Paulus’ Pinkstertoespraak in Jeruzalem
20-05-2018 - Geplaatst door Andre Piettoespraak gehouden op 20 mei 2018 in Den Haag
Bekend is Petrus’ Pinkstertoespraak in Jeruzalem (Hand.2). Maar dat ook Paulus ruim 25 jaar later rond Pinksteren een toespraak in hetzelfde Jeruzalem heeft gehouden, is zo goed als onbekend. Zoek de verschillen…
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: het Andere Pinksteren in het Boek Handelingen
- Het Perspectief van Petrus: het Koninkrijk en het Appel op Israël
- De Naderende Ommekeer: Paulus' Vastberaden Reis Naar Jeruzalem
- Aankomst in Jeruzalem: een Beladen Reputatie en Escalatie in de Tempel
- Paulus' Verdediging en de Goddelijke Missie: "kom Snel uit Jeruzalem"
- De Climax en Conclusie: het Heil Gaat Buiten Israël Om Naar de Natiën
Inleiding: het Andere Pinksteren in het Boek Handelingen ↑ hoofdstukken
Nogmaals een hele goede morgen allemaal. Ik ben blij dat ik vanmorgen weer eens in jullie midden mag wezen op deze Pinksterdag. Vandaag is het een bijzondere Pinksterdag. Dat realiseerde ik me pas zojuist, voordat we in de dienst nog even met elkaar spraken en baden in de kamer hiernaast. Want toen werd ik erbij bepaald dat het vandaag ook het Joodse Wekenfeest is.
Eigenlijk is het zo dat het christelijke Pinksterfeest natuurlijk is afgeleid van het Joodse Pinksterfeest, het Wekenfeest, het Shavuot zoals dat heet. Maar dat loopt zelden synchroon of gelijk met onze kalender. Nu toevallig een keertje wel. Dus het is ons Pinksterfeest, maar voor de Joden is het ook het Pinksterfeest.
Het zou heel goed kunnen dat u nu denkt, terwijl u naar het projectiescherm kijkt, dat hier een foutje is gemaakt. Want er staat: 'Paulus’ pinkstertoespraak in Jeruzalem'. Ik kan me voorstellen dat sommigen gedacht hebben: 'Hé, Paulus’ pinkstertoespraak in Jeruzalem? Dat moet toch zijn: Petrus’ pinkstertoespraak in Jeruzalem?' Dat had inderdaad heel erg voor de hand gelegen en toch is het absoluut geen fout. Want het woord Pinksteren komt twee keer voor in het boek Handelingen – laat ik me daartoe even beperken. We weten allemaal, tenminste ik stel me zo voor dat de meesten van u wel weten, dat als we het over Pinksteren hebben, we het over Handelingen 2 hebben. Maar het woord Pinksteren komt nog een keer voor in het Nieuwe Testament.
Daarbij wil ik u straks heel graag bepalen, maar ik heb een nogal lange aanloop vanmorgen nodig. Dat komt omdat er eigenlijk een heel verhaal hieraan gekoppeld is. Laat ik eerst eens even lezen wat we vinden in Handelingen 2.
Het Perspectief van Petrus: het Koninkrijk en het Appel op Israël ↑ hoofdstukken
Daar staat dit. In Handelingen 2, u moet zich voorstellen dat als we dan eventjes dat in de tijd ergens moeten aanwijzen, dan praten we over zo'n beetje bijna 2000 jaar geleden in het jaar 30 van onze jaartelling. Dus de eerste eeuw. En dan staat daar in Handelingen 2: "En toen de dag van het Pinksteren helemaal vervuld was..." U moet weten, Pinksteren betekent eigenlijk gewoon "vijftigste". Het Griekse woord wat hier staat betekent gewoon "het vijftigste". Wat moest men namelijk doen? Men moest dagen tellen. Vanaf de dag van de eersteling, ons Pasen zeg maar, moest men vanaf die dag vijftig dagen tellen. Zeven weken. Zeven maal zeven dagen. En dan lees je ook dat die periode de periode van de omertelling heet. Elke dag moest geteld worden. De weken ook, de sabbatten moesten geteld worden. En dat betekent dus dat die periode tussen — ik noem het maar even zo — Pasen en Pinksteren geteld werd. Dag 1, dag 2. En op een gegeven ogenblik is de telling vol, want dan ben je gearriveerd bij de vijftigste dag.
Nou, die dag was nu begonnen en dat was ook weer een oogstfeest, niet van de gerstenoogst zoals bij Pasen, maar het feest van de tarweoogst. "Toen de dag van het Pinksteren helemaal vervuld was, waren zij allen tezamen op dezelfde plaats." Zij allen, dat waren al degenen, in ieder geval de discipelen, apostelen zo u wilt, die in Handelingen 1 ook beschreven waren. En dan lees je... juist waar zij zaten. Nou, u kent de rest van de geschiedenis, mag ik aannemen? Ik wijs er eventjes op dat dit toch een heel bijzonder fenomeen was. Het was door de Heer Jezus vlak voor Zijn heengaan naar de hemel — bedoel ik ook — voor hen... Hij zegt: "Blijf in Jeruzalem totdat de Geest zal komen die Ik ook beloofd heb." En dat was juist op deze dag. Deze vijftigste dag. En ja, dat was een geweldige gebeurtenis.
Dat lees je meteen al hier ook, die geweldige windvlaag zoals de MBG-vertaling dat dan noemt. En dan lees je ook dat daar dat talenwonder plaatsvond. En dat was allemaal een geweldig fenomeen natuurlijk. En ook een geweldige prediking die daaraan gekoppeld was, want dan lees je ook dat Petrus het woord neemt als hij moet gaan uitleggen wat daar aan de hand is. Want u moet zich voorstellen dat op die Pinksterdag, daar in Jeruzalem, er pelgrims uit heel de wereld kwamen om in Jeruzalem juist bij die gelegenheid aanwezig te zijn. Namelijk dat bewuste Pinksterfeest. En je leest ook inderdaad dat Joden uit alle... nou, er worden twaalf landen ook genoemd specifiek daar in Handelingen 2. Twaalf heeft alles te maken met Israël. Die twaalf landen worden daar genoemd en die waren daar vertegenwoordigd. En wat gebeurt er? Zij horen allemaal op een wonderlijke wijze van de grote daden van God spreken in hun eigen taal.
Nou, wat is hier aan de hand? En dan is het Petrus die daar een antwoord gaat geven, want sommigen spotten daar ook weer mee enzovoorts. Maar Petrus neemt dan het woord en dan zegt hij, na een hele toespraak gehouden te hebben — dat is de beroemde Pinkstertoespraak natuurlijk van Petrus — dan zegt hij als conclusie: "Laat het hele huis van Israël dan zeker weten dat God Hem" — en dan heeft hij het over de Heer Jezus Christus — "dat God Hem tot Heer en tot Christus maakte, deze Jezus die jullie kruisigden." U moet zich voorstellen, dat was nog maar zeven weken daarvoor dat dat had plaatsgevonden. En nu een heel nieuw perspectief wenkte. Want nu wordt er gezegd — dat zegt Petrus dan ook later: "Jullie hebben in onwetendheid gehandeld. Dit moest ook gebeuren. De profeten hebben dit ook voorzegd." En u komt dan tot geloven en bekering.
Maar weet, jullie moeten weten: het huis van Israël, dat hele Pinksteren, dat is heel sterk gericht op Israël. Waarom? Wel, dat als Israël nou tot erkenning kwam van haar Messias, wel, dan zou het vrederijk aanbreken. Dan zou ook het heil en de geweldige zegeningen die God te bieden heeft via Israël ook naar de volkerenwereld gaan. Dat was het hele perspectief. Dat was Pinksteren. Dat moet je heel goed voorstellen. En ik denk dat een heleboel mensen daar geen idee van hebben wat de verwachting toen op de Pinksterdag was. Het heeft alles te maken met Israël. En als je het trouwens even doorbladert in Handelingen 3, dat is dan even na Pinksteren, dan is Petrus die weer het woord neemt. Ook daar in en nabij het tempelplein — nee, op het tempelplein ook. En dan naar aanleiding van een man die vanaf zijn geboorte al verlamd was, maar die genezen was in de naam van de opgewekte Messias.
En dan trekt hij uiteindelijk de conclusie, en ik lees nou even voor in Handelingen 3, om u duidelijk te maken wat de verwachting was in die dagen. En wat ook gepredikt werd, waarop geappelleerd werd. "Bezin je dan," zegt hij dan tegen die mannen van Israël, "keer om, opdat jullie zonden uitgewist worden." Nou, wat hun zonden waren, dat was inmiddels wel duidelijk, want ze hadden, zoals gezegd, zojuist hun eigen Messias omgebracht aan het kruis. "Maar opdat jullie zonden uitgewist worden, zodat er perioden van verfrissing mogen komen van het aangezicht van de Heer en Hij, God, zou afvaardigen, weer zou zenden, de voor jullie bestemde Christus, namelijk Jezus. De voor jullie bestemde Messias." Dus zie je ook hier weer: voor wie is die Christus bestemd? Je kunt zeggen: de hele wereld. Ja, wacht even. Maar eerst Israël. En via Israël zou het naar de volkerenwereld gaan. Ik benadruk dat nog eventjes. Heel duidelijk om straks ook mijn punt te maken en uiteindelijk te komen waar ik wezen wil.
Zien jullie wat hier gezegd wordt? Dat als Israël zich zou bekeren, wel dan zou God afvaardigen, weer zenden, de voor hen bestemde Christus. Die namelijk de Heer Jezus de Christus, die de hemel moest ontvangen — want inmiddels was de Heer, was de Christus, was Jezus niet meer onder hen. Hij was aan het zicht onttrokken. Hij was in de hemel, de hemel moest Hem ontvangen en er staat bij: "tot op de tijden van herstel van alles waarvan God gesproken, waarvan God sprak bij monde van Zijn heilige profeten vanaf de aeon", dat wil zeggen: sinds mensheugenis, eventjes als ik het zo mag parafraseren. Dat wil zeggen: alles waar de profeten van gesproken hebben, dat geweldige koninkrijk dat wereldwijd zal aanbreken, dat begint op het moment dat jullie tot bekering komen. En dan zal ook degene die nu nog in de hemel is terugkeren, worden gezonden, worden afgevaardigd. En dan zullen die tijden van herstel en die periode van verfrissing gaan komen. Dat was de verwachting, dat was het perspectief, dat is wat wenkte.
Nou kun je je afvragen: wat is daar eigenlijk van terechtgekomen? En dat, laat ik het zo zeggen... Zo bekend als Handelingen 2 is, dat wat er toen gebeurde — ik bedoel, daar wordt allerwege aandacht aan gegeven. Maar de grote vraag die zich nu in 2018 toch zo langzamerhand wel aan je opdringt: Ja, maar wacht even. Wat is van dat perspectief eigenlijk geworden? Is dat... Want vlak voordat de Heer Jezus ten hemel vaart, dan lees je nog dat de discipelen bij Hem komen en zeggen van: "Heer, herstelt U in deze tijd het Koninkrijk voor Israël?" En de Heer geeft dan een ontwijkend antwoord. Hij zegt geen ja, hij zegt geen nee. Hij stuurt ze eigenlijk met een missie erop uit. Hij zegt: "Het is niet aan jullie gegeven die tijden en gelegenheden te weten. Jullie zullen Mijn getuigen zijn." Nou, dat is wat ze inderdaad ook hebben gedaan. Wat je leest, is dat het appèl gedaan wordt aan Israël, specifiek daar in Jeruzalem. Maar wat zich duidelijk aftekent: Jeruzalem herkent het niet.
De Naderende Ommekeer: Paulus' Vastberaden Reis Naar Jeruzalem ↑ hoofdstukken
En nu gaan we in de tijd ruim vijfentwintig jaar later; we zijn dan ongeveer in het jaar 57 van onze jaartelling. Zevenentwintig jaar later, als u het mij vraagt, maar het maakt me niet zoveel uit hoeveel dat precies is geweest. Als we het boek Handelingen doorbladeren, komen we daar uit. U moet zich realiseren dat het boek Handelingen historie is. Lukas heeft eerst het evangelie geschreven over alles in verband met het leven van de Heer Jezus: Zijn dood uiteindelijk, Zijn opstanding en ook Zijn hemelvaart nog. Het boek Handelingen is daar een vervolg op.
Dat begint dan in Handelingen 2 met dat geweldige wonder dat daar in Jeruzalem plaatsvond, waar we het zojuist over hadden. Maar het stagneert. Jeruzalem wijst de boodschap af en na de steniging van Stefanus lees je dat er een andere apostel geroepen wordt. Een dertiende apostel, die niet bij de twaalf hoorde. Hij had de Heer Jezus ook nooit hier op aarde gekend. Hij wordt geroepen en gaat uiteindelijk – ik vertel het nu even heel snel – naar de natiën toe, simpelweg omdat Israël de boodschap afwijst. Door hun val, zo verklaart Paulus dat in zijn brieven, gaat hij nu naar de natiën.
Nu gaan wij naar iets wat ik u graag nog wilde vertellen. We hadden het over het woord Pinksteren, dat twee keer voorkomt in het boek Handelingen. De eerste keer in Handelingen 2, maar het komt nog een keer voor: in Handelingen 20 vers 16. Om dit allemaal in goede orde te vertellen, moet ik ook wat context geven. Doe uw best om mij te volgen; ik denk dat dat wel moet lukken. Paulus had geweldig gearbeid in wat wij nu Turkije noemen. Je leest dan dat hij van plan is om naar Jeruzalem te gaan. Er staat dat Paulus had geoordeeld Efeze voorbij te varen, zodat hij geen tijd zou verliezen in Asia, de provincie Asia. Hij wilde de mensen in Efeze, waar hij drie jaar lang arbeid had verricht, nog graag ontmoeten, maar dat deed hij niet. Hij haastte zich om, voor zover mogelijk, de dag van het Pinksteren in Jeruzalem te zijn.
Hij wilde die bewuste vijftigste dag, het wekenfeest, in Jeruzalem meemaken, zoals zoveel Joden in het buitenland op dat moment naar Jeruzalem gingen. U begrijpt dat dit toen een aanzienlijk grotere onderneming was dan de tripjes die we vandaag de dag maken. Dit was ongeveer nog een week of zeven daarvoor, net in de tijd van Pesach, van Pasen. Hij deed zijn best om met Pinksteren in Jeruzalem te zijn, maar dat had nogal wat haken en ogen. Niet alleen om op dat tijdstip in Jeruzalem aan te komen, maar Paulus zag er ook als een berg tegenop.
Weet u waarom? Dat wil ik u laten zien. In Handelingen 20 lees je dat Paulus van stad tot stad verzekerd werd; de Geest verzekerde hem dat hem in Jeruzalem boeien en verdrukkingen te wachten stonden. Dat was hem niet één keer verteld, maar vele keren. Van stad tot stad werd hem iedere keer duidelijk gemaakt dat hem dit te wachten stond als hij naar Jeruzalem zou gaan. Hij had bovendien een grote collecte georganiseerd voor de armen daar, maar hij ging naar het hol van de leeuw. Dat is al heel veelzeggend. Jeruzalem is niet meer de stad uit Handelingen 2, waarbij het verleden als het ware weggedaan zou kunnen worden om met een schone lei te beginnen, zodat het Koninkrijk zou aanbreken. Inmiddels is allang duidelijk dat Jeruzalem de stad is die haar Messias afwijst. Paulus zag ertegenop om daar naartoe te gaan, omdat hem die boeien en verdrukkingen te wachten stonden.
Nu zou je kunnen zeggen: dan ga je toch niet? Ik wil u er eerst bij bepalen hoe vaak dat tegen hem gezegd is. Inderdaad werd hem dat van alle kanten geadviseerd. Terwijl hij richting Jeruzalem afreist, logeert hij een aantal dagen in Tyrus en ook daar wordt hij gewaarschuwd: 'Ga niet naar Jeruzalem, Paulus! Wees niet zo eigenwijs en luister gewoon eens naar de adviezen van andere mensen.' Later, als hij weer een paar dagen verder is, komt hij in Caecarea. Hij verblijft daar in het huis van Filippus met die vier dochters – weet u wel? Ik zeg 'weet u wel', maar niet alsof u die dames persoonlijk kent. Zij profeteerden echter ook, en wat zij profeteerden, was waarschijnlijk precies dit: dat hem in Jeruzalem onheil te wachten stond.
Terwijl hij bij Filippus in Caecarea verblijft, komt de profeet Agabus vanuit Judea. Stelt u zich voor: Paulus is aan de kust en daar komt een bekende profeet speciaal naar hem toe. Heel demonstratief, met een mantel en een gordel, maakt Agabus duidelijk en verzekert hij Paulus dat hij in Jeruzalem gebonden en overgeleverd zou worden. Zelfs een profeet maakte dat duidelijk, en toch gaat Paulus. Want, zo lees je in Handelingen 21 vers 13, toen antwoordde Paulus – terwijl ook de omstanders en Lukas, de schrijver die zichzelf erbij betrekt, zeiden dat hij het niet moest doen omdat het hem van alle kanten werd afgeraden – toen antwoordde hij: 'Wat doen jullie, dat jullie huilen en het hart van mij zenuwachtig maken?'
Het was emotioneel. Je moet er maar tegen opgewassen zijn, tegen al dat drama dat hem van alle mogelijke kanten voor ogen werd gesteld. Hij zei: 'Wat doen jullie dat jullie huilen en het hart van mij zenuwachtig maken? Want ik sta gereed, niet alleen om gebonden te worden, maar ook te sterven ten behoeve van de naam van de Heer Jezus.' En toen hij toch niet te overreden was – dat was inmiddels wel duidelijk – hielden de anderen zich rustig en zeiden: 'Laat de wil van de Heer geschieden.' Dat was heel wijs van hen.
Paulus was volstrekt vastberaden. Hij wist wat hem te wachten stond. Je zou kunnen zeggen dat het eigenwijsheid was dat hij toch ging, maar nee, hij móést in Jeruzalem zijn. Hij had hen namelijk wat te vertellen, en dat is die Pinkstertoespraak van Paulus in Jeruzalem. Daar zijn we nog niet, maar dit is de inleiding. Ik vertel dit omdat ik het grote contrast wil laten zien. In Handelingen 2 werd een nieuwe bladzijde omgeslagen. Het was blanco en een geweldig perspectief wenkte van het Koninkrijk dat op het punt van aanbreken stond voor Israël en daarmee voor de hele volkerenwereld. Alles waarvan de profeten gesproken hadden, lag binnen handbereik voor die generatie.
Inmiddels, in Handelingen 20 en 21, is dat helemaal niet meer op die manier aan de orde. Het is in ieder geval niet meer het wenkende perspectief; het is nu eigenlijk een waarschuwing. Het gaat heel anders worden. Tot Handelingen 28 staat de deur nog op een kier – hij staat wel open, maar het is niet meer zoals in het begin.
Aankomst in Jeruzalem: een Beladen Reputatie en Escalatie in de Tempel ↑ hoofdstukken
Paulus arriveert in Jeruzalem en ontmoet daar de broeders. Hij vertelt van het werk dat God doet onder de natiën. Je leest dan vooral over zijn ontmoeting met Jacobus, de broer van de Heer – een van de lijfelijke broers, of halfbroer zo u wilt. Paulus vertelt van het werk dat God doet onder de natiën, wat ook onmiskenbaar was. Dat hij een missie van Godswege had ontvangen, bleek wel uit de geweldige wondertekenen waarmee God zijn werk bekroonde en bevestigde. Zodat het voor Israël ook duidelijk was: ja, God heeft nu een beweging naar de natiën gemaakt en dit is inderdaad God die dit doet. Vandaar dat de bediening van Paulus ondersteund wordt door wondertekenen, eigenlijk vooral om dat aan Israël duidelijk te maken.
Maar Paulus voelde de bui natuurlijk al lang hangen. Het wordt hem dan ook verteld; hij krijgt te horen hoe beladen zijn reputatie is onder de tienduizenden gelovige Joden. Dat wil zeggen: Messiaanse Joden. Realiseert u zich hoe de situatie was? Er waren in die dagen in Jeruzalem, inmiddels pakweg vijfentwintig jaar na Pinksteren, tienduizenden gelovigen. In uw vertaling staat wellicht 'duizenden', als ik me niet vergis, maar er staat niet duizenden. Er staan tienduizenden, myriaden gelovigen. Dat zijn Messiaanse Joden, mensen die geloofden dat Jezus de Messias was. De officiële politieke en godsdienstige leiding moest er niets van hebben, maar die hele beweging van Messias-belijdende Joden, zoals wij ze vandaag zouden noemen, was gigantisch groot. En ze waren ook allemaal ijveraars voor de wet. Dat wil zeggen: de sabbat, het koosjer eten... trouwens, die heb je vandaag de dag ook onder de natiën, daar weten jullie hier alles van.
Waarom was de positie van Paulus nou zo lastig daar in Jeruzalem? Je zou dat eens uitgebreid moeten lezen; we doen dat nu niet, want dat voert te ver, maar het verhaal is eigenlijk heel eenvoudig. Paulus wordt verweten dat hij 'afval van Mozes' leerde onder de Joden in het buitenland. Dat wil zeggen dat de Joden hun kinderen niet zouden moeten besnijden, de sabbat niet zouden moeten houden en niet naar de gebruiken zouden moeten wandelen. U kunt het nalezen in Handelingen 21 vers 21, daar staat het letterlijk zo. Dat wordt hem ten laste gelegd.
Nu hij in Jeruzalem is, wordt hem een voorstel gedaan om het tegendeel te bewijzen. Om de aanklacht die tegen hem gericht was te ontsenuwen en te demonstreren dat het niet waar was waarvan ze hem beschuldigden, wordt hem geadviseerd zich te vervoegen bij vier mannen die een gelofte op zich hadden genomen. Dit was een Joods gebruik. Paulus zou dan de kosten op zich nemen van de beëindiging van die gelofte. Er moesten offerdieren worden betaald en het hele ritueel kostte geld; Paulus zou die rekening betalen. Daar zit overigens nog veel diepgang onder en er zit een wereld van gedachten achter wat Paulus hier eigenlijk doet. Maar hij stemt in met dit advies. Paulus leerde namelijk helemaal niet dat de Joden die dingen niet moesten doen; Paulus leerde vrijheid. Dat wel, maar juist dat was een doorn in hun oog.
Vervolgens komt Paulus in de tempel in Jeruzalem om al die rituelen te volbrengen. Hij zou daar gaan bewijzen dat hij echt een wetsgetrouwe Jood is. Maar terwijl hij daar is, wordt hij opgemerkt. U moet zich voorstellen: het was inmiddels Pinksterfeest, dus er waren vele Joden uit het buitenland in de tempel. Ik lees u voor uit Handelingen 21: "Toen echter de zeven dagen op het punt stonden voltooid te worden" – dat is de tijd van het ritueel dat Paulus bekostigde – "sloegen de Joden die van Asia waren" – pelgrims die Paulus kende – "hem gade in de tempel. Zij brachten heel de schare in verwarring en sloegen de handen aan hem." Daarmee wordt meteen duidelijk hoe enorm gevoelig zijn aanwezigheid was. Ze zien Paulus en ze slaan meteen 'op tilt'.
Terwijl ze schreeuwden: "Mannen, Israëlieten, helpt! Dit is de mens die tegen het volk en de wet en deze plaats allen overal onderwijst. En nu heeft hij bovendien ook Grieken in de tempel naar binnen geleid en deze heilige plaats ontwijd." Dat laatste was overigens niet waar, dat was een vergissing, maar de rel was begonnen. Er wordt gezegd: "Dit is de mens", waarmee duidelijk wordt dat áls er iemand omstreden was, het juist Paulus was. De hele stad raakte in beweging; de roep die daaruit uitging, vond meteen weerklank. Juist omdat Paulus in heel Jeruzalem, ook onder die tienduizenden gelovige Joden, zo bijzonder gevoelig lag. Er ontstond een samenloop van volk.
Terwijl ze Paulus vastpakten, trokken ze hem buiten de tempel en onmiddellijk werden de deuren gesloten. En terwijl ze hem bovendien zochten te doden – want dat was wat er nu zou gebeuren – kwam de melding boven bij de hoofdman over duizend van de legerafdeling. Dit was in de burcht Antonia, die boven de tempel was gelokaliseerd. Zij hadden meteen in de gaten dat er een enorme rel was onder de Joden en dat heel Jeruzalem in verwarring werd gebracht. Dat konden de Romeinen natuurlijk niet over hun kant laten gaan. Paulus wordt gevangen genomen en buiten het bereik van de woedende menigte gebracht. De Jood Paulus wordt hier feitelijk in bescherming genomen door de Romeinen tegen zijn eigen volksgenoten. Hij wordt beschermd tegen de menigte en staat vervolgens de Romeinse hoofdman te woord.
Paulus zegt – u ziet de versverwijzingen in de dia's, dus u kunt het in uw eigen Bijbel nalezen: "Inderdaad, ik ben een mens, Joods, een inwoner van Tarsus van Cilicië, burger van een niet onbetekenende stad. Maar ik smeek u, sta mij toe om tot het volk te spreken." Paulus is inmiddels in veiligheid gebracht en staat bovenaan de trappen. Hij heeft zijn Romeinse burgerrecht aangevoerd en vraagt de hoofdman of hij het volk mag toespreken, hier in Jeruzalem met Pinksteren. De hoofdman staat dit toe en Paulus staat daar, gebarend met zijn hand naar het volk. Wanneer er een diepe stilte ontstaat, roept hij hen toe in de Hebreeuwse omgangstaal.
Je zou je dit even visueel moeten maken. Hij staat daar bovenaan de trappen, onbereikbaar voor de menigte die hem wilde vermoorden. Hij gebaart om stilte, want er was een gigantische herrie en een enorm lawaai. Hij kon aanvankelijk geen woord uitbrengen, maar hij gebaart en het wordt stil. Het wordt zelfs nog stiller wanneer hij hen in de Hebreeuwse omgangstaal aanspreekt. "Mannen," zegt hij. En dan begint zijn toespraak.
Paulus' Verdediging en de Goddelijke Missie: "kom Snel uit Jeruzalem" ↑ hoofdstukken
"Mannen, broeders en vaders, hoort mijn verdediging naar jullie toe." Paulus moest zich nu echt gaan verdedigen, want hij werd aangevallen. Maar toen de omstanders hoorden dat hij hen in de Hebreeuwse omgangstaal — het Hebreeuwse dialect staat er eigenlijk — toeriep, hielden ze zich des te meer rustig. Hij sprak met nadruk. Deze man, die onder de natiën werkzaam was, blijkt dan toch een Hebraïer te zijn. Dat wekte in eerste instantie vertrouwen en dus houden ze zich rustig.
Wat heeft hij nu ter verdediging te vertellen? Hij zegt: "Ik ben een Joods man, geboren in Tarsus van Cilicië, maar grootgebracht in deze stad aan de voeten van Gamaliël." Dat was dé rabbijn in die dagen, een gezaghebbend man. Hieruit blijkt trouwens ook hoezeer Paulus gevorderd was in het jodendom; hij was een 'rising star', hij zou het gaan maken. Hij zegt: "Ik ben grootgebracht in deze stad aan de voeten van Gamaliël, opgeleid naar stiptheid van de vaderen geërfde wet, een ijveraar zijnde van God, zoals jullie vandaag zijn." Hij zegt: "Zo ijverig als jullie zijn voor het jodendom en voor de joodse praktijk, zo was ik ook, net als jullie."
Dan vertelt Paulus hoe hij ooit de gemeente Gods heeft vervolgd. Hij was dé vervolger van de ekklesia. Wanneer hij zijn vervolgingswerkzaamheden in het buitenland wil voortzetten, komt hij daar bij Damascus en dan wordt hij geroepen. In zijn nekvel gegrepen, want daar komt het echt op neer; Paulus heeft dat niet gezocht. Integendeel, hij was een hartstochtelijk tegenstander, de vijand bij uitstek, dé vervolger van de ekklesia. Er was niemand Joodser of Hebreeuwser dan hij. Juist zo'n tegenstander werd geroepen en het werd hem duidelijk: hij werd geroepen door de Messias zelf. "Als laatste," zegt hij later in zijn brieven, "is Hij ook aan mij verschenen als aan een ontijdig geborene." Zo werd hij een apostel: geroepen en gezonden.
In Handelingen 22 vind je die hele toespraak van Paulus, maar ik sla delen over om uiteindelijk bij het slot te komen. Eigenlijk is dit allemaal nog inleiding voor Paulus, terwijl hij zijn verhaal doet en vertelt wie hij was en wat er met hem gebeurd is. Ik pak de draad op in vers 17. Paulus had zojuist verteld hoe hij geroepen was en dat hij op een gegeven ogenblik weer in Jeruzalem was aangekomen. Er staat: "Het gebeurde echter, terugkerende tot in Jeruzalem, dat ik bad in de tempel en in geestvervoering" — letterlijk staat er: in extase — "geraakte." Hij waarnam Hem die tot hem zei: "Haast je en kom snel uit Jeruzalem, omdat zij namelijk van jou geen getuigenverklaring omtrent Mij zullen aannemen."
Paulus was dus in de tempel. Dit was al jaren geleden, hoor. Hij was in de tempel, geraakte in extase en werd toegesproken door de Heer zelf. Wat er tegen hem gezegd werd, was: wegwezen uit Jeruzalem, want van jou zullen ze niets aannemen aangaande Mij. Geen getuigenverklaring; de opdracht was duidelijk: "Snel uit Jeruzalem!" Ziet u hoe het plaatje hier heel anders is dan het Pinksteren in Handelingen 2? Hier is het niet meer: "Jeruzalem moet het eerst weten en dan komt het Koninkrijk." Nee: "Wegwezen uit Jeruzalem, want ze nemen het niet aan." Vandaar ook dat Paulus er iedere keer tegenop zag — dat lees je ook in zijn brieven — om naar Jeruzalem te gaan. Daar lag zijn naam zo gevoelig vanwege zijn bijzondere missie.
Ik wil hiermee eigenlijk ook zeggen dat een heleboel mensen het altijd maar hebben over het Pinksteren van Handelingen 2 en de toespraak die Petrus daar hield. Maar als je Pinksteren echt wilt begrijpen, en als je wilt begrijpen waarom er niets gebeurd is en wat er overgebleven is, dan moet je bij Paulus wezen. Dan moet je naar Paulus' Pinkstertoespraak luisteren. Dat doen we morgen dan ook, want dan ga je begrijpen waarom het de afgelopen tweeduizend jaar is gegaan zoals het is gegaan.
Dit werd hem dus verzekerd: wegwezen uit Jeruzalem, ze nemen het getuigenis van jou aangaande Mij niet aan. Paulus is eigenlijk zelf verbouwereerd en hij zegt: "Heer, zij zijn zelf op de hoogte dat ik het was die degenen die op U vertrouwden in de cel zette en per synagoge afranselde." Hij ging gewoon de synagogen langs en hij deed ze niet alleen gevangenzitten; hij nam het initiatief en ranselde ze af. Hij deed dat met gezag, met papieren van de hogepriesters. Zo eentje was Paulus dus. Hij zegt: "Heer, zij weten dat toch allemaal? Ik was dé man bij uitstek."
En dan vervolgt hij: "En toen het bloed werd vergoten van Stefanus" — dat betekent trouwens letterlijk 'de kroon', de kroongetuige eigenlijk — "de getuige van U, stond ik er zelf ook goedkeurend bij en bewaakte de bovenkleding van degenen die hem uit de weg ruimden." Dat is de eerste keer dat de naam van Paulus, of Saulus, ter sprake komt: juist bij de gelegenheid dat Stefanus gestenigd wordt, officieel zelfs door het Sanhedrin, de Joodse Raad. Paulus zegt dus: "Hoezo willen ze van mij niets aannemen? Als er één is van wie ze het wel zouden moeten aannemen, ben ik het." Maar de Heer zei tot hem: "Ga, want Ik stuur je naar de natiën ver weg!" En dit was Paulus' Pinkstertoespraak aan Jeruzalem.
De Climax en Conclusie: het Heil Gaat Buiten Israël Om Naar de Natiën ↑ hoofdstukken
Want nu wil je weten: hoe gaat het dan verder? Nou, het gaat niet verder, maar Paulus heeft zijn punt gemaakt. Dit zijn zijn laatste woorden die hij in Jeruzalem in het openbaar tot het publiek heeft gesproken. Het is een heel andere situatie, een heel andere sfeer en een heel andere setting dan vijfentwintig jaar eerder in Jeruzalem, toen Petrus sprak. Een heel andere situatie. Nu is de situatie: Jeruzalem zal het niet aannemen. En nu, op grond daarvan, ga jij naar de natiën. Niet meer zoals in Handelingen 2 de gedachte was van: als Jeruzalem het aanneemt, dan komt de Heer terug en dan gaat het heil via Israël naar de volkeren, zodat het Koninkrijk aanbreekt. Nee, het verhaal is precies andersom. Jeruzalem neemt het nu niet aan en nu moet je dus naar de natiën toe gaan. Dus niet vanwege Israëls geloof gaat het vervolgens via Israël naar de natiën; het is juist door hun ongeloof dat het naar de natiën gaat. Dat is wat Paulus in zijn brieven ook iedere keer weer benadrukt: "Ga, Ik stuur je naar de natiën, ver weg."
En dan lees je dit: "En zij hoorden hem aan tot op dit woord." Die hele woedende menigte, die zich tot dusver stil had gehouden en hem had aangehoord, barst los bij deze laatste zin: "Ga, want Ik stuur je naar de natiën ver weg." Weet u waarom ze zo woedend waren? Het antwoord is heel eenvoudig. Door deze verklaring, door dit woord, zegt Paulus feitelijk: "Israël, dat verhaal is over, het gaat naar de natiën." Daarmee wordt de wissel omgezet. De bijzondere positie van Israël wikkelt zich nog af tot Handelingen 28, maar hier wordt feitelijk al de wissel omgezet. Hier begint Paulus’ gevangenschap eigenlijk ook. We hebben de neiging om te denken dat die in Rome begon, maar nee, die begon hier in Jeruzalem. Hier wordt hij gevangengenomen en hij is niet meer vrijgekomen. Eerst heeft hij nog twee jaar in Caesarea gezeten en vanuit Caesarea is hij naar Rome gegaan. Hier begint Paulus’ gevangenschap. Hij is een gevangene – ja, waarom? Hij zegt het later ook in de Efezebrief: "voor u, natiën."
Het pijnlijke van het woord is dat Israël hiermee feitelijk is uitgerangeerd. Op een tijdelijk niveau hè, want we weten allemaal dat God nog een geweldige toekomst heeft voor Israël. Maar nu, in eerste instantie, is dit het verhaal: Israël accepteert het niet. Jeruzalem wijst haar Messias alsnog af – de opgewekte Messias. Nu gaat het naar de natiën, buiten Israël om. Maar dat was pijnlijk, want daarmee was de hele positie van Israël als degene die in de eerste plaats stond, verdwenen. Het was eigenlijk nog sterker: nu ging het naar de natiën. Dus als Israël het alsnog wilde vernemen, dan moesten ze zich onder de natiën bevinden en zijn als de natiën. Daar zit heel wat aan vast, maar ik wil dit vooral zeggen om aan te geven hoe enorm pijnlijk dit voor dat orthodox-Joodse volk moet zijn geweest dat daar met Pinksteren verzameld is.
Ziet u het enorme contrast? De boodschap van de opgewekte Heer is gegaan naar de natiën, maar het gaat buiten Israël om. Dat is ook geen kwestie van zien meer, maar van horen. We hebben te doen met Zijn woord. Wat we eigenlijk op een dag als deze doen, is dat we het Woord openslaan. Wanneer we kennisnemen van de woorden, van het kanaal dat God heeft gegeven om Zich tot de natiën te richten, en als we luisteren naar wat Paulus te melden heeft van Gods wegen, dan luisteren we naar levende woorden. Die woorden zijn geest en leven. Geest is heel concreet: dat is namelijk wat hier geschreven staat. Dit is het 'God-geademde' woord, zoals Paulus dat zelf ook zegt. Geïnspireerd – daar zit het woordje 'spirit' in: geest, adem. Dit is geïnspireerd, dit is geest. Dat woord woont al in ons en dat is geest en daarmee ook leven. Want als je de geest krijgt, dan leef je toch?
Dit is Paulus’ Pinkstertoespraak, heel kort samengevat. En zo eindigde dat. De boodschap van Paulus daar met Pinksteren in Jeruzalem was: "De Heer heeft mij verteld..." In feite was dat dus een heel slecht bericht, een slechte melding aan Jeruzalem, in de zin van: "Jullie nemen het niet aan." Maar het goede bericht is: "Het gaat naar de natiën en daar mag ik de rijkdom – een overvloeiende rijkdom – gaan neerleggen." Wat een na-ijver en jaloezie komt er dan van Israël vrij! Want nu werden zij gepasseerd en nu ging er een veel grotere, rijkere boodschap naar de natiën toe. Dat was niet te verteren voor hen. Dat was Paulus’ toespraak daar in Jeruzalem.
Ik realiseer me dat ik een heel verhaal vertel, dus laat ik het even samenvatten als een vergelijking van wat er in Handelingen passeerde. Je hebt Handelingen 2 en Handelingen 22: het eerste Pinksteren, om zo te zeggen als we ons beperken tot de telling in het boek Handelingen, en het laatste Pinksteren. In Handelingen 2 beginnen de twaalf hun prediking. Hier in Handelingen 22, vijfentwintig jaar later, wordt de dertiende apostel verworpen. In Handelingen 2 wenkt er in Jeruzalem een nieuw perspectief; hier in Handelingen 22 pakken de donkere wolken zich samen. In Handelingen 2 was nog de gedachte, de verwachting en de boodschap dat het heil naar de natiën zou gaan via Israël. Nu zegt Paulus: "Het heil gaat naar de natiën, maar los van jullie en buiten jullie om."
Kijk, en als we vandaag Pinksteren vieren en bepaald worden bij het feit dat God Zijn geest geeft en dat het heil naar de natiën is gegaan – want daar wordt meestal nog wel aan gedacht: dat God ook naar de volkeren omziet en niet meer alleen naar Israël – bedenk dan dit: in Handelingen 2 was het nog echt via Israël. Sinds Handelingen 22 is het niet meer via Israël, maar buiten Israël om. Met andere woorden: je moet niet zozeer bij de twaalf wezen, maar je moet bij Paulus wezen als je wilt weten wat deze tijd is, wat God vandaag doet en hoe Hij opereert en werkzaam is. En hoe zit het dan met al Gods beloften voor Israël? Dat komt op zijn tijd. Als de termijn vervuld is – en de Pinksterdag was vervuld – maar ook de tijd dat God naar de natiën is gegaan bijna vervuld is, dan pakt Hij de draad met Israël weer op. Want zoals Petrus zei – en daar eindig ik mee –: God laat niet varen de werken van Zijn handen.
UltimateGoodNews