet niet zo. Eigenlijk zou je moeten zeggen dat het zijn achternaam is. Zoals ik Piet heet. We hadden het er net over, Pieter, maar mijn achternaam is Piet. Eigenlijk is het afgeleid — dat is ooit onderzocht door knappere mensen dan ik — van Pietersen: zoon van Pieter. Of zoon van Piet, of van Petrus, wie zal het zeggen. In elk geval: de zoon van. Ben-Hur betekent ook gewoon 'de zoon van Chur'. Laten we het daarop houden: het was eigenlijk zijn achternaam.

Die Chur waren we al eerder tegengekomen in het boek Exodus. Weet u nog in welke geschiedenis? Nou, niet allemaal tegelijk, dan zal ik het vertellen: in Exodus 17. Die prachtige geschiedenis — nou ja, wat heet prachtig, de aanleiding was niet zo mooi, want Israël werd aangevallen. De Israëlieten werden in de woestijn van achteren aangevallen door de Amalekieten, door Amalek. Je leest dat Jozua de strijd aanvoert. Dat is een mooie gedachte: Jozua. Maar ik wil uw aandacht vragen voor iets anders.

Er staat halverwege dat hoofdstuk, in vers 10, dat Mozes, de leidsman van Israël, Aäron, de hogepriester, en Chur de heuveltop hadden bestegen. Een paar verzen later, in vers 12, staat wat er precies gebeurde. Israël was dus in de strijd betrokken geraakt tegen Amalek en deze drie mannen stegen de heuvel op. En toen de handen van Mozes zwaar werden, namen ze een steen en legden die onder hem neer, zodat hij daarop kon gaan zitten. Aäron en Chur ondersteunden zijn handen. Mozes was naar boven gegaan met die twee andere mannen en onderwijl hield hij de staf van God omhoog. Zolang Mozes de staf omhoog hield, had Israël de overhand en de overwinning. Zodra die staf weer naar beneden ging, als de armen van Mozes zakten, had Amalek de overhand.

Het is een heel eigenaardig verhaal. Het succes van de strijd was dus niet gelegen in de kracht van de Israëlieten die daar beneden aan het tobben waren, maar was gelegen in hem — of hen, want hij kreeg ondersteuning — die daar in de hoogte was en de staf van God omhoog hield. Ik hoop dat u begrijpt dat wat ik nu vertel, eigenlijk ook allemaal schaduw is. Dit zijn schimmen. Waarom? Als je die geschiedenis houdt tegen het licht — om even bij de beeldspraak te blijven — dat we tegenkomen in het Nieuwe Testament, dan zie je onmiddellijk daarin de Heer Jezus Christus. De Leidsman inderdaad, maar ook onze Hogepriester en Israëls Hogepriester. Hij is daar in de hoogte, onttrokken aan het oog, terwijl wij hier beneden in het dal in de strijd betrokken zijn.

Er valt niet aan te ontkomen, laten we wel wezen. Dat weet iedereen, daar hoef je helemaal geen gelovige voor te zijn. Het leven is een strijdtoneel, en ieder heeft daaraan zijn deel. Ik geloof dat er ook varianten op zijn met pijpkaneel en zo, waar iedereen aan trekt, maar laten we serieus blijven. Ja, het leven is een strijdtoneel en daar hebben we allemaal ons deel aan. De een meer dan de ander. Soms denk je wel eens: waarom moeten ze zoveel strijd hebben, waarom krijgen ze zoveel op hun bordje? Maar ik zal u dit vertellen: er is iemand daar op de heuveltop, in de hoogte. En in hem, en in dat wat hij hoog houdt, is de overwinning gelegen. Namelijk de staf.

Ik geloof dat ik er bij eerdere gelegenheden wel eens op gewezen heb, en anderen hebben dat ook vast en zeker wel eens gedaan: de staf in de Bijbel spreekt altijd van de opstanding. Altijd. Door de staf kun je staan, standhouden en opstaan. Trouwens, er wordt in Exodus 17 niet gezegd dat het de staf van Mozes was; het wordt 'de staf van God' genoemd. Die uitdrukking komen we ook al eerder tegen. We bladeren zowat door het boek Exodus en door de hele Bijbel eigenlijk, maar die staf van God kwam je al eerder tegen toen Mozes geroepen werd in de woestijn bij de brandende braamstruik. Je leest dat hij die staf op de aarde moest werpen. En wat gebeurde er met die dode staf? Juist, die dode staf werd levend. Dan weet je meteen waar een staf van spreekt.

Een staf heeft altijd te maken met wonderkracht. Wat er allemaal met die staf gebeurt... dat is een mooie Bijbelstudie hoor, ga dat maar eens na. In verbasterde vorm vind je dat in allerlei verhalen terug, in sprookjes: de toverstaf. Waar komt dat dan vandaan? Op de een of andere manier voelt iedereen wel aan dat er in die staf wonderkracht gelegen is. Zeker weten, want de staf spreekt van de overwinning van Hem die sterker is dan de dood. Het is volstrekt terecht dat we deze samenkomst zijn aangevangen met 'Daar juicht een toon, daar klinkt een stem'. Dat gaat over de Zoon van David die opgestaan is uit het graf. Daar gaat het allemaal om.

Hij is de Overwinnaar. In een sterfelijke wereld — we zijn allemaal stervelingen met alle leed en ellende die daarmee samenhangt, en de zonde die daar weer het gevolg van is — kennen wij een Overwinnaar. Wij delen in die overwinning zonder dat we er eigenlijk ook maar iets aan hebben bijgedragen. Laten we wel wezen. Daarom zijn wij zelfs 'meer dan overwinnaars'. Wij rusten in de overwinning die gewoon voor ons behaald is. 'Kijk naar boven', zongen we toch? Kijk dan omhoog, de hemel is blauw. Vandaag zeker, maar dat is hij altijd, ook al zie je het niet. De zon schijnt, hij is daar. Ga niet af op je gevoel, want er is niets wat zo misleidt als dat. Hij is daar op de heuveltop en hij houdt zijn handen omhoog.

Maar goed, ik had het over Chur. Hij wordt daar ook genoemd. We weten verder nog niets van deze Chur; hij is eigenlijk een onbekende. Wat voor iemand hij was, horen we pas later, wanneer blijkt dat zijn kleinzoon een hoofdrol speelt in de bouw van de tabernakel. Chur is trouwens, voor de liefhebbers, een anagram van Ruach. Als je de letters omkeert, heeft het dezelfde Hebreeuwse getalswaarde. Het verwijst naar de Geest, naar de Geest van Christus. Ik ga dat nu verder niet toelichten, maar ik wilde er toch even op wijzen. In elk geval staan die drie mannen daar op de top van die heuvel. Terwijl Mozes daar rust en op de steen zit, zijn er twee anderen: de hogepriester en die 'onzienlijke' die we verder niet kennen, Chur. Deze Chur is dus de grootvader van Besaleël. Houd hem even vast. Wanneer we het over Chur hebben en we lezen die geschiedenis, dan worden we als vanzelf

Met de wetenschap van wat ons bekend wordt gemaakt in het Nieuwe Testament: de Heer Jezus Christus, die daar in de hoogte is en die daar voor ons pleit aan Gods rechterhand. Ja, inderdaad, Hij garandeert de overwinning. En terwijl wij hier misschien een strijd hebben te voeren, zorgt Hij ervoor dat het met succes beslecht zal worden.

Richt daar je oog op. Op het moment dat je dat gaat doen, word je werkelijk mens. Dat wil zeggen: omhoog gaan kijken, want dat is eigenlijk wat 'mens' betekent, hè? Dat vind ik prachtig. Als je omhoog gaat kijken, dan word je vrolijk en vrij. De hemel is blauw en dan weet je: die hele last valt van je schouder af, de last dat jij het moet doen. Jij moet het niet doen. Hij is het! Hij zorgt voor de overwinning. Denk daaraan, en daarom kun je ook rust hebben. Dan word je vrolijk en vrij, dan ga je zingen, en al die dingen meer.

Goed, dat is die Chur dus. Het verwijst naar hem die daar op de heuveltop staat en die daar de staf, het embleem van de opstanding, omhoog houdt. Goed, ik ga weer even terug naar Exodus 31, want we zijn nog steeds bezig met de vraag: wie is die Chur? Wat waren zijn papieren? Wat was zijn komaf? "Zie, Ik heb bij name geroepen Besaleël" — de schaduw van God — "de zoon van Uri" — mijn licht — "de zoon van Chur". Hij heeft trouwens ook nog met fijn linnen te maken, want dat is de betekenis van de naam Chur. Maar goed, ik wil vervolgens wijzen op iets heel eigenaardigs, want er staat nog iets bij.

Uit de Stam van Juda: de Eerstgeborene van Efratha ↑ hoofdstukken

Uit de stam Juda. Hé? Dat is vreemd. Daar moet je over struikelen hoor. Uit de stam van Juda. Want was het dan niet zo dat alles wat verband houdt met het heiligdom, dat dat geregeld werd door de stam van Levi? Ja, dat is ook zo. En als je wilt weten waarom dat dan weer is, ja, dan zou je de schrijver van de Hebreeënbrief er maar eens op na moeten slaan. Hebreeën 7 gaat er uitgebreid op in; schitterende hoofdstukken.

Maar uit de stam van Juda, die had in principe niets met de tabernakel en met de priesterdienst en dergelijke te maken. Wel met iets anders trouwens, maar dat weet u, hè? Ja, het was aan... ooit was door Jakob al gezegd: aan Juda komt de scepter toe, de heerserstaf. De kroon was voor Juda. Dat is Juda; de kroon was bestemd voor deze stam, vandaar ook de leeuw van Juda. Van Genesis ga je zomaar naar Openbaring, maar het hangt allemaal samen. De leeuw van Juda, de koning der dieren, de overwinnaar, wel, die komt uit de stam van Juda.

Nou, hier van deze Besaleël — schaduw, afkomstig uit het licht — de kleinzoon van Chur, Ben Hur ja. Hij was uit de stam van Juda. De koningsstam. Dus, ik zei al, daar moet je over struikelen. Hoe is dat eigenlijk? Waarom heeft God niet iemand geroepen uit de stam van Levi? Ja, als ik dat gewoon in het Oude Testament lees, dan kom ik daar niet achter. Je kan natuurlijk altijd zeggen: wellicht was er niemand onder de stammen van Israël vakbekwaam genoeg ofzo, maar ik moet u zeggen, ik vind dat een beetje flauwe motieven. Dat geloof ik niet. Het heeft natuurlijk een diepere zin. Ik zeg met de apostel Paulus: hierin is een diepere zin gelegen. Ja, wat dacht je wat? Natuurlijk.

Uit de stam van Juda. Het verwijst namelijk naar iemand: naar de Heer Jezus Christus, Die uit de stam van Juda zou komen en Die verantwoordelijk is voor de bouw van een hemels huis waar Hij momenteel mee bezig is. Ik kom er straks nog even op terug.

Ik wil nu nog eventjes lezen, nog een schriftplaats waar we die Chur nog een keer tegenkomen. Ja, ik kom toch weer even terug op die Chur. Waarom? Omdat we in 1 Kronieken 4 die naam en dezelfde persoon weer tegenkomen. Want daar lezen we namelijk in 1 Kronieken 4 vers 4 van deze man — ja, we wisten al dat hij uit de stam van Juda kwam, maar hier wordt gezegd: Chur, dat was de eerstgeborene van Efrata, de vader van Betlehem. Dus die Chur, de opa dus van Besaleël, is de stamvader. Zijn familie heeft zich gevestigd in de velden van Efrata, de vader van Betlehem. Dus de familie van Besaleël, ja, die heeft zich daar gevestigd, in de velden van Efrata. Hoe duidelijk wilt u het hebben?

Ik zei al, het verwijst natuurlijk naar Hem die zou komen, naar de Zoon van David. Maar nu ligt het zo voor het oprapen. Die familie zou zich daar vestigen, in Betlehem, ja. Efrata heeft trouwens nog met vruchtbaarheid te maken, en de Eerstgeborene zou daar inderdaad geboren worden, in de velden van Efrata.

En dan wil ik nog op iets wijzen. Want ja, dat heb je met typen en beelden enzovoort: dan zie je Christus zomaar door de Bijbel heen. Want Efrata, de eerste keer dat Efrata vermeld wordt in de Bijbel, dat is in Genesis 35. Daar vinden we dat Jakob met Rachel onderweg is, en dan lees je dat Rachel bevalt. Nou ja, dat beviel niet goed, dat leest u. Maar dan gebeurt daar iets heel eigenaardigs in vers 18. Je leest dan dat ze in de velden van Efrata zijn; het is de eerste keer dat die plaats genoemd wordt in de Bijbel. En dan staat er: 'En toen haar, Rachel, het leven ontvloot, want zij stierf, noemde zij hem Ben-oni'. Dat wil zeggen... ze had al een zoon, Jozef, en toen kreeg ze nog een zoon, maar bij de bevalling overlijdt zij.

En dan staat er nog, terwijl zij dus bevalt en ook sterft, noemt zij die jongen Ben-oni. En Ben-oni betekent: zoon van mijn smart. De zoon van mijn smart die geboren wordt in de velden van Efrata. Moet ik nu nog iets toelichten? De Zoon der smarten die geboren wordt in de velden van Efrata. Ja, maar dan moet je even doorlezen. Want zo noemde zijn moeder hem. Logisch, want ze overlijdt bij die gelegenheid. Maar vervolgens staat erbij: 'Maar zijn vader noemde hem Benjamin'. En weet u wat Benjamin betekent? Zoon van mijn rechterhand. En dan staat er nog bij: 'Zo stierf Rachel en werd begraven aan de weg naar Efrat, dat is Betlehem'.

De Zoon van smarten die geboren wordt in het veld van Efrat, maar de vader noemt hem vervolgens de zoon van mijn rechterhand. Alsjeblieft, dat is een plaatje, een schitterend plaatje van de Heer Jezus Christus. De Messias, de Zoon der smarten, maar door Zijn Vader gemaakt en aangesteld tot de Zoon van Zijn rechterhand. En daar is Hij nu, boven op de heuveltop. Ja, ik ga nu allerlei beelden door elkaar halen, maar het maakt niet uit. Het verwijst namelijk toch allemaal naar dezelfde. Dat is altijd wel weer het makkelijke van typologie: het verwijst altijd naar één en dezelfde. Kan niet missen: de Heer Jezus Christus. De grote Overwinnaar over de dood, et cetera. De Zoon van Gods rechterhand.

Ja, nou, dan lees je nog — want ik moet nu weer terug — we hebben het dus over Chur uit de stam van Juda. Maar die Chur die zou zijn erfdeel krijgen in de velden van Efrata. De eerstgeborene van Efrata en de vader van Betlehem. Over hem hebben we het. Het is maar dat u het weet. En dan staat erbij: 'Ik heb hem geroepen, die Besaleël'.

De Ware Bezalël: Bouwer van Gods Geestelijk Huis ↑ hoofdstukken

En dan staat er in vers 3: "En Ik heb hem vervuld met Gods Geest, met wijsheid, met inzicht en kennis, en dat voor allerlei werk om ontwerpen te bedenken." Het lijkt misschien wat gezwollen taal, bijna overdreven geformuleerd. Want zou het hier nou echt alleen maar gaan om vakmanschap, om expertise? Dat die man zo vakbekwaam was om dat ontwerp allemaal uit te voeren omdat die bouwtekening er eigenlijk al lag? Die uitgebreide beschrijving stond hem ter beschikking en hij zou alles maken naar het model dat daarop getekend was. Maar het was niet alleen maar vakmanschap. Natuurlijk is de formulering in vers 3 breed genoeg om dat in te sluiten, maar het is veel meer. Het staat er ook niet voor niks bij: "Ik heb hem vervuld met Gods Geest." Ruach, hè? Ruach. Hebt u hem nog? Het is soms wat ingewikkeld, maar het gaat om Gods Geest.

En dan staat erbij: "En Ik heb hem vervuld met Gods Geest, met wijsheid, met inzicht en kennis." Want weet u – en dan komen we weer terug bij hetzelfde punt – alles in die tabernakel heeft betekenis. Het was niet zomaar kunst om de kunst. Dat is vandaag natuurlijk heel vaak het geval; moderne kunst is vaak plat. Ik wil me daar geen oordeel over aanmatigen, want ik heb daar ook geen verstand van, maar wat ik wel weet is dat de ellende van de mensheid in het algemeen is dat men God niet meer kent. En dan kun je wel kunst maken, maar het verwijst nergens meer naar. Het is niet transparant; je ziet geen heerlijkheid. Ik moet dan altijd denken aan een man die het ver gebracht heeft in de kunst, de Nederlander Karel Appel, die de beruchte woorden uitsprak: "Ik rotzooi maar een eind aan." Dat geloof ik trouwens niet hoor, want daar word je niet zo rijk van, maar het geeft wel aan dat er geen diepere gedachte meer achter zit.

Maar dit, waar Besaleël mee bezig was, dat maakt kunst "zinnig". En dat bedoel ik inderdaad dubbelzinnig. Kunst-zinnig, dat wil zeggen: alles wat daar in die tabernakel was – de kleuren, de maten, de materialen, alle details die we hoofdstukken lang vinden – het verwijst allemaal ergens naar en Besaleël heeft daarvan geweten. Hij is vervuld met Gods Geest en binnen de marges die hem gegeven waren, heeft hij dat gestileerd en vormgegeven. Hij had daar inzicht in; hij wist waar het op sloeg. Dan krijgt alles namelijk ook betekenis. Dat is het geweldige als je weet van een Schepper die onze God zelf is: Hij is kunstzinnig. Hij is creatief, maar alles wat Hij maakt, daar drukt Hij Zichzelf in uit, en Zijn plannen en Zijn hart. Heel de natuur spreekt ervan. En als je naar omhoog kijkt, zegt Psalm 19: "De hemelen vertellen Gods eer." Het gaat niet over uw en mijn toekomst, nee, Gods eer. "En het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen." Het gaat over wat God van zins is en wat voor Hem belangrijk is.

God heeft de hele natuur zo gemaakt, maar dat zie je ook in de Bijbel; als Hij dan een tabernakel geeft, is niets aan het toeval overgelaten. Alles heeft betekenis. In alles schijnt Zijn overtreffende heerlijkheid door. Welnu, die Besaleël heeft daarvan geweten. Hij werd vervuld met Gods Geest, met wijsheid, met inzicht, met kennis en voor allerlei werk om ontwerpen te bedenken en om die uit te voeren. En er staat daarbij: "In goud, zilver" – ik ben haast geneigd om te zeggen: en edelgesteente. Ja, dat staat er trouwens ook bij, hè? "En koper om stenen te bewerken, om die in te zetten, om hout te snijden." Wat hij deed, dat sneed hout. Houd hem vast, "hout" hem vast, ja. Om hout te snijden en werkzaam te zijn in allerlei arbeid.

Kijk, het schitterende waar die Besaleël mee bezig was, dat is wat ik u eigenlijk wil vertellen. Hij was uit de stam van Juda, maar hij deed geen koninklijk werk. Zijn taak was daar in de woestijn niet om te regeren. Nee, weet u wat hij deed? Hij maakte het huis Gods. Hij was van Godswege aangesteld en bekwaam gemaakt om de bouwer te zijn. Het Hebreeuwse woord voor zoon, "ben", betekent eigenlijk ook gewoon "bouwer". Het is afgeleid van een werkwoord dat bouwen betekent. Hij is dus de zoon, maar ook de bouwer. Van wat? Terwijl wij in deze wereld zijn, op weg naar het beloofde land – dit is een woestijnreis – is daar één iemand die is aangesteld om een huis te bouwen. En dat huis, dat is het huis Gods. Dat is de gemeente. Dat is niet Eben-Haëzer, zoals vanmorgen al gezegd is, nee, dat is het huis Gods. Dat is een geestelijk huis. Niet gebouwd van bakstenen, maar van mensen die geroepen worden. En die niet alleen geroepen worden, maar ook gevormd worden. Met goud, zilver en edelgesteente: Zijn heerlijkheid, de rijkdom van Zijn woord. Dat wat opbouwt, ja.

Daar gaat het trouwens allemaal om. In deze bedeling, in deze huishouding, gaat alles om de bouw van dat huis. Het gaat niet om vragen als – dat zou je zo aan Paulus kunnen navragen – het gaat niet om: "Wat is nou geoorloofd of niet?". Alsjeblieft, houd toch op, zegt Paulus. Alles is geoorloofd van mijn part. "Alles is mij geoorloofd," zegt hij, "maar niet alles bouwt op." En om die bouw van dat huis Gods, daar gaat het om: goud, zilver en edelgesteente. En er is Iemand – daar op de heuveltop, ik haal de beelden weer door elkaar – maar er is Iemand die vandaag een huis bouwt, zo wonderbaar mooi, van mensen die Hij roept, die Hij vormt en die Hij maakt tot een schitterend huis Gods. Huis van God, waarin God Zijn woning maakt en waar Hij Zijn heerlijkheid laat zien.

Dat is Besaleël. Besaleël verwijst naar de Heere Jezus Christus. Ja, naar het licht. Ik heb een heleboel dingen van hem verteld, maar onthoud in elk geval ook dit: hij stamde uit de stam van Juda, ja, maar in deze tijd is Hij niet bezig met Zijn koninkrijk in deze wereld te bouwen. Dat denken een heleboel mensen, maar dat is niet zo. Hij bouwt vandaag, tijdens de woestijnreis, gewoon een huis. Een huis Gods, de gemeente, de ecclesia, een uitroepsel. En het is aan Hem helemaal toevertrouwd, want Hij doet dat werk volmaakt. Zie op Hem, let op Hem, zie omhoog, want daar is Hij. Amen.

🎧 Bezaleël Ben Hur
Delen: