de zeventig weken van Daniel – vers 25
26-09-2026 - Geplaatst door Andre PietMaarn
De termijn van de zeventig weken heeft een uitdrukkelijk einde, maar ook een wel gedefinieerd begin: het woord dat uitging om Jeruzalem te herstellen. Vervolgens wordt de termijn onderverdeeld in respectievelijk zeven en tweeënzestig weken. De eerste fase eindigt in de voltooiing van de herbouw van de stad en tweede fase brengt ons bij de Messias, vorst die zich aandient.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
Inleiding en Context van Daniël 9 Vers 25 ↑ hoofdstukken
Als iedereen zit, dan kunnen we verdergaan. We hebben immers een strak schema en qua verzen hebben we nog maar een kwart gehad. We hebben dus nog wat verzen te gaan uit de profetie van de zeventig weken. In deze studie mag ik het gaan hebben over vers 25. André heeft voor de pauze vers 24 besproken; ik ga vers 25 bespreken en ik doe het heel eenvoudig. Ik lees eerst het vers dat ik ga behandelen.
In Daniël 9 vers 25 staat geschreven: "En jij zult weten en inzicht hebben: vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen, tot Messias, Vorst, zijn zeven weken en tweeënzestig weken. Zij zal terugkeren en gebouwd worden, plein en uitspringende hoek, en in benauwdheid van de tijden."
André besprak voor de pauze vers 24, dat het doel of de doelen van de zeventig weken aangeeft. Wat nu vervolgens gezegd wordt, is de start van die periode: "Vanaf het uitgaan van het woord". Dat is dus het startpunt; daar gaan de zeventig weken van start en gaat de telling lopen, hoe je het ook wilt formuleren. Maar wat in dit vers eveneens gezegd wordt, is iets over de verdeling. Het zijn zeven en tweeënzestig weken. Die heb ik hier vetgedrukt: zeven en tweeënzestig. Die ene week komt er ook nog bij, want anders zijn de zeventig niet vol. Maar die vinden we pas in vers 27; daar gaan we het pas hebben over de zeventigste week. Dit vers, vers 25, ga ik nu dus bespreken.
Ik ga nog even terug naar het voorafgaande. In de inleidende studie heb ik met jullie besproken wat de aanleiding is voor die zeventig weken, namelijk de komst van Gabriël. Daar haak ik voor het verband nog even op aan. Er staat geschreven dat, terwijl Daniël nog sprak in het gebed, de man Gabriël kwam: "En hij deed mij begrijpen en sprak met mij en zei: Daniël, nu ben ik uitgegaan om jou inzicht en begrip te geven." Ik kom er straks op terug waarom ik die woorden onderstreept heb. "Bij het begin van jouw smeekbeden ging een woord uit, en ik ben gekomen om het bekend te maken, want jij bent zeer geliefd. Begrijp het woord en begrijp het gezicht. Zeventig weken wordt afgescheiden over jouw volk en over jouw heilige stad... En jij zult weten en inzicht hebben..."
Ik wilde even benadrukken — vandaar die onderstreepte woorden — hoe sterk de nadruk wordt gelegd op het krijgen van inzicht in de dingen, op het begrijpen ervan. Het is uiteraard een Nederlandse vertaling van de Hebreeuwse grondtekst, maar ik heb in het Nederlands de woorden die in de grondtekst hetzelfde zijn, ook in het Nederlands identiek weergegeven. We zien hier dus drie keer: "begrijpen", "begrijp", "begrijp". Ook de uitdrukking "inzicht geven", "hebben" of "krijgen" vinden we tweemaal; dat is in de grondtekst telkens hetzelfde woord. Daarnaast hebben we het woord "begrip", dat in het Nederlands maar één letter verschilt van "begrijp", en in het Hebreeuws hangen die woorden eveneens nauw samen; ze horen bij elkaar. En dan nog "bekendmaken" en "weten" — allemaal woorden die op het scherm te zien zijn en die ik niet allemaal hoef te herhalen. Daniël ontvangt dus een profetie, een voorzegging, en hij hoeft absoluut niet te gissen naar de betekenis ervan. Gabriël komt het hem bekendmaken en het wordt hem gegeven om het te weten en te begrijpen. De woordkeuze laat daarin niets aan duidelijkheid te wensen over.
Dan wil ik nog iets laten zien als we iets verder inzoomen op de verzen. Vers 22: "...nu ben ik uitgegaan om jou inzicht en begrip te geven." Vers 23: "...begrijp het woord en begrijp het gezicht." Vers 24: "Zeventig weken wordt afgescheiden...", wat André voor de pauze behandeld heeft. En vers 25: "En jij zult weten en inzicht hebben..." Die zinsnede: "begrijp het woord en begrijp het gezicht" — waar slaat dat precies op? Daniël ontvangt natuurlijk een flink aantal woorden, een uitgesproken profetie, en men zou kunnen denken dat "het woord" slaat op de gehele profetie van de zeventig weken. Ik denk echter dat het nog nauwkeuriger kan, wat ik straks zal laten zien.
Daarnaast wil ik stilstaan bij die uitdrukking: "begrijp het gezicht". Er zijn immers uitleggers die beweren dat Daniël in Daniël 9 helemaal geen gezicht of visioen ontvangt, en dat wat hier gezegd wordt dus helemaal niet over die zeventig weken zou gaan. Zij voeren dit terug naar hoofdstuk 8. Daar ontving Daniël namelijk een gezicht over een ram en een geitenbok; die geitenbok stoot tegen de ram en verslaat hem. Dat is vanzelfsprekend een beeld, en er wordt bij uitgelegd wat dat beeld voorstelt: twee verschillende koninkrijken waarbij het ene het andere overwint, namelijk het Medo-Perzische Rijk en het Griekse Rijk dat daarna zou komen. Sommigen beweren dat "het gezicht" hier terugslaat op Daniël 8, en dat Daniël hier pas uitleg zou krijgen over dat eerdere gezicht.
Dat geloof ik niet, en wel om de manier waarop het hier staat geschreven. Daniël zou inzicht en begrip ontvangen, en daartussen staat: "begrijp het woord en begrijp het gezicht. Zeventig weken wordt afgescheiden... En jij zult weten en inzicht hebben." Men werpt tegen dat Daniël hier in hoofdstuk 9 niets gezien heeft, terwijl een gezicht impliceert dat je iets ziet — wat het woord in de grondtekst inderdaad betekent, want dat heeft wezenlijk met zien te maken. Maar ik draai het om: er staat dat hij een gezicht moet begrijpen, dus blijkbaar heeft hij wel degelijk iets gezien. Waarom het er niet expliciet bij vermeld staat wat hij zag, weet ik niet, maar ik geloof dat hij wel degelijk een visioen had. De profetie gaat immers over de herbouw van Jeruzalem en de tempel, waar een vastgestelde periode overheen zou gaan. Waarom zou Gabriël — of God via Zijn boodschapper Gabriël — hem dat niet hebben laten zien?
Daar komt nog iets wezenlijks bij. Als wij onze Bijbel openslaan, lezen we Daniël 8 en vervolgens in één adem door Daniël 9. Maar historisch gezien zit daar zo'n twaalf tot dertien jaar tussen. Als Gabriël nu pas zou komen met de mededeling: "Daniël, ik kom je dat gezicht uit Daniël 8 nog even uitleggen", dan had Daniël terecht kunnen opmerken dat dat wel rijkelijk laat is. Ik zeg niet dat het pertinent onmogelijk is, maar ik acht het hoogst onwaarschijnlijk. Ik geloof dan ook — hoewel sommigen er een vraagteken bij zetten omdat het niet met zoveel woorden beschreven staat — dat "het gezicht" gewoon betrekking heeft op de openbaring en profetie van de zeventig weken. Dat wilde ik toch even naar voren brengen.
Dan gaan we naar dat woord, want Daniël moest het woord begrijpen. Welk woord is dat dan? In de beknopte context van deze paar verzen komen we tot driemaal toe het Hebreeuwse woord dabar tegen, het woord voor "woord". Er staat dat bij het begin van zijn smeekbeden een woord uitging. Gabriël zegt dit tegen Daniël terwijl hij nog aan het bidden was over de zeventig jaren van verwoesting die vervuld waren. Gabriël zegt: "Bij het begin van jouw smeekbeden ging een woord uit, en ik ben gekomen om het bekend te maken, want jij bent zeer geliefd." Er ging dus een woord uit. En vervolgens staat er: "Begrijp daarom het woord en begrijp het gezicht." Dan slaat "het woord" in de eerste plaats vanzelfsprekend op wat Gabriël zojuist zei: bij het begin van jouw smeekbede ging een woord uit. Vervolgens worden de zeventig weken afgescheiden en bepaald over zijn volk en de heilige stad, en dan volgt in vers 25: "En jij zult weten en inzicht hebben: vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen..." Dit vers ga ik nu bespreken, en daarin wordt opnieuw "het woord" genoemd. Drie keer in zo'n kort bestek vinden we het woord dabar, en naar mijn overtuiging gaat het dan ook drie keer over datzelfde woord.
Het Uitgaan van het Woord en Koning Kores ↑ hoofdstukken
Welk woord er uitging, heb ik nu eigenlijk al beantwoord, maar van wie? Wie deed dat woord uitgaan? Wie gaf de opdracht om Jeruzalem te herbouwen? Dat gaan we nu zien. Ik zeg op voorhand: dat is koning Kores, die ik al genoemd heb. En met die Kores is iets heel bijzonders aan de hand. Hij wordt namelijk al genoemd door de profeet Jesaja. Ik lees eerst het vers en dan geef ik er wat toelichting op. Daar zegt God bij monde van de profeet Jesaja – Die tot Kores zegt, en Die is God –: "Mijn herder!" God noemt Kores, de Perzische koning en een heiden, dus "Mijn herder". Want hoezo zei God dan: hij is Mijn herder? "Want hij zal al Mijn verlangen uitvoeren, en tot Jeruzalem zeggend: Zij zal gebouwd worden, en de tempel: Zij zal gefundeerd worden."
Nu denkt u misschien: ja oké, maar deze Jesaja leefde dus... Kijk, Kores doet dat bevel uitgaan, dat zullen we straks zien, maar Jesaja leefde ongeveer tweehonderd jaar daarvóór! Dus tweehonderd jaar voordat Kores werkelijk het woord uit deed gaan om Jeruzalem te herbouwen, heeft God dat bij monde van Jesaja voorzegd. Jeruzalem was toen nog niet eens verwoest! Dus op het moment dat Jeruzalem nog niet eens verwoest was, zei God: "Hij zal al Mijn verlangen uitvoeren, en hij zal tot Jeruzalem zeggen dat zij gebouwd zal worden, en tot de tempel: zij zal gefundeerd worden." Dit is Jesaja 44.
Als je doorleest in Jesaja 45, wordt Kores weer genoemd. Het is ook maar een hoofdstukindeling natuurlijk, het gaat gewoon verder. In Jesaja 45 vers 1 staat: "Zo zegt JAHWEH tot Zijn gezalfde, tot Kores..." Eerst dus "Mijn herder" en daarna "Mijn gezalfde". Kores was dus de gezalfde; God had hem ergens voor aangesteld, hij zou iets gaan doen: "Ik heb hem opgewekt in rechtvaardigheid, en al zijn wegen zal Ik rechtmaken. Hij zal Mijn stad bouwen en Mijn ballingen zal hij vrijlaten, niet voor een prijs en niet voor een geschenk, zegt JAHWEH van de legermachten." Dus ook hier: voordat die Kores... nou ja, hij was nog niet eens geboren, ver daarvoor en ver voordat Jeruzalem verwoest was en herbouwd zou worden, is al voorzegd dat het ene Kores is van wie God heeft gezegd dat hij Zijn stad en Zijn tempel zal herbouwen. God bepaalt dus niet alleen de tijden, Hij voorzegt ook de dingen.
En dan lezen we later ook – daar ga ik zo naartoe – dat in het eerste jaar van Kores, van zijn regering, een einde komt aan de zeventig jaar van de verwoesting van Jeruzalem. En dan begint ook het herstel van de stad Jeruzalem en de tempel. Dat lezen we dus weer op een andere plek. Dit is Jesaja, maar we lezen op een andere plek dat Kores zijn woord uit doet gaan. Ik ga naar het boek Ezra. We waren net trouwens in 2 Kronieken 36, het laatste hoofdstuk van Kronieken. Daar staat dat Nebukadnezar, de koning der Chaldeeën, Jeruzalem innam, verwoestte, platbrandde en het volk meenam in ballingschap. Dat heb ik in mijn eerste studie, het eerste spreekuur, in de inleiding ook gelezen.
En ik ga nu naar Ezra 1 vers 1. Maar als je een Bijbel hebt en je slaat hem open, dan zie je dat de laatste woorden van 2 Kronieken 36 aansluiten op Ezra 1. Bij mij staat het ook echt hier onderaan op de rechterbladzijde: de laatste woorden van 2 Kronieken 36. En dan op de volgende bladzijde, linkerkolom bovenaan, begint Ezra 1 vers 1. En dat zijn dan dezelfde woorden als de slotwoorden van 2 Kronieken 36. Zo sluiten die boeken naadloos op elkaar aan.
En in Ezra 1 – en dat staat dus ook aan het einde van 2 Kronieken 36 – lees je: "En in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, om het woord van JAHWEH uit de mond van Jeremia te voltooien..." Zie je, daar heb je hem weer: Jeremia, het einde van de zeventig jaar verwoesting. "...wekte JAHWEH de geest van Kores, koning van Perzië, op, en hij liet een stem doorgaan door heel zijn koninkrijk, en ook in geschrift, zeggend..." Hier houd ik even halt. Nogmaals: God had via de profeet Jeremia een periode van zeventig jaar bepaald voor de verwoesting van Jeruzalem, als vergoeding van die sabbatsjaren. Weet u nog? Het land zou alsnog rusten. Die periode komt hier tot een einde.
En ook Daniël had dat gezien; hij had gebeden en schuldbelijdenis gedaan voor zijn volk. Vervolgens zegt Gabriël tegen Daniël: ja, tijdens jouw smeekbeden is er een woord uitgegaan. Hier lezen we dat het woord uitgaat, namelijk het woord van Kores. "Mijn herder", "Mijn gezalfde" noemt God hem. Hij zal Mijn stad herbouwen, hij zal de tempel herbouwen en hij zal de ballingen vrijlaten; ook dat lazen we. Daar komt dus een einde aan die zeventig jaar ballingschap en het volk mag terugkeren om stad en tempel te herbouwen. In het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, gaat dat woord uit.
En daarop staat nu dus ook, zeggend: "Wie onder jullie is van heel Zijn volk? Zijn God zij met hem, en laat hij opgaan naar Jeruzalem, dat in Juda is, en het huis van JAHWEH, de God van Israël, bouwen. Hij is de God Die in Jeruzalem is." Ik zeg dit erbij, wellicht ten overvloede want ik heb het al laten zien: hier wordt alleen de tempel genoemd, maar op andere plaatsen wordt gesteld dat Kores ook aangesteld was om niet alleen de tempel, maar ook de stad te herbouwen.
Dus als we nu teruggaan naar de profetie van de zeventig weken: hier gaat dus het woord uit van Kores, de Perzische koning, dat het volk terug mocht keren om stad en tempel te herbouwen. Dan ga ik terug naar Daniël 9 vers 25, het vers dat ik bespreek in deze studie. Daar stond dus: "En jij zult weten en inzicht hebben: vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen, tot Messias, Vorst..." En dan gaat de tekst verder, maar ik nu nog even niet. We hebben gezien in de studie van André dat vers 24 het doel of de doelen van de zeventig weken geeft, en dit vers geeft het startpunt: het is vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te herbouwen. Er gaat dus een woord uit met betrekking tot het herstel van Jeruzalem, en bij Kores eindigt dus ook de zeventigjarige verwoesting en begint het herstel van Jeruzalem.
Nu heb ik heel veel woorden gebruikt om iets duidelijk te maken wat ik ook heel kort kan zeggen: het einde van de zeventig jaar verwoesting is het begin van de zeventig weken. De verwoesting komt aan een einde. Daniël heeft dat gezien in de Schriften; hij belijdt de zonden van zijn volk en Gabriël komt. Hij zegt: joh, jij was nog aan het bidden en het woord ging al uit. Welk woord ging uit? Het woord van Kores, de Pers: jullie mogen terugkeren, wie er ook van Zijn volk is, keer terug en jullie hebben toestemming om stad en tempel te herbouwen.
Dus vanaf... Ja, dan lees ik even verder in vers 25. Hier worden twee dingen gezegd: "Vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen, tot Messias, Vorst, zijn zeven weken en tweeënzestig weken." Dat staat er heel kort, maar – ik heb het zo weergegeven – dit is de volgorde van de grondtekst. We krijgen hier twee perioden. We hebben er al meerdere keren op gewezen dat de periode van de zeventig weken weliswaar een aaneengesloten periode is, maar onderverdeeld in 7, 62 en 1. En hier wordt een verdeling gegeven in zeven weken en tweeënzestig weken. Maar zoals het hier in de grondtekst staat, is het: vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren – zeven weken, dat is de eerste periode die genoemd wordt. Tot Messias, Vorst – dat is het tweede wat genoemd wordt, en dat is de tweede periode.
Dus ik geloof ook, en daarom heb ik er nummertjes achter gezet, dat dat niet voor niets is. Vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen: voor het bouwen van Jeruzalem is een periode gesteld van zeven weken. En daarna zouden nog tweeënzestig weken verstrijken tot Messias, Vorst — Messias de Vorst, als u een lidwoord nodig hebt.
Dus de herbouw van Jeruzalem nam een periode in beslag van zeven jaarweken. En als jullie mijn inleiding een beetje hebben kunnen volgen — en ik heb gehoord dat sommigen dat inderdaad konden, gelukkig maar — dan weet je dat het een periode is van vijftig jaar. Zeven keer zeven jaren, zeven weken, zeven jaarweken, maar plus één jubeljaar.
En vervolgens verlopen er dan weer tweeënzestig zevens, tweeënzestig weken tot Messias, Vorst. En vers 26, het volgende vers wat André straks gaat bespreken, dat gaat dus verder met wat er na die tweeënzestig weken gebeurt. Dus we hebben nu een periode van zeven plus tweeënzestig, dat is negenenzestig weken. En na die negenenzestig weken, nou, dan gebeuren er ook weer dingen. Die worden ook voorzegd; daar gaat André het straks over hebben.
Maar hier wordt gesteld: vanaf het uitgaan van dat woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen. Jeruzalem wordt herbouwd: zeven weken, en tot Messias, Vorst tweeënzestig weken. Dus zeven en tweeënzestig weken.
De Zeven Weken en de Chronologie van Ezra en Nehemia ↑ hoofdstukken
Laat ik eerst inzoomen op die herbouw van Jeruzalem. Ik heb even een tijdlijntje gemaakt: vanaf Kores gaat het woord uit, en de werkelijke herbouw van Jeruzalem – van stad en tempel – wordt beschreven in de boeken Ezra en Nehemia. De periode op dat tijdlijntje dat ik heb gemaakt, is zeven keer zeven jaar plus dat eerste jubeljaar. Dan hebben we dus weer zo'n cyclus van vijftig jaar.
Laten we weer even inzoomen op het begin van het vers: vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen, zijn zeven weken. Anders gezegd: de periode van de boeken Ezra en Nehemia is vijftig jaar. Of misschien moet ik wel zeggen: slechts vijftig jaar. Want wij wijken hiermee af van de gangbare chronologie, om het zo maar eens te zeggen. "Dat doe je wel vaker," hoor ik al. Nou ja, ik liet net zo'n plaatje zien met de chronologie vanaf Adam tot het Messiaanse Rijk. Leg je oor maar eens te luisteren in de wereld: wanneer kwam Homo sapiens op het toneel? Hoe lang is dat geleden? 150.000 jaar ofzo? Ik weet het niet precies en het interesseert me ook helemaal niet. Dus ja, ik heb er niet zo'n moeite mee om af te wijken. Ik hoop dat jullie dat ook niet hebben, en anders moet je daar maar eens wat aan gaan doen. Ik heb in ieder geval een afwijking.
Kijk, ik had het er in de voorbereiding met anderen over. Die chronologie – nou ja, de hele chronologie, maar vooral die van Ezra en Nehemia – is echt een studie binnen een studie. Als ik dat nu uitgebreid uit de doeken zou doen, dan komt er van de overige studies die nog resten niet zo heel veel terecht. Dus ik ga alleen laten zien waarin wij afwijken. André heeft er van de week trouwens ook nog een blogje over geschreven, twee zelfs. Dus als je niks te doen hebt in de pauze, pak je je telefoon en lees je die blogjes.
Maar de gangbare chronologie zegt dit: die dateert Kores op 538–537 voor Christus. De chronologie zoals wij die hier naar voren brengen, dateert Kores echter op plusminus 467 voor Christus. En dat scheelt nogal wat! Dat betekent dat die Perzische periode van Kores de Pers ruim zeventig jaar korter is dan men beweert in de gangbare chronologie. Want wij stellen dat het maar zeven jaarweken is: vijftig jaar.
Ik geef een paar puntjes mee die voor jullie een aanzet kunnen zijn, waarin je gewoon vanuit de Schrift al kunt zien dat die gangbare chronologie niet deugt. In Daniël 11, in de eerste paar verzen, noemt Daniël vanaf Kores een paar koningen. In de gangbare chronologie zegt men: ja, hij noemt ze niet allemaal, en dan schuift men daar nog een paar koningen tussen omdat men die periode moet oprekken om het binnen hun chronologie te laten passen. Maar de periode die Daniël hier noemt, is gewoon vrij kort.
In Ezra 6 en 7 vinden we ook zoiets moois. Daar wordt gesproken over het zesde jaar van Darius – die kwamen we net al even tegen. En vervolgens wordt er een paar verzen verder gesproken over het zevende jaar van Artachsasta. Men beweert dat daartussen, tussen die paar verzen, een periode van zo'n zestig tot zeventig jaar ligt. Maar Kores – daar is hij weer –, Darius én Artachsasta worden alle drie genoemd bij het bouwen en voltooien van de tempel! De conclusie – niet per se alleen uit dit vers, maar ook uit andere gegevens – is dan ook dat Darius en Artachsasta dezelfde koning zijn. Darius is dan zijn naam en Artachsasta is meer een titel. Er waren blijkbaar ook meerdere koningen die zo'n naam of titel hadden. Maar Artachsasta dateert men in de gangbare chronologie dus echt tientallen jaren later, terwijl hier in Ezra 6 vers 14 staat dat hij betrokken was bij het bouwen en voltooien van de tempel.
Die gangbare chronologie kan op basis van deze punten – en er zijn er echt nog veel meer – simpelweg niet kloppen. Dat moet ik toch even gezegd hebben, omdat er anders straks mensen naar me toe komen die zeggen: "Ja, maar wat je zegt klopt gewoon niet, want de gangbare chronologie zegt iets heel anders." Nou, ik hoop jullie nu in ieder geval geprikkeld te hebben om die gangbare chronologie eens aan een kritische toets te onderwerpen.
Dus vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen...
Herbouw in Benauwdheid van Tijden ↑ hoofdstukken
En dan staat er: "Zij zal terugkeren en gebouwd worden, plein en uitspringende hoek, en in benauwdheid van de tijden." Hier wordt gezegd dat de herbouw van die stad, Jeruzalem, zou gebeuren in benauwdheid van tijden. En dat vind je ook in het boek Ezra en Nehemia. Je zou die boeken gewoon even door moeten lezen, ze zijn niet zo heel lang. Als je dat doorleest, kom je telkens allerlei verzet en tegenstand tegen die ze daar ondervonden hebben bij de herbouw van stad en tempel.
Ik geef een paar voorbeelden, maar ik had op een gegeven moment een aardig rijtje gemaakt; dat waren er meer dan twintig. Maar dat wil ik jullie niet aandoen. Ik geef er drie van Ezra en drie van Nehemia. In Ezra: tegenstanders die het volk ontmoedigen en de bouw verstoren. Er worden beschuldigingen tegen Jeruzalem naar de koning gestuurd: je kunt die stad maar beter niet laten herbouwen, want... en dan volgen allerlei beschuldigingen. De werkzaamheden werden ook met geweld stilgelegd, dus er zijn ook pauzes in die bouw geweest. In Nehemia vind je dat Sanballat en Tobia de herbouw van de muur bespotten. Tegenstanders beramen een aanval op Jeruzalem. En je leest zelfs dat tijdens de bouw de arbeiders in de ene hand hun gereedschap hielden en in de andere hand het wapen om zich te kunnen verdedigen. Dat was dus echt wel een benauwdheid van tijden, dat kun je wel zeggen. Maar lees die boeken eens door.
"Zij zal terugkeren", dus Jeruzalem. Vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen: zij zal terugkeren en gebouwd worden. In de vertaling naar ISA staat er: "plein en uitspringende hoek". De Statenvertaling heeft hier: "de straten en de grachten". Dat eerste is echt het woord voor een plein, en het NBG geeft: "plein en gracht". Ja, wat zou zo'n uitspringende hoek zijn? Ik denk dan aan een muur of aan vestingwerken, verdedigingswerken. Maar hoe het er nu ook precies staat, die varianten plein, gracht of uitspringende hoek, het gaat hier om het herstel van Jeruzalem als stad, als eenheid met daarbinnen ook de tempel.
Dat wordt hier gezegd, dat wordt hier voorzegd, en daar zou een periode over gaan van zeven weken. Waarom dan afzonderlijk die zeven weken? Nou, we hebben gezien dat zeven weken één volledige jubeljaarcyclus is. En wat gebeurde er in het jubeljaar? Ook dat jubeljaar is al een onderwerp op zich, dus dat kunnen we hier ook niet al te uitgebreid bespreken. Maar wat gebeurde er in zo'n jubeljaar? Er werden slaven vrijgelaten en ballingen keerden terug; het was een jaar van invrijheidstelling. Dat is het jubeljaar. In de wetgeving van Israël keerde ook het bezit weer terug naar de eigenaar, enzovoort. Maar hier keren de ballingen terug. Dat past ook echt bij het jubeljaar: ballingen worden vrijgelaten, slaven worden vrijgelaten, Jeruzalem wordt herbouwd en het volksleven en de eredienst worden hersteld. Die cyclus mondt dus uit in het jubeljaar. Het is echt een jubeljaar, omdat ballingen werden vrijgelaten, de stad werd herbouwd en het volksleven en de eredienst weer hersteld werden, zodat ze weer hun normale leven gingen leiden.
Ik heb nu al een aantal schriftplaatsen voor het voetlicht gebracht. Dan zie je ook wel een mooi patroon: Jesaja en Ezra bepalen het beginpunt, Kores en de zeventig weken. Daniël bepaalt de duur, namelijk zeventig weken. Ezra en Nehemia beschrijven de vervulling. Dus als je wilt weten wat er gebeurde binnen die zeven weken, binnen die jubeljaarcyclus, dan moet je Ezra en Nehemia lezen. En Leviticus 25 verklaart waarom zeven weken, met de sabbatsjarencyclus en de cyclus van zeven keer zeven plus één, plus het jubeljaar, enzovoort.
Nou, dat was het eerste deel van het vers. Nu gaan we naar de tweeënzestig weken tot Messias, Vorst.
Tweeënzestig Weken tot Messias de Vorst ↑ hoofdstukken
Want er staat: vanaf het uitgaan van het woord om terug te doen keren en om Jeruzalem te bouwen zijn zeven weken, en tot Messias de Vorst tweeënzestig weken. Dus na die zeven plus tweeënzestig weken – tot Messias de Vorst – zouden die negenenzestig weken verstrijken. Over het volgende vers gaat André het straks nog hebben: dat na die zeven plus tweeënzestig weken de Messias zou worden afgesneden. Daar heeft hij trouwens al het een en ander over gezegd, over dat afsnijden.
Wat betekent dan 'tot Messias, Vorst'? Want dat staat hier in vers 25: tot Messias, Vorst zijn zeven en tweeënzestig weken. Welk moment wordt hier bedoeld met 'tot'? Er is dus een moment waarop die negenenzestig weken (zeven plus tweeënzestig weken) verstrijken tot Messias de Vorst. Wij hebben in onze jaartelling een tijdrekening vanaf Christus, die ongeveer begonnen moet zijn bij de geboorte in Bethlehem. Daar is natuurlijk discussie over, dat hoef ik hier waarschijnlijk niet te vertellen, maar dat is onze gangbare tijdrekening. Deze tijdrekening in Daniël eindigt in ieder geval niet bij de geboorte van Jezus in Bethlehem. Daar wijst 'tot Messias, Vorst' niet op; daar gaat het hier niet over.
Maar wat dan wel? Wat betekent 'tot Messias, Vorst', of zoals de ISA-interlineair het weergeeft: tot aan gezalfde bewindvoerder of Vorst? Dat woord Mashiach, Messias, is in André's toespraak ook al voorbijgekomen. Wat betekent gezalfde, en wanneer werd Christus de Gezalfde? Ook dat punt heeft André al genoemd: bij Zijn doop in de Jordaan door Johannes de Doper wordt Jezus gezalfd. Dat was tevens een voorafschaduwing van wat Hem later zou overkomen: Zijn dood en opstanding. De waterdoop – het ondergaan in het water en daaruit opstijgen – is een beeld van dood en opstanding. Vanaf het moment van Jezus' doop begint Zijn publieke optreden; vanaf dat moment treedt Hij als Messias, als Mashiach, als de Gezalfde in het openbaar op.
Ik lees even het gedeelte over Zijn doop in Mattheüs 3: "En gedoopt zijnde, steeg Jezus onmiddellijk op uit het water" – opstanding – "en zie, de hemelen werden geopend en Hij zag de Geest van God neerdalen als een duif en op Hem komen. En neem waar, een stem uit de hemelen, zeggend: Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in wie Ik welbehagen heb." Het is dus ook een heel officiële gebeurtenis met een officiële verklaring waarin God bevestigt: "Dit is Mijn Zoon, de Geliefde", op het moment van Zijn doop. Vanaf dit moment begon Jezus Zijn openbare, publieke optreden.
En in Handelingen 10 – we hebben wat doublures, want ook dit heeft André al naar voren gebracht, maar bij sommige dingen is het helemaal niet erg om het twee keer te horen – zegt Petrus: "Jullie weten wat er gebeurd is door heel Judea, beginnend vanaf Galilea, na de doop die Johannes verkondigde: van Jezus van Nazareth, hoe God Hem zalfde met heilige geest en kracht." Hier staat dus letterlijk dat God Hem zalfde met heilige geest en met kracht. Vanaf het moment van Zijn doop treedt Jezus op als de Gezalfde, als de Mashiach.
Ik liet net Zijn doop zien in Mattheüs 3, maar als je dan verder leest in een ander evangelie, in Markus 1, dan staat er: "En nadat Johannes werd overgeleverd, kwam Jezus naar Galilea, verkondigend het evangelie van God, en zeggend: De bestemde tijd is vervuld..." Hebben jullie je ooit wel eens afgevraagd: wélke bestemde tijd? Ik ken maar één antwoord: de negenenzestig weken zijn vervuld! Ik heb echt mijn best gedaan om een ander antwoord te vinden, maar ik heb het niet gevonden. Mocht u dat wel hebben, dan hoor ik dat straks graag bij de koffie. Maar Jezus gaat optreden; Hij wordt gedoopt, en dat wordt nadrukkelijk in verband gebracht met Zijn zalving. Daar wordt Hij de Christus, de Messias, daar wordt Hij gezalfd. En het eerste wat Hij vervolgens gaat zeggen, is: "De bestemde tijd is vervuld." Ik geloof dus werkelijk dat Jezus het hier heeft over de tijd die aan Daniël werd gegeven, namelijk de bestemde tijd tot Messias de Vorst: die is vervuld!
En dan lees ik nog even verder: "...en het Koninkrijk van God is nabijgekomen." Dat is dus ook de boodschap. Johannes zei al: "Bezin je" – of bekeer je, zeggen de vertalingen dan – "want het Koninkrijk van de hemelen is nabijgekomen." En hier zegt Jezus Zelf ook: "Het Koninkrijk van God is nabijgekomen; bezin je en geloof in het evangelie." Ik pak dat van die bestemde tijd er zo dadelijk nog even bij.
De Vervulling van de Bestemde Tijd en het Koninkrijk ↑ hoofdstukken
Wat staat er nou? Kairos. We hebben het al over chronologie gehad, dat is afgeleid van een ander Grieks woord: chronos. Maar dit is kairos. Chronos heeft gewoon met tijd te maken, maar dit is een bepaalde tijd. Nou, over 'bepaald' hoef ik toch niks meer te zeggen na het studeren van André voor de pauze: zeventig weken zijn bepaald. Deze kairos, dat is een bepaalde tijd, een vastgestelde tijd dus, een bestemde tijd. Ja, welke bestemde tijd?
Nu verschijnt de Messias. Daniël had een termijn gegeven tot Messias, Vorst. En nu verschijnt de Messias en zegt: "De bestemde tijd is vervuld." De kairos, de vastgestelde tijd is vervuld. Nou, ik meen – dat heb ik nu al duidelijk gemaakt, denk ik – en ik wil echt geloven dat Jezus zegt dat het wijst op die tijd na zeven en tweeënzestig weken tot Messias, Vorst. Die bestemde tijd is vervuld! De bestemde tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen; bezin je en geloof in het evangelie.
Geloof in het evangelie, zegt Jezus. Welk evangelie? Het evangelie, het goede bericht – want dat betekent evangelie – dat het Koninkrijk nabijgekomen was, omdat de Koning, de Vorst, Zich had aangediend. En tamelijk officieel werd daar door God de Vader met een stem vanuit de hemel gezegd: "Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in wie Ik welbehagen heb." En het is Petrus die nadrukkelijk dat moment markeert als het moment waarop God Hem gezalfd heeft met heilige geest en kracht. Jezus zegt dus: de bestemde tijd is vervuld, het Koninkrijk van God is nabijgekomen, bezin je en geloof in het evangelie.
Daniëls profetieën gaan over de komst van de Messias, Messias, Vorst, maar ook over de vestiging van Zijn Koninkrijk. Ik zou heel wat voorbeelden uit het boek Daniël kunnen noemen, maar ik doe er maar twee; twee makkelijke.
Daniël 2 kent u allemaal, van dat grote beeld van Nebukadnezar met een gouden hoofd, en verder zilver, koper, ijzer en leem enzovoort. In de dagen van die koningen zal de God van de hemelen een koninkrijk oprichten dat voor de aeonen niet vernietigd zal worden. Het koninkrijk zal niet aan een ander volk worden overgelaten; het zal al deze koninkrijken verbrijzelen en beëindigen, en zelf zal het staan voor de aeonen. Voorgesteld door die steen die zonder mensenhanden van de berg afrolde en het beeld van Nebukadnezar verpulverde. Die steen is een beeld van de Messias en Zijn Koninkrijk, Zijn volk. Via Israël zal dat koninkrijk gevestigd worden. In het boek Daniël wordt de Vorst dus al voorzegd: in de dagen van die koningen zal de God van de hemelen een koninkrijk oprichten dat voor de aeonen niet vernietigd zal worden.
Daar spreekt Messias, Vorst dus ook van. En ook nog in Daniël 7: "En zie, met de wolken van de hemelen kwam iemand als een Zoon van de mens, en aan Hem werd heerschappij en heerlijkheid en een koninkrijk gegeven, en alle volken, natiën en talen zullen Hem dienen. Zijn heerschappij is een aeonische heerschappij – dus van de aeonen – die niet zal verlopen, en Zijn koninkrijk een dat niet vernietigd zal worden."
Hij is de beloofde mashiach, maar Hij is ook de beloofde Vorst. Het moment dat gemarkeerd wordt, is Zijn doop door Johannes de Doper in de Jordaan. We hebben gelezen over het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen tot Messias, Vorst: zeven en tweeënzestig weken, dat mondt uit in Messias, Vorst. En na de tweeënzestig weken zal Messias afgesneden worden, zo lezen we in vers 26. Dus tot Messias, Vorst: zeven plus tweeënzestig weken. En ná de tweeënzestig weken zal de Messias afgesneden worden. Dat is dus daarna, en daarover hebben we het na de pauze.
UltimateGoodNews