de zeventig weken van Daniel – vers 27
26-09-2026 - Geplaatst door Andre PietMaarn
Vers 27 gaat specifiek in op de beschrijving van de laatste jaarweek – de zeven jaren dat de komende vorst, de Messias het nieuwe verbond zal bekrachtigen. Eerst drie en half jaar tot aan zijn dood en opstanding, waarmee Hij de hele OT-ische offerdienst ophief. Daarna nog eens drie en half jaar tot aan de dood van Stefanus. Dat moment markeert het einde van de bekrachtiging van het nieuwe verbond voor Jeruzalem. Het is tevens het moment dat Saulus van Tarsus van achter de coulissen als vervolger tevoorschijn komt. Omstreeks een jaar later wordt hij geroepen om apostel van de natiën te worden. Dat is het jaar 34 AD – het jubeljaar 4000 AH!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding en Terugblik op Daniël 9
- Daniël 9 Vers 27 en de Identiteit van de Komende Vorst
- Het Bekrachtigen van het Nieuwe Verbond
- De Duur van Jezus' Openbare Optreden
- Het Doen Ophouden van Slachtoffer en Offergave
- De Tweede Helft van de Zeventigste Week
- Bekrachtiging in Handelingen en de Steniging van Stefanus
- Chronologie van Handelingen en de Roeping van Paulus
- Gruwelen op een Vleugel en Verwoesting tot de Voleinding
- Verzegeling van Gezicht en Profeet en de 2000 Jaar
Inleiding en Terugblik op Daniël 9 ↑ hoofdstukken
We gaan beginnen aan de laatste studie, die we in tweeën hebben verdeeld. Je zou ook kunnen zeggen: de laatste twee studies, maar dat zijn dan in ieder geval kortere studies. Ik heb heel veel mensen gesproken in de pauzes en het is al duidelijk dat we een onderwerp behandelen waarin we niet de gebaande wegen betreden. Ik heb veel reacties gehad, ook wel dat het veel is, maar laat je daar vooral niet door ontmoedigen. Ik bedoel: voor André en mij is dit nu — een eindpunt wil ik niet zeggen, want je bent nooit uitgestudeerd — wel iets waar wij naartoe gewerkt hebben en ook naartoe geleefd hebben. Wij zijn natuurlijk ook ooit ergens begonnen. We staan dat hier nu allemaal in één keer te vertellen, maar het heeft ons toch ook wel wat studieuurtjes gekost om alles op een rijtje te krijgen.
Het is een GoedBericht-conferentie, dus ik weet niet of ik reclame mag maken voor mijn eigen website, maar als ik van het podium af gewerkt word, dan merk ik het wel! Ik heb als voorbereiding op deze studiedag een serie blogs geschreven die ik nog niet op mijn website heb gezet. Ik dacht: dat is de ultieme voorbereiding om het hele onderwerp gewoon eens uit te pluizen en op een rijtje te zetten. Die blogs liggen dus klaar. Ik ga niet meteen morgen beginnen, jullie krijgen even pauze, maar tegen het einde van de volgende week wil ik beginnen om die te publiceren. Ik heb gedurende zo'n dag ook nog wel wat dingetjes waarvan ik denk: dat moet toch nog wat scherper en uitgebreider. Maar die komen er in ieder geval aan en dan kunt u dat nog eens rustig nalezen.
Gezondewoorden.nl — een hele goede vraag! Kijk, ik stond ook wel eens ergens te spreken en dan zei ik ook: "op mijn website". Achteraf kwamen er dan mensen naar me toe die zeiden: "Er zitten mensen via de livestream te kijken die helemaal niet weten wat jouw website is." Dus bedankt voor die vraag, dan heb ik die meteen kunnen beantwoorden.
De zeventigste week, daar gaan we het over hebben. Wij gaan naar vers 27 en zoals André al aangaf, gaat dat over de zeventigste week. We hebben de 69 weken besproken en dan gaan we nu naar de laatste week. Die wordt, zoals André al aangaf, door Gabriël, die de profetie aan Daniël gaf, in tweeën verdeeld: in een eerste helft en een tweede helft.
Ik ga hetzelfde doen als wat ik in eerdere studies heb gedaan: ik ga het voorgaande weer even lezen en leg er weer wat nadruk op om bepaalde woorden te highlighten. We lezen in vers 25 — ik houd me nu echt bij de profetie van de zeventig weken, want wat daaraan voorafging hebben we al uitgebreid besproken. Daar staat: "vanaf het uitgaan van het woord om Jeruzalem te doen terugkeren en te bouwen, tot Messias, Vorst, zijn zeven weken en tweeënzestig weken. En na de tweeënzestig weken zal Messias afgesneden worden, en er is niets voor Hem. En de stad en het heiligdom zal het volk van de komende Vorst verderven. En zijn einde is met een overstroming, en tot het einde is oorlog; verwoestingen zijn vastgesteld."
Vers 26 is wat André zojuist besproken heeft. Ik leg er nog even het vergrootglas op door te benadrukken dat het in vers 25 gaat over "Messias, Vorst" (of voor mij de Vorst, maar het staat er heel kort in de grondtekst). Na 62 weken: "Messias". In vers 26 dan: "voor Hem" — ik heb het zo weergegeven; André gaf het iets anders weer, maar hij heeft uitgelegd waarom, en daar gaat het nu even niet om wat de precieze vertaling is. In ieder geval gaat het daar over Hem én over "de komende Vorst". De Vorst die komt, dat is ook de Messias. En wat ik nu doe: ik ga dus verder lezen.
Daniël 9 Vers 27 en de Identiteit van de Komende Vorst ↑ hoofdstukken
In Daniël 9 vers 27, het vers dat nu aan de beurt is, staat geschreven: "En Hij zal een verbond versterken voor de velen, één week." Dat is dus die laatste week, de zeventigste. "En in de helft van de week" – daar wordt de week in tweeën gedeeld – "zal Hij slachtoffer en offergave doen ophouden." Ja, en dan staat er nog: "en op een vleugel...", enzovoorts, maar dat is het gedeelte dat André straks gaat bespreken, dus daar zeg ik nu nog even niets over.
Ik houd hier dus op met lezen en verwijs even terug naar mijn vorige dia. Daar hebben we in de afgelopen samenkomsten vastgesteld dat het gaat over Messias, Vorst, over Hem en over de komende Vorst. En nu vinden we hier twee keer het woordje 'Hij'. De vraag is dan: wie is die 'Hij'? Gewoon begrijpend lezen en misschien even loslaten wat je altijd hebt gehoord en gedacht. Gewoon volgens de tekst en volgens de context: wie is Hij? U hoeft niet allemaal te antwoorden, want ik geef het antwoord zelf wel: Hij is Messias, de komende Vorst. Er was net iemand die vroeg: "Ga je nog een clue weggeven?" Nou, ik denk dat dit wel een clue is. Want ook dit vers – André zei net ook al over vers 26 dat het vaak anders wordt gelezen – wordt vaak anders gelezen. Dus Hij, de Messias, zal een verbond versterken voor de velen, één week.
Ik heb er even een schemaatje van gemaakt. Je moet nu niet zeggen: "Ja, maar dat is niet helemaal op schaal, Gerard." Dat begrijp ik, want we hebben 7 en 62 weken – dus dit is 7, dit is 62 weken – en dit is dan 1 week. Anders was het grafisch natuurlijk veel te klein geworden, dus ik geef hier die ene week even visueel weer. Maar die komt dus na die 7 plus 62: na 69 weken volgt de zeventigste week. Tot nu toe is er niets moeilijks aan.
"En in de helft van de week zal Hij slachtoffer en offergave doen ophouden." In de helft van de week wordt die week dus verdeeld; de zeventigste week wordt verdeeld in twee helften: een eerste helft en een tweede helft. En aangezien het een profetische week is, is het een zevental, zeven jaren. Zeven delen door twee is dus twee keer 3,5 jaar. Ik zei al dat ik vandaag van de makkelijke rekensommen ben, en dat is nog steeds zo. Laten we dit even voor wat het is, want dit hebben we besproken. Ik klik door en dan maken we gewoon een tijdlijn met twee keer 3,5 jaar: zeven jaar, de zeventigste week, de laatste week.
Dus 'Hij' – ik heb het met een hoofdletter geschreven, want Hij is de Messias, gewoon naar het verband en volgens de context – Hij zal een verbond versterken voor de velen, één week. De Messias zou dus een verbond versterken voor de velen, één week: zeven jaar lang. Zeven jaar lang wordt door de Messias een verbond versterkt of bekrachtigd. En in de helft van de week, in de helft van die zeven jaar, na drieënhalf jaar, zal Hij slachtoffer en offergave doen ophouden. Dit is gewoon even een voorwoord – ik weet niet of ik het zo goed zeg – maar in ieder geval lezen we even wat er staat en hebben we er een tekeningetje bij gemaakt.
Wanneer begint die zeventigste week nu? Nou, die vraag heb ik in mijn vorige lezing, in mijn vorige studie beantwoord. Want we hebben daar gezien: tot Messias, Vorst zijn 7 en 62 weken. Dus na die 7 plus 62 weken – ik fris jullie geheugen even op – wordt Jezus gezalfd met heilige geest (Handelingen 10 vers 38, wat verwijst naar Mattheüs 3). Zijn openbare, publieke optreden begint daar, na 69 weken. Dus de zeventigste week vangt aan bij Zijn publieke optreden, bij Zijn doop in de Jordaan. Daar begint dus de zeventigste week.
"De bestemde tijd was vervuld." Ik kreeg daar een opmerking over van iemand die zei: "In de vertaling staat toch gewoon: de tijd is vervuld?" Dat klopt, maar ik heb een vertaling weergegeven op basis van ISA. Daar staat echt het woord kairos, dus niet het woord chronos. Niet zomaar 'de tijd is vervuld', maar de bestemde, vastgestelde tijd was vervuld. En dat verkondigde Jezus vanaf Zijn doop in de Jordaan.
Het Bekrachtigen van het Nieuwe Verbond ↑ hoofdstukken
Terug naar Daniël 9 vers 27: »Hij zal een verbond versterken voor de velen, één week.« De grondbetekenis van dit woord is 'sterk zijn', 'sterk worden', versterken dus; sterk maken of versterken. Wat er niet staat, is dat hij een verbond zou sluiten. Dat staat er dus uitdrukkelijk niet. Ik wil het hier niet te veel over alternatieve versies hebben, want dan wordt het echt een hele lange dag als je dat elke keer gaat bespreken, maar zo wordt het vaak wel gelezen: dat er in de toekomst iemand zal komen die een vredesverbond zal sluiten met Israël. Dat staat hier sowieso niet. Er staat dat er een verbond versterkt zal worden, en 'hij' is de Messias. Dus niet een verbond sluiten, maar versterken. Trouwens, in het Hebreeuws is een verbond sluiten letterlijk een verbond 'snijden'; dat is echt een heel ander woord. Hij zal dus een verbond versterken, en dat doet hij voor de velen.
Om alles nog even op een rijtje te zetten: het onderwerp is Messias, de komende Vorst, namelijk »Hij«. Hij versterkt een verbond dat er al is. En dat verbond is voor de velen. Wie zijn die velen? Dat hebben we gezien in vers 24: zeventig weken zijn bepaald over jouw volk en jouw heilige stad, Daniël. De velen, dat is dat volk; daar wordt dat volk mee aangeduid. Dat verbond is dus voor de velen, en dat is jouw volk en jouw heilige stad.
Om welk verbond zou het dan gaan? Dat is natuurlijk de vraag. In Mattheüs 26 hebben we de geschiedenis waarin de Heer het laatste avondmaal houdt met zijn discipelen. Dan zegt Hij bij het doorgeven van de wijn: »Dit is Mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt uitgegoten tot vergeving van zonden.« Ik ga niet het hele vers bespreken, maar even eruit gelicht: de Heer geeft wijn door als uitbeelding; dit representeert het bloed van het verbond dat voor velen wordt uitgegoten. Dus ook hier: een verbond, en voor velen. In Daniël is het »het verbond voor de velen«, en bij Jezus is het »het bloed van het verbond dat voor velen wordt uitgegoten«. Overigens, als je de paralleltekst leest in Lukas 22, dan staat daar letterlijk »het nieuwe verbond«: »Dit is Mijn bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt.«
Toen de Messias kwam en een verbond versterkte en bekrachtigde voor de velen, was dat dus het nieuwe verbond. Dat was al lang aangekondigd, eeuwen daarvoor, bijvoorbeeld in Jeremia 31. Het nieuwe verbond was aangekondigd en zou komen; het oude verbond zou plaats moeten maken. De Heer, de Messias, is degene die dat verbond bekrachtigd heeft, versterkt en ook verkondigd. En dat heeft Hij zeven jaren gedaan: één week. Dat moet natuurlijk uitgelegd worden, en dat gaan we nu ook doen. Tenminste, dat ga ik nu doen, en een ander neemt straks het stokje over. Want hoezo een week? Hoezo zeven jaar? Heeft dat dan zeven jaar geduurd? Dat gaan we bezien.
Het gaat dus om het nieuwe verbond dat reeds aangekondigd werd in bijvoorbeeld Jeremia 31, maar op meerdere plaatsen. De Hebreeënbrief zegt trouwens: zodra er gesproken wordt van een nieuw verbond, heeft het oude afgedaan; het is dan nabij de verdwijning. Dat stond dus echt op verdwijnen. En toen de Heer kwam, verkondigde Hij ook dat nieuwe verbond. Ik geef een paar voorbeelden. Paulus zegt in Romeinen 15: »Want ik zeg dat Christus een dienaar van de besnijdenis is geworden vanwege Gods waarheid, om de beloften van de vaderen te bevestigen.« De Heer, Christus, was een dienaar van de besnijdenis en kwam tot het Joodse volk, tot de verloren schapen van het huis van Israël. Wat deed Hij daar? De beloften van de vaderen bevestigen! Bevestigen wat God aan de vaderen al had beloofd, zoals in Jeremia 31 (waarover in Hebreeën 9 vers 15 ook gesproken wordt en wat daar wordt aangehaald). Bevestigen is hier gewoon het woord dat gebruikt wordt en dat hetzelfde is als versterken of bekrachtigen. Als iets bevestigd wordt, dan wordt het vastgesteld, bekrachtigd en versterkt. Dat deed Christus volgens Paulus in Romeinen 15: Hij kwam om de beloften van de vaderen te bevestigen, te bekrachtigen en te versterken, precies zoals dat tegen Daniël gezegd werd.
Ik heb er nog een uit het Nieuwe Testament, en daar laat ik het dan even bij, maar dit is wel een hele mooie. In Hebreeën 2 staat: »Hoe zullen wij ontkomen, als wij zo'n grote redding veronachtzamen, die, nadat zij haar begin had genomen om gesproken te worden door de Heer, aan ons bevestigd werd door hen die het gehoord hadden, God medegetuigende door tekenen en wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van heilige geest, overeenkomstig Zijn wil.« Het is een hele mond vol, maar het gaat me er nu even om dat de boodschap die de Heer bracht — die haar begin had genomen om gesproken te worden door de Heer — door God ondersteund werd met getuigenis. God getuigde mee door tekenen, wonderen, allerlei krachten en uitdelingen van heilige geest.
Anders gezegd: de boodschap die Jezus bracht als Messias, werd bekrachtigd doordat God meegetuigde. Het werd versterkt — dat is hetzelfde: versterkt, bekrachtigd, bevestigd — doordat God meegetuigde door Hem aan te wijzen als Messias, niet alleen bij zijn dood, maar ook door alle wonderen die Hij deed. Daardoor wist men, kon men weten: Hij is de Messias, en daardoor werd het bekrachtigd. Dat is een mooi vers in verband met die twee helften van die zeventigste week. Want Hij kwam in het begin van de zeventigste week, maar ze hebben Hem gedood en gekruisigd. Maar na zijn opstanding — en ik wijs nu alvast vooruit naar wat André straks gaat vertellen — namen de apostelen dat getuigenis over. En ook dat werd ondersteund door tekenen, wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van de Heilige Geest. Dat is wat de schrijver van de Hebreeënbrief hier zegt: niet alleen gesproken door de Heer, maar ook bevestigd door hen die Hem gehoord hebben. Dat is alvast een mooie cliffhanger naar André's spreekbeurt.
De Duur van Jezus' Openbare Optreden ↑ hoofdstukken
Dan is de vraag: hoe lang duurde het openbare optreden van Jezus? Kunnen we dat weten? Nou, dat kunnen we weten uit Daniël, zeg ik dan. Maar dan loop ik even op de zaken vooruit.
We kunnen het ongeveer weten uit de evangeliën: hoe lang heeft de Heer Jezus opgetreden, hoe lang duurde zijn publieke, zijn openbare optreden? We vinden een gelijkenis in de evangeliën waarin Hij zei: iemand had een vijgenboom – als uitbeelding van Israël, er zijn meerdere gelijkenissen met een vijgenboom – geplant in zijn wijngaard, en hij kwam om vruchten eraan te zoeken en vond die niet. Dit is een type – ik zeg het heel snel – van de Heer die kwam tot zijn volk, kwam zoeken of zij vrucht droegen, maar Hij vond die niet. En hij zei tot de wijngaardenier: zie, drie jaren kom ik vrucht zoeken aan deze vijgenboom en ik vind die niet; hak hem om, waarom maakt hij ook de grond nutteloos? Dus als uitbeelding van de Heer die tot Israël kwam, maar geen vrucht vond. En in ieder geval drie jaar; dat is niet heel precies, we willen dat natuurlijk preciezer weten, maar laat ik dan zeggen: ruim drie jaar, want er worden in ieder geval drie jaren genoemd. Drie jaren.
Nou, dan heb ik nog een aanwijzing die we vinden in de evangeliën, en dat is gewoon als we kijken naar het Johannesevangelie. Daarin wordt er een aantal Pascha's genoemd, en dat is natuurlijk een jaarlijks terugkerend feest. De eerste vinden we in Johannes 2: het Pascha van de Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem. In Johannes 6: en het Pascha, het feest van de Joden, was nabij. En in Johannes 12: Jezus kwam dan zes dagen vóór het Pascha in Bethanië. Dat zijn er drie. Maar er is nog een vierde, alleen die is wat cryptischer. In Johannes 4 zegt Jezus: zeggen jullie niet: nog vier maanden en dan komt de oogst? En dan leest u vervolgens in Johannes 5: na deze dingen was er een feest van de Joden. Ik ga het nu niet helemaal uitpluizen, maar dat moet dus het Pascha geweest zijn. Dus vier keer is er in het Johannesevangelie sprake van een Pascha. Dan komen we op een periode van ruim drie tot vier jaar, ergens tussen de drie en vier jaar.
En het mooie is – laat ik hem eerst weggeven – het mooie is dat we uit de evangeliën niet de precieze termijn kunnen halen van het openbare optreden van Jezus, maar Daniël voorzegt de precieze termijn. En die is drieënhalf jaar: een halve week. Denk nog even terug aan mijn studie over vers 25; daar wordt iets besproken waar heel veel discussie over is, namelijk de chronologie van Ezra en Nehemia. Hoe lang heeft het geduurd dat stad en tempel herbouwd werden? Daar zegt men van alles over, maar ook daarvan zeg ik: Daniël geeft het antwoord. Hij heeft het precies – nou ja, Gabriël aan Daniël – maar daar is het precies voorzegd. Dus de voorzegging is nauwkeuriger dan de uiteindelijke beschrijving van de gebeurtenissen. Dat is toch bijzonder! En dat is hier het geval, maar dat is ook zo met die zeven weken, die jubeljaarscyclus waarin stad en tempel, Jeruzalem, werd herbouwd en voltooid. Ja, wat gebeurt er in de helft van de week?
Het Doen Ophouden van Slachtoffer en Offergave ↑ hoofdstukken
Dan staat er vervolgens in vers 27: "En in de helft van de week zal Hij slachtoffer en offergave doen ophouden." Slachtoffer en spijsoffer, zeggen sommige vertalingen. Hier staat het woord minḥāh. Die slachtoffers wijzen op de bloedige offers, de lammeren en bokken die geslacht en geofferd werden. En offergave – vandaar inderdaad ook vertaald met spijsoffer, soms met graanoffer – gaat over de niet-bloedige offers. Samen vormen ze de hele offerdienst. En die zou de Messias in de helft van de week doen ophouden. Dat is wat hier staat.
Dus we hebben een zeventigste week en na drieënhalf jaar – na Zijn publieke optreden dus, zeg ik er dan bij – zou Hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden. Kijk, men hield toen niet op met offeren, want dat deed men pas in 70 na Christus toen de tempel verwoest werd; men is gewoon doorgegaan met offeren. Maar Híj bracht de vervulling van die offers. Hij kwam als Degene naar wie al die offers in de offerdienst verwezen. Daarmee had de hele offerdienst zijn functie en geldigheid verloren; het was vervuld, het had geen functie en geen geldigheid meer.
En als ik van daaruit redeneer, dan weet ik ook waarom de tempel verwoest is. Die tempel moest weg, want het offer was gebracht. En dat is later dus ook gebeurd – daar zal André straks denk ik nog wel iets over gaan zeggen. Maar Hij zou in de helft van de week slachtoffer en offergave doen ophouden. Hij bracht de vervulling van al die offers, en daarmee verloor de offerdienst zijn geldigheid. Men is weliswaar doorgegaan met offeren, maar Hij zou dat doen ophouden.
In het Hebreeuws staat hier een woord dat afgeleid is van wat we vandaag al vaker zijn tegengekomen: šābat, het doen ophouden. Hier gaat het over de Messias die slachtoffer en offergave zou doen ophouden. Nu zijn er misschien mensen in de zaal die denken: ja, maar in Daniël staat toch ook dat iemand het gedurig offer zou wegnemen? Maar kijk, hier gaat het over de Messias. Elders in Daniël gaat het over een vijandige macht of vijandige heerser die de offerdienst zal doen ophouden in de toekomst. Daaruit concludeert men weleens dat "hij" in Daniël 9:27 ook die vijandige macht in de toekomst is. Maar het woord dat hier gebruikt wordt, is een heel ander woord dan de woorden die elders worden gebruikt met betrekking tot die vijandige heerser. Daar worden andere woorden voor gebruikt. Dít is echt doen ophouden, en daar wordt het gedurig offer weggenomen of verwijderd. Daniël gebruikt dus niet dezelfde formulering als bij die vijandige heerser die het offer wegneemt.
Wat betekent het nu dat de Messias slachtoffer en spijsoffer heeft doen ophouden? Daarvoor gaan we naar de Hebreeënbrief, waar we vandaag ook al een aantal keren in terecht zijn gekomen. Daar komen we nu weer in. In Hebreeën staat: "Hij heft het eerste op, opdat Hij het tweede zou doen staan." Dit is weliswaar een beetje aan het einde van de dag en ik ga het nu even technisch moeilijk maken, maar in Daniël 9 vers 27 in de Septuagint – de Griekse vertaling van het Oude Testament – wordt voor ophouden het woord airō gebruikt. In Hebreeën 10 vers 9 wordt een verwant woord met een voorzetsel ervoor gebruikt als de schrijver van de Hebreeënbrief zegt: "Hij heft het eerste op, opdat Hij het tweede zou doen staan."
Het eerste is de offerdienst van het oude verbond, lees het maar na. En het tweede wat gesteld wordt, wat Hij zou doen staan, dat is de offergave van het lichaam van Jezus Christus. En dat is voor eens en voor altijd. Al die offers die gebracht zijn vóórdat Hij kwam, hadden daarmee afgedaan. En dus heeft Hij in de helft van de week slachtoffer en offergave doen ophouden. Hij heeft het opgeheven door Zijn offer, want Zijn offer kwam daarvoor in de plaats en dat werd gesteld, bekrachtigd en vastgesteld.
Hebreeën 10 zegt dan ook: "Waar nu vergeving van deze is, is er geen offergave meer voor de zonde." Men kan dan wel gewoon zijn doorgegaan met offeren, maar het had zijn geldigheid verloren. Dat zegt de schrijver van de Hebreeënbrief ook: ook in die tijd werd er immers gewoon nog geofferd, en de schrijver zegt dat er geen offergave meer is voor de zonde. Dat is voorbij, het heeft zijn functie en geldigheid verloren. Dus die offerdienst ging weliswaar door, maar het offer waar deze naar vooruitwees was gebracht, en de offers hadden hiermee feitelijk hun functie verloren.
Dit was de eerste helft van de zeventigste week, en nu geef ik het woord aan André voor de tweede helft. Nou, dat is wel een hele korte onderbreking!
De Tweede Helft van de Zeventigste Week ↑ hoofdstukken
En inderdaad, dan mag ik het laatste gedeelte van de hele profetie van de zeventig weken nog met jullie bespreken: na de helft van de week. Als er niks mis is met uw kortetermijngeheugen, zult u zich herinneren dat Gerard eindigde bij de helft van de week: de Messias deed slachtoffer en spijsoffer ophouden.
Ja, Hijzelf is het slachtoffer. Hij werd geslacht tijdens Pascha trouwens en steeg drie dagen later als het ware offer op. Slachtoffer neem ik heel letterlijk en het is in feite een uitbeelding van de dood en de opstanding van de Heer Jezus Christus. En daarmee zeg ik eigenlijk ook niet impliciet, maar expliciet, dat het slachtoffer niet alleen spreekt van Jezus Christus' dood, zoals de gebruikelijke gedachte is. Nee, het is in feite het offer dat volgt op de slachting. Doordat Hij het slachtoffer is, werd Hij geslacht, maar Hij stond ook op. En waarom zeg ik dat nu in dit verband? Wel, daardoor kon Hij als de Opgestane ook de rest van de week het verbond bekrachtigen.
Want je zou je de vraag kunnen stellen: als de Messias nu komt, Hij wordt afgesneden en wel in de helft van de week — na drieënhalf jaar van zijn optreden sterft Hij — Hij zou toch een week lang het verbond bevestigen? Hoe zit het dan met de rest, of anders gezegd: hoe dan de tweede helft nog van die week?
Nou, dat is niet zo moeilijk en feitelijk zou het voor ons helemaal geen probleem moeten zijn. Want wij weten — en dat is nu juist de hele clou van het evangelie — dat Hij die geslacht is, Hij die afgesneden is uit het land der levenden, is opgestaan uit de doden. En daardoor, juist uit dien hoofde, is Hij in staat om het verbond vervolgens nog te bekrachtigen.
Dus je krijgt dit verhaal: drieënhalf jaar tot aan zijn dood en opstanding, en vervolgens nog eens drieënhalf jaar. Die eerste drieënhalf jaar begon bij de doop van Jezus, toen Hij gezalfd werd met heilige geest. Vervolgens aan het einde van de helft van de week zijn dood en opstanding: het ware slachtoffer waarmee Hij in ieder geval het offer deed ophouden. Dat men niet ophield met offeren, dat is wat anders, maar Hij dééd het ophouden. En vervolgens zou Hij nog eens drieënhalf jaar het verbond bekrachtigen. Ik heb daar even een vraagtekentje bij gezet, en daar wil ik graag ook nog antwoord op geven, want het past echt perfect — wat je natuurlijk ook van het Woord mag verwachten.
En dat blijkt ook wel, want je leest — en dat is heel apart zoals het boek Handelingen ook aanvangt. U weet: het boek Handelingen is geschreven door Lukas. Eigenlijk is het het tweede boek van Lukas. Dat staat ook in Handelingen 1 vers 1: "Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teofilus" — dat is degene aan wie hij het opdraagt, dit schrijft Lukas dus — "over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren." Dit is in feite wat Hij gedaan heeft in de 24 hoofdstukken van het Lukasevangelie. En wat wordt daarin beschreven? Nou, al wat Jezus begonnen is te doen en te leren. En wel tot de dag dat Hij werd opgenomen. Dat is nog weer veertig dagen na zijn opstanding, zo moet ik het eigenlijk zeggen.
Maar met wat Jezus begonnen is te doen, wordt impliciet ook gezegd dat het boek Handelingen kennelijk de beschrijving is van de voortzetting van wat Jezus Christus deed en leerde. Als het eerste boek gewijd is aan wat Jezus begonnen is te doen en te leren tot aan de dag dat Hij werd opgenomen, dan moet het vervolg daarop de beschrijving zijn van wat Jezus daarna deed en leerde. Feitelijk noemen wij het de handelingen van de apostelen, maar het zijn dus gewoon, conform de introductie van het boek, de daden, de handelingen en het onderwijs van de Heer Jezus Christus Zelf, die nu zijn bediening voortzet, maar dan vanuit de hemel, om zo te zeggen.
Bekrachtiging in Handelingen en de Steniging van Stefanus ↑ hoofdstukken
Wat je dan krijgt in Handelingen 1 tot en met 7, beschrijft hoe opnieuw in Jeruzalem voor het volk en de heilige stad het verbond wordt bekrachtigd. In dit geval zou je kunnen denken aan het verbond dat God ooit gesloten heeft met Abraham en de belofte die Hij gegeven heeft, maar ook, zoals Gerard zojuist aangaf, in feite het nieuwe verbond dat God zou sluiten ter vervanging van het oude verbond. In die hoofdstukken wordt dat beschreven. En om het eventjes nog wat scherper te krijgen: nu is het de opgestane Messias die daarin centraal staat. Ook de apostelen treden op namens de opgestane Messias, en het getuigenis daar in Jeruzalem wordt vergezeld van vele en grote wondertekenen. Je leest dat elke keer weer in die hoofdstukken.
Waarom zeg ik hoofdstuk 1 tot en met 7? Omdat in die hoofdstukken de adressering en de bediening helemaal nog geconcentreerd is in de heilige stad en gericht is op het Joodse volk — uiteraard het Joodse volk, maar heel specifiek ook Daniëls heilige stad, om het zo te zeggen. Gedurende die hoofdstukken wordt beschreven hoe het getuigenis klinkt van Jezus Christus die is opgestaan uit de doden. Unaniem hebben alle apostelen, zonder uitzondering, gestaan voor dit getuigenis. Maar God bevestigde dat ook — of eigenlijk moet ik in dit geval zeggen: de Messias bevestigde dat getuigenis met grote tekenen en wonderen. Je leest dat telkens weer. Ik had eigenlijk nog even een lijstje moeten geven waarin je leest dat het in Jeruzalem zo klinkt en niet alleen klinkt, maar ook gezien wordt. Het wordt niet alleen gehoord, maar met kracht en tekenen wordt het ook getoond. Zij zien deze tekenen met hun eigen ogen. Je leest dat van Petrus en je leest dat van de apostelen: iedere keer wordt dat in Jeruzalem met grote kracht bekrachtigd.
En dat eindigt met Stefanus. Hij is de laatste die in Jeruzalem dat getuigenis laat klinken, maar ook dit bevestigt met krachten, tekenen en wonderen. In Handelingen 6 vers 8 lees je over Stefanus — hij was een van de diakenen: "En Stefanus, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk." Ook weer: welk volk? Het volk van Israël, en daar in Jeruzalem. Dat ging zo sterk dat het Sanhedrin zich daar wederom tegen verzet. Dat was natuurlijk al bekend uit de evangeliën, waarin de Joodse leiders, het Sanhedrin, uiteindelijk besloten om Jezus om te brengen. Eigenlijk hebben ze Hem overgeleverd aan de Romeinen.
Dit argument noem ik nu eventjes nog ter aanvulling van wat ik in mijn vorige studie eigenlijk ook nog had moeten zeggen; ik werd er nog eventjes op gewezen, met dank. Het ging erom dat de Romeinen de stad en de tempel hebben verwoest — weet u waar we het over hadden? Je leest ook dat gezegd wordt, dat Petrus tegen zijn volksgenoten zegt: "Jullie hebben de Messias vermoord." Maar dat was feitelijk niet zo, zou je kunnen zeggen, want Israël heeft de Heer, de Messias, overgeleverd en de Romeinen hebben Hem gekruisigd. Jawel, maar degene die aangewezen wordt als de werkelijke schuldige, degene die het oorzakelijk, causaal zeg maar, heeft gedaan, dat was Israël, het Joodse volk. Vervolgens is het instrumenteel, formeel om het netjes te zeggen, voltrokken door de Romeinen. En dat is hier trouwens ook weer het geval: het Sanhedrin verzet zich tegen deze Stefanus.
Hij wordt gevangengenomen en gaat zich verantwoorden. Hij houdt ook een striemende redevoering; dat wil zeggen, hij vertelt gewoon wat hij doet in Handelingen 7, een lang hoofdstuk. Hij vertelt eigenlijk dat Israël nooit anders gedaan heeft dan zich verzetten tegen de boodschappers die God gezonden heeft, en uiteindelijk culmineerde dat in de kruisiging van Jezus Christus. En nu deden ze het opnieuw: God had Zijn Zoon uit de doden opgewekt, en nu werd ook de opgestane Messias verworpen. Stefanus vertelt dat, en ze konden hem niet meer aanhoren. Je leest dat ze zich als één man tegen hem keren; ze werpen hem buiten de stad en stenigen hem. Dit is het moment waarop het getuigenis en de bekrachtiging van het verbond aan het adres van het Joodse volk en Jeruzalem eindigt. Tot die tijd klinkt het daar in Jeruzalem en wordt het bekrachtigd met vele krachten, tekenen en wonderen, en dan houdt het op.
Vervolgens lees je trouwens dat er een grote vervolging uitbreekt; ze worden eigenlijk allemaal verstrooid buiten de stad. En pal daarop — u weet het wel — bij die gelegenheid dat Stefanus gestenigd wordt, is er een heel markant moment. Op het laatste moment, terwijl hij gestenigd wordt, roept hij uit: "Ik zie Jezus staande aan de rechterhand Gods!" En zijn gelaat straalde als van een engel. Hij getuigt daarmee dus: "Ik zie Jezus staande" — dat wil zeggen: ik zie de opgestane Jezus. Dat was het laatste wat van Stefanus werd vernomen. De kroon — want dat is wat 'Stefanus' betekent — werd verworpen.
Achter de coulissen verschijnt dan voor het eerst Saulus van Tarsus op het toneel. Je leest vervolgens dat Saulus van Tarsus dat bevestigde; hij was nog een jonge man en bewaarde de klederen. We hadden het hier onlangs in Capelle nog over. Maar in ieder geval, hij bewaarde de klederen. En dan lees je vervolgens dat Saulus van Tarsus eigenlijk de rol overneemt van dé vervolger van de Ecclesia. Op een gegeven moment gaat hij zelfs met brieven en volmacht van de hogepriester naar het buitenland om daar zijn missie te volvoeren. En dan, op de weg naar Damascus, wordt hij geroepen. Wat ik hiermee wil aangeven, is dat tot aan de steniging van Stefanus het verbond wordt bekrachtigd. Daarna eindigt het ook. Vervolgens wordt Saulus van Tarsus geroepen; hoeveel tijd daartussen zit, is maar heel weinig. Het ene wordt beschreven in Handelingen 7 en zijn roeping op de weg naar Damascus in Handelingen 9.
Maar nu even iets anders: wanneer is dat geweest? Het is eigenlijk wel grappig wat Gerard zojuist vertelde, en ook heel frappant natuurlijk, dat vooraf met precisie wordt voorzegd hoe de termijn verdeeld is: zeven weken, tweeënzestig weken, en dan de helft van de week. We weten uit de profetie dat de bediening van de Heer drieënhalf jaar geduurd heeft. Uit de evangeliën kun je dat ongeveer opmaken, maar profetisch werd het al zo voorzegd. En dat geldt eigenlijk ook voor die tweede helft van die jaarweek. Want nu is de vraag: wanneer werd dat verbond bekrachtigd, of wanneer eindigde die week dan? Die drieënhalf jaar, wanneer was het dat Stefanus gestenigd werd? Uit de profetie van Daniël kun je opmaken: dat moet dan drieënhalf jaar later zijn geweest. Jawel, maar dan zou het wel mooi zijn als u daar historisch of vanuit een andere route een bevestiging van krijgt.
Die wil ik nu kort even presenteren. Ik heb juist deze week ook een blogje daaraan gewijd. Ik heb twee blogs geschreven: één over het beginpunt van de zeventig jaarweken en eentje over het eindpunt, de roeping van Paulus. Dus dan moet u maar even kijken op mijn website — en wat is mijn website? GoedBericht!
Chronologie van Handelingen en de Roeping van Paulus ↑ hoofdstukken
Een belangrijk ijkpunt in de chronologie – dat wil zeggen in de tijdrekening van het boek Handelingen, en dat zult u in alle verklaringen kunnen zien – is de apostelvergadering in Handelingen 15. Daar is vriend en vijand het over eens: sommigen zeggen 49, maar verreweg de meesten zeggen dat dit in het jaar 48 AD is geweest, Anno Domini, 48 na Christus zo u wilt.
Hoe komt men daaraan? Dat is een verhaal apart, maar dat gaat uit van wat je leest in Handelingen 18 vers 12 over ene Gallio. Gallio was proconsul van Achaje. En dat weten we – dat is de aardigheid, want in de Romeinse geschiedschrijving is dat een heel bekend punt en officieel beschreven – doordat hij één jaar proconsul is geweest, en wel in de periode 51/52 AD. In die twee kalenderjaren heeft hij één jaar die functie bekleed. En als je dan vanuit Handelingen 18 vers 12 terugrekent, dan kom je uit in het jaar 48 waarin de apostelvergadering een paar jaar eerder heeft plaatsgevonden. Dat is Handelingen 15 dus. Kijk het maar eens na. Ik noem even het motief; ik kan het nu niet tot in detail beschrijven, maar ik heb wel de belangrijkste redenen aangedragen waarom men dat denkt.
Waarom zeg ik dit nu? Dat is omdat Paulus in Galaten 2 vers 1 zegt dat die apostelvergadering in Handelingen 15 plaatsvond veertien jaar na zijn roeping. Paulus zegt het zelf: na veertien jaren ging ik wederom op naar Jeruzalem. En nu komen we weer bij een hele eenvoudige rekensom: als je het jaar 48 hebt waarin de apostelvergadering plaatsvond, en veertien jaar eerder werd hij geroepen volgens Paulus' eigen zeggen, in welk jaar kom je dan uit? Ik heb even een calculator gepakt, en toen kwam ik uit bij het jaar 34.
Hé, die is apart! Want gaan we nu uit van... Dat is trouwens ook weer een punt apart, maar het jaar 30 is tamelijk onomstreden, of in ieder geval zeer gangbaar dat het jaar 30 inderdaad het jaar is geweest dat de Heer Jezus stierf en opstond uit de doden. Daar zijn prachtige argumenten voor, want het is ook precies veertig jaar vóór de verwoesting van de tempel in Jeruzalem. Maar als we ervan uitgaan dat het jaar 30 het jaar was van Jezus' dood en opstanding, dan betekent dat dus dat Paulus' roeping één jaar na de steniging van Stefanus was.
Bent u er nog? Want ik weet dat het nu wel erg veel wordt. Als de Heer stierf in het jaar 30 met Pascha, en drieënhalf jaar later – dat was het einde van de zeventigste week – hield de bekrachtiging van het verbond op bij de steniging van Stefanus, dan moet dat dus in het najaar van 33 geweest zijn. En als Paulus nu geroepen werd in het jaar 34, dan betekent het dat dat dus ongeveer een jaar daarna is geweest. Bent u er allemaal nog? Zo moeilijk is het nou ook weer niet!
Dit sluit naadloos aan bij het hele verslag in Handelingen. Nogmaals: in Daniël vind je de precieze aanwijzing van de termijn, dat is waar. Maar in het boek Handelingen, in de beschrijving, past dit perfect. Want Saulus verschijnt voor het eerst op het toneel bij Stefanus' steniging, wordt vervolgens een extreem vervolger en wordt onder die omstandigheden geroepen. Dus de roeping van Paulus in 34 AD, dat is inderdaad zoals het zich in het boek Handelingen aandient: korte tijd na de steniging van Stefanus. Daarmee kun je dus inderdaad zien dat de Heer niet alleen gedurende 3,5 jaar Zijn bediening hier op aarde heeft gehad, maar ook dat het verbond na Zijn dood en opstanding nog eens 3,5 jaar bevestigd en bekrachtigd is, namelijk tot aan de dood en de steniging van Stefanus. En vervolgens werd Paulus geroepen.
Dan krijg je dit verhaal: als we het hebben over het jaar 30 als het jaar van de dood en de opstanding, en daaraan zijn 3,5 jaar voorafgegaan, dan moet het dus in het najaar van 26 AD geweest zijn dat de Heer Jezus Zijn publieke bediening aanving. In het najaar van 26... Hé, waar leven we nu in? In het najaar van 2026! Dat is precies 2000 jaar geleden, in deze maand trouwens nog, dat de Heer Zijn publieke bediening aanving! Eigenlijk ook – als u er alert op bent – dat de laatste jaarweek eigenlijk begonnen is... Ik bedoel niet de zeventigste, maar snapt u? Goed, ik zinspeel of refereer nu eigenlijk aan Bijbelstudies die ik op mijn website heb geplaatst, maar wat ik vandaag hier nog niet heb betoogd. Dus sorry, dat mag u er weer even uitknippen, maar het is wel zo trouwens!
Dus: in het najaar van 26 werd de Heer gedoopt. Vervolgens, drieënhalf jaar later, stierf Hij, en wat meer is: Hij werd opgewekt en voer ten hemel. Alweer drieënhalf jaar later werd Stefanus gestenigd, en nog weer een jaar later werd Paulus geroepen. En de aardigheid is dus: die zeventigste week is inderdaad zeven jaren. Maar aangezien het de zeventigste jaarweek was, was wat daarop volgde dus ook een jubeljaar. En was het jaar 34 een jubeljaar? Ja! Ik sla dat nu dan toch maar even over, anders raak ik uit de lijn van mijn betoog. Dan moet u wat langer blijven zitten... Goed, houd dit even vast: die zeventigste week eindigde in het najaar van 33, en het jaar erop werd Paulus dan geroepen.
Maar een paar zinsdelen van Daniël 9 hebben we nog niet gezien. We hebben wel die zeventigste week gezien, twee gelijke helften, het verbond bekrachtigd. Maar er zou ook nog wat anders gebeuren.
Gruwelen op een Vleugel en Verwoesting tot de Voleinding ↑ hoofdstukken
Namelijk: '...en op een vleugel...' of een rand of zijvleugel. Het Hebreeuws kan verschillende dingen betekenen. In dit geval, in dit verband, heb ik de indruk dat het vooral gaat over een vleugel, namelijk een zijvleugel van het heiligdom, dus een deel van het tempelcomplex. En op een vleugel zijn gruwelen die verwoesten. Een gruwel in de Bijbel is afgoderij of zelfs godslastering. En gruwelen die verwoesten, dat is dus afgoderij en godslastering die op het tempelcomplex, op een vleugel of een bijgebouw of aan een kant van dat tempelterrein verwoesting brengen.
En ik moet er wel bij zeggen wat er gebeurd is. In feite loopt dat 27e vers in hoge mate parallel met het 26e vers. In vers 26 was het de Messias die wordt afgesneden zonder dat Hij iets heeft. Vervolgens wordt dat in Daniël 9 in vers 27 nader gespecificeerd en wordt er gezegd: Hij, die komende Vorst, die Messias, zal het verbond bevestigen — twee gelijke helften enzovoorts — en in de helft van de week zal Hij slachtoffer en offergave doen ophouden. En vervolgens zal er daarna ook verwoesting komen, zoals dat in Daniël 9 vers 26 ook gezegd werd: namelijk dat stad en heiligdom zouden worden verwoest. Ja, dat wordt hier dan ook weer gezegd.
'En op een vleugel zijn gruwelen die verwoesten; en tot de voleinding zal wat vastbesloten is...' Dit is een van de meest complexe zinnen, ook taalkundig gezien, van deze hele passage die we vandaag besproken hebben. En toch, zo moeilijk is het nou ook weer niet als je even moeite doet om het te begrijpen: '...en tot de voleinding zal wat vastbesloten is worden uitgegoten over het verwoeste.' Ik geef toe, dat is geen lekker Nederlands. Nee, maar waar het over gaat, is dat er op dat tempelplein, op een vleugel daar, gruwelen zijn die verwoesting brengen, en dat zal tot de voleinding toe plaatsvinden. En dat is vastbesloten.
Maar dit is precies wat vers 26 ook al zei; in feite is dit de echo van vers 26, namelijk dat er tot het einde vastbesloten verwoestingen zullen zijn. Dus de zeventigste week is voorbij, en vervolgens worden de stad en de tempel verwoest. En tot de voleinding aan toe zal er verwoesting zijn en oorlog. 'En tot de voleinding zal wat vastbesloten is...' Dat wil zeggen: het is dus niet willekeurig, het is niet toevallig. '...zal wat vastbesloten is worden uitgegoten over het verwoeste.' Dat wil zeggen: God heeft deze dingen vastbesloten, en dat wat verwoest is, zal alleen maar daarmee overgoten worden. Met andere woorden, het komt er eigenlijk gewoon op neer dat na de verwoesting van de tempel ooit in het jaar 70, tot aan de voleinding toe — tot aan de eindtijd, en die is hier aanstaande, kan ik u bij dezen ook zeggen, maar dat wist u natuurlijk al lang — er inderdaad alleen maar vastbesloten verwoesting zou zijn.
En dat is eigenlijk waar ik de vorige lezing ook mee eindigde: dat is precies het verhaal van de afgelopen 2000 jaar. Er staat nu daar op dat tempelplein, op de heilige plaats, al sinds 1300 jaar een heiligdom met de boodschap: God heeft geen zoon! De belangrijkste Bijbelse waarheid wordt daar regelrecht weersproken. Wat daar staat, is in feite een gruwel; het is godslastering ook. En niets anders dan ellende en verwoesting zal het deel zijn tot aan de voleinding, en dat is vastbesloten. En er komt trouwens nog — dat is nu niet het onderwerp, maar binnen niet al te lange tijd gaat er opnieuw weer een offerdienst plaatsvinden, en die zal worden weggenomen. Dat is trouwens ook Daniël. U begrijpt dat hier natuurlijk nog zo enorm veel meer over te zeggen is. Maar nu gaan we weer even helemaal terug, want dit is het allerbelangrijkste, en ik vind ook dat u dat moet weten.
Verzegeling van Gezicht en Profeet en de 2000 Jaar ↑ hoofdstukken
We gaan nu weer even terug naar Daniël 9 vers 24. Weet u nog: die zeventig weken zouden culmineren in de komst van de Messias en alles wat Hij tot stand zou brengen, maar het zou ook leiden tot de verzegeling van gezicht en profeet. Israël zou haar eigen boeken niet meer verstaan. Het zou een verzegeld, een gesloten boek worden; er ligt een bedekking op en dat is van Gods wege. Net zo goed als het van Gods wege is dat die stad tot aan de voleinding toe verwoest wordt en dat er gruwelijke dingen plaatsvinden. Maar het leidt dus ook tot de verzegeling van gezicht en profeet. Sinds de dood en de opstanding van de Heer Jezus Christus, de tijd waarin Hij Zich heeft aangediend in die zeventigste week, is het volk, is het boek, is gezicht en profeet verzegeld en toegesloten.
En nu ben ik dus hier en laat ik nog even dit schema zien. Je krijgt dus deze periode, en dit is de Anno Hominis-jaarrekening. Weet u wat dat is? Dat is de jaarrekening vanaf Adam over die drie keer tweeduizend jaar. Maar waar wij zitten, daar eindigde de zeventigste week. Dat is deze periode die u hier ziet; ik hoef het getal niet uit te drukken, want dan breekt mijn tong. En dat was de zeventigste week, die eindigde bij de steniging van Stefanus.
Vervolgens krijg je dan het jaar 4000. En dat is een jubileumjaar, en daarin werd Paulus geroepen. Israël was gestruikeld; officieel is toen de opgestane Messias verworpen. Israël struikelde, vervolgens wordt Paulus geroepen en hij gaat de boodschap naar de natiën brengen. En in die tijd dat het woord, het heil en de geweldige boodschap die hij te melden heeft van Gods wegen, dat hij die gaat verkondigen onder de natiën, wordt Israël verblind en wordt gezicht en profeet voor volk en stad verzegeld. Men zal het niet verstaan. Dat is precies zoals de profetie van Daniël 9 dat voorzegt: perfect getimed, maar ook perfect en volmaakt vervuld.
In feite wat we de afgelopen tweeduizend jaar zien, is inderdaad een volk waarvoor profeet en gezicht – notabene speciaal voor hen bestemd – verzegeld is. En nu loopt de termijn ook weer ten einde, want de tweeduizend jaren zijn bijna voorbij. Maar vervolgens gaat die boodschap van de apostel der natiën naar de natiën. En het is eigenlijk zo bijzonder dat de Heer juist dat jaar 4000 heeft uitgekozen om deze man, deze apostel van de natiën, uit te kiezen en te roepen.
Zo zijn we aan het einde gekomen van een bespreking van de zeventig jaarweken. In feite zijn het maar de verzen 24, 25, 26 en 27 die we besproken hebben. Ik neem aan dat wat er vandaag zo gezegd is... Ik geef toe: het is niet de standaardverklaring. Check het zelf! Gerard en ik zijn nogal overtuigd van wat we naar voren gebracht hebben – anders moet je namelijk je mond houden, vind ik. Maar pas als u het gecheckt hebt en bevestigd hebt dat het inderdaad in de Schrift staat, dan moet u het voor waar aannemen. Eerder niet. Maar ik ben blij dat u allemaal bereidwillig bent geweest om het aan te horen. En ja, ik moet u zeggen: ik vind het geweldig. Het allermooiste vind ik dat we een God hebben die het heden kent, de toekomst overziet en ik stel voor dat we...
UltimateGoodNews