GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Jezus óf HEER Jezus?

02-03-2025 - Geplaatst door Andre Piet
Urk

GOD heeft de gekruisigde Jezus “tot Heer en tot Christus gemaakt” door Hem op te wekken uit de doden. Aan deze erkenning herken je een gelovige. De wereld spreekt over ‘Jezus’ die hier ooit op aarde wandelde en predikte. Overigens, zonder benul van wat Hij predikte. Maar zij heeft er geen weet van dat GOD deze Jezus als Eersteling heeft opgewekt en daarmee aan Hem de hoogste eer heeft toegekend.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie behandelt het cruciale onderscheid tussen de naam 'Jezus' als historische aardse naam en de titels 'Heer' en 'Christus' die God Hem na de opstanding heeft verleend. Aan de hand van Handelingen 2 en Romeinen 10 wordt uitgelegd dat Jezus door God tot eigenaar (Kurios) van alles en iedereen is gemaakt. De auteur benadrukt dat het belijden van Jezus als Heer onlosmakelijk verbonden is met het geloof dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, wat haaks staat op de traditionele drie-eenheidsleer. De studie mondt uit in de universele belofte uit Filippenzen 2 dat uiteindelijk elk schepsel, levend of dood, van binnenuit zal belijden dat Jezus Christus Heer is. Dit herstel van alle dingen is tot eer van God de Vader, die als Plaatser en Vader alles weer tot Zich brengt.

“God heeft Hem én tot Heer én tot Christus gemaakt.”

Inleiding: het Misverstand Rondom de Naam Jezus ↑ hoofdstukken

Een hele goede middag allemaal, vrienden. Het is goed om elkaar hier weer te mogen treffen en heel hartelijk dank ook voor alle felicitaties die ik heb gekregen. Ja, inderdaad, ik ben vandaag 46 geworden. Had je niet gedacht, hè? Nou, of zoiets hoor; de cijfers die ik nu noem, die kloppen wel, alleen de volgorde... Ja, en eens in de zeven jaar trekt het zo gemiddeld. Ik sta hier voor het woord, in het midden; met de één in het midden staan we. Maar daarover gaan we het vanmiddag niet hebben, dat is inderdaad heel verstandig.

Waar we het ook niet over gaan hebben, is het carnaval, hoewel daar echt wel het een en ander over te vertellen is. Juist van de week las ik nog weer over de betekenis van dat woord, namelijk dat het eigenlijk letterlijk 'afscheid van het vlees' betekent. Maar dat hebben we genomen in de Bijbelse zin des woords. Dus wat overblijft, is waar Koos het over had: een feest.

Waar ik jullie vanmiddag bij wil bepalen, is dit onderwerp: 'Jezus óf HEER Jezus?'. Eigenlijk zou je op die wijze de klemtoon moeten leggen. Zojuist is door Koos voorgelezen uit de Filippenzenbrief en daar lees je al over 'feest' en over 'Heer' gesproken. Daar wordt bij herhaling iedere keer op gewezen dat we ons zouden verblijden in de Heer. En dat niet alleen bij gelegenheid, of wanneer je jarig bent, of bij een of andere festiviteit; nee, te allen tijde. Dat is ook een enorme reden om ons te verblijden: het feit dat er een Heer is en dat Jezus Heer is.

Daar blijken nogal wat misverstanden over te zijn, en eigenlijk is dat ook de aanleiding om dit onderwerp nog eens te bespreken. Kijk, en als ik zeg 'misverstanden', dan bedoel ik dat heel breed. Dat geldt ook onder degenen van wie je zou mogen verwachten dat ze vertrouwd zijn met de Bijbelse boodschap, maar die zo blijkt iedere keer weer te pas en vooral te onpas over 'Jezus' spreken, zonder de eer te weten die God aan Hem heeft toegekend.

De Historische Naam in de Evangeliën Versus de Titels in de Brieven ↑ hoofdstukken

Kijk, de benaming of de naam Jezus op zichzelf, sec, zonder titel, treffen we heel dikwijls standaard aan in de evangeliën. Of het nu Mattheüs, Marcus, Lucas of Johannes betreft, altijd is daar sprake van Jezus. Dat is ook logisch, want het is de naam die Hij ooit kreeg bij Zijn geboorte, of eigenlijk moet ik zeggen bij Zijn besnijdenis. Want zo lees je dat in Lucas 2 vers 21. Daar wordt vermeld: "En toen acht dagen vervuld waren..." Overigens is het ook wel even aardig om er in dit verband op te wijzen – zonder het nu direct aan te tonen, want dat vergt wat meer – dat ik geloof dat dit op een 17e Nisan is geweest. Ik ga er namelijk van uit dat de Heer Jezus is geboren vlak voor Pascha, op de 10e Nisan. De achtste dag is dan de 17e Nisan; tel het maar na. En dat is precies ook de datum geweest dat de Heer Jezus verrees uit het graf.

De datum wordt weliswaar niet vermeld, noch in verband met de geboorte, noch in verband met de opstanding, maar laat zich via Schrift met Schrift vergelijken wel afleiden. Met andere woorden: toen de Heer Jezus besneden werd op de achtste dag, was dat precies ook de datum waarop Hij later opstond uit de doden. Die connectie is op zichzelf al veelzeggend. Het symbool van de besnijdenis heeft alles te maken met nieuw leven en daarmee ook met de opstanding. Maar laat ik de zin helemaal uitlezen: "En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was ontvangen." Dat lees je eerder in Lucas 1, waar de engel bij Maria verschijnt en er wordt gezegd: "En gij zult Hem de naam Jezus (of Yeshua) geven." Ik kom daar straks nog op terug, maar ik wijs er nu alvast op dat die naam betekent: "Jahweh redt". Dat zegt heel veel.

Het gaat er nu vooral om dat het loutere gegeven dat je in de evangeliën standaard de benaming 'Jezus' vindt — gewoon sec, zonder titel — logisch is, omdat het de naam was die Hij hier op aarde droeg. Weliswaar wordt Hij soms door mensen aangesproken als 'heer', maar dat is op dezelfde wijze als waarop wij dat doen in intermenselijke verhoudingen, zoals wanneer je iemand aanspreekt met 'mijnheer'. De naam zelf vind je echter altijd zo in de evangeliën. Ik moet er meteen bij zeggen dat het in de brieven juist heel anders is. Daar wordt consequent over Hem gesproken met titels. Met name in de brieven van Paulus wordt dit toegelicht, maar kijk het maar na: ook in de brieven die geschreven zijn aan 'de besnijdenis' (Jacobus, Petrus en Johannes) wordt Hij aangesproken als de Heer Jezus Christus.

De reden daarvoor is heel duidelijk en die vind je nergens duidelijker gemotiveerd en uitgelegd dan in Handelingen 2. Dat is het hoofdstuk over de Pinksterdag, het begin van het Wekenfeest. Vanaf de dag van de opstanding, de dag van de Eerstelingsschoof, werden er zeven sabbatten geteld. Na de zevende sabbat, dus na zeven keer zeven dagen, oftewel op de vijftigste dag — Pinksteren betekent ook 'vijftigste' — vond het wonder plaats dat in Handelingen 2 beschreven wordt: het talenwonder, het geluid van de geweldige windvlaag, enzovoort.

Petrus geeft vervolgens tekst en uitleg, een grote toelichting met veel aanhalingen uit de Hebreeuwse Bijbel over wat er plaatsvond en wat het getuigenis is. De Heer Jezus had vlak voor Zijn vertrek al gezegd: "Jullie zullen mijn getuigen zijn." Dat was ook in de zin van ooggetuigen; zij hadden de Opgestane gezien. Als zodanig zouden zij Hem proclameren, in de eerste plaats aan het volk van Israël. Via Israël en een gelovig deel van Israël zou de boodschap dan ook bij de volken van de wereld terechtkomen. Maar eerst Israël.

Handelingen 2: God Heeft de Gekruisigde Jezus tot Heer en Christus Gemaakt ↑ hoofdstukken

In Handelingen 2 doet Petrus moeite om uit te leggen – nee, hij bewijst – dat Jezus de Christus is. Jezus is opgestaan uit de doden; Hij is de beloofde Messias die aangekondigd was in de Schriften. Vandaar ook dat hij iedere keer de profeten en de Psalmen aanhaalt en dan zegt dat aan hetgeen voorzegd is, nu is voldaan. Het is gebeurd; het heeft plaatsgevonden precies door Degene die ik jullie predik.

In vers 36, wanneer we bijna aan het einde van die toespraak zijn, volgt de conclusie en dan zegt hij: "Laat dan het hele huis van Israël zeker weten." Het loutere feit dat hij de zin zo inleidt met "laat dan", of "laat dus het hele huis van Israël zeker weten", geeft al aan dat dit een conclusie is op basis van wat hij zojuist allemaal heeft aangetoond. Hij heeft vanuit de Schriften bewezen dat de Jezus die zij allemaal kennen en die kort tevoren, nog maar enkele weken eerder, in diezelfde plaats Jeruzalem was overgeleverd aan de Romeinen, door God is aangesteld. Dat lag allemaal nog zo vers in het geheugen van het volk, van al die toehoorders daar.

Het is Petrus die uitlegt dat God Hem, die jullie gekruisigd hebben, heeft opgewekt uit de doden. Nu zou het hele huis van Israël zeker weten dat God Hem én tot Heer én tot Christus gemaakt heeft. Dan zegt hij: "deze Jezus, die jullie kruisigden" – God heeft Hem dus tot Heer en tot Christus gemaakt. Wie is dat? Dat is deze Jezus die jullie kruisigden.

Hier zie je in chronologische volgorde wat de naam Jezus aanduidt en vervolgens wat Hij sinds Zijn opstanding uit de doden is. Namelijk Degene die hier op aarde gewandeld heeft, een man van krachten, tekenen en wonderen die Hij in hun midden had gedaan. Welnu, díe hebben jullie gekruisigd. Dat is Jezus; dat was de naam die Hij droeg tijdens Zijn wandel hier op aarde. Maar God heeft Hem drie dagen na die kruisiging opgewekt uit de doden en daarmee tot Heer en tot Christus gemaakt. Letterlijk staat er: "God heeft Hem én Heer én Christus gemaakt." Laten we op het woord 'Heer' eens even inzoomen.

De Betekenis van Kurios (eigenaar) en Christus (gezalfde) ↑ hoofdstukken

Dat woord Heer is in het Grieks – u hebt het wellicht wel eens vaker gehoord – kurios. Maar dat woord kurios betekent letterlijk een eigenaar. Zo wordt het trouwens ook heel vaak vertaald in een ander verband. Een eigenaar is iemand die iets als eigendom heeft of iemand die iets bezit; dat zijn synonieme begrippen, dat begrijpt u. Maar dat is wat een kurios is: iemand die eigendom heeft. In feite, wat voor eigendom? Dat kan bijvoorbeeld van een huis zijn, of van een wijngaard – een heer van een wijngaard, een kurios van een wijngaard. Of de heer van een slaaf, en zo kun je nog even doorgaan. Ook een stadhouder en zelfs de keizer worden heer genoemd. Dat is logisch, want die hebben namelijk een bepaald eigendom waar ze volmacht over hebben; datgene waar zij over gaan en waar zij over beschikken. En dat is wat een bezitter ook is.

In dit geval hoeft het eigenlijk niet eens gespecificeerd te worden, want hij is namelijk Heer van alles en van iedereen. De Heer Jezus zegt zelf ook – en dat is trouwens na zijn opstanding, logischerwijs na zijn opstanding, want toen hij kwam in vernedering, is hij de weg van gehoorzaamheid gegaan – maar daarna is hij door God verhoogd en toen heeft hij naar eigen zeggen, en zo sluit het Matthäus-evangelie ook af: "Mij is gegeven alle macht, alle volmacht in hemel en op aarde." Weliswaar oefent hij dat nu nog niet uit; hij claimt dat nog niet, daarom is het ook nog steeds een verborgen waarheid. Maar hij is degene die alles tot eigendom heeft. Daarom hoeft er ook niet gezegd te worden 'Heer van iets', al kun je dat natuurlijk wel zeggen. Hij is mijn Heer, dat is waar, maar hij is gewoon de Heer van alles. We komen daar straks ook nog over te spreken, want dat is heel essentieel. Hij is namelijk universeel en in de meest absolute zin Heer. En God heeft hem tot bezitter of tot eigenaar gemaakt van... nou ja, van alles. Daarom hoeft het ook niet specifiek benoemd te worden.

Een term die in dit verband dan ook genoemd wordt, heeft betrekking op het feit dat Jezus werd gekruisigd. Hier wordt het Joodse volk daarvoor aangewezen: jullie hebben hem gekruisigd door hem over te leveren in de handen van de Romeinen. Maar God heeft hem Heer gemaakt, kurios, en Christus. Daar moet je ook even bij stilstaan, want dat zijn van die termen – dat geldt trouwens voor 'Heer' ook – waarvan je je afvraagt: wat bedoel je daar precies mee? Wat betekent het begrip? Dat geldt voor dat woord 'gezalfd' ook, of 'Christus', want de letterlijke betekenis daarvan is gezalfd. Dat is in het Grieks zo. Als je Christus zegt, dan zeg je eigenlijk... het is eigenlijk een verhaspeling. Als je het strikt genomen zou moeten vertalen, dan zeg je dus 'gezalfd' vanuit het Grieks. Maar het is dan ook weer de weergave van een oorspronkelijk Hebreeuws woord: Mashiach. Dat kennen we ook allemaal, ook weer via de vernederlandse verhaspeling 'Messias'. Zo gaat dat als je iets van de ene taal in een andere taal overzet; dan worden de klank en de uitspraak weer wat verschillend. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat Christus hetzelfde is als het Hebreeuwse Mashiach en 'gezalfd' betekent.

En dat verwijst naar een ambt, want wie werden er gezalfd? Je kunt ook zeggen: wat werd er gezalfd? Er werden bij gelegenheid allerlei attributen gezalfd, maar als we het hebben over iemand die gezalfd wordt, dan heb je het in de eerste plaats over een priester. Zoals u dat bijvoorbeeld leest van Aäron in Exodus 29: "Dan zult gij de zalfolie nemen en over zijn hoofd uitgieten en hem zalven." Later is daar nog een hele psalm aan gewijd – Psalm 133, die ken ik wel – over de olie op het hoofd van Aäron, die neerdaalt op zijn baard en tot aan de zomen van zijn kleed geraakt. De hogepriester is gezalfd met zalfolie. Dat geldt niet alleen voor de hogepriester, die dus juist uit hoofde van die zalving een hogepriester werd, maar het geldt ook voor een koning. Ik noem hier David, want dat is de bekendste, maar daarvóór lees je ook al van Saul die gezalfd werd. Dat is wel een markant verschil, want de één werd gezalfd met een kruik, een aardevat waar de vergankelijkheid eigenlijk al in gelegen is, en David daarentegen werd gezalfd met een hoorn. En een hoorn in de Bijbel is altijd een beeld van koningschap – denk aan de tien horens die gij zaagt, dat zijn tien koningen. Maar in ieder geval zou het koningschap aan het huis van David worden toegekend. Dan lees je dat Samuël de oliehoorn nam en hem zalfde in het midden van zijn broeders. En van die dag af greep de Geest des Heren David aan. Wat ook logisch is, want die zalf... gezalfd zijn is altijd ook een beeld van de Geest.

Waarmee werd bijvoorbeeld een Aäron of een David gezalfd? Met olie, ja. Maar dan niet met aardolie uiteraard, maar met olijfolie. En olijfolie is in de Bijbel sowieso een type van onvergankelijk leven. Dat is de vrucht van de olijfboom; dat is die boom die niet sterft en zichzelf altijd regenereert. De boom die ook in feite de brandstof levert voor licht in het heiligdom. Nou ja, enzovoorts. Over olijfolie is zoveel meer te melden, maar op de een of andere wijze verwijst het altijd naar leven en het licht van het leven. Echt Leven met allemaal hoofdletters. Dus ja, als er van de Heer Jezus gezegd wordt dat God hem gezalfd heeft, dan is dat niet met gewone olie, maar met datgene waar olie een beeld van is. Hij kreeg de Geest, de heilige Geest, onvergankelijk leven. Daardoor stond hij op uit de doden. Dus hij is met recht de Gezalfde. Hij werd gezalfd met dat waar olijfolie een beeld van is, en daarmee werd hij ook gemaakt tot de Gezalfde, Christus of Mashiach.

Daarmee werd hij dus ook de Koning en ook de Priester. Hij was geen priester vanwege zijn afkomst, want hij was uit de stam van Juda. In de Hebreeënbrief wordt dat in hoofdstuk 7 uitgebreid uitgelegd. Hij is priester krachtens, zo staat er, krachtens onvergankelijk leven. Sindsdien en uit hoofde van zijn opstanding is hij dus ook de Priester. Aangezien hij onvergankelijk leven aan het licht bracht, komt er aan zijn priesterschap ook geen einde meer. Daarover is natuurlijk genoeg te melden, maar het gaat erom dat hij de Gezalfde is en onvergankelijk leven ontvangen heeft. God heeft hem gemaakt tot kurios en tot Christus of Messias. Daarmee is hij Koning en is hij Priester geworden.

En sinds zijn opstanding – want ja, als hier staat: "God heeft hem Heer en Christus gemaakt", waar gaat dat dan over? Wel, dat gaat over het feit dat... kijk maar even een paar verzen eerder. Daar staat: "Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen unaniem getuigen zijn." O, getuigen! Dus dat was geen dissonant. Iedereen wist dat en had dat gezien. Niet alleen trouwens de twaalf, want de kring was vele, vele malen groter; die bestond uit honderden getuigen. En wij zijn daar allen getuigen van, ook in de zin van een juridisch begrip: ooggetuigen. Dus deze Jezus hebben jullie gekruisigd, maar God heeft hem opgewekt en wij getuigen daarvan. Nu hij dan door de rechterhand van God verhoogd is – want in feite begon die verhoging op het moment dat hij opstond uit de doden. Ik ga er trouwens ook vanuit, maar dat is een ander verhaal, dat hij op diezelfde dag ook zichzelf gepresenteerd heeft aan zijn Vader in het heiligdom. En daarmee bedoel ik te zeggen...

...dat Hij toen ook vanaf die dag niet alleen maar verwekt werd uit de doden, maar dat Hij ook verhoogd werd aan Gods rechterhand. Dat was trouwens ook door Petrus aangehaald in Handelingen 2, namelijk: "Aldus sprak Jahweh tot mijn Heer: zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor Uw voeten."

Met andere woorden: mijn Heer, dat is de Heer van David, die zou worden verhoogd aan Gods rechterhand, en wel totdat Zijn vijanden gemaakt zouden worden tot een voetbank voor Zijn voeten. Dus wat hier gezegd wordt is dat Jezus, die hier op aarde rondwandelde en krachten en tekenen gedaan heeft en uiteindelijk gekruisigd is, die Jezus is door God vervolgens op de derde dag tot Heer en tot Christus gemaakt. Zodat Hij vanaf dat moment dus de Heer Jezus Christus is; dat is de titel die God Hem heeft toegekend.

Dan is het ook logisch dat in de brieven altijd, als over Hem gesproken wordt, de eer aan Hem wordt gebracht door Hem zo ook te benoemen, namelijk door Hem aan te duiden met de titels die God aan Hem heeft gegeven. Dat is Zijn volledige naam nu geworden, en niet slechts de naam die Hij hier in vernedering droeg.

Ik denk dat dat buitengewoon belangrijk is. Wat ik nu vertel is wellicht in dit gezelschap enigszins of erg bekend – dat weet ik dan niet – maar in het algemeen is het heel onbekend. En ja, op het moment dat je dit weet, stoor je je er ook aan als mensen zomaar altijd maar spreken over 'Jezus'. Je onthoudt Hem namelijk dan de eer die God Hem heel uitdrukkelijk heeft toegekend. Hij is Heer, absoluut. Ik bedoel: van alles en van iedereen. Dat is Hij, want dat heeft God van Hem gemaakt. Hij is niet degene die vernederd is; integendeel, Hij is door God juist verhoogd.

We gaan naar een andere schriftplaats waar deze dingen ook worden toegelicht. Dat staat in Romeinen 10. Het is de tweede die ik nu noem, maar waar het ook prachtig wordt toegelicht en uitgelegd. Ik begin dan te lezen in vers 9. Dat is altijd een beetje lastig, want dan begint het met 'want', en dat verklaart dus het voorgaande, maar dat skip ik even voor het gemak: "Indien u..." Inderdaad, in de jij-vorm, in het enkelvoud.

Romeinen 10: Belijden Dat Jezus Heer Is en Zijn Opstanding Geloven ↑ hoofdstukken

Indien u met uw mond belijdt dat Jezus Heer is. Eigenlijk staat er: indien u met uw mond belijdt, namelijk: "Heer Jezus". Zo staat het er in de grondtekst; Kurion is het woord. Dat is het meest karakteristieke van onze belijdenis. Laat ik het anders zeggen: het is de essentie van wat wij belijden. Wat vertellen wij nou? Wat is de boodschap nu? De Bijbel is een geweldig rijke bibliotheek waarin ontzettend veel wordt doorgegeven, maar als je het helemaal terugbrengt naar de essentie: wat is dan het evangelie dat wij brengen? Dat is het goede bericht dat Jezus Heer is en dat Hij dus alles bezit. En hoe komt dat? Wel, God heeft Hem tot Heer, tot Kurios, gemaakt. Dat loopt synchroon met en hangt direct samen met het andere feit, namelijk: indien u met uw mond belijdt dat Jezus Heer is en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u gered worden.

Laten we eerst kijken naar dat belijden met de mond dat Jezus Heer is. Dat Hij Heer is, is een titel die Hem is toegekend. Dat is wat je aangeeft als je daarvoor uitkomt; dat doe je natuurlijk met de mond. Maar hoe komt het dat Hij Heer is? Dat is omdat God Hem als eersteling heeft opgewekt uit de doden. Dat is precies wat we ook in Handelingen 2 zagen: God heeft Hem juist door Zijn opstanding gemaakt tot Heer en tot Christus. Dus als wij zeggen: "Jezus is Heer", dan zeggen wij daarmee dat God Hem heeft opgewekt uit de doden. Dat is niet moeilijk, maar ik moet er wel bij zeggen dat dit haaks staat op de gedachte van de drie-eenheid. De leer van de drie-eenheid gaat er immers van uit dat Jezus God is. In beeld is dat ook zo, want de Heer Jezus is het beeld van de onzienlijke God. De verschijning van de God die onzichtbaar is, is waar, maar dat is beeldspraak. Letterlijk kan Hij geen God zijn, en sterker nog – dit is heel scherp wat ik nu zeg, maar zo scherp wordt het hier ook gezegd – je moet van harte geloven.

Hoe zou je anders belijden dan met de mond? En hoe zou je anders geloven of vertrouwen dan met het hart? Dat is wat je doet in het hart. En wat geloof je dan van harte? Er staat hier niet dat de Heer Jezus is opgestaan uit de doden – wat natuurlijk wel zo is – maar dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Het idee is ook niet dat God Hem uit de dood heeft opgewekt; dat is nog iets anders. Als je zegt dat God Hem uit de dood heeft opgewekt, is dat ook waar: Hij was in de toestand van de dood en God heeft Hem uit die doodstoestand gewekt, zoals wij vanmorgen wellicht uit onze slaaptoestand gewekt werden. Maar "uit de doden opgewekt" wil zeggen dat terwijl alle doden in het graf lagen – en dat geldt eigenlijk voor de hele wereld, die één grote begraafplaats is – God Hem te midden van al die doden daaruit heeft opgewekt. "Doden" is hier echt een meervoud. Dat zou je zomaar kunnen ontgaan, maar dat is de grammaticale gedachte: God heeft Hem uit de doden opgewekt.

Met andere woorden: als God Hem niet uit de doden had opgewekt, dan was Hij nog dood geweest. Daarin zie je ook: hoe zou je dit van harte kunnen geloven als je denkt dat Jezus Zelf God was? Dan krijg je wat er in allerlei paasliederen volledig ten onrechte wordt gezongen: dat Hij opstond uit eigen kracht, want Hij is God bekleed met macht. Als dat zo zou zijn, kan ik onmogelijk van harte geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Hij werd opgewekt, en God heeft Hem daarmee ook tot Heer gemaakt. Dit is niet moeilijk, maar het is essentieel om te geloven dat de Heer Jezus echt mens was en is; Hij is gestorven en was een dode. Drie dagen lang is Hij in het graf geweest en God heeft Hem na die drie dagen opgewekt uit de doden. Dat is wat wij van harte geloven. Dat kun je overigens alleen maar van harte geloven als het je verteld wordt. Het evangelie is: God heeft Jezus uit de doden opgewekt en daarom is Hij door God tot Heer gemaakt. Dat is de essentie van het evangelie en eigenlijk zit daar alles in besloten. Aangezien Hij als eersteling door God is opgewekt uit de doden, heeft Hij het leven aan het licht gebracht en daarmee is Hij een garantie voor alles wat volgt. En aangezien Hij de Heer van allen is, volgt ook iedereen.

Met de mond belijden wij, komen wij er voor uit: Jezus is Heer. En waarom is dat zo? Omdat wij van harte het getuigenis geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Er staat hier bij dat dit de wijze is waarop God mensen redt: "dan zult u gered worden". Dat is in feite geen beperking, maar het geeft de weg aan waarop God redt. Slechts door geloof worden we gered. Ik zeg dat het geen beperking is, want we weten allemaal – en daar sluit ik mee af – dat er een moment komt dat elke knie gaat buigen en elke tong dit zal belijden. In de universele Bijbelse waarheid vindt redding plaats door geloof en erkenning van de Naam. Ik hoor heel vaak, juist door geestverwanten: "wij geloven dat God de Redder is voor alle mensen". Dat geloof ik zeker ook. Maar ik geloof niet wat je ook vaak hoort, zoals onlangs in een boek van Reinier Sonneveld waarin wordt beweerd dat alle mensen al gered zijn. Dat is een vreselijke dissonant, want dat is niet wat de Bijbel zegt. God redt door middel van geloof en erkenning. Hij is de Redder van álle mensen, en dus worden hoe dan ook en wanneer dan ook alle mensen gered, maar dat vindt slechts plaats door geloof; doordat God mensen tot erkenning van Hem brengt. Dat is essentieel, want anders kom je tot onbijbelse uitspraken die geen recht doen aan het hele getuigenis.

Ook in Romeinen 10 vers 10 is dat evident: "want met het hart gelooft men tot rechtvaardigheid". Dat had Paulus al veel eerder toegelicht: God rekent geloof tot rechtvaardigheid. Iemand die Hem vertrouwt, is een rechtvaardige. Die twee begrippen zijn in de Bijbel onderling uitwisselbaar. Wat is een rechtvaardige? Dat is iemand die God vertrouwt, "amen" zegt en Hem gelooft op Zijn toezeggingen. Het begon ooit bij Abraham, die naar buiten geleid werd. Hij kreeg geen opdracht, maar hij kreeg iets te horen. Hij kon niets doen of werken, maar God zei: "Zo zal jouw nageslacht zijn, zoals de sterren des hemels." En Abraham geloofde God. Hij vertrouwde daarop en het werd hem tot gerechtigheid of rechtvaardigheid gerekend. Abraham was voor God een rechtvaardige. Met het hart geloven leidt tot rechtvaardigheid en met de mond belijden leidt tot redding. Immers, zo licht Paulus toe met een citaat uit Jesaja 28: "Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen." Dat gaat over de steen die God tot een grondslag, een fundament, legt in Zion. Wie zijn geloof op dat fundament bouwt, zal nooit bedrogen uitkomen.

En daar gaat het dus over die steen, de eerste steen die God gelegd heeft in Zion. Want daar heeft Hij de eerste steen gelegd. Mooie gedachte hè? De eerste steen is gelegd in Zion en dat vond plaats toen de Eersteling verrees uit het graf.

Want er staat in vers 12: er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Dat lijkt een beetje vreemd als je dit eventjes afzet tegen het voorgaande. Want hoe stond het ook alweer in Romeinen 3? Wat is dan het voorrecht van de Jood? En daar zegt Paulus: nou velen, in de eerste plaats toch dit: aan hen zijn de woorden Gods toevertrouwd. Dus er zijn nog veel meer voorrechten.

Dus ik zeg dit eventjes: is er onderscheid tussen Jood en Griek? Jazeker, wis en waarachtig. God heeft een volk uitgekozen juist om de rest inderdaad te bereiken, dus er is wel degelijk onderscheid. Maar als het hierom gaat, als het gaat om de weg tot redding, is er geen enkel verschil tussen een Jood en een Griek. Het is gewoon een universele waarheid. Dat wordt trouwens ook aangehaald – ik heb daar nu geen diaatje meer van, maar ik geloof dat het vers 14 is – dat al wie de naam van de Heer aanroept, gered zal worden.

Dat is trouwens ook een speciale waarheid in verband met wat er straks gaat gebeuren in Jeruzalem als de volkeren daar ten strijde trekken. Dan zal dat ook weer opgaan, maar die feiten, de waarheid zelf, is universeel. Daar waar een mens in geloof, in vertrouwen Hem aanroept, komt hij never nooit beschaamd uit. Hier ook: er is geen onderscheid tussen Jood en Griek, ongeacht je afkomst of ook de hele tijdzetting. Het is altijd hetzelfde verhaal. Immers...

Niet een Aanbod, maar een Feit: Hij Is de Heer Ván Allen ↑ hoofdstukken

Eén en dezelfde is Heer van allen. Ja, mooi hè? Het staat trouwens in de NBG-vertaling als 'Heer over allen', maar dat klopt niet. Het is niet 'Heer over allen' en het is ook niet 'een Heer vóór allen'. Dat is een heel groot verschil. Als je zegt dat Hij een Heer vóór allen is, dan zeg je daarmee dat het wordt aangeboden. Het is voor jou of voor iedereen, maar dan is het een aanbod. Maar als je zegt dat Hij een Heer ván allen is, dan betekent dat Hij Allerheer is. Oftewel: alles en allen zijn Zijn eigendom. Dat is wat je zegt.

Ik las een mooie Engelse spreuk, dat is alweer een week of wat terug. In het Nederlands kun je het niet zo mooi zeggen, maar die luidt: "If Jesus is not Lord of all, he is not Lord at all." En dat is heel scherp. Hij is Heer, uiteraard. Punt. Waarom zo’n punt? Nou, omdat het namelijk absoluut is en alomvattend. En dus is Hij Heer van allen; allen zijn Zijn eigendom.

We zijn hier op Urk, en de ultieme waarheid voor heel veel christenen is dat je uiteindelijk aan het einde van je leven, op je sterfbed, tot de erkenning mag komen: "Hij is ook mijn Heer." Toch? Het is trouwens ook Zondag 1 — zo onderlegd ben ik ook nog wel in de catechismus. "Wat is uw enige troost in leven en in sterven?" Dat ik het eigendom ben van mijn getrouwe Zaligmaker. Ik weet niet precies hoe de formulering exact luidt, maar dat is het: dat ik niet van mijzelf ben, maar dat ik het eigendom ben van Hem. Maar dat is niet een heel traject dat je aflegt om uiteindelijk tot de ontdekking te komen dat Hij jouw Heer is. In feite — ik ben weer scherp — ontken je daarmee dat Hij Heer van allen is. Alsof het om mij gaat. Hoe weet ik dat Hij mijn Heer is? Nou, dat is heel simpel: Hij is Heer van allen, en dáárom is Hij ook mijn Heer.

Het gaat er niet om of Hij 'mijn' Heer is. De waarheid is: Hij gaf Zichzelf tot een losprijs voor allen. Hij betaalde de prijs voor jou, voor iedereen, en daarom is het een geweldige waarheid die we als evangelie verkondigen; het is werkelijk een blijde tijding. Hij heeft Zich gegeven voor jou en daarmee heeft Hij de prijs betaald; je bent Zijn eigendom. Of je dat nou gelooft of niet, je bent Zijn eigendom en daarom laat Hij je ook nooit meer gaan. Hij heeft zo’n dure prijs voor jou betaald. Je was sowieso al Zijn eigendom op basis van het feit dat God jouw Schepper is, maar je was vervreemd geraakt, verloren, en vervolgens heeft Hij jou gezocht en is de prijs betaald. Hij heeft Zijn leven gegeven. Al de wereld sloeg Hem aan het kruis en God zegt: "Ik ga juist via die weg jullie kopen en jullie allemaal het leven geven." Nou, dat is liefde. Maar Hij is Heer van allen, dat is de boodschap.

Het wordt vaak zo versmolten, en feitelijk is juist in die versmolting de vraag: "Is Hij ook jouw Heer?" Maar dat is geen vraag, het is met recht een mededeling: Hij is jouw Heer. Hoe ik dat zo zeker weet? Hij is de Heer van allen. Er staat immers: "één en dezelfde is Heer van allen en rijk voor allen." Kijk, hier heb je wel dat voorzetsel 'voor'. "Rijk tot in allen", staat er eigenlijk, die Hem aanroepen. Wie is die 'Hem'? Nou, dat is de Heer van allen.

Het gaat er niet om dat ik Hem bid of vraag of Hij ook mijn Heer wordt. Hoe vaak heb ik dat niet gehoord en gelezen in evangelisatiebijeenkomsten? Dat ik een keuze maak of tot bekering kom en dat Hij zo mijn Heer wordt. Dan wordt het een eigen werk, want de voorwaarde is dat ik iets doe. Nee, de boodschap is: Hij is Heer van allen en rijk voor ieder die Hem zo aanroept als de Heer van allen. Die rijkdom komt inderdaad tot ons door Hem aan te roepen. Maar, zoals later in ditzelfde hoofdstuk staat: "Hoe zouden zij Hem aanroepen als Hij niet gepredikt wordt?" Maar hoe weinig wordt Hij gepredikt als de Heer van allen? Van állen! En dat komt omdat de prijs is betaald en God Hem in die positie heeft geplaatst.

Het is geweldig om je te realiseren dat God Jezus tot Heer heeft gemaakt. Dat is een waarheid, want daarmee is gezegd: je bent Zijn eigendom. Dat is geen vraag. "Is Hij wel uw eigenaar?" of "Ben jij wel Zijn eigendom?" Alleen al door er een vraagteken achter te zetten, betwijfel je juist de goddelijke statement, de uitroep en de mededeling. Hij is Heer van al die miljarden mensen, van doden en levenden. Want dat brengt mij bij Romeinen 14.

Romeinen 14: het Doel van Zijn Sterven en Opstanding voor Doden en Levenden ↑ hoofdstukken

Laten we vers 9 en 10 er eens even uitlichten. In vers 9 staat het namelijk zo: "Want hiertoe stierf Christus en werd Hij levend..." Ik heb dit hier cursief staan omdat het wat afwijkt van de NBG-tekst. In de NBG-vertaling staat dat Hij "heerschappij zou voeren", maar dat staat er eigenlijk niet. Er staat gewoon dat Hij Heer zou zijn. Dat Hij Heer zal zijn.

Hiertoe stierf Christus. Ja, waarom? Nou, laat ik de zin even helemaal lezen: "Hiertoe stierf Christus en werd Hij levend, opdat Hij en van doden en van levenden Heer zou zijn." Dit is dus het antwoord. Hij kon slechts levend gemaakt worden doordat Hij stierf, uiteraard. Waarom moest Christus sterven? Nou, om opgewekt te kunnen worden. En waarom werd Hij opgewekt? Als je het in het geheel neemt: waartoe stierf Hij en waartoe werd Hij opgewekt? Opdat Hij en van doden en van levenden Heer zou zijn.

Dit betekent dat Hij Heer is van allen, inclusief de allen die dood zijn en in de graven liggen. Dat Hij Heer van de levenden is, dat begrijpen we; Hij bezit hen, Hij is de eigenaar daarvan. Maar de doden bezit Hij ook. Dat betekent namelijk dat Hij nog een plan met hen heeft. Hij gaat de doden opwekken als zij Zijn stem zullen horen, ieder inderdaad in zijn eigen rangorde, maar zij zullen allen Zijn stem horen.

Zij zullen dan ook bij gelegenheid, bijvoorbeeld bij de grote witte troon, berecht worden. En weet u wat dat betekent? Dat dingen rechtgezet worden. Dat is wat berechten betekent. Hij gaat de dingen rechtzetten, en reken maar dat dat in veel opzichten ook een pijnlijk proces is. Maar het doel daarvan is te laten zien dat Hij een rechtvaardig God is. Hij gaat ook alles terechtbrengen, oftewel tot bestemming brengen. Hij is een rechtvaardig God; dat wat krom is, zet Hij ook weer recht. Ook de doden wekt Hij tot leven. Hij is de Eersteling en allen zullen uiteindelijk het leven ontvangen. Hij is de laatste Adam; zoals in Adam allen sterven, zo zullen in de laatste Adam, Christus, allen worden levend gemaakt.

Filippenzen 2: Door Uiterste Vernedering Naar de Naam Boven Alle Naam ↑ hoofdstukken

Dat brengt mij bij een vierde schriftplaats die onvermijdelijk ook genoemd moet worden. Ik geef toe dat ik vanmiddag heel selectief ben, want de term 'Heer' en de proclamatie dat Jezus Heer is, komen we honderden keren in de brieven tegen. Het is namelijk de standaard wijze waarop Hij wordt aangesproken. Maar dat het ook wordt toegelicht, en waarom? Dat vinden we in deze schriftplaats die ik zojuist noemde: Filippenzen 2, een terecht heel bekende passage.

Ook hier begin ik weer midden in het betoog. Paulus heeft zojuist gesproken over de gezindheid van Christus Jezus, die niet zichzelf zocht, maar zichzelf ontledigd heeft. Hij heeft de gestalte van een slaaf aangenomen en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het kruis. Oftewel: Hij is de weg van de uiterste vernedering gegaan. En dan staat er vervolgens in vers 9: "Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd." Hij heeft niet zichzelf verhoogd; nee, God heeft Hem verhoogd. Hij heeft zichzelf vernederd en zichzelf, met recht gezegd, ontledigd en zo de weg gegaan tot de dood van het kruis.

Door die uiterste vernedering heeft God Hem dus uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken. En wat is die naam? Heer Jezus Christus. Dat is de naam boven alle naam. Kun je dat uitleggen? Dat is niet zo moeilijk. Maar kun je het ook aantonen? Dat is nog belangrijker. Laten we doorlezen om dat aan te tonen.

"Opdat in de naam van Jezus..." En wat stelden we aan het begin al vast? De naam Jezus betekent 'Jahweh redt'. Sommigen verkiezen de uitspraak 'Jehovah', dat maakt me eigenlijk niet uit, maar 'Jahweh', de Godsnaam, betekent 'Jahweh redt'. In de naam van Jezus ligt dus besloten: Jahweh, maar ook dat Jahweh redt. In de naam van de Jahweh die redt — namelijk Jezus — zou zich elke knie buigen van hen die in de hemel, op de aarde en onder de aarde zijn. In het Grieks staat hier eigenlijk: van de 'ophemelsen', van de 'opaardsen' en van de 'onderaardsen'. En dan heb je inderdaad alles gehad: daarboven, hier op aarde en hieronder. Dat zijn de niveaus die we kennen.

Elke knie zal buigen in de naam van Jezus, en daarmee ligt al besloten dat God van zins is om de hemelsen, aardsen en onderaardsen te redden. Opdat in de naam van Jezus zich elke knie zou buigen van hen die in de hemel, op de aarde en onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden... Maar eerst even dit: dat belijden. Ik had het erover in Romeinen 10 vers 9; daar las ik ook het woord 'belijden'. Ik wil u op iets bijzonders wijzen. Het Griekse woord voor belijden is homo-logeo. Logeo heeft te maken met spreken, en homo wil zeggen 'hetzelfde'. Belijden wil dus eigenlijk zeggen: hetzelfde zeggen. Als je iets belijdt, dan praat je feitelijk na; je zegt iets na. Dat is wat belijden is: je belijdt de Schrift, je spreekt na wat de Schrift zegt. Belijden is dus per definitie geen creatieve bezigheid. Integendeel: je zegt hetzelfde. Misschien met andere woorden, maar je zegt hetzelfde. Dat is homo-logeo. Maar weet u wat hier staat?

Ex-homologeo: Elke Tong Zal Hem Uiteindelijk van Harte Belijden ↑ hoofdstukken

Hier staat een versterkte vorm en dan is er een voorzetsel. Staat er een voorzetsel voor? Ja, daar staat het woordje ex-homologeo. Je hoeft helemaal geen kenner van het Grieks te zijn om je te realiseren dat wij dit woord ook kennen in bijvoorbeeld het woordje 'expressie'. Expressie wil zeggen: uitdrukken. Pressie is druk en expressie wil zeggen dat het een uitdrukking is. In verbale zin kan het een uitdrukking zijn, maar denk bijvoorbeeld ook aan de druk in een ballon. Dan krijg je ook expressie; als de ballon knalt, is de druk eruit. Expressie wil dus zeggen: uitdrukken. Dat woordje 'ex' is het voorzetsel, en dat betekent dat het van binnenuit komt.

Dat is belangrijk, want het gaat hier dus niet over de standaard traditionele, orthodoxe verklaring die zegt: "Uiteindelijk komt er een moment dat alle hemelse, aardse en onderaardse wezens zullen erkennen dat Jezus Christus Heer is, maar dat doen zij onder dwang." Hoe vaak heb ik dat niet gehoord en gelezen, en wordt het ons voor de voeten geworpen? Alsof God daardoor verheerlijkt zou worden! En alsof dat 'in de naam van Jezus' zou zijn — de naam die immers redt. Alsof dat ook geformuleerd zou worden met 'alle tong'. Het hele idee in de Bijbel is dat je lippendienst hebt, dat is de buitenkant, maar de tong zit aan de binnenkant. 'Alle tong belijdt', dat is van binnenuit. Dit Griekse woord ex-homologeo komt tien of elf keer voor in het Nieuwe Testament en altijd duidt het inderdaad op een hartelijke instemming. Tot eer van. Daar gaat het hier ook over.

Dus de hele gedachte is: Jezus Christus is Heer, absoluut van allen, van iedereen. Er komt een moment dat iedereen — hemelse, aardse en onderaardse wezens, oftewel allen waarvan Hij Heer is — ook tot die erkenning zal komen. Hartelijk, van binnenuit, met de tong zullen ze dat blij getuigen: Jezus Christus is Heer. Dat is de naam boven alle namen die Hem is geschonken: Heer Jezus Christus. Ik vind het onvoorstelbaar, maar aan de andere kant ook zo logisch. Het is zo groot en indrukwekkend dat de hele wereldgeschiedenis, al die aionen die begonnen bij God, uiteindelijk uitlopen in één groot halleluja. Elke tong zal zeggen: "Jezus Christus is Heer", oftewel "Heer Jezus Christus".

Hoe is Hij zo geworden? Hoe is Hij in die positie gekomen? Wel, doordat God Hem opgewekt heeft, verhoogd heeft en tot Heer heeft gemaakt. Hij heeft Hem die naam boven alle naam geschonken. Tot die erkenning komt elk mensenkind... wat zeg ik, mensenkind, dat zijn nog de aardse, nee: elk creatuur dat kan getuigen, zal het ook getuigen. Alle tong zal belijden: "Jezus Christus is kurios". Dat is de naam boven alle namen die Hij van Godswege heeft ontvangen. En tot wiens eer is dat? Dat is tot eer van God de Vader, de ene God die tevens ook een Vader is.

Ook dat laatste vind ik trouwens zoveel zeggen. Hij is God en dus beschikt Hij de dingen. Hij wijst de dingen een plaats toe; dat is wat het woord 'God' betekent: de Plaatser. En dus brengt Hij alles daar waar Hij het hebben wilt. Aangezien Hij een Vader is — alle dingen komen uit Hem voort — en Hij het werk van Zijn handen niet laat varen, brengt Hij hemelse, aardse en onderaardse wezens weer tot Hem terug door de erkenning van Zijn Zoon, de Heer Jezus Christus. Zoals alles bij Hem begon, zo mondt alles ook weer bij Hem uit. Dat is één grote ode aan God de Vader, of één grote ode aan Vader God.

Wat een voorrecht dat wij dat nu al mogen doen, van harte! Dat is toch geweldig? Als je erbij stilstaat: er komt een moment... ik bedoel, straks komt Israël tot die erkenning, en de volkeren in het millennium zullen die erkenning ook krijgen, maar er komt een moment dat elk schepsel dat er ooit geweest is, ook de doden die nu dood zijn, allemaal tot die erkenning komen: "Jezus Christus is Heer". Dus ja, wat is er logischer — dat is eigenlijk de samenvatting — wat is er logischer als je deze dingen weet, om Hem inderdaad die glorie te geven die God aan Hem heeft toegekend: onze Heer Jezus Christus. Amen. Dank u wel.

🎧 Jezus óf HEER Jezus?
Delen: