GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

de verlamde man bij de Schone poort (1)

26-05-2024 - Geplaatst door Andre Piet
26 mei 2024, Benthuizen

Een ruim veertigjarige man die vanaf de moederschoot al verlamd was lag als bedelaar bij de Schone poort. Wanneer Petrus en Johannes op weg naar de tempel hem passeren kunnen ze hem geen goud of zilver bieden. Maar wel iets oneindig veel beters! En een wonder van totaal herstel vindt plaats. Een wonder dat bovendien een teken is!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De geschiedenis van de verlamde man bij de Schone poort in Handelingen 3 is niet slechts een historisch verslag, maar een illustratief teken. De verlamde man symboliseert de conditie van Israël, dat de kracht miste om het nabije Koninkrijk binnen te gaan. In plaats van zilver en goud ontvangt de man goddelijk leven en volkomen herstel in de naam van Jezus Christus. Deze genezing toont aan dat ware levendmaking ertoe leidt dat een mens opstaat, naar omhoog kijkt en God looft.

“Een mens leeft op het moment dat je opziet naar boven, alles van Hem verwacht en Zijn heerlijkheid mag bezingen.”

De Geschiedenis als een Illustratief Teken ↑ hoofdstukken

Ik wil jullie vanmorgen heel graag eens meenemen naar Handelingen, hoofdstuk 3. En daar vinden we de geschiedenis van... Nou ja, laat ik het maar gewoon met de titel benoemen zoals ik het hier ook op de dia heb vermeld: "De verlamde bij de Schone Poort". En ik had er eigenlijk ook nog wel een eentje bij kunnen zetten, want het is een studie die een vervolg verdient. Eigenlijk gaat het hele hoofdstuk daarover, want de toespraak die we daarna aantreffen vanaf vers 11 is puur naar aanleiding van deze gebeurtenis, dit wonder of dit teken.

Want dat is wat het is. Het is niet alleen maar een geschiedenis, het is een teken. Dat zie je trouwens heel vaak; misschien is het mooi om naar aanleiding van deze bespreking meteen al even te vermelden dat in het boek Handelingen geschiedenissen vermeld worden juist omdat ze zo illustratief zijn voor de waarheid die naar voren wordt gebracht. Dat zie je bijvoorbeeld bij Handelingen 27, waar we in een grijs verleden wel eens over hebben nagedacht. Daar vind je de geschiedenis van de schipbreuk die Paulus leed met de hele bemanning toen ze op weg waren naar Rome. Je zou je de vraag kunnen stellen: wat doet die geschiedenis, hoe spannend die op zich ook is, in de verhaallijn van het boek Handelingen? Feitelijk doet het er niet zoveel toe hoe Paulus vanuit Caesarea in Rome is gekomen. Maar dat blijkt bij nader inzien toch wel degelijk het geval te zijn, want het is namelijk heel illustratief wat daar gebeurt. De gedachte is dat de boodschap schipbreuk heeft geleden in Israël en daardoor terecht is gekomen onder de natiën, in de volkenzee. Ik geef nu maar even aan wat ik destijds heb gezegd, maar zo zie je dat die geschiedenissen een diepere laag hebben.

Zo heb je bijvoorbeeld ook in Handelingen 10 de geschiedenis van Petrus die naar Cornelius gaat daar aan de kuststrook. Ook dat is heel illustratief. Het is dus niet alleen maar een geschiedenis of een soort intermezzo dat wat specifieke dingen vermeldt; nee, het gaat er juist om daarmee de waarheid te illustreren die door het hele boek Handelingen wordt ontvouwen, de rode lijn die daarin gevolgd wordt. De kern is vooral deze: dat het Evangelie wordt gepredikt aan Israël, in de eerste plaats aan hen, en hoe de boodschap bij hen in ongeloof werd verworpen en vervolgens naar de natiën is gegaan. Dat is de lijn van hoe het begon in Jeruzalem en eindigde in Rome.

Dit keer gaan we ons bezighouden met de specifieke geschiedenis van de verlamde bij de Schone Poort. In mijn Bijbeltje is het verdeeld in twee delen. Eerst de eerste elf verzen met de geschiedenis zelf, en vanaf vers twaalf gaat de rest van het hoofdstuk over de toespraak die Petrus naar aanleiding daarvan houdt op het tempelplein. Het is dus een gebeurtenis die plaatsvond in Jeruzalem, specifiek bij de tempel. En dan moet u zich realiseren: Handelingen 3 volgt kort op Handelingen 2. Handelingen 2 is natuurlijk het hoofdstuk bij uitstek dat gaat over de gebeurtenissen op de vijftigste dag, het wekenfeest of het Joodse wekenfeest. Dat was ook de vijftigste dag na de opstanding van Jezus Christus, op de dag van de eerstelingsschoof overigens.

We hebben trouwens kort geleden op de kerkelijke kalender... Ik heb altijd al een beetje problemen met de kerk gehad, maar nu gaat zelfs de uitspraak eronder lijden. Maar in ieder geval: ook op de Joodse kalender heeft het wekenfeest kort geleden plaatsgevonden. Of wacht, ik zit me ineens af te vragen of dat klopt. Nee, het moet nog plaatsvinden. Wie helpt me even? Ja, het moet nog, want Pesach was dit jaar later dan ons Pasen. Maar in ieder geval: het is rond deze tijd. Het wekenfeest of het Pinksterfeest, dat is Handelingen 2. En Handelingen 3 heeft kort daarna plaatsgevonden. Hoe kort precies, dat weet ik niet. Als je je realiseert dat Handelingen 7, met de geschiedenis van Stefanus die gestenigd wordt, ongeveer drieënhalf jaar na de kruisiging en opstanding van de Heer Jezus was, dan moet dit waarschijnlijk nog in het jaar 30 hebben plaatsgevonden; het jaar waarin de Heer stierf, opstond en ten hemel voer. Kort na het Pinksterfeest dus, dat is van belang.

Laten we bij het begin beginnen en de geschiedenis lezen vanaf het eerste vers van Handelingen 3. Dat begint met de vermelding van twee namen die we maar al te goed kennen: "Petrus nu en Johannes gingen op naar de tempel". Dit tweetal kom je vaker tegen. Van de twaalf discipelen, de zogenoemde apostelen, zijn zij ongetwijfeld het meest prominent. Je zou er eigenlijk nog een derde bij moeten noemen: Jacobus. Zij worden vaak met zijn drieën genoemd, bijvoorbeeld bij de berg van de verheerlijking; daar was Jacobus ook bij. Jacobus was overigens een van de eerste martelaren, dat wordt ook in het boek Handelingen vermeld. Het was de Jacobus die de broer van Johannes was, en die is een paar hoofdstukken later omgebracht door koning Herodes. Zijn plaats is vervolgens weer door een andere Jacobus ingenomen, de halfbroer van de Heer Jezus, die ook wel de "broeder des Heren" wordt genoemd.

Hoe dan ook, we hebben het nu over Petrus en Johannes. Zij waren erbij op de berg van de verheerlijking en de Heer Jezus koos ditzelfde drietal ook uit toen Hij verder ging in Getsemane. Later, in Handelingen 8, lees je dat deze twee vanuit Jeruzalem werden gedelegeerd naar Samaria. Ik bedoel maar te zeggen dat je deze twee heel vaak samen vindt, waarbij Petrus altijd voorop staat. Dat is niet alleen in de vermeldingen zo, maar ook omdat Petrus altijd het woord voert. Hij is ongetwijfeld de meest prominente figuur daarin.

Zij gingen op naar de tempel. Dat is letterlijk zo, want de tempel bevond zich op een hogere plaats. Als je naar de tempel gaat, ga je dus 'op'; je gaat een paar trappen omhoog. Dat zij naar de tempel gingen, was voor hen volstrekt vanzelfsprekend. U moet zich realiseren dat in deze dagen het Evangelie nog een volstrekt Joods gebeuren was. Aan Petrus was het Evangelie van de besnijdenis toevertrouwd. Het zou nog een aantal jaren duren voordat Paulus op het toneel verschijnt, aan wie het Evangelie van de voorhuid werd toevertrouwd. Maar dat is hier nog totaal niet aan de orde.

Zij gingen dus op naar de tempel tegen het uur van het gebed, het negende uur. Dan moet je altijd even goed opletten, want de urentelling in de Bijbel gaat anders dan wij gewend zijn.

Trouwens, dat verschilt nogal. Maar in ieder geval volgens de Romeinse, en trouwens ook de Joodse wijze, begint een dag op het moment dat het licht wordt. God noemde het licht dag. Dus de dag begint als de zon opkomt, en dat is zo gemiddeld rond een uur of zes. Dat betekent dat je vanaf dat moment begint te rekenen, en dan kom je uit bij het negende uur.

Het komt dus overeen met ons drie uur ’s middags. Dit was ook het uur waarop de uren van duisternis op Golgotha eindigden en de Heer kort daarop ook de Geest gaf. Dit uur, dat is het uur van het gebed, was ook het uur van het avondoffer. Er werden twee offers gebracht: ’s morgens op het derde uur — negen uur ’s morgens dus — en vervolgens werd in de middag het avondoffer gebracht. Dat was ook het uur van het gebed, zoals hier staat. Iedereen in Jeruzalem ging dan, als ze even in de gelegenheid waren, op naar de tempel.

De Verlamde Man van Veertig Jaar ↑ hoofdstukken

En dan staat er een man die verlamd was vanaf de schoot van zijn moeder, zodat hij gedragen moest worden. Van deze man weten we eigenlijk niet zoveel; zijn naam wordt niet vermeld en van zijn afkomst weten we verder ook niets. Het enige wat we wel weten – nou ja, een van de weinige dingen – is dat hij inmiddels de veertig al was gepasseerd. Dat staat later in Handelingen 4, want in feite is deze geschiedenis een muisje dat een staartje krijgt.

Petrus houdt naar aanleiding van het wonder dat hier beschreven wordt een toespraak, en omdat daar een enorme volkstoeloop plaatsvond tot grote afkeuring en groot ongenoegen van het Sanhedrin, worden Petrus en Johannes gearresteerd en moeten zij zich vervolgens verantwoorden. Dat wordt weer beschreven in Handelingen 4, maar dat laat ik in deze korte serie even buiten beschouwing. Maar in Handelingen 4 wordt inderdaad zo en passant vermeld dat hij de veertig gepasseerd was. Wat ik trouwens wel heel apart vind, is dat zo'n vermelding er niet zomaar staat. Want na de veertig mag je ingaan. Dat lees je ook als je denkt aan het volk van Israël: veertig jaar hebben ze in de woestijn verbleven en na die veertig was het tijd om in te gaan in het beloofde land. In feite is de leeftijd van deze man ook heel illustratief. Het gaat er juist om dat hij inmiddels geen veertig meer was, en dus was het hoog tijd dat nu ook dit wonder zou gaan gebeuren. Veertig jaren. Dat gebeurt met deze man ook, want hoewel hij bij de Schone Poort was neergelegd, gaat hij straks springend en lopend de tempel binnen.

Nu loop ik een beetje voor de fanfare uit, en dat terwijl we het over een verlamde man hebben die helemaal niet de kracht had om te gaan staan of te lopen. Je leest later, als het wonder plaatsvindt, dat hij stevig werd in zijn enkels en zijn voeten. Hij was daar kennelijk verlamd; niet zozeer zijn benen, maar zijn enkels en zijn voeten waren verlamd. Hij kon niet op zijn voeten staan en dus zeker niet lopen, om over springen maar te zwijgen. En moet je nagaan: deze man had nog nooit in zijn leven een stap kunnen zetten, want hij was vanaf de schoot van zijn moeder, dus van geboorte af aan, al verlamd. Hij was altijd afhankelijk van de hulp van anderen; hij moest gedragen worden en in dit geval was hij daar neergelegd, neergezet bij de tempel. Dat deden ze dagelijks. Die man was volstrekt hulpbehoevend en hij was ook geheel afhankelijk van de ontferming van zijn volksgenoten. Ze zetten hem dagelijks bij de poort van de tempel genaamd De Schone.

De Schone Poort, dat is trouwens de prachtige poort. Het was in ieder geval de oostkant. De vorige keer hebben we het er nog over gehad, via een heel andere route weliswaar, toen we het over de rode koe hadden en de Olijfberg, omdat die aan de oostkant van het heiligdom, van de tempel, ligt. Men ging dus vanaf het oosten de tempel binnen en de Schone Poort was ook inderdaad een poort ten oosten van het heiligdom. Het had uiteraard zicht op de Olijfberg.

Om het even te visualiseren: dit is een afbeelding van een maquette van bovenaf gezien. Het geeft enigszins een idee van het Tempelplein in zijn grote breedte. Hier heb je de Olijfberg en het Kidrondal, dat tussen de Olijfberg en de tempel in ligt. Overigens was daar toentertijd een grote brug, die er nu niet meer is. Als je nu vanuit Jeruzalem naar de Olijfberg gaat, moet je echt door het Kidrondal, maar dat hoefde destijds niet. Er was gewoon een grote brug waardoor je vanaf de Olijfberg naar de tempel kon gaan. Dat Kidrondal wordt overigens heel dikwijls vermeld in het Nieuwe Testament.

Dan heb je hier de zuilengang van Salomo. Ik neem aan dat die hier ligt, omdat je ziet dat die zuilen ook gewoon doorlopen. De oostkant had in ieder geval deze zuilengang, die nog wel vermeld wordt en waar ik straks nog even op terugkom. En hier heb je dan de voorhof der natieën, ook wel de voorhof van de heidenen genoemd. Dat was een heel groot plein. Overigens is niet alles meer met precisie te achterhalen hoe dat er toen uitgezien heeft. Daar ben ik achter gekomen toen ik een plaatje wilde tonen; ik merkte dat er op verschillende betrouwbare sites nogal verschillende afbeeldingen te vinden zijn, waarbij de afmetingen nogal afwijken van elkaar. Maar goed, een globale indruk hebben we in ieder geval wel. Op de voorhof der natieën mocht iedereen komen.

Vervolgens heb je hier de plek waarvan ik om verschillende redenen de voorkeur aan geef dat de Schone Poort daar geweest moet zijn. Dat wordt meestal ook gezegd, maar er zijn er ook die zeggen dat de Schone Poort deze poort hier geweest is. Je ziet maar weer dat het niet absoluut zeker is. Hier heb je dus de Schone Poort, de prachtige. Waarom zou die zo genoemd zijn? Het was waarschijnlijk een bijnaam, niet de officiële naam, maar hij werd zo genoemd kennelijk omdat een bijnaam meestal iets vertelt over de persoon of de plaats.

Achter die poort kreeg je de voorhof der vrouwen. Daar mochten de joodse dames wel komen, de heidense dames trouwens niet. En vervolgens had je nog een poort waarvan sommigen dus zeggen dat dát de Schone Poort was. Hier betrad je het terrein waar alleen de israelitische mannen mochten komen. En dan heb je hier het heiligdom met het heilige en het heilige der heiligen. Om zo even een indruk te krijgen: als je de tempel binnengaat, dan is dat per definitie via de oostkant. Dan kom je eerst in de zuilengang van Salomo en dan kom je bij de Schone Poort. Die man was daar neergelegd of neergezet; hij zat daar elke dag.

De Schone Poort en Israëls Conditie ↑ hoofdstukken

Ik wil daar nog even bij zeggen — ik heb er bij de aanvang eigenlijk meteen al op gewezen, maar nu wil ik dat nog even wat nadrukkelijker doen: deze gebeurtenis wordt ook in Handelingen 4, als Petrus en Johannes zich voor het Sanhedrin moeten verantwoorden, een 'teken' genoemd. En dat is buitengewoon belangrijk, omdat daarmee aangegeven wordt dat wat hier plaatsvindt een wonder is, een Godswonder. Dat gaf ook de nodige tractie, want er ontstaat een enorme volksoploop naar aanleiding hiervan. Dus een wonder, ja, dat is duidelijk. Maar Petrus en Johannes noemen het zelf uitdrukkelijk ook een teken, en de gedachte achter dat woord is uiteraard dat het een betekenis heeft.

Feitelijk — en dat onderstreept precies het punt waar ik het net over had — is de situatie die hier beschreven wordt, namelijk een verlamde man die daar bij de Schone poort neergezet wordt en die vanaf zijn vroegste jeugd altijd verlamd en onvermogend was, tekenend voor Israëls conditie. Israël speelt in het hele boek Handelingen een buitengewoon grote rol. Dat zullen we trouwens ook in het vervolg nog zien. Laat ik het meteen maar even zeggen: aan het einde van dit hoofdstuk lees je dat Petrus tegen zijn volksgenoten zegt dat God in de eerste plaats voor hen Zijn Zoon — of Zijn knecht, Zijn jongen — heeft doen opstaan om hen te zegenen. En tegen Israël wordt ook gezegd dat zij tot berouw en bekering zouden komen, omdat er dan tijden van verademing zouden aanbreken. Dat is de prediking naar aanleiding van dit wonderteken.

In het boek Handelingen kom je al direct de vraag tegen die de discipelen aan de Here Jezus stelden in de veertig dagen dat Hij na Zijn opstanding nog hier op aarde was. Let op: in die veertig dagen kwamen de discipelen tot de Heer en dan is de vraag: 'Heer, herstelt U in deze tijd het koningschap, het Koninkrijk voor Israël?' Dat was de vraag. En in feite bestrijkt het hele boek Handelingen een periode van veertig jaar. Want ga maar na: in het jaar 30 werd de Heer opgewekt en voer Hij ten hemel, en in het jaar 70 werd Jeruzalem verwoest. In feite was dat het uiteindelijke, definitieve antwoord op de vraag: 'Herstelt U in deze tijd het Koninkrijk voor Israël?'

Het was conditioneel. Dat wil zeggen: als Israël in die dagen tot geloof was gekomen in de opgestane Messias, dan waren er tijden van verademing aangebroken en dan zou de Heer zijn teruggekeerd naar deze aarde. Dat is wat wij dan noemen een 'ongelegd ei'; het is niet gebeurd. Maar dat was in die dagen de boodschap aan Israël en dat is wat deze geschiedenis ook laat zien. Een man die verlamd is. Hij lag daar bij de Schone poort. In feite was er uitzicht, want dat is wat een poort is: het geeft toegang, maar het geeft ook zicht. 'Ik zie een poort wijd openstaan', toch? Het geeft uitzicht.

In feite staat die Schone poort met het geweldige uitzicht op het oosten — waar de Heer stierf, opstond, ten hemel voer en ook weer zal terugkeren, jazeker — model voor het wenkende perspectief van het nabije Koninkrijk. Dat is de Schone poort en die man die daar lag, die verlamde man, is een beeld, een type van Israël, waaraan het de kracht ontbrak om in te gaan. Er moest iets plaatsvinden, er moest een Godswonder plaatsvinden om deze man inderdaad te doen herstellen. Dat is de situatie; dat is in feite wat hier beschreven wordt.

Het Vragen van een Aalmoes ↑ hoofdstukken

Laten we verdergaan. Hij werd dus dagelijks bij de poort van de tempel neergezet, genaamd de Schone, om een aalmoes te vragen van de tempelgangers. De gedachte is natuurlijk: je mag eigenlijk ontferming verwachten van mensen die daar in de nabijheid van God komen. Want dat is wat de tempel geacht wordt te zijn: het huis van God. Mensen die daar naartoe gaan of die het weer verlaten, daar mag je ontferming van verwachten. En daarom werd hij natuurlijk bij de Schone poort neergezet.

Het is trouwens mooi: het woordje 'aalmoes' is eigenlijk een verbastering van een Grieks woord, eleemosyne. Je moet inderdaad een beetje je best doen om het woordje 'aalmoes' erin te herkennen, maar als je vooral de klinkers wegdenkt en de medeklinkers overhoudt, zie je het er alsnog in terug. Kijk het maar na in een etymologisch woordenboek, dan zie je dit soort herleidingen. Het eerste deel is eleos, het Griekse woord voor ontferming. En dat syne, dat is het woord voor 'samen'. Het idee is eigenlijk: je deelt in ontferming. Dat is het woord 'aalmoes'. En wij hebben natuurlijk nog allerlei andere woorden die daar weer van afgeleid zijn, zoals 'aalmoezenier' – daar zijn we toch weer een beetje kerkelijk bezig, nietwaar? Maar in ieder geval heeft een aalmoes dus inderdaad te maken met het bewijzen van ontferming; je deelt de ander iets mee vanuit de bron dat je begaan bent met diens lot.

Deze man zat daar en je moet je voorstellen dat je inmiddels de veertig gepasseerd bent en eigenlijk helemaal niets kunt. Je kunt niet je eigen geld verdienen, dus ben je volledig afhankelijk van en aangewezen op de ontferming van anderen. Hij vroeg dus aalmoezen van de tempelgangers.

Vervolgens lees je dat, toen hij zag dat Petrus en Johannes de tempel zouden binnengaan, hij om een aalmoes verzocht. In hoeverre hij vertrouwd was met deze beide mannen, weet ik niet. Ik mag aannemen – maar nu speculeer ik – dat hij hen wel kende. Niet alleen omdat ze daar vaak kwamen, maar omdat zij zeker de afgelopen maanden een grote rol hadden gespeeld in de dingen die toen echt 'hot news' waren. Alles wat er gebeurd was naar aanleiding van Jezus van Nazareth lag nog vers in het geheugen van al die Jeruzalemmers. Petrus en Johannes zullen ook wel bekend geweest zijn, stel ik me zo voor. Al moet ik erbij zeggen dat zij zich tot dusver nauwelijks publiekelijk hadden gemanifesteerd. Hoewel, dat zeg ik niet helemaal correct, want in Handelingen 2 heeft Petrus op de Pinksterdag op het tempelplein al een toespraak gehouden. Terwijl ik het nu zo zeg, denk ik: ja, het ligt wel voor de hand dat die verlamde man hen toch wel inderdaad gekend heeft. Terwijl je je toespraak houdt, switch je alsnog van inzicht. Maar goed, het doet er niet toe, het wordt ook niet vermeld.

Hij zag in ieder geval Petrus en Johannes de tempel binnengaan. Ze stonden op het punt om naar binnen te gaan en hij verzocht om een aalmoes van hen. Als je het van sommigen mag verwachten, dan in ieder geval van hen. En nu begint het echte verhaal; tot nu toe was het enkel de schets van de context. Oké, en dan? Petrus zag hem scherp aan, samen met Johannes, en hij zei: "Zie naar ons." Wat doe je dan? Je zit daar, je vraagt een aalmoes en er blijft iemand staan – niet de eersten de besten, zou je zeggen. Vervolgens staat er dat hij zijn blik op hen gevestigd hield, in de verwachting iets van hen te ontvangen.

Dat is een mooie aanleiding om iets te vertellen over wat ik een prachtige waarheid vind die hier beschreven wordt. Deze man zat daar en keek naar Petrus en Johannes. Petrus keek hem scherp aan, maar de man keek nu ook vol verwachting terug. Hij keek omhoog. Op zich is omhoogkijken al een uitbeelding van verwachting, nietwaar? Ook gewoon meer in het algemeen: als je naar beneden kijkt, dan zie je het niet zitten. Dat is lichaamstaal. Als je somber bent, dan laat je je hoofd hangen; er zijn allerlei uitdrukkingen die daar zelfs nog bekend van zijn. Maar deze man keek nu omhoog. Hij verwacht iets.

Anthropos: Naar Omhoog Gekeerd Kijken ↑ hoofdstukken

En dat geeft mij de aanleiding om iets te vertellen over het woord voor mens. Dat wil zeggen, het woord voor mens in het Grieks. En dat durf ik wel te doen omdat het Griekse woord voor mens maar al te zeer ook in onze taal bekend is. Juist de laatste weken ben ik daar nog weer in het bijzonder mee bepaald. Ik heb het eigenlijk al een paar keer, vorige week ook nog bij de jongelui verteld: hoeveel Grieks wij eigenlijk kennen zonder het ooit geleerd te hebben. Maar gewoon omdat er zoveel woorden direct of indirect uit het Grieks in onze taal terecht zijn gekomen. Het woord wat ik net noemde is daar ook een voorbeeld van: aalmoes.

Maar in dit geval, het Griekse woord voor mens dat is anthropos. En dat kennen wij in allerlei woorden. Ik bedoel studierichtingen als antropologie, dat is de wetenschap die zich bezighoudt met de mens. Je hebt ook allerlei — dat is wat obskeurder — anthroposofie, dat wil zeggen letterlijk: wijsheid van de mens. Daarmee is het eigenlijk ook meteen aan de kaak gesteld van Rudolf Steiner. Je hebt... noem nog eens een paar woorden die met anthropos te maken hebben. Help me eens... antropologie... hoe noem je ook weer vrijgevigheid? Nee, dat is een ander woord. Er zijn veel meer woorden. Ja, let maar eens op. Kijk maar eens een keertje in het woordenboek bij anthropos en dan zul je een hele lijst vinden van woorden waar wij nu even zelfs gezamenlijk niet opkomen, maar die daar allemaal mee verband houden. Of u houdt uit bescheidenheid uw mond en zegt: "Nou ja, als hij dat niet weet, dan ga ik het hem niet vertellen ook." Dat kan ook wel.

Maar waar het nu even om gaat is dat woordje anthropos. Dat is ook weer, zoals ik net ook al liet zien bij aalmoes, opgebouwd uit elementen. Dat wil zeggen, het is eigenlijk een combinatie van verschillende woorden. En in dit geval is dat het voorzetsel ana, en dat betekent: naar omhoog. Analogie, ook daar heb je weer allerlei voorbeelden van. Maar vervolgens heb je het woordje trope, en dat is het woordje voor: omkeren. Het zijn allemaal woorden die trouwens ook in de Bijbel en het Nieuwe Testament worden genoemd. Trope heeft te maken met omkeren. En dan dat laatste deel: optomai. Ook dat kennen we trouwens allemaal, de opticien enzo. Dat heeft weer te maken met kijken of met zien.

Zodat dit woord, in feite het Griekse woord voor mens, als je het met Griekse oren beluistert, dan weet je dat het opgebouwd is uit elementen die te maken hebben met naar omhoog gekeerd. Dus je keek zo, maar je keert je om naar omhoog. Er zit beweging in. Je keert je omhoog en je kijkt naar omhoog. Met andere woorden: het Griekse woord voor anthropos — dat is eigenlijk wat ik wil vertellen — dat wijst ons op wat een mens feitelijk is, namelijk op wat hij geacht wordt te zijn. Eigenlijk het meest typerende van de mens is dat die naar... wat maakt je nou echt tot mens? Nou, als je een naar omhoog gekeerd kijker wordt. Ik geef toe, het is een wat vreemde formulering, maar als je eenmaal weet waar het naar verwijst, ja, dan is dat geweldig, want dat is precies wat een mens is.

Niet naar beneden kijken, want hier beneden, zeggen we dan, is het niet. En niet bij jezelf. Een heleboel mensen zeggen: "Je moet het bij jezelf zoeken, je moet naar binnen gaan kijken," maar ik vind het altijd heel opmerkelijk dat onze zintuigen nooit — dat is ook een goddelijke les — dat onze zintuigen zodanig gemaakt zijn dat ze altijd naar buiten gericht zijn. Met je oog kijk je naar buiten. Je hebt geen manier om naar binnen te kijken. Zo hoort dat ook, zelfs met je neus en alles. Het is gericht naar buiten, je hoort dat wat van buiten op je afkomt.

Nou ja, in ieder geval, een mens is iemand die niet naar beneden kijkt en ook niet van anderen verwacht. Dus dat je gewoon naast je gaat kijken. Het is heel mooi hoor, als je iets krijgt en ontvangt van anderen, maar verwacht er niet teveel van. Dat was ook die psalm die daarover gaat, dat was trouwens ook Psalm 146: zaligheid die in dit leven en Jakob tot hulp heeft... nou moet u me weer even helpen. Ja, maar het gaat mij even om het punt dat er dan ook staat dat hij niet van mensen... ja, zeker in de natuur is dat ook nog geweldig geïllustreerd: dat alles keert naar boven, naar de zon, naar het licht. Dirk heeft er ook wel eens een uiteenzetting over gegeven, schitterend.

Maar ja, die psalm, daar staat dat je je vertrouwen niet moet vestigen op... prinsen geen betrouwen. Yes, die bedoel ik. Vestig op prinsen geen betrouwen, en gewoon: verwacht het nou niet van een mens. Want dan loop je het hele grote risico — het is eigenlijk haast een garantie — om gefrustreerd te raken. Want zelfs als een mens wel eens wil helpen, dan moet je altijd nog in gedachten nemen: een mens kan falen en een mens schiet tekort. Uiteindelijk heb je daar niet zoveel aan. Van mensenhulp moet je het niet hebben. Er is er één die werkelijk doet wat Hij zegt en die altijd eenieder ter hulpe is. En dat is Hij.

Dat is trouwens ook de psalmen: ik hef mijn ogen op naar omhoog. Dan maakt het trouwens ook nog weer verschil of je de Statenvertaling hebt of de NBG-vertaling. Want de NBG-vertaling zegt: "Vanwaar zal mijn hulp komen?" En dan klinkt daar vertwijfeling in door. Ik hef mijn ogen op, ja, waar komt mijn hulp dan vandaan? De Statenvertaling zegt: ik hef mijn ogen naar omhoog, naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. Dat is een heel andere gedachte. Dat is verwachting. Ik hef mijn ogen op, daar, van omhoog, daar komt mijn hulp vandaan. Of moeten we Sammy er nou ook nog bij halen van Ramses Shaffy? Nee, maar... ja, ik was er erg mee bezig. Naar omhoog gekeerd kijken, dat is wat de mens is nou.

Ik vond het een mooie aanleiding om dat bij dezen nog eens even goed in het licht te plaatsen. Want daar gaat het eigenlijk om. Er is zoveel in het leven, laten we wel wezen. Er is zoveel in het leven dat ons altijd weer naar beneden trekt, ons letterlijk down maakt. Down wil zeggen: neerwaarts gekeerd. Waardoor je zegt: de aantrekkingskrachten... iets valt nooit omhoog, hè? Nou ja, in de politiek wel, maar u begrijpt wat ik bedoel. Alles gaat neerwaarts, naar beneden. En nou ja, daarom is het zo belangrijk dat er een woord is, een solide woord is dat ons naar omhoog wijst. En dat stelt nooit teleur, want die God die daar is, daarboven, ja, dat is degene die de regie heeft. Hij is de Schepper en van Hem verwacht een mens nooit teveel. Vandaar ook dat wie de Naam van Hem aanroept, die zal nooit — dat staat in de Schrift zo vaak — nooit beschaamd uitkomen, nooit. En dan sta je op Zijn Woord, want dat Woord komt van boven. Nou ja, deze man, om een lang verhaal korter te maken: hij hield zijn blik op hen gevestigd in de verwachting iets van hen te krijgen.

Geen Zilver en Goud, maar de Naam van Yeshua ↑ hoofdstukken

Petrus gaat de verwachting van de man meteen corrigeren. Hij gaat hem in ieder geval niet geven wat die man verwacht. Want daar staat: Petrus zei: "Zilver en goud, dat bezit ik niet." Dat is natuurlijk wat je graag wilt hebben, maar dat bezit ik niet. Maar hij gaat nu in feite zeggen waar deze beide edelmetalen een beeld van zijn, een type van zijn. Tientallen jaren later schrijft deze zelfde Petrus in een brief, de eerste Petrusbrief, en ik val nu midden in de zin: "Wetende dat jullie niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, bent vrijgekocht van uw ijdele wandel, die u van de vaderen overgeleverd is."

Petrus schrijft hier over vergankelijke dingen van zilver of goud. De aardigheid is dat zilver en goud in de absolute zin inderdaad vergankelijk zijn — uiteindelijk vergaat alles — maar ten opzichte van alle andere metalen en dat wat wij kennen, hebben ze de reputatie onvergankelijk te zijn. Vandaar ook dat het edelmetalen heten. Niet alleen omdat ze schaars zijn, maar vooral ook omdat ze doorstaan. Ze roesten niet; dat is wat een edelmetaal is. Ze verrotten niet en ze verroesten niet. Ze zijn dus een type van onvergankelijkheid. Dat zie je in de Schrift wel vaker; Paulus spreekt over zilver, goud en edelgesteente. Dat laatste is dan gesteente dat licht doorlaat. Maar zilver en goud spreken van Gods heerlijkheid. Zilver in het bijzonder van de prijs die betaald is en goud van Gods heerlijkheid. Goud spreekt van God. In het Nederlands is de link naar de heerlijkheid van God heel makkelijk te leggen. Zilver was in principe ook gewoon een betaalmiddel, goud trouwens ook. Ons woord geld komt zelfs van God.

Wetende dat je niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, bent vrijgekocht van uw ijdele wandel die u van de vaderen overgeleverd is, maar met datgene waar zilver en goud een beeld van zijn — ik vul het nu aan — namelijk met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam. Hij was inderdaad onberispelijk, werd vervolgens geslacht en dat bloed kwam vervolgens in het heiligdom. Dat spreekt van Hem die stierf en die werd opgewekt uit de doden, en dus een beeld is van onvergankelijke dingen. Petrus zegt: "Nou, zilver en goud heb ik dan weliswaar niet." Dat is het slechte nieuws. Maar het goede nieuws is dit: "Wat ik heb, dat geef ik u: in de naam van Jezus Christus." Of als u het liever op zijn Hebreeuws wilt zeggen — want Petrus was hier in de tempel met een Joods publiek en een Joodse man: "Yeshua HaMashiach". Dat wil zeggen: Jezus is Redder, de beloofde Messias, de Nazoreër.

Nazoreër is een wat verwarrend begrip. Meestal wordt de link gelegd met een nazireeër, zoals Simson; dat was iemand die gedurende zijn nazireerschap bijvoorbeeld niet geknipt of geschoren werd. Maar Nazoreër is een Nazarener. Ik snap nog steeds niet waarom de meeste vertalingen "Nazoreër" hebben, want het gaat gewoon over een Nazarener. Dat zie je trouwens altijd in de uitleg, dus wat ik nu zeg is onomstreden. Maar dan vraag ik me af: waarom is het dan niet gewoon Nazarener? Nou ja, dat weten we dan ook weer. Het gaat hier over de Nazarener, en dat is trouwens heel mooi. Ik stip het kort aan — bij een andere gelegenheid hebben we het er veel uitgebreider over gehad — maar de Nazarener verwijst naar de Netzer, de scheut uit de tronk van Isaï in Jesaja 11. Nazaret is afgeleid van dat woord Netzer. Er was een clan in het noorden van Galilea, nakomelingen van David, en die werden Netzer genoemd; dat was de scheut uit de tronk van Isaï. Een heel boeiend verhaal, maar waar het in ieder geval om gaat: Hij is het. De Messias. In de naam van Jezus, die een paar maanden geleden hier nog stond, door jullie werd overgeleverd en stierf. Petrus kon bij wijze van spreken zo wijzen naar de Olijfberg waar Hij stierf, vervolgens op de derde dag werd opgewekt en daar op de Olijfberg ten hemel voer. In die naam zeg ik je: "Wandel!"

Gewoon gebiedende wijs: "Wandel!" Ik vind het mooi om erbij te zeggen dat dit iemand is die nog nooit in zijn leven heeft kunnen staan, laat staan wandelen. En dan lees je... het wordt in feite heel filmisch beschreven. Het is precies zo gegaan.

Levendmakend Herstel: Lopen, Springen en Loven ↑ hoofdstukken

Petrus greep hem bij de rechterhand, ook een voorrang, en richtte hem op. En terstond... Met dat hij dit zegt, met het woord dat van Gods wege klinkt — want het is duidelijk dat het hier om een goddelijk woord gaat — werden zijn voeten en enkels stevig. Hij sprong op, hij stond en hij liep heen en weer. Stel je voor: als je nog nooit in je leven gelopen hebt.

Ik vind het altijd apart; dat zie je wel vaker bij soortgelijke wonderen in de evangeliën. Er is geen sprake van revalidatie of krampachtigheid. Totaal niet. Die man loopt zomaar heen en weer, terwijl hij nog nooit gelopen heeft. Hij loopt heen en weer; wat een ervaring moet dat geweest zijn als je dat nog nooit gekund hebt. Hij sprong op en hij stond. Dit is nieuw leven. Deze man was eigenlijk doods, althans wat zijn benen, voeten en enkels betrof. Dat was dood, dat werkte niet, er zat geen kracht in. Het ontbrak aan leven. En die man krijgt precies wat hij nodig had: leven en kracht.

Hij sprong op, en dat woord 'springen' is in feite niet zomaar een woord. Wat ermee uitgebeeld wordt, is een kenmerk van ontluikend leven. We zeggen niet voor niets 'springlevend'. Iets wat leeft, dat springt. Ik moet er altijd aan denken: schapen lopen, maar lammetjes springen. In het Engels is 'Spring' het seizoen van het ontluikende leven, waarin de dood wordt overwonnen. Dat is wat 'spring' is: Spring is in the air! Nou, dat deed die man dan ook; hij sprong een gat in de lucht. Dit is leven. Deze man kreeg leven. Hij springt op, hij stond en liep heen en weer.

Vervolgens ging hij met hen de tempel binnen. Het was tijd voor de intocht. Hij ging met hen de tempel binnen, lopende en springende. Het is leuk als je daarbij nadenkt en zijn oorspronkelijke vraag afzet tegen het antwoord dat hij kreeg. De man vroeg een aalmoes, maar hij kreeg volkomen herstel. Je zou de vraag kunnen stellen: was zijn vraag nu vervuld of niet? Strikt genomen niet, want hij kreeg geen aalmoes. Maar was hij teleurgesteld? Nee, die man kreeg volkomen herstel, waardoor hij die aalmoes helemaal niet meer nodig had. Voorheen was hij afhankelijk van anderen omdat hij zelf niet kon staan, lopen of werken. Nu krijgt hij volkomen herstel. Hij loopt en hij springt, hij huppelt. Deze man lééft!

Hij kon zijn geluk uiteraard niet op en hij is lopende, springende en God lovende. Dat is mooi als je daar wat dieper over doordenkt en de typologische link legt: iemand die springt, leeft. Maar ook: iemand die leeft, looft. Dat is een heel interessante link die de Bijbel ook zo legt. Wanneer ben je echt mens? Je bent een mens als je niet meer naar beneden, maar naar omhoog kijkt. Maar ook: wanneer leef je? Wanneer je Hem looft. Dat is eigenlijk synoniem. Zo eindigt het boek der Psalmen, en ik denk dat het veel meer is dan alleen een oproep; het is gewoon een voorzegging: "Alles wat adem heeft, zal de Here loven." Waarom krijgt een mens adem? Waartoe ben je in de gelegenheid als je kunt ademen? Om te spreken en om te loven. Waarom adem je? Waarom leef je? Want dat is in feite synoniem: als je de geest krijgt, adem krijgt, dan leef je. En alles wat adem heeft, looft de Here.

Dat vind ik ook weer mooi als je associatief denkt: 'loven' lijkt op het Engelse woord 'love', liefde. In onze taal zijn die woorden ook nauw verwant als je de klinkers even wegdenkt. Er is een oud lied — wij zingen het hier geloof ik nooit — waarin wordt gezongen over "het ware leven, lieven, loven." Het enige wat verschilt, zijn de klinkers. Het klinkt anders, maar het is hetzelfde. Leven is namelijk liefde. Leven ontstaat door liefde, door eenheid en gemeenschap. Maar echt leven heeft ook alleen zin wanneer daar liefde is, als je een reden hebt om te leven. Als je inderdaad bovenal Hem liefhebt en Hem looft en Hem de eer geeft, dan is dat leven.

Een mens leeft op het moment dat je opziet naar boven, alles van Hem verwacht en Zijn heerlijkheid mag bezingen. Dat is wat deze man deed. Je zou kunnen zeggen: hij had ook wel een hele goede reden. Als je veertig jaar lang daar gezeten hebt en helemaal afhankelijk was van de hulp van mensen, en als dan God Zelf dit geeft... Die man kreeg echt leven. Hij ging met hen de tempel binnen lopende en springende en God lovende. Hij ging direct de goede richting op.

Verwondering en Volksoploop op het Tempelplein ↑ hoofdstukken

Al het volk zag hem lopen en God loven. Die man was dus een lopend en lovend teken voor het volk. Al het volk zag dat, en dat is heel belangrijk. In feite is dit een voorzetje voor de volgende keer, maar het gaat er juist om dat wat het volk hier ziet, voor hen natuurlijk een wonder is. Maar het is een teken; zij zouden zich bewust moeten zijn van wat ze nu eigenlijk zien en de sprake die hiervan uitgaat.

Als die man daar al zo lang altijd op die vaste plek heeft gelegen, dan weet je ongeveer wel wie dat is als je daar veel komt. Deze man hoefde dus verder geen tekst en uitleg te geven over het feit dat hij genezen was, want al het volk zag hem lopen en God loven. Men herkende hem als degene die daar altijd zat om een aalmoes, aan de Schone Poort van de tempel. Inmiddels was hij verder; hij was de tempel al binnengegaan. Hij is nu hier, binnen in de tempel. Daar loopt hij, daar springt hij en hij looft God. Maar hij zat daar toch altijd om een aalmoes te vragen? Wat is daar gebeurd?

De omstanders werden met verbazing en ontzetting vervuld. Hoe kan dit? Er hadden dit jaar al heel grootse dingen plaatsgevonden, zeer recent nog, en nu zagen zij dit met hun eigen ogen. Ze werden met verbazing en ontzetting vervuld over wat met hem gebeurd was. En toen hij Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk rondom hen te hoop. Waarom zou hij hen hebben vastgehouden? Ik heb me die vraag gesteld en ik heb er een verklaring voor — u mag er gerust anders over denken — maar mijn verklaring is dat hij Petrus en Johannes wilde dwingen om het volk nu tekst en uitleg te geven.

Dat was bittere noodzaak, moet u zich voorstellen. Hij loopt en springt daar, hij looft God, hij ziet iedereen met verbazing kijken en hij neemt zelf niet het woord. Maar waarom houdt hij hen dan vast? Petrus zou het moeten gaan uitleggen. Terwijl ik het zeg, is dat trouwens nog een reden waarom ik denk dat hij Petrus inderdaad al kende. Zo van: jij kunt heel goed het woord voeren, zeg het maar.

Hij hield Petrus en Johannes vast en al het volk liep rondom hen te hoop. Er ontstond een enorme volksoploop. Zoals gezegd zouden de religieuze leiders, de priesters en dergelijke, dit natuurlijk met argusogen aanzien. Dat blijkt later ook wel. Al het volk liep rondom hen te hoop in de zogenaamde zuilengang van Salomo, vol verbazing. Die zuilengang wordt trouwens bij een drietal gelegenheden genoemd. Eerst in Johannes 10; dat was in de winter tijdens het Chanoekafeest, het vernieuwingsfeest. Toen werd Jezus min of meer gedwongen om expliciet te zeggen dat Hij de Christus is. Dat weigerde Hij te doen, met reden.

Moet u zich voorstellen, dat was nog maar een paar maanden geleden. Als de huidige gebeurtenis in het najaar van het jaar 30 plaatsvond, dan was Johannes 10 nog geen jaar eerder. Toen Jezus in de zuilengang liep tijdens het Chanoekafeest, hield Hij Zich verborgen. Toen mocht niet gezegd worden wie de Christus is, maar nu zou het gepredikt worden. Nu was de tijd daar. Later leest u trouwens ook in Handelingen 5 dat dit de plek werd — de zuilengang van Salomo — waar de ekklesia in Jeruzalem eendrachtig samenkwam. Juist daar, in de zuilengang van Salomo. U weet wel, Salomo was de zoon van David, de Vredevorst. Dat is immers wat zijn naam betekent: hij is vrede. En daar, in de zuilengang van Salomo, was het volk vol verbazing.

In vers 12 staat: 'Petrus zag het en hij antwoordde het volk: Mannen van Israël...' Ziet u? Dat is de context: mannen van Israël. 'Wat verwondert gij u hierover?' Verwonderen wil zeggen dat je niet weet wat er gebeurt. In het Engels zeggen ze ook: 'I wonder', dat wil zeggen: ik vraag me af wat dit is. Hoezo vraagt u zich af wat dit beduidt? En dan zegt hij: 'Wat staart gij ons aan?' — zoals die man ooit naar hen zat te staren — 'alsof wij door eigen kracht of godsvrucht deze hadden doen lopen?'

U hoeft niet naar ons te kijken, want wat Petrus nu gaat uitleggen is dat wat hier gebeurde, mannen van Israël, een demonstratie is van de kracht van God en de kracht van de naam van Jezus — Yeshua, zo u wilt: 'Jahweh is Redder'. Hij is Israëls Messias en dit is een teken voor het volk. Petrus gaat dit nu uitleggen. En u zegt: 'Ja, wat gaat hij dan zeggen?' Zullen we het daar een andere keer over hebben? Want dit behoeft inderdaad toelichting, en die toelichting is buitengewoon boeiend. Dat zal overigens wel pas over een maand zijn dat we hiermee verder kunnen gaan, maar dat zit in de pijplijn, om het zo maar te zeggen.

🎧 de verlamde man bij de Schone poort (1)
Delen: