GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Gekocht Maar Terzijde Gesteld

10-02-2013 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie van samenkomst gehouden op 10 februari 2013 in Zoetermeer

In Hosea 3 wordt beschreven dat de profeet de wonderlijke opdracht krijgt om naar een hoer te gaan en haar te beminnen. Hij koopt haar, maar in plaats van gemeenschap met haar te hebben, bewaart hij hij haar vele dagen in afzondering. Daarmee beeldde hij een belangrijke profetische waarheid uit. Nauwkeurig wordt in Hosea 3 de toestand van Israël in de afgelopen tweeduizend jaar neergezet. De prijs is betaald door Jehoshua en het volk is gekocht. Niettemin werd Israël ‘in de wacht gezet’ “voor vele dagen”. Zonder eigen koninkrijk, zonder offer en zonder hogepriester. Pas “na twee dagen” van duizend jaar zou Israël terugkeren en bevende tot de HERE hun God komen.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

In Hosea 3 krijgt de profeet de opdracht om een overspelige vrouw te kopen, wat symbool staat voor Gods verbroken huwelijksverbond met het ontrouwe Israël. De specifieke koopprijs verwijst profetisch naar het sterven en de opstanding van de Redder. Na de koop volgt er een lange wachttijd waarin de vrouw afgezonderd blijft zonder gemeenschap. Dit illustreert de huidige periode waarin het volk zonder koning, offer en hogepriester leeft. Na deze vele dagen zal Israël zich echter bekeren, de Heere zoeken en de beloofde Koning vinden in een hersteld verbond.

“De prijs is betaald door Jehoshua, de vrouw is Zijn eigendom, maar in de praktijk is dat huwelijksverbond nog niet werkzaam.”

Inleiding: de Merkwaardige Opdracht in Hosea 3 ↑ hoofdstukken

Ook van mijn kant een hele goede morgen, vrienden. Ik vind het goed om u hier allen te mogen treffen. We hebben al mooie dingen gehoord zojuist van mijn bloedeigen broer, maar ik stel voor dat we ook de Bijbel met elkaar gaan openen. Trouwens, dat is zojuist ook wel gedaan, maar dan niet bij Efeze 1, maar bij Hosea 3.

Ik heb de studie van vanmorgen als titel meegegeven: "Gekocht, maar terzijde gesteld". Het gaat over een heel merkwaardige geschiedenis van een profeet die leefde in het tienstammenrijk van Israël en daar ook geprofeteerd heeft. Hij heeft een boek achtergelaten, het Bijbelboek Hosea. Het hoofdstukje waar ik vanmorgen uw aandacht voor wil vragen is maar kort. Ik stel voor, voordat ik daar nu wat dieper op inga, dat we het eerst even met elkaar lezen. Dat is niet zo’n heel grote onderneming, want het zijn slechts vijf verzen.

Hosea 3 vers 1. Daar lezen we in de NBG-vertaling: "De HERE zeide tot mij: Ga weder heen, bemin een vrouw, die zich door een ander laat beminnen en overspelig is, gelijk de HERE de Israëlieten bemint, die zich tot andere goden wenden en minnaars zijn van druivenkoeken. En toen kocht ik haar voor vijftien zilverstukken en anderhalve homer gerst. En ik zeide tot haar: Vele dagen zult gij blijven zitten; gij zult geen ontucht bedrijven, geen man toebehoren; en ook ik zal tot u niet komen. Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HERE, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot zijn heil, in de dagen der toekomst."

Tot zover deze lezing van het korte hoofdstuk. Maar het zal u in elk geval wel zijn opgevallen: het is toch wel een hele merkwaardige opdracht die deze profeet kreeg. Hij moest naar een hoer toe gaan – want daar komt het op neer – en haar beminnen. Nu is dat een merkwaardige opdracht, maar daar vind je er wel meer van, hoor. Zeker als we ons beperken tot de profeten die op een heel bijzondere wijze uiting gaven, non-verbaal zeg maar, aan de boodschap die zij zouden overbrengen. Vaak werd dat inderdaad ondersteund door woorden, maar ze hebben het ook gedemonstreerd. Ezechiël is daar ook een heel fraai voorbeeld van; je zou daar nog even door mee kunnen gaan. Maar Hosea, dat is toch wel een heel apart verhaal daarin.

Laten we het gewoon eens wat nader bezien. Ik wil u in drie kwartier of een klein uur tijd meenemen door dit hoofdstuk, want bepaalde dingen verdienen nu eenmaal toch enige toelichting. Om te beginnen met deze woorden: "De HERE zeide tot mij: Ga weder heen, bemin een vrouw die zich door een ander laat beminnen en overspelig is." Oftewel, een vrouw die zich schuldig maakt aan overspel. Het idee daarbij is een vrouw die dat ook tegen betaling deed, een prostituee dus, hoe u dat ook maar wilt formuleren.

Maar dit was trouwens niet de eerste keer. Dat blijkt uit de woorden: "Ga weder heen." Dat refereert weer aan het eerste hoofdstuk, want daar lezen we in Hosea 1: "De HERE zeide tot Hosea: Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren, want het land wendt zich in schandelijke ontucht van de HERE af." Daarbij wordt het beeld meteen ook uitgelegd: wat die vrouw doet, is een uitbeelding van waar Israël mee bezig was. En dan lees je van Hosea: "Toen ging hij heen en huwde Gomer" – hier wordt haar naam genoemd – "de dochter van Diblaim, en zij werd zwanger en baarde hem een zoon." Vervolgens hebben de naam die die zoon krijgt, en een tweede zoon eveneens, ook weer een heel typerende betekenis. De namen van die zonen zijn een type van dat wat Israël ook zou overkomen in de dagen van de toekomst. Met recht dus profetie.

Dit is dus de eerste keer: "Ga." En als er in Hosea 3 gezegd wordt: "Ga weder heen om dat te doen", dan is de aardigheid – of de onaardigheid, hoe je het ook maar noemen wilt – in ieder geval frappant dat haar naam hier niet vermeld wordt. Gewoonlijk wordt ervan uitgegaan dat het hier weer om dezelfde Gomer gaat, maar het staat er niet bij. Het idee is wellicht dat ze juist een andere identiteit zou krijgen. Dat heeft er trouwens ook nog mee te maken – maar ik houd hem even vast, want ik ga dat straks nog toelichten – met wat er gaat gebeuren in de wederkomst. Het eerste hoofdstuk heeft vooral te maken met wat er gebeurde in het verleden, maar dat "ga weder heen" heeft te maken met de dagen der toekomst, wat ook in onze dagen nog steeds toekomstig is, namelijk dat de Heere Zijn volk zal huwen in een nieuw verbond. Ik kom daar nog op terug, maar laten we even verder lezen.

Het Huwelijksverbond met Israël en Geestelijke Hoererij ↑ hoofdstukken

Ga weder heen, bemin een vrouw die zich door een ander laat beminnen en overspelig is. Maar dan wordt er een vergelijking gemaakt: gelijk de HERE de Israëlieten bemint. Dus hij zou een vrouw... het woord dat tot hem klinkt is: bemin een vrouw. Ga een vrouw liefhebben, ga gemeenschap hebben, want dat is het idee. Ga een vrouw beminnen. En dan staat erbij: gelijk de HERE de Israëlieten bemint.

Waarbij de vergelijking – en die komen we op tal van plaatsen tegen, met name bij de profeten – is dat de relatie tussen de HERE en Zijn volk, Yahweh en Israël, wordt vergeleken met die van een man en een vrouw. Het hele verbond feitelijk dat God had gesloten met Zijn volk was een huwelijksverbond. Dat wat er op de Sinaï plaatsvond, was een huwelijkssluiting en feitelijk is de hele wetgeving de huwelijksakte, waarbij de rechten en plichten van beide echtelieden worden geregeld. En ze waren op weg naar de echtelijke woning, namelijk het land Kanaän.

Nou, de vergelijking gaat in veel meer opzichten door. In de profeten wordt daar zo vaak aan gerefereerd. En wat hier gebeurt met Hosea is daarvan ook een schitterende illustratie. Nou ja, schitterend... er was nogal wat op deze vrouw aan te merken. Want je leest: de HERE bemint de Israëlieten. Maar wat deed zij? Deze vrouw, Israël, zij wendde zich tot andere goden. En dat is afgoderij; voor Israël was dat eigenlijk hetzelfde als hoererij. Als zij als natie getrouwd is met de HERE hun God, dan betekent dat dus dat de HERE hun man is. Maar dat betekent dus dat als zij andere goden gaat dienen, zich daartoe wendt, dat dit feitelijk hoererij is, namelijk: ze wendt zich tot andere mannen. Vandaar ook dat door de profeten zo dikwijls naar voren gebracht wordt dat de afgoderij waaraan zij zich schuldig maakten, feitelijk hoererij was. Dat is een waarheid die juist ook met betrekking tot Israël waar is. Dus het blijft een metafoor, maar feitelijk is dat letterlijk toch ook zo. Gezien de hele relatie tussen de HERE en Zijn volk een huwelijksrelatie was, is afgoderij dus echt strikt genomen ook hoererij. Vandaar ook deze hele uitbeelding en deze vergelijking.

Het is een ander onderwerp, maar meestal zegt men van de ekklesia die God zich in onze dagen uitroept: "Ja, de Heer staat in een huwelijksrelatie tot ons" of "Wij zijn de bruid". Moet u dat maar eens een keertje in het Nieuwe Testament opslaan; je vindt dat nergens. In de brieven van de apostel Paulus vind je nooit het idee dat wij de bruid zijn of uitzien naar een bruiloft. Nou, dat is niet helemaal waar: wij zien wel uit naar de bruiloft, maar niet als zijnde de vrouw, maar als deel uitmakend van het lichaam van de man, het lichaam van Christus. Dat is een heel andere verhouding. Het idee dus dat wij getrouwd zouden zijn – de kerk of wat men dan de gemeente noemt – en een huwelijksrelatie zouden hebben met de Heer, dat vind je niet in de Bijbel terug. Dat is strikt van toepassing op Israël. Ik wil dat in dit geval ook even onderstrepen. In het Nieuwe Testament wordt inderdaad ook gesproken over bijvoorbeeld weer een toekomstige huwelijksrelatie, de bruiloft van het Lam, maar daarbij is de bruid Israël. Dat verandert niet en nooit.

Maar goed, dat is even een opmerking terzijde. We hebben allemaal – of nou, een groot gedeelte van ons – een christelijke achtergrond en vanuit de kerk is dit altijd zo onderwezen. Men heeft zichzelf ook altijd Israël gewaand, en aangezien Israël de bruid of de vrouw is, zijn wij dat dus ook. Ja, dan heb je dus geen oog voor de heel specifieke, onderscheiden plaats die God aan het lichaam van Christus heeft toebedeeld.

Enfin, die andere goden... ik wil u nog op een andere plaats wijzen waar je diezelfde waarheid vindt, maar het is vrij willekeurig. Jeremia, dat is een andere profeet: "Zoals een vrouw ontrouw wordt aan haar metgezel, zo zijt gij Mij ontrouw geworden, huis Israëls, luidt het woord des HEREN." Dus ook hier weer diezelfde vergelijking, waarbij het niet afhing van de trouw van de vrouw. Maar dat hebben we zojuist ook al gezongen: "Groot is Uw trouw". Ben ik ontrouw? Dat is een waarheid die we natuurlijk wel direct op onszelf kunnen passen, want het is namelijk een universele waarheid: God is trouw. Hij houdt Zich aan Zijn woord en Zijn belofte. En ben ik ontrouw, Hij is immer Dezelfde, want Zijn woord wankelt nooit. En als Hij een onvoorwaardelijke belofte geeft, dan is dat ook onvoorwaardelijk. Dat betekent dat je er niks aan toe kunt doen en, God zij dank, daar kunnen we ook niks aan afdoen. Dat is ook precies waaraan Israël haar hoop en verwachting ontleent. Zij was ontrouw, ja en? Nou ja, ik bedoel dat niet te bagatelliseren alsof dat niks zou zijn, maar ik wil alleen maar dit zeggen: hoe groot de ontrouw ook is van Israël, Gods trouw triomfeert. Daarom blijft het zo dat God Zijn volk Israël op het oog heeft en daarmee ook daadwerkelijk Zijn belofte zal gaan vervullen.

En dan nog een merkwaardige uitdrukking die ik ook even moet toelichten. Je leest over de zonen van Israël, de Israëlieten, die zich tot andere goden wenden en "minnaars zijn van druivenkoeken". Wat is daar nou toch weer mis mee? Maar dan moet je even de hele context nemen. Dat geldt vaak voor allerlei merkwaardige uitdrukkingen: waar zou dat nou weer over gaan? Het punt is namelijk dat die druivenkoeken een belangrijke rol speelden in de dienst aan die andere goden, namelijk afgodendienst. Daar wordt al in hoofdstuk 2 aan gerefereerd. Laten we daar even naartoe gaan. "Zij", en dan gaat het over Israël: "Zij echter beseft niet dat Ik het ben die haar het koren, de most en de olie heb gegeven." Druivenkoeken zijn inderdaad gemaakt van graan en uiteraard van most. Most is niks anders dan de vrucht van de wijnstok, druiven dus. En olie... nou ja, daar worden koeken van gemaakt. "Zij beseft niet dat Ik het ben die haar het koren, de most en de olie heb gegeven, bovendien ook het zilver rijkelijk geschonken heb..." en dan staat erbij dat zij het voor de Baäl gebruikt hebben. Met andere woorden: de HERE zegent hen overvloedig met al die zaken die hier genoemd worden. Laten we ons even beperken tot dat koren, de most en de olie. Ze krijgt het van de HERE, haar man, en ze besteedt het in de dienst van Baäl. Die hele afgoderij, die hele cultus die daar trouwens in het boek ook beschreven wordt, dat is afschuwelijk wat daarin speelt. En dan begrijp je dus: het wordt voor de dienst van Baäl gebruikt. Dan begrijp je ook dat hier staat: ze zijn minnaars van die druivenkoeken. Ja, er is niks mis met druivenkoeken, ware het niet dat ze hier in de hele samenhang staan van de dienst aan Baäl.

Goed, de HERE had dus tot Hosea gesproken: "Ga weder heen en bemin een vrouw die een hoer, een ontuchtige of overspeelster is."

De Koopprijs van Jehoshua: Zilver en Gerst ↑ hoofdstukken

En dan lees je: "Toen kocht ik haar." Laten we eens even inzoomen op de identiteit van de persoon over wie het hier gaat. Dat kan niet missen, dat is Hosea. Maar u moet zich goed realiseren dat we die naam Hosea al veel eerder tegenkomen in de Bijbel. En wel, als u het mij vraagt, voor het eerst in Numeri 13 – maar daar blijf ik even vanaf. In Numeri 13 lees je in vers 16 over de verspieders die het land zouden verspieden toen Israël op weg was naar de echtelijke woning. En dan lees je dat een van die verspieders Hosea was, maar wij kennen hem onder een heel andere naam. Want je leest dat Mozes Hosea, de zoon van Nun – Nun, ja, de vijftig, het heeft in ieder geval met genade te maken, maar laten we die naam even vasthouden – Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua. Aha!

Dus Hosea is eigenlijk gewoon dezelfde als Jozua. Dat is niet zo gek als je het in het Hebraeus ziet. Van rechts naar links lees je Jehoshua. Het enige verschil is dat er een jod aan toegevoegd is. Voor de jod zit je goed; gewoon een jod, de tien, dat was de toevoeging. Eigenlijk is het de naam van de Here. Jehoshua of Jozua, dat betekent: Yahweh is Redder. Dat "Yah" verwijst naar de naam van God en "shua" of "zea" betekent heil of redding. Vandaar dus: Jehoshua betekent Yahweh is redding.

Maar laat ik nu even nog een stap nemen, want dit mag ons in ieder geval niet ontgaan. Waarom zeg ik dit? De naam Jozua komen we vervolgens honderden keren tegen – het zal toch niet te veel gezegd zijn: honderden keren – in het Nieuwe Testament, alleen dan in de Griekse vorm: Jezus. De naam Jezus is de Nederlandse manier van zeggen, in het Engels zeggen ze Jesus, elke taal heeft zo zijn eigen versie, maar dat is ontleend aan het Grieks. Jezus komt oorspronkelijk uit het Hebraeus en is ontleend aan Jozua. Het is trouwens grappig dat wanneer er in Hebreeën 4 gesproken wordt over Jozua die hen in het land Kanaän bracht, er in het Grieks gewoon Jezus staat. De vertalers hebben daar Jozua gezet, maar er staat gewoon dezelfde naam als Jezus. Jezus en Jozua zijn exact hetzelfde; het is een kwestie van uitspraak. En die naam betekent: de Here is Redder.

Zodat als hier staat "toen kocht ik haar", dan gaat het dus over Hosea, maar dat is niemand anders dan Jozua. Het is dezelfde naam, dezelfde stam van redding. Het verwijst inderdaad naar Hem, naar Hem die Redder is. Waarom wijs ik er hier op? Omdat wat Hosea hier doet een type is van wat Jehoshua werkelijk gedaan heeft, namelijk een prijs betalen voor Zijn volk. Hij kocht Zijn volk daadwerkelijk. Ook dat is een waarheid die nogal eens in het Nieuwe Testament aan de orde gesteld wordt: Hij heeft hen vrijgekocht. Vrijgekocht wil zeggen: vrij om van Hem te zijn. Ik las gisteren nog een mooie tweet van iemand die zei: "Vrijheid, dat is een relatie. Je bent vrij vóór iemand." Dat is een mooie waarheid. Zo is het ook. Vrijheid betekent niet zomaar: nou, je bent los. Ja, je bent los, maar je bent vrij om van iemand te zijn. Dat is het idee bij vrijkopen. Voor Israël is de prijs betaald.

Laten we even verder gaan: "Toen kocht ik haar voor vijftien zilverstukken." Ik weet niet hoe u dit hebt, maar in het algemeen is zilver in de Bijbel altijd een betaalmiddel. Wij spreken van origine in Nederland altijd over goud, want ons woord gulden komt eigenlijk gewoon van "gold". Maar in het Hebraeus is geld gewoon "kessef", en dat is zilver. Zodat zilver inderdaad een betaalmiddel is. Petrus zegt dat ook ergens in 1 Petrus 1 vers 18: we zijn niet gekocht met vergankelijk goud of zilver, maar met het kostbare bloed van Christus.

Maar waar je wellicht over valt, is de hoeveelheid. Die vijftien zilverstukken; wij denken dan: hé, dat is de helft! Vooral als je enigszins op de hoogte bent van de Bijbelse geschiedenis, denk je bij een aantal zilverstukken toch aan dertig zilverstukken. Want die dertig zilverstukken staan model voor de prijs van Jezus' dood. Je zou ook kunnen zeggen de prijs van Jezus' leven, maar dat is in dit geval hetzelfde. Het was Judas die Jezus inderdaad verkocht en overgeleverd heeft, maar vervolgens lees je – en daar wordt nog wel eens overheen gelezen – dat Judas die prijs weer teruggegeven heeft. In Mattheüs 27 vers 5 lees je dat: hij wierp die dertig zilverlingen in het tempelhuis, in het heiligdom. De prijs van Jezus werd geworpen in het heiligdom. Houd dat vast, want dat is precies wat er gebeurd is. Die dertig zilverlingen hebben te maken met de prijs die voor Hem betaald werd, maar feitelijk ook dóór Hem betaald werd. Het is een embleem, die dertig zilverlingen, voor de prijs van Jezus' leven. Het verwijst dus feitelijk naar Zijn kruis, Zijn sterven.

En u zegt: maar hoezo dan die vijftien? Wel, Hij stierf – en ook dat is een waarheid die je nogal eens aantreft in de Bijbel – aan de ene kant voor de Joden en aan de andere kant voor de heidenen. Voor Israël en voor de volkeren. Zodat de prijs niet slechts betaald wordt voor dat ene volk, maar ook voor de heidenen. In Efeze 2 wordt dat bijvoorbeeld naar voren gebracht. Dus eigenlijk is die prijs die voor Israël betaald wordt maar een helft van de waarheid. Vandaar ook niet de volle prijs, de dertig zilverlingen, maar de vijftien. Het is namelijk maar de helft van het verhaal. De andere helft is voor de volkerenwereld. En ik zeg dat er nu ook bij omdat dat in Hosea 3 ook de waarheid is. Hosea 3 gaat erom dat Israël verstrooid zal worden onder de natiën. De prijs is betaald, maar dat is de helft van de waarheid. De andere helft van de waarheid is dat Hij ook de volkerenwereld gekocht heeft.

Ik wil u eventjes herinneren aan die gelijkenis in Mattheüs 13. Daar lees je van een man die een schat vond in een akker. En wat lees je dan? Kocht hij die schat? Nee, hij kocht de akker, en dus inclusief die schat. Hij vond een schat, kocht de akker, en dan lees je even later dat de akker de wereld is. Maar die schat, die spreekt uiteraard over Israël. En dat is inderdaad Zijn schat – dat bedoel ik vrij dubbelzinnig. Goed, in ieder geval hebben die vijftien zilverstukken te maken met de prijs die voor Israël betaald is. Dat is de helft van het verhaal.

En dan lees je ook nog: hij kocht haar voor vijftien zilverstukken en anderhalve homer gerst. Dat is ook wel een mooi verhaal. Kijk, die zilverstukken hebben te maken met Jezus' dood, dat is niet zo moeilijk. Maar gerst daarentegen heeft te maken met de opstanding van Christus. Hoe weten we dat? Wel, de Here Jezus stond op op de derde dag. Maar wanneer was dat? Dat was bij het begin van de gersteoogst. Bij het officiële begin van de gersteoogst zelfs. De Here Jezus stond op – ik ga dat nu verder niet aantonen en uitleggen, maar ik geef het gewoon eventjes door als mededeling – op de dag van de eerstelingsgarve. Eén dag na de sabbat moest die eerstelingsgarve gebracht worden, en dat was het begin van de oogst.

De eerstelingsgarve van de gersteoogst. Dus dat was het begin van de gersteoogst. De Heere Jezus, dat geopende graf; Hij stond op ten derden dage, maar dat was het officiële begin van de gersteoogst. Zodat gerst inderdaad verwijst naar – ja, brood is leven, dat is het levende brood – maar vooral ook naar dat moment dat Hij als eerstelingsgarve verrees uit het graf.

Zodat die zilverstukken enerzijds verwijzen naar Zijn sterven en de gerst, dat kan niet missen, naar Zijn opstanding uit de doden. En als die vijftien te maken heeft met de helft van het verhaal, namelijk voor Israël enerzijds en de volkerenwereld anderzijds, dan is dat zo. U mag er anders over denken, maar de gedachte die zich bij mij opdrong was: als gerst nou te maken heeft met wat er op de derde dag gebeurd is, dan zou je toch een drie verwachten. Maar het is anderhalf, ook weer de helft. Drie halven. Dat heeft te maken met de helft van de prijs: enerzijds voor Israël, anderzijds voor de volkerenwereld. Ik geef het u mee ter overweging. Maar ik moet verder gaan.

Het Intermezzo: 'vele Dagen Zult Gij Blijven Zitten' ↑ hoofdstukken

En ik zei tot haar: "Vele dagen zult gij blijven zitten." Dus wat was er gezegd? Laat ik het even kort resumeren. De Heer had gezegd: "Bemin een vrouw." En wat doet Hosea? Hij koopt haar. Hij betaalt de prijs; er wordt aangegeven met welke prijs dat gebeurt en vervolgens doet Hosea precies wat hem gezegd werd. Ja, maar er komt een kink in de kabel, of in ieder geval een onderbreking. Want leest u eens bij me mee: "En ik zei tot haar: Vele dagen..." Dat woord moet u even vasthouden, want het komt nog meer terug. "Vele dagen zult gij blijven zitten; gij zult geen ontucht bedrijven." Dat waar ze zich mee bezig hield, dat zal ze vanaf nu niet weer doen. "Gij zult geen man toebehoren en," zegt hij, "ook ik zal tot u niet komen."

Zij was van hem, de prijs was voor haar betaald, maar in de praktijk werd daar niets van zichtbaar of merkbaar. Er kwam geen gemeenschap tot stand. Dat zou nog vele dagen zo blijven. Ze zou dus geen andere mannen meer toebehoren. De prijs was betaald, maar voordat ze daadwerkelijk in de praktijk zijn vrouw zou worden, zouden daar nog vele dagen overheen gaan. Dat betekent eigenlijk een onderbreking. Het oorspronkelijke woord was: "Bemin een vrouw." Dat is een uitbeelding van het nieuwe verbond dat over Israël zou aanbreken. Maar wat gebeurt er in deze geschiedenis en wat beeldt die profeet uit? De prijs wordt inderdaad betaald, maar de vervulling van dit woord wordt onderbroken: vele dagen.

Waar spreekt dat over? Ik hoor heel vaak de gedachte uiten – en op zich is dat volkomen waar – dat de tijd waarin wij leven en dat wat God vandaag doet, allemaal verborgen was in het Oude Testament. Maar men bedoelt daarmee wel eens te zeggen dat je daar geen spoor van kunt aantreffen bij de profeten en in de Tenach. Dat bestrijd ik; daar denk ik anders over. Juist omdat het verborgen is in het Oude Testament, is het er wel te vinden. Want die vele dagen waar hier naar verwezen wordt, is een uitbeelding van onze tijd. De prijs is betaald door Jehoshua, de vrouw is Zijn eigendom, maar in de praktijk is dat huwelijksverbond nog niet werkzaam. Israël is apart gezet en daadwerkelijk zal vervuld worden wat daar ooit gezegd was: hij zou die vrouw gaan beminnen en gemeenschap met haar hebben. Het zou zijn vrouw zijn, maar in de praktijk gaan daar vele dagen overheen. Dat is precies de tijd waarin wij leven: de verborgenheid.

Als je dus zegt dat het verborgen was in het Oude Testament, dan zeg ik: kun je het er vinden? Jazeker. Lees maar bijvoorbeeld Hosea 3, daar vind je zo'n onderbreking. Het is een hele eigenaardige gedachte, want de Heer had gezegd: "Dat zal jouw vrouw zijn, bemin haar." Ja, maar het gebeurt niet op stel en sprong. Er vindt een onderbreking, een intermezzo plaats. Feitelijk is dat heel karakteristiek voor de periode waarin wij leven, tussen de eerste komst en de wederkomst.

