GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

er is geschreven (6) – de redactie van het NT

07-03-2025 - Geplaatst door Andre Piet
6 maart 2025, Nunspeet

De Heer Jezus Christus heeft zelf afgevaardigden (apostelen) aangesteld om het getuigenis over Hem uit te dragen. Zij waren gemachtigd om het Woord van God te voltooien. Om dit getuigenis ook voor toekomstige generaties te bewaren, was het noodzakelijk dat het werd vastgelegd in geschrift. Aan het einde van hun leven hebben de apostelen zich intensief toegelegd op het verzamelen van deze geschriften. Deze verzameling zou na hun heengaan de standaard worden. De indeling van het huidige Nieuwe Testament – en nog meer die in de oudste manuscripten – toont onmiskenbaar het ontwerp van de apostelen.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie onderzoekt de redactie en totstandkoming van het Nieuwe Testament, waarbij de nadruk ligt op de actieve rol van de apostelen in het verzamelen en bundelen van hun geschriften. Er wordt beargumenteerd dat het fundament van de ekklesia eenmalig is gelegd door het geboekstaafde getuigenis van ooggetuigen, en niet door een instituut van apostolische opvolging. De tekst belicht hoe Petrus en Paulus in hun laatste levensdagen zorg droegen voor de overdracht van de 'boeken en perkamenten', waarbij Marcus een verbindende schakel vormde tussen hun nalatenschap. Uiteindelijk wordt geconcludeerd dat de Schrift door God is geïnspireerd (theopneust) en door Paulus is gecompleteerd, waardoor de gelovige volkomen toegerust is voor elk goed werk.

“De apostelen zelf hebben het samengesteld. Paulus heeft het Woord van God gecompleteerd en later is dat erkend door instituten, simpelweg omdat ze er niet onderuit konden.”

Introductie en Terugblik: de Boekstaving van het Nieuwe Testament ↑ hoofdstukken

Wij gaan vanavond weer verder met onze serie. Er zijn al vijf avonden aan voorafgegaan over dit thema, waarbij we ons voortdurend bezighouden met wat er is geschreven, of wat er staat geschreven. In de praktijk betekent dat vooral dat we ons bezighouden met de wijze waarop wat wij dan de Bijbel noemen, tot stand is gekomen. Ik kom trouwens op die term later vanavond nog terug—die bibliotheek van zeventig boeken.

Eigenlijk is dit weer deel twee in een subserie. De voorgaande keer hebben we ons beziggehouden met de boekstaving van het Nieuwe Testament en dit is daar een vervolg op. We zullen zelf ook wel zien dat er overlap is tussen beide onderwerpen: de boekstaving enerzijds, maar ook de redactie van het Nieuwe Testament. Dat wil zeggen: alle zaken die verband houden met de totstandkoming van de boeken en het bijeenbrengen daarvan. Dat is vanavond vooral het onderwerp.

U bent van mij gewend dat we even terugblikken naar de eerste vier avonden. Daar kan ik kort over zijn: toen hielden we ons bezig met de totstandkoming van het Oude Testament—de Hebreeuwse Bijbel, zo u wilt. Eén avond hebben we daarbij speciaal stilgestaan bij het boek Genesis, dat eigenlijk een verzameling documenten is: de toledot. Over die term hebben we het toen uitgebreid gehad. Het gaat over de documenten die zijn opgesteld door de aartsvaders zelf, van Adam tot aan Abraham, Isaak, enzovoort. Zo heeft Mozes uiteindelijk het boek Genesis bijeengebracht en geredigeerd. Hij is als redacteur te werk gegaan, waarbij hij trouwens zelf ook nog een aantal andere boeken heeft geschreven. De boeken van Mozes, zo staan ze bekend: de eerste vijf boeken, de Pentateuch.

Een andere avond hebben we ons beziggehouden met de Hebreeuwse Bijbel in zijn geheel: al de boeken van de Tenach. Dat wil zeggen: de Torah, de profeten en de geschriften. Je zou ze ook kunnen samenvatten als de priesterlijke, de profetische en de koninklijke geschriften; de drie afdelingen van de Hebreeuwse Bijbel. De indeling daarvan wijkt trouwens af van ons Oude Testament. Ook daar hebben we ons mee beziggehouden, want de indeling van ons Oude Testament is weer gebaseerd op de Septuagint. Daar hebben we een hele avond aan gewijd—in januari, als ik me niet vergis. De Septuagint is de 'vertaling van de zeventig', de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel zoals die in de dagen van het Nieuwe Testament in omloop was. In de hele Joodse wereld, die indertijd al voor een groot gedeelte verstrooid was in het buitenland, werd deze vertaling gebruikt. Zij speelt een grote rol in de Bijbel, want als er in het Nieuwe Testament geciteerd wordt uit de Hebreeuwse Bijbel, gebeurt dat feitelijk via deze Griekse vertaling.

De vorige keer hebben we ons voor het eerst specifiek beziggehouden met het Nieuwe Testament. We hebben toen met name vastgesteld dat deze boeken tot stand zijn gekomen door de apostelen, of in ieder geval in hun gezelschap. Er zijn een paar figuren van wie we de namen al hebben genoemd: Lucas en Marcus. Zij behoorden weliswaar niet tot de twaalf — en Paulus zat er natuurlijk ook niet bij — maar ze kunnen wel tot de directe apostelen gerekend worden. Niettemin zijn hun geschriften wel degelijk in dat gezelschap tot stand gekomen en geschreven.

Het Eenmalige Fundament van de Apostelen (efeze 2) ↑ hoofdstukken

Apostelen, dat woord is van belang. "Apostel" betekent – ik zou het zo zeggen, want we denken natuurlijk al gauw dat het een specifiek woord is dat we alleen in verband met de Bijbel gebruiken – letterlijk een afgevaardigde. Het is iemand die eropuit gestuurd is en een volmacht heeft om iets te doen, iets uit te spreken of een bepaalde missie te volbrengen. Daartoe is hij heel expliciet uitgezonden. Dat is wat een apostel is: een afgevaardigde.

Dat is van groot belang, want we hebben een van die teksten die de vorige keer ook genoemd is – en ik wil dat bij dezen nog eventjes goed onderstrepen – waar we lezen over de ekklesia in Efeze 2. Aan het slot staat dat de gemeente die vandaag in onze dagen gevormd wordt, gebouwd is als een huis op het fundament van de apostelen en de profeten. We hebben toen ook opgemerkt dat die profeten natuurlijk niet de profeten van het Oude Testament zijn. Het zijn de profeten die zich in het gezelschap van de apostelen bevonden. Er staat niet "de profeten en de apostelen", maar "de apostelen en de profeten". Het zijn dus nieuwtestamentische profeten, en er is zelfs wat voor te zeggen dat de profeten eigenlijk gewoon een ander begrip is voor de apostelen. Want een apostel is een afgevaardigde die een speciaal woord met volmacht kan spreken, maar wat dacht u? Dat is een profeet ook. Dat is iemand die de woorden van God doorgeeft. In zekere zin is er dus heel veel overlap tussen beide begrippen.

Hoe dan ook, de ekklesia is gebouwd op dat fundament. Niet de apostelen zelf zijn het fundament, maar zij hebben wel het fundament gelegd. Dat wil zeggen: ze hebben het woord aangaande Jezus Christus de Heer doorgegeven. Daartoe hebben ze ook speciale volmacht ontvangen. Ze hebben dat in hun dagen mondeling uitgesproken en doorgegeven, gepredikt en getuigd. Dat is precies wat hun missie was. In de loop der jaren hebben zij ook geschriften nagelaten. Met name aan het einde van hun leven lees je dat zij er grote nadruk op leggen dat dat woord op schrift gesteld zou worden en dat die geschriften ook verzameld zouden worden.

Want dat is heel interessant: een fundament leg je natuurlijk maar één keer, gewoon bij het begin. Als er een huis gebouwd moet worden, begin je met het fundament en als dat er ligt, dan kun je verder gaan en kan het huis gebouwd worden. Het fundament heeft dus per definitie met de beginfase te maken, maar alles is daarop gebouwd. Het fundament zelf is uiteraard Christus Jezus. Het is de apostel Paulus die in 1 Korinthe 3 zegt: een ander fundament dan dat er al ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen. Maar het is wel het fundament dat gelegd is dóór de apostelen; het is het getuigenis aangaande Hem.

Heel opmerkelijk is dat zij als afgevaardigden aan het einde van hun leven niet een instituut in het leven hebben geroepen of een opvolger hebben aangewezen. Dat is natuurlijk een hele populaire gedachte in de christenheid geworden, al in een heel vroeg stadium. Namelijk dat Petrus in Rome de eerste paus zou zijn geweest en dat hij via een ketting sinds die dagen is opgevolgd. Petrus stierf en zou vervolgens andere pausen hebben aangesteld. De aardigheid is dat we vanuit de Bijbel niet eens weten of Petrus überhaupt ooit in Rome is geweest. Van Paulus weten we dat wel heel uitdrukkelijk. Maar dat hij sowieso een paus zou zijn geweest, of dat hij anderen zou hebben aangesteld als zijn opvolgers alsof het ambt overdraagbaar zou zijn, daarover lezen we niets. Het is niet zo dat hij apostel was en vervolgens dat stokje als een soort estafette weer doorgaf.

Als je dan met allerlei vragen zit over hoe de dingen nu eigenlijk in elkaar zitten en wie het voor het zeggen heeft, dan zal een rooms-katholiek zeggen: "Nou, uiteindelijk komt het daarop neer: de Bijbel is misschien wel een bron, maar uiteindelijk gaat het om de paus, want die is de opvolger van Petrus en die is aangesteld door Jezus Christus." Via die ketting kom je uiteindelijk uit bij de paus en hij is dan degene die beslissende en doorslaggevende uitspraken kan doen met pauselijke encyclieken en hoe dat maar heten mag. Maar de aardigheid is – en die "aardigheid" is buitengewoon belangrijk – dat de apostelen dat nooit gedaan hebben. Petrus trouwens ook niet, kijk het maar na. We gaan straks naar zijn laatste brief toe en nooit hebben ze zich beziggehouden met opvolging of een instituut in het leven geroepen dat voortaan na hun heengaan de dingen zou regelen. Dat is buitengewoon belangrijk om vast te stellen: ze hebben geen opvolgers aangesteld.

Wat ze altijd hebben gedaan, is verwijzen naar dat wat geschreven staat. Dan doel ik op wat al geschreven was, de Tenach, maar ook op wat in die dagen geschreven is: in totaal 27 boeken. We wezen inderdaad ook op Romeinen 16 vers 26, waar Paulus heel uitdrukkelijk zegt dat hem het geheimenis is toevertrouwd en dat hij dat nu op bevel – dat is een heel sterk woord – op bevel van de aionische God, de God der eeuwen, door profetische geschriften bekendmaakt onder de natiën. Hij heeft het mondeling gedaan, maar hij heeft het op bevel van God vastgelegd en, zoals ik dat noem, geboekstaafd of te boek gesteld.

Dat is het fundament. Dat is het fundament van de apostelen. Het apostelschap is dus niet overdraagbaar; integendeel, dat was exclusief voor die tijd. Wat zij hebben nagelaten, is een woord dat sinds die tijd gezaghebbend is en fundamenteel in de meest letterlijke zin van het woord. Alles is daarop gebouwd en gebaseerd, en het is ook afdoende. Ook dat zullen we later vanavond nog zien.

Geen Apostolische Opvolging, maar Schriftelijke Overlevering (judas) ↑ hoofdstukken

In dit verband – dat is een aardig opstapje – wil ik nog wijzen op een schriftplaats in de brief van Judas. Dat is maar een heel korte brief; ik hoef niet eens het hoofdstuknummer te vermelden, want hij heeft maar één hoofdstuk. Judas stelt zich voor als de broer van Jakobus. Eventjes kortweg – ik kan dat nu verder niet aantonen, misschien dat we hem later vanavond via een andere route nog even tegenkomen – maar Judas is de broer van Jakobus. Dit is geschreven in de jaren zestig, vlak voor de Joodse opstand en de verwoesting van Jeruzalem. In die brief wordt daar ook naar verwezen. De brief lijkt als twee druppels water, qua indeling en ook inhoudelijk, op de tweede Petrusbrief.

Het is net alsof... Jakobus was inmiddels vermoord en Judas neemt nu eigenlijk naar het vlees de plaats in van zijn broer Jakobus. Ik weet niet of ik dat er allemaal bij moet vermelden, maar als ik het er dan toch over heb, dan moet ik er eigenlijk ook nog even bij zeggen: kijk, Jakobus was de leider in Jeruzalem. Dat was niet Petrus, maar in Jeruzalem was Jakobus degene die het voor het zeggen had; kijk het maar na in het boek Handelingen. Hij was de broeder des Heren. Toen Jakobus werd vermoord – dat is een bekende gebeurtenis in het jodendom en Flavius Josephus noemt zijn naam zelfs nog – was het Judas die vervolgens eigenlijk zijn rol overnam. Vandaar ook dat hij zich inleidt met: "Judas, de broer van Jakobus". Hij was dus ook een halfbroer van de Heer Jezus. Bent u er allemaal nog? Ja? Oké.

Maar waarom zeg ik dit nu? Omdat aan het einde van die apostolische generatie Judas een heel indringende brief schrijft. Dat blijkt meteen al uit de aanhef, en ik lees het voor nadat Judas zich even kort heeft voorgesteld. Dan zegt hij: "Geliefden, daar ik mij in alles beijver jullie te schrijven over onze gemeenschappelijke redding..." Dat had hij het liefst gedaan: schrijven over de geweldige rijkdom en wat het betekent dat er redding tot stand gekomen is en dat er een Redder is. Daar had hij graag over gesproken; dat is wat we gemeenschappelijk hebben. "Maar," zegt hij, "zie ik mij genoodzaakt jullie te schrijven met de oproep tot het uiterste te strijden voor het geloof dat eenmaal de heiligen overgeleverd wordt."

Dit sluit erg aan bij wat ik zojuist zei over Efeze 2. Het fundament wordt één keer gelegd; de zaak ligt nu eenmaal zo, namelijk bij de aanvang. Judas zegt "het geloof", en dan gaat het over de geloofsinhoud: dat wat geloofd wordt. Dat is de geloofswaarheid. De overlevering daarvan, de overdracht van de inhoud van het geloof, is een eenmalige zaak, namelijk bij de aanvang. Judas zegt hier: "Ik zie mij genoodzaakt om tot het uiterste te strijden voor dat geloof dat eenmaal de heiligen overgeleverd wordt." In feite was dat hier nog steeds gaande. We lezen in de NBG-vertaling, en ook in de Statenvertaling, dat het eenmaal overgeleverd "is", maar het staat in de tegenwoordige tijd, zoals je hier ziet met dat verticale streepje in de interlineaire vertaling: "overgeleverd wordende". Maar het is eenmalig. Namelijk: degenen die gevolmachtigd zijn – de apostelen – dragen dat over.

Wat Judas zegt... het is ook echt een besnijdenisgeschrift. Ook dat ga ik later vanavond nog even laten zien, maar het hoort thuis in de afdeling van de besnijdenisgeschriften; geschriften die gericht zijn aan Israël. Waar het nu om gaat, is het eenmalige fundament, en logischerwijs is dat toen in de dagen van de apostelen gedaan. Hoe konden ze dat anders doen dan door het inderdaad allemaal zwart op wit te zetten en te boek te stellen? Dat is de manier waarop je een woord blijvend houdt, waarop je een woord bewaart. "Wie schrijft, die blijft", zeggen we, en zo is het ook met het woord van de apostelen. Het is dus niet een instituut of een opvolgingskwestie. Integendeel, de geloofswaarheid is overgeleverd, en wel eenmalig, fundamenteel in de aanvang. Ja, en nu ga ik...

Het Geestelijk Testament van Petrus (2 Petrus 1) ↑ hoofdstukken

Ik moet me even excuseren dat ik nu dezelfde schriftplaats aanhaal die ik de vorige keer ook aangehaald heb. Dat is niet omdat ik een beetje teveel tijd had voor vanavond ofzo, in het echte deel; het was eigenlijk een heel andere reden. Ik zei al: er zit wat overlap in, maar 2 Petrus 1 is een heel belangrijke passage in verband met de hele boekstaving en de wijze waarop het Nieuwe Testament tot stand gekomen is. En ik wil daar toch een aantal dingen kort nog even aanstippen, maar ook met wat nieuwe accenten.

2 Petrus 1. Ik heb daar al eerder over gezegd en dat moet nu even duidelijk zijn. En Petrus, je leest al in dezezelfde verzen, ook hieraan voorafgaand, over zijn heengaan. Hij zegt dat ook: ik wil dat jullie na mijn heengaan... Hij zegt ook: het afleggen van mijn tent is nabij. Dat had de Heer hem ooit, decennia eerder, al aangegeven; dat hij inderdaad zou sterven en zelfs hoe. En dat was aanstaande. Dus Petrus stond op het punt om de marteldood te sterven, want dat was wat de Heer had aangekondigd. Nou, wat doe je dan? Deze brief is dus echt een testament, zijn geestelijk testament. Dan breng je uiteraard datgene naar voren wat er echt nog ter zake doet. Dat blijkt ook; het is in die zin een hele indringende brief.

En dan zegt hij dit: "Ik zal mij beijveren dat gij," jullie, "ook na mijn heengaan telkens weer aan deze dingen kunt denken." Nou, we hebben het toen ook al vastgesteld en het is ook heel logisch: als je dat wil doen, dan doe je dat door iets in geschrifte achter te laten. Ik geloof dat we de vorige keer ook hebben gememoreerd dat er tegenwoordig nog wat andere middelen zijn, maar dat was dé wijze waarop je iets achterliet, zodat de navolgende generaties zouden kunnen nadenken over die dingen. En Petrus zegt: dat jullie telkens weer aan deze dingen kunnen denken. Ik vind het toch een wonderlijke gedachte dat wij nu in 2025 hier in Nunspeet bij elkaar zijn. En wat doen wij? Nou, wij denken aan die dingen die Petrus ooit toen, ergens in de jaren zestig, heeft opgetekend. Waarom? Hoe kunnen wij daar nu nog aan denken? Wel omdat hij gedaan heeft waar hij het hier over heeft: namelijk, hij heeft het opgeschreven.

De aardigheid is, vind ik verder nog, dat hij niet alleen maar zegt: "Ik beijver mij" – want dan zou hij gewoon kunnen doelen op het schrijven van deze brief – maar hij zegt: "Ik zal mij ook beijveren." Dat is dus toekomstig. Daarmee komen we eigenlijk ook te spreken over de redactie. Dat wat hij doet nadat hij deze brief geschreven heeft; hij gaat ook nog allerlei andere dingen doen. Hij zal zich gaan beijveren zodat de navolgende generaties ook kunnen denken aan de dingen waarvan Petrus zegt dat het is waar het om gaat. En ja, dan denk je inderdaad aan de redactie. Wat is redactiewerk? Dan denk je aan dingen bij elkaar brengen en ook uitbesteden. Ook dat zullen we zien. Je kunt het bij elkaar gebracht hebben, maar vervolgens moet dat dan ook gebundeld worden. Daar heb je ook anderen bij nodig. Kortom, er is een heel netwerk voor nodig om dat allemaal in goede orde te doen.

Ziet u, Petrus beijvert zich voor navolgende generaties, maar met geen woord rept hij over opvolging. Wat hij doet, is dat hij spreekt over brieven, over geschriften die hij na wil laten en alles wat daarmee verband houdt. En nou ja, u ziet: dit vers is nou typisch zo’n voorbeeld. Dit heeft te maken met boekstaving, maar het heeft ook te maken met redactiewerk; alles wat er bij het schrijven van een boek nog meer komt kijken.

Want, zegt hij in vers 16: "Wij zijn geen vernuftig gevonden mythen nagevolgd." Daar zit een polemische ondertoon in. Dat wil zeggen, dit suggereert namelijk dat er wel heel veel mythen zijn, en misschien ook wel vernuftig gevonden mythen – want dat is het woord wat hier eigenlijk staat, ziet u het? Verlichtselsmythen. "Wij zijn geen vernuftig gevonden mythen nagevolgd." Ja, die zijn er namelijk wel, velen in omloop. Maar Petrus zegt: tot die categorie behoren wij niet. Dit wat ik vertel en op schrift stel voor de volgende generatie... waarom is dat zo belangrijk? Wel, het is waar. Het is niet maar bedacht. Het is zelfs niet knap bedacht; het is namelijk gewoon een verslag van een ooggetuige.

Dat is ook wat hij zegt. Ik sla even een zinnetje over, maar hij zegt: als het dan niet vernuftig bedacht of gevonden is, wat is het dan wel? Nou, Petrus zegt: "Wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit." Hij doelt hier trouwens specifiek ook op dat wat hij ooit heeft meegemaakt met Jakobus en Johannes op de berg van de verheerlijking, want daar blijkt hij in de navolgende verzen over te spreken. Maar in het algemeen: Petrus is met de apostelen... Hij heeft niet alleen al die jaren met de Heer opgetrokken, hij is onderwezen en hij heeft al die wondertekenen gezien. Die zijn ook geboekstraafd; dat zijn dan de evangeliën. Maar hij is ook de ooggetuige van de opgestane Heer, en dat is een unaniem getuigenis. Hoe belangrijk is het dat dat toen klonk, maar ook dat dat altijd nog zou kunnen blijven klinken.

En dat is wat wij nu dan hebben – die moet ik er dan toch even bij hebben natuurlijk – namelijk de hele Bijbel. Dat wat opgetekend is in het Nieuwe Testament, de vervulling van dat woord van God. Wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit. En die 'wij', dat zijn dus de apostelen, hier dan trouwens specifiek Jakobus, Petrus en Johannes. En dat blijkt namelijk uit het navolgende. Want, zegt hij dan: wij zijn met Hem op de heilige berg geweest. En toen klonk een stem – daar is hij ook getuige van geweest – een stem uit de hemel heeft geklonken: "Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik al Mijn welbehagen heb."

En nou sla ik weer... dit is vers 16, en nou sla ik even vers 17 en 18 over omdat hij het daar dan specifiek heeft over die gebeurtenissen van de verheerlijking op de heilige berg. Het enige wat ik er even over wil zeggen is dat Petrus zegt dat waar wij over spreken, ook over de toekomstige parousia van onze Heer Jezus Christus, hij zegt: ik en Johannes en Jakobus hebben dat met eigen ogen al gezien. Petrus heeft al een... ja, hij is... hoe zeg je dat netjes? Hij heeft ook al een reis gemaakt naar de toekomst. De Heer had al gezegd, ik zeg het eventjes kort door de bocht: "Op de zevende dag zullen jullie dit allemaal zien." Die verheerlijking op de berg vond plaats op de shabbat, de zevende dag. Dat is van belang. Wat Petrus toen gezien heeft, en Jakobus en Johannes, is dat wat de Heer straks zal openbaren in de Apocalyps. Dat zal dan zichtbaar worden, die dag dus. En nou sla ik dus die verzen 17 en 18 even over, en dan zegt hij:

Ooggetuigen en het Bevestigde Profetische Woord ↑ hoofdstukken

Wij hebben het profetische woord daarom des te vaster. Er staat in de NBG-vertaling: "wij achten het des te vaster", maar hij gebruikt niet het woordje 'achten'. Hij zegt: "Wij hebben", en dan is het van belang om even de persoonlijke voornaamwoorden uit elkaar te halen. Want hij zegt "wij" – wie zijn dat? Dat zijn de apostelen, meer speciaal Petrus, Jakobus en Johannes. Maar wij, de ooggetuigen, wij hébben dat profetische woord. Van wie is dat woord dat klinkt en dat naar volgende generaties overgedragen moet worden? Wie hebben dat? Welnu: wij, de ooggetuigen. Dat kun je ook niet overdragen aan een ander, want een opvolger kun je van alles toedichten, maar dat is geen ooggetuige meer. Nee, dat hoort allemaal bij die gevolmachtigden. Wij hebben het profetische woord. Hij zegt: wij hebben het ook des te vaster, dat wil zeggen: het is bevestigd. Het stond al vast, maar het is bevestigd.

En let op: "en jullie doen wel daar acht op te geven." Wij, dat zijn de apostelen, de ooggetuigen van vers 16, en jullie, dat zijn de lezers natuurlijk. In dit geval Joodse lezers, de besnijdenis. En jullie doen wel daar acht op te geven. Waarom noem ik dit vooral? Omdat de apostelen degenen zijn die het profetische woord hebben. Zij zijn de ooggetuigen. En zij beheerden dat niet alleen mondeling; zij waren de getuigen, maar zij hebben het ook op schrift gesteld. Dat blijkt trouwens ook uit het navolgende. Ik heb daar nu net geen diaatje van, maar ik wil toch even lezen dat het hier inderdaad gaat over de profetie der Schrift. Dat blijkt uit vers 20. Waarom ik dat er nu niet bij gedaan heb, weet ik even niet, maar ik zal het voorlezen: "Dit vooral moeten jullie weten, dat geen profetie der Schrift een eigen uitlegging heeft, want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens. Maar door heilige geest gedreven hebben mensen van Godswege gesproken." Het gaat hier dus inderdaad over het profetische woord mondeling, maar ook de profetie der Schrift. Zij hebben het ook op schrift gesteld en wie hebben dat? De ooggetuigen, de apostelen.

En jullie doen er als lezers wel aan daar acht op te geven, als op een lamp die schijnt in een — letterlijk staat er dan — troebele plaats. De apostelen beheren dat woord. En dan staat er nog bij: dat licht, dat schijnt in een troebele plaats. Dat was in Petrus' dagen het geval. Vergeet niet: wij denken nu dat de tijden die wij beleven erg turbulent zijn, maar Petrus tekende dit ook op in een hele turbulente tijd. Dat was vlak in de tijd van de Joodse opstand, een paar jaar voor de verwoesting van Jeruzalem, toen de tempel helemaal afgebroken en in de hens gestoken werd. Een afschuwelijke tijd is dat ook toen geweest. Wat is er dan van belang? Dat je een kompas hebt, dat je licht hebt en dat je weet wat er gaande is.

Hij zegt ook: "Jullie doen wel daar acht op te geven als op een lamp die schijnt in een troebele plaats, totdat de dag aanbreekt en de lichtdrager opgaat." De dag is hier natuurlijk ook weer de zevende dag, want daarover had hij het eerder. Daar is hij ook getuige van geweest: dat hij de Heer al in Zijn toekomstige heerlijkheid heeft gezien. Dus ja, de zevende dag. En zolang die... Dat is trouwens ook Petrus die al wijst op de dagen die nog gaan komen, de tijd dat de Heer zou uitblijven. Een dag is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. Over die tijd heeft hij het. De dag is de zevende dag, het millennium. En als dat aanbreekt, dan is de functie van die lamp inmiddels natuurlijk voorbij, omdat dan de Zon der gerechtigheid opkomt en dan breekt het licht werkelijk door. Totdat de dag aanbreekt en de lichtdrager opgaat.

De uitdrukking "in uw harten" hoort trouwens bij de volgende zin: "In uw harten dit vooral wetende, dat geen profetie der Schrift een eigen uitlegging heeft." Nou ja, ik merk het maar even op. En nog één interessant ding, dat staat een beetje los van het onderwerp, maar de 'lichtdrager' hier... in de meeste vertalingen staat daar "morgenster". Er staat letterlijk een lichtbrenger, eigenlijk nog letterlijker een lichtdrager. Maar ik denk dat dit verwijst — ik geef het door voor wat mij heel logisch lijkt en volgens mij geheel in lijn is met de context — naar de Heer, wiens kleding die Hij droeg als het zonlicht was. Dat lees je in Matteüs 17, en trouwens ook in Marcus en Lucas: dat de Heer verscheen in een enorme lichtglans. Dat is wat Hij droeg. "Zijn klederen werden wit gelijk het licht", zo staat het er. Welnu, daar zijn Petrus, Johannes en Jakobus getuigen van geweest. Hij is al een getuige geweest van die toekomstige heerlijkheid. "Welnu," zegt Petrus, "wij hebben dat profetische woord bevestigd en het verwijst allemaal naar de dag die zal aanbreken." En wat gebeurt er dan? Dan zal de lichtdrager waarover ik het al had, de Zoon des mensen die zich zo manifesteerde, inderdaad opgaan en verschijnen. Goed, tot zover over dat profetische woord.

Petrus' Erkenning van de Paulinische Brieven en de Hebreeënbrief (2 Petrus 3) ↑ hoofdstukken

Dit is 2 Petrus 1 en nu gaan we naar 2 Petrus 3. We slaan eventjes één hoofdstuk over, 2 Petrus 2. Dat is het hoofdstuk dat gaat over het verval onder het volk en het hele debacle dat zou gaan plaatsvinden: de verwoesting. Petrus zegt daar dat Jeruzalem zal vergaan als Sodom en Gomorra, wat ook letterlijk zo gegaan is; de stad werd compleet verwoest. In 2 Petrus 3 gaat het over het feit dat er een tijd zal komen waarin mensen gaan spotten over de vraag waar de belofte van zijn parousia blijft. Petrus zegt dan dat je niet in termen van decennia moet denken – wat hij trouwens ooit zelf ook deed – maar in termen van millennia. Hij spreekt over duizenden jaren.

Aan het einde van dat hoofdstuk, dus eigenlijk aan het einde van de brief, zegt hij nog iets over het geduld van de Heer; de Heer die niet ingrijpt. Hij noemt dat de lankmoedigheid. Hij zegt: 'acht de lankmoedigheid van onze Heer redding'. De Heer grijpt niet in, zijn parousia duurt nog, maar dat is redding. In feite is het zo dat de boodschap die in die tussentijd gepredikt wordt – en Paulus is daar dé man van – de Redder der wereld predikt. In die 'twee dagen', u begrijpt wat ik bedoel, die twee millennia waarin de Heer uitblijft en dus niet ingrijpt, klinkt het woord van redding onder de natiën.

Dat dit inderdaad over de boodschap van Paulus gaat, blijkt uit het direct navolgende: 'zoals ook onze geliefde broeder Paulus'. Ik vind dat mooi als hij dat zo zegt. Wij weten, lees maar de Galatenbrief, dat die twee ook wel eens tegenover elkaar hebben gestaan. Dan kun je zeggen dat niets menselijks hun vreemd was, en dat geloof ik ook, maar zij hebben natuurlijk ook een heel verschillende achtergrond gehad. Je leest dat ze elkaar een keer troffen in Antiochië en toen heeft Paulus, zo zegt hij in Galaten 2, heel ferm gezegd dat hij zich openlijk tegen hem heeft verzet, omdat het ongelijk aan zijn kant zat. Dan moet je wel heel zeker van je zaak zijn. Maar dat is helemaal weer goed gekomen; zo hoort dat ook onder broeders.

Petrus was door de Heer hier op aarde opgeleid en had een bepaalde bediening in verband met Israël; hij is een apostel van de besnijdenis. En dan komt er een heel andere apostel, die rechtstreeks door de hemelse Heer zelf wordt onderwezen, met een totaal andere achtergrond en een heel ander perspectief. Je kunt je voorstellen dat dit soms problematisch is geweest, maar hier spreekt Petrus met de grootste waardering over 'onze geliefde broeder Paulus', die 'naar de hem gegeven wijsheid jullie geschreven heeft'. Dat is altijd boeiend, want Petrus is een apostel van de besnijdenis en nu zegt hij dat Paulus hun ook een brief heeft geschreven. Dan is de vraag welke brief daarvoor in aanmerking komt. Naar mijn inziens is dat er maar één: de Hebreeënbrief.

In de Hebreeënbrief noemt de schrijver zichzelf niet direct bij naam, maar hij schrijft wel vanuit Italië en vermeldt dat Timoteüs bij hem is. Ook de hele thematiek verraadt de hand van Paulus, maar het is geen directe Paulinische brief in de zin dat zijn naam eronder staat. Het is natuurlijk niet voor niets dat zijn naam er niet onder staat, maar ik denk inderdaad dat dit de brief aan de Hebreeën is. In ieder geval heeft Paulus een brief geschreven aan de besnijdenis.

Kijk eens naar de inhoudsopgave van ons Nieuwe Testament met zijn 27 boeken. We zien de historische boeken, dan de veertien brieven van Paulus, gevolgd door de Hebreeënbrief, de besnijdenisgeschriften en de afsluiting met de Openbaring. Er zit een hele logische opbouw in, maar er is iets opmerkelijks aan de hand. Dit is de volgorde van boeken zoals de Latijnse Vulgata die heeft. De Vulgata is de Latijnse vertaling van het Griekse Nieuwe Testament die door kerkvader Hieronymus tot stand is gebracht. Het origineel ligt naar ik meen in het Vaticaan in Rome, maar het is een zeer belangrijke vertaling. Ons Nieuwe Testament is gebaseerd op de volgorde van die Latijnse Vulgata.

Toch moet er iets bij vermeld worden. In de oudste Griekse manuscripten – de drie grote, vrijwel complete handschriften genaamd de Vaticanus, de Alexandrinus en de Sinaïticus – is de volgorde anders. In die manuscripten staat de Hebreeënbrief midden tussen de brieven van Paulus in. Je krijgt dan de gemeentelijke brieven zoals Romeinen, Korinthe, Galaten en Tessalonika, en dan volgt de Hebreeënbrief. Pas daarna komen de persoonlijke brieven aan Timoteüs, Titus en Filemon. Dat de Hebreeënbrief in de oorspronkelijke Griekse manuscripten tussen de brieven van Paulus in staat, is wel eigenaardig, nietwaar? Voor mij is dit een prachtige bevestiging dat de Hebreeënbrief inderdaad van de apostel Paulus is. De manuscripten getuigen daarvan.

Ik zeg dit omdat Petrus er ook op wijst aan zijn Joodse lezers: Paulus heeft ooit een brief aan jullie geschreven. En de Hebreeënbrief komt daar perfect voor in aanmerking. Petrus vervolgt in hoofdstuk 3 vers 16: 'evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt'. Dit is in verband met ons onderwerp, de totstandkoming van het Nieuwe Testament, een heel interessant gegeven. Hiermee wordt gezegd dat Petrus op de hoogte is van álle brieven van Paulus. Moet je nagaan: Paulus had brieven geschreven aan de Romeinen, de Korinthiërs, de Galaten, enzovoort, en Petrus kent die. Dat kan maar één ding betekenen: die brieven werden in die dagen – we praten over het midden of eind van de jaren zestig van de eerste eeuw – al gekopieerd en kennelijk ook gebundeld, zodat ze konden circuleren.

Petrus verwijst hiernaar terwijl hij schrijft aan de besnijdenis, want hij is de apostel van de besnijdenis. Hij schrijft, zoals hij in zijn eerste brief zegt, aan de vreemdelingen in de diaspora. Al Paulus' brieven waren dus bekend. Hoewel er in ieder geval één aan de besnijdenis was geschreven, zegt Petrus dat hij in al zijn brieven over deze dingen spreekt; hij spreekt juist over de geweldige rijkdom van de tussentijd, de tijd waarin de Heer niet ingrijpt vanwege zijn geduld.

En wat de Heer daarin allemaal heeft te onthullen, evenals in alle brieven wanneer hij over deze dingen spreekt: over redding, over het geduld van de Heer, over het uitblijven, die hele tussentijd, dit intermezzo. Petrus kende ze allemaal en kennelijk — het feit alleen al dat hij dit zo opmerkt — waren zijn lezers daar dus ook van op de hoogte, of in ieder geval gedeeltelijk. Dit is al een hele aardige, om niet te zeggen een heel sterke aanwijzing dat de geschriften van het Nieuwe Testament inderdaad al een belangrijke rol speelden. Terwijl Petrus dus nog weliswaar in zijn nadagen was, vlak voor zijn overlijden, wijst hij al op Paulus' brieven, zodat we weten dat daar toen al collecties en kopieën van de ronde deden. Hij zegt dan: "Evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt."

Hij zegt er trouwens wel meteen bij — daar hadden we het net al even over — dat daarin een en ander moeilijk te verstaan is, wat onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien. Zelfs voor Petrus was dat zo. Maar ja, ik had het net al even over de achtergrond: moet je nagaan wat voor twee totaal verschillende persoonlijkheden dit waren geweest. En dan bedoel ik niet eens karakterologisch, hoewel dat ongetwijfeld ook zo was. Ze waren beiden, denk ik, erg gedreven. Ik wilde zeggen fanatiek, maar daar zit een beetje een negatieve associatie aan; het waren buitengewoon gedreven mannen. Maar goed, Petrus was een visser en Paulus was een zeer geletterd man in het jodendom. Hij had het verder gebracht dan vele van zijn tijdgenoten; daar hing een academische geur omheen, hij was een bestudeerd man.

Dan kun je zeggen: "Dus Petrus begreep dat niet." Ja, maar dat was het niet. Het was niet omdat Petrus of Paulus over de hoofden van anderen heen schreven, maar Paulus had een heel andere insteek en een heel andere achtergrond. Hij had niet die opleiding van de Heer op aarde genoten, enzovoorts. Dus je kunt je wel voorstellen... Je leest in de Galaten-brief ook dat Paulus, als hij dan geroepen is door de Heer, zegt: "Ik ben niet te rade gegaan bij vlees en bloed. Ik ben ook niet naar Jeruzalem gegaan naar hen die vóór mij apostelen waren. Nee, ik ben naar Arabië gegaan, want de Heer had me nog veel te vertellen."

Pas drie jaar later is hij naar Jeruzalem gegaan en is hij vijftien dagen bij Petrus geweest. En dan zegt hij niet dat dit was om opgeleid te worden door Petrus, maar om zijn verhaal aan Petrus te vertellen. Zo staat het er. Het ging er dus niet om dat Petrus nog het een en ander aan Paulus moest vertellen zodat die bijgespijkerd zou worden. Nee, het was precies omgekeerd: Paulus had aan Petrus nog heel veel te vertellen. Maar goed, het was voor Petrus moeilijk te verstaan. En dat zal ongetwijfeld ook te maken hebben met dit onderwerp waar hij het over heeft, namelijk het uitblijven van de terugkeer van de Heer. Paulus wist er veel meer van. Paulus was juist de apostel van Israël dat struikelt, waardoor het heil naar de natiën is gegaan. Terwijl Petrus er juist vanuit ging: het gaat in onze dagen gebeuren, in deze generatie. Je begrijpt wel dat dit een heel andere achtergrond en ook een heel ander perspectief is.

Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien. Dat is ook buitengewoon boeiend. "Evenals trouwens," zegt Petrus erbij, "de overige schriften." Dus hij heeft het over al Paulus' brieven waar hij heel veel moeite mee had, maar hij zegt: vergis je niet, daarin etaleert hij de van God gegeven wijsheid. Dat Petrus daar moeite mee heeft gehad, zei hij niet ten nadele van Paulus; integendeel, dat lag aan hemzelf. Hij zegt eigenlijk: als je dat niet goed weet te verstaan, dan verdraai je dat alleen maar tot je eigen verderf.

Ik denk er dan zeker ook aan dat wanneer je die geschriften van de besnijdenis gaat vermengen met de schriften van Paulus aan de voorhuid, je de boel verdraait. Als je die verschillende adresseringen niet snapt, dan zorg je ervoor dat het alleen maar tot onbegrip leidt, tot je eigen verderf. Het gaat me er nu vooral om dat hij aan de ene kant spreekt over al Paulus' brieven, en die stelt hij op één lijn met de overige schriften. Dat is ook boeiend. Moet je je voorstellen: een Jood die spreekt over de Tenach; dat waren voor Petrus de heilige schriften. Maar nu zegt hij: "Nou hebben we de brieven van Paulus. Velen verstaan dat niet en verdraaien het ook nog eens, maar dat doen ze ook met de overige schriften." Hij maakt in feite geen verschil tussen de brieven van Paulus qua status en qua positie die ze van Godswege toegekend hebben gekregen, en de rest van de Bijbel. Paulus' brieven liggen helemaal in die lijn. Petrus geeft aan het einde van zijn leven al die credits, niet zozeer aan Paulus, maar gewoon aan dat wat hij heeft opgetekend van Godswege. Zo zie je dat ze in die dagen, binnen één generatie, al zo druk doende waren met die hele boekstaving en ook de bundeling van die geschriften.

Het Testament van Paulus en de Verbindende Rol van Marcus (2 Timotheüs 4) ↑ hoofdstukken

Laten we nog even kijken naar 2 Timotheüs 4. Ik had het zojuist over het geestelijke testament van Petrus, opgetekend ergens halverwege de jaren zestig, vlak voorafgaand aan de verwoesting van Jeruzalem. De tweede Timotheüsbrief is in diezelfde tijd geschreven. Helemaal precies na te gaan is dat niet, maar ook Paulus schrijft een brief vlak voor zijn marteldood. Hij zegt: "Ik weet dat de tijd van mijn verscheiden nabij is", en met het oog daarop schrijft hij dit geestelijke testament aan Timotheüs, zijn naaste medewerker. Waar is hij dan zo druk mee doende? Dat is zo boeiend. Hij is niet bezig met opvolging. Natuurlijk schrijft hij dit aan Timotheüs en heeft hij hem het een en ander toe te vertrouwen, maar het is niet zo dat Timotheüs een nieuwe apostel wordt. Helemaal niets in die richting. Waar hij wel druk mee doende is, is dit.

Laten we het eens lezen vanaf vers 11: "Alleen Lucas is nog bij mij." De tweede Timotheüsbrief wordt wel eens getypeerd als de brief van de verlaten apostel; ik heb er zelf een boek over geschreven met die titel. In het eerste hoofdstuk schrijft Paulus immers al dat allen die in Asia waren – waar hij zo druk doende was geweest – hem hebben verlaten. Hij zegt dan: "Alleen Lucas, de geliefde geneesheer, is nog bij mij." Vele jaren heeft Lucas met hem meegereisd en nu Paulus op het punt staat de marteldood te sterven, is alleen hij er nog. Maar dat laat ik nu even voor wat het is.

Hij zegt vervolgens tegen Timotheüs: "Haal Marcus af en breng hem mee, want hij is mij van veel nut voor de dienst." Daar moeten we even op inzoomen. Want wie is die Marcus? Laten we een aantal feiten op een rijtje zetten. Marcus was een bijnaam van Johannes. We lezen in Handelingen 12 vers 12 dat de discipelen bijeenkwamen in het huis van de moeder van Johannes, die bijgenaamd was Marcus. Het was dus Johannes Marcus. Paulus zegt in Kolossenzen 4 dat deze Marcus de neef was van Barnabas. En wat weten we van Barnabas? Hij was een Leviet, afkomstig van Cyprus, die al in het begin van het boek Handelingen wordt genoemd. Paulus heeft de eerste jaren met hem gereisd: Paulus en Barnabas. Een medewerker van hen was Marcus. Dat was een logische keuze, want hij was de neef van Barnabas.

Dat leidde echter ook tot een conflict. Later lees je dat Barnabas Marcus graag weer wilde meenemen op een nieuwe reis, maar daar was Paulus het pertinent mee oneens. Er ontstond een verbittering tussen die twee en dat was natuurlijk niet goed. Aan de andere kant was het ook wel weer mooi, want nu ging het werk ineens twee kanten op. Barnabas ging verder met zijn neef en Paulus nam een andere medewerker mee, namelijk Silas. Dat Barnabas Marcus mee wilde nemen was logisch vanwege de vleselijke banden; hij was zijn neef. Voor Paulus speelde dat niet en ik denk dat Paulus daarin ook gelijk heeft gehad.

Nu zult u zich afvragen wat dit te maken heeft met de redactie van het Nieuwe Testament. Welnu, Marcus was behalve een medewerker van Paulus – want dat is later, godzijdank, helemaal goed gekomen – vooral ook een medewerker van Petrus. Petrus schrijft aan het einde van zijn eerste brief, in 1 Petrus 5, over "Marcus, mijn zoon". Eigenlijk noemt hij hem zijn erfgenaam. Dat wat ik heb, geef ik aan hem door. Niet in de zin dat Marcus ook apostel wordt, maar Marcus is zijn vertrouweling aan wie hij het een en ander meegeeft. Wat zou hij hem meegeven? Ik denk zijn geschriften. Petrus had heel wat geschriften in zijn bezit.

Paulus schrijft dus aan Timotheüs: "Lucas is nu nog bij me, en als jij straks naar mij toe komt, haal dan ook Marcus af en neem hem mee, want hij is mij van veel nut voor de dienst." Welke dienst dat is, staat er niet direct bij, maar de context – en dan vooral het navolgende – wijst op geschriften: de boeken en de perkamenten. Het is een mooie cliffhanger. Hij is mij van veel nut voor de dienst, en ik ga er inderdaad van uit dat Marcus de geschriften die Petrus in zijn bezit had naar Paulus heeft meegenomen. Want Paulus is bezig – en dat is eigenlijk het meest frappante van 2 Timotheüs 4 en de aanwijzingen die hij daar geeft – met het in orde brengen van een bibliotheek.

Je zou de vraag kunnen stellen: als je op het punt staat de marteldood te sterven, heb je dan niets beters te doen dan je bibliotheek nog even op orde te brengen? Hoezo dan? Nou, als je eenmaal de gedachte begrijpt van wat de grote missie van de apostel was, namelijk om de dingen op schrift te stellen en dat voor navolgende generaties als leidraad mee te geven, dan begrijp je deze drive heel erg goed. Dan begrijp je ook waarom Marcus zo'n belangrijke schakel is geweest in dat verhaal.

Zoals u eerder vroeg over de marteldood van Petrus: de Heer had dat al tegen hem gezegd toen Hij nog op aarde was. We hebben het daar de vorige keer over gehad naar aanleiding van Johannes 21. Bij Paulus is het iets minder evident uit de geschiedenis, maar het moet vooral worden afgeleid uit de formuleringen in 2 Timotheüs. Hij zegt: "Reeds word ik uitgegoten als drankoffer" (of plengoffer), wat in dit verband altijd duidt op het plengen van bloed. Dat wijst dus op een marteldood.

We pakken de draad weer op bij 2 Timotheüs 4. Paulus staat vlak voor zijn levenseinde; het moment van zijn verscheiden staat voor de deur. Dat wist hij zeker. En waar hij zich dan vooral mee bezighoudt, is met boeken. We zagen in vers 11 al dat Timotheüs Marcus met zich mee moest brengen omdat hij van veel nut was voor de dienst. Mijn suggestie is dat Marcus als de naaste medewerker, de "zoon" van Petrus, de nalatenschap van Petrus had meegekregen. Dat zou bij Paulus terechtkomen, en dat we in die richting moeten denken blijkt wat mij betreft echt uit de context. Ik geef toe dat er een paar speculatieve elementen in zitten, maar dat is hier aan de orde; soms is iets heel duidelijk zwart op wit en soms moeten we de lijnen verbinden.

De Omslag, Boeken en Perkamenten: de Vroege Codexvorm (ta Biblia) ↑ hoofdstukken

"En als je dan komt, Timotheüs, breng dan de omslag mee die ik te Troas bij Karpus liet liggen." Dit zijn natuurlijk van die aanwijzingen die je in een persoonlijke brief schrijft: neem dit alvast mee, want dat ben ik vergeten of ik heb het om een andere reden laten liggen. Waar het nu even om gaat, is dat woord 'de omslag'. Verschillende vertalingen geven het ook zo weer. Hoe alle Nederlandse vertalingen het precies doen, weet ik niet uit mijn hoofd, maar ik weet wel dat ik het in een paar Engelse vertalingen ook zo ben tegengekomen. Het punt is dat er in de Griekse tekst een specifiek woord staat – phelonēn. In de Statenvertaling wordt dat weergegeven met 'mantel', de reismantel. Maar dat is een invulling. De betekenis van het woord is gewoon heel breed, namelijk: een omslag.

Afhankelijk van de context kan dat een mantel zijn. Dat is niet uit de lucht gegrepen, dat wil ik beslist niet beweren, want je leest aan het einde van hoofdstuk 4 dat Paulus zegt dat Timotheüs zijn best moet doen om voor de winter te komen. Dan kun je zeggen: in dat kader is een jas of mantel ook wel handig. Ik beweer dus niet dat het uit de lucht gegrepen is; dat kan heel goed. Maar in de context van dit specifieke vers ligt het juist niet voor de hand. Lees maar eens met me mee in de hele zin, dan staat er: "Als je dan komt, breng dan de omslag mee die ik te Troas bij Karpus liet liggen, en ook de boeken, vooral de perkamenten." Waar hij het over heeft, zijn boeken en perkamenten, en in dat verband spreekt hij over de omslag.

Ik wil nog op iets anders wijzen: terwijl Paulus zich aan het einde van zijn leven bevindt, is hij feitelijk bezig met het verzamelen van boeken. Daarbij blijkt Marcus – die veel in zijn bezit had, hij was immers de zoon van Petrus – hem van veel nut te zijn. En dan moet Timotheüs ook nog die omslag meenemen. Dat kan namelijk ook gewoon een tas of een map zijn; dat is immers ook een omslag. Alleen in een wat andere context zou je het als een mantel opvatten, maar ga hier eens mee in de gedachte dat hij het inderdaad heeft over een omslag in verband met boeken of met geschriften, met vellen en bladzijden.

Dat is een heel interessant ding. De codex die wij hebben, dit boek, is feitelijk een codex. Tot de eerste eeuw was dat heel interessant; de 'omslag' heb je dan in een andere zin van het woord. Maar er is een verandering gekomen in de tweede helft van de eerste eeuw. Toen raakte de codexvorm in zwang. Volgens historici was dat in de tweede eeuw pas echt het geval, maar tot die tijd had je boekrollen. Als er hier sprake is van boeken, dan waren dat gewoon boekrollen. Ta biblia – ik kom daar straks nog even op terug. Je kunt je voorstellen dat een boekrol eigenlijk een vrij omslachtig ding is. Ik wilde zeggen 'omslachtig', maar dan heb ik het weer over de betekenis van dat woord in een andere context. Maar een boekrol is een lastig ding om iets in te bewaren en om iets te ordenen. Een boekvorm heeft gewoon een kaft, een map, een omslag; een geheel waarin je losse vellen kunt bewaren.

Natuurlijk is dat hele concept technisch ontwikkeld. Je hebt een omslag, je hebt een kaft en al die bladzijden bind je dan samen, en dat is dan een gestructureerd geheel. Je kunt je voorstellen dat men in de beginfase gewoon losse vellen had in een map, maar dan kun je wel heel gemakkelijk de dingen nazoeken, terugvinden, bewaren en ordenen. Het is heel goed mogelijk dat het in die dagen al zo gegaan is: dat de boeken en de geschriften die op schrift gesteld waren, niet in een rol zaten maar op vellen, die dan in een omslag – in een map, tas, kaft of wat dan ook – werden bewaard. Dat vind ik een heel boeiende suggestie. De codexvorm is het ideaal om geschriften te bundelen.

Ik denk nog aan een ander fenomeen dat er op zich niet direct mee te maken heeft, maar als het gaat over het boekstaven en de hele ontwikkeling van het boek, dan staat de Bijbel aan het begin van die vorm en de hele boekdrukkunst. Ga maar na: het eerste boek dat gedrukt werd, wanneer was dat ook alweer? Dat was aan het begin van 1499 of 1495, dacht ik, met die Gutenberg-Bijbel. Dat was een Duitse uitvinding, maar het schijnt dat ook een Nederlander voor het eerst... Koster, hoe heette die man ook alweer? Laurens Janszoon Coster. Er schijnt nogal een kwestie te zijn of het nou een Nederlander is geweest of die Gutenberg die dat als eerste heeft gemaakt, maar in ieder geval was het eerste wat van de pers kwam en gedrukt werd in boekvorm, de Bijbel.

Dat geldt trouwens voor het 'volk van het boek'; het is alom bekend dat het Joodse volk het volk van het boek is. Waarom? Aan hen zijn de woorden van God toevertrouwd, en dus is het van belang om te lezen en om via letters en geschrift de dingen door te geven. Dat de technologie juist bij dat volk werd ontwikkeld, vind ik niet zo gek. Dat hoort bij de waarde die je toekent aan het geschreven woord – niet alleen aan het gesproken woord, maar juist aan het geschreven woord. Dan is deze vorm van een map, de codexvorm, buitengewoon nuttig.

Hoe dan ook, Paulus zegt tegen Timotheüs: "Als je komt, neem dan de omslag mee die ik bij Karpus heb laten liggen." En hij zegt erbij: "en ook de boeken." Timotheüs moest dus niet alleen de omslag meenemen, maar ook de boeken en vooral de perkamenten. Perkamenten zijn dierenhuiden die bedoeld zijn als schrijfmateriaal. Wij schrijven op papier en van origine werd dat gedaan op papyrus, wat overigens niet helemaal hetzelfde is. In ieder geval is dat perkament eigenlijk nog veel steviger. Je kunt je voorstellen dat het ook duurder materiaal was om woorden op op te slaan, vandaar ook dat hij zegt: "vooral de perkamenten." Die waren nog waardevoller; ik mag aannemen dat dat de reden is.

Paulus bindt Timotheüs op het hart om niet alleen Marcus mee te nemen, die hem van veel nut is voor de dienst, maar ook de omslag en de boeken. Het is heel leuk, want hier staat in het Grieks gewoon: ta biblia. Dat is het meervoud van biblion, van biblos, en daar is ons woord 'Bijbel' van afgeleid. Trouwens ook het woord 'bibliotheek', want dit is een bibliotheek. Hoe handig is dat? Ik ben ontzettend blij met deze ontwikkelingen. We hebben tegenwoordig natuurlijk computers en dan heb je alles op de harde schijf staan, dat is weer nieuwe technologie, maar hoe geweldig is het dat die boekvorm zo ontwikkeld is.

Het is vooral ook nuttig voor het indelen en raadplegen van de geschriften. Je moet er toch niet aan denken dat je een hele verzameling boeken allemaal op rollen mee moet nemen. Als je zegt: "Het staat in Jesaja 66", dan moet je die hele rol gaan uitrollen; daar ben je niet zomaar klaar mee. Hoe handig is het dan om gewoon te kunnen bladeren? Dan heb je het zo gevonden, zeker als je nog hulpmiddelen hebt. Dat zijn allemaal prachtige ontwikkelingen die in elkaars verlengde liggen. Maar de kern is: Paulus is aan het einde van zijn leven bezig geweest met het verzamelen van de boeken en vooral die van de perkamenten.

En een omslag... En Marcus moest in dat verband vooral ook meegenomen worden, want hij was van veel nut voor de dienst. Mijn punt is dit, en dat is u inmiddels duidelijk: de apostelen, zij hadden het profetische woord, mondeling maar ook schriftelijk. Petrus is ermee bezig geweest om dat bij elkaar te brengen, maar heeft het vervolgens ook overgedragen aan Marcus en zo is het bij Paulus terechtgekomen.

Heel logischerwijs, want we hebben van Paulus al eerder opgemerkt: aan hem was de bediening gegeven om het woord van God te vervullen, te completeren. Kolossenzen 1 vers 24. Hoe logisch is het dan niet dat inderdaad Paulus degene is geweest die de geschriften — ook die van Johannes trouwens — bij elkaar gebracht heeft?

Want ik geloof dat er inderdaad, inclusief het boek Openbaring, allemaal geschreven zijn voor het jaar 70, voor de verwoesting van de tempel. Ook al is Johannes nog veel ouder geworden, wat heel goed kan, maar dat al die geschriften dus in die eerste generatie, voor de verwoesting van Jeruzalem, al zwart op wit tot stand zijn gekomen. De boeken. De Bijbel. Ja, want daar gaat het in feite over. Ja, en dit was Timoteüs 4, maar als ik nou eventjes terugblader...

De Theopneuste Schriften Maken de Mens Gods Volkomen Toegerust (2 Timotheüs 3) ↑ hoofdstukken

Naar 2 Timotheüs 3. Dan lees je dat Paulus dit zegt tegen Timotheüs; het is echt een hele persoonlijke brief, terwijl hij wijst op de ontwikkelingen ook in de laatste dagen en het afglijden van de hele christenheid, dat men de gezonde leer niet meer zal verdragen. Hij waarschuwt daarvoor.

Maar jij... ook hier weer trouwens: maar jij, blijf bij wat je geleerd en toevertrouwd is. Wat bij mij altijd bovenkomt, is het metafoorbeeld van een vis die tegen de stroom ingaat. De hele meute gaat die kant op, en dan is het een teken van leven, van vitaliteit, van kracht, dat je tegen de stroom ingaat. Maar jij – dat valt niet mee, dat is een eenzame positie – maar Paulus zegt tegen Timotheüs: maar blijf jij bij wat je geleerd en toevertrouwd is? Je bent wel bewust van wie je het hebt geleerd. En daarbij doelt hij natuurlijk niet alleen maar op zichzelf; ik bedoel, Paulus is de leermeester van Timotheüs geweest, maar hij gaat nog verder terug.

En dat je van kindsbeen af de heilige Schriften kent, die je wijs kunnen maken tot redding. Als hij het hier heeft over de kinderjaren van Timotheüs, dan gaat het dus over de tijd voordat hij ook het evangelie van de Heere Jezus Christus leerde kennen. Want we kennen de namen van zijn moeder en van zijn grootmoeder, Loïs en Eunice. En dat waren zeer godvrezende mensen, en die hebben hem met de heilige Schriften grootgebracht. Van kindsbeen af kende hij dat. En als het hier staat, "de heilige Schriften"... Je hebt zoveel geschreven woord, maar dan gaat het hier over heilige Schriften. Apart. Die van een heel andere orde zijn, omdat het namelijk de woorden Gods in zich heeft; sterker nog, het zijn de woorden Gods. En Timotheüs kende dat, de heilige Schriften, en dat is hier uiteraard de Tenach. Of eventueel de Griekse vertaling daarvan – ik weet niet hoe, Timotheüs is op zich een Griekse naam, dus hij had ook een Griekse vader – hoe dan ook, hij was vertrouwd met de heilige Schriften van kindsbeen af.

En die, ja, die maken je werkelijk wijs. Maar niet "wat" wijs; nee, die maken je wijs. Dat is een groot verschil hè, zeker als het gaat om wie de Redder is en wat Hij tot stand brengt. Wel, daar staat er ook bij: die wijs kunnen maken tot redding door het geloof – niet "in" Christus, maar door het geloof dat "in" Christus Jezus is. Hé, mooi hè? Dat is precies zoals wat later of elders in de brieven ook meestal wegvertaald is – niet in de Statenvertaling trouwens – maar het geloof van Jezus Christus. In feite gaat het hier ook weer over. Die heilige Schriften brengen ons bij het geloof dat in Christus Jezus is. Dus het gaat niet over ons geloven, maar het geloof dat in Hem is: Christus Jezus, de verheerlijkte Heer. En dat geloof heeft Paulus rechtstreeks ook van zijn verheerlijkte Heer ontvangen en vervolgens ook Timotheüs onderwezen. Dan is de cirkel weer rond.

Dan komt volgens vers 16 – dit is trouwens tevens de overlap met wat we de volgende keer gaan bespreken, want dan zullen we het hebben over inspiratie, over openbaringen en over verrichting – maar een van die passages die dan ook aan de orde zal komen is dit. Daarom houd ik dit een beetje beperkt. Dan zegt hij dit, nadat hij dus gesproken heeft over dé heilige Schriften: "Elke Schrift van God geïnspireerd," of: "Elke Schrift wordt van God ingegeven." Maar er staat eigenlijk met recht: Theopneustots. En dat betekent: Theos, dat verwijst naar God, en pneuzel heeft te maken met blazen, ook de geest, inblazen. Dus elke Schrift is van God geïnspireerd.

Kijk, het gaat er even om: Timotheüs kende de heilige Schriften van kindsbeen af, maar dan ging het over de Tenach, de Hebreeuwse Bijbel. Maar nu waren er in die dagen, in die decennia waarin Timotheüs ook leefde en waarin Paulus nu op terugblikt, zoveel geschriften aan toegevoegd: apostolische geschriften. En ook die zijn van God geïnspireerd. Elk! Dus niet alleen maar de heilige Schriften die Timotheüs van kindsbeen af kende, maar ook dat wat er in die dagen bijgekomen was. Ook dat was van Godswege ingeblazen en daarom ook levend woord. Ook die zijn van God geïnspireerd. Dat het hier inderdaad over die geschriften gaat, blijkt uit wat we straks nog zullen zien in vers 17 en 18.

Eerst nog hebben we dit: die Schriften zijn van God geïnspireerd. Alles wat God heeft laten optekenen is Zijn Woord, dat is levend woord. Als God blaast, inblaast in Adam, in dode stof uit de aarde, ja, toen alzo werd Adam een levende ziel. Wel, hoe kan het dat de Schriften levend zijn? Wel, het is ingeblazen, het bevat zelfs Geest van God. Daarom is het levend woord. Het spreekt ook van leven, van onvergankelijk leven. En dat is nuttig tot onderwijzing. Er worden vier dingen genoemd: tot onderwijzing, om tot weerlegging – dat wil zeggen, niet om de Schriften te weerleggen natuurlijk, maar die Schriften zijn gegeven om dingen te weerleggen – en ook tot correctie. Ik heb vrijwel de hele zin hier cursief gemaakt omdat het afwijkt van de NBG-vertaling, maar de zin is ongeveer gelijk: tot onderwijzing, tot weerlegging, tot correctie, tot opvoeding. Het woordje 'pedagogiek' staat hier. In de rechtvaardigheid. Trouwens, dit zijn vier dingen, niet vijf. Maar goed: opvoeden in rechtvaardigheid, namelijk geloof. En daar is die Schrift allemaal nuttig voor, eigenlijk tot alles.

En dat blijkt ook wel: opdat de mens Gods toegerust zij tot elk goed werk, volkomen toegerust. Moet je nagaan: Paulus, einde van zijn leven, wat doet hij? Hij wijst op de heilige Schriften. Ja, op elke Schrift van God geïnspireerd – en dat waren er inmiddels vele geschriften meer. En dat was allemaal noodzakelijk, want het Woord van God moest gecompleteerd worden. Nou, daar was Paulus druk mee doende. En waarom? Omdat de mens van God, dus in een wereld die duister is, hoe zou die volkomen toegerust worden? Nou, in en via en door en uit – een andere weg is er niet – de Schriften. Die geïnspireerd zijn, die levend zijn. En de mens wordt daardoor toegerust en bovendien ook tot elk goed werk.

Ik denk dat wij echt vaak te gering denken over de enorme power en de levenskracht, de vitaliteit, het belang, de fundamentele waarden van de Schriften. Alles! De mens Gods wordt daardoor volkomen toegerust. Het hele verhaal van de Bijbel is mooi en belangrijk, maar er zijn zoveel andere dingen. Alleen de Schrift: dat is genoeg, afdoende. Je kunt je voorstellen als Apollos dus zegt – aan hem was de bediening ook gegeven om het Woord van God te completeren, te volmaken of af te ronden – en nu is de mens Gods inderdaad met die Schriften volkomen toegerust.

Appendix: de Canon Is Apostolisch Samengesteld, Niet Kerkelijk ↑ hoofdstukken

Ja, en dan heb ik nog even één appendix, want we hebben het nu gehad over hoe die geschriften verzameld zijn. Ze zijn geboekstaafd en verzameld; ze zijn bij Petrus terechtgekomen en via Petrus en Marcus bij Paulus, die het dan vervolgens allemaal als bibliotheek aan Timoteüs meegeeft.

Dus ik geloof inderdaad dat de Schriften zijn samengesteld door de apostelen, en meer speciaal door Paulus zelf. Met recht, dus in de meest letterlijke zin en ook in de meest volle zin des woords, gecompleteerd door Paulus.

Dan kun je zeggen: ja, later is dat allemaal nog door kerkelijke concilies bevestigd. U kent het verhaal dat de canon zou zijn gevormd door het Concilie van Nicaea, maar dat is natuurlijk niet waar. Dacht u nou echt? Als dat het geval zou zijn, dan zou ik er geen stuiver voor geven. Echt niet. Alsof een kerkelijke instelling – die trouwens bovendien in die dagen ook nog allerlei andere verkeerde dingen heeft gezegd – het fundament zou zijn. Als het gezag van de Schrift daarop gebaseerd zou zijn, op de uitspraken van een concilie... alsjeblieft zeg.

Nee, de apostelen zelf hebben het samengesteld. Paulus heeft het Woord van God gecompleteerd en later is dat erkend door instituten, simpelweg omdat ze er niet onderuit konden. Dat is de aardigheid: hoezeer ze er ook van afgeweken zijn, het gezag van het Nieuwe Testament zelf is nooit betwijfeld. Dat vind ik ook wel een heel opmerkelijk ding.

Dus hoezeer bijvoorbeeld het Concilie van Nicaea ook volledig afgedwaald en ontspoord is, ze hebben niet in twijfel getrokken dat we inderdaad in de geschriften van het Nieuwe Testament de completering van het Woord van God vinden. En ook de wijze waarop wij het Nieuwe Testament in onze hand hebben, dat dat ook daadwerkelijk door Paulus is bijeengebracht. Er is nog iets aparts, daar wil ik dan op wijzen.

De Officiële Afspraak en de Plaats van de Besnijdenisgeschriften ↑ hoofdstukken

Er staat in Galaten 2 vers 9 dat Paulus een ontmoeting heeft; Paulus en Barnabas hebben een ontmoeting met Jakobus, Kefas en Johannes. En dan staat er: "en toen zij de genade die mij geschonken was opmerkten". Toen reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden... dat waren onder de twaalf echt de meest elementaire, de belangrijkste figuren. Zij golden voor steunpilaren en zij gaven mij en Barnabas de rechterhand der gemeenschap. De afspraak was heel expliciet: wij zouden naar de natiën gaan. Dat is de officiële afspraak. Paulus' bediening is met het oog op de natiën. Kun je je voorstellen dat als hij een keer een brief schrijft naar de besnijdenis, dat zijn naam er dus ook niet bij staat? Want dat is ook niet echt paulinisch. Maar zij – Jakobus, Petrus en Johannes – zij zouden naar de besnijdenis gaan.

Weet u wat ik bijna komisch vind? Het is eigenlijk ook belachelijk dat de geschriften waar we het nu over hebben – Jakobus, Petrus en Johannes – standaard, kijk het maar na in de encyclopedieën enzovoort, altijd de katholieke brieven worden genoemd. De algemene brieven. Zo van: die brieven zijn aan iedereen gericht. Terwijl notabene de Schrift zelf expliciet – niet alleen in de brieven zelf, want in de brief van Jakobus kun je het ook al vinden waar hij zich richt tot de twaalf stammen in de verstrooiing enzovoort – maar gewoon hier, officieel, is afgesproken in een vergadering van de apostelen dat Paulus zich richt tot de natiën, tot de voorhuid, en dat Jakobus, Petrus en Johannes zich richten tot de besnijdenis. Dat zijn dus geen algemene brieven; het zijn besnijdenisgeschriften.

En nu wijs ik weer even naar dit diaatje, maar nu iets gewijzigd. Want wat is het verhaal? Wij vinden inderdaad de geschriften van Jakobus, Petrus en Johannes bij elkaar, maar dan ook niet alleen bij elkaar, maar ook nog eens in dezelfde volgorde als waarin Paulus hun namen ook bij elkaar noemt, namelijk in Galaten 2 bij die officiële ontmoeting en die officiële afspraken. Dus de wijze waarop wij dat in het Nieuwe Testament bij elkaar vinden, de indeling van de geschriften... ik zeg dan: het verraadt de hand van Paulus. Het is de wijze waarop Paulus dit inderdaad bij elkaar heeft gebracht. Het is zo logisch; hoe zou hij die geschriften anders bij elkaar hebben gebracht dan op deze wijze en in deze volgorde? De besnijdenisgeschriften.

Maar er zit nog één apart ding bij. Dit is zoals wij het in onze Bijbels hebben: de besnijdenisgeschriften staan inderdaad apart van de brieven van Paulus. Maar ik denk dat het intentioneel nog weer anders is. In de Griekse manuscripten vind je eerst de historische boeken – Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes – dan het verslag van Lucas in Handelingen, en dan krijg je de besnijdenisgeschriften, en daarna pas de paulinische brieven. Ik wees al even op de Hebreeënbrief. De twee grote verschillen tussen ons Nieuwe Testament, dat gebaseerd is op de Vulgata, en het Nieuwe Testament zoals dat in de oorspronkelijke Griekse manuscripten staat, liggen vooral op twee lijnen. Enerzijds heeft dat te maken met de Hebreeënbrief, maar vooral – en dat is het meest opvallende – is dat de besnijdenisgeschriften vóór de brieven van Paulus staan.

Ik denk dat dit haast ook niet anders kan zijn dan het origineel. Want hierin zie je eigenlijk ook gedemonstreerd dat het "eerst de Jood" is. Ik bedoel: de evangelieverkondiging ging eerst, die kwam bij de twaalf terecht; eerst de Jood. En vervolgens, toen het getuigenis geen gehoor vond, toen werd Paulus geroepen. Deze indeling is ook historisch. Ik vind trouwens dat het ook het inzicht en het verstaan ervan verrijkt. Want dan ga je inderdaad zien dat deze besnijdenisgeschriften direct een vervolg zijn op de historie van de evangeliën en de Handelingen. Paulus is dan een onderbreking en het wordt uiteindelijk afgesloten in de Openbaring. Ik wil dit niet al te zeer stressen, want ik vind het al prachtig dat de besnijdenisgeschriften ook in ons Nieuwe Testament een aparte plaats hebben ingenomen en precies in de volgorde zoals Paulus het heeft geschreven. Maar het loutere feit dat die Griekse manuscripten in deze volgorde staan, dat wil zeggen vóór de brieven van Paulus, is niet zonder betekenis. Het geeft trouwens ook wel aan dat in de hele Romeinse behandeling later, in de Latijnse traditie, de kerk van Rome daar een rol in heeft gespeeld. Dat zal ongetwijfeld ook te maken hebben met het onbegrip dat daar was. In een kerk die helemaal geen idee meer had van "eerst de Jood en dan ook de Grieken" en de bijzondere plaats van Paulus, daar staan we dan.

Afsluiting: de Volheid van de Zeventig Bijbelboeken ↑ hoofdstukken

We zijn mooi op tijd bij de laatste dia aangekomen, want dit wilde ik graag nog met jullie delen. Wat ik hier zo prachtig aan vind, is dat God Zijn woord heeft gegeven en dat het woord ook compleet is. Er is zoveel ernst gemaakt en zoveel ijver betoond door de apostelen, speciaal door Petrus en Paulus, om het woord van God te completeren. Hoe bevoorrecht zijn wij nu dat we dit complete geheel mogen hebben.

Bij de boeken van het Oude Testament zijn de boeken van het Nieuwe Testament toegevoegd, zodat we nu een totaal van zeven boeken hebben, wat ook alweer een volheid is. Waarvan akte? Het is prachtig dat we dat zo mochten overdenken.

De volgende keer – ik gaf al even een hint in die richting – hopen we elkaar weer te zien. Het zal dan 3 april zijn, vlak voor de lente. Dan zullen we het hebben over de begrippen openbaring, inspiratie en verlichting. Dat heeft ook alles te maken met dit onderwerp van de totstandkoming van de Bijbel. Goed, zullen we het daarbij laten?

🎧 er is geschreven (6) – de redactie van het NT
Delen: