de verwarring van schuld en lot
01-09-2019 - Geplaatst door Andre Piettoespraak gehouden op zondag 1 september 2019 te Urk
Het lijkt op een niet te ontwarren knoop van verschillende lijnen. De lijn van onze ‘verantwoordelijkheid’ en tegelijkertijd de lijn van ‘voorbestemming’. Waren de broers van Jozef verantwoordelijk voor de verkoop van hun broer Jozef? De misdaad werd in elk geval aangerekend. En ook zelf werden ze zich steeds meer van hun schuld bewust. Maar uiteindelijk bleek het tóch nog anders te zijn. Want het moest zo gaan en was het GODS hand die het zó had geleid…
Wat zegt de Schrift over deze verschillende ‘lijnen’? En hoe verhouden ze zich tot elkaar? En wat betekent dit voor ons in de praktijk?
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Het Onontwarbare Vraagstuk van Schuld en Lot
- Johannes 12: Waarom Israël de Messias Simpelweg Niet Kón Geloven
- De Absolute Regie van God: het Verharden van Farao's Hart
- Genesis 45: de Misdaad van Jozefs Broers als Goddelijk Instrument
- Romeinen 11: Allen Opgesloten in Ongezeggelijkheid tot Ontferming
- De Onnavorsbare Wijsheid van God: het Kwaad in Zijn Dienst
- De Grandioze Finale: Alles Is Uit, Door en tot in Hem
Het Onontwarbare Vraagstuk van Schuld en Lot ↑ hoofdstukken
Een hele goede middag, ook van mijn kant. Ik ben blij weer eens bij jullie te mogen zijn na een tweetal maanden. Ik heb zojuist nog even contact gehad met mijn broer die er nu niet bij kan zijn; hij heeft een heel goed excuus, want hij zit momenteel in Amerika. Hij viert vandaag zijn zestigste verjaardag en hij zei: "Doe de broeders en zusters in Urk de hartelijke groeten." Bij dezen breng ik dat dus over. Hij wilde beslist niet trakteren, want hij is een echte Aalsmeerder, dus hij dacht: ik ga naar Amerika. Zoiets zal het wel geweest zijn, denk ik.
Wij gaan het vanmiddag hebben over een fascinerend onderwerp, zoals Dubbele al even kort aangaf en ik in de aankondiging op mijn website ook had beschreven: de verwarring van schuld en lot. Het plaatje op de dia illustreert denk ik aardig waar het over gaat. Onlangs kreeg ik een nieuwe internetaansluiting en de monteur van KPN moest even achter de audioapparatuur bij ons thuis wezen. Hij zag daar zo’n enorme knoop van draden en kabels... nou, daar lijkt dit plaatje nog helemaal nergens op! Het leek onontwaarbaar, al viel het uiteindelijk gelukkig nogal mee. Maar zo werkt dat als allerlei lijnen en draden door elkaar gaan lopen; dan is het, zoals we dat met recht zeggen, een warboel. Het woordje 'war' is in het Engels 'oorlog'. Dat vind ik eigenlijk wel grappig: als iets in de war zit, is het eigenlijk in oorlog; het strijdt allemaal met elkaar.
Voordat ik de Bijbel ga openen — en dat doen we uiteraard, want daar ligt de hoofdmoot — wil ik aangeven dat dit een universeel probleem is. Ik zeg 'probleem', en dat is het ook letterlijk: het woord betekent dat iets wordt 'opgeworpen'. Proballo is opwerpen. Voortdurend wordt deze kwestie opgeworpen; het is een raadsel en een vraagstuk. Afhankelijk van welk beroep je hebt gekozen, word je daar soms ook professioneel bij bepaald.
Denk bijvoorbeeld aan de rechtspraak. Onze jongste zoon studeert tegenwoordig rechten in Leiden en hij is zeer geïnteresseerd in de kwestie van de vrije wil. We hebben thuis dus nogal eens discussies over deze dingen: in hoeverre een misdaad die iemand begaan heeft zijn schuld is, of simpelweg zijn lot? Want als je je gaat bezighouden met de achtergrond van een misdadiger, dan blijkt hij heel vaak zelf ook weer een slachtoffer te zijn. Dus ja, wat hij gedaan heeft is schuld, maar het blijkt op een of andere manier ook weer iets te zijn wat onherroepelijk was. Het moest kennelijk zo gebeuren; in ieder geval was het onontkoombaar.
Een andere dochter werkt bij Veilig Thuis in de hulpverlening. Zij is net afgestudeerd en loopt er op haar manier ook heel vaak tegenaan, zodat wij boeiende gesprekken aan tafel hebben. Bijvoorbeeld: in hoeverre is de nood in een gezin — wanneer er sprake is van mishandeling, misbruik of verwaarlozing — iemand aan te rekenen? Of heeft het alles te maken met de achtergrond, de opvoeding en alles wat daarachter ligt? Is dat schuld? Is dat iemand aan te rekenen? Is het verwijtbaar, of kan zo iemand er eigenlijk niets aan doen? Want ja, wie heeft zichzelf gemaakt? Dat zou je als een ondertitel bij de titel op de eerste dia kunnen plaatsen: Wie heeft zichzelf gemaakt?
Ah, goedemiddag. Volgens mij zie ik hier een broer die ik ken van Facebook. Vernauwen? Ja, ik herinner het me. Zullen wij weer verder gaan? Ik had het startschot gegeven over de verwarring van schuld en lot en hoe mensen in de professionele hulpverlening daar tegenaan lopen. Is er sprake van verwijt of is het onontkoombaar? Ik zei al dat de vraag "Wie heeft zichzelf gemaakt?" de ondertitel van deze studie zou kunnen zijn. Wie heeft gemaakt dat je wieg precies dáár stond waar die heeft gestaan? En wie heeft ervoor gezorgd dat je bij die specifieke familie terechtkwam, in dat land, in dat tijdsgewricht en met dat DNA waarmee je bent geboren? Al dat soort feiten laten zich opsplitsen in miljoenen vragen, maar het uiteindelijke antwoord op de vraag "Wie heeft zichzelf gemaakt?" is natuurlijk: niemand. Er is uiteindelijk maar één Schepper.
In de medische zorg lopen ze via een andere aanvliegroute tegen precies hetzelfde aan. In hoeverre is een bepaalde aandoening aan bijvoorbeeld het hart, de lever of de longen iemands eigen schuld? Of is het gewoon onontkoombaar? Ik werp alleen de vraag maar op. Ik geef u de verzekering dat als je je hiermee bezighoudt, het buitengewoon complex blijkt te zijn. Zulke discussies kun je volgen in de media, in de krant of op televisie. Het is niet specifiek een probleem voor gelovige mensen, maar een algemeen menselijk vraagstuk: in hoeverre is er sprake van schuld en in hoeverre is er sprake van lotbestemming die onontkoombaar is?
In de opvoeding komt het nog dichterbij. Dat is niet eens iets professioneels, maar iets waar elke ouder tegenaan loopt: kwalijk gedrag van je kind. 'Kwalijk' komt van het woord 'kwaad'. Gedrag dat in ieder geval niet goed te keuren is. Is dat schuld? Maar als het je eigen kinderen betreft — ik weet niet hoe dat bij u is — dan zul je vaak moeten opmerken: "Hé, maar dat gedrag herken ik." Wij hebben heel veel gedoe gehad met onze jongste zoon op school. Er zijn jaren geweest dat we wekelijks werden opgebeld. Ik ging dan iedere keer terug in mijn eigen historie, want toen ik jong was, hadden mijn ouders dat probleem ook al met mij. Dus ja, in hoeverre is dat dan verwijtbaar? Ik werp de vraag alleen maar op, want je kunt je ook afvragen: "Ik kan het toch ook niet helpen dat ik uw kind ben?"
Wat ik met deze inleiding wil zeggen, is dat je linksom of rechtsom heel gemakkelijk en eigenlijk onontkoombaar tegen dit soort vraagstukken oploopt. Maar uiteraard behandelen wij het vandaag vanuit Bijbels oogpunt, en dan wordt het pas echt heel erg boeiend.
Johannes 12: Waarom Israël de Messias Simpelweg Niet Kón Geloven ↑ hoofdstukken
Ik neem u mee naar een drietal schriftplaatsen. Zojuist is er voorgelezen uit het boek Handelingen, maar dat komt nu verder niet aan de orde. Ik had er vele, vele andere schriftplaatsen bij kunnen kiezen, maar ik beperk me even tot een drietal. De eerste is dus Johannes 12. Als je de hele context van dat gedeelte bekijkt, dan zijn we inmiddels aangekomen bij het einde van Jezus' aardse bediening. In het voorafgaande lees je dat Hij was gearriveerd in Jeruzalem, de zogenaamde intocht. Dat was het begin van Johannes 12 en eigenlijk wordt hier min of meer de balans opgemaakt. Dit was in de laatste week van Jezus’ leven, vlak voorafgaand aan Johannes 13, dat begint met de geschiedenis van de voetwassing in de nacht dat Hij werd overgeleverd. Dit is dus aan het einde van Jezus' bediening.
Dan staat er dit – hier wordt teruggekeken op de geschiedenis: "Hoewel Hij, de Heer Jezus, zoveel tekenen vlak voor hun ogen had gedaan, geloofden zij niet in Hem." Daarmee wordt gezegd – en dat moet ik er ook nog even bij vertellen, kijkt u het maar even na – dat die 'zij' niet zozeer het volk in het algemeen betreft, maar de leidslieden. Uitgerekend die groep mensen die gekwalificeerd was om de Messias, die hen was beloofd, te herkennen. Zij geloofden Hem niet, ondanks het feit dat Hij in hun midden was. En het staat hier dan wel niet zozeer met die woorden, maar Zijn woord was zo overtuigend, zo krachtig, zo sterk. Vanuit de Schriften bewees Hij wie Hij was en snoerde Hij hen ook de mond. Dat woord was zo sterk, maar bovendien werd het bevestigd met goddelijke tekenen, wondertekenen.
Vlak voor hun ogen heeft Hij dat gedaan. Niet alleen één teken, maar vele tekenen, zoveel tekenen. Het kon niet missen. En dan staat er: "Geloofden zij niet in Hem." Dit was dus in de context van het volk aan wie de Messias was beloofd. Zij hadden de Schriften en zij verwachtten de Messias. Dus als er één volk zou zijn dat Hem moest herkennen, dan was het Israël wel. En dan nog wel de elite uit dit volk, die professionele expertise had en zich in de Schriften had bekwaamd. Zij moesten de Messias herkennen. Zijn woord was overtuigend en Zijn identiteit was onmiskenbaar – uit het huis van David, uit Bethlehem, et cetera, et cetera. Hij voldeed volledig aan het profiel dat de Schrift geeft. Weliswaar niet aan hun verwachting, dat is waar, maar dan toch... En dan al die tekenen.
Ja, maar nu komt het. Hij deed zoveel tekenen vlak voor hun ogen en toch geloofden ze niet in Hem. Nu is de vraag: waarom niet? We lezen verder: "Opdat het woord van Jesaja de profeet vervuld zou worden." 'Profeet' betekent in het Grieks letterlijk 'de voorzegger', degene die het voorzegd heeft. "Opdat het woord van Jesaja de profeet vervuld zou worden dat hij zei" – en ik kan u verklappen: dat is Jesaja 53 vers 1. Het moet in dit gezelschap toch niet helemaal onbekend zijn dat juist dit hoofdstuk uitgerekend een uiterst precieze beschrijving is van wie inderdaad de Messias is. Dat Hij zou lijden en dat Hij verworpen zou worden door het volk; het staat er allemaal. Hoe Hij zou lijden, dat Hij ter slachtbank geleid zou worden, dat Hij zou sterven en waar Zijn graf zou zijn; alles wordt daar zo voorzegd. Wel, dat is dus Jesaja 53. En dan staat er ook bij dat Jesaja zegt: "Heer, wie heeft geloofd wat hij van ons hoort? En aan wie werd de arm van de Heer onthuld?"
Daarin ligt besloten – zeker als u het voorgaande er nog even bij leest vanwaaruit Johannes dit citeert – dat Israël het niet geloofde. Dat wordt hier eigenlijk ook gezegd: "Heer, wie gelooft wat hij van ons hoort?" Notabene! Jesaja zegt dus dat als de Messias komt, Hij niet herkend en daarmee ook niet erkend zal worden. De vraag is retorisch: "Wie gelooft wat hij van ons hoort?" Het antwoord is: bijna niemand. Het volk als zodanig niet. En kijkt u het maar na: de miskenning vanuit het volk. "En aan wie werd de arm van de Heer onthuld?" Dat is die rechterarm waaraan de Messias ook verheven zou worden. Het getuigenis van de Messias zou bij het volk stuiten op ongeloof. Wel, dat was door Jesaja al zoveel eeuwen tevoren voorzegd. En de reden dat zij – en dan gaat het over Israël in het bijzonder – dat de leidslieden niet geloofden, was omdat Jesaja dat zo had voorzegd. In vers 39 staat het erbij: "Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja wederom zei..." En dan volgt er een ander citaat.
Maar even dit: "Zij konden niet geloven." Dit moet u even heel goed op u laten inwerken. We praten hier dus niet over prestaties, over werken of over dingen doen. Nee, het gaat hier over iets accepteren wat zo evident was onder de tekenen en het hele bewijs. Het was zo evident en toch konden ze het niet geloven. Waarom niet? Wel, daarom niet. En dat 'daarom' verwijst naar het feit dat Jesaja dat zo had voorzegd. Het stond van tevoren al vast dat Israël het niet zou geloven. Ze konden het gewoon niet geloven.
Kijk, en dit is nu een typisch en frappant voorbeeld van de verwarring van schuld en lot. Want aan de ene kant stapelen de bewijzen en de schuldbewijzen aan het adres van Israël en haar leidslieden zich op. Als je ziet wat de Messias onder hen gedaan heeft en dat zij Hem niet hebben erkend, ja, dat is hun schuld. Maar nu even wat anders: ze konden dat niet. Kijk, en dat is hun lot. Ze konden het niet geloven. Hun ogen werden bevangen en ze waren niet in staat om te geloven. Het was dus hun lot.
Dit sluit naadloos aan bij wat we later van de apostel Paulus lezen in Romeinen 11. Ik verwijs naar een aantal verzen in dat hoofdstuk waar staat: "Hun verwerping". Dan gaat het over de verwerping van Paulus' volksgenoten, zijn mede-Israëlieten. Zij hebben de Messias verworpen. Ja, en die 'verwerping' is trouwens dubbelzinnig, want je kunt zeggen dat het de verwerping is van het feit dat zij de Messias verwierpen, maar het is ook het feit dat zij terzijde gesteld zijn. Zij zijn verworpen – al moet ik erbij zeggen dat dit natuurlijk tijdelijk is, maar daar gaat het nu even niet om. In Paulus' toelichting staat: "Hun verwerping". Ja, dat moest zo, want het zou de "verzoening der wereld" zijn. Doordat Israël tijdelijk op een zijspoor is gezet, zou de boodschap van de verzoening namelijk naar de wereld gaan via de apostel Paulus, de apostel van de natiën.
Paulus zegt: "Oké, ik ben de apostel van de natiën en juist aan mij is dit alles zo bekendgemaakt; het is mijn bediening." Welnu, het feit dat Israël vijandig is, moest zo zijn. Want daardoor zou het heil... hoe staat het er? Even daaraan voorafgaand: dat zij zijn gestruikeld om de wereld tot rijkdom te zijn. Daarom! Het moest zo zijn. In vers 28 zegt Paulus: "Ja, zij zijn inderdaad naar het evangelie vijanden." De blijde tijding was in de eerste plaats voor hen, maar daar zijn ze als volk als geheel – ik heb het niet over uitzonderingen, die waren er ook en Paulus was er zelf een van – maar als geheel, nationaal, heeft men het verworpen. Ze zijn naar het evangelie vijanden. Maar waarom was dat? "Om uwentwil," zegt Paulus. Om jullie natiën. En daarom zegt hij er trouwens ook bij – dat is eigenlijk de teneur van deze hoofdstukken: "Wees daaraan niet hoogmoedig." Het feit dat je het wel mag zien en geloven, is geen reden tot trots.
Want er valt namelijk niets te werken. De Heer vraagt niets; Hij geeft een mededeling. Want dat is wat een goed bericht is: een Evangelie is een goed bericht. En wat doe je met een bericht? Dat is geen vraag, dat is geen eis; dat is gewoon een mededeling.
Paulus zegt: als je het mag zien, als je oren ervoor geopend zijn, prijs God, dan heeft Hij jouw ogen daarvoor geopend. En Israëls ogen zijn nu gesloten. Maar dat is vanwege jullie, dus verbeeld je maar niets.
Nog even verder, want in Johannes 12 staat dat zij niet konden geloven. Het was namelijk voorzegd, het stond van tevoren vast. Omdat Jesaja wederom zei – en nu komt er een citaat uit Jesaja 6, het hoofdstuk van het roepingsvisioen van Jesaja waarin hij de Heer ziet, Adonai op een hoge troon.
Aan het einde van dat hoofdstuk lees je deze woorden, en die citeert Johannes. In de eerste plaats had hij uit Jesaja 53 geciteerd en nu geeft hij nog een citaat, nog een Schriftgetuigenis, een dubbel getuigenis. De zaak staat vast als er twee of drie getuigen zijn. Hij zegt: Jesaja had eerder al gezegd... en dit is het begin van het citaat: "Hij heeft hun ogen verblind." Die "Hij", dat gaat over Yahweh, God Zelf. En die "hun", dat is het volk Israël. Hij heeft hun ogen verblind.
De Absolute Regie van God: het Verharden van Farao's Hart ↑ hoofdstukken
Ja, en nu stuiten we op een Bijbelse waarheid die ook heel algemeen is. God is degene die ogen opent, God zij dank, maar ook bij gelegenheid sluit. Dat zei Hij al tegen Mozes, die Hij bij een veel eerdere gelegenheid riep. Hier wordt Jesaja geroepen, maar goed. Toen Mozes geroepen werd, zei God ook al tegen hem: "Joh, wat denk je nu? Wie is het die blind maakt, maar ook weer ziende? Wie doodt en doet herleven?" Dat is God. Dat ben Ik. Hij zei: God opent en Hij sluit ogen. En ik moet er altijd bij zeggen: als Hij de ogen sluit, dan doet Hij dat om bij gelegenheid de ogen weer te openen. Dat is altijd zo. Kijk het maar eens na hoe dat gaat met blinden in de Bijbel: de ogen worden geopend.
Alleen dit al, deze analogie met het gewone alledaagse leven als we het hebben over geloof. Die werpt zich op wanneer we het hebben over zien en horen. Want ja, wat is geloven? Geloven wil zeggen dat je iets vertrouwt, maar het wil ook zeggen dat je zicht hebt op dingen; zicht op de Schriften en dat je oren zijn geopend. Er is een tekst die ik altijd heel graag citeer, Spreuken 20 vers 12, omdat het God namelijk de glorie geeft: "Het oor dat hoort en het oog dat ziet, Yahweh heeft ze beide gemaakt." Het feit dat je dingen mag zien, dat is toch geen verdienste? Welk mens haalt het in zijn hoofd om te zeggen: "Dat ik kan kijken, dat is een prestatie"? Nee, dat is een zegen. Datzelfde geldt voor het vermogen om te kunnen horen.
Wel, met geloven is het niet anders. Als je gelooft, dan mag je dingen zien en dan mag je dingen horen en verstaan. Is dat een prestatie? Ik weet het, met name in de evangelische wereld leeft men met het idee van een vrije wil. Een mens heeft een wil, maar men denkt dan dat die wil vrij is. Dat is een grote misvatting. Daarmee bedoelt men vooral te zeggen dat God daar geen invloed op heeft. Een bizarre gedachte natuurlijk, want is er ook maar één detail dat niet in de handen van de Schepper is? Maar goed, dat idee dat je gelooft en dat dit dan eigenlijk iets is wat vanuit de mens komt... daarmee heeft men via een achterdeur van geloof weer een werk gemaakt. Een prestatie namelijk: "Ja, inderdaad, ik kan helemaal niks, maar ik kan wel geloven." Hier zegt Johannes echter: zij kónden niet geloven. Waarom niet? Wel, God heeft hun ogen gesloten, hun ogen verblind. Daarom konden ze niet geloven en dat stond van tevoren al vast.
Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard. Ook dat vind je heel de Bijbel door; er zijn heel wat voorbeelden van. De bekendste is ongetwijfeld die van de Farao, omdat dat door Paulus in de Romeinenbrief, in Romeinen 9, wordt toegelicht. De Farao? Ja, zijn hart werd verhard. Sommige mensen zeggen: "Ja, maar dat komt omdat hij eerst zijn eigen hart verhardde." Maar weet u, ik zal u wat vertellen: er staat in Exodus 4, waar ik zojuist trouwens ook uit citeerde, in vers 21, dat voordat Mozes al bij de Farao geweest is, er al tegen hem gezegd wordt: "Ik ga zijn hart verharden." En op het moment dat de Farao dreigt te bezwijken, dan versterkt God zijn hart. In het Hebreeuws staat er eigenlijk inderdaad: God versterkte zijn hart, zodat hij weer de kracht kreeg om God tegen te staan. Dat vind ik zo treffend. Want dat betekent dus dat God een mens de kracht geeft om Hem tegen te staan. Als je je vuist balt tegen God, dan komt dat omdat Hij jou de kracht geeft, en de spieren, de bloedsomloop en alles wat er voor nodig is om jouw vuist te ballen en om kwaad te zijn. Hij geeft jou het vermogen daartoe. Zo afhankelijk zijn wij in elk detail, elke seconde, van Hem.
Dat was met de Farao ook zo. Toen hij dreigde te bezwijken onder de druk, heeft God hem als het ware gezegd: "Nou, dan wil ik je wel helpen hoor, dan verhard Ik jouw hart zodat je gewoon door blijft gaan." En dat was nodig! Paulus legt dat uit in Romeinen 9. Waarom? Wel, God – de Pottenbakker – heeft vaten van eer en ook vaten van oneer: mensen die tegenstaan. Hij had een Farao nodig, de wereldleider, de machtigste man in die dagen. Juist omdat hij met zijn hele militaire apparaat, met al zijn strijdwagens en legers, "nee" zei tegen God, kon God Zijn kracht demonstreren. Als je je kracht wilt demonstreren, heb je een sterke tegenstander nodig, toch? Als je wilt laten zien hoe sterk je bent, dan heb je iemand nodig die ook sterk is. Het is geen kunst om een slappeling een klap te verkopen. Ik zat aan namen te denken zoals Cassius Clay en dergelijke, maar die leven allemaal allang niet meer. Maar u begrijpt wat ik bedoel: God wilde Zijn kracht demonstreren en daarom had Hij een sterke tegenstander nodig. Die gebruikte Hij ook, die zette Hij in. Op het moment dat de Farao dreigde te bezwijken, hielp God hem en zei: "Ik geef jou de kracht om toch door te blijven gaan en nee te blijven zeggen tegen Mij."
En hier gaat het over Israël. Hoe komt het dat hun hart hard was? Hard met een 'd', omdat God hun hart had verhard, opdat zij niet met hun ogen zouden waarnemen en met hun hart zouden verstaan. God heeft dat dus stelselmatig verhinderd, zodat zij zich niet zouden omkeren. Want ja, dat is het gevolg: omkeren, bekeren. Dat is het gevolg van het feit dat je gehoor krijgt en gaat verstaan wat het Woord zegt. Maar dat kon juist niet, want ze konden niet zien en ze konden niet horen. God Zelf verhindert Israëls bekering.
Dat is ook de lijn die in het hele verhaal loopt, want Johannes 12 gaat daarover: over Israël dat haar Messias verwerpt. Oké, dat is hier nog op aarde. In het boek Handelingen doen ze dat wederom, maar dan is het inmiddels de opgestane en verheerlijkte Messias. Verwerpen ze Hem wederom? Ja, maar Paulus’ uitleg is dan ook – en feitelijk die van Johannes hier ook al – dat God Zelf het is die daarachter zit. Hij verhinderde hen te geloven, zodat ze zich niet zouden omkeren. Aan de ene kant worden zij opgeroepen zich te bekeren; dat was Gods wil. Was het met de Farao ook niet zo? "Laat mijn volk gaan." Dat was Gods wil. Maar was het Gods raad, Gods plan? Nee. De Farao weerstond Gods wil, jazeker. Gods wil was: "Laat mijn volk gaan." Maar weerstond hij Gods raad? Nee, never, nooit. Dat kan niet. Niemand heeft ooit Zijn raad weerstaan. Dat zegt Paulus dan ook in Romeinen 9. Dat kan niet. Alles verloopt naar de raad van Zijn wil; dat is trouwens Efeze 1 vers 11, makkelijk te onthouden. Daar staat dat God werkt in het al, ta panta, naar de raad van Zijn wil. Alles!
Israëls ongeloof in onze dagen heeft alles te maken met Gods plan, met de verborgenheid van Zijn plan – maar dat is weer een kwestie apart. Er staat bij dat Israël verhinderd werd zodat ze zich niet zouden omkeren en ook dat de Heer hen niet gezond zou maken of herstellen. Het herstel van Israël dat gepredikt werd, ook in het boek Handelingen, stond op voorhand al vast dat het niet zou gebeuren. De twaalf wisten dat aanvankelijk trouwens niet, moet ik er ook bij zeggen.
Het zou hen ook enorm gedemotiveerd hebben. Maar dat is een ander verhaal.
"...en Ik hen gezond zal maken", zodat herstel uitblijft. Dit is zo mooi als je dat in de hele context van Johannes bekijkt. Want als je nu even een hoofdstuk terugbladert, dan kom je in hoofdstuk 11 van Johannes uit. In Johannes 11 vers 6 lees je over de Heer die dan in het Overjordaanse is – luister goed wat ik zeg, Hij was buiten het land – en dan krijgt Hij te horen over Lazarus, Zijn vriend, die ziek was.
Er staat dit, en ik citeer nu: "Toen Hij, dus de Heer Jezus, hoorde dat hij zwak was, dat hij ziek was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats waar Hij was." Als je toch enig zicht hebt gekregen op de hele Bijbelse lijn en ook op de aard van de tijd waarin wij leven, dan is dat zoveel-zeggend. Lazarus dreigde te sterven. De Heer zou naar Lazarus toegaan. Maar ja, de Heer bleef nog twee dagen. "Dat heeft verder geen betekenis hoor", denken we dan. Nee!
Met andere woorden: de Heer ging op de derde dag naar Zijn volk, naar Lazarus toe, om hem uit de doden op te wekken. Mensen, dit zijn zulke geweldige profetische verborgenheden. Schitterend!
Maar ook hier zie je dus: Hij bleef nog twee dagen. Waarom? Wel, het was Gods wil niet. Het was de wil van de Heer niet dat Lazarus zou genezen. Nee, de Heer had trouwens al gezegd dat deze ziekte niet voor de dood is, maar opdat de Zoon van God daardoor verheerlijkt zal worden. Opdat Zijn heerlijkheid als de opstanding en het leven bewezen zou worden. Dus de bedoeling was helemaal niet dat Lazarus hersteld zou worden van zijn ziekte, maar dat God hem, via Zijn Zoon, zou opwekken uit de doden. Het is Gods plan.
Genesis 45: de Misdaad van Jozefs Broers als Goddelijk Instrument ↑ hoofdstukken
Nu neem ik u mee naar Genesis 45. Een heel andere geschiedenis, dat is waar, en tegelijkertijd moet ik erbij zeggen dat het typologisch een lijn is die er volstrekt parallel aan loopt. Genesis 45 is die prachtige, aangrijpende geschiedenis waarin Jozef zich eindelijk bekendmaakt aan zijn broeders. Jozef, u weet wel, de man die door zijn broeders was verworpen, in het buitenland terechtkwam en daar met eer en heerlijkheid werd gekroond – ik gebruik natuurlijk expres dubbelzinnige termen. Uiteindelijk, in de nood, komen zijn broeders naar het vlees, zijn volk, het huis van Jacob, alsnog bij Jozef terecht. Dan komen zij ook eindelijk tot erkenning; zij waanden Jozef dood, maar zie, hij leefde.
Ik val hier midden in de geschiedenis, wat ik eigenlijk niet mag doen, want er gaan zulke schitterende dingen aan vooraf. Jozef kan zich niet langer inhouden en je leest dat hij in tranen uitbarst als hij helemaal privé met zijn eigen broers is. Toen zei Jozef tot zijn broeders: "Kom toch naderbij!" Want ze waren zich natuurlijk helemaal klem geschrokken, dat begrijpt u wel. Daarop naderden zij en hij zei: "Ik ben uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt. Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt."
Kijk, dit is schuld. Dit is schuld. Trouwens, daar waren ze in de loop der jaren nu ook wel erg van onder de indruk geraakt: van hun eigen schuld. Van wat ze hun vader Jacob hadden aangedaan, maar ook wat ze hun broer Jozef hadden aangedaan. Door alles wat Jozef hen had doen ondervinden terwijl hij incognito door hen bezocht werd, waren ze dat gaan beseffen. Ze hadden hem verkocht; het was een afschuwelijke misdaad. Dat wordt hier ook in het licht gesteld. Zij waren natuurlijk absoluut schuldig. Dit was een misdaad van de eerste orde, hoe je het puur juridisch of in welk opzicht dan ook bekijkt. Het is afschuwelijk wat zij met Jozef hebben gedaan.
En nu is het Jozef zelf die dit zegt: "Weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt." Dat is de schuld. Maar Jozef deelt het verhaal nu als het ware vanaf de bovenkant met zijn broers, de goddelijke kant van het verhaal. De menselijke kant is duidelijk en de schuld was onmiskenbaar, maar Jozef zegt: "Want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uitgezonden." Ineens blijkt het aandeel van de broers helemaal niet zo van belang meer te zijn. Want het waren niet zij geweest, maar het was God zelf die hem voor hen had uitgezonden. Dat was hun lot.
Ik lees nog even een vers verder. Daarom zegt Jozef: "God heeft mij voor u uitgezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden. Dus zijt gij het niet die mij hierheen gezonden hebt, maar God." Dit is het uiteindelijke verhaal, de hoogste waarheid. Die schuld is waar, maar ook heel relatief. De absolute lijn, de goddelijke lijn, de hoogste waarheid is God. Om het in de woorden van Deubel te zeggen: Hij is in control. Hij heeft het in Zijn hand. Zo blijken die broers niets anders dan onwetende instrumenten te zijn in Gods hand – net als hun vader trouwens. In hun ongeloof, in hun misdaad en in hun ongezeglijkheid zijn ze Hem allemaal tot dienst. Het was God die Zijn plan trok, die hen inzette en van hen gebruikmaakte. Waarom? Omdat Hij voor Zijn volk het hoogste goed op het oog had.
En trouwens ook voor de anderen, want dat is in het verhaal van Jozef natuurlijk ook duidelijk: voordat die rijkdom bij het huis van Jacob terechtkwam, was het al in Egypte terechtgekomen. Dat is trouwens ook een typologische waarheid. Het zijn schitterende lijnen. Je praat hier ineens over een geschiedenis die duizenden jaren voorafging aan de komst van de Heer Jezus en Johannes 12, maar het blijkt dezelfde waarheid te zijn. Jozef, die verkocht is en miskend wordt, om uiteindelijk toch herkend en erkend te worden door het huis van Jacob. Wij praten nu eigenlijk over die tussenliggende periode. Ik moet er ook aan denken dat Jozef twee jaar in de gevangenis zat, trouwens net zoals Paulus ooit. Dat soort dingen dus. Nu gaan we tenslotte naar Romeinen 11.
Romeinen 11: Allen Opgesloten in Ongezeggelijkheid tot Ontferming ↑ hoofdstukken
Romeinen 11, daar kon ik niet aan ontkomen. Wat mij betreft is dit misschien wel de kroongetuige als het gaat over de verwarring van schuld, lot en voorbestemming, en over God die Zijn plan door alle menselijke ongein heen trekt. Ik eindig nu bij het slot van dat hoofdstuk, nadat Paulus al geweldige dingen naar voren had gebracht en uitleg heeft gegeven over waarom zijn volksgenoten, het volk Israël, het evangelie niet accepteerden. Paulus geeft daar een heel diepgaande uiteenzetting over het hartzeer dat hij daarover had. Waarom is dat zo? Wel, omdat God nu een omweg maakt en naar de natiën gaat.
Het is net zoiets als wat je in het Johannesevangelie leest, waar de Heer Jezus door Samaria gaat. Hij verblijft daar twee dagen om uiteindelijk weer in Kana uit te komen, waar Hij ooit op de derde dag die bruiloft had. Ik hoop dat het u nu een beetje gaat duizelen en dat u ziet hoe er allerlei lijnen doorheen lopen; daaruit blijkt de goddelijke compositie. We zijn nu uitgekomen bij de afsluiting van Paulus' betoog over Israël, dat volk dat ongelovig is. Paulus had uiteengezet – kijk het maar na in Romeinen 11 – en daarbij Jesaja geciteerd, dat God hen een geest heeft gegeven van diepe slaap en ogen om niet te zien. Hij brengt exact dezelfde dingen naar voren als Johannes deed. Met andere woorden: het was God Zelf die de ogen van Israël toesloeg.
Dat gebeurde echter met een oogmerk, namelijk met het oog op de natiën, opdat de verzoening der wereld naar de natiën toe zou gaan. Bovendien was het tijdelijk. Dat was het geheim dat Paulus meedeelt: daar mogen jullie niet onkundig over zijn. Want ja, er is een gedeeltelijke verharding over Israël gekomen, maar, zegt hij: totdat! Zo gaat het altijd bij God. Oordeel, dood, duisternis en kwaad hebben nooit het laatste woord. Dat maakt het evangelie ook echt tot evangelie.
In Romeinen 11 vers 32 staat: "Want God sluit allen op in ongezeggelijkheid." Dit is een waarheid die hij in de eerdere hoofdstukken ook al duidelijk uiteengezet had, zoals in Romeinen 3: er is niemand die God zoekt, zelfs niet één, allen zijn afgeweken. Je zou kunnen zeggen dat dit het ongeloof of de zonde van de mens is, geheel conform de christelijke dogmatiek. Maar wacht even, er staat: God heeft dat gedaan. God sluit allen op in ongezeggelijkheid. Begrijp me goed: dat is niet Gods schuld, dat is Gods eer.
U vraagt zich misschien af waarom ik het plaatje van de vissen erbij heb. Het Griekse woord voor 'opsamenluiten' of 'allen opsluiten' komt een paar keer voor in het Nieuwe Testament. De eerste keer is in Lukas 5 vers 6, waar het gaat over de vissen die in een net opgesloten zitten en geen kant op kunnen. Dat is het beeld: allen zijn in ongezeggelijkheid opgesloten; ze kunnen geen kant op. In de NBG-vertaling staat 'ongehoorzaamheid', maar er staat feitelijk een nog sterker woord: ongezeggelijkheid. Dat wil zeggen dat het woord dat gesproken wordt geen ingang vindt. Dat is ongezeggelijkheid, en hier staat dat God allen daarin opsluit.
Het moet toch duidelijk zijn dat dit 'lot' is? Dat is namelijk wat God doet. Het is geen keuze. Je kunt natuurlijk altijd zeggen dat de mens zelf heeft gekozen, maar wat staat hier nu? God sluit allen op in ongezeggelijkheid. Wij zijn allemaal adamieten; we zijn zondaren vanuit de wieg. We zijn ook allemaal stervelingen. Niet omdat we daarvoor gekozen hebben, maar gewoon omdat we adamieten zijn. Daar zijn we in opgesloten en we kunnen geen kant op. Prijs God daarvoor, want als je weet dat God het doet, dan weet je dat er een geweldig groot doel achter zit.
Van het woord 'ongezeggelijkheid' kun je nog zeggen dat het schuld is; ze zijn niet aan te spreken en willen niet luisteren. Maar nu komt het: waarom doet God dit? Er staat: 'opdat'. Kijk, als je alleen zegt dat God allen opsluit in ongezeggelijkheid en daar een punt zet, dan heb je een gitzwarte boodschap. Maar de boodschap is niet gitzwart; het is het beste bericht dat er bestaat. Het heeft wel een gitzwarte achtergrond, maar die achtergrond dient juist om het juweel van Gods liefde en Zijn licht te laten schijnen. Het kwaad is noodzakelijk; Hij zet het in. God sluit allen op in ongezeggelijkheid, opdat Hij Zich over allen zou ontfermen.
Dat is trouwens ook de waarheid die hij in het voorgaande al had gezegd. Hoe was het ook weer in Romeinen 3? Daar staat: allen hebben gezondigd en allen derven de heerlijkheid Gods, en allen worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade door de verlossing die in Christus Jezus is. Kijk, dat is de blijde tijding. We zijn allemaal doelmissers, we zijn allemaal zondaren, we zijn allemaal stervelingen. Maar zoals het ene 'allen' absoluut is – we zitten allemaal in hetzelfde schuitje – zo zijn we ook allemaal bestemd tot heerlijkheid, namelijk om gerechtvaardigd te worden.
Dat was ook de passage in Romeinen 5 vers 18 die Paulus uiteenzet: dat door één mens en door één overtreding de hele mensheid is meegenomen in zonde en veroordeling. Maar dat blijkt een type te zijn van één daad van gerechtigheid die voldoende is om alle mensen tot rechtvaardiging van leven te brengen. Dacht u nu werkelijk dat de misdaad van Adam meer is dan die ene daad van gerechtigheid van de Messias? Dat het ene in staat was om de hele mensheid mee te nemen in de dood en veroordeling, maar dat die ene daad van Jezus Christus niet voldoende zou zijn om heel de mensheid te rechtvaardigen? Sorry, dan kent u het evangelie nog niet. Het is namelijk 'om niet', het is geen keuze. Het is een mededeling: allen sluit Hij op in ongezeggelijkheid, daar is geen ontkomen aan, opdat Hij Zich over allen zou ontfermen. Ook daar is geen ontkomen aan.
Als je ogen daar nu al voor geopend zijn, dan ben je bijzonder bevoorrecht. De waarheid is dat iedereen dat eenmaal zal zien; dat alle knieën gaan buigen en dat elke tong – niet alleen de lippen, maar de tong – dat gaat belijden. Maar wij mogen vandaag eerstelingen daarin zijn. Dat is een wonder boven woorden, want het betekent dat je ook een bijzondere bestemming in de toekomende aeonen hebt. Paulus roept dit uit nadat hij dit heeft vastgesteld, uiteengezet en onderbouwd vanuit de Schriften.
De Onnavorsbare Wijsheid van God: het Kwaad in Zijn Dienst ↑ hoofdstukken
Dan roept hij het uit en je ziet hem als het ware op zijn knieën vallen: "O, diepte van rijkdom en van wijsheid en van kennis van God!" Want het feit dat Hij zulke wegen gaat, zo complex ook... We hadden het over de verwarring van schuld en lot. Die complexiteit, waarbij het uiteindelijk allemaal uitkomt bij God Zelf. Ja, dat is wijsheid. Dat is een meesterhand die dat alles op die manier redigeert, regisseert en plant. Bij God, lieve mensen, gaat er nooit wat mis. Dat is eigenlijk de waarheid: bij Hem gaat er nooit wat mis. En dat is waar Paulus zo diep van onder de indruk is. We hebben een God met allemaal hoofdletters. Diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis van God. Hoe onnavorsbaar zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!
Terwijl ik met deze dingen bezig was, wilde ik eigenlijk nog wat meer over dit thema zeggen. Hoe onnavorsbaar zijn Zijn oordelen? Over twee weken heb ik een spreekbeurt in Eben-Haëzer in Rotterdam en dan ga ik daar nog eens op inzoomen. Want wat blijkt, is dat God inderdaad brengt in crisis en in kritieke perioden. Het woord 'oordeel' is in het Grieks ons woord 'kritiek'. Het is eigenlijk een Grieks woord dat oordeel betekent. 'Crisis' komt daar ook vandaan. Als God oordeelt, dan brengt Hij in een crisis, en soms een hele diepe crisis. Hij gaat zelfs de dood niet uit de weg. Terwijl ik eraan zit te denken en terwijl ik er wat over vertel, besef ik dat ik hier eigenlijk veel meer over moet vertellen, maar goed, dat doe ik nu even niet.
Wat ik er eigenlijk mee wil zeggen – laten we ons daartoe even beperken – is wat Israël in de afgelopen tweeduizend jaar, die twee millennia, die twee dagen van duizend jaar, heeft ondergaan en meegemaakt. De diepe weg die God is gegaan met dit volk, die crisis, dat is onnavorsbaar. Jawel, maar God gaat het tot een goed einde brengen. Er gebeurt nooit iets voor niets. Er is namelijk één God en omdat er maar één God is, heeft Hij alles in de hand. Oh, dat moet ik er nog even bij zeggen... sorry voor deze taalfout. 'Vatten' is wel een Nederlands woord, maar dan is het een werkwoord natuurlijk. Ja, Zijn vaten. De pottenbakker die vaten van oneer maakt. Ja, dat doet Hij. Denk bijvoorbeeld aan Farao. Maar feitelijk is Israël, dat in ongeloof is, ook een vat van oordeel, van oneer-oordeel. Dat is waar. Maar God maakt er geen potje van, hè? Hij is wel een pottenbakker, maar elk instrument dat Hij inzet, heeft een bedoeling. Hij plaatst ze zoals wij dat ook doen met voorwerpen die we hebben: sommige voorwerpen hang je aan de muur, daar leg je eer in; andere voorwerpen zet je onder je bed. Het dient allemaal een doel. Het ene is alledaags, banaal – dat is eigenlijk ook het woordje 'oneer'. Het andere is eervol, maar alles heeft een bedoeling. God heeft alles gemaakt voor Zijn doel, zelfs de goddeloze voor de dag van het kwaad, zegt de spreukendichter. Alles.
En dan zegt Paulus: "Hoe onnavorsbaar zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen." Ja, dat zijn soms kronkelige wegen, maar weten we wat het mooie is? Die wegen van God hebben een vaste bestemming. Maar dat niet alleen: de weg die Hij gaat, niet alleen de bestemming is de beste, maar ook de route die Hij daarin gaat, is de beste. Gods weg is altijd de beste. En dan staat erbij: "Want wie kende het denken van de Heer? Of wie werd Zijn adviseur? Wie heeft Hem van raad gediend?" Wie heeft gezegd: "Nou, U moet het zo doen"? Sterker nog, God wordt vandaag bekritiseerd om het feit dat Hij het kwaad inzet. Want hoe kan Hij goed zijn? Ja, het kwaad is geen aanklacht tegen een goede God; het bewijst de goede God.
Er staat in vers 35 van Romeinen 11: "Of wie heeft aan Hem eerst gegeven, waarvoor hij zal worden terugbetaald?" Met andere woorden: wie heeft Hem iets gegeven zodat God daarmee wat schuldig zou zijn aan de mens? Wie deed de investering? Of wie heeft God geleend? Ik moet denken aan een woord in Lukas dat de Heer Jezus bij gelegenheid zegt: "Want wie van u die een toren wil bouwen, zet zich niet eerst neer om de kosten te berekenen, of hij het werk zal kunnen volbrengen?" Met andere woorden: als je begint met een bepaald project, dan ga je eerst, als je dat verstandig doet, berekenen of je het je allemaal kunt permitteren. Kan ik het volbrengen? Kan ik het realiseren? Oftewel, de kosten worden berekend. Wel, wat dacht u van God die Zijn schepping tot stand brengt? Hij weet wat Hij doet. Hij wist van tevoren – er staat in Jesaja dat Hij de afloop verkondigde vanaf het begin. God staat nooit voor een verrassing. Hij is namelijk de Alwetende, de ene God, de Almachtige. En Hij wist dat het kwaad ingezet zou worden. Ja natuurlijk, Hij is Zelf degene die dat schept; die het licht formeert en ook de duisternis schept; die de vrede maakt en ook het kwade schept. Het wordt Hem buitengewoon kwalijk genomen, maar God zegt: "Ik ben de Heer, Ik ben Yahweh, Ik doe dit alles." Kijk, dat is niet Gods schuld. God zegt: "Dat is Mijn eer. Ik zet dat in." En God weet de prijs die dat kost. Sterker nog, Hij heeft zelf die prijs betaald door Zijn Zoon te geven. Dat alles heeft te maken met de kosten. Jawel, maar het weegt niet op tegen het geweldige rendement dat deze investering op gaat leveren. En dat is dan ook het eindslot van Romeinen 11.
De Grandioze Finale: Alles Is Uit, Door en tot in Hem ↑ hoofdstukken
En dat is eigenlijk ook wat ik vanmiddag naar voren wilde brengen. Dan zegt de tekst: vanuit Hem. Want vanuit Hem worden drie voorzetsels gebruikt: en door Hem en tot in Hem zijn alle dingen. Ta panta, gewoon het al. Noem iets waarop dit niet van toepassing is. Het bestaat niet. Het al is vanuit Hem, het is door Hem en het is tot in Hem.
Ik geef Nederlandse lessen aan buitenlanders. En dan is er natuurlijk altijd een avond dat we ons ook wijden aan alle mogelijke soorten voorzetsels. En dan gebruik ik deze plaatjes. Bijvoorbeeld uit, vanuit. Dat wil zeggen: alles is vanuit Hem. Dat wil zeggen dat het uit Hem voortkomt. Ja, maar uit wie anders? God zelf is degene die de dingen bedenkt en creëert. Het is vanuit Hem.
Het is ook door Hem heen. Door Hem; daar zit het woordje 'door' in. Het gaat door Hem heen. Er gaat niets buiten God om. Dat kan niet. Niets. Alles is uit Hem, alles is door Hem. Dat 'uit Hem' verwijst naar het verleden: het komt uit Hem voort. Dat het 'door Hem' is, wil zeggen: het hele traject, de hele weg of de wegen die Hij gaat, het gaat allemaal via Hem. Dus ook 'via' is ook weer de weg, hè? De wegen van Hem.
Door Hem, maar ook waar het vandaan kwam, daar eindigt het ook weer. Het is uit Hem, maar het is ook weer tot in Hem. Dat is het voorzetsel wat hier gebruikt wordt: het is tot in Hem. Dat wil zeggen dat zoals alles uit Hem voortkomt, zo komt ook alles weer bij Hem terug.
Nou, dat is de samenvatting, en dan zegt Paulus: aan Hem. Ja, aan wie anders? Aan Hem dus de heerlijkheid, tot in — niet in de eeuwigheid — maar tot in de aeonen die nog gaan komen, de wereldtijdperken. En wat kan een mens anders daarop zeggen dan: Amen.
UltimateGoodNews