GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

de zeventig weken van Daniel – inleiding

26-09-2026 - Geplaatst door Andre Piet
Maarn

Wat was de aanleiding tot Daniëls profetie over de zeventig weken? Hoe is dit direct gekoppeld aan de cycli van de jaarsabbatten? En welke rol spelen jubeljaren daarin? Als de zeventig weken beginnen waar de zeventig jaren van Jeruzalems verwoesting eindigen, wat hebben die twee dan met elkaar te maken? Sinds de geboorte van Abraham telt de Bijbelse geschiedenis tot aan het bevel van Kores tot herbouw van Jeruzalem, drie achterenvolgende perioden van exact vijfhonderd jaren. Oftewel telkens zeventig jaarweken, dus inclusief de tussenliggende jubileumjaren…

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze inleidende studie schetst het chronologische raamwerk en de context van de profetie van de zeventig weken uit Daniël 9. Aan het einde van de zeventigjarige verwoesting van Jeruzalem ontvangt Daniël een nieuwe profetie, die niet gaat over gewone weken maar over jaarweken en jubeljaren uit Leviticus. De Bijbelse chronologie tussen Abraham en Christus bestaat uit vier gelijke periodes van 500 jaar. Door bij de zeventig jaarweken ook tien jubeljaren mee te tellen, omvat deze profetische periode precies 500 jaar.

“En dat maakt de uiteindelijke som van de zeventig weken tot een periode van 490 plus 10 jubeljaren, wat ook 500 jaar is.”

Inleiding: de Zeventig Jaarweken ↑ hoofdstukken

Ook namens mij een hele goedemorgen. Fijn dat jullie hier allemaal zijn. Het is voor mij ook een voorrecht dat ik hier mag staan en samen met André dit fascinerende onderwerp met jullie mag bespreken. André heeft al wat inleidends gezegd. Ik zou zelf ook wel graag iets willen vertellen over mijn zoektocht, hoe dat is gegaan met die zeventig weken. Dat ga ik nu in ieder geval niet doen, want ik heb mijn tijd hard nodig, en we gaan dus meteen het onderwerp induiken.

Hoewel, André liet net al zien dat deze studie die ik nu ga geven, deze spreekbeurt, in zijn geheel een inleiding zal zijn op het onderwerp. Dus over de profetie van de zeventig weken die we vinden in Daniël 9 vers 24 tot 27 ga ik het nu nauwelijks hebben — zijdelings wel, maar wat ik ga doen is echt een inleiding tot het onderwerp. En waarom doen we dat? Omdat mijn ervaring toch ook wel is — uit het verleden, dan zeg ik er toch iets over — dat die profetie als het ware uit de Schrift wordt gehaald en dan wordt besproken. Maar er is zoveel waar de profetie van de zeventig weken van Daniël mee samenhangt, dat je dat niet buiten die context kunt bespreken en ook niet zou moeten bespreken. En daarom zal deze studie, deze inleidende studie, vooral bedoeld zijn om dat raamwerk, die context neer te zetten.

Nou, dan ga ik toch even naar de zeventig weken, naar het eerste vers. Want stel je nou voor dat je hier binnen bent gelopen en je hebt nog nooit van dat onderwerp gehoord, of je hebt er wel van gehoord, maar je hebt geen flauw idee wat dat zou kunnen betekenen. Waar hebben we het dan over? Zeventig weken. Je zou zomaar kunnen denken: een jaar heeft 52 weken, anderhalf jaar 78 weken, dus we hebben het hier over een krappe anderhalf jaar — anderhalf jaar min acht weken. Nou, dat is het dus niet.

Wat er letterlijk staat is: zeventig zevens. Dit gaat van rechts naar links en dit van links naar rechts natuurlijk, dat had u al gezien, maar in het Hebreeuws staat er letterlijk: zeventig zevens. En wat voor zevens dan? Nou, dat zijn geen weken van dagen, maar weken van jaren, dus zeventallen van jaren. En zoals wij een week kennen met zeven dagen, zo kent de Schrift dus jaarweken, en daar gaat het over in deze profetie. Dat zal vanzelf wel blijken uit de context. Het gaat over een periode waarin Jeruzalem herbouwd zou worden en die ook zou uitmonden in de komst van de Messias. Nou ja, dat lukt nou eenmaal niet in een krap anderhalf jaar, dus daar is een veel langere periode toe bepaald, toe bestemd. En daar gaat die profetie van de zeventig weken onder andere over.

Het gaat dus om jaarweken. En ik zei al: ik ga context aangeven, want dat komt hier in Daniël niet voor het eerst voor. Dat was al gegeven aan het volk Israël in de wet, in de inzettingen. En ik ga naar Leviticus 25. Ik heb heel veel dia's voor deze spreekbeurt, maar het zijn allemaal leesdia's, dus ik ga er vrij snel doorheen. Straks gaan we die verzen uitpluizen — dat zijn vers 24, 25, 26 en 27, daar gaan we op woorden inzoomen. Dat probeer ik nu zo weinig mogelijk te doen. Het zijn leesdia's, dus je moet er wel bij blijven en meelezen, maar het spreekt allemaal heel erg voor zich, dus ik ga er ook niet te lang bij stilstaan.

We komen nu in Leviticus 25, en straks nog in 26. Velen van jullie kennen waarschijnlijk ook Leviticus 23, waar de inzettingen worden gegeven van de hoogtijden van JAHWEH. Daar heeft André vorig seizoen in Capelle een heel seizoen over gesproken. In Leviticus worden, omdat er context gegeven wordt, heel veel van die inzettingen gegeven. Hier in Leviticus 25 vinden we bijvoorbeeld: "Jij telt voor jezelf zeven sabbatten van jaren." Er wordt dus een telling ingesteld van het tellen van jaren en dat wordt dan genoemd: sabbatten van jaren. En het woord sabbat heeft ook weer alles met het getal zeven te maken. Het getal zeven zullen we vandaag nog heel veel horen. Zeven sabbatten van jaren; je ziet ook dat het woord sabbat heel erg lijkt op het woord zeven, dat heeft dus met elkaar te maken.

Maar dit vers — ik zei al, wat ik ga lezen is niet zo heel moeilijk: "Je telt voor jezelf zeven sabbatten van jaren." Wat is dat dan? Nou, dat is zeven jaren, zeven keer. En als je het dan nog makkelijker wilt hebben: "De dagen van de zeven sabbatten van jaren zullen voor jou negenenveertig jaar zijn." Nou, dat lukt nog wel in de ochtend, deze sommetjes! Kijk, de Statenvertaling heeft hier: "zeven jaarweken". Dat is niet zo precies vertaald, maar daar komen we dat woord dus wel tegen: zeven jaarweken, zeven sabbatten van jaren. De Herziene Statenvertaling zegt: sabbatsjaren, sabbatten van jaren. Maar het zijn dus zeventallen van jaren.

Nou, dit is dus Leviticus 25. Ik spring ook wat heen en weer tussen Bijbelgedeelten. Dan is de vraag: waarom krijgt Daniël deze profetie in Daniël 9? En dat is pas in vers 24. Wat ik nu ga doen, is naar Daniël 9 vers 1 gaan.

Daniëls Gebed en de Zeventig Jaar Verwoesting ↑ hoofdstukken

Dus helemaal aan het begin van het hoofdstuk, wat gebeurt daar? Dat is het boek Daniël en dan staat er: in het eerste jaar van Darius, zoon van Ahasveros, uit het zaad van de Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk van de Chaldeeën. Het is wel een hele mond vol. Ik moet hier ook even iets bij zeggen: Daniël kennen we in het boek. Daniël was met het Joodse volk in ballingschap weggevoerd door Nebukadnezar, de koning van Babel. Dat wordt hier genoemd het koninkrijk van de Chaldeeën. Dat koninkrijk van Babel of van de Chaldeeën was veroverd door de Meden en de Perzen. Dat kennen we denk ik—sommigen kennen het, misschien wel velen van jullie kennen dat van de zondagsschool, van die verhalen van Daniël. En over dat rijk, zullen we straks nog zien, regeerde Kores de Pers. En hij had deze Darius de Mede—of de Meder, ik weet niet hoe je dat moet zeggen—tot koning gemaakt over het oude koninkrijk van de Chaldeeën, dus het koninkrijk van Babel. Dit was denk ik een soort onderkoning, als het een term is die we ook al eens gehoord hebben, zoals we dat in de geschiedenis van Jozef bijvoorbeeld ook vinden. Ik weet niet of je dat helemaal kunt vergelijken, maar ik geef het even als voorbeeld. Kores de Pers stond over heel het koninkrijk en hij, Darius, was koning gemaakt over het koninkrijk van de Chaldeeën.

In het eerste jaar van zijn regering verstond ik, Daniël—Daniël schrijft dit dus ook—uit de Schriften het getal van de jaren waarover het woord van JAHWEH tot Jeremia de profeet was gekomen om voor de verwoestingen van Jeruzalem zeventig jaren te vervullen. Daniël leest de Schriften. Hij is daar in ballingschap, in den vreemde, in het koninkrijk van Darius. En hij leest de Schriften en hij ziet dat de verwoesting van Jeruzalem, waar hij eerst woonde voordat hij weggevoerd was naar Babel, zeventig jaar zou duren en dat het nu vervuld was. Dat is wat Daniël leest, hij was gewoon de Schrift aan het lezen. Hij bevindt zich dus aan het einde van die zeventig jaar van verwoesting waarover Jeremia had geprofeteerd. Jeremia had die verwoesting voorzegd en had gezegd dat het zeventig jaar zou duren.

Wat heeft Daniël dan gelezen? Bijvoorbeeld dit: "En heel dit land zal tot een verwoesting en tot ontzetting worden, en deze natiën zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen. En het zal gebeuren wanneer zeventig jaar vervuld zijn, dat Ik de koning van Babel en die natie zal bezoeken vanwege hun verdorvenheid, zegt JAHWEH." Nou, dat was gebeurd. Het koninkrijk van Babel is intussen overgenomen door de Meden en de Perzen. En die zeventig jaar zijn vervuld, want er staat bijvoorbeeld ook nog in Jeremia 29: "Want zo zegt JAHWEH: Wanneer voor Babel zeventig jaar vervuld zijn, zal Ik naar jullie omzien en Mijn goede woord over jullie bevestigen, om jullie naar deze plaats te doen terugkeren." Daniël is hier aan het einde van de periode van zeventig jaar waarover God via Jeremia had gezegd dat die periode zeventig jaar duurt. En Daniël denkt: die zeventig jaar zijn vervuld, wat nu?

Nou, wat nu? Dan staat er: en ik richtte—dat is Daniël dus—mijn aangezicht tot de Heer God om Hem te zoeken met gebed en smeekbeden, met vasten en zak en as. En ik bad tot JAHWEH, mijn God, en ik beleed en zei... Dan komt dus het gebed van Daniël. Dat is een lang gebed, dus dat ga ik niet helemaal lezen, maar ik vat het samen in een aantal punten. Daniël belijdt de zonden van Israël. En ik zei net iets over die inzettingen in Leviticus: zelfs dit, dat dit zou gebeuren, dat het volk de zonden zou belijden enzovoort, dat is voorzegd in Leviticus 26. Zoek het maar na. Daniël belijdt de zonden van Israël; hij zegt dat Israël niet geluisterd heeft naar JAHWEH en Zijn profeten. De aangekondigde vloek en het oordeel zijn daarom over Israël gekomen. Dan doet Daniël een beroep op Gods rechtvaardigheid en ontfermingen. Wat hij zegt is: God, doe recht aan Uw woord. Dat is Gods rechtvaardigheid: U heeft dat gezegd, doe dat dan nu, doe recht aan Uw woord. En hij bidt specifiek voor Jeruzalem, Gods heilige berg, en het verwoeste heiligdom. En daar gaat de profetie van de zeventig weken dus ook over: over Jeruzalem en het verwoeste heiligdom. Daniëls smeekbede is dan: Heer hoor, Heer vergeef, Heer luister en handel, stel niet uit! Oftewel: vervul nu Uw woord dat U gesproken en voorzegd hebt.

Dan heb ik vers 3 tot 19 besproken en dan komen we in vers 20 van Daniël 9: "En terwijl ik nog sprak en bad en mijn zonde en de zonde van mijn volk Israël beleed, en mijn smeekbede neerwierp voor het aangezicht van JAHWEH, mijn God, over de heilige berg van mijn God, en terwijl ik nog sprak in het gebed, kwam de man Gabriël, die ik in het begin in het gezicht gezien had, snel vliegend tot mij, omstreeks de tijd van het avondoffer." Hier is dus de engel Gabriël. Die komt tot Daniël, en Daniël zegt over hem: "die ik in het begin in het gezicht gezien had." Dat verwijst weer naar hoofdstuk 8, want daar was Gabriël ook al aan Daniël verschenen. En dan staat er dat Gabriël begint te spreken tot Daniël. Terwijl ik nog sprak in het gebed kwam Gabriël—Daniël was dus nog aan het bidden. En toen kwam Gabriël en hij deed mij begrijpen en sprak met mij en zei: "Daniël, nu ben ik uitgegaan om jou inzicht en begrip te geven."

