zolang de tempel nog stond…
20-09-2026 - Geplaatst door Andre PietEpe
In zijn brieven spreekt Paulus opvallend sterk over de komst van de Heer als iets dat nabij en aanstaande was. Hij hield er zelfs rekening mee dat hijzelf nog tot “de levenden” zou behoren wanneer de Heer zou komen. Hoe kon Paulus dat verwachten, terwijl hij wist van Israëls verharding en van Gods werk onder de natiën? Vooral de brieven aan de Thessalonikers werpen daarop verrassend licht. Paulus kende de volgorde van de profetische gebeurtenissen — maar niet hun tijdsduur. En één gegeven dat voor hem en zijn lezers vanzelfsprekend was, zien wij gemakkelijk over het hoofd: de tempel in Jeruzalem stond nog.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: Zolang de Tempel Nog Stond
- De Nabijverwachting van Petrus in Handelingen 3
- De Afwijzing Door Israël en de Roeping van Paulus
- Het Raadsel Rond Paulus' Nabijverwachting
- De Verwachting van de Levenden in 1 Thessalonicenzen 4
- De Afstandneming en de Mens Der Wetteloosheid
- Het Gereedstaande Tempeldecor in de Eerste Eeuw
- Het Jaar 70 en de Verwoesting van de Tempel
- Petrus 3: Eén Dag Is als Duizend Jaar
- De Langmoedigheid van de Heer en het Uitzicht op Herstel
Inleiding: Zolang de Tempel Nog Stond ↑ hoofdstukken
Een hele goedemorgen, vrienden hier in Epe. Het is nog niet zo heel lang geleden dat ik hier ook mocht zijn, toen ik gebracht werd door mijn vrouw, zeg maar. Dat was de versie van Herman dan. U zult het deze morgen dan toch weer met mij moeten doen. Maar hartelijk dank voor de uitnodiging om hier vanmorgen met jullie het Woord te mogen delen.
Ik kan me zo voorstellen dat als u de titeldia hier achter mij ziet — inderdaad, die is wat minder helder dan het andere scherm dat u zojuist zag, maar kijk maar even goed, het beeld is weer wat groter, dat is dan het voordeel — in elk geval, op die titeldia staat de tekst: 'Zolang de tempel nog stond...'.
Wat bedoel ik daar nou mee? Nou, ik bedoel daarmee aan te geven — en dat zal in de loop van deze toespraak vanzelf duidelijk worden — dat er een direct verband is tussen... Kijk, ja, wat een goed idee, zeg. Maar nu ziet u mij niet meer! U zegt: het gaat toch om het Woord en niet om het beeld? Nou ja, dat is in dit geval een beetje lastig. Nee, zo is het niet goed.
Het verband dat er bestaat tussen de tempel in Jeruzalem en de terugkeer van de Heer Jezus Christus, die zoals we weten is aangekondigd. Hoe zit dat daar nu mee? Dan moet ik eerst, voordat ik echt op mijn eigenlijke punt kom, wat inzoomen op een fenomeen waarvan je echt moet weten hoe dat zat in die eerste tijd van de eerste eeuw. Ik bedoel in de tijd die beschreven wordt in het boek Handelingen.
De Nabijverwachting van Petrus in Handelingen 3 ↑ hoofdstukken
Ik heb dat hier op deze dia genoemd: 'De nabijverwachting van Petrus in Handelingen 3'. Ik zal u even meenemen terug in de tijd. We praten over het jaar 30 van onze jaartelling. Het was nog maar enige weken eerder dat Jezus was gekruisigd door de leidslieden van Jeruzalem, of in ieder geval: ze hebben Hem overgeleverd aan de Romeinen om te worden gekruisigd. Dat was in de tijd van Pesach. Drie dagen later heeft God Zijn Zoon opgewekt uit de doden. Daar was niemand bij van Israël, maar niettemin zijn er toch honderden getuigen geweest die dat met eigen ogen hebben gezien. De Heer heeft Zich veertig dagen lang op aarde geopenbaard en bekendgemaakt, en vervolgens heeft een wolk Hem onttrokken aan hun ogen en is Hij vanaf de Olijfberg opgevaren ten hemel.
Een tiental dagen later brak het Pinksterfeest aan, het Wekenfeest – een feest van Jahweh, moet ik eigenlijk zeggen, maar in ieder geval bekend onder de Joden. Er waren vele pelgrims uit de hele wereld daar in Jeruzalem. En nog enige tijd later – hoelang later weet ik niet, maar dat zal niet zo heel veel verder in de tijd zijn – heeft Petrus wederom een toespraak gehouden op het tempelplein in Jeruzalem. Dat had hij op Pinksteren ook al gedaan, maar dit was naar aanleiding van een man die al vanaf zijn geboorte verlamd was en die daar bij de Schone Poort lag. Op wonderbaarlijke wijze, gewoon door één machtswoord, werd hij hersteld en genezen. Hij had nog nooit gelopen en kon nu in één keer, zonder enige revalidatie, springen en dansen. De mensen keken hun ogen uit naar het godswonder dat daar plaatsvond.
Naar aanleiding daarvan gaat Petrus zijn toespraak houden en houdt hij dat zijn Joodse volksgenoten ten voorbeeld voor. Hij zegt: "Mannen van Israël, wat jullie hebben gezien, dat is in feite – ik zeg het nu even met mijn eigen woorden – wat God kan gaan doen met jullie. Zoals die man opzag naar boven en in de naam van Jezus Christus hersteld werd, wel, dat kan Israël gebeuren."
Nadat hij zojuist kort de geschiedenis verhaald had – iedereen wist immers hoe dat gegaan was, dat zij Jezus Christus hebben overgeleverd terwijl Hij een Rechtvaardige was, en hij zei: "Jullie hebben Hem vermoord, jullie hebben dat gedaan" – zegt hij: "Maar dit móest ook gebeuren. Dit was aangekondigd; het was naar de bepaalde raad en voorkennis van God dat dit alles geschiedde. En God heeft Hem opgewekt uit de doden." Nu predikt hij die Jezus, die zij kort tevoren nog hadden gekruisigd, als Degene die door God is opgewekt uit de doden als eersteling, en daarmee ook als de Messias van Israël.
Dan ga ik even kort lezen wat hij tegen zijn volksgenoten zegt: "Bezin je dan en keer om, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren." Je moet goed luisteren naar wat Petrus hier zegt. Hij zegt: als jullie je bezinnen als volk en jullie omkeren, dan zullen jullie zonden uitgewist en uitgedelgd worden, en dan zullen er tijden van verademing komen van het aangezicht van God Zelf. Dat is nogal wat! Een nationale bekering van Israël zou dus tot gevolg hebben dat er tijden van verademing zouden komen.
En dan vervolgt hij: "en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende." 'Christus' is de Griekse term voor de Messias, de Mashiach, de Gezalfde dus. God zou dan tijden van verademing zenden. En hoe zou Hij dat doen? Wel, door Jezus, de Christus die voor hen – voor Israël in de eerste plaats – bestemd was; Die zou dan gezonden worden. Dat betekent dus dat Israëls omkeer – bekering, zo u wilt – zou leiden tot de terugkeer van Jezus Christus op aarde.
Vervolgens zegt hij: "Hem moest de hemel opnemen..." Dat moest gebeuren, want het was zo aangekondigd in de profeten. Daar stond immers ook: "Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gesteld heb tot een voetbank voor Uw voeten" – om maar één van de bekende psalmen te citeren. Hem moest de hemel opnemen, en wel met een 'totdat': "tot de tijden van de wederoprichting van alles, waarvan God gesproken heeft bij monde van Zijn heilige profeten."
Met andere woorden: Hij die nu in de hemel is, de Christus, Jezus, Die is nu daar, maar dat heeft een 'totdat'. Als jullie je omkeren, dan breken er tijden van verademing aan, en dan zal de tijd aanbreken dat alles opgericht en weer gerestaureerd wordt – alles waarvan de profeten hebben gesproken over Israël, over Jeruzalem en noem alle locaties maar op. Israël zal hersteld worden; die geweldige heilstijd die de profeten hadden aangekondigd, zou dan aanbreken.
Dit moet je weten, want dat betekent dat het hele perspectief in de Handelingentijd was – en dat was precies de opzet van de prediking van de twaalf, en van Petrus als voornaamste woordvoerder – dat in hún dagen dat herstel van Israël kon gaan plaatsvinden. Er was één voorwaarde: dat Israël zich inderdaad zou omkeren en zich zou bezinnen.
De geschiedenis van het boek Handelingen laat zien dat het volk, en vooral de leidslieden, het Sanhedrin, dat afwijst. Niet alleen hebben ze Jezus gekruisigd, maar nu wijzen ze Hem ook af als de Opgestane. En u moet zich realiseren: niet alleen die verlamde man waar ik het zojuist over had, maar er geschiedden vele, vele wondertekenen. Het was zó overtuigend! Niet alleen was de boodschap overtuigend vanuit de Schriften en werd het bewijs geleverd, maar God bevestigde dat ook met wonderen en tekenen, juist voor Israël, zodat ze het niet alleen hoorden, maar ook zagen met eigen ogen. Maar ja, het was op zijn zachtst gezegd niet in lijn met de traditie, en het volk heeft ook die boodschap afgewezen. Dat krijg je vooral te zien als het Sanhedrin...
De Afwijzing Door Israël en de Roeping van Paulus ↑ hoofdstukken
Dat lees je in Handelingen 7 bij Stefanus' steniging. Dat wil zeggen: de leidslieden van het volk, dus de officiële representanten van het volk, hebben ook die boodschap afgewezen. En op dat moment komt voor het eerst Saulus van Tarsus achter de coulissen vandaan. En dan zie je: dan is hij nog verre van een discipel, integendeel, hij was de felste bestrijder van die sekte van de Nazareners. Maar vanaf dan – en het is niet lang daarna – wordt hij ook daadwerkelijk vanuit de hemel geroepen. En u weet het toch: op weg naar Damascus. Er is een breuk in het boek Handelingen, want dat betekent dat Israël de boodschap heeft afgewezen. Ja, wat nu dan? Nou, en dan gaat God een dertiende apostel roepen. Buiten de twaalf om, buiten Israël ook om.
En Paulus wist meer. Je leest het ook in de Galatenbrief, en u hebt dat hier ongetwijfeld veel vaker gehoord, maar aan Paulus is een evangelie geopenbaard. Hij heeft dat niet van de twaalf of van Petrus of zo; nee, hij staat er helemaal los van. De Heer heeft hem niet alleen geroepen, maar ook nog eens een keer vanuit de hemel – niet hier op aarde, zoals de discipelen geïnstrueerd en onderwezen waren. Nee, vanuit de hemel heeft de Heer Zich aan hem geopenbaard en bekendgemaakt. Niet alleen bij die roeping op de weg naar Damascus, maar later ook in Arabië. Dat is een heel verhaal apart, maar in ieder geval: de Heer heeft hem tekst en uitleg gegeven en nieuwe dingen geopenbaard.
En dat is buitengewoon belangrijk, want Paulus wist bijvoorbeeld dat de bekering van Israël niet meer aan de orde was. Hij legt dat met name uit in de Romeinenbrief. De Romeinenbrief legt sowieso heel veel uit; eigenlijk het hele evangelie dat Paulus predikte wordt daar toegelicht, zo diepgaand, breedvoerig, maar ook zeer overtuigend duidelijk. Maar dan lees je met name in die hoofdstukken 9 tot en met 11 van de Romeinenbrief dat Paulus ook laat zien waartoe dat is. Hoe komt het nou dat het volk dat bij uitstek was geselecteerd en uitgekozen om de Messias voort te brengen, en via welk volk het Messiaanse Rijk dan ook zou worden geopenbaard en aanbreken, hoe komt het nou dat daar een breuk is ontstaan? En dan gaat Paulus daar diep op in, want ook dat blijkt in overeenstemming te zijn met wat de Schrift zei. Dat wil zeggen: het was weliswaar verborgen, maar het staat er geschreven. En dan zegt hij in vers 15: "Want indien hun verwerping" – dat wil zeggen: de verwerping van Israël, dat de Messias verworpen heeft, daar gaat het over – "de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden?"
Het hele idee is: Paulus is vervolgens uitgezonden naar de natiën, en ieder die het horen wilde, die mocht weten van Hem die de Redder is van deze wereld. Dat is een geweldig evangelie dat Paulus predikt: van de genade en ook de verzoening van de wereld. Dat is een buitengewoon gehate boodschap door de religie – toen, maar nu nog steeds. Want de boodschap is dat God deze wereld, een vijandige wereld, met Zich verzoent. En Hij heeft het bewezen, in feite heeft Hij het al bewezen aan het kruis. Toen de wereld Hem aan het kruis bracht, heeft God Hem vervolgens drie dagen later opgewekt uit de doden en gezegd: deze Man die jullie hebben gekruisigd – Israël, maar eigenlijk de hele wereld – via Hem ga Ik de hele wereld zegenen en leven geven. Dus juist terwijl de wereld zich op haar donkerst openbaarde en zich als zodanig etaleerde, toen zei God: en Ik... Gods liefde is niet kapot te krijgen! En dat is de boodschap van genade. En die boodschap luidt: hun verwerping is de verzoening der wereld.
En Paulus zegt: nou, als dat nu in deze tegenwoordige tijd dan al het geval is, als hun verwerping dan al zo'n geweldige, grootse boodschap met zich meebrengt, wat zal hun aanneming dan wezen? Dat wil zeggen: als Israël de Messias alsnog zou gaan aannemen. Want u weet natuurlijk ook, net zo goed als ik – tenminste, dat hoop ik, want ook dat wordt zeer tegengesproken – dat God een plan heeft met Israël en dat laat Hij natuurlijk niet varen. Hij laat nooit varen de werken van Zijn handen; geen van Zijn woorden zal ooit ter aarde vallen. En Hij pakt de draad weer met het volk op. En dan zegt Paulus ook: wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden? Dat is trouwens ook een bekend fenomeen bij de profeten: dat Israël ook op zal staan als uit de doden, als natie hersteld zal worden. En Hosea zegt daarbij zelfs dat dat op de derde dag is. Hou hem even vast.
En dan in datzelfde Romeinen 11 – ik sla nog eventjes heel wat verzen over – dan zegt Paulus ook dat hij inderdaad op de hoogte is van dingen die onbekend waren. Hij zegt dan ook tegen zijn lezers: ik wil jullie niet onkundig laten van dit geheim, van dit geheimenis of deze verborgenheid. Een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen – dat wil zeggen: het grootste deel is verhard, niet iedereen; van een enkeling zijn wel de oren en de harten geopend, maar die verharding is over Israël gekomen – maar dat heeft een totdat! Het feit dat Israël nu niet gelooft en God zelfs hun ogen heeft gesloten – ja ja, dat staat echt in de Bijbel hoor, op heel veel plaatsen: God heeft hun ogen gesloten, God heeft hun oren gestopt en hun hart is nu toegesloten. Ja, maar dat heeft een totdat, het heeft een functie. God doet nooit zomaar iets; alles bij Hem heeft een doel. Bij God gaat er daarom ook nooit iets mis. Ik zou zeggen: prijs God, Hij is God! Hij beschikt de dingen, Hij realiseert ze. En er is een verharding over Israël gekomen, maar dat heeft een totdat: totdat de volheid van de natiën binnengaat.
Die term betekent dat de boodschap nu naar de natiën toegaat. Ik zeg het even kort door de bocht, maar de boodschap gaat nu naar de natiën toe. Israël staat tijdelijk buitenspel. Maar als dat tot volheid komt, als dat gecompleteerd is, als dat gezelschap dat nu uitgeroepen wordt vol is en dat ook binnengaat – als dat het geval is, ja, dan zal gans Israël behouden worden. Ik moet er trouwens even bij zeggen: Paulus onthult hier de volgorde; hij geeft geen tijdsduur aan. Hij zegt niet wanneer dat precies zal zijn, dat wil zeggen chronologisch, met een datum of een jaartal of zo. Nee, hij zegt: eerst nu de verharding over Israël, dat heeft een totdat, en als de volheid van de natiën binnengaat, aldus – maar ook: dán, alsdan, beide – zó zal gans Israël gered worden.
En hoe dan wel? Nou, zoals geschreven staat: "De Verlosser zal uit Sion komen" – eerst tot Sion en vervolgens ook uit Sion – "en Hij zal de goddeloosheden van Jakob afwenden." Dat wil zeggen: de Heer komt gewoon weer terug tot Zijn volk, in Sion. Zijn voeten zullen weer staan op de Olijfberg en vervolgens zal Hij Zijn volk ontmoeten, daar ergens in de woestijn. Nou ja, ik zeg dat nu in twee zinnen, maar in werkelijkheid zitten daar heel veel profetische kanten aan. Maar het gaat mij puur even om dit gegeven: Paulus wist dit. Paulus wist: de bekering van Israël zal niet eerder plaatsvinden dan wanneer Gods project, het programmapunt van nu – namelijk dat het heil naar de natiën gaat – compleet is, tot volheid is gekomen. Pas dan zal Israël weer in the picture komen, om zo te zeggen. En dan zal de Messias daadwerkelijk ook voor dat volk komen.
Het Raadsel Rond Paulus' Nabijverwachting ↑ hoofdstukken
En nu kom ik eigenlijk bij mijn vraag. Want de vraagstelling die ik nu opwerp, dringt zich aan je op. Want als Paulus dit alles nu wist... Hij wist bijvoorbeeld meer dan de twaalf. De twaalf waren erop uitgezonden om Israël de boodschap van bekering te brengen, maar Paulus wist inmiddels: dat gaat niet gebeuren. Dat strijdt dus niet met elkaar, maar Paulus wist gewoon meer dan de twaalf wisten.
En toch – en dat is de eigenaardigheid die we onder ogen moeten zien, en ik ben er vaak al op gewezen – dat wat ik zojuist heb verteld over Israël, de boodschap van de twaalf en het evangelie van de besnijdenis, zoals het technisch-Bijbels heet, dat wist ik al lang. Ik weet niet hoe dat met u is, iedereen gaat zo zijn eigen traject, maar ik was daar al heel lang van op de hoogte. Maar ik heb me er heel lang over verbaasd hoe Paulus dan, met alles wat hij wist en wat hij vanaf zijn roeping en het onderwijs dat hij van de Heer persoonlijk heeft ontvangen, hoe hij dan in zijn dagen rekende met de terugkeer van de Heer op korte termijn.
Hoe kan dat? Dat is natuurlijk eigenlijk een vraag die pas bij je opkomt als je er achteraf naar kijkt en weet dat het inmiddels anders is gelopen. Dat is makkelijk praten nu, in 2005... pardon, zelfs ik loop achter, in 2026, ja! Maar die ontdekking had je duizend jaar geleden ook al kunnen doen, en we zijn inmiddels tweeduizend jaar verder. Hoe kon Paulus dat nou zeggen? Dat is de vraag. En ik vind dat je die vraag serieus moet nemen. Trouwens, vragen moet je altijd serieus nemen, als het een serieuze vraag is tenminste, en dan moet je je niet tevreden laten stellen met nepantwoorden.
Zegt de Schrift hier iets over? Eigenlijk is het antwoord heel eenvoudig, maar het heeft mij toch een hele tijd gekost voordat ik op dat spoor kwam. Dat geldt wel voor meer vragen; dat herkent u wellicht wat ik nu zeg, dat je soms denkt: dat ik dat niet doorhad, dat me dat ontging! Het is zo kraakhelder; als je het eenmaal ziet, dan kun je het zelfs niet meer níet zien. Maar ja, hoe kan dat? Ik heb er wel een verklaring voor: je moet er gewoon ergens je ogen voor openen. Heel simpel. Iets kan nog zo duidelijk zijn, maar als je blind bent, dan zie je het niet. Zo werkt dat.
Paulus had dus een nabijverwachting, en dat is echt zo. Dat is heel duidelijk als je dat leest in de brieven die hij schrijft. Ik zal daar een aantal voorbeelden van geven. Ik moet er trouwens wel bij zeggen: Paulus zegt niet dat hij dat in zijn dagen nog mee gáát maken. Hij doet er geen voorspelling over of zoiets. Nee, maar hij rekent er in ieder geval wel mee. Ik zou het kunnen uitbreiden met allerlei voorbeelden, maar bij twee of drie getuigen staat een zaak vast volgens de Bijbel. Dus ik geef twee, drie teksten waarmee ik mijn punt denk ik wel kan maken.
De Verwachting van de Levenden in 1 Thessalonicenzen 4 ↑ hoofdstukken
Bijvoorbeeld in 1 Thessalonicenzen 4. Ik ben daar momenteel ook erg mee bezig; op mijn website schrijf ik daar stukjes over en ik ben nu uitgebreid bezig met deze brieven aan de Thessalonicenzen te bespreken. Juist dan stuit je op zulke vragen, maar ook op zulke antwoorden, om het zo te zeggen. Hij zegt dan in 1 Thessalonicenzen 4 – u kent het hoofdstuk wellicht, hopelijk – over de geweldige verwachting die de ekklesia in onze dagen heeft, namelijk dat we de Heer tegemoet gaan. Paulus vertelt hier dingen die niet in de Schriften staan. Wat hij hier in 1 Thessalonicenzen 4 vertelt, heeft hij van de Heer persoonlijk vernomen. De twaalf waren hier niet van op de hoogte. Aan Paulus is dit bekendgemaakt, en hij zegt erover: "Dit zeggen wij u met een woord van de Heer: wij levenden, die overblijven tot de parousia" – of hoe je het noemen wilt: de komst van de Heer.
Parousia is het Griekse woord. Ik gebruik het gewoon; als ik het vaak genoeg gebruik en af en toe toelicht, dan wordt het vanzelf duidelijk waar het over gaat. Parousia betekent eigenlijk wanneer de Heer aanwezig zal zijn, wanneer de Heer present zal zijn. Ons woord 'presentie' heeft er eigenlijk ook mee te maken. Het is Zijn aanwezigheid, niet alleen maar Zijn aankomst. Maar goed: "wij levenden, die overblijven tot de parousia van de Heer." Hij heeft het dus over de parousia: de Heer zal terugkeren, en Paulus zegt: wij levenden die tot die tijd overblijven. Het punt was namelijk dat hij vragen had gekregen over mensen die inmiddels ontslapen waren. Hoe zit het dan met hen? Daarover gaat Paulus dingen vertellen. Maar hij zegt dus ook: "wij levenden, die overblijven". Dat betekent in ieder geval dat hij, aangezien hij toen hij dit schreef een levende was, kon zeggen: "wij levenden, die overblijven tot de parousia van de Heer". Hij houdt er in ieder geval rekening mee tot de levenden te behoren als de Heer zal verschijnen bij Zijn parousia.
Als je nog even doorleest in vers 17 van datzelfde hoofdstuk, daar zegt hij, nadat hij heeft gezegd dat de Heer zal komen, dat eerst de ontslapenen zullen worden opgewekt bij de bazuin Gods. En daarna zullen wij levenden, die overbleven, tegelijk samen met hen in wolken weggerukt of weggevoerd worden. Dat klinkt als een hele agressieve daad. In het Engels klinkt het zeker agressief, want dat is het woordje rapture, en dat heeft ook te maken met to rape, verkrachten zelfs; het duidt echt op geweld of met grote kracht iets wegrukken. Denk bijvoorbeeld aan een kind dat oversteekt: net voor het dreigende gevaar ruk je het weg. Dat is de term die gebruikt wordt. Het heeft te maken met een dreigend gevaar en dat men daarvóór wordt weggerukt.
Het gaat mij hier ook om die woorden: "Daarna zullen wij levenden, die overbleven, tegelijk samen met hen in wolken de Heer tegemoet gaan." Dat wil zeggen: Paulus zegt hier gewoon kortweg dat we niet allemaal een voor een naar de Heer toe gaan of zoiets. Nee, we gaan allemaal tegelijk! Straks, als de bazuin zal klinken, zullen de ontslapenen opstaan en vervolgens worden wij levenden, samen met hen, tegelijk in wolken weggerukt tot ontmoeting van de Heer in de lucht. Deze gebeurtenis vind je nergens bij de profeten, maar dit is hoe het zal gaan. Het gaat mij nu natuurlijk weer om het punt dat Paulus er rekening mee houdt dat hij tot die levenden behoort. Hij zegt niet expliciet dat het zo is, maar hij houdt er rekening mee; hij rekent met die optie.
In 1 Korinthe 15 heeft hij het over dezelfde gebeurtenis en dan zegt hij bovendien dat het een geheimenis betreft. Dat wil zeggen: het was verborgen in het verleden, verborgen ook in de Schriften. Maar hij zegt: "Zie, ik deel u een geheimenis mede: Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden." Dat wil zeggen: er komt een moment in de generatie van de parousia van de Heer dat de ontslapenen opgewekt worden. Maar degenen die op dat moment in leven zijn, zullen niet ontslapen; zij zijn immers nog levend op dat moment. Wel, die zullen dan niet opstaan want ze zijn niet dood, maar ze zullen wel veranderd worden. In één ogenblik worden zij getransformeerd en krijgen zij een verheerlijkt lichaam, zoals de Here Jezus Christus dat heeft. Dus niet door opstanding, maar doordat ze getransformeerd of veranderd worden. In één ondeelbaar ogenblik, zegt Paulus. Ook hier houdt Paulus de optie open dat hij niet zal ontslapen.
En dat verklaart ook veel in de brieven aan de Thessalonicenzen. Hij was daar in Thessalonica geweest en heeft er maar korte tijd gepredikt. Sterker nog: hij is maar drie weken in Thessalonica geweest. Maar het is wel een zeer kort en krachtig bezoek geweest. Gedurende die weken heeft hij ook uitleg gegeven over de profetie van Daniël – ik kom er straks nog even op terug. En dat leefde bijzonder sterk. Dus de verwachting die wij nu, tweeduizend jaar later, nog steeds hebben, die leefde toen ook al heel sterk.
Begrijpt u nu mijn vraag, of waar ik mezelf in eerste instantie mee geconfronteerd zag? Het klinkt ongemakkelijk: Paulus rekende toen met iets wat zomaar zou kunnen gebeuren, en nu zijn we tweeduizend jaar verder en het is nog niet gebeurd. Hebben we iets gemist, of heeft Paulus zich vergist? Nee! Daar kan ik nu al over uitweiden, maar we houden het nog even geheim; dat komt straks vanzelf aan de orde.
Er is nog een tekst die dat heel duidelijk zegt, zo'n zes of zeven jaar later, wanneer Paulus zijn brief aan de Romeinen schrijft. Eerst heeft hij de brieven aan de Thessalonicenzen geschreven – je kunt dat in het boek Handelingen allemaal traceren, wat we nu niet gaan doen. Maar dan zegt hij een jaar of wat later tegen de gelovigen in Rome: "Gij verstaat immers de bestemde tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken." Het is nu geen tijd om te slapen, maar om op te staan en waakzaam te zijn. "Want," zegt hij, "de redding, het heil, is ons nu meer nabij dan toen wij gelovig werden." Nou zou je kunnen zeggen: ja, de tijd gaat toch door? Als ik zeg dat we vandaag weer dichter bij 2027 zijn dan gisteren, dan is dat nogal logisch: de tijd gaat immers verder. Zou je daarom zeggen dat de redding ons nu meer nabij is dan toen wij gelovig werden? Ja, logisch: je verwacht iets op een bepaald moment in de toekomst, en naarmate dat moment nadert kom je steeds dichterbij. Maar ik moet erbij zeggen: er zit hier ook nog iets in van die nabijverwachting. De redding is ons nu meer nabij; zoals het toen al nabij was, is het nu uiteraard nog meer nabij. "De nacht vordert en de dag is nabij." Daar wees hij op: naarmate de tijd voortschrijdt, is het alleen nog maar meer nabij.
De vraag moet duidelijk zijn: hoe komt Paulus hier nu bij in zijn dagen? Laten we zeggen: de brieven aan de Thessalonicenzen zijn geschreven zo ergens in het jaar 50, 51 of 52. Rond het jaar 30 werd de Heer gekruisigd en stond Hij op. Dit is dus ongeveer 21 jaar nadat de Heer opstond dat de brieven aan de Thessalonicenzen geschreven werden. De Romeinenbrief volgde nog weer een jaar of zeven, acht later, ergens tegen het einde van de jaren vijftig van de eerste eeuw. Dat is allemaal een betrekkelijk korte tijdspanne, een paar decennia later. En Paulus – ik heb er zojuist al even op gewezen – is maar drie weken in Thessalonica geweest. Hoe weten we dat? Kijk het maar na in Handelingen 17: hij heeft daar drie weken lang, op de sabbat, in de synagoge gesproken en bewezen vanuit de Schriften.
Juist vanuit de niet-Joden was er een enorme honger. In tegenstelling tot het Joodse volk was daar een enorme begeerte om naar hem te luisteren. En dat maakte die Thessalonikers verschrikkelijk jaloers, naijverig. En dat bedoel ik niet in de zin van: 'oh, dat willen wij ook'. Nee, dat was de kift; dat daar nu een volk geroepen werd uit de natiën.
Nou ja, hoe dan ook, Paulus heeft in die paar weken – dat is een hele intensieve tijd geweest en er is ook heel veel gebeurd – uiteindelijk drie weken later moeten vertrekken. Waarom? Omdat er een complot tegen hem werd gesmeed en om het vege lijf te redden is hij toen gevlucht en vervolgens in Berea terechtgekomen. Nou ja, et cetera. Uiteindelijk arriveerde hij in Korinte en vanuit Korinte schrijft hij dan een brief aan die Thessalonicenzen. Bent u er allemaal nog? Oké, nou.
In die tijd, die drie weken dat hij daar was, heeft hij onderwijs gegeven. En dat is toch wel diepgaand geweest. Het gekke is dat dat onderwijs feitelijk voor een groot deel ontbreekt in de Thessalonika-brieven. Maar de grap is – ik vind het eigenlijk wel een apart fenomeen – hij veronderstelt allerlei dingen als bekend bij zijn lezers. Dat doet hij omdat hij zegt: ja, toen ik bij jullie was – dat is nog maar kort geleden – heb ik daar uitgebreid met jullie over gesproken, dus jullie weten dat. Ik hoef het dus niet te herhalen. Hij veronderstelt dus een heleboel als bekend. Soms is dat ook een beetje lastig voor ons die dit tweeduizend jaar later lezen: 'oh, ik was er niet bij'. Ja, dan moet je Schrift met Schrift gaan vergelijken. En Paulus moet daar onderwijs hebben gegeven, met name ook vanuit het boek Daniël.
Oké, eerst even nog dit. Hij zegt in 1 Thessalonicenzen 5 dit: "Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig dat u geschreven wordt" (1 Thessalonicenzen 5 vers 1). Ja, wat is daaraan voorafgegaan? Juist, 1 Thessalonicenzen 4. En het slot van 1 Thessalonicenzen 4, daar hadden we het net over, namelijk die passage die spreekt over de parousia van de Heer en dat we weggerukt zullen worden. En vervolgens zegt Paulus – hij heeft dat verteld: alzo zullen wij altijd met de Heer wezen, samen met Hem – maar dan vervolgens: "maar over de tijden en gelegenheden is het niet nodig dat u geschreven wordt". Met andere woorden: wanneer dat gaat plaatsvinden en bij welke gelegenheden dat betreft, dat hoef ik jullie niet te vertellen. Dat zegt hij niet omdat hij vindt dat het niet interessant is. Nee, het is wel interessant; sterker nog, het is van belang om het te weten, al was het maar omdat God zelf het in zijn Woord heeft laten vastleggen en erover gesproken heeft. Het is dus van belang om het te weten, maar hij zegt: het is niet nodig dat jullie daarover worden geïnformeerd. "Want," zegt hij, "jullie weten zelf zeer goed dat de dag des Heren zo komt als een dief in de nacht."
Ik moet er trouwens meteen even dit bij zeggen. Daar kom ik nu even ter plekke op, maar ik vind het van belang om dat toch eventjes recht te zetten, want sommige mensen noemen dit dan... Als je spreekt over de verwachting van de terugkeer van de Heer, die in onze dagen weer zo actueel is – ik kom er straks op terug – dan zeggen ze: dat kun je natuurlijk nooit weten wanneer Hij terugkomt, want Hij komt toch als een dief in de nacht? Kijk, daar zie je hoe belangrijk het is om de Schrift te kennen. Want lees nu even verder in ditzelfde 1 Thessalonicenzen 5. Dan zegt Paulus: ja, voor hen die in de duisternis wandelen komt Hij als een dief in de nacht, maar wij zijn kinderen van het licht en van de dag. Voor ons zal die dag ons niet overvallen als een dief in de nacht. Dus zie je hoe je soms compleet met een bijbelwoord op het verkeerde been wordt gezet, gewoon omdat je iets eruit licht zonder het verband te kennen? De Heer komt als een dief in de nacht – ja, voor hen die in de duisternis wandelen. Voor degenen die wakker zijn, komt Hij niet als een dief in de nacht. Dat moet je weten, anders tast je inderdaad in het duister.
"Jullie weten zelf zeer goed dat de dag des Heren zo komt..." Die dag, dat is ook de dag dat de toorn van God zal komen. Trouwens, ook de toorn van de slang! Want ik zal je daar nog even iets over vertellen. Als Hij terugkomt, en wij als de ekklesia – ik ga er gemakshalve vanuit dat u allemaal hoort bij dat gezelschap; of dat zo is weet ik niet, maar als God je ogen heeft geopend voor het geweldige Woord van Hem, dan weet je waar ik het over heb. En weet dit: Hij die nu roept tot zijn ekklesia, Hij is ook degene die alle dingen welmaakt, maar Hij heeft iedereen op het oog. Je bent buitengewoon bevoorrecht als je dit nu al mag weten, als je nu al tot dat gezelschap mag horen.
En dan worden we weggerukt. In Openbaring wordt dat genoemd: dat die mannelijke zoon wordt weggerukt tot God en zijn troon. En vervolgens lees je dat als wij naar boven gaan, Satan met de zijnen op de aarde geduveld zal worden. Dat is een werkwoord dat in dit geval heel passend is! En dan lees je: en hij, wetende dat hij korte tijd heeft, zal met grote toorn aan het werk gaan. Dus dat is die dag van toorn, en daar worden wij voor behoed. Het is dus zo: wij naar boven, hij naar beneden. Heel simpel, een hele simpele beweging. Meer lees je daarover in Openbaring 12.
Maar goed, die Thessalonicenzen wisten dat dus: jullie weten dat zeer goed. Waarom? Ze waren goed geïnformeerd. En als je dat dan weer even verder leest – inmiddels is dit de tweede brief aan de Thessalonicenzen – dan gaat Paulus op die onderwerpen weer uitgebreid verder. Dat had er ook mee te maken dat er inmiddels mensen in Thessalonica kwamen die vervalste brieven hadden geschreven, dat wil zeggen: brieven met de naam van Paulus eronder, en vervolgens foute informatie hebben gegeven. Dat is valsheid in geschrifte. Zeker als je dat dan nog doet met een zogenaamd woord van de Heer, dan moet je daar de bak voor in! In rechtstermen is dat valsheid in geschrifte en dat kan zeer zwaar aangerekend worden. Maar zeker als je dan nog zomaar het Woord van de Heer daarvoor gebruikt, dan is dat eigenlijk meineed. Dan heb je je beroepen op God, terwijl je gewoon bewust de boel zit te flessen.
En daarom zegt hij ook in vers 3: "Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook." Want eerst... Het punt is: wat werd daar namelijk beweerd? Die dag van de Heer is al aangebroken. Dat was de bewering: die dag van toorn is al aangebroken. En een heel aantal van hen waren verontrust: hoe kan dat nou toch, is die dag van toorn al aangebroken? Paulus zegt: dat kan natuurlijk nooit, want hij had juist duidelijk gemaakt dat wij zullen worden behoed en geborgen vóórdat die toorn aanbreekt. Wij zullen in veiligheid gebracht zijn en op een hoger plan geplaatst zijn, om zo te zeggen. En hier zegt hij dat ook: "want eerst moet de afstandneming komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs". Nu moet ik even iets proberen opnieuw toe te lichten.
De Afstandneming en de Mens Der Wetteloosheid ↑ hoofdstukken
En dat is die afstandneming. In uw vertaling staat hier waarschijnlijk — de meest gangbare vertalingen zeggen hier: eerst moet de afval komen. Nou, er wordt helemaal niet over afvallen gesproken. Daar ben ik altijd maar blij om ook. Maar goed, het gaat hier niet over afval. Hier staat in het Grieks het woordje apostasia. Het is ook een Engels begrip; in de oude Engelse Bijbelvertaling wordt het ook genoemd: the departure. Apo betekent vanaf en stasis betekent staan: ergens van afstaan, ergens afstand van nemen. Vandaar ook dat de meest letterlijke weergave van het woord niet 'afvallen' is, maar 'afstand nemen'.
En wat is die afstandneming? Wel, dat is de wegrukking waar Paulus over sprak. Die toorn kan nooit aangebroken zijn, de dag des Heren kan niet aangebroken zijn, want het eerste wat er moet gebeuren is die afstandneming. Wij moeten vertrekken, wij worden weggerukt. Want zodra — lees het verder ook nog maar na — zodra de ekklesia, dat gezelschap dat God vandaag verzamelt, uit het midden is verwijderd, dán zal de wetteloze openbaar worden.
Die volgorde moet u weten. Paulus zegt: dat heb ik jullie verteld. Eerst moet de afstandneming komen — wij vertrekken dus, onze departure — en de mens der wetteloosheid zich openbaren, dat is de zoon des verderfs. Daaruit blijkt ook dat Paulus inderdaad onderwijs heeft gegeven en Bijbelstudie over het boek Daniël, want dit zijn allemaal termen en zaken die juist in Daniël 7, 8 en 11 beschreven worden.
De mens der wetteloosheid die zich dan zal openbaren, wat voor figuur is hij? Er komt in het Midden-Oosten een tienstatenbond, tien koningen, en te midden van dat gezelschap zal er een koning opkomen. Die zal zich ontpoppen als de mens der wetteloosheid. Een afschuwelijk figuur, maar buitengewoon begaafd en zich ook nog eens manifesterend met vele krachten, tekenen en wonderen. Hij wordt genoemd: de zoon des verderfs.
Ik lees even verder: de tegenstander. Hij heeft eigenlijk allerlei namen die niet echt complimenteus zijn. Dus de mens der wetteloosheid, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel van God zet om aan zichzelf te laten zien dat hij een god is.
Dit fenomeen moet u ook weten. Om deze dingen te begrijpen, moet je gewoon bepaalde dingen weten, daarom vertel ik het u ook. Daar moet je ook even de tijd voor nemen natuurlijk. Ik probeer het zo duidelijk mogelijk te vertellen. Ik weet dat er over een heleboel dingen nog zoveel meer te zeggen is, maar dit: wat de Bijbel leert in verband met de eindtijd, is dat er een tempel is, een offerdienst. En als die mens der wetteloosheid zich gaat manifesteren, wat gebeurt er dan? Dan gaat hij de offerdienst in de tempel beëindigen, staken. De dagelijkse offerande zal worden gestaakt. En wat gaat hij doen? Hij gaat zichzelf, of een beeld van hem, in de tempel zetten. Gewoon op de heilige plaats. Ik bedoel heel concreet, hè, niks vaags. Niet de kerk van Rome, nee, gewoon in de tempel in Jeruzalem.
En dat wordt een gruwel genoemd. Dat wil zeggen: hij gaat de offerdienst staken en vervolgens zichzelf in die tempel zetten middels een beeld. Een heel wonderlijk beeld, want dat heeft ook nog eens een keertje — het lijkt wel AI of zoiets — dat beeld zal zelfs nog het vermogen hebben om te spreken en zelfs te doden.
De Heer Jezus heeft het daar ook over in Zijn rede op de Olijfberg. Daar zegt Hij tegen Zijn Joodse luisteraars: als jullie de gruwel van de verwoesting zien staan op de heilige plaats, waarvan Daniël gesproken heeft — en dan zegt Hij erbij: wie het leest, geve er acht op, met andere woorden: let op! — als die gruwel daar op die heilige plaats neergezet wordt, ja, dan moet je maken dat je wegkomt en het land uit vluchten. Dan gaat namelijk die grote verdrukking beginnen van 42 maanden, drieënhalf jaar zeg maar.
Met andere woorden: als wij weggerukt worden — dat is het verhaal, afstand nemen — dan zal vervolgens de mens der wetteloosheid zich manifesteren, openbaren en zich in de tempel gaan zetten. Dus hij staakt het dagelijks offer en hij plaatst zichzelf in de tempel. Ik heb daarom de Bijbelverzen erbij vermeld voor degenen die het later nog eens een keertje terug willen zien.
En Paulus zegt erbij: herinneren jullie je niet dat ik, toen ik nog bij u was, dit meermalen gezegd heb? Hier zie je heel expliciet dat hij dus refereert aan dingen die hij hen ooit, toen hij nog bij hen was, mondeling heeft doorgegeven en onderwezen. Ik heb het jullie verteld, jullie weten het vast nog wel. Juist ook kennelijk omdat hij met grote nadruk deze dingen naar voren heeft gebracht. Met andere woorden... nou komen we eigenlijk bij de kern.
Het Gereedstaande Tempeldecor in de Eerste Eeuw ↑ hoofdstukken
Want in Paulus' dagen, toen hij deze dingen optekende, stond dat decor al helemaal klaar. De tempel die stond er. Ik bedoel: hij hoefde niet te zeggen dat eerst die tempel nog herbouwd moest worden en dat er dan pas weer een offerdienst zou zijn. Nee, die offerdienst was er gewoon! Er stond gewoon een tempel in Jeruzalem, al eeuwenlang, maar vooral in de laatste eeuw, in die dagen, was die tempel van Herodes enorm verfraaid en groots gemaakt. En er was een dagelijkse offerdienst.
Dus als Paulus die verwachting heeft en zegt dat dit binnenkort kan gaan gebeuren — ja, dan was daar niets te veel mee gezegd. Alles stond immers al helemaal klaar. Realiseert u zich dat? Het is soms lastig om deze dingen nu in onze tijd te plaatsen, maar kijk: Paulus kon dus zeggen dat het nabij is, want alles staat al klaar. In feite — ik zal het even wat gechargeerd zeggen, maar eigenlijk klopt het wel wat ik zeg — toen was het qua decor méér nabij dan nu, terwijl we nu tweeduizend jaar verder zijn.
Nu zeg ik al jaren: die wegrukking kan nog niet gebeuren, want eerst moet daar weer een tempeldienst zijn. Want als wij eenmaal weg zijn, dan krijgt de mens der wetteloosheid vrij spel om zich in de tempel van God te zetten en daar de offerdienst te staken. Maar ja, om een offerdienst te kunnen staken, moet er natuurlijk wel eerst een offerdienst zíjn! Toen was dat zo. Vandaar ook dat Paulus kon zeggen: het is nabij. En trouwens, niet alleen Paulus rekende daarmee; zij rekenden daar ook mee. Een van de belangrijkste kenmerken — eigenlijk hét kenmerk bij uitstek van die tijd van de parousia — is dat de mens der wetteloosheid zich in de tempel Gods zet en de offerdienst zal staken. Dat is hét moment waarop die grote verdrukking zal aanvangen.
Paulus kon inderdaad zeggen: dat is nabij, het kon zó gebeuren, alles stond al klaar. Maar dan moet ik er nu dit bij zeggen: dat was nog steeds het geval toen Paulus dat in de vijftiger jaren schreef, en in de zestiger jaren ook nog steeds, totdat het jaar 70 aanbrak. Dus precies veertig jaar na de dood en opstanding van de Heer Jezus.
Die veertig jaren, je leest het ook in het Nieuwe Testament: men hield er heel sterk rekening mee dat het in hun dagen ging gebeuren, en wellicht ook binnen die veertig jaar. De vergelijking wordt heel vaak gemaakt: die tussentijd waarin we leven wordt vergeleken met de woestijnreis van Israël. Eerst de verlossing, weet u wel, en pas veertig jaar later de intocht in het land en de eigenlijke vervulling daarvan. Dus die generatie heeft heel gespannen geleefd met die verwachtingen. Maar dat was ook nog de tijd dat de tempel er stond, en dat is buitengewoon belangrijk. En ja, in het jaar 70 — dat was ook het jaar, eigenlijk had het al een hele aanloop, want je kreeg...
Het Jaar 70 en de Verwoesting van de Tempel ↑ hoofdstukken
En dan waren er nog de grote Joodse opstanden. We weten daar heel veel van en er is veel geschiedschrijving over van Flavius Josephus — een aantal van jullie heeft die naam ongetwijfeld wel eens gehoord. Deze Joodse geschiedschrijver heeft dat tot in detail allemaal beschreven. Het is een afschuwelijke tijd geweest. Er kwam eigenlijk een revolutie onder het Joodse volk, en juist ook de Messiaanse verwachting was heel sterk, met valse profeten, en je kreeg die opstand.
En toen is de Romeinse veldheer Titus — die later trouwens keizer werd — naar Jeruzalem gegaan en die heeft de hele stad verwoest, en dus ook de tempel. Het was geweldig, het was een wereldwonder, echt waar! Die tempel is in die dagen in vlammen opgegaan. Compleet verwoest, geen steen bleef op de andere staan. En volgens de geschiedschrijving zijn er toen daar in Jeruzalem meer dan een miljoen mensen over de kling gejaagd. Meer dan een miljoen! Ongelooflijk, dat is een enorme breuklijn in de geschiedenis geworden, maar ook zo'n zwarte bladzijde. Het jaar 70.
Ja, maar toen veranderde er gewoon ook iets in profetisch opzicht. Iets heel groots, sterks en belangrijks. Namelijk: voorheen was de verwachting altijd nabij. Want de tempeldienst kan zomaar gestaakt worden en de mens der wetteloosheid kan zich bij die gelegenheid dan dus manifesteren. Ja, maar als de tempel weg is, ja, dan gaat het dus even nog niet gebeuren. Dus sinds die tijd is er toch wezenlijk iets veranderd.
Petrus 3: Eén Dag Is als Duizend Jaar ↑ hoofdstukken
En dit is de laatste schriftplaats die ik wil gaan noemen: 2 Petrus 3, maar allerminst onbelangrijk. Eigenlijk is het ook de bekroning van deze hele lijn. En dan moet u dit weten: Petrus schrijft zijn brief aan het einde van zijn leven. Hij wist ook dat hij niet lang meer had. Hij wist dat hij zou overlijden, zoals de Heer hem ooit al eens persoonlijk vertelde. Lees maar na in Johannes 21; daar staat al dat Petrus te horen krijgt dat als hij eenmaal oud geworden zal zijn, ze hem zouden brengen op plaatsen waar hij niet wilde. En er staat ook bij als verklaring: dit zei de Heer om aan te geven met wat voor dood hij zou sterven. Hij wist dat hij zou sterven, een marteldood. Dat wist hij, en Petrus zegt aan het einde van zijn leven: dat is aanstaande, het afleggen van mijn tent is nabij. In 2 Petrus 1 lees je dat.
Maar de hele stemming in die brief die hij schreef – het is een geestelijk testament – is heel dramatisch. Je merkt gewoon aan alles: er staat iets te gebeuren. Petrus waarschuwt ook dat er valse profeten onder het volk zouden komen. Petrus richt zich tot de besnijdenis, ik bedoel tot het Joodse volk, vooral ook in de verstrooiing. En hij gaat dan ook zeggen dat er dramatische dingen staan te gebeuren. Hij spreekt over de zondvloed, over de verwoesting van Sodom en Gomorra, en die worden ook ten voorbeeld gesteld. Waarom zeg ik dit? Omdat deze brief geschreven is vlak voor de verwoesting van Jeruzalem. Ik weet niet precies... ik kan er geen jaartal op plakken, maar het zijn enkele jaren voor de verwoesting van Jeruzalem. Dus laten we zeggen de tweede helft van de zestiger jaren. Van de eerste eeuw uiteraard, ja. De zestiger jaren in onze eeuw – of in de vorige eeuw – waren ook erg markant, maar toen nog wel even van een andere orde.
En Petrus waarschuwt voor wat daar gaat gebeuren. Hij zegt: dit moeten jullie vooral ook weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen. Dat zijn dus spotters, en die zullen zeggen: waar blijft de belofte van zijn komst? Met andere woorden: die parousia waar ze het over hadden, waar is dat gebleven dan? En dan zeggen ze: want vanaf het moment dat de vaderen ontslapen zijn – er zijn inmiddels al generaties gepasseerd... Petrus wijst op de toekomst: want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zoals het geweest is vanaf het begin der schepping af. Niks veranderd! In de eerste eeuw had men die verwachting van: het gaat gebeuren. Maar waar blijft die belofte van de komst dan?
Nou ja, daar gaat Petrus uitgebreid op in. Dat ga ik nu niet doen, want die tijd ontbreekt me. Maar om mijn lijn even voort te zetten: dan zegt hij in vers 8 dit. Hij gaat iets heel belangrijks zeggen. Hij zegt: doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden. Hij geeft dus antwoord op de vraag: die belofte van zijn komst, wat is daar nou van gebleven? Wel, hij zegt: één ding mag u in dit verband niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.
En let even op wie dit zegt. Dit zegt Petrus dus. Petrus, die aan de aanvang van zijn loopbaan als apostel nog rekende in termen van jaren, hooguit decennia – nog tientallen jaren, in zijn dagen zou het gaan gebeuren. Dat was eigenlijk het hele perspectief van zijn boodschap: kom tot bekering, en dan zullen tijden van verademing aanbreken, de wederoprichting van alle dingen waarvan de profeten gesproken hebben, en de Christus zal gezonden worden. En nu, aan het einde van zijn leven... nou, dan zegt hij al: in de volgende generatie zullen ze ook nog vragen: waar blijft de belofte van zijn komst? Dus nu weet hij ineens: hé, we denken nu niet meer in termen van decennia, maar van millennia! Want hij zegt: dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, één dag bij de Heer is als duizend jaar. En dan herhaalt hij... Hij zegt niet: bij de Heer bestaat er geen tijd. Zo wordt het vaak gelezen. Nee, want dan zou hij zeggen: één dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar is nog niet zoals een triljoen jaar enzovoort, want dan maakt het niet uit. Nee, hij herhaalt wat voor de Heer één dag is, namelijk als duizend jaar. Hij herhaalt het: hij spreekt twee keer over duizend jaar en twee keer over een dag.
Nou moet ik toch even denken aan dat verhaal waar ik het eerder over had. Hoe was dat ook alweer? Als Israël zal opstaan uit de doden, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden? Wanneer zou Israël opstaan? Ik ga er weer even van uit dat u dit weet: op de derde dag, na twee dagen. Het stond er zo cryptisch in Hosea. Wat heeft dat toch te betekenen? Wel, Petrus zegt, als we het er dan toch over hebben: dit mag u niet ontgaan. De Heer rekent namelijk anders dan wij. Onze verwachting moet inderdaad bijgesteld worden, maar die van de Heer staat.
En waar het per saldo eigenlijk op neerkomt – een ideetje voor fijnproevers: die veertig jaren, dat zijn dus feitelijk... wat ze dachten dat veertig jaar zou zijn, worden veertig jubeljaren. Dan moet u even rekenen natuurlijk, maar een jubeljaar is het vijftigste, hè? Oké. Maar goed, nee, André, blijf nou even bij je punt, anders ga je weer de hele avond verdwalen.
Oké: doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. Dus die hele tijdshorizon wordt ineens heel anders. En dan zegt hij erbij: de Heer talmt niet met de belofte. Talmen betekent vertragen, hè? Dat betekent gewoon dat je de boel traineert. Je hebt van die mensen die niets anders doen dan altijd maar uitstellen. Psychologen noemen dat uitstelgedrag. Hoe kom je erop? Schijnt een aandoening te zijn. Maar hij zegt: de Heer talmt niet met de belofte. Het is geen vertraging. Maar wat is het dan wel, als er zijn die aan talmen denken, die zeggen dat de Heer het heeft uitgesteld? De Heer heeft niks uitgesteld: onze verwachting moet bijgesteld worden.
De Langmoedigheid van de Heer en het Uitzicht op Herstel ↑ hoofdstukken
"Maar Hij is lankmoedig jegens u." Aha, het is Zijn geduld! "Daar Hij niet bedoelt dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bezinning komen." Bezinning waarop? Nou, op die lankmoedigheid van de Heer. En waar heeft hij het dan over? Wel, dat die komst, die parousia, langer duurt dan wij dachten. Dat is geen uitstelgedrag van de Heer; dat is Zijn lankmoedigheid. En we zouden ons daarop moeten bezinnen. Hoe dan wel, en wat betekent dat dan?
Laten we even verder lezen; ik sla weer een paar verzen over, naar vers 15. En dan zegt hij: "En acht de lankmoedigheid van onze Heer voor redding, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft." Dat betekent trouwens kennelijk ook dat Paulus een brief aan Joden heeft geschreven, en dat is ook wel heel veelzeggend. Nou ja, welke brief dat was, dat ga ik nu niet verklappen. Nee, dat ga ik niet verklappen, dat parkeren we even.
Maar het is wel boeiend om dat even nauwkeurig te lezen. Het gaat erom dat Petrus wijst op Paulus en hem noemt: "onze geliefde broeder Paulus". Ik zal u vertellen: hij heeft een groot probleem met die man gehad. Sorry dat ik het zo oneerbiedig zeg, maar dat lees ik in de Bijbel: ze kwamen echt openlijk tegenover elkaar te staan, waarbij Paulus zegt dat Petrus in het ongelijk gesteld was, in Galaten 2. Petrus heeft dus heel veel moeite gehad om het onderwijs van Paulus te begrijpen. Logisch: Petrus ging helemaal uit van Israëls bekering, terwijl Paulus wist dat dit vooralsnog niet ging gebeuren, met alle consequenties van dien. Maar aan het einde van zijn leven heeft Petrus – hoe noemen ze dat ook alweer? – moeten omdenken. Gewoon alles weer helemaal opnieuw bezien, al je huiswerk opnieuw doen en je overal op bezinnen.
En Petrus zegt nu: acht de lankmoedigheid van onze Heer – dat wil zeggen het uitblijven van Zijn parousia – voor redding. Dat is geen uitstelgedrag van de Heer, maar het is Zijn lankmoedigheid. En het is Paulus die daarover spreekt: acht de lankmoedigheid voor redding. De Heer wil namelijk niet dat sommigen verloren gaan. Het is heel boeiend dat hij die lange tijdsduur verbindt met de boodschap van Paulus: "zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft, evenals in alle brieven." Paulus' brieven waren in die dagen al verzameld; die collecties, de collected writings van Paulus, gingen al rond. In al zijn brieven spreekt hij over deze dingen, over de tijd waarin de Heer uitblijft en niet komt.
En Petrus zegt eigenlijk: als je wilt weten hoe dat nou zit, dat de Heer maar niet komt, en hoe Hij dat invult en waarom er sprake is van lankmoedigheid: de Heer wil niet dat sommigen verloren gaan. Die lankmoedigheid heeft te maken met de redding, en dat is precies waar Paulus over spreekt: de verzoening der wereld. En dat is geweldig! Want Petrus zegt: Paulus spreekt daarover, over die geweldige tijd.
Weet u, ik vind dat nou zo geweldig en daarmee wil ik ook afsluiten. Paulus is de apostel die de tijd tussen de eerste en tweede komst van Christus benoemt en ook uitlegt dat dit de tijd is waarin de boodschap van redding rondgaat: de boodschap van de verzoening der wereld. En staat er nu geen tempel? Ja, maar God heeft Zijn tijd al lang bepaald.
Ik hoop nu ook dat u begrijpt – dat was eigenlijk mijn hele opzet – waarom tot aan het jaar 70 de nabijheid van de komst, de parousia van de Heer, zo actueel was. En waarom dat sinds die tijd ineens heel anders werd, omdat het decor compleet veranderde. Ik hoop dat u dat duidelijk is geworden.
En nu leven wij in 2026. En nu zeggen wij: het eerste waar we naar uitkijken... Ja, we kijken uit naar de komst van de Heer. Maar ik weet: eerst moet daar op dat tempelplein weer een offerdienst plaatsvinden. Een provisorische tempel, op zijn minst, moet daar weer verschijnen. En de termijn, lieve mensen, de termijn van die twee dagen, die is ten einde. Dus kijk uit, houd je ogen open en wees wakker! Want nu gaat het er toch echt om spannen.
In die tijd leven wij en dat uitzicht hebben wij. Zullen we het hierbij laten? Want het is hoog tijd om af te sluiten.
UltimateGoodNews