Laat ik dat nog toelichten. Er staat in vers 4 vervolgens: "Want vele dagen zullen de Israëlieten..." Letterlijk staat er: de zonen van Israël, de erfgenamen van Israël. "Vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten." Even voor de goede orde: er wordt dus gezegd wat Hosea zou doen, maar ook wat hij daadwerkelijk deed. Namelijk: hij koopt die vrouw en hij zet haar apart. Hoe dat precies in zijn werk is gegaan, weet ik verder niet. Daar kun je een mooie roman over schrijven, en dat is ook gebeurd. Mijn Petra heeft ooit het boek gelezen van Francine Rivers, De bevrijdende liefde. Dat is een roman gebaseerd op dit hele verhaal. Het is een schitterend romantisch motief, met alle tragiek die eraan verbonden is, maar dat is altijd met een roman zo: als het maar een happy end heeft. Daar kun je heel veel bij fantaseren – en dat bedoel ik niet negatief – maar je kunt dat invullen: hoe zou dat gegaan zijn? In Hosea wordt dat echter allemaal betrekkelijk summier beschreven. De waarheid die neergezet wordt is een hele eenvoudige, maar die onderbreking, die vele dagen, wordt hier wel beschreven en uitgelegd.

"Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten." Later in deze zelfde profetie, dat wil zeggen bij deze zelfde profeet Hosea, vind je weer die periode beschreven, alleen dan in Hosea 6 vers 2, waar het "twee dagen" wordt genoemd. Op deze plaats heb ik daar al vaak naar verwezen, want die twee dagen hebben ook weer te maken met wat in het Nieuwe Testament wordt uitgelegd. Wat is voor de Heer nou één dag? Nou, zegt Petrus, dat is niet zo moeilijk: "Eén ding mag u niet ontgaan, geliefde, dat één dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag." Twee keer spreekt hij over één dag en twee keer over duizend jaar. Waarom? Omdat het allemaal te maken heeft met onder andere de profetie van Hosea. Twee dagen dat Israël begraven zou zijn in het graf der volkeren en op de derde dag zou zij verrijzen tot nieuw leven. Zodat die twee dagen uiteindelijk toch vele dagen zijn, namelijk twee dagen van duizend jaar. Wij zitten ongeveer aan het einde van die periode. Dat maakt het allemaal heel bijzonder: de hele tijdspanne waar wij ons momenteel in bevinden en de begrenzing daarvan. De klok loopt bijna af. Wij weten hoe laat het is. We weten de dag niet wanneer de Heer zal terugkomen, maar dan zeg ik altijd, dwars als ik ben: ik weet het wel. Namelijk, de Heer komt op de derde dag. Na twee dagen, dan komt Hij tot ons. Dus die vele dagen verwijzen naar die twee dagen van duizend jaar.

Maar goed, daar moet ik het even bij laten. Want wat lees je dan specifiek over wat er dan zal gebeuren? Hosea had die vrouw gekocht; die vrouw wordt gereserveerd, wordt weggezet en geïsoleerd. Ze zou geen gemeenschap hebben met andere mannen, maar evenmin met Hosea. En dat wordt hier vervolgens verder uitgelegd en toegelicht.

Israëls Huidige Staat: Zonder Koning, Offer en Oerim en Toemim ↑ hoofdstukken

Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, dus zonder een eigen regering. Dat klopt ook; dat is precies wat er met de zonen van Israël gebeurd is. Ze zijn uit het land gezet en vervolgens hadden ze geen eigen nationaal tehuis en geen eigen regering. Zonder koning, zonder vorst, dus ook geen koninkrijk. Het koninkrijk wat zij van origine hadden, namelijk het koningshuis van David, de Davidische dynastie. God had Zijn woord verbonden aan het huis van David; daaraan was het koningschap gerelateerd.

Maar nu wordt er gezegd: Israël zou vele dagen zitten zonder koning, zonder vorst. Geen koninkrijk zijn. Het is wonderlijk zoals dat met Israël gegaan is. Je hoeft helemaal geen gelovige te zijn om je te verbazen over de afgelopen twee millennia, de tweeduizend jaar dat de Joden verstrooid zijn onder alle volkeren. Hoe God hen bewaard heeft, apart gezet heeft. En dat ze na zoveel tijd weer teruggekomen zijn en – met alle toestanden die daaraan verbonden zijn – weer een eigen staat hebben. Maar voor God is de termijn nog steeds niet afgesloten. Nog steeds horen ze daar niet. Het is in overeenstemming met de voorzienigheid dat er weer een Joodse staat is, maar het is niet wat God beloofd had. Het is allemaal eigen werk. Maar goed, laat ik niet te ver afdwalen.

Vele dagen zouden de Israëlieten blijven zitten zonder koning, zonder vorst, en dan zonder offer en zonder gewijde steen. Ook dat klopt exact. Al duizenden jaren vormen ze, tot hun eigen grote verdriet, geen koninkrijk. Ze hebben niet het huis van David, ze hebben geen koning, geen vorst en bovendien hebben ze geen offerdienst; ze hebben geen tempel. Geen offer. In het jaar 70 is de tempel verwoest, en inmiddels is het verlangen zo groot om weer een nieuwe tempel te laten verrijzen daar in Jeruzalem op het tempelplein. Die gaat er ook komen trouwens. Alles ligt al helemaal klaar; er zijn diverse instituten die zich daarmee bezighouden. De fondsen zijn er en ook de klederen voor de priesters liggen klaar. Alle attributen zijn aanwezig; het kan zo beginnen. Het wachten is gewoon op een gelegenheid om daadwerkelijk die tempel weer te laten verrijzen. Maar tot op de dag van vandaag, bijna tweeduizend jaar lang – vele dagen dus, dat mag wel gezegd worden – zitten de Israëlieten nu al zonder offer. Ze kennen het offer sowieso niet. En dé Koning die er wel degelijk is, kennen ze evenmin.

Dat is eigenaardig, hè? Want ze zijn zonder koning, zonder vorst, maar de Koning is er wel. Het offer is er ook. Voordat ik verderga, nog even iets over deze woorden: "zonder gewijde steen". In de Hebreeuwse versie staat er "zonder monument", maar de Septuagint (de LXX, de vertaling van de zeventig, die teruggaat op een oudere Hebreeuwse tekst) zegt "zonder altaar". Als u het mij vraagt, is dat inderdaad de gedachte. Dan krijg je in deze opsomming van vers 4 drie woordparen: zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder altaar, en dan vervolgens zonder efod.

U weet wat een efod is? Dat is het onderkleed van de hogepriester, wat uitgebreid beschreven wordt in het boek Exodus – een geweldig verhaal. Ik ben van plan om binnenkort hier eens uw aandacht te vragen voor de hele hogepriesterlijke kledij. Juist omdat ik me de laatste dagen bezighield met deze zin, "zonder efod of terafim", ben ik me er weer helemaal in gaan verdiepen. Het is zo'n schitterend onderwerp, die efod, wat daar allemaal mee gebeurd is en hoe David de koning de efod ook droeg. Eén ding moet in ieder geval duidelijk zijn: de efod heeft te maken met de hogepriester en de kledij van de hogepriester.

Dan het laatste, en dat is een moeilijk verhaal: de terafim. Terafim zijn gewoon goden, afgoden. Het is een heel eigenaardig onderdeel van deze opsomming. Alles hiervoor is positief en ineens staat daar "terafim". Hoezo terafim? Bovendien hadden we te maken met woordparen: zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder altaar. Ook hier denk ik dat de oplossing weer in de Septuagint ligt. De Septuagint zegt: "zonder Oerim en Toemim". Oerim en Toemim – lichten en volmaaktheiden – hebben ook te maken met het hogepriesterlijk kleed. In de borstplaat, die vastgebonden was op zijn hart (prachtige beelden!), lagen twaalf stenen met daarin gegraveerd de namen van de kinderen Israëls, of de stammen van Israël. In die borstplaat zaten de Oerim en Toemim. Wat dat in vredesnaam is? Nee, dat ga ik echt niet vertellen, want dat is een veel te uitgebreid en te mooi verhaal om nu even in een halve minuut te doen. Het is wel een soort teaser, maar waar het me nu om gaat, is dat de Oerim en Toemim te maken hebben met het hogepriesterlijke kleed.

Zodoende tref je hier inderdaad een volmaakt drietal woordparen. De Israëlieten zullen vele dagen zitten zonder koning en zonder vorst (Hij is er wel, maar ze kennen Hem niet), zonder offer en zonder altaar (dat is er wel, maar ze kennen het niet; verborgen dus) en zonder efod of Oerim en Toemim (namelijk dat wat de hogepriester toekomt; Hij is er wel, maar ze kennen Hem niet). Dat is trouwens vrij logisch, want Hij bevindt zich achter het voorhangsel. Daar laat iemand zich niet zien. Wel horen – dat is een ander verhaal, want dat waren die belletjes aan de zoom van zijn kleed – maar niet iedereen pakt dat op. Het gaat erom dat de Israëlieten vele dagen zouden zitten terwijl ze gekocht en betaald zijn. De prijs was door Jozua betaald, dat wel, maar niettemin zouden ze vele dagen zitten zonder koning, zonder vorst, zonder offer en zonder altaar, dat wil zeggen: zonder hogepriester.

Vele dagen. En dat klopt inderdaad, want tweeduizend jaar heeft Israël geen nationale huishouding gehad, geen eigen regering, geen offerdienst, geen tempeldienst en evenmin een hogepriester. Nu wordt het hoog tijd dat daar verandering in gaat komen. En wat dacht je wat? De derde dag gaat bijna aanbreken. Dat is wat hier in Hosea 3 al honderden jaren voordat de prijs daadwerkelijk betaald werd, is voorzegd. Honderden jaren van tevoren is aangekondigd dat de prijs betaald zou worden en dat dit met Israël zou gebeuren. Wij staan nu aan het einde van die vele dagen en kunnen zeggen: het is exact zoals de profeet het heeft gezegd, pakweg 2700 jaar geleden. Zo lang geleden is dit al voorzegd en zwart op wit opgetekend. Het is exact zo uitgekomen. Wij leven aan het einde van die termijn die Hosea ook al had aangekondigd, maar dat was in hoofdstuk 6. Ziet u hoe bijzonder het Woord van God is? God voorspelt niet, God voorzegt.

Daarna: de Terugkeer en het Vinden van de Ware Koning ↑ hoofdstukken

Want nu moet ik echt opschieten. Na die vele dagen dus, na die twee dagen van duizend jaar, daarna zullen de Israëlieten zich bekeren. Of letterlijk staat er gewoon: 'terugkeren'. Dat is een tamelijk dubbelzinnige term, want terugkeren kan betekenen dat ze letterlijk fysiek terugkeren naar de plaats waar ze ooit waren, namelijk naar het land. Maar het kan ook betekenen dat ze zullen terugkeren naar de Heere. In dit geval maakt dat geen enkel verschil, want die twee gebeurtenissen — die dubbele terugkeer — vinden namelijk gelijktijdig plaats. Op het moment dat zij de Heere zullen gaan aanroepen, en de Heere, dat wil zeggen: zich bekeren, dan zullen zij ook daadwerkelijk terug verzameld worden en terugkeren naar het land. Dus het maakt niet uit. Daarna, na die vele dagen, zullen deze lieden zich bekeren of ze zullen terugkeren en de Heere, hun God, zoeken.

Wat trouwens hier ook de suggestie in zich heeft dat ze Hem kwijt waren. Zijn naam waren ze sowieso al kwijt, en ze zullen Hem dan bevende uitspreken. Daar kom ik nog even op, maar in ieder geval zullen ze dan de Heere, hun God, gaan zoeken. Dat gaat dus gebeuren. Ik zei al eerder iets over wat er in de theologie gebeurd is. De theologie heeft gezegd dat wat aan Israël gegeven en beloofd is, dat wij dat nu zijn. Wij zijn nu de kerk, de bruid of de vrouw. Men heeft ook gezegd dat Israël nu ongelovig is, dat Israël verworpen is en dat het over en uit is. Dat is ook christelijke theologie. Na zovele eeuwen heeft dat zo geklonken en eigenlijk is de hele theologie, de hele dogmatiek, uitgegaan van dat idee. Het is een afschuwelijk rollenspel. Men heeft de rol van Israël overgenomen en daarmee ook afgepakt en 'gejat', om het ook eens op z'n Joods te zeggen. Want in wezen is men bezig met een heel leugenachtig spel: men neemt de rol van Israël op zich en daarmee ontvreemdt men aan dat volk haar belofte en haar identiteit. Daarmee meet men zichzelf een valse identiteit aan en kent men niet wie men werkelijk is. Nou, dat is de tragiek.

Afijn, de Israëlieten zullen terugkeren en ze zullen de Heere, hun God, zoeken en ook daadwerkelijk vinden. Er staat nog iets bij: "en David, hun koning". Het is alweer een paar jaar geleden dat David Sielaff, een Amerikaanse broeder, aan de boulevard van Katwijk een Bijbelstudie heeft gegeven, eigenlijk met name over deze ene zin. Ik ga dat niet allemaal herhalen, maar het is buitengewoon boeiend. Ook dat het graf van David daar nog is en dat daar hele kostbare dingen liggen — letterlijk kostbaar: veel goud, veel zilver. Een ongelofelijke rijkdom moet daar nog liggen. Hij heeft toen ook betoogd dat het graf van David gevonden zal worden en alles wat daarbij hoort, en ook nog de oude Torah-rol die dan ontdekt zal worden. Dan zal men ook ontdekken hoe de Hebreeuwse tekst soms afgeweken is.

Nou, ik heb daar zojuist al wat over verteld. Men zal dus letterlijk David gaan zoeken, maar laat ik die lijn vasthouden: men zal ook weer de Koning zoeken die toebehoort aan het huis van David, de Zoon van David. Die zal men dan niet alleen zoeken, maar men zal Hem ook vinden. En bevende zal men komen, want men zal Hem gaan zoeken; dat zal men niet zomaar doen, maar men is daartoe door de omstandigheden gedwongen. Je leest in Hosea 5 — dat is vlak voordat hoofdstuk 6 aanbreekt — dan lees je nog over Israël: "en zij zullen mijn aangezicht zoeken, wanneer het hun bang te moede is". Er komt een moment daar in Israël dat men de naam van de Heere uiteindelijk in grote nood zal aanroepen. Dan zal men de naam aanroepen die men nu niet durft uit te spreken, en dan zullen ze de naam noemen en dan zal Jehoshua verschijnen. Degene die ooit voor hen de prijs heeft betaald.

Zo zal alles werkelijk in vervulling gaan, maar het zal niet zomaar zijn; men zal dat doen wanneer het hun bang te moede is. Men zal bevende komen tot de Heere, tot Yahweh. Letterlijk staat er trouwens: "tot zijn goedheid", want Hij is een goede God. En dat zal men ook gaan ondervinden. En dan staat er nog bij: "in de dagen der toekomst".

De Dagen Der Toekomst: Gods Trouw en de Bruiloft op de Derde Dag ↑ hoofdstukken

Letterlijk: in de latere dagen. En deze profetie, dat is wat ik vanmorgen zo eenvoudig, vers voor vers doorlopend en niet al te uitgebreid, aan u heb willen meegeven. Dat wat hier in dit hoofdstuk staat, is een blauwdruk van een heel lange geschiedenis van Israël, van vele dagen. Maar het wijst – en dat is wat ik vooral ook daarbij heb willen benadrukken – op de Heer Zelf en op Zijn goedheid; dat Hij trouw is, ondanks menselijke ontrouw. Maar het wijst ook op Jehoshua, die de prijs heeft betaald.

Wij leven nu in die onderbreking, in die vele dagen, maar God gaat Zijn woord vervullen. En Israël zal Zijn vrouw worden, daadwerkelijk ook. Hij zal Zijn volk beminnen, liefhebben en gemeenschap met hen hebben. Wat zeg ik? Er zal een feest gevierd worden: een bruiloft, de bruiloft van het land. En dan zal de Heere Zijn volk huwen, een nieuw verbond, en dan zullen alle volken worden uitgenodigd om dat feest te beleven.

De derde dag. Op de derde dag was daar een bruiloft. Ja, dat is Johannes 2 in Kana, weet u. Dat staat daar natuurlijk niet voor niets. Het wijst op profetische waarheden en zo zie je dat God Zijn woord nauwkeurig en betrouwbaar vervult. Daarom zijn we ook mensen van de toekomst, die met een open vizier en met reikhalzend verlangen uitzien naar wat God allemaal nog gaat uitwerken. Want goed is Hij, en dat zal ook blijken.

Amen.

🎧 Gekocht Maar Terzijde Gesteld
Delen: