GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

geënt op de edele olijf

02-08-2020 - Geplaatst door Andre Piet
toespraak gehouden op zondag 2 augustus 2020 te Urk

In Romeinen 11 betoogt Paulus dat de gelovigen uit de natiën als onnatuurlijke takken geënt zijn op de vettigheid van de wortel van de olijfboom. Bedoelt hij daarmee te zeggen (zoals velen menen) dat de gelovigen uit de natiën zijn ingelijfd bij Israël? Zo nee, wat bedoelt hij dan met “de vettigheid van de wortel” waaraan gelovigen uit de natiën deel hebben gekregen? En moeten we als gelovigen bang zijn ook weer ‘uitgehakt’ te worden?
Reden genoeg om eens nauwkeurig te lezen wat “er staat geschreven”…

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie behandelt de metafoor van de edele olijfboom uit Romeinen 11 en Israëls huidige positie in de heilsgeschiedenis. Er wordt uitgelegd dat Israël is gestruikeld, waardoor de redding naar de natiën is gegaan om het volk jaloers te maken. Gelovigen uit de natiën zijn als wilde takken geënt en delen in de beloften die aan de aartsvaders zijn gedaan, maar worden nadrukkelijk gewaarschuwd voor hoogmoed. In de toekomst zal God de natuurlijke takken, Israël, weer enten en hen herstellen. Ten slotte wordt benadrukt dat gelovigen uit de natiën niet zijn ingelijfd in Israël, maar een nog hogere positie hebben als leden van het lichaam van Christus.

“Wij zijn geen deel van Israël; de positie die wij hebben is nog veel hoger. Wij zijn deel van Christus, van Zijn lichaam geworden.”

Inleiding: de Metafoor van de Olijfboom ↑ hoofdstukken

Een hele goede middag allemaal. Vrienden, het is goed elkaar hier weer op deze eerste zondag van de maand, zoals te doen gebruikelijk, te ontmoeten. Hartelijk dank voor het welkomstwoord. Vanmiddag wil ik jullie meenemen naar Romeinen 11; het onderwerp is vanuit deze kring zelf aangedragen.

Een paar dagen geleden stond ik nog in dubio over waarover ik vandaag zou spreken. Toen was het Daniëlle die mij uit de brand hielp, want zij stelde een vraag over Romeinen 11 en over het onderwerp dat Paulus daar bespreekt: de metafoor die hij gebruikt over het geënt worden op de edele olijf, hoe dat nou precies zit.

Laat ik uit de aankondiging die ik op mijn website had geplaatst over deze middag even het volgende voorlezen, om meteen in de sfeer van het onderwerp te komen. In Romeinen 11 betoogt Paulus dat de gelovigen uit de natiën als onnatuurlijke takken geënt zijn op de vettigheid van de wortel van de olijfboom. De vraag is: bedoelt hij daarmee te zeggen — zoals velen menen — dat de gelovigen uit de natiën zijn ingelijfd bij Israël?

Zo wordt de tekst en zo wordt de vergelijking gewoonlijk gelezen. Het antwoord kan 'ja' zijn, maar zo nee: wat bedoelt hij dan eigenlijk met de vettigheid van de wortel waaraan gelovigen uit de natiën deel hebben gekregen? En trouwens, dan nog iets: moeten we als gelovigen ook bang zijn om weer uitgehakt te worden uit de boom?

Voor degenen die het Bijbelgedeelte helemaal niet kennen, klinkt dit natuurlijk een beetje als abracadabra. Dan begrijp je de terminologie niet, dat snap ik. Maar dat wordt vanzelf helder wanneer we vers voor vers door dat gedeelte heen gaan. Dat gaan we wel een beetje snel doen, want ik wil die hele passage lezen. In ieder geval lijken deze vragen en opmerkingen mij op zich al reden genoeg om eens nauwkeurig te lezen. Nauwkeuriger dan je gebruikelijk bent te doen wanneer je alleen maar een passage leest en voorleest aan tafel of wanneer je even oppervlakkig leest. Maar dat is wat anders dan Bijbelstudie.

Bijbelstudie wil zeggen dat je met precisie leest en vooral ook teruggaat naar wat er oorspronkelijk staat geschreven. Daarbij vergelijk je natuurlijk ook Schrift met Schrift, zodat de Schrift zichzelf uitlegt. Dat zijn de gouden regels die daarbij van belang zijn. Laten we meteen de koe bij de horens vatten en beginnen bij vers 11.

En als ik zeg beginnen: in feite was het betoog over dit onderwerp van Israël al veel eerder aangevangen, namelijk in hoofdstuk 9 vers 1. Dat betekent dat er inmiddels al ruim twee hoofdstukken aan voorafgegaan zijn. Hoofdstuk 9 en hoofdstuk 10, waarin Paulus worstelt — want zo is het echt — met de vraag hoe het nu zit met het ongeloof van zijn eigen vlees en bloed, met zijn eigen volk. Hij zegt ergens in deze hoofdstukken dat hij een voortdurend hartzeer had vanwege zijn volksgenoten, omdat hij wist wat aan dat volk — het zijn de Israëlieten — is toevertrouwd. Dat zijn de zegeningen, de beloften; aan hen zijn de vaderen, van hen is de eredienst, de verbonden, de wetgeving, alles. Dat heeft God aan dat volk toevertrouwd.

Hoe zit het nu met de belofte die God aan dat volk gegeven heeft als nu het merendeel van het volk haar afwijst? Er zijn uitzonderingen — Paulus was zelf zo’n uitzondering, aanvankelijk niet, maar later godzijdank wel. Maar hoe zit het dan met die belofte als een merendeel van het volk en ook de representanten van dat volk — ik bedoel degenen die verantwoordelijk waren, de regering, het Sanhedrin — als die het Evangelie afwijzen? Hoe zit het dan met de voortgang van die belofte?

Dat zijn de vragen waar Paulus uitgebreid aandacht aan geeft en het zijn schitterende hoofdstukken. Ik kan niet anders dan midden in het betoog invallen, puur om te komen bij die metafoor, die vergelijking die hij maakt over de olijfboom.

Romeinen 11: Israëls Struikeling Versus Israëls Val ↑ hoofdstukken

Ik maak alvast een aanloop door te beginnen in vers 11. Paulus zegt daar: "Ik zeg dan: zij struikelen toch niet opdat zij zouden vallen? Volstrekt niet!" Voor de goede orde: deze vertaling is gebaseerd op een zo letterlijk mogelijke weergave van de tekst en kan dus af en toe afwijken van de NBG- of de Statenvertaling. Als dat echt essentieel is, komt dat vanzelf aan de orde. Wat Paulus hier zegt over zijn volksgenoten, is dat hij spreekt over twee verschillende werkwoorden: struikelen en vallen.

Dit is heel typerend voor de tijdsperiode waarin hij dit optekende. Dat weten we trouwens vrij nauwkeurig, want de Romeinenbrief is ergens te markeren in het boek Handelingen. Lucas beschrijft in Handelingen de daden van de apostelen, beginnend in Handelingen 2 bij de Pinksterdag en eindigend in Handelingen 28, wanneer Paulus in Rome is gearriveerd. In die hele verhaallijn kun je allerlei brieven plotten; de brieven aan de Thessalonicenzen, aan de Korinthiërs, enzovoorts. Juist omdat de geschiedenis van de apostel Paulus zo uitgebreid beschreven wordt, weten we dat deze brief is geschreven ten tijde van Handelingen 20 vers 3, in de maanden dat hij in Achaïe was, op het zuidelijk schiereiland van Griekenland ten zuiden van Athene.

In die periode schreef Paulus dit, en wat kun je op dat moment van Israël zeggen? Welnu, Israël is gestruikeld, maar nog niet gevallen. Dat zou wel gebeuren, maar dat was hier nog niet aan de orde. Het verschil tussen beide lijkt me vrij evident. Je kunt struikelen en dat kan fase één zijn van een val, maar het kan ook zijn dat je struikelt en alsnog herstelt. Jan, jij weet er alles van, hè? Hij is gisteren in de douche gevallen, vandaar. Hij struikelde en hij viel ook; zo gaat het vaak. En hoe ouder je wordt, Jan... sorry, dat mag ik nou weer niet zeggen. Maar in ieder geval: je kunt struikelen en alsnog herstellen, waardoor je de struikeling als het ware ongedaan maakt. Het kan echter ook zo zijn dat je struikelt en ten slotte niet in staat bent om je te herpakken, zoals dat heet, waardoor je alsnog valt.

Zo is het met Israël trouwens wel gegaan. Ik wil dat laten zien aan de hand van een schemaatje. Helemaal links heb je het moment dat Jezus Christus werd gekruisigd. Dat is, lijkt mij vrij duidelijk, Israëls struikeling, want toen viel het volk over de 'steen des aanstootens'. Dat is overigens een uitdrukking uit Romeinen 9. Israël struikelde over de steen. Vervolgens werd de boodschap van het evangelie gepredikt door de twaalf, met name aan Israël in Jeruzalem. Inmiddels was Jezus Christus opgestaan uit de doden en nu werd de opgewekte Messias alsnog gepredikt aan het volk, in de eerste plaats in Jeruzalem.

In die hoofdstukken zie je dat ook de leidslieden opnieuw de Messias aanwijzen. Eerst deden ze dat door Hem aan het kruis te nagelen. Petrus zegt later op het tempelplein: "Ik weet dat jullie uit onkunde hebben gehandeld, maar zo heeft God in vervulling doen gaan hetgeen Hij bij de heilige profeten heeft gesproken." Hij roept hen op tot berouw en bekering, opdat God Hem, die Hij tevoren had uitgekozen en heeft doen opstaan, uit de hemel zou zenden. De belofte die God aan het volk had gegeven en het aanbreken van het Koninkrijk zouden dan alsnog gerealiseerd worden. Als zij de Messias, die zij eerst in onwetendheid hadden gekruisigd, nu als de opgewekte Messias zouden aanvaarden, dan zou dat herstel aanbreken. Dat is de prediking van de twaalf in die tijd.

We weten hoe dat is gegaan: wederom was er die massieve afwijzing. Dat eindigt min of meer in de beschrijving van Stefanus, die gestenigd wordt door nota bene het Sanhedrin, de leidslieden. De representanten van het volk wijzen de opgestane Messias heel duidelijk af. Dat is tevens de introductie van Saulus van Tarsus, die wordt geroepen. Vanaf Handelingen 13 zie je de tijdlijn van het boek Handelingen verdergaan. Saulus wordt Paulus en een aantal hoofdstukken later lees je dat hij zich gaat wenden tot de natiën. Hij gaat in het buitenland altijd eerst naar de synagoge, maar als hij daar afwijzing vindt, zegt hij: "Eerst moest het Woord Gods naar jullie gepredikt worden, maar nu jullie het afwijzen, wenden wij ons tot de natiën." Dat is eigenlijk iedere keer het verhaal in het boek Handelingen. De redding gaat naar de natiën via de apostel Paulus. Petrus had ooit de deur geopend voor de natiën en Paulus gaat, om zo te zeggen, door die deur naar binnen.

Dat is de situatie tot aan Handelingen 28. Daarna houdt die situatie op. Dan is het niet meer Israëls struikeling, maar is Israël ook daadwerkelijk gevallen. Israël komt om onder de natiën, Jeruzalem wordt uiteindelijk verwoest en de tempel verbrandt. Van de hele staat van de Joodse natie blijft niets over. Dat is de situatie: in eerste instantie Israëls struikeling, en het eindigt in Handelingen 28 als het einde van het verhaal wat betreft Israëls val.

Om het nog even goed helder te krijgen: als Paulus in Handelingen 20 deze brief aan de Romeinen schrijft, dan is dat in de tijd dat hij zich weliswaar al wendt tot de natiën, maar het is ook nog de tijd van Israëls struikeling. Dat laat ik zien in de rest van vers 11: "Maar door hun misstap is de redding voor de natiën." In de NBG staat daar "door hun val", maar dat is erg misleidend; het is hun misstap. Door hun misstap, de afwijzing van de Messias, is er redding voor de natiën. In feite is dit Paulus' persoonlijke relaas. Hij legt uit waarom hij zich tot de natiën wendt. Als je het puur historisch bekijkt en inzoomt op de figuur van Paulus zelf: waarom ging hij naar de natiën? Het antwoord is: omdat de synagoge het niet bliefde, in eerste instantie in de Joodse staat zelf en later ook in het buitenland. Door hun misstap is de redding voor de natiën.

Redding voor de Natiën Om Israël Jaloers te Maken ↑ hoofdstukken

Dat wil zeggen: het evangelie ging vervolgens buiten de religieuze grenzen en ging ook nu naar de natiën. En dat is inderdaad een samenvatting van Paulus' bediening. Er is trouwens ook een verschil met de prediking van de twaalf. Ik wil het toch even aangeven, want als de twaalf predikten – vooral bij monde van Petrus – dan was dat met de strekking dat Israël zich zou bekeren. Als Israël zich zou bekeren, dan zou het worden hersteld. Het volk zou uit de hele wereld worden verzameld en onder leiding van de Messias zou via een gelovig Israël de natiën bereikt worden. Dan zou het koninkrijk geopenbaard worden over de hele wereld. Dat was de prediking. Dus ook bij de twaalf zou het heil bij de natiën terechtkomen, maar hoe? Door Israëls geloof. Door Israëls geloof zou het bij de natiën komen.

Voor Paulus was het precies omgekeerd. Hij zegt: door hun misstap is de redding naar de natiën gegaan. Juist omdat Israël niet geloofde, ging hij naar de natiën. Dus dat is in afwijking van wat de gedachte was en het profetische programma. Dit was ook verborgen in de profetie. Ik zeg: dit was verborgen in de profetie. En dus staat het er, denk ik dan, maar verborgen. Maar goed, dit is dan ook weer heel typerend voor die tijd: door hun misstap is de redding voor de natiën. Ja, waarom? Om hen jaloers te maken. Nou, dat is gelukt hoor, moet ik u zeggen. Dat had Paulus trouwens even eerder in deze hoofdstukken al gezegd.

En ik zei al: het was verborgen in de profetie. Dat kan ik ook aantonen, want we moeten zo opletten hoe Paulus dat dan formuleert. Ik blader nu even terug naar hoofdstuk 10 vers 19, en dan zegt hij: "Maar ik vraag: heeft Israël het dan niet verstaan?" En dan zegt Mozes vooreerst – en nu volgt er een citaat uit de boeken van Mozes, uit Deuteronomium. U moet het maar even nakijken waar het precies staat, maar in ieder geval citeert hij Mozes en zegt: Mozes had dat al gezegd, woorden van die strekking: "Ik zal u jaloers maken op wat geen natie is, en toornig op een onverstandige natie." Dus daar wordt bij monde van Mozes al gezegd dat er ooit een tijd zou komen dat ze jaloers zouden worden gemaakt door wat geen natie is. En op een onverstandige natie, tussen aanhalingstekens dan. Dat wil zeggen: een volk waar zij op neerkijken, die er geen verstand van heeft. Ja, wat weten die blinde Filistijnen en de blinde heidenen daar nou van? Maar het wekt jaloezie op. En je ziet dat inderdaad in het boek Handelingen gewoon voor je ogen voltrekken. Paulus is daar eigenlijk voortdurend ervaringsdeskundige in: dat als hij inderdaad naar de natiën toe gaat, dat een enorme jaloezie en kift oproept bij zijn volksgenoten, bij de Joden.

Ik ga verder, want ik zei al: ik heb een heleboel dia's en ik wil wel bij die olijfboom uitkomen natuurlijk, anders is de missie niet geslaagd. "Indien nu hun misstap" – dat is dus in de tegenwoordige tijd – "indien nu hun misstap rijkdom van de wereld is en hun vermindering rijkdom van natiën..." Dus wat je hier ziet, is dat Israël in de tegenwoordige tijd de Messias afwijst. Dat is hun misstap, hun struikeling. Maar de grap is dat juist daar de schatkamer van God opent voor de wereld. Israël wijst het af, de synagoge doet de deur dicht en Paulus is daar niet langer welkom met de prediking van het evangelie. Wat doet hij? Hij gaat naar de natiën toe, hij gaat naar de wereld toe en hij stalt de rijkdom van genade voor hen uit. En dat is voor Israël een misstap. Het betekent ook hun vermindering. Er vallen er velen van hen af, ook getalsmatig trouwens, en dat is een vermindering. Maar ondanks die vermindering bij Israël en ondanks hun misstap is dat juist rijkdom voor de natiën.

Maar, zegt Paulus, als dat al zo is, als de misstap van Israël en hun vermindering – zoals de terminologie in deze context is – als dat al rijkdom voor de wereld is, "hoeveel te meer hun volheid!" En dat is dus in de toekomst. Dat is iets wat je eigenlijk voor de traditionele christen moet uitleggen, maar voor Paulus' lezers was dit natuurlijk gesneden koek. Want dat er een toekomst voor Israël is en voor het volk, en dat daar nog een Messiaans rijk gaat komen hier op deze aarde vanuit Jeruzalem, dat is Bijbels ABC. Dat is de Bijbelse toekomstverwachting, die tegenwoordig bijna helemaal verdwenen is. Ik kom er straks nog eventjes op terug, maar de logica is deze: als Israëls ongeloof nu al zo'n enorme rijkdom betekent voor de wereld, wat moet dat dan wel niet gaan betekenen als Israël straks tot volheid komt? En in de praktijk betekent dat: tot aanvaarding van de Messias. Hoeveel te meer zal dat rijkdom voor de wereld zijn?

En nu zegt hij: "Ik spreek tot jullie, de natiën." Het is trouwens een heel belangrijke zinsnede. Ik heb hem ook expres even eruit gelicht om daarmee aan te geven dat Paulus zich nu tot zijn lezers richt, maar hij spreekt hen aan als "de natiën". Waarom is dit van belang? Hij spreekt niet tot individuele gelovigen als zodanig. Dat zijn zijn lezers misschien wel, maar dat is niet de hoedanigheid waarin hij hen aanspreekt. Ik bedoel, het maakt een heel verschil of ik jullie nu aanspreek – nou, dat zou sowieso al niet helemaal kloppen, maar even voor het gemak – als Urkers of dat ik jullie aanspreek als gelovigen. In beide gevallen zeggen we: "Ja, maar ik ben én een Urker én ik ben een gelovige." Of ik spreek je aan als vrouw of als man; dan kun je zeggen: "Ja, ik voldoe aan al die categorieën." Maar de vraag is: hoe word je aangesproken? Nou, Paulus spreekt nu zijn lezers aan als "de natiën". Hij doet dat trouwens gewoonlijk in de navolgende verzen in het enkelvoud. Dat wil zeggen dat hij één iemand aanspreekt, maar die ene iemand die hij zo aanspreekt, dat zijn de natiën. In die hoedanigheid worden ze aangesproken. Ik onderstreep het, want het is van groot belang om de draad ook vast te houden.

Paulus' Bediening als Apostel van de Natiën ↑ hoofdstukken

Ik spreek tot jullie, de natiën. Voor zover ik inderdaad van de natiën een afgevaardigde ben, verheerlijk ik mijn bediening. Nu even dit: hij zegt van de natiën, van de volkeren of van de heidenen. Dat hangt af van welke vertaling je hebt, maar er staat in de grondtekst gewoon ethnōn, de natiën. Daar is Paulus een afgevaardigde van. Hij is een apostel van de natiën. Ik gebruik hier het woord afgevaardigde, want dat is wat een apostel letterlijk is. Het is exact hetzelfde.

Paulus is een apostel van de natiën. Je moet dit goed lezen en je vooroordelen of dat wat je denkt erover te begrijpen even aan de kant zetten. Lees het woord: hij is niet een apostel voor de natiën, maar een apostel van de natiën. Hij is afgevaardigd. Hij zegt bijvoorbeeld bij een andere gelegenheid: "Ik ben een afgevaardigde van Christus Jezus." Wie is dan degene die afvaardigt? Dat is Christus Jezus. Hij zegt ook dat hij een apostel van God is; dat zegt hij volgens mij bij meerdere gelegenheden. In die gevallen is Christus Jezus of God degene die hem afvaardigt. Maar in dit geval zegt hij: "Ik ben een afgevaardigde van de natiën." Ook dat is waar. Het betekent dat hij afgevaardigd is door de natiën.

In die hoedanigheid richt hij zich tot zijn publiek en zegt: "Ik verheerlijk mijn bediening, om zo mogelijk mijn eigen vlees en bloed jaloers te maken." Hij is een apostel van de natiën, dat wil zeggen: hij treedt op als behorend tot de natiën. Ik weet niet hoe u dat hebt, maar we weten allemaal dat Paulus Joodse roots had. Dat is overduidelijk en hij had het in het Jodendom zelfs verder gebracht dan vele van zijn tijdgenoten. Dat is allemaal waar. Maar Paulus is, in tegenstelling tot de twaalf apostelen, iemand van de natiën. Hij kwam uit het buitenland. Dat is niet voor niets; hij was Paulus van Tarsis en hij was bovendien een Romein.

In het boek Handelingen komt dat in een bepaalde geschiedenis heel duidelijk naar voren. Hij zegt daar zelfs: "Ik ben een geboren Romein." Dat geboorterecht was een zeer kostbare zaak. Je leest in die geschiedenis dat sommige mensen het Romeinse burgerschap moesten kopen voor een enorm bedrag, maar voor Paulus was het zijn geboorterecht. Hoe dat precies zit, doet nu even niet ter zake, maar het gaat om het punt: Paulus was een Romein. Als Romein, als iemand uit het buitenland, richt hij zich tot zijn volk en verheerlijkt hij zijn bediening.

Inderdaad, via hem is het heil naar de natiën gegaan. Maar de heerlijkheid van zijn bediening is juist dat hij zich als afgevaardigde van de natiën tot hen richt, om zo mogelijk zijn vlees en bloed — zijn volksgenoten, de Joden — jaloers te maken. Dat doet hij in de hoedanigheid van een Romein. In feite had Paulus ook een heidens evangelie, waarin de besnijdenis en al die rituelen geen rol speelden. Hij zegt in Galaten 2 vers 7: "Aan mij is het evangelie van de voorhuid toevertrouwd." Dat is eigenlijk een onbesneden evangelie, en dat was de grote ergernis. In die hoedanigheid, als representant van dat onverstandige volk, als heiden, richt hij zich tot Israël.

Wat Paulus in de hele Handelingenperiode richting het Joodse volk doet, is hen bekendmaken dat het evangelie naar de natiën is gegaan. Dat was geen dankbare taak, maar hij deed het om hen jaloers te maken. En dat is hem gelukt ook, dat kan ik u vertellen. Kijk het maar na in de Schriften; ik zou geen uitzondering weten. Overal waar Paulus kwam, wekte hij bij zijn volk naijver op. Dat is een wat ouderwets Nederlands woord voor jaloezie. Dat is wat er gebeurde: het feit dat heidenen nu, zonder de wet, zonder de besnijdenis en buiten de sabbat om, spraken van de Messias en kennis hadden van God. Dat werd nu bekendgemaakt aan het Joodse volk.

Paulus zegt: "Dat ik zo mogelijk mijn vlees en bloed jaloers zou maken." Ik heb hier een aantal verzen als toelichting of referentie bijgezet, maar ik had er nog veel meer plaatsen bij kunnen vermelden. Dat is wat er gebeurde. Die jaloezie kun je op twee manieren opvatten. Het betekent in ieder geval niet per definitie geloof. Hij zegt: "Dat ik zo mogelijk mijn vlees en bloed jaloers zou maken en enigen uit hen redden." Ze worden allemaal jaloers gemaakt, maar slechts enigen uit hen worden gered. Jaloezie betekent namelijk helemaal niet per definitie geloof.

Je hebt positieve jaloezie en negatieve jaloezie. Positieve jaloezie is dat ik graag wil hebben wat jij ook hebt; ik ben jaloers omdat ik het zelf ook zou willen bezitten. Maar de meeste jaloezie is: "Jij hebt iets en ik gun het jou niet. Jij hoort dat helemaal niet te hebben, want dat is voor mij." Dat is ook jaloezie. Die tweede vorm van jaloezie roept haat op. Dat is wat Paulus meestal meemaakte als hij het evangelie buiten de synagoge bracht; het riep de kift en de haat op van zijn orthodoxe volksgenoten. Maar er waren er ook die juist daardoor hun oor te luisteren legden bij wat hij te melden had en die overtuigd werden door de bewijzen die hij aan de hand van de Schriften voorlegde.

Er is trouwens nog iets opmerkelijks aan dit vers. Hij zegt: "Dat ik zo mogelijk mijn vlees en bloed jaloers zou maken en enigen uit hen redden." Paulus ging in zijn dagen niet meer uit van de bekering van Israël als volk; hij spreekt over enigen uit hen. Weliswaar was Israël op dat moment nog niet gevallen, maar het scheelde niet veel. Het duurde trouwens ook niet zo lang meer.

Israëls Verwerping: Verzoening voor de Wereld en Leven uit de Doden ↑ hoofdstukken

Want indien hun verwerping verzoening van de wereld is... Dit is in feite wat Paulus ook in vers 11 al aangaf. Doordat Israël hun Messias verwierp – hun verwerping, wat je trouwens op twee manieren kunt opvatten: zij verwierpen de Messias, maar het is ook hún verwerping, dat wil zeggen dat zij daardoor terzijde worden gesteld. In ieder geval: indien hun verwerping verzoening van de wereld is. Dat is Paulus' boodschap. De boodschap van verzoening van de wereld; God die de vijandschap tenietdoet. En dat is inderdaad de verzoening van de wereld.

Mensen zeggen weleens: "Ik weet van die boodschap, dat is een dwaalleer", maar het is precies wat Paulus zegt. Juist doordat Israël – of de synagoge, zo u wilt; het Joodse volk – haar Messias verwierp, daardoor is de schatkamer geopend, de rijkdom voor de natiën. En wat wordt hen verteld? De verzoening van de wereld. Dat is de ene kant. En wat zal dan de aanneming anders zijn dan leven vanuit de doden?

Hun verwerping betekent de boodschap van verzoening van de wereld. Hij is de Redder van alle mensen, in het bijzonder van degenen die geloven. Ja, dat is de verzoening van de wereld. Maar Paulus zegt: als deze boodschap, die ik onder de natiën bekend mag maken, voortkomt uit Israëls verwerping, wat zal de aanneming dan anders zijn dan leven vanuit de doden? Dat is toekomst. Hun verwerping is nu; de boodschap van de verzoening der wereld is daardoor naar de natiën gegaan. Maar de aanneming in de toekomst van de Messias, wat is dat anders dan leven vanuit de doden? Dat is Israëls herstel. Denk aan Ezechiël 37, dat dal vol doodsbeenderen. Of wat dacht u van Hosea 6? Over dat Israël na twee dagen levend gemaakt zal worden en dat de Heer tot hen zal komen. Hun aanneming is niet anders dan leven vanuit de doden.

Je ziet in dit gedeelte dat Paulus wat er plaatsvond in zijn dagen rondom Israëls struikeling – bijna een val – in een heilshistorisch en profetisch perspectief plaatst. Hij zegt: "Ja, maar dat is hun verwerping nu", en hij laat zien hoe God als het ware een omweg maakt via de natiën, maar uiteindelijk komt Hij toch weer daar waar Hij wezen wil, namelijk bij Israël. En wat zal die aanneming dan anders zijn dan leven vanuit de doden? Pasen voor deze wereld! Geweldig, dat is de toekomst.

Indien nu... We komen nu op een paar wat lastiger verzen, maar daar moeten we wel naartoe natuurlijk.

De Heilige Wortel en het Deeg: de Beloften aan de Aartsvaders ↑ hoofdstukken

Indien nu de eerstelingen heilig zijn, dan ook het deeg. Dat klinkt al erg cryptisch. En indien de wortel heilig is, dan ook de takken. Dit zijn twee vergelijkingen van één zaak. Waarover heeft hij het? Nou ja, hij heeft het over eerstelingen en over de wortel. Het een is meervoud, het ander is enkelvoud. En hij heeft het over het deeg, dat is enkelvoud, en over de takken, dat is dan weer meervoud. Leuk hè?

Maar eerst even dit: waar zou hij op doelen? Ik zei al: het zijn lastige verzen. Toch valt het bij nader inzien mee, want wat blijkt is dat hij helemaal aansluit op de rest van zijn betoog. Die eerstelingen, ja, dat is dus de wortel. Dat is hetzelfde. Dat is waar het begint. Maar dat is ook waar een plan bij begint; immers, bij de wortel. Daar komt alles vandaan. En dat zijn inderdaad – dat kan niet anders – degenen bij wie alles ooit is aangevangen, in dit geval de aartsvaders. De vaderen, om zo te zeggen. Abraham, Izaak, Jakob, dat zijn die eerstelingen. Daar is alles ooit mee begonnen.

Zij zijn heilig, dat wil zeggen: zij zijn apart gezet, geroepen. En wat daaruit voortkwam, was daarom om diezelfde reden heilig. Dat geldt ook voor die wortel; daar is het allemaal mee begonnen, en dan vervolgens ook voor de takken. Ik kom er straks uiteraard even op terug. Maar het kan niet missen dat hier inderdaad gedoeld wordt op de vaderen aan wie de beloften zijn gegeven.

En dan even over dat deeg en die takken: ja, dat is dan in beide gevallen ook identiek. Het gaat over de Israëlieten die voortgekomen zijn uit de vaderen, toch? In feite – daar trouwens nog iets over dat deeg – wordt het hier vertaald met deeg, maar letterlijk, u ziet het hier in de interlineair, is het eigenlijk het kneedsel. Want eerder, in hoofdstuk 9 vers 21, gebruikte Paulus exact hetzelfde woord in het Grieks. En dat is inderdaad kneedsel. Dat kan deeg zijn, maar het kan ook dat spul zijn waar een pottenbakker gebruik van maakt, namelijk een klomp klei. In de NBG-vertaling wordt het trouwens ook vertaald met een klomp.

Wat voor Nederlanders trouwens weer erg verwarrend is natuurlijk, want wij denken bij een klomp weer aan iets anders, aan een houten ding. Maar ik bedoel nu even een klomp klei. Een kneedsel, iets wat je kneedt. Als een bakker dat doet, dan is het deeg, en als een pottenbakker het doet, dan is het een klomp... of heeft het nog een andere naam? Weet ik even niet. Ja, een klomp klei. In ieder geval, daar staat het voor.

In feite is dat allemaal trouwens een proces. Het deeg is niet het eindresultaat, maar het is iets waar je brood van bakt en maakt. Trouwens, daar doelt Paulus hier ook op. Ik ga er nu eventjes aan voorbij, want het gaat erom dat hij hier ook weer doorverwijst naar een ritueel waarbij eerstelingen werden geheiligd. En het deeg wat vervolgens van de tarwe werd gemaakt, dat was dan ook heilig.

Maar het idee is niet zo moeilijk. Waarom is het volk van Israël heilig? Waarom zijn de Israëlieten individueel heilig? Nou, heel simpel: ze zijn voortgekomen uit de aartsvaders. Ze zijn dragers van de beloften. De vaderen, of zo u wilt, de eersten. Aartsvaders betekent trouwens ook 'de eersten'; aarts is eerste. En dus de aartsvaders, dat zijn inderdaad de eerstelingen. En dat is de wortel waar het allemaal mee begonnen is en waar ook het volk uit voortgekomen is. Nou, we komen er wel uit. Want nu zijn we bij vers 17.

De Wilde Olijf Geënt: Deelgenoot van de Vettigheid van de Wortel ↑ hoofdstukken

Indien nu enige van de takken werden weggebroken... Paulus gaat er hier eigenlijk vanuit dat zijn lezers sowieso al begrijpen dat deze takken Israëlieten zijn. Hij legt het niet eens expliciet uit; als wij het niet begrijpen, dan ligt dat eigenlijk aan ons eigen onbegrip. Trouwens, uit het vervolg van zijn betoog blijkt het sowieso overduidelijk. Hij doelt hier op Israëlieten die door ongeloof terzijde zijn gesteld. Ze waren dragers van de belofte, maar door ongeloof zijn ze nu weggebroken.

En jullie, de natiën — zo worden zij hier aangesproken — jullie zijn als wilde olijf te midden van hen geënt. Ook dat is logisch, want de natiën kregen deel aan de beloften. Of "de belofte" in het enkelvoud, als een collectief, als de verzameling van al de beloften die primair voor de natuurlijke takken, de Israëlieten, waren bestemd.

Ik heb dit citaat niet in de dia's opgenomen omdat het te ver zou voeren, maar lees Handelingen 3 vers 25 en 26 er maar eens op na. Daar spreekt Petrus zijn volksgenoten aan op het tempelplein en zegt: "God heeft in de eerste plaats voor júllie Zijn knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, opdat jullie je van je boosheden zouden bekeren." Woorden van gelijke strekking worden daar gesproken: het was in de eerste plaats voor hen. Maar nu zijn veel natuurlijke takken vanwege ongeloof weggebroken. Paulus legt uit dat het evangelie, dat in de eerste plaats voor hen bestemd was, nu bij de natiën terecht is gekomen. Jullie ogen zijn geopend en nu zijn jullie te midden van die weggebroken takken geënt.

Paulus voegt daaraan toe dat je daardoor "mede-deelgenoot werd van de wortel, van de vettigheid van de olijfboom." Dat is een hele mond vol, maar als je er even bij stilstaat, is het niet zo heel erg zwaar te verstaan. Jullie zijn erop geënt. Natuurlijke takken zijn weggebroken. Jullie maakten oorspronkelijk geen deel uit van die olijfboom; jullie waren geen natuurlijke dragers van de belofte. Niettemin zijn jullie erop geënt. De consequentie daarvan is dat jullie mede-deelgenoot werden van de wortel van de vettigheid van de olijfboom. De NBG-vertaling spreekt hier over de "saprijke wortel". Dat is precies wat de wortel produceert: de vettigheid, de olie. Doordat jullie daarop geënt zijn, hebben jullie deel gekregen aan dat wat die wortel produceert.

Het is prachtig om hierbij stil te staan, want wat produceert een olijfboom? Olijfolie. Waar wordt olijfolie voor gebruikt? Voor een heleboel doeleinden: medische toepassingen, culinaire doeleinden... maar in de Bijbel in de eerste plaats voor licht, om de lampen brandende te houden. Dat wisten de priesters in het heiligdom maar al te goed. Je gebruikte daar geen elektrisch licht; je had olie in de lampen nodig. Die olijfboom produceert dus olie, wat voor allerlei doeleinden wordt gebruikt. Wij spreken tegenwoordig wel van Haarlemmerolie voor een middel dat eigenlijk overal goed voor is, en olijfolie is ook een soort Haarlemmerolie. Maar primair — en dat vind ik mooi in dit verband — dient het tot verlichting. Dat is precies wat het Woord produceert. Aan de aartsvaders zijn de beloften gegeven, het Woord van God. Dat is de vettigheid waar zij deel aan hebben gekregen. Jullie zijn deelgenoot geworden van de wortel van de vettigheid van de olijfboom.

Wat dat betekent, legt de apostel Paulus zelf uit in Galaten 3 vers 29: "En indien jullie van Christus zijn, dan zijn jullie zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen." Letterlijk staat er dat jullie "lotbezitters" zijn. Het verschil tussen die termen maakt in dit verband niet zoveel uit, maar de kern is: als jullie van Christus zijn, dan zijn jullie zaad van Abraham en naar de belofte lotbezitters. Jullie hebben deel gekregen aan de beloften die ooit aan de vaderen zijn gedaan. Jullie zijn weliswaar geen natuurlijke takken in de erfelijke lijn, jullie zijn "wilde olijven", maar dat maakt niets uit. Door geloof zijn jullie op die olijfboom geënt en hebben jullie daarmee deel gekregen aan de vettigheid, aan het sap dat die olijfboom produceert.

Ik lees de hele zin nog één keer: "Indien nu enige van de takken werden weggebroken en jullie als wilde olijven te midden van hen werden geënt en mededeelgenoot werd van de wortel, van de vettigheid van de olijfboom..."

Waarschuwing Tegen Hoogmoed: de Geschiktheid en Strengheid van God ↑ hoofdstukken

Alsjeblieft, bluf dan niet of beroem u niet tegen de takken. Doe nou niet alsof jij meer bent dan die takken. Maar ja, zegt hij dan, indien je bluft, als je je daartegen beroept, bedenk dan dit: niet jij draagt de wortel, maar de wortel jou. We moeten wel even de verhouding zien. Waardoor denken zij dat zij deel hebben gekregen? Aan de beloften die aan de vaderen gedaan zijn; daar delen zij in. Maar de wortel draagt hen en dus niet omgekeerd. Hoe was het ook alweer? Alle roem is uitgesloten. Onverdiende zaligheid. Dus elke vorm van hoogmoed, zo van: "Joh, ik heb gekozen", dat is eigen roem. Je hebt helemaal niks. Als je het mag zien, dan komt het omdat God jouw ogen heeft geopend. En als je hart het verstaat, dan komt het omdat je hart is opengedaan door Hemzelf. Hij opent harten, Hij opent ogen. Het oog dat ziet, het oor dat hoort; beide heeft de Heer gemaakt. Dus hoezo roem? Bluf niet! De wortel draagt jou, niet jij de wortel.

Zo. Jij zal dan zeggen... jij, de natie. U ziet het hè, ze worden als enkelvoud aangesproken. Dat blijkt niet zo goed uit de gangbare vertalingen, want er staat een "gij", maar gij kan zowel enkelvoud als meervoud zijn. Maar er staat echt het enkelvoud. Jij zal dan zeggen: "Er worden takken weggebroken opdat ik zou worden geënt." En dat klopt. Dat is wat Paulus zegt, maar het is de helft van het verhaal. Kijk maar, want Paulus zegt: "Goed", zo van: ja dat klopt, dat is helemaal waar. Zij worden weggebroken om het ongeloof en jij staat in het geloof. Want in de Bijbel is het altijd zo: er is geen andere weg. Geloof is altijd het kanaal waardoor de zegen komt. Er is geen andere weg. Ik zeg niet dat geloof een voorwaarde is, alsof een mens... want dat is nu juist wat ik zei: geloof is geen voorwaarde, zo van "jij moet geloven", want dat je kan geloven is iets wat God je geeft. Dat is waar. Maar er is geen andere weg dan door geloof. En als je staat, dan komt dat omdat je gelooft. En als je valt, dan komt het omdat je niet gelooft. Want in het Woord, in Gods belofte, daarin is alles gelegen. Sta je daarop, dan heb je alles. Sta je er niet op, dan heb je niks. Is dat een voorwaarde of een verdienste? Nee, helemaal niet. Maar het is wel de wijze waarop God zegent: door geloof.

Let op. Een mens wordt gerechtvaardigd niet op... ik hoor het zo vaak verkeerd zeggen. Een mens wordt niet gerechtvaardigd op grond van geloof, maar door geloof. Geloof is het kanaal. Een mens wordt gerechtvaardigd op grond van genade. Ziet u het verschil? Daar moet ik het nog eens een keertje apart over hebben; het is te veel om dat nu even duidelijk te maken, maar het is zo essentieel. Geloof is het kanaal, de basis is genade. Er valt niks te verdienen. Dat is geen werk van mensen, ook geloof niet, maar het is wel het kanaal. Dat is absoluut Bijbelse taal. Je staat in het geloof. En als je niet staat, dan komt dat vanwege het feit dat je niet gelooft. Alles is gelegen in het Woord van God, dat is de olie. Als je dat niet hebt, dan heb je niks. Dan loop je dus ook in het donker, in het duister.

Maar, zegt hij, wees toch niet hoogmoedig maar vrees. En nu herhaalt hij weer: Paulus spreekt tot de natie. Hij spreekt tot hen als zodanig. Ik herhaal: hij spreekt niet tot individuele gelovigen. Als ik mag geloven – en ik mag geloven – ja, waarom? Omdat mijn ogen daarvoor geopend zijn. Maar dan ben ik verzegeld met de Geest der belofte. Dat kan nooit meer door wie dan ook ongedaan gemaakt worden, zelfs niet door mijzelf. Dan ben ik geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt. Dat is een gouden ketting; daar kan geen mens iets aan afdoen of aan toe voegen. Maar hier worden ook niet-gelovigen aangesproken: de natiën als zodanig, in die hoedanigheid. Wees niet hoogmoedig maar vrees. Let op wat er staat: "Want indien God de natuurlijke takken niet spaarde" – we weten waarom – "dan zal Hij zo mogelijk ook jou niet sparen." De natiën.

Hier wordt het nog veronderstellenderwijs gezegd, maar we lezen even gewoon door: "Let dan op de geschiktheid en strengheid van God." Deze vertaling is heel veel voor mijn persoonlijke rekening, dat weet ik. In de meeste vertalingen staat "goedertierenheid", sommige vertalingen zeggen "vriendelijkheid". Maar het eigenlijke woord wordt heel discordant weergegeven in de meeste vertalingen. Het heeft te maken met bruikbaarheid en daardoor ook met geschiktheid. Het woord "geschiktheid" is eigenlijk heel geschikt. Want geschiktheid heeft bij ons ook de betekenis dat iets inderdaad bruikbaar is, maar je spreekt er ook over in de zin van "iemand is geschikt". Een geschikt iemand is ook iemand waar je schik in hebt, in de zin van dat hij vriendelijk en goedertieren is. Dus die betekenis – ik zeg dus niet dat het niet de betekenis van goedertierenheid of vriendelijkheid heeft – maar het is breder. Het is geschiktheid.

Let dan op de geschiktheid en strengheid van God. God is én het één én het ander. Het is altijd liefde, maar soms treedt Hij inderdaad "geschikt" op – in de zin van goedertieren – en soms ook gestreng. Laat ik gewoon verder lezen: "Op hen die vallen" – dus niet staan op het Woord – "strengheid, maar op jou" – de natiën tot wie het Woord is gekomen en die nu staan in geloof – "geschiktheid van God, indien je blijft bij de geschiktheid, bij de goedertierenheid zo u wilt, van God." Dus voor wie is de strengheid en voor wie is dat weggebroken worden? Voor degene die niet staat op het Woord, die het Woord en de belofte van God verwerpt. Als je het aanvaardt, dan krijg je te maken met die schatkamer van God en Zijn goedertierenheid; daar kom je mee in aanraking.

En er staat ook bij: "indien je blijft bij de geschiktheid." Weet je wat dat is? Paulus zegt tegen de natiën: "Ja, dat is waar, je staat door geloof. Sta en blijf, indien je blijft bij de geschiktheid. Anders zal ook jij weggekapt worden." En ik zal u vertellen: dat gaat ook gebeuren met de natiën. Ik heb het niet over individuele gelovigen uiteraard, want hun toekomst is absoluut zeker. Maar wat er gebeurd is met die boodschap van Gods geschiktheid, van Gods goedertierenheid... het evangelie dat naar de natiën is gegaan, wat is dat? Dat is de boodschap van de verzoening der wereld. Het evangelie zoals Paulus dat gepredikt heeft en zoals hij dat hier ook samenvat, dat is de verzoening der wereld en aan de andere kant ook Israëls aanneming in de toekomst, wat leven uit de doden zal zijn.

Wat is er met die boodschap gebeurd? Die boodschap is via Paulus bij de natiën terechtgekomen. En nu vraag ik: wat is er met die boodschap in het algemeen bij de natiën terechtgekomen? Het is dwaalleer geworden. En weten we wat er gebeurt als een mens het Woord van God verwerpt? Nou, dan gebeurt er precies hetzelfde als wat er ooit met Israël gebeurde. Namelijk: dan krijg je te maken met de gestrengheid van God, en dat is ook precies wat er staat: "Anders zal ook jij, de natiën, weggekapt worden." Ook de christenheid, gewoon het volk aan wie de boodschap is toevertrouwd en die claimt het te kennen, zal vanwege ongeloof worden weggekapt. Wat God gebruikt is geloof in Zijn Woord. En als Hij het Woord van de verzoening der wereld en van Israëls aanneming toevertrouwt – in beide gevallen het evangelie zoals Paulus dat mocht uitbazuinen – en het wordt tot dwaalleer verklaard, tot ketterij, dan wordt de geweldige rijkdom van Gods genade miskend.

En het werd allemaal 'voor wat, hoort wat'. Geen genade maar werken; jouw keuze. Maar kijk ook naar Israëls toekomst. Men zei: "Wij zijn Israël, de kerk is in de plaats van Israël gekomen." Dat is de officiële theologie. Daarmee zijn ze niet gebleven bij de geschiktheid, de goedertierenheid van God; het woord dat via Paulus bij de natiën terechtgekomen is. En als dat het geval is, dan zal ook jij weggekapt worden. Dit is inderdaad de toekomst zoals die zal gaan. Zoals het met Israël gegaan is, zo gaat het uiteindelijk ook weer met de natiën. En we zitten daar momenteel heel dicht tegenaan.

Ik lees nog even verder: "Maar ook zij, wanneer zij niet blijven bij het ongeloof, zullen zij geënt worden." Die twee zaken vallen inderdaad samen. Want aan de ene kant: hoe ging het? Israël, de natuurlijke takken, werden weggebroken en vervolgens kwam de zegen bij de natiën terecht. Maar de natiën zullen op een gegeven moment weggekapt worden vanwege ongeloof. En wat gebeurt er dan? Dan zullen zij, de natuurlijke takken, niet blijven bij het ongeloof en dan zullen zij geënt worden. Dat is hun toekomstige bekering en herstel.

Zodat het wegkappen van de een leidde tot het inenten van de ander, en omgekeerd ook weer. Terwijl ik dit vertel, denk ik dat ik er nog eens een mooi schema voor moet maken. Dan kun je prachtig laten zien hoe het werkt; de logica ligt er gewoon dik bovenop. En dan zal Israël ook weer geënt worden, want God is bij machte hen weer te enten.

Israëls Toekomstig Herstel: de Natuurlijke Takken Opnieuw Geënt ↑ hoofdstukken

En God is ook bij machte om te vervullen wat Hij beloofd heeft, want dit is precies wat Hij beloofd heeft te zullen doen. Want indien jij uit de wilde olijf, waartoe je naar je natuur behoort, werd uitgehakt... We kunnen dus zeggen: je bent weliswaar geen natuurlijke nakomeling van de aartsvaders, maar als wilde olijf werd je uitgehakt en van je heidense oorsprong ontdaan. Je kreeg deel aan de beloften en werd, naast je natuur — of zoals de NBG-vertaling zegt: 'tegen de natuur', maar eigenlijk staat er letterlijk 'naast je natuur' — in de edele olijfboom geënt. Hoe dan? Wat is die edele olijfboom? Dat is het zaad van Abraham. De wortel, dat zijn de aartsvaders. Geënt zijn op die olijfboom wil zeggen dat je zaad van Abraham bent. Dat kunnen natuurlijke takken zijn, maar dat kunnen ook de onnatuurlijke takken zijn, namelijk de gelovigen uit de natiën. Dan heb je deel gekregen aan het zaad van Abraham en naar de belofte ben je dan ook een erfgenaam, terwijl je dat qua genetische afkomst niet bent. Maar het maakt dus niets uit, want dan ben je gewoon 'naast je natuur', of zo u wilt 'tegen je natuur', geënt op de edele olijfboom.

Paulus zegt dan: hoeveel te meer zullen deze, die naar hun natuur en afkomst de kinderen van de aartsvaders zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden? Zij zijn de kinderen van de aartsvaders, gewoon naar hun natuur en hun genetische stamboom. Met andere woorden: dat wegbreken is niet definitief. Dat is trouwens altijd zo met Gods oordelen. Gods oordelen zijn altijd herstellend en corrigerend. Corrigeren is altijd om recht te zetten, maar ook weer om terecht te brengen. Dat is namelijk Gods liefde. En dat geldt ook voor de natuurlijke takken die weggebroken zijn. Uiteindelijk worden zij in hun eigen olijfboom geënt en dat is Israëls toekomstige bekering.

Paulus gaat dat ook inderdaad in de navolgende verzen uiteenzetten. Ik lees dat nu niet eens voor; ik heb de dia's zelfs expres verwijderd. Hij gaat daar namelijk verder en deelt een geheimenis mee, een verborgenheid: er is een gedeeltelijke verharding over Israël gekomen, totdat de volheid van de natiën zal ingaan. En alzo zal gans Israël gered worden, gelijk geschreven staat: "De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden van Jakob afwenden."

Paulus vertelt hier precies wat er staat, namelijk dat zij weer geënt gaan worden en dat God weer de draad oppakt met Israël. De hele tegenwoordige tijd van hun verwerping en hun misstap is voor God alleen maar een aanleiding om als het ware een u-bocht te maken, waardoor het heil, de prediking en de schatkamer van God open gaan voor de natiën. Dat is deze tijd, deze tussentijd, deze pauze. Paulus laat zien dat deze onderbreking in de geschiedenis hier uiteindelijk toe leidt.

Conclusie: Niet Ingelijfd in Israël, maar in het Lichaam van Christus ↑ hoofdstukken

Het wordt tijd voor nog twee afsluitende opmerkingen, want er was een vraag aan voorafgegaan. Gelovigen uit de natiën vandaag hebben deel gekregen aan het zaad van Abraham. Dat is trouwens een begrip dat dubbelzinnig is – twee- of zelfs driedubbelzinnig. Want wie is het zaad van Abraham? Je zou kunnen zeggen dat dit alle nakomelingen van Abraham zijn, maar Paulus zegt in Galaten 3: "zaad" in het enkelvoud. Dat is Christus. Het zaad van Abraham, dat is Christus.

Dat is geweldig: wij hebben deel gekregen aan het zaad van Abraham. Dat wil zeggen dat wij deel hebben aan het beloofde zaad, en dat is de Christus. Daarmee hebben we dus ook deel aan de belofte. Gelovigen uit de natiën vandaag worden niet ingelijfd in Israël. Dat is wat dikwijls verteld wordt: "Ja, we zijn ingelijfd bij Israël." Nee, we zijn ingelijfd in Christus.

Het woord "ingelijfd" is een mooi woord, want daar zit het woordje "lijf" in. Niet zomaar een lijf, maar het lichaam. Een ander, wat duurder woord daarvoor is "geïncorporeerd", waar het Latijnse woord corpus in zit. Ik woon zelf in Katwijk, op nog geen kilometer afstand van "Corpus" – u kent dat misschien wel, dat gebouw waar je een reis door het menselijk lichaam kunt maken. Het is heel leuk om te bekijken, en als u daar naartoe gaat, dan bent u van harte welkom om een kopje koffie bij mij te drinken tegen een geringe... nee hoor, u bent altijd welkom. Wij wonen daar vlakbij. Ik kan de anderhalve meter niet garanderen, maar mondkapjes zijn niet verplicht.

Maar goed, "geïncorporeerd"... daar zit dus dat woord corpus in. Het wil eigenlijk zeggen dat je geplaatst bent in het lichaam. Wij zijn geen deel van Israël; de positie die wij hebben is nog veel hoger. Wij zijn deel van Christus, van Zijn lichaam geworden. Als zaad van Abraham hebben wij als zodanig deel gekregen aan de beloften die aan de aartsvaders gedaan zijn, maar dan op het allerhoogste niveau.

We hebben deel gekregen aan de verborgenheid, namelijk dat we deel hebben aan het lichaam van Christus. Mensen, dat is zo onvoorstelbaar rijk om aan te denken. Ik denk dat we er vaak geen notie van hebben wat God voor ons heeft weggelegd: de positie in Christus, eengemaakt met Hem als Hoofd en lichaam. Kijk, dat is de echte inlijving waar Paulus het over heeft.

Dit zijn zo een aantal dingen die ik vandaag wilde delen. Ik hoop, Daniël, dat het hiermee iets duidelijker is geworden. En zo niet, dan gaan we het er op 6 september nog een keertje over hebben.

🎧 geënt op de edele olijf
Delen: