GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Brood & Beker (Deel 1)

12-09-2010 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 12 september 2010 (studiedag) in 2B-Home te Zoetermeer.

Jezus sprak ooit tijdens het zogenoemde laatste avondmaal, bij het breken van het brood: “dit is mijn lichaam”. Jaren later werd aan Paulus, door dezelfde Heer maar nu vanuit de hemel, bekendgemaakt dat “mijn lichaam” doelt op de Gemeente.

Het is jammer dat de christenheid (zich Israël wanend), de betekenis van brood en beker heeft geritualiseerd. Paulus spreekt niet van een rite maar van een maaltijd, waarbij zowel het brood als de wijn herinneren aan “de dood des Heren”, d.w.z. aan Hem die dood gewéést is.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie ontkracht de religieuze tradities rondom het avondmaal door terug te keren naar de oorspronkelijke bijbelse context. In Mattheüs 26 stelt Jezus geen nieuw kerkelijk ritueel in, maar geeft Hij tijdens de Joodse paschamaaltijd nieuwe betekenis aan het ongezuurde brood en de beker met wijn. Paulus benadrukt in 1 Korinthe dat de bijeenkomsten geen rituele handelingen omvatten, maar dat een daadwerkelijke, gezamenlijke maaltijd de eenheid in de Heer uitdrukt. De belangrijkste openbaring is dat het ene gebroken brood niet verwijst naar Jezus' fysieke lichaam aan het kruis, maar symbool staat voor de gemeente als het ene lichaam van Christus.

“Dat ene brood, dat brood waarvan Hij ooit gezegd had: "Dit is mijn lichaam", weet je waar het naar verwijst? Naar de gemeente.”

Introductie: Religieuze Tradities en de Bijbel Toetsen als Bereeërs ↑ hoofdstukken

Het zal de meesten van u toch niet ontgaan zijn dat we vandaag een studiedag belegd hebben over dit thema. Het thema wat u nu geprojecteerd ziet op het scherm: brood en beker. De associaties die u daarbij hebt, zullen — stel ik me zo voor — heel divers kunnen zijn. Dat hangt namelijk helemaal af van de achtergrond die je hebt. Ben je in een Rooms-Katholiek milieu groot geworden? Dan denk je aan iets heel anders dan wanneer je grootgebracht bent in een reformatorisch milieu. En dat maakt trouwens ook nog weer verschil of je groot geworden bent in een gewoon gereformeerd nest, zal ik maar zeggen, of dat je, met permissie gesproken, in de wat zwaardere kringen bent groot geworden. Want daar heersen weer heel andere ideeën over brood en beker, of wat men dan ook wel noemt het avondmaal; maar daarover komen we nog te spreken.

Het kan natuurlijk ook zijn dat u helemaal geen kerkelijke achtergrond hebt. Dat is nog het mooiste, in zekere zin dan. Natuurlijk is het prachtig als je van kindsbeen af enigszins vertrouwd bent geraakt met het Woord van God. Dat is prachtig! Maar het heeft ook het grote risico dat je groot wordt met traditie en daarmee ook bepaalde overleveringen als vanzelfsprekend aanneemt. Ja, er valt niet aan te ontkomen. Zo word je nu eenmaal groot; dat hebben je ouders je verteld, dat heeft de dominee of de pastoor zo gezegd. Dat zijn van die vanzelfsprekendheden, zonder dat je werkelijk eens de vraag hebt gesteld: "Ja, dat zegt men nu wel daarover, maar klopt dat wel? Staat dat in de Bijbel?"

Kijk, wat ik vanmorgen en vanmiddag beoog te doen, is gewoon bijbelstudie geven. Ik wil laten zien wat de Schrift zegt. Dat klinkt wat pretentieus, want u zegt: "Ja, dat wordt zo vaak gezegd." Nou, daarom bent u hier nu gewoon om als Bereeër — ik zal dat straks even toelichten — dat te checken. Ik bedoel, ik vertel datgene wat ik heb geleerd. Wat zou ik anders moeten doen? Ik zeg dat ook zonder excuses of zonder remmingen. Dit is niet georganiseerd door een van de kerkgenootschappen; dit zijn vrije bijeenkomsten. Ik spreek vrijuit over datgene wat ik heb mogen ontdekken vanuit het Woord van God. En u zit hier net zo vrij als dat ik hier spreek. Dat wil zeggen: u luistert bereidwillig naar ik mag aannemen — dat hoop ik ook — en u toetst of het klopt, of het waar is wat ik naar voren breng. Zo hoop ik werkelijk dat we ons met elkaar kunnen verheugen in de schatten van het Woord van God.

Ik zei dat ik het nog even moest toelichten over die Bereeërs. Wat staat er over die Bereeërs? Die gingen dagelijks de Schriften na of deze dingen zo waren. En daarom waren ze zo uitnemend. Daarom hoop ik echt van harte dat u ook zo'n Bereeër bent. Aan de ene kant bereidwillig aanhoren wat er gezegd wordt, en aan de andere kant gewoon checken: klopt het? U bent volkomen vrij om uw eigen conclusies daarin te trekken, want ook dat is heel belangrijk.

Maar ik zei al, die achtergronden zijn heel divers. Als ik zo om me heen kijk — en ik ken u niet allemaal, zo moet ik het eigenlijk zeggen — dan weet ik wel dat er heel wat verschillende achtergronden zijn. Kerkelijk gezien, buitenkerkelijk gezien; en daarmee is de vraag: wat zegt de Schrift nu over deze dingen? Over brood en beker; over welk brood hebben we het en over welke beker hebben we het?

Laten we eerst eens gaan naar een schriftgedeelte dat wordt verondersteld over de instelling van het avondmaal te spreken. Wat u hier ziet op dit plaatje, is eigenlijk niets anders dan de projectie van wat u in de meeste vertalingen zult aantreffen. Dit is uit de NBG-vertaling, maar er staat als opschrift boven: 'De instelling van het avondmaal'. En daar begint het geduvel al, sorry als ik het zo zeg. Want lees het gedeelte maar — we gaan dat doen — en wat er nu precies ingesteld wordt, dat is mij nog steeds niet duidelijk. Dat ga ik u ook vertellen en ik wil het u laten zien. Maar het staat boven: 'De instelling van het avondmaal'. Of je nu een NBG-vertaling hebt of een Telos vertaling, de meeste opschriften geven dat als vanzelfsprekendheid weer. Laat ik het nu wat netter zeggen: daar kun je in elk geval een vraagteken bij zetten. Want ook opschriften behoren bij de bagage die je vanuit traditie en overlevering meekrijgt. Zelfs de benaming 'avondmaal', daar komen we vanmiddag met name over te spreken. Maar dus ook al: ja, wanneer is dat avondmaal? Laten we dat even aanhouden voor het gemak, zodat we weten waar we het over hebben, tot we werkelijk ook de terminologie onder de loep zullen nemen. Wanneer is dat ingesteld?

Mattheüs 26: de Joodse Pesachmaaltijd ↑ hoofdstukken

Nou, Mattheüs 26, laten we dat gedeelte nu gewoon eens wat nader bezien. Daar lees je — en ik moet even de achtergrondinformatie daarover geven — over de nacht voordat Jezus wordt overgeleverd; Hij zou de volgende dag worden gekruisigd. Welnu, in de nacht dat Hij werd overgeleverd, heeft Hij met zijn discipelen het Pascha gegeten. Want als je leest in vers 26 van Mattheüs 26: "Terwijl zij aten...", dan gaat het over het eten van het Pascha.

En dan zijn we echt in een Joodse achtergrond verzeild geraakt. Ik noemde zojuist eventjes: je kunt een kerkelijke achtergrond hebben, je kunt een buitenkerkelijke achtergrond hebben, maar je kunt ook nog een Joodse achtergrond hebben. En dan kijk je er nog weer heel anders tegenaan. Hoewel ik erbij moet zeggen dat dit wel weer een groot voordeel heeft, want dan komen bepaalde dingen je ineens heel erg bekend voor. Hoe het ook zij, er staat hier: "En terwijl ze aten...". Dan verwijst hij terug naar het zeventiende vers; het gaat over het eten van het Pascha.

Tot op de dag van vandaag is dit een bekend fenomeen, één van de hoogtepunten in het Joodse kalenderjaar, in het joods-kerkelijke jaar zeg maar. Want op de veertiende Aviv, de veertiende Nisan, wordt in de avond een maaltijd gevierd die herinnert aan de uittocht uit Egypte. Dat vindt u al in Exodus 12. U moet zich realiseren dat wanneer de Heer Jezus hier een maaltijd eet, een avondmaaltijd, dat niet zomaar een avondmaaltijd was. Nee, Hij hield daarmee een instelling.

Laat ik alvast een voorschot geven: Hij stelt daarbij niet zozeer iets in — ik zal het straks nog wat scherper zeggen — maar Hij houdt een instelling. Een instelling die in die dagen al bijna vijftienhonderd jaar oud was. Want het volk van Israël vierde dit reeds vanaf de dagen van de uittocht, gedurende de woestijnreis en gedurende heel het verblijf in het land. Al die vijftien eeuwen heeft Israël het Pascha gevierd. Op die bewuste avond in het jaar, die ene avond dat er een lam geslacht werd, werd er bij die maaltijd ook brood gegeten en wijn gedronken; diverse bekers gingen er dan ook rond.

Nou, over die maaltijd hebben we het. Dat is wat de Heer Jezus hier met zijn discipelen at. Hij had een paar van zijn discipelen van tevoren er al op uitgestuurd: "Ga de maaltijd bereiden, het Pascha bereiden." Over die maaltijd hebben we het. Ik benadruk het extra. Waarom? Om aan te geven dat dít de achtergrond is. Jezus houdt hier een eeuwenoude instelling, toen al in zijn dagen. Tweeduizend jaar later is het nog steeds niet veranderd, want het Jodendom doet dit nog steeds. Men houdt deze instelling, dat specifieke avondmaal, eenmaal per jaar, bestemd voor Israël. Bestemd bovendien bij die enige gelegenheid.

Brood en Beker: Jezus Stelt Niets In, maar Legt uit met Beeldspraak ↑ hoofdstukken

Terwijl zij aten, zo lees je, nam Jezus een brood, Hij sprak de zegen uit en Hij brak het. U moet daarbij bedenken dat het ongezuurd brood was. Het was de week van de matzes. Pesach is een feest waarbij men gedurende zeven dagen ongezuurd brood eet, van die platte broden, u weet wel. En Hij brak het en gaf het aan Zijn discipelen. Waarom brak Hij het? Nou, gewoon om het te kunnen geven. Ik kom daar later nog op terug in verband met de betekenis die men soms aan dat breken toekent, maar als je het hier leest, is dat puur praktisch. Waarom brak Hij het? Om het te kunnen uitdelen en te kunnen doorgeven. Zo staat het er ook: Hij nam een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan Zijn discipelen.

In het laatste gedeelte van vers 26 lees je dat Hij het aan Zijn discipelen gaf en zei: "Neemt, eet, dit is Mijn lichaam." Dat zijn hele eigenaardige woorden. Dat het beeldspraak is, zou u niet moeten ontgaan, lijkt mij. Want de Heer Jezus stond gewoon in hun midden, of Hij zat in hun midden, en Hij brak dat brood. Zij zagen Hem dat doen en dan zegt de Heer Jezus: "Dit is Mijn lichaam." Hij gebruikt daarbij het woordje 'is', maar dat betekent gewoon 'het stelt voor'. Dit is opgetekend in de Griekse taal, en de Griekse taal maakt doorgaans geen gebruik van het werkwoord 'is' of 'zijn'. Je zegt niet: "Ik ben André Piet", maar gewoon: "Ik André Piet". Dat woordje 'is' wordt niet gebruikt, tenzij men wil aangeven dat iets een voorstelling is van het ander. Een illustratie, beeldspraak dus. In het boek Openbaring lees je bijvoorbeeld over kandelaren en daar staat dan: "Dat zijn de zeven gemeenten." Wat bedoelt dat aan te geven? Het is een verklaring: die kandelaren zijn een voorstelling van de zeven gemeenten. Zo zou ik een heleboel voorbeelden kunnen geven.

Ik ga hier even op in, want als u een Rooms-Katholieke achtergrond heeft, dan weet u dat men heel veel gewicht aan dit woord heeft toegekend. Zodanig zelfs dat men daar, ik zeg het even oneerbiedig, een hele hocus pocus aan vastgeknoopt heeft. En als ik zeg hocus pocus, dan bedoel ik dat vrij letterlijk. Want hocus pocus komt eigenlijk van 'hoc est corpus'. Dat wil zeggen: "Dit is het lichaam." Dat wist u niet, hè? "Dit is het lichaam", en op het moment dat de priester dat zegt in de katholieke kerk, dan verandert dat stukje brood in het lichaam van de Heer. Dat noemen ze transubstantiatie. Dan verandert dat brood in de substantie van het lichaam van de Heer. Dat is het hele idee, want de Heer Jezus zei: "Dit is Mijn lichaam." Men heeft daar kennelijk nooit van de stijlfiguur beeldspraak gehoord, want het is namelijk heel normale beeldspraak.

Het moet nu even voldoende zijn dat de Heer Jezus zegt: "Dit is Mijn lichaam." Maar wat bedoelt Hij nou met dat lichaam? Hier staat het niet, en ik moet erbij zeggen: in Marcus evenmin en in Lucas ook niet. U moet zich realiseren dat deze geschiedenis van wat de Heer Jezus deed op de avond voordat Hij werd overgeleverd, maar liefst drie keer in de evangeliën wordt vermeld: Mattheüs, Marcus en Lucas. In Johannes ontbreekt het. Maar een verdere verklaring vinden we niet, behalve dan dat de Heer Jezus zegt: "Dit is Mijn lichaam." Het is een voorstelling van Mijn lichaam. Maar wat bedoelde Hij met dat lichaam? Bedoelde Hij Zijn fysieke lichaam dat zij zagen en dat Hij even later zou geven tot in de dood? Je zou het zomaar kunnen denken, maar we houden de vraag even vast. Ik beperk me nu tot een vraagteken, want we krijgen straks antwoord. Ik stel de vraag nu alvast, zodat we ons er in elk geval van bewust zijn: welk lichaam bedoelt Hij? Je zou denken aan het lichaam dat Hij binnen datzelfde etmaal nog zou overgeven aan het kruis van Golgotha, maar dat blijkt anders te zijn.

"Neemt, dit is Mijn lichaam," en dan staat er in vers 27: "En Hij nam een beker, Hij sprak de dankzegging uit en Hij gaf hun die en zei: Drinkt allen daaruit." Ik wijs er nog even op: Jezus maakt gebruik van de attributen die gewoon op de tafel van de paasmaaltijd stonden. Stelt Hij hier iets in? Nee, Hij legt iets uit. Hij zegt: "Dit is een voorstelling van Mijn lichaam." Hoe dan ook en in welke zin, daar gaan we het nog over hebben, maar Hij legt iets uit. Hij stelt niets in; Hij houdt een instelling, en dat is hier ook het geval. Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit, gaf hem hun en zei: "Drinkt allen daaruit." Dat was één van de bekers die gedronken werden gedurende de paasmaaltijd, het Pesach. Hij zegt daar in vers 28 trouwens nog iets bij: "Want," zegt Hij, "dit is het bloed." Dit is het bloed, dat wil zeggen: een voorstelling van het bloed van Mijn verbond. Elders lees je in Lucas: "Het nieuwe verbond." Dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

Het Bloed van het Nieuwe Verbond en Vergeving als Bevrijding ↑ hoofdstukken

Bij vergeving denken wij vaak dat het verleden niet meer wordt herdacht. Dat is wat vergeving immers is. Maar eigenlijk staat hier een woord dat letterlijk 'loslating' betekent, in de zin van bevrijding, zoals gevangenen worden losgelaten. Vergeving van zonde betekent niet alleen maar dat de Here de zonde niet meer gedenkt; het is veel meer dan dat. Vergeving van zonde is bevrijding van zonde. Dat wil zeggen dat je uit de gevangenis van de zonde wordt vrijgelaten. En zonde betekent toch 'doelmissen', nietwaar? Zodat, als je bevrijd wordt van zonde, dat betekent dat je een leven krijgt van zin en van inhoud.

Dat doel heeft dus niet alleen maar te maken met bevrijding van het verleden, in de zin dat het je niet meer wordt aangerekend. Nee, het heeft te maken met nú. Ik realiseer me dat die vergeving daar ook bij ingesloten is. Natuurlijk gedenkt de Here dat niet meer. Hij had dat ooit beloofd aan Israël in Jeremia 31 – we komen er vanmiddag op terug. Dat was juist dat de Here hun zonden niet meer zou gedenken. Trouwens, kenmerkend voor het nieuwe verbond is dat God alles voor Zijn rekening neemt. God had dat nieuwe verbond beloofd aan Zijn volk Israël, en dan lees je ook dat Hij Zijn wetten in hun hart zal schrijven. Alles hangt van Hém af. Híj doet dat. Hij gaat hun leven inhoud geven en zin geven, zodat het doel heeft, en dan zijn ze dus bevrijd van zonde.

Ziet u, als je het zo zegt, heeft het ineens te maken met je leven nu; dat je leven nu inhoud krijgt en dus bevrijd is van zonde. Dat is veel meer dan alleen maar dat verleden dat niet meer wordt aangerekend of waar een dikke streep doorheen wordt gezet. 'Vergeving van zonden' is een woord dat heel tricky is, omdat het vaak een versmalling is van de Bijbelse zienswijze. Het is een bevrijding ván. Als er in Matteüs 1 staat dat Zijn naam Jezus zou luiden, want Hij is het die Zijn volk zou verlossen van hun zonde, dan denken we vaak: o, dat betekent verlossen van de straf op hun zonde. Nee, dat staat er niet. Verlossen van de zonde. Dat wil zeggen: zodat ze zondervrij zijn en hun leven zin heeft. Want dat is toch wat het betekent als je bevrijd bent van zonde? Bevrijd van doelloosheid, zodat je leven doel, inhoud en zin heeft gekregen.

Het is nu niet het onderwerp, dus ik passeer het dan toch maar weer snel, maar ik wilde van de gelegenheid gebruikmaken om daarop te wijzen. Het is voor nu voldoende om erop te wijzen dat de Here Jezus ook hier die beker uitlegt. Hij zegt niet: "Voortaan moeten jullie de beker drinken" of iets dergelijks. Dat deden ze toch wel; het was een van de attributen, een van de ingrediënten van die maaltijd. Er werd een lam gegeten, het brood ging rond en er was trouwens nog meer hoor, dat lees je ook in Exodus 12. Die maaltijd had allerlei elementen, maar een van de dingen die op tafel stonden, was het ongezuurde brood, maar ook de beker, de wijn die rondging. Dat stelde de Here niet in; dat was al eeuwenlang het gebruik. Wat de Here hier doet, is het uitleggen en er nieuwe betekenissen aan geven die ze nooit eerder hadden vermoed. En dat zegt Hij hier ook: "Het is een voorstelling van het bloed van Mijn verbond." Ik kom er vanmiddag nog wel op terug.

Er staat nog bij dat het voor velen vergoten wordt tot bevrijding van zonde. Dat bloed spreekt van het slachtoffer, van Hem die stierf en ook opstond. Ook daar gaan we het vanmiddag nog over hebben. Ik weet dat er mensen zijn die tussen de middag al weg moeten; dan hebt u pech, dan mist u wat. Maar het komt allemaal op internet te staan, dus maakt u zich geen zorgen.

Goed, ik lees verder. "Doch Ik zeg u," zegt de Here Jezus in vers 29, "Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken." Kunt u het zich voorstellen? De Here Jezus staat daar in het midden van Zijn discipelen, of Hij zit daar aan die tafel, en Hij heeft die beker in Zijn handen. Hij zegt: "Ik zeg u, van nu aan zal Ik voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken." En wat Jezus toen daarbij in gedachten gehad heeft... want Hij zou een uur of wat later – waarschijnlijk nog minder – de opperzaal verlaten hebben en naar Getsemane gaan. Daar zou Hij tot drie keer toe zo vurig tot Zijn Vader hebben gebeden: "Neem deze drinkbeker van Mij weg, laat hem aan Mij voorbijgaan." Als je dit zo leest, ontgaat je dat zomaar heel gemakkelijk, maar realiseer je hoe een emotioneel moment dit voor Jezus is geweest. Trouwens, voor de discipelen ook, want die wisten ook dat er dingen stonden te gebeuren. Maar Jezus wist als geen ander wat Hem nu boven het hoofd hing.

Jezus zegt hier dus: "Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken tot op die dag dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader." Nieuw... ja, nieuwe wijn dus. Dat klinkt een beetje vreemd. Natuurlijk is het nieuwe wijn, want wijn kan maar één keer gedronken worden, dus dan zou je zeggen dat het woordje 'nieuw' een overbodige toevoeging is. Maar ik denk het niet. 'Nieuw' betekent hier: op een nieuwe wijze. Kijk, het is nieuwe wijn, maar waar de Here Jezus op wijst, is: "Ik zal het drinken, namelijk dat waar wijn een beeld van is." Dat is waar Hij op een wat cryptische manier in vers 29 naar wijst. Hij zegt: "Ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken, maar Ik ga het nieuw drinken, op een nieuwe wijze." En dan zal Ik drinken van dat waar wijn een beeld van is. Ja, van het bloed, maar ook daarmee van dood en opstanding. Wijn is vreugde, hè? Maar dan zal Hij op een nieuwe wijze de vreugde met Zijn discipelen en met de Zijnen delen. Wat die beker voorstelt, zou Hij in realiteit met hen beleven. Want die beker is uiteindelijk alleen maar een beeld, een illustratie; het staat ergens vóór. En Jezus zegt: "Ik zal straks in het Koninkrijk van Mijn Vader de vervulling ervan met jullie beleven."

Nou, dat is Matteüs 26. In wezen hebben we nu gelezen over de instelling van het avondmaal. Want als we nu even weer teruggaan... dan wijs ik erop dat ik nu deze verzen met u gelezen heb en we zijn er zo kort doorheen gegaan. Laten we nu nog een keertje naar dat opschrift kijken. En nou stel ik de vraag: hebben we iets gelezen over de instelling van het avondmaal? Ja, u mag nu antwoorden; over het algemeen geef ik u daarvoor de gelegenheid niet – ik spreek, u luistert. Maar laten we wel wezen: wat wordt hier ingesteld? Hoe geliefd het misschien ook is en hoezeer het ook in onze gedachtenwereld een plaats heeft gekregen doordat we het altijd zo gehoord hebben: wanneer is het avondmaal ingesteld? Nou, men zegt dat de Here Jezus dat gedaan heeft in de nacht voordat Hij werd overgeleverd. Maar lees je het, dan vind je dat niet terug. De Here Jezus houdt een instelling in ere die in die dagen reeds vele eeuwen oud was. Hij legt het uit. Hij vertelt waar het brood voor staat en Hij legt uit waar de beker een beeld van is en waar dat voor staat. Maar een instelling? Dat Hij hier het avondmaal instelt? Welnee. Dat specifieke avondmaal, namelijk op de 14e Nisan voor het volk Israël, dát was een instelling. En Hij legt dat uit; Hij geeft daar nieuwe betekenissen aan die ze nooit eerder kenden. Ik vind hier niets dat ingesteld wordt. Goed.

Korinthe 11: een 'heerlijke' Maaltijd in Plaats van de Maaltijd Des Heren ↑ hoofdstukken

Maar nu gaan we naar een ander Bijbelgedeelte: 1 Korinthe 11. Behalve dat we over het avondmaal lezen in de drie evangeliën — drie keer dezelfde geschiedenis, op een wat verschillende wijze belicht; Matteüs doet dat vanuit zijn optiek, Marcus vanuit de zijne en Lucas weer vanuit een wat andere invalshoek — lees je daar verder niets meer over, behalve in de Korinthiërsbrief. Een paar verzen daarover vinden we al in 1 Korinthe 10, wat vandaag ook nog ter sprake zal komen, maar ik ga nu meteen naar 1 Korinthe 11. Dat is eigenlijk hét gedeelte dat ik vandaag met u wil bespreken. Uiteraard kan dat niet al te uitgebreid, maar het is heel goed mogelijk om al die verzen toch even te passeren. In feite zijn ze helemaal niet ingewikkeld; dat is althans mijn inschatting.

Ik vind het zelf een enorme eye-opener; zo is het mij ook nu weer in de voorbereiding vergaan. Het is iedere keer weer mijn ervaring: wanneer we de Schriften openen, blijkt het altijd anders te zijn dan je altijd gedacht en gehoord hebt. Waarom dacht je dat? Omdat je het zo hoorde; ja, zo werkt dat.

In 1 Korinthe 11:20 zegt Paulus: "Wanneer gij dan bijeenkomt..." Hij schrijft dat aan de Korinthiërs en zegt: "dan is dat niet het eten van de maaltijd des Heren." Ik moet daar twee aantekeningen bij maken om even de puntjes op de i te zetten. In de eerste plaats staat daar niet — en dat lijkt misschien wat onbenullig — "de maaltijd des Heren". In het Grieks staat daar eigenlijk: de heerlijke maaltijd. Dat moet je echt toelichten, want bij een heerlijke maaltijd denk je aan een maaltijd waarbij je smult. Maar zo bedoel ik het niet: ik bedoel de Heer-lijke maaltijd. Dat wil zeggen: een maaltijd die op welke wijze dan ook naar de Heer wijst. Dat is pas echt heerlijk. Als je wilt weten wat heerlijk is, moet je niet aan lekker denken. Nee, weet je wat heerlijk is? Wat is vorstelijk? Dat wat je doet denken aan een vorst. Je hebt trouwens ook een vorstelijke maaltijd; ik heb wel eens vorstelijk gegeten. Maar een heerlijke maaltijd, zoals Paulus erover spreekt, verwijst in de letterlijke zin naar de Heer.

De vertalers hebben het weergegeven als "de maaltijd des Heren" en dat kun je ze moeilijk kwalijk nemen, omdat "heerlijk" bij ons een andere betekenis heeft gekregen. Maar heb je een goede vakantie gehad? "Ja, de vakantie was heerlijk." Dat is ook het mooiste wat je elkaar kunt toewensen: een heerlijk leven. Het heerlijkste leven dat er bestaat, is een leven dat werkelijk gericht is op de Heer en gevuld is met wat Hij geeft, gesproken heeft en belooft. Want u weet: Zijn woord is altijd belofte. Hij vraagt niets van ons, Hij legt niets op onze schouders. Integendeel: Hij néémt van onze schouders en vult ons met Zijn belofte, met Zijn woord en met Zijn vreugde.

Dat is de eerste aantekening. Ik vind het wel mooi: de heerlijke maaltijd. Eigenlijk moeten we die term er gewoon in houden en dan veranderen wij gewoon de Nederlandse taal. Als mensen dat dan niet begrijpen, is dat hun probleem. Maar wij weten gewoon wat heerlijk is. Dat andere mensen niet weten wat heerlijk is, komt misschien omdat het hun niet verteld wordt. En als degenen die het weten het niet vertellen, hoe zouden ze er dan ooit achter kunnen komen? Dus wij houden het er gewoon in; zullen we dat afspreken bij deze heerlijke maaltijd?

Dan nog iets: het woordje "de" ontbreekt hier ook. Dat is veel meer dan een grammaticale aanwijzing, want daar zit nogal wat aan vast. Paulus heeft het hier niet over "dé maaltijd". Daar zit namelijk de suggestie in van een speciaal ritueel dat men in Korinthe zou onderhouden, alsof het iets zou zijn wat de Heer ooit zou hebben ingesteld. Vandaar natuurlijk ook de opschriften in Matteüs, Marcus en Lucas, maar hier staat helemaal niet "de maaltijd". Er staat gewoon: een maaltijd. In goed Nederlands zou je dus moeten zeggen — juist omdat het bepaalde lidwoord ontbreekt — dat het gewoon een maaltijd is. Het Grieks kent namelijk geen onbepaald lidwoord zoals "een".

Ik bedoel hiermee te zeggen: er staat niet "de maaltijd", er staat een heerlijke maaltijd. Een HEERLIJKE maaltijd. Dat leest opeens heel anders, vindt u niet? Het is eigenlijk een licht verwijt. Hij zegt: "Wanneer jullie bijeenkomen, is dat niet het eten van een heerlijke maaltijd?" Dat is heel anders dan: "dan is dat niet de maaltijd des Heren." Niet dé maaltijd, maar gewoon maaltijd. Ik wijs er nu even op, we zullen het vanzelf ook zien.

Ik wil er bovendien op wijzen dat er simpelweg gesproken wordt over "maaltijd" en niet over "avondmaal". Kijk het maar na: er wordt niet gesproken over avondmaal. Het gaat om de belangrijkste maaltijd. Dat is doorgaans de maaltijd in de avond, maar dat hoeft niet per se; het is gewoon de hoofdmaaltijd. Let erop: het is een maaltijd. In de Statenvertaling staat "avondmaal", en het idee is op zich niet zo heel gek, maar het woordje "avond" ontbreekt. Het gaat om de belangrijkste maaltijd, maar dat dit in de avond zou moeten zijn, staat er niet bij. Het is gewoon een maaltijd. In de NBG-vertaling heeft men het daarom ook weergegeven met "maaltijd". Dat woordje "avond" ontbreekt dus ook, net zoals het woordje "de".

Dat we het avondmaal noemen, heeft overigens wel een reden. Let nu even goed op. Wat ik vandaag vertel, gaat over de vele misverstanden rond "het avondmaal". Twee misverstanden: "het", alsof het hét avondmaal zou zijn, en bovendien dat het een "avondmaal" zou zijn. Weet u waar dat mee te maken heeft? Het heeft ermee te maken dat de kerk op de stoel van Israël is gaan zitten; zij waant zich Israël. Dát zit er allemaal achter. Dat betekent namelijk dat God ooit aan Israël de instelling van een maaltijd had gegeven: het Pascha, dat de Heer Jezus hield in de nacht voordat Hij werd overgeleverd. Dat was met recht een avondmaal. Men denkt dat de Heer Jezus dat heeft ingesteld voor Zijn kerk, maar we hebben al gezien in Matteüs dat er helemaal niets wordt ingesteld. Er wordt een bestaande instelling uitgelegd; er wordt nieuw licht op geworpen. Dat is wat anders.

Men heeft het echter geritualiseerd. Men heeft er een ritueel van gemaakt, zoals Israël ook zijn rituelen heeft. Maar laat ik u dit zeggen: wanneer Paulus het evangelie predikt onder de volken, dan predikt hij geen rituelen. Helemaal niet. Hij spreekt juist over vrijheid en niet over bepaalde zichtbare gebruiken. Dat was precies wat hem kwalijk genomen werd. Er waren immers mensen in de gemeente die zeiden dat we de sabbat weer moesten gaan onderhouden, net als de Joden, of allerlei hoogtijden moesten houden of koosjer moesten eten.

Al die Joodse gebruiken wilde men weer invoeren in die heidengemeenten en dat moet u maar eens een keertje lezen in de brieven van Paulus. In de Galatenbrief, in de Kolossenzenbrief... nou, ik zou zeggen: welke brief niet? Hoe fel hij van leer trekt wanneer dat aan de orde werd gesteld.

Hier wordt gesproken over een maaltijd, een heerlijke maaltijd. Niet dé maaltijd, ook niet over het avondmaal. Hij verwijst wel — maar dat is het vervolg — naar een avondmaaltijd; naar die bewuste avondmaaltijd die de Here Jezus gehouden heeft in de nacht voor zijn sterven. Dat is waar. Maar hier wordt dus gesproken over een maaltijd, een maaltijd.

We gaan even verder, want we moeten natuurlijk wel een beetje bij het schema blijven. Vers 21: "Want..." Hoezo "want"? Nou, hij had gezegd in vers 20: "Wanneer jullie dan bijeenkomen, is dat niet het eten van een heerlijke maaltijd."

Misstanden in Korinthe: Geen Religieus Ritueel, maar een Daadwerkelijke Maaltijd ↑ hoofdstukken

Want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de één hongerig is en de ander dronken. Hieraan zie je trouwens dat de Korinthiërs bij elkaar kwamen voor een maaltijd; echt een maaltijd dus. Van één klein stukje brood en een slokje wijn les je je dorst niet en daar word je ook niet dronken van. En als je hongerig bent, heb je daar echt niet genoeg aan.

Hadden de Korinthiërs een ritueel van één stukje brood en een slokje wijn? Nee, helemaal niet. Het was wel degelijk een maaltijd, maar waar Paulus op wijst, zijn de misstanden bij die maaltijden die zij hielden. Men kwam samen om te eten en men hield een maaltijd, maar die maaltijd verwees niet naar de Heer. Die was niet 'heerlijk'. Want, zo zegt hij, iedereen neemt vooraf zijn eigen deel. En dat 'eigen deel' – de eigen maaltijd – staat tegenover de maaltijd van de Heer; dat wil zeggen: die maaltijd die naar de Heer verwijst.

Hij zegt: "zodat de een hongerig is en de ander dronken." Zulke toestanden waren er dus in de bijeenkomst daar in Korinthe. Kunt u het zich voorstellen? Men kwam bij elkaar voor maaltijden waarbij zulke excessen plaatsvonden dat de een nog hongerig was, terwijl de ander zich zat te bezatten aan de wijn.

Ik wil hier nog even op wijzen: in Korinthe kwam men niet samen voor één stukje brood en één slokje wijn, maar om maaltijd te houden. Corrigeert Paulus dat element van de maaltijd? Nee, helemaal niet. Wat hij doet, is hen wijzen op de excessen. Wanneer men op zo'n manier bij elkaar is, dan beleeft men niet de gemeenschap in de Heer en de vreugde daarvan ontgaat je dan. Het moet duidelijk zijn dat als je dit leest, men niet samenkwam voor slechts één stukje brood en één slokje wijn. Houd dat even vast. Daarmee is niet alles gezegd, maar dit is in ieder geval hiermee vastgesteld.

Dan zegt Paulus in vers 22: "Hebben jullie dan geen huizen om te eten en te drinken? Of minacht gij zozeer de gemeente van God?" De gemeente van God, dat is de ecclesia. Dat 'uitroepsel'. In feite is een gemeente in de praktijk ook altijd een vergadering; je komt bij elkaar. Het is geen instituut, maar een bijeenkomst. Het was niet de 'institutie Korinthe', maar gewoon een samenzijn, een vergadering die bij elkaar was daar in Korinthe.

Men kwam samen om de dingen van het Woord te delen en men kwam ook samen om te eten. Want als er iets is wat een uitbeelding is van de eenheid die je samen hebt, dan is het wel om samen maaltijd te houden. In onze westerse wereld zijn dat van die gedachten die zo langzaam maar zeker verdwijnen, hoewel we het idee nog steeds wel begrijpen. We kennen het concept van fastfood, waarbij je snel even een hapje eet, maar het belangrijkste element en de gedachte achter samen aan één tafel zitten en samen uit één pot eten – eten van één brood – is de uitdrukking van gemeenschap. Je eet iets, je hebt iets gemeenschappelijk, en dat wat op tafel staat is een uitbeelding van de eenheid die je beleeft. Je eet van één tafel, van één brood. Ik kom daar straks nog op terug.

Paulus vraagt: is het geen minachting van die eenheid, van dat samenzijn van de gemeente Gods, als je de behoeftigen op deze manier beschaamt? Terwijl de een zich zit te bezatten, is de ander nog behoeftig. Hij zegt: "Wat zal ik tot u zeggen? Zal ik u prijzen?" Nou, Paulus zegt: op dit punt kan ik u niet prijzen.

Directe Openbaring aan Paulus: Zegen Is Gelegen in de Dankzegging ↑ hoofdstukken

En dan gaat hij verder. Want 'zelf heb ik' — staat er dan in de NBG-vertaling — 'bij overlevering van de Heere ontvangen'. Als u een Statenvertaling hebt, dan zult u zien dat die woorden 'bij overlevering' ontbreken. Volstrekt correct, want die woorden 'bij overlevering' staan er helemaal niet. Die zijn door overlevering ingevoerd! Want hier wordt een hele gedachte binnengebracht die juist ontbreekt. Wat Paulus zegt, is gewoon: 'Want zelf heb ik van de Heere ontvangen.' Op het moment dat je 'bij overlevering' toevoegt, heb je daarmee zelfs de hele gedachte de nek omgedraaid die Paulus juist in dit zinsdeel uitdrukt. Hij zegt namelijk: 'Ik heb zelf van de Heere ontvangen' — en hij bedoelt daarmee: hoogstpersoonlijk. Rechtstreeks en direct heb ik het van de Heere ontvangen. Het is hem niet verteld, het was geen informatie uit tweede hand. Nee, rechtstreeks had hij dit van de Heere ontvangen.

Dat is opmerkelijk. Want je zou kunnen zeggen: nou, Paulus was een medewerker van Lukas... andersom natuurlijk: Lukas was een medewerker van Paulus en Lukas had ook zo zijn onderzoekingen gedaan. Hij had ook dingen op schrift gesteld — of dat bij deze gelegenheid al was, weet ik niet — maar in elk geval zou je kunnen denken dat Paulus dat inderdaad vanuit overlevering heeft ontvangen. Dat kan ik me wel voorstellen, maar dat is nu juist niet wat hij hier zegt. Hij zegt: 'Ik heb het zelf van de Heere ontvangen.' En wat heeft hij dan van de Heere ontvangen? Nou, zegt hij in het tweede deel van vers 23: 'Wat ik u weder overgegeven heb.' Dat wil zeggen: ik heb het van de Heere ontvangen en ik heb het jullie ook weer overgegeven. Daarmee is gezegd dat wat Paulus hier ter sprake brengt in de Korinthebrief, hij al eerder aan hen verteld had. Hij zegt: 'Ik heb het u al overgegeven.' Ooit, misschien wel meerdere keren, dat weet ik niet, maar wat hij zelf van de Heere ontvangen had, dat had hij hun ook overgegeven.

En wat had hij daarbij verteld? Nou, dat staat er dan: dat de Heere Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd een brood nam. Hé, dat is opmerkelijk. Wat Paulus dus zegt, is: 'Ik heb van de Heere zelf informatie ontvangen. De Heere heeft mij dingen bekendgemaakt over de nacht dat Hij ooit werd overgeleverd en toen Hij een brood nam.' En dat is inderdaad die geschiedenis die we zojuist hebben gelezen in Mattheüs, maar die je ook had kunnen lezen in Markus en Lukas. Laten we even nauwkeurig vaststellen wat er staat. Paulus schrijft dus aan de Korinthiërs: 'Nou, de Heere Jezus heeft ooit...' — dat heeft Hij hem persoonlijk verteld. Ik heb het van de Heere ontvangen dat Jezus, toen Hij werd overgeleverd, een brood nam en de dankzegging uitsprak.

Wat lazen we trouwens? We lazen in vers 26 van Mattheüs: 'Terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit en Hij brak het.' En hier staat: 'Hij sprak de dankzegging uit.' Weet u wat daarmee is vastgesteld? Zegenen is hetzelfde als dankzeggen. Of omgekeerd: dankzeggen is zegenen. Daar kan ik u een hele serie voorbeelden van geven en bewijzen, maar hier zie je dat die woorden onderling zomaar verwisseld worden. De Heere Jezus zegende de maaltijd, ja, maar wat is die zegen?

Ik herinner me trouwens — zelf heb ik een christelijk-gereformeerde achtergrond — dat in de kerken voorafgaand aan de avondmaalsviering, die dan vier keer per jaar plaatsvond, het altijd een heel plechtig moment was. De tafels waren wit gedekt. En bovendien was er de zondag daaraan voorafgaand — velen van u kennen dat wellicht ook — de voorbereiding op het heilig avondmaal, op de viering. Ik zet dat tussen aanhalingstekens, want ik heb nooit het feestelijke element ervan ingezien. En als ik naar de gezichten keek van de mensen die daar zaten, zag ik dat al helemaal niet. Ik zag wel dat er wijn rondging, maar erg feestelijk vond ik het allemaal niet. Misschien kan dat aan mij gelegen hebben, maar de impressie van andere mensen is dezelfde, heb ik gemerkt. Het was ook zeer ernstig. Want ja, weet je wat er dan moest gebeuren in de week die aan de viering van het heilig avondmaal voorafging? Ik zie mensen kijken en ze herkennen onmiddellijk wat ik nu zeg: dan moest je jezelf beproeven. Staat dat in de Bijbel? Ja, het staat in de Bijbel, ook in 1 Korinthe 11. We komen daar vanmiddag ook nog over te spreken. Maar dan moest je jezelf beproeven of je waardig was.

Als je dit heel goed beproeft, dan laat je het wel uit je hoofd natuurlijk. Vandaar ook dat in kerkgemeenschappen waarin juist die beproeving zo benadrukt wordt, er helemaal niemand aan tafel ging. Of bijna niemand; niemand durfde het. Je moest jezelf beproeven of je waardig was. En ik denk dat degenen die daar zaten en die zichzelf wel waardig bevonden hadden, zich niet goed beproefd hadden, denk ik dan. Dus feitelijk zaten er nog teveel. Die tafels waren dan weliswaar wit, maar het was eigenlijk inkt- en inktzwart. Je werd herinnerd aan je zonden; daar moest je vooral aan denken. Het was de zonde en de dood van de Heere die centraal stonden — volkomen ten onrechte trouwens, ook dat zullen we zien.

Maar u begrijpt, ik praat nu even over dat zegenen. Want ik wilde zeggen: ik herinner me nog heel goed dat in dat formulier werd voorgelezen en dat de dominee zei: 'De drinkbeker der dankzegging.' Dat vind ik dan wel weer erg mooi. Ik zit hier niet alleen maar af te geven hoor, en ik bedoel ook helemaal niet bepaalde praktijken te veroordelen, ook als ik daar soms wat laconiek mee omga — dat moet u me dan maar vergeven. Het gaat mij er helemaal niet om dat te kritiseren, maar de dominee zei dan: 'De drinkbeker der dankzegging.' Zo stond het in het formulier: 'Die wij dankzeggend zegenen.' En dat vind ik een parel, want dat is namelijk precies wat er gebeurt. Hoe zegen je iets? Waarin is de zegen gelegen? In de dankzegging!

Het voert te ver om daar nu al te uitgebreid bij stil te staan, maar ik wil het toch even gezegd hebben. Dat is zo belangrijk. Want waarin bestaat de zegen? Wat is nou een gezegend leven? Is een gezegende maaltijd een maaltijd die lekker smaakt? Een heerlijke maaltijd, denken we dan. Een lekkere maaltijd... nee! Een gezegende maaltijd — en vul het maar weer in — een gezegend werk... Is een gezegend werk een werk waarbij je goed verdient? Of is het een werk waarbij je het naar je zin hebt? Nee, niet noodzakelijk. Zegen is gelegen in de dankzegging. Als je Hem dankt, dan is dat een zegen. Omgekeerd is dat natuurlijk ook zo: als je Hem niet dankt, is het ook niet gezegend. Dan kun je bulken van het geld of een hartstikke mooi beroep uitoefenen, maar is dat dan een zegen? Nee, dat is geen zegen. Weet je, het wordt een zegen op het moment dat je Hem gaat danken.

We hadden het eerder in deze samenkomst over dat danken: 'Dank U voor alle moeilijkheden, en dank U voor veel strijd en tegenslag.' Weet je hoe dat kan? Weet je wat er gebeurt op het moment dat je dat gaat doen? Dan wordt het een zegen. De zegen van een moeilijkheid, van een probleem, ook van zwakheden. Hoe kun je nou de Heere danken voor iets waar je mee zit te tobben? Ik ben ervan overtuigd dat op het moment dat je het aan Hem geeft — en ik voer het te ver om daar nu uitgebreid bij stil te staan — maar op het moment dat je iets aan Hem geeft en Hem danken gaat, dan wordt het anders.

Waarom? Omdat Hij... Hoe was het ook alweer? Dat jochie hè? Dat jochie dat vijf broden en twee vissen had. Het was niet veel, zeker niet voor die vijfduizend mensen die gevoed moesten worden. Het stelde helemaal niets voor. Maar weet je wat de Heer deed toen Hij die broden kreeg? Hij dankte. En zo vermenigvuldigde Hij het brood. Wat ik bedoel te zeggen is dit: op het moment dat je het aan Hem geeft, verandert het.

En Paulus zegt dan — dat zegt hij niet in de eerste Korinthebrief, maar in de tweede Korinthebrief — dat hij een behagen heeft in moeilijkheden, in tegenslagen en in zwakheid. Hij zegt: "Ik dank God ervoor." Waarom? Ja, zo moet je leren denken hoor. Want hoe kun je nou God danken voor dat waar je mee tobt? Nou, op het moment dat je Hem ervoor dankt, wordt het een zegen. Want als ik zwak ben, is Hij machtig, en Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Dus is jouw zwakheid geen probleem meer, maar juist een geweldige gelegenheid voor Hem om Zijn kracht te demonstreren. En zo kun je Hem danken in alles, en wordt alles ook een zegen.

We hebben het over brood en beker. Maar er zit zoveel in, alleen al in deze vergelijking van 1 Korinthe 11 vers 24 en Matteüs 26. Dankzeggen, zegenen: het is identiek. De zegen is gelegen in de dankzegging. Niets blijft hetzelfde op het moment dat je je realiseert: het komt van Hem. En Zijn weg — dat is de tweede of derde keer dat ik het zeg — Zijn weg is de beste. Weet dat altijd en leef daar dan ook uit. En dan wordt alles een zegen.

Ik sprak vorige week ook over een toverstaf. Het is net een toverstaf: alles wat je aanraakt met dankzegging, wordt ineens een zegen. Dat is echt waar. Alles waarvoor je Hem dankt, dat verandert in een zegen. Staf, ja, opstanding... maar goed, daar gaan we het nu niet ook nog eens een keer over hebben. Hij sprak de dankzegging uit. Goed, Paulus refereert daaraan en dan staat er: "en hij brak het".

Het Mysterie Onthuld: het Ene Brood Is een Beeld van de Gemeente ↑ hoofdstukken

En Hij zei: "Dit is mijn lichaam, doe dit tot mijn gedachtenis." Dat hadden we al gelezen. Maar wat vertelt Paulus hier nu over? De Heer Jezus had ooit bij die maaltijd dat brood gebroken om het te kunnen uitdelen, maar Hij zei van dat ene brood: "Dat is mijn lichaam." En wat Paulus daarover vertelt, is zo geweldig, want dat heeft hij van de Heer vernomen. Het is een hele nieuwe uitleg. In het gedeelte in 1 Korinthe 10 had Paulus daar al even wat over gezegd. Want, zegt hij dan in 1 Korinthe 10 vers 16: "Is niet het brood dat wij breken...", als we met elkaar zijn en we delen het brood? We hebben met elkaar een maaltijd. Niet een ritueel, maar gewoon, we eten met elkaar. Niet omdat het moet, maar gewoon, we eten met elkaar. Je eet toch met elkaar? Elke dag heb je toch je maaltijden? En wat is er nu heerlijker dan om met elkaar te eten?

Paulus zegt: "Is niet het brood dat wij breken een gemeenschap met het lichaam van Christus?" En let nu op vers 17: "Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood." Met andere woorden: dat ene brood spreekt van het ene lichaam van Christus. Maar dan hebben we het dus niet over dat lichaam dat de Heer Jezus gaf op het kruis van Golgotha, maar dan hebben we het over het lichaam dat wij als gelovigen tezamen vormen. Wisten de discipelen dat toen de Heer Jezus dat uitlegde, of bij die gelegenheid in de nacht voordat Hij werd overgeleverd? Nee, de Heer Jezus had gezegd: "Dit is mijn lichaam." Maar Paulus is door de Heer Jezus hoogstpersoonlijk vanuit de hemel ingelicht. Dat ene brood, dat brood waarvan Hij ooit gezegd had: "Dit is mijn lichaam", weet je waar het naar verwijst? Naar de gemeente.

Die waarheid is aan Paulus geopenbaard. Voor hen was dat nog verborgen, zij wisten dat niet, maar dat ene brood spreekt van het lichaam van Christus, en dat is de gemeente. "Wij allen, omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood." Zodat toen de Heer Jezus ooit in de nacht voor zijn overlijden sprak over "Dit is mijn lichaam", Hij volgens de apostel Paulus verwees naar het lichaam van Christus: de gemeente. Dat is de uitleg die Paulus hoogstpersoonlijk vanuit de hemel van Christus had ontvangen. Ja, het ene brood spreekt van de gemeente, het ene lichaam van Christus.

Ik moet er ook op wijzen dat het absoluut onmogelijk is – en misschien zeg ik daarmee onwelgevallige dingen voor sommige mensen, maar dat moet dan maar een keer – wat in de Statenvertaling eraan toegevoegd is. Helaas ook in een vertaling waar ik altijd heel hoog van opgeef, de Concordant Version, want zij hebben daar staan: "Mijn lichaam voor u gebroken." Terwijl nagenoeg alle handschriften unaniem zijn in het feit dat "gebroken" er niet staat. Slechts één handschrift heeft "gebroken", maar de meerderheid, twee van de drie hoofdgetuigen, zeggen dat dit woord ontbreekt. Dat woord "gebroken" hoort er, puur tekstkritisch gezien, al niet te staan.

Maar als je de gedachte die Paulus doorgeeft ook verstaat, dan begrijp je op voorhand dat het niet waar kan zijn. Dat lichaam is niet gebroken. Integendeel, dat is één. En al wordt dat brood dan gebroken, dat heeft alleen maar een praktische functie om het te kunnen uitdelen. In betekenis blijft het gewoon één lichaam. Wij hebben allen deel aan het ene brood, en dat spreekt van het ene lichaam van Christus. Dat is niet gebroken.

Trouwens, ik moet erbij zeggen dat ook het lichaam van de Heer Jezus dat Hij gaf op het kruis van Golgotha niet werd gebroken. Zelfs dat lichaam is niet gebroken. Heel uitdrukkelijk niet, want geen been zou van Hem gebroken worden. Dus of je het nu hebt over het lichaam van de Heer Jezus dat stierf aan het kruis van Golgotha, dat werd niet gebroken, maar het brood waarvan de Heer Jezus zegt "Dit is mijn lichaam", dat blijkt volgens de apostel Paulus te spreken van het lichaam van Christus: de gemeente. Dat is niet gebroken, dat is één; dat is juist de essentie ervan. Het is één brood, één lichaam.

En als Paulus zegt: "Ik heb het van de Heer ontvangen", wat voor speciale informatie heeft hij dan van de Heer ontvangen? Gewoon dat de Heer Jezus heeft gezegd: "Ik heb toen in de nacht voordat Ik werd overgeleverd een brood genomen en gezegd: Dit is mijn lichaam. Weet je waar het van sprak? Van de gemeente." Eén brood, één lichaam. Het lichaam van Christus.

Ik zie inmiddels trouwens dat het min of meer vijf over half twaalf is. Ik krijg een seintje van Ronald dat ik moet ophouden, anders loop ik van de video af. Maar we gaan straks na de middag, om één uur, hiermee verder.

Afsluiting: Eet Uw Brood met Vreugde ↑ hoofdstukken

Ik wil alleen nog eventjes, voorafgaand aan de broodmaaltijd, wijzen op wat er in Prediker 9 staat. Het staat los van de studie, maar houd hem vast: "Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart."

Ik heb al een aanzet gegeven, maar ik wil dat vanmiddag nog graag toelichten: waarom we alle redenen hebben om, wanneer we samen zijn om te eten, dat met een vrolijk hart te doen. En om de wijn die we drinken met vreugde te drinken, vooral als je het nieuwe leven kent waar dit alles van spreekt.

Goed, daar wilde ik het nu even bij laten en het wordt nog vervolgd. Zullen we het hier even bij laten? Ik stel voor dat we nog een lied zingen.

🎧 Brood & Beker (Deel 1)
Delen: