Brood & Beker (Deel 2)
12-09-2010 - Geplaatst door Andre PietPresentatie gehouden op 12 september 2010 (studiedag) in 2B-Home te Zoetermeer.
Jezus sprak ooit tijdens het zogenoemde laatste avondmaal, bij het breken van het brood: “dit is mijn lichaam”. Jaren later werd aan Paulus, door dezelfde Heer maar nu vanuit de hemel, bekendgemaakt dat “mijn lichaam” doelt op de Gemeente.
Het is jammer dat de christenheid (zich Israël wanend), de betekenis van brood en beker heeft geritualiseerd. Paulus spreekt niet van een rite maar van een maaltijd, waarbij zowel het brood als de wijn herinneren aan “de dood des Heren”, d.w.z. aan Hem die dood gewéést is.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Terugblik: de Maaltijd en het Brood
- De Beker en het Nieuwe Verbond
- Slachting en Offer: de Ware Betekenis van het Bloed
- Zo Dikwijls Gij Dit Doet: Gedenken in het Alledaagse
- Typologie in de Natuur: Graankorrel en Wijnkelder
- Zichzelf Beproeven en Onwaardig Eten
- Zwakte, Ziekte en de Helende Kracht van Vreugde
- Vrijheid in Christus: Samenkomen Om te Ontmoeten
Terugblik: de Maaltijd en het Brood ↑ hoofdstukken
Wij gaan in elk geval de studie voortzetten over het brood en de beker. Om het nog even kort en helder neer te zetten: we zijn vanmorgen aangevangen met de zogenaamde instelling van het avondmaal. Dat was feitelijk geen instelling van het avondmaal, maar het moment waarop de Heer Jezus het Pascha vierde en waarbij Hij over het brood zei: "Dit is mijn lichaam."
Daar hebben we wat meer over nagedacht in het vervolg van de samenkomst, want we zijn toen bij 1 Korinthe 11 terechtgekomen. Daar gaat Paulus in op de gebruiken en de misbruiken van de maaltijden die de Korinthiërs met elkaar hielden. Hij wijst hen erop dat, terwijl zij bij elkaar kwamen om maaltijd te houden, om samen brood te eten en wijn te drinken, dat brood en die beker een betekenis hebben.
Dat brood verwijst – zoals de Heer Jezus dat hoogstpersoonlijk aan Paulus heeft bekendgemaakt – naar het lichaam van Christus, de gemeente. Het gaat om dat ene brood waarvan Hij ooit tijdens het Pascha heeft gezegd: "Dit is mijn lichaam." Daar zijn we ongeveer blijven steken en toen moesten we de studie onderbreken voor de pauze.
We pakken nu gewoon de draad weer op waar we die hebben losgelaten, in vers 24 van 1 Korinthe 11. Het is het enige hoofdstuk waarin we informatie vinden over de betekenis van het brood en de beker. Wat we daarbij ook hebben gezien – dat wil ik nog even gezegd hebben – is dat het werkelijk om een maaltijd ging. Niet om een rite, maar om een maaltijd.
Het enige rituele element, als je het zo wilt noemen, is dat Paulus laat zien dat het brood en de beker een betekenis hebben. Een heerlijke betekenis, zoals we dat vanmorgen al hebben overwogen. Maar ja, dat is op zich helemaal niet zo vreemd. Dat maakt het echter niet tot een rite of een sacrament, zoals dat zowel in de Rooms-Katholieke Kerk als in de protestantse kerkgemeenschappen trouwens ook beleden wordt. Daar zegt men: "Het avondmaal is een sacrament." Nee, het is een maaltijd waarbij het brood en de beker een betekenis hebben en verwijzen naar het ene lichaam van Christus, de gemeente.
De Beker en het Nieuwe Verbond ↑ hoofdstukken
En over de beker zullen we het nog hebben. Sterker nog, daar gaan we het nu over hebben, want Paulus gaat verder met zijn uitleg. Hij had van de Heer zelf ontvangen over de betekenis van het brood: dat het verwijst naar het lichaam van Christus, de gemeente. En dan zegt hij: "Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was." Letterlijk staat er gewoon: "de beker na de maaltijd." Strikt genomen betekent dat dus dat de beker geen deel uitmaakt van de maaltijd. Brood en beker; de beker na de maaltijd.
En hij zei – ook nu grijpt Paulus weer terug op dat wat Jezus ooit, in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, had doorgegeven, had uitgesproken en had uitgelegd – toen had Hij gezegd: "Deze beker is het nieuwe verbond." Dat wil zeggen – en dat heb ik vanmorgen ook al even kort aangestipt – het representeert, het verwijst naar, het stelt het nieuwe verbond voor in mijn bloed. En doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis.
Paulus stelt het gewoon vast. Niet als iets wat ze moesten doen, maar gewoon als iets wat ze deden. Men hield maaltijd, men dronk de beker. Maar Paulus zegt: weet je wat de betekenis daarvan is, zoals ik het zelfs hoogstpersoonlijk van de Heer heb vernomen in verband met het lichaam, de gemeente? Maar ook over die beker zegt hij dat de wijn – want dat is wat er in die beker zit, de vrucht van de wijnstok, nietwaar – het nieuwe verbond voorstelt dat God straks met Israël gaat sluiten.
Dat nieuwe verbond wordt niet met de gemeente gesloten? Dat heb ik nooit in de Bijbel gelezen. Het nieuwe verbond wordt met hetzelfde volk gesloten als waar God het oude verbond ooit mee gesloten had. Als u dat niet geloven wilt, dan moet u dat maar eens een keertje nalezen in Jeremia 31. Daar staat het gewoon zwart op wit: "Zie, de dagen komen dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten." Niet zoals – nu moet ik het uit mijn hoofd gaan citeren, anders ga ik fouten maken – maar niet zoals het verbond ooit toen Ik hen uit Egypteland uitleidde en de wet oplegde. Want dat heeft het volk niet kunnen houden.
Nee, Hij gaat een nieuw verbond sluiten. En weet u wat het mooie van het nieuwe verbond is? Het schitterende van het nieuwe verbond? Er wordt niets meer aan het volk opgelegd. Er wordt ook niets van het volk verwacht. God zelf realiseert dat wat Hij ervan verwacht, zodat de verplichtingen volstrekt eenzijdig zijn, zo moet ik het zeggen. De Heere spreekt tot zeven keer toe in dit gedeelte van Jeremia 31: "Ik zal hun zonden geenszins gedenken. Ik zal mijn wetten in hun harten schrijven." Zodat ze het niet meer moeten doen als een last, maar ze willen het van harte doen. Ze doen dat gewoon omdat het hun in hun hart ingegeven is. Letterlijk, omdat hun hart hen dat ingeeft en de Heer dat erin gelegd heeft. Zo zal het in de toekomst gaan met Israël.
En het nieuwe verbond gaat niet alleen maar over dat wat God straks met Israël gaat doen, maar feitelijk staat het ook voor de belofte die God ooit al aan Abraham had gegeven. Dat was ook zo'n eenzijdige aangelegenheid waarbij God ook had gesproken: "Ik zal, Ik zal", en totaal niets daarbij van de mens werd verwacht. En feitelijk is dat ook de genade waarin wij wandelen. Want weliswaar wordt het nieuwe verbond niet met ons gesloten – zo vind ik dat nergens in de Bijbel; trouwens, verbonden worden in de Bijbel altijd gesloten, niet met individuen, maar altijd met geslachten, met volkeren, kijk het maar na – maar dat is nog niet eens zozeer het punt.
Het nieuwe verbond dat God in de toekomst met Israël gaat sluiten, staat feitelijk ook model voor de wijze waarop Hij in het Evangelie de mens tegemoetkomt, waarbij Hij alles belooft maar ook alles realiseert. "Ik zal!" En dat is wat het Evangelie ook werkelijk Evangelie maakt: een goed bericht. Het is een aankondiging; dat is wat een bericht is. En waarom is het goed? Wel, omdat God zulke overtreffende dingen, zulke heerlijke dingen belooft voor ons die nu geloven, die dat nu al mogen zien. Hij heeft trouwens ook onze ogen, onze oren en ons hart daarvoor geopend; niets is daarbij van onszelf.
En het is een woord dat Hij spreekt over heel Zijn schepping: dat Hij het werk van Zijn handen niet verlaat en dat Hij de Redder is van alle mensen. Dat is echt een goed bericht. Maar het is ook wat Hij vandaag in ons leven doet, dat Hij voor ons zorgt en voorziet in onze behoeften. Dat Hij ons vandaag in een sterfelijke wereld richt op Hemzelf, op dat nieuwe leven dat sterker is dan de dood. Daar spreekt het brood van.
Ik wilde er nu alvast even op wijzen dat er dus staat van die beker dat het het nieuwe verbond is. Het stelt het nieuwe verbond voor dat God ooit al in de dagen van Jeremia had beloofd, waarbij Hij dus volledig de verantwoordelijkheid bij Zichzelf neerlegt. "Ik zal, Ik zal." Dat is geweldig. Weet u wat het mooie, het schitterende daarvan is? Daar kan dus ook nooit iets mee misgaan. Want zodra iets aan de mens wordt toevertrouwd, dan verpest hij het, als ik het even zo grof mag zeggen. Altijd wanneer er iets van de mens bij zit, is dat wat de Bijbel zuurdesem noemt. Dat is zuur, en u weet hoe dat gaat met zuur: dat betekent dat als iets zuur is, de houdbaarheidsdatum is verlopen. Dat wat niet goed blijft, dat is wat een mens is. Een mens kan misschien wel even zijn goede dingen bijdragen, dat heeft dan de schijn, maar als het er helemaal op aankomt, is het precies wat Jezus ooit al gesproken had in die harde rede. Toen had Hij gezegd: "Het vlees doet geen nut." Dat is heel zwart-wit, maar het is wel de waarheid.
Het vlees doet geen nut en daarom zegt God: "Ik ga het doen, en dan ook volledig." Dat is waarom mensen zo gemakkelijk struikelen over dat Evangelie. Religie houdt in dat mensen het zelf willen doen en de eer aan zichzelf willen behouden, terwijl God zegt: "Dit is mijn belofte, zo is het. Verblijd je daarin." Daarom zit er ook wijn in die beker; dat is niet voor niets. Wijn is een embleem. Ik bedoel, daar hoef je helemaal geen gelovige voor te zijn of speciaal bijbelstudie voor te hebben gevolgd; iedereen weet dat wijn spreekt van vreugde. Het is geestrijk vocht. Die alcohol is wat een mens blij en vrolijk maakt – daar moet je natuurlijk niet teveel van nemen – maar dat is precies de werking die het heeft. Ook daarvan moet ik weer zeggen: het effect dat het heeft, staat ook ergens voor. Ik kom daar straks nog even op terug.
Slachting en Offer: de Ware Betekenis van het Bloed ↑ hoofdstukken
Maar ik wil er nu even op wijzen dat Hij ook zegt: "Mijn bloed." De Heer Jezus zei dat destijds toen Hij dat Pascha vierde. Hij zeide: "Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed." En bloed verwijst in de Bijbel, nogal logisch, naar het slachtoffer. Eigenlijk is het woord 'slachtoffer' wel mooi, ook zoals wij het in het Nederlands gebruiken, hoewel wij bij een slachtoffer altijd direct aan de dood denken. Dat klopt overigens wel hoor, want een slachtoffer is een offer dat geslacht wordt.
Maar nu ga ik het even ingewikkeld maken, voor zover dat mag om kwart over één, net na de lunch. Laat u het eten rustig zakken, maar luister goed: als een slachtoffer alleen maar geslacht wordt, dan is het nog geen slachtoffer. Nee, dan is het louter geslacht. Het eigenlijke offer moet daarna namelijk nog plaatsvinden. Dat ontgaat zoveel mensen. Want als je spreekt over bepaalde ideeën die christenen hebben over de offerdienst — en we weten als christen natuurlijk van al die offers in het Oude Testament die naar de Heer Jezus Christus verwijzen — dan wordt er vaak gezegd dat al die offers verwijzen naar het kruis van Golgotha. Dan zeg ik: dat is half goed. En eigenlijk is het daarmee dus niet goed. Als het half goed is, is dat net zoiets als wanneer je bijna geslaagd bent voor een examen; dan ben je gewoon gezakt.
Bij het slachtoffer denken we inderdaad aan de Heer Jezus Christus en aan Zijn slachting, maar dat is niet het offer. De slachting is het moment dat het dier gedood wordt en zijn bloed geeft. Dat is de slachting. Maar het offer vindt daarna pas plaats, wanneer het vervolgens op de verhoging gelegd wordt en opstijgt Gode tot een lieflijke reuk. Het verbaast mij altijd dat dit aan 99% van de christenen, zo niet meer, compleet ontgaat. Men denkt bij het offer direct aan Golgotha, terwijl je zou moeten weten dat het slachtoffer te maken heeft met een dier dat geslacht wordt om juist doordat het geslacht is en nadat het geslacht is, te worden tot een offer. Nadat het op de verhoging is gelegd en nadat het opstijgt tot God. Dat is de lieflijke reuk. Dat is niet de dood. De dood op zichzelf is niet de lieflijke reuk. Golgotha is niet de lieflijke reuk, pardon, maar de lieflijke reuk is gelegen in dat wat volgde op Golgotha. Toen Hij opstond, toen Hij verrees uit het graf, toen Hij verheerlijkt werd en de Naam ontving boven alle namen en verhoogd werd tot de hoogste hoogte. Dat is het offer, dat is de lieflijke reuk voor God.
Dus als je het hebt over bloed, dan heb je het niet alleen maar over de slachting, maar ook over wat daar vervolgens mee gebeurde. Dat is een onderwerp apart hoor; je zou er een hele serie Bijbelstudies over kunnen geven wat er met het bloed gebeurde. Het werd bijvoorbeeld door de hogepriester het heiligdom in gebracht. Maar dat bevestigt precies wat ik nu zeg: het gaat niet alleen om die slachting, nee, het gaat erom wat er vervolgens met dat wat geslacht is gebeurt en dat het in het heiligdom binnenging. Namelijk in de hemel, want dat is waar het een beeld van is.
Als er gesproken wordt over "Mijn bloed", dan gaat het inderdaad over de slachting, maar zet daar geen punt, maar een komma. Het werd geslacht óm vervolgens verhoogd te worden en zo tot een offer te worden. Dat is de lieflijke reuk: het leven dat Hij aan het licht bracht. Het nieuwe verbond en alles waar het een embleem van is, is juist daardoor gerealiseerd. Hij is verrezen uit het graf. Hij is de levende Messias. Hij is het die het straks gaat realiseren in verwantschap met Israël en het tot nieuw leven zal brengen om hen tot een zegenkanaal te maken voor heel de volkerenwereld. Maar Hij is ook degene die vandaag Zijn werk aan ons doet. Hij is ons Hoofd, wij zijn Zijn lichaam. Hij zorgt voor ons en Hij geeft ons voedsel. Hij is dat leven. Hij is gestorven, maar wat meer is: de Opgewekte. Daar spreekt dat bloed van: "Mijn bloed." En dan zegt Paulus er nog achteraan in vers 26.
Zo Dikwijls Gij Dit Doet: Gedenken in het Alledaagse ↑ hoofdstukken
Eigenlijk moet ik hier nog dit aan toevoegen: "Doe dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis." Want "zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt...". Dat betekent gewoon: zo vaak we maar brood eten en de vrucht van de wijnstok drinken en daarbij aan Hem denken, want daar gaat het over. Het is niet bedoeld als een ritueel van één stukje brood; nee, het gaat om wanneer je maar brood eet. En zeker wanneer je bij elkaar bent als gelovigen en de eenheid beleeft. Wanneer je dan het glas of de beker heft – de beker is nog mooier hoor, een nog mooiere symboliek zullen we maar zeggen – doe dat dan zo dikwijls, zo vaak als je maar wilt. Denk aan Hem, want daar spreekt het van. Trouwens, heel de natuur spreekt van Hem. Maar wat is er nu mooier dan wanneer je zoiets alledaags doet?
Ik moet er ineens aan denken dat Paulus aan het einde van 1 Korinthe 10, dus in dezelfde context, nog had gezegd: "Of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet het alles tot eer van God." Weet je wat het mooie daarvan is? Dan krijgt alles in je leven betekenis, zelfs het meest alledaagse. Dan eet je een stuk brood of je drinkt een glas wijn en je denkt aan Hem, aan de grote Overwinnaar. Dan krijgt alles waarde, zo’n enorme rijke betekenis. Dan ben je rijk. Wat is er zo mooi als je rijk bent? Als je rijk bent, dan heb je veel vermogen en laat je je omgeven door veel rijkdom. Alles wat je hebt, spreekt dan van rijkdom en etaleert waarde. Welnu, dat is precies wat ons leven mag zijn. Alles wat we zien en wat we doen heeft zoveel waarde, omdat het verwijst naar heerlijkheid. Dan heb je een rijk leven, al heb je geen rode cent. Dat is nog het allermooiste.
Ik moet denken aan een Engels gezegde: "The best things in life are free." En dat is zo. De beste dingen in het leven, waar het werkelijk om gaat, die kun je niet betalen. Het is onbetaalbaar. Het is niet alleen maar "duur", het is eigenlijk ook "gratis". Beide is waar. Het is heel duur, dat wil zeggen: zo enorm waardevol dat je het niet kunt betalen, maar het is daarom juist ook gratis. Het wordt je gegeven. En wij, laten we welwezen, leven zo vaak beneden onze stand; we leiden een armoedig leven, terwijl het hier op aarde al zo'n enorme rijkdom heeft. Dat je je daarvan bewust mag zijn, dat is juist ook de waarde van het samenzijn en het samen eten. Daar spreekt Paulus over: "Zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt...". Hoezo "dit" brood? Nou, gewoon op het moment dat je dat brood eet met de gedachte aan Hem, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
Hoezo, de dood des Heren? Wat is er zo bijzonder aan de dood des Heren? Ik heb het hier meteen maar bijgezet: het bijzondere van de dood des Heren is dat die dood overwonnen is. We verkondigen daarmee niet het sterven van de Heer; nee, we verkondigen Zijn dood. Eigenlijk is het zo dat die emblemen van brood en beker, de vrucht van de wijnstok, verwijzen naar de graftuin, naar het graf van de Heer Jezus. Maar wat is er zo bijzonder aan die graftuin? Dat de steen is weggewenteld! We denken bij brood en beker niet aan een stervende Heer; we denken aan iemand die gestorven is. Ik kan het nog anders zeggen: aan Iemand die dood geweest is en die, juist omdat Hij dood geweest is, nu Heer is. Want hoe was het ook alweer? Wat zei Petrus op het tempelplein? "Deze Jezus, die gij gekruisigd hebt," zegt Petrus tegen zijn volksgenoten, "heeft God tot Here en Christus gemaakt." Hoe is Hij Heer? Wel, Hij is juist Heer krachtens Zijn opstanding uit de doden. Dus je verkondigt de dood van de Heer; dat wil zeggen dat je de dood verkondigt van Hem die nu leeft. Oftewel, je verkondigt Hem die dood geweest is. Hij overwon de dood! Dat is wat je verkondigt als je daar weet van hebt, als je daaraan denkt en als je dat ook uitspreekt.
Het is zo heerlijk. We danken voor het eten, want we leven immers uit genade. "Dank U wel," mogen we in alles zeggen, want Hij leidt ons leven. Je eet brood, je drinkt wijn en je zegt: "Dank U wel, Heer, want het spreekt van de overwinning die U behaald hebt." Ik vind het trouwens mooi dat er ook nog een beker is. We weten immers allemaal dat een beker spreekt van de overwinning. Denk maar aan de sport: daar gaat het toch allemaal om de beker? Ze willen allemaal de beker winnen, want dat is de overwinningstrofee. De beker spreekt van overwinnen. Je kunt ook het glas heffen, dat is dezelfde gedachte: iets hooghouden. In Amsterdam zeggen ze dan: "Daar ga je!", maar dat is een verbastering. Het komt van "Lechajiem": op het leven! Want daar spreekt die wijn van: leven dat sterker is dan de dood. Het spreekt van bloed, dat wil zeggen: het spreekt van Hem die geslacht is, maar dan als het Lam dat geslacht is en nu stáát. Je moet het wel compleet zeggen; als je het maar half zegt, dan is het goed fout. Ik ben nu wat strenger dan zojuist, dat geef ik toe. De beker spreekt van Hem die overwonnen heeft.
Typologie in de Natuur: Graankorrel en Wijnkelder ↑ hoofdstukken
Zowel dat brood als de beker zijn prachtige onderwerpen om wat uitgebreider te belichten. De typologie in de natuur en het hele proces van hoe brood gebakken wordt, is zeer betekenisvol alvorens we het als levensmiddel tot ons nemen. Denk aan het woord: het Brood des levens. Brood spreekt van leven. Een mens leeft niet van brood alleen, maar van alles waar dat een beeld van is, namelijk van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat.
Wat dacht u van dit woord uit Johannes 12 dat de Heer Jezus spreekt? Hij zegt: "Voorwaar, voorwaar" – amen, amen in het Grieks – "Ik zeg u: indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort." Heeft u trouwens opgelet dat het plaatje dat hier geprojecteerd wordt, gerst is? Had u dat nog niet gezien? Ik wijs er eventjes op. Voor tarwe gaat dit natuurlijk ook op, maar bij gerst helemaal, want gerst spreekt zo geweldig over opstanding. Wanneer stond de Heer Jezus op? Op de dag van de eerstelingsgarven. Ik kan het nu niet uitgebreid toelichten en bewijzen, maar ik kan het u wel alvast meegeven: het is de dag van de eerstelingsgarven, namelijk de eersteling van de gersteoogst. De Heer Jezus stond op de dag dat officieel de gersteoogst aanving. Het was in dezelfde tijd dat Ruth op het veld van Boaz kwam: aan het begin van de gersteoogst.
Laten we het nu gewoon even over de tarwekorrel hebben. Indien die tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen. Maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort. Hier vind je het: die tarwekorrel valt in de aarde en sterft in type en symboliek. Er blijft niets van over, maar hij komt in nieuw leven vermenigvuldigd weer boven; hij stijgt op. Nieuw leven verstrekt het brood in nog veel overvloediger mate. Het sterft als één enkele tarwekorrel, maar in veelheid komt het vervolgens weer op. Dood en opstanding, daar spreekt brood van. Ik weet niet of u daar vaak aan denkt als u brood tot u neemt. Als je honger hebt, denk je daar meestal niet aan. Daarom zegt Paulus ook: als je bij elkaar komt, zorg er dan in ieder geval voor dat je geen honger hebt, zodat je echt bepaald wordt bij waar het werkelijk een beeld van is. Denk daar zo vaak als je maar kunt aan: waar het brood van spreekt.
Dat geldt trouwens ook voor de wijn. Dat is een schitterend onderwerp waar ik ooit eens een hele avond aan heb gewijd: over het hele proces van de druiven die geplukt en vervolgens geperst worden. Dat zijn prachtige symbolen. Nu ben ik geen wijnkenner of een expert in hoe dat precies in zijn werk gaat, maar ik weet wel dat wanneer de druiven geperst zijn en de wijnpersbak getreden is – wat trouwens ook van de slachting spreekt – het sap vervolgens onder de aarde terechtkomt in een kelder, in eikenhouten vaten.
Waarom eiken? Dat heeft iets te maken met de belofte, met de eed die God heeft gezworen aan Abram. Als ik het in het Hebreeuws zou zeggen, zou u het meteen begrijpen, want het woord voor eed is alah, en dat is hetzelfde woord als voor de eik. De belofte. Vandaar ook dat God toen het teken van de besnijdenis gaf, waarbij ook de vrucht van de eik aanschouwelijk wordt gemaakt. Het heeft allemaal met de eik te maken: eikenbomen van de gerechtigheid, van Gods trouw.
Waar het me nu om gaat, is dat het onder de aarde terechtkomt. Het komt eigenlijk in een graf terecht. Daar vindt dat wonderlijke proces plaats waardoor het geestrijk druivensap wordt. Vervolgens komt het uit dat graf, uit de kelder, en dan is het wijn. Dan zeggen we: "Op het leven!" Daar spreekt wijn van. Laten we wel wezen, negenennegentig procent van de mensen denkt daar niet aan. Ook al ben je een wijnkenner, dat wil nog niet zeggen dat je weet waar het werkelijk van spreekt. Ik denk wel eens dat verreweg de meeste wijnkenners geen idee hebben waar wijn een beeld van is: van de overwinning op de dood en van het leven. We zeggen dat niet voor niets: op het leven! De beker is de overwinning. Vandaar ook de oproep: drink uw wijn met een vrolijk hart. Geniet ervan en wees je ervan bewust wie onze Heer is en welk leven Hij aan het licht bracht aan het begin van de gersteoogst, toen Hij uit de kelder kwam.
Dat leven kennen wij nu al, maar er komt een moment dat de hele schepping van dat leven vervuld zal zijn. Hij is de eersteling, maar de hele oogst moet feitelijk nog volgen. Heel het mensdom zal dat leven ontvangen dat Hij aan het licht bracht. Zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen levend gemaakt worden. De eersteling is de grote overwinnaar; daar spreken brood en beker van. Zo dikwijls als we brood eten – zeker als we bij elkaar zijn – en als we wijn drinken, denken we daaraan.
Ja, totdat Hij komt. Precies, want die symbolen zijn zo prachtig om daar telkens weer gewoon zichtbaar aan herinnerd te worden. Het zijn typen om daaraan herinnerd te worden tot het moment dat we de levende Heer hoogstpersoonlijk van oog tot oog zullen zien. Tot die tijd herinneren zulke symbolen ons aan de rijkdom die we kennen in Hem. En nu gaat Paulus nog voort.
Zichzelf Beproeven en Onwaardig Eten ↑ hoofdstukken
Hij zegt: "Wie dus op onwaardige wijze..." En wat was die onwaardige wijze? Ja, we hadden het vanmorgen al even over hoe dat meestal wordt uitgelegd, dat onwaardig eten. Dat zou er dan mee te maken hebben dat je nog niet genoeg bent ontdekt aan het feit dat je werkelijk zondig bent voor God en niet voor Hem kunt bestaan. Maar mensen, lees de tekst nou gewoon eens in zijn verband. Het gaat hier helemaal niet over onwaardig zijn. In zichzelf is geen mens waardig. Als we waardig zijn, dan is dat in Hem. Als ik wat ben, dan ben ik dat door mijn Heer. Alles wat ik ben – ik ben haast geneigd om het te zingen – dat ben ik door mijn Heer. En alles wat ik heb, dat heb ik van mijn Vader. Dus wat hebben we van onszelf?
Maar daar gaat het hier ook helemaal niet om. Het ging hier over de wijze waarop men in Korinthe maaltijd hield. De wanorde en de behoeftigen die beschaamd werden, dat was onwaardig. De een is hongerig en de ander zit daar dronken. Wie dus op onwaardige wijze het brood eet en die beker van de Heer drinkt – die heerlijke beker, weet je wel, waarvoor men God dankte omdat die verwees naar Hem – die realiseert zich eigenlijk helemaal niet meer waar het om gaat.
Trouwens, even onder ons gezegd: ik denk dat de meeste mensen die in het algemeen brood eten en wijn drinken, maar ook degenen die avondmaal vieren, zich niet bewust zijn van waar het werkelijk van spreekt en wat we allemaal in Hem hebben. Gratis, voor niks! Wij bezondigen ons hier dan feitelijk aan het lichaam en het bloed des Heren. Bezondigen, dat wil zeggen dat het allemaal zijn doel mist. Je weet namelijk helemaal niet waar het betrekking op heeft. Dat is – kijk – dat is zonde.
We hadden het er gisteravond bij een heel andere gelegenheid even over; dat ging over je zorgen maken. Is dat zonde? Dan zeg ik: ja, dat is heel erg zonde. Weet je waarom? Het dient nergens toe. Dat is wat zonde is, toch? Doelloos, zonder doel, doelmissend. Ik heb nooit iemand gehoord die zegt: "Nou, ik ben ontzettend blij dat ik me destijds zo vreselijk bezorgd heb gemaakt, want dat heeft een hoop opgeleverd." Nee. Afgezien van het feit dat het niets oplevert, misken je daarmee bovendien gewoon het machtige feit dat er voor je gezorgd wordt. Dat is zonde. Ja, dat is hartstikke zonde. Kijk, in die zin is het zonde als je zo brood eet en wijn drinkt, maar de betekenis daarvan zo miskent.
Dat bezondigen aan dat lichaam gaat hier specifiek over het bezondigen aan de gemeente. Want dat is wat zij daar in Korinthe ook deden. Als je de behoeftigen beschaamd maakte, dan zondig je feitelijk tegen degenen met wie je zegt de eenheid te beleven. In die context worden deze woorden hier geschreven door Paulus en iedereen zou het zo kunnen lezen. Ik bedoel: lees 1 Korinthe 11 en je ziet gewoon wat daar aan de hand was. De een was dronken en de ander was nog hongerig. In die context spreekt Paulus over dat onwaardig eten en over het je bezondigen aan het lichaam. Helaas zien we dat door overleveringen zelfs niet meer.
Goed. Paulus zegt dan: "Maar ieder beproeve zichzelf." Dan wil ik zeggen: test dat nou. Realiseer je je werkelijk wat het betekent? Het betekent niet dat je nu gaat terugzien op jezelf. Want zo wordt het altijd uitgelegd, hè? Ja, jezelf beproeven: ga nou eens een keer na hoe groot een zondaar je bent. Als je dat doet, dan zeg ik: dan begrijp je nog helemaal niets van brood en beker en de betekenis ervan. Moet je naar jezelf gaan kijken? Moet je in de spiegel gaan kijken of je wel waardig bent? Brood en beker spreken juist van het feit dat Hij alles voor Zijn rekening neemt en dat ik gerechtvaardigd ben in Hem.
Als ik gewoon in de spiegel kijk, wie zie ik dan? Mezelf, met alle onvolmaaktheden enzovoort. Maar in de spiegel van het Woord van God zie ik ook mezelf. Maar weet je hoe? In Hem. Wie ik ben in Hem, met de heerlijkheid die Hij voor mij bestemd heeft en alles wat mijn bezit is in Hem. En mijn zwakheid? Is dat een belemmering voor Hem? Integendeel. Integendeel! Dank Hem voor je zwakheid, want Hij zal juist Zijn kracht daarin demonstreren.
Er is dus geen enkele reden om te zien op je eigen onwaardigheid. Kijk naar wat je waard bent in Hem. Test dat: doe ik dat? Realiseer ik me werkelijk wat het betekent om Hem te kennen en de betekenis van brood en beker te verstaan? Ik moet erbij zeggen dat de NBG-vertaling hier wat gekleurd is hoor. Daar zie je de gedachten die men heeft bij het avondmaal een beetje doorheen schemeren. Zo van: eerst moet je jezelf beproeven of je wel waardig bent, en dán eet je van het brood. Maar er staat gewoon: "aldus". Je checkt voor jezelf of je de rijkdom beseft die brood en beker uitdrukken, en alzo eet je van het brood en drink je uit de beker.
Want wie eet en drinkt... Als u trouwens een Statenvertaling hebt, dan ziet u in vers 29 dat daar nog het woordje 'onwaardig' bij staat. Of dat tekstkritisch klopt, is een verhaal apart, daar gaan we het nu even niet over hebben, maar qua betekenis is dat natuurlijk de gedachte. Want wie eet en drinkt – namelijk zoals jullie dat doen, Korinthiërs: onwaardig in de zin van je niet realiseren waar brood en beker een beeld van zijn – die doet dat tot zijn eigen oordeel als hij het lichaam niet onderscheidt en niet weet waar dit alles van spreekt. Ja, het lichaam niet onderscheiden: het je onbewust zijn van de betekenis van dat ene brood, namelijk sprekend van het lichaam van de Heer. Dat is tot je eigen nadeel. Dat is ook precies wat hier staat. Het is tot je eigen oordeel wanneer je dat niet realiseert.
Weet u wat dat betekent? Waar velen over gestruikeld zijn, is wat er in vers 30 staat. Daar schrijft Paulus... en ook nu wijs ik weer even op de Statenvertaling: daar staat niet 'ontslapen', maar 'slapen'. Heeft Paulus het hier over mensen die overleden zijn in de gemeente, of heeft hij het over mensen die gewoon slapen? Ik bedoel nu figuurlijk: die niet wakker zijn. Er zijn velen onder jullie die niet wakker zijn. Het is moeilijk te achterhalen wat hier precies de gedachte is. Paulus licht het verder niet toe; dat eerste is wel duidelijker.
Zwakte, Ziekte en de Helende Kracht van Vreugde ↑ hoofdstukken
Paulus zegt feitelijk: daarom zijn onder u velen zwak en ziekelijk. Waarom? Omdat ze dat lichaam niet onderscheiden. Weet u wat dat betekent? Ik weet dat een heleboel mensen het verhaal omkeren, maar zoals het hier staat, betekent het dat wanneer je het lichaam onderscheidt – wanneer je weet waar brood en beker van spreken – dat je kracht geeft. Het is ook goed voor je body, zal ik maar zeggen. Nogmaals: je moet het niet omkeren. Het betekent dus niet dat als je zwak of ziekelijk bent, of als je iets mankeert, dat automatisch betekent dat je het lichaam niet onderscheidt. Dat staat er niet. Het wordt hier zo geformuleerd omdat Paulus zegt dat men daar in Korinthe niet weet waar brood en beker werkelijk voor staan. Hij zegt dat daardoor velen van hen zwak zijn, de kracht missen en dat er zoveel klachten zijn, vaak ook mentaal.
Als mensen zich werkelijk bewust zouden zijn van de enorme betekenis en rijkdom van brood en beker, waar het voor staat, de rijkdom van het Woord kennen en het lichaam van Christus onderscheiden – wat we in Hem hebben – dan is dat zo’n enorme power in je leven. Het is nog net zo waar als in de dagen dat Salomo dit optekende in Spreuken 17: "Een blij hart is een medicijn voor het gebeente." Er is geen factor die zo’n enorme invloed heeft op je gezondheid en op je welbevinden als juist blijdschap. Als je Hem kent en de vreugde daarvan smaakt, dan is dat geen garantie dat je een gezonde body hebt, maar het is wel de belangrijkste factor voor een goede gezondheid. Je moet elke dag een appel eten; dat is erg gezond, dat is waar. Maar er wordt over gezondheid natuurlijk heel veel gekakeld, terwijl het allerbelangrijkste voor gezondheid inderdaad vreugde is: Hem kennen. Als je de overwinning op de dood kent, als je werkelijk een goed bericht hebt en dat kent en daaruit leeft, dan heb je een gezegend leven.
Welnu, dat werd in Korinthe zo gemist. Men leefde ver onder de stand. Paulus zegt: "Ja, daarom zijn er onder jullie onnodig veel zwakken en ziekelijken." Dat had helemaal niet nodig hoeven zijn. Als jullie werkelijk de rijkdom zouden realiseren die je hebt in Christus, dan zou dat er niet zijn. Hij zegt: "Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen." Ik licht dat laatste even toe: velen onder jullie zijn totaal niet wakker. Ze weten niet waar het om gaat. Waren ze daardoor minder gelovigen? Nee, natuurlijk niet, daar gaat het niet om. Maar ze misten zoveel rijkdom. Indien wij onszelf echter beoordeelden – dat wil zeggen: onszelf beproefden – als we ons werkelijk zouden realiseren waar we mee bezig zijn en waar het naar verwijst, dan zouden wij niet onder dit oordeel komen. Waar ging dat oordeel over? Dan zouden lang niet zo velen zwak en ziekelijk zijn. Integendeel, dan zouden we de kracht van Zijn Woord juist kennen en beleven.
Zo brengt Paulus dat hier naar voren en ik denk dat dit universele principes zijn. Aan de ene kant wat we lezen over een blij hart: het is een medicijn voor het gebeente. Het is niet slechts genezing, het is een medicijn. Er staat trouwens ook bij dat een neerslachtige geest het gebeente doet verdorren. Dat zijn psychosomatische klachten. Een dokter of een assistent zou hier zo naar voren kunnen komen; er zitten hier wel meer mensen die daar verstand van hebben. Maar over de verwantschap tussen ziel en lichaam, tussen psyche en soma, daar zit zo’n eenheid in. Daarom is het zo belangrijk – we kunnen het nauwelijks overschatten – om de waarde te kennen van het kennen van Hem en het leven elke dag uit die rijkdom. Dat is kracht, dat is vreugde. Als we dat niet kennen, dan zal het gevolg ook zijn dat we zwak worden, met als mogelijk gevolg dat we ziekelijk worden.
Maar onder vers 32, onder het oordeel van de Heer – en waar had hij het over? Over die zwakte en alles wat daar weer het gevolg van is – worden wij getuchtigd. Weet u wat er letterlijk staat in het Grieks? Daar staat het woordje paideuo, en daar herkennen wij het woord 'pedagogiek' nog in: opvoeden. Daar worden we door opgevoed. Paulus zegt gewoon tegen de Korinthiërs dat dit nu de gang van zaken is, maar hij zegt: "Maak je geen zorgen hoor, want daardoor voedt de Heer ons gewoon op." Hij maakt jullie dingen duidelijk. Jullie zijn zwak en ziekelijk; hij wijst erop dat dit helemaal niet nodig is. Als je werkelijk de betekenis zou kennen van brood en beker, dan zou veel meer die kracht en de gezondmakende werking daarvan ervaren worden in je leven. Dit gebeurt opdat wij niet met de wereld veroordeeld worden. Weet u wat dat is? De wereld kent die zegen van brood en beker niet; ze weten niet waar het werkelijk van spreekt. Zij zijn veroordeeld tot het niet kennen daarvan, met als gevolg dat zij de zegen daarvan ook niet kunnen kennen en beleven.
Vrijheid in Christus: Samenkomen Om te Ontmoeten ↑ hoofdstukken
Paulus zegt in vers 33: "Daarom, mijn broeders, als jullie samenkomen om te eten, wacht op elkaar." Let wel: als jullie samenkomen. Het gaat hier niet om slechts het nuttigen van een klein stukje brood of een slokje wijn. Zeg ik daarmee dat dat niet mag? Nee, natuurlijk niet, maar ik vertel u hoe het in Korinthe toeging: men kwam samen om werkelijk te eten, en Paulus laat dat gebruik gewoon intact. Hij zegt: als jullie samenkomen om te eten, prima, dat is hartstikke mooi, maar realiseer je wel wat de rijkdom daarvan is. Wacht dan op elkaar en geef elkaar de ruimte, zoals je mag verwachten van mensen die de betekenis weten van dat wat ze doen met brood en beker. Daarom, als jullie samenkomen om te eten, wacht op elkaar. Heeft iemand honger? Laat hem dan thuis eten, zodat jullie niet tot je oordeel bijeenkomen.
Dat "oordeel" refereert aan vers 17, waar Paulus tegen de Korinthiërs zegt dat hij heeft vernomen dat hun samenkomsten niet tot zegen, maar tot schade zijn. Letterlijk staat er dat het niet tot hun voordeel is. Dat zie je helaas bij veel christenen die bij elkaar komen: men vindt dat men elke zondag aanwezig 'moet' zijn, maar wat krijg je daar dan te horen? Word je gewezen op de rijkdom die we hebben in Hem en op alles wat Hij belooft, of word je altijd geconfronteerd met getop over wat wij allemaal niet kunnen? "Ik ellendig mens..." Maar daar gaat het toch helemaal niet om? Het gaat er niet om wat wij niet kunnen, het gaat erom wat Hij wel kan! Als je niet voortdurend op dat nieuwe leven gewezen wordt, dan kun je bij elkaar komen wat je wilt, maar dan levert het geen voordeel of zegen op. Als iemand honger heeft, laat hij dan thuis eten, zodat je niet tot schade of afbraak bijeenkomt, maar juist om opgebouwd te worden.
Paulus besluit in het laatste vers met de woorden: "Het overige zal ik regelen wanneer ik kom." Dat klinkt misschien alsof hij zegt: wacht maar op mij, want ik weet precies hoe het moet en jullie moeten doen wat ik zeg. Maar zo is het totaal niet bedoeld. In 1 Korinthe 10 zegt hij al: "Broeders, ik spreek als tot verstandigen, beoordeel zelf wat ik zeg." En in de tweede Korinthebrief zegt hij het nog mooier: hij stelt dat hij en zijn medewerkers geen heerschappij voeren over uw geloof. Hij legt geen wetten op. Hij zegt: wij zijn medewerkers aan uw blijdschap, want door geloof staat gij vast. Geloof is immers vertrouwen in wat God doet en wat Hij belooft. Dat is geloof; het alternatief is werken. Wij staan niet vast door werken, maar door geloof en vertrouwen in Zijn belofte. Paulus heeft dat gepredikt en zegt: wij zijn alleen maar medewerkers aan uw blijdschap. Ik ben er alleen maar op uit om jullie blij te maken en je te wijzen op wat je hebt en mag genieten in Hem.
Daarom komen we bij elkaar om te ontmoeten, zoals ik dat graag noem. We 'moeten' al zoveel in het leven. Vaak als christenen bij elkaar komen, gebeurt dat onder een kerkorde of een bestuur en moet het zus of zo. Maar mensen, Christus heeft ons vrijgemaakt! Wanneer we bij elkaar komen om te ontmoeten, mogen we al die last van het "moeten" van ons afwerpen. We ademen de frisse lucht van Zijn genade in en beleven daar de rijkdom van. Zo worden we blij en worden we uitgetild boven de misère waar je zomaar in kunt zitten in het leven. We komen samen om gewezen te worden op wat we genieten in Hem. Kijk, dat is werkelijk samenkomen tot zegen; dan word je opgebouwd. Dan kun je ook uitstekend bij elkaar komen om te eten en te drinken – niet omdat het moet of voor een ritueel stukje brood, maar om samen te eten en je te realiseren wat brood en beker werkelijk betekenen: dat ze wijzen op onze opgestane, verrezen Heer. Amen.
UltimateGoodNews