Wat Gabriël hier zegt, komt dus niet zomaar uit de lucht vallen. Die engel kwam natuurlijk ook ergens uit de lucht vandaan, maar het antwoord van hem komt niet uit de lucht vallen. Dat wordt gegeven tegen de achtergrond van een aflopende periode van zeventig jaar; zeventig jaar van verwoesting die bepaald was over Jeruzalem en de tempel. En tegen die achtergrond krijgt Daniël dus een nieuwe profetie over een nieuwe termijn, namelijk niet van zeventig jaren, maar van zeventig weken. Of anders gezegd: van zeventig jaarweken. Nou, dan gaan we eerst een stapje terug.

Sabbatsjaren en het Jubeljaar ↑ hoofdstukken

Want waarom waren het zeventig jaar? Waarom was die verwoesting van Jeruzalem en de tempel bepaald op zeventig jaar? Nou, dan ga ik naar 2 Kronieken 36 en daar staat: "En Hij — dat is dus God, JAHWEH — Hij deed tegen hen de koning van de Chaldeeën opkomen." Nou, we weten al wie dat is, die kwamen we net al tegen, dat is Nebukadnezar. Dat vind je overigens in vers 13, dat zal ik straks nog laten zien. God deed tegen Israël, het Joodse volk, de koning van de Chaldeeën opkomen: "Zij verbrandden het huis van God, braken de muur van Jeruzalem af, en al haar paleizen verbrandden zij met vuur, en al haar kostbare voorwerpen werden tot verderf gebracht." Dit is de verwoesting van Jeruzalem en de tempel door Nebukadnezar, het Babylonische Rijk. "En wie overgebleven waren van het zwaard, voerde hij weg naar Babel" — onder andere Daniël dus — "en zij werden hem en zijn zonen tot dienaren, tot aan het regeren van het koninkrijk van Perzië." Waar Daniël zich dus in bevindt in Daniël 9, onder het koningschap van Darius de Mede.

"En dat was om het woord van JAHWEH door de mond van Jeremia te vervullen, totdat het land zijn sabbatten had vergoed. Al de dagen van zijn verwoesting hield het sabbat, om zeventig jaar te vervullen." Dus die zeventig jaar verwoesting waren bedoeld zodat het land zijn sabbatten vergoed kreeg. Waarom? Of hoezo? Hoezo sabbatten vergoed?

Nou, daar gaan we dus weer naar Leviticus 25, waar we net ook al waren. En daar staat: "Wanneer jullie komen in het land dat Ik jullie geef" — zegt God tot het volk — "dan zal het land een sabbat rusten voor JAHWEH. Zes jaren zal jij jouw land zaaien en zes jaren zal jij jouw wijngaard snoeien en zamel jij haar opbrengst in. Maar in het zevende jaar zal er een sabbat van rust zijn voor het land, een sabbat voor JAHWEH. Jouw akker zal jij niet zaaien en jouw wijngaard zal jij niet snoeien." Dus zes jaren worden gevolgd door een zevende jaar waarin het land braak lag. Het land rustte, net zoals de instelling van een week van dagen was gegeven aan Israël: zes dagen arbeiden en de zevende dag is sabbat, dan is het rust. En dat werd dus ook gegeven met betrekking tot jaren, en zo kent de kalender van Israël sabbatsjaren. Dus hier hoef ik niks aan uit te leggen: zes jaren zaaien, zevende jaar rust.

Wat als Israël die sabbatsjaren niet hield? Ja, ook dat was ingesteld, ingegeven in de wet van Mozes. Ook in Leviticus, een hoofdstukje verder, Leviticus 26: "Ik zal jullie verstrooien onder de natiën. Ik zal het zwaard achter jullie aan trekken en jullie land zal tot een verwoesting zijn en jullie steden zullen een woestenij zijn. Dan zal het land zijn sabbatten aanvaarden al de dagen dat het verwoest ligt en jullie in het land van jullie vijanden zijn." Dus als het volk Israël de sabbatsjaren niet hield, dan zegt God: dan regel Ik het Zelf. Dan verwoest Ik het land, Ik haal jullie eruit, en dan laat Ik het land die jaren alsnog braak liggen. En dat is wat er gebeurt: "Dan zal het land rusten en zijn sabbatten vergoeden. Al de dagen dat het verwoest ligt, zal het rusten, omdat het niet rustte tijdens jullie sabbatten, toen jullie erop woonden." Dus zij werden daar weggevoerd, zij woonden daar niet meer. Het land werd verwoest, het lag braak en zo kreeg het land alsnog die sabbatten die zij niet gehouden hadden vergoed. En daartoe waren die zeventig jaar van verwoesting gesteld, waar Daniël zich nu aan het einde bevindt van die periode.

En die sabbatsjaren — 1, 2, 3, 4, 5, 6, en 7 is het sabbatsjaar — kennen ook een cyclus. Dat herhaalt zich, want daarna, na de zeven, begin je natuurlijk weer opnieuw te tellen. En dat staat ook in Leviticus 25: "En jij telt voor jezelf" — dit heb ik natuurlijk al gelezen — "je telt voor jezelf zeven sabbatten van jaren, zeven jaren zeven keer, en de dagen van de zeven sabbatten van jaren zullen voor jou 49 jaar zijn." Dus ieder zevende jaar is een sabbatsjaar, maar ook onderdeel van een grotere cyclus, namelijk zeven keer zeven jaren. En dat is 49 jaar. Ik maak het jullie makkelijk, want dat ziet er zo uit. Dus dit is een cyclus. Kijk, ik had dit 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 kunnen doen, en dan 8, 9 tot 14, en dan 15, 16 tot 21 had ik ook kunnen doen. Ik had ook nog voor de liefhebbers de tafel van zeven kunnen doen: één keer zeven is zeven, tot en met zeven keer zeven is 49. Maar het is duidelijk, toch? Dit is dus de cyclus, de sabbatsjarencyclus, en je komt uit op zeven keer zeven, dat is 49 jaar.

Maar daarmee is de cyclus niet voltooid, daarmee is hij nog niet klaar. Want — ook weer Leviticus 25; jullie moeten alles thuis nog maar eens nalezen wat wij hier naar voren brengen, maar in ieder geval die hoofdstukken 25 en 26 naar aanleiding van deze studie, daar staat heel veel in van wat ik nu naar voren breng — in Leviticus 25 staat namelijk: "Jullie zullen het jaar, het vijftigste jaar, heiligen... Een jubeljaar zal dit vijftigste jaar voor jullie zijn." Dus met dat vijftigste jaar, met dat jubeljaar, werd de jubeljaarcyclus daarmee voltooid. Die was af: hup, één cyclus, klaar. Nou, dat ziet er dan zo uit. Dus het vijftigste jaar is het jubeljaar en dat komt gewoon na de... Hier had ik dan het sommetje nog moeten zetten van totaal vijftig, maar dat heb ik dus ook voor jullie gedaan om het nog makkelijker te maken. Dus dit zijn de 49 en dit is de vijftigste. Ik denk dat ik tot nu toe best wel te volgen ben, dat is geen hogere wiskunde, hè?

Oké, maar nu gaan we het iets moeilijker maken. Want de vraag is: is dit vijftigste jaar ook het eerste jaar van een nieuwe cyclus? Want hiermee is een cyclus afgesloten met die vijftigste, en dan gaat er opnieuw geteld worden. Dan is de vraag — en bepaalde uitleggers denken er zo over, en daarom breng ik het ook naar voren: moeten we dat dan zo zien dat het vijftigste jaar tevens het eerste is van een nieuwe cyclus? Dus je telt 49, dan tel je 50, maar je telt eigenlijk ook 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7. "Maakt dat nou uit?" zegt misschien iemand. Nou, als je een flink aantal van die cyclussen hebt, dan ben je op een gegeven moment wel een paar jaar verder, bijvoorbeeld als je zeventig weken gaat tellen.

Kijk, ik geloof dus — en ik ga het laten zien dat het zo zit — het vijftigste jaar is het jubeljaar, en dan begint de nieuwe cyclus: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, of voor mij wordt het 51, 52 tot en met 57, dus een nieuwe cyclus. En ik heb drie redenen waarom ik denk dat dat zo is, waarom het vijftigste jaar niet ook het eerste jaar van de nieuwe cyclus is.

En de eerste is een hele simpele, misschien een beetje flauw, maar ja: het heet het vijftigste jaar, en niet het eerste. De Schrift is altijd heel precies, dus dan zou het denk ik het eerste én het vijftigste genoemd moeten worden. Maar ik weet niet of u hier tevreden mee bent.

De tweede vind ik een hele krachtige: het vijftigste jaar was geheiligd. Dat staat hier ook: "Jullie zullen het vijftigste jaar heiligen." Dat betekent dus dat het apart gezet is, afgezonderd en ergens toe bestemd. En als iets zo apart en afgezonderd is, dan staat het op zichzelf. En dan is het dus het vijftigste en niet ook het eerste, want dan is het niet meer apart gezet. In die vorige dia die ik had — deze — is het jaar, het vijftigste jaar, niet apart gezet, niet afgezonderd; daar is het gelijkgesteld met het eerste jaar. Dus dat: het is geheiligd, apart gezet.

En ik heb er nog één: in het jubeljaar werd net als in het sabbatsjaar niet gezaaid. "Een jubeljaar zal dit, het vijftigste jaar, voor jullie zijn. Jullie zullen niet zaaien en jullie zullen niet oogsten wat vanzelf opkomt en jullie zullen de ongesnoeide wijnstokken niet afsnijden." Dus als het zo zou zijn dat het vijftigste jaar ook het eerste jaar is van de cyclus, dan wordt hier niet gezaaid.

Dan wordt er één, twee, drie, vier, vijf keer wel gezaaid en in het sabbatsjaar ook weer niet. Dat betekent dat je maar vijf jaar overhoudt om te zaaien. En de wet zegt – ik heb dat ook weer uit Leviticus 25: "Wanneer jullie komen in het land dat Ik jullie geef, dan zal het land een sabbat rusten voor JAHWEH." Zes jaar, u hebt het net al gelezen, maar nu even geaccentueerd: "Zes jaren zal jij jouw land zaaien, zes jaren zal jij jouw wijngaard snoeien en zamel jij haar opbrengst in. Maar in het zevende jaar zal een sabbat van rust zijn voor het land, een sabbat voor JAHWEH. Jouw akker zal je niet zaaien en jouw wijngaard zal je niet snoeien."

Er was geen aparte inzetting die zegt van: nou ja, er is ook een periode waarin je maar vijf jaar zaait. Zes jaren zouden gezaaid worden, en dat is met deze opzet dus niet zo. Daarom zet ik er een dik kruis doorheen. Want het vijftigste jaar was het jubeljaar; dat werd apart gerekend, apart gezet.

Dus een jubeljaarcyclus is vijftig jaar. Zien we deze – dat is natuurlijk een retorische vraag – zien we deze cyclus van vijftig jaar terug in de Bijbelse chronologie? Kijk, want de zeventig weken is een tijdrekening. Chronologie is een tijdrekening zoals we die kennen in de Schrift, en de zeventig weken is daar een onderdeel van. Daarom zeg ik: die zeventig weken moet je helemaal zien binnen dat raamwerk, binnen de context van de inzettingen die God aan Israël had gegeven.

De Bijbelse Chronologie in Vier Periodes van 500 Jaar ↑ hoofdstukken

Dan wil ik ook kort wat zeggen over de Bijbelse chronologie. Dat heeft André wel eens heel uitgebreid gedaan, dus ik ga er kort doorheen en haal ook maar een paar dingetjes aan. Die zeventig weken moeten we ergens op de tijdlijn plaatsen, van Adam tot het einde van de duizend jaar, zeg maar. Eigenlijk had ik daar bij die duizend jaar liever het Messiaanse Rijk gezet, bedenk ik nu. Want we kennen ook een week van duizendtallen waarin de heilsgeschiedenis zich afspeelt: zeven keer duizend jaar, laat ik het zo zeggen, zes keer duizend jaar tot de zevende dag, de grote sabbat, waarin het Messiaanse Rijk zal baanbreken en wereldwijd gevestigd zal zijn. Maar dit is dus de chronologie van de mens, volgens de Schrift. Dat hoef ik er eigenlijk niet bij te zeggen, want dit is een Bijbelstudie, toch?

Vanaf Adam tot en met die duizend jaar: de periode tot het Messiaanse Rijk, tot die duizend jaar, is weer onder te verdelen in drie periodes van 2000 jaar: van Adam tot Abraham, van Abraham tot Christus, en dan van Christus tot aan het Messiaanse Rijk. Maar deze periode van Abraham tot Christus, die periode van 2000 jaar, is te verdelen in vier gelijke tijdsblokken. 2000 gedeeld door 4 — ik zei al dat de rekensommen vandaag niet moeilijk zijn — dat is 500 jaar. En van de eerste drie periodes van 500 jaar binnen dit stukje tussen Abraham en Christus, vinden we de gegevens heel makkelijk in de Schrift. Die ga ik u laten zien; ik lees ze vrij snel door. Als u zegt: het ging me te snel, kijk het dan straks in de pauze of de lunchpauze allemaal nog maar eens na. Maar het is echt zo: ook deze rekensommen zijn simpel.

We gaan eerst even van Abraham tot de uittocht. In Genesis 15 staat dat God zei tot Abram: "Jij zal weten dat jouw zaad een tijdelijk verblijver zal zijn in een land dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen en dat dezen hen zullen vernederen, vierhonderd jaar." Het zaad van Abram is Izak. Abram was zelf trouwens ook al een tijdelijke verblijver in het land; hij woonde in tenten en had daar geen vaste woon- en verblijfplaats. Maar het gaat hier over zijn zaad, en dat is Izak. Abram was 100 jaar oud toen Izak werd geboren, en het zaad zou 400 jaar een tijdelijke verblijver zijn in een land dat het hunne niet is. Die periode van 400 jaar wordt hier genoemd: 400 plus 100 is 500. Daarmee hebben we die eerste periode gehad. Dit is dus het tijdlijntje van Abraham tot Christus, en dit is de eerste vijfhonderd jaar.

Trouwens, met betrekking tot deze periode hebben we nog een getuige, en dat is Paulus in Galaten 3. Hij zegt: "Dit nu zeg ik: een verbond, tevoren bekrachtigd door God, maakt de wet, die 430 jaar later gekomen is, niet ongeldig, zodat zij de belofte teniet zou doen." Dus de wet kwam na 430 jaar. Abram ontving de belofte toen hij 70 jaar oud was: 430 plus 70 is ook weer 500. Dat is dus die eerste periode van 500 jaar.

Springen we verder, dan willen we weten: hoe zit het met de volgende periode? Dat is van de uittocht tot Salomo. Ook die is vrij simpel. Het gebeurde in het 480ste jaar na het uitgaan van de zonen van Israël uit het land Egypte, dus na de uittocht. En dat is ook in het vierde jaar, in de maand Ziv — dat is de tweede maand — van de regering van Salomo over Israël, dat hij het huis voor JAHWEH bouwde. Salomo gaat hier de tempel bouwen, en dat doet hij 480 jaar na de uittocht. Dan lees je een paar verzen verder: "En het gebeurde aan het einde van twintig jaar, waarin Salomo de twee huizen had gebouwd, het huis van JAHWEH [de tempel] en het huis van de koning [zijn eigen paleis dus]..." Dan gaat het verhaal nog verder, maar wij niet: 480 jaar na de uittocht begon Salomo ermee, en hij deed er 20 jaar over om tempel en paleis te bouwen. 480 plus 20 is 500. Daarmee hebben we die tweede periode ook geduid.

We zijn bij Salomo, en de volgende periode is van Salomo tot Kores. Over Kores gaan we het straks nog hebben. Die periode is op twee manieren uit te rekenen en te laten zien. Ik pak de makkelijkste, en dat is wat tegen de profeet Ezechiël wordt gezegd: "En jij, lig op jouw linkerzijde en leg de verdorvenheid van het huis van Israël daarop. Naar het getal van de dagen dat jij daarop ligt, draag jij hun verdorvenheid. En Ik geef jou de jaren van hun verdorvenheid naar het getal van de dagen: 390 dagen. En jij draagt de verdorvenheid van het huis van Israël. En wanneer jij deze voltooid hebt, dan lig jij voor de tweede keer neer, op jouw rechterzijde, en jij draagt de verdorvenheid van het huis van Juda: 40 dagen. Een dag voor een jaar, een dag voor een jaar." Dat is trouwens een principe dat we vaker vinden in de Schrift. God demonstreert iets en laat de profeet Ezechiël 390 en 40 dagen op zijn ene en andere zijde liggen. We kennen het bijvoorbeeld ook van de verspieders: die waren 40 dagen in Kanaän geweest, en vanwege het ongeloof van het volk — omdat ze die twee verspieders niet geloofden — moesten zij 40 jaar in de woestijn zwerven. Daar hanteert God ook het principe van een dag voor een jaar. Dat is hier dus ook zo: 390 plus 40 is 430 jaar. Het is ook te berekenen door de regeringsjaren van de koningen bij elkaar op te tellen, maar dat is wat uitgebreider natuurlijk. Dat laat ik even rusten; André heeft dat trouwens op zijn website wel gedaan, dus zoek dat daar maar eens na.

Dan ga ik nu naar 2 Kronieken 36. Ik zei al dat ik wat heen en weer spring, en dat kan voor jullie als luisteraars wat lastig zijn. Maar in 2 Kronieken 36 gaat het over de verwoesting van Jeruzalem en de tempel. Daar staat dat het gebeurde om het woord van JAHWEH door de mond van Jeremia te vervullen — dit hebben we gelezen — totdat het land zijn sabbatten had vergoed. Al de dagen van zijn verwoesting hield het sabbat, om zeventig jaar te vervullen. Dit is dus de derde periode: 430 plus 70 is ook weer 500 jaar. Dit is tevens het punt waar Daniël zich bevindt aan het einde van die zeventig jaar verwoesting, maar dus ook aan het einde van een periode van 500 jaar. Of, als ik het nog ruimer zeg: aan het einde van drie periodes van vijfhonderd jaar. En wat gebeurt er dan?

De Zeventig Weken Vervuld in 500 Jaar ↑ hoofdstukken

Nou, daar ga ik nu weer terug naar Daniël, waar we de rest van de dag zo'n beetje over gaan spreken: over Daniël 9, de profetie van de zeventig weken.

Nog even terug naar die verzen vóórdat de profetie van de zeventig weken gegeven wordt, die ik een aantal dia's, een flink aantal dia's inmiddels geleden, ook al gelezen heb. Daar staat: "Terwijl ik nog sprak in het gebed, kwam de man Gabriël... Hij deed mij begrijpen, hij sprak met mij en zei: 'Daniël, nu ben ik uitgegaan om jou inzicht en begrip te geven. Bij het begin van jouw smeekbeden ging een woord uit en ik ben gekomen om het bekend te maken, want jij bent zeer geliefd. Begrijp daarom het woord en krijg inzicht in het gezicht.'"

Daniël begon daar dus te bidden vanwege de verwoesting van Jeruzalem, omdat hij had gelezen in Jeremia dat het zeventig jaar zou duren. Daniël zag: ja, dat is nu vervuld. Daniël ging bidden en dan zegt Gabriël, de boodschapper, tegen hem: bij het begin van jouw smeekbeden ging een woord uit en ik ben gekomen om het bekend te maken, want jij bent zeer geliefd; begrijp daarom het woord en krijg inzicht in het gezicht.

Dit is dus aan het einde van zeventig jaar verwoesting én aan het einde van een periode van 500 jaar. Dán krijgt Daniël de profetie over de zeventig weken. En Gabriël begint met: bij het begin van jouw smeekbeden ging een woord uit. Welk woord dat is, daar gaan we het straks over hebben in vers 25. Eerst gaat André het straks over vers 24 hebben, en na de lunchpauze ga ik verder met vers 25. Dan komen we daarop. Maar nu krijgt Daniël op dit moment de profetie van de zeventig weken: zeventig weken worden afgescheiden over jouw volk en jouw heilige stad. Oftewel: Daniël, zeventig jaar zijn vervuld, nu krijg je een nieuwe periode, niet van zeventig jaren maar van zeventig weken.

Hoe lang zouden die zeventig weken zijn als u van niets zou weten? Zeventig weken, ja, maar in ieder geval: als je het op de tijdlijn zet, dan zou er iets heel erg logisch zijn. Dat is niet: 70 keer 7 is 490. Nee, er wordt een periode van zeventig weken gegeven en die krijgt Daniël volgens de sabbatsjarencyclus, of beter nog gezegd: die jubeljaarcyclus die in Leviticus gegeven was. Daar hangt het mee samen, en de zeventig weken zijn die sabbatsjaren, inderdaad 70 keer 7 jaren. Maar daar moeten we dus ook de jubeljaren bij tellen. En elk vijftigste jaar was een jubeljaar.

Ja, en wat krijg je dan? Nou, ik maak de rekensom voor jullie heel simpel: 70 keer 7 is inderdaad 490 jaar. Maar een sabbatsjarencyclus is 7 weken plus 1 jubeljaar, dat is 49 plus 1 is 50. En dan keer 10: 10 maal 7 weken plus 10 jubeljaren. Dus zeventig weken is 10 maal 7 weken plus 10 jubeljaren. En dat maakt de uiteindelijke som van de zeventig weken tot een periode van 490 plus 10 jubeljaren, wat ook 500 jaar is.

En daar mogen jullie deze pauze over na gaan denken. Dan gaat André na de pauze verder met vers 24. Hier laat ik het bij.

🎧 inleiding tot de zeventig weken (Gerard Oudijn)
Delen: