de verlamde bij de Schone poort (2)
30-06-2024 - Geplaatst door Andre Piet30 juni 2024, Benthuizen
Nadat de verlamde man bij ‘de Schone poort’ wonderbaarlijk was genezen, dromt een grote menigte van tempelgangers samen om te vernemen wat er is gebeurd. En dan neemt Petrus het woord om daarvan tekst en uitleg te geven. Het herstel van de verlamde van de Schone poort is een boodschap aan het volk, dat eveneens machteloos en arm, niet in staat is om Gods heerlijkheid binnen te gaan. Slechts de naam van Jezus Christus stelt daartoe in staat.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie en Lezing Handelingen 3
- De Historische Context en het Profetische Teken
- Verbazing in de Zuilengang van Salomo
- Geen Eigen Kracht of Godsvrucht
- De God Der Vaderen Verheerlijkt Zijn Knecht
- De Grondlegger van het Leven Verworpen
- Ooggetuigen van de Opgestane
- Volkomen Herstel Door het Geloof van Zijn Naam
- Menselijke Onwetendheid Vervult Gods Raadsbesluit
- Conclusie en Vooruitblik
Introductie en Lezing Handelingen 3 ↑ hoofdstukken
Zoals toegezegd en vijf weken geleden al aangekondigd, gaan wij ons opnieuw bezighouden met de geschiedenis waarvoor ik de titel heb bedacht – die nogal voor de hand ligt: de verlamde bij de Schone Poort. Dat is een geschiedenis die we aantreffen in Handelingen 3. Eigenlijk moet je het hele hoofdstuk lezen; feitelijk is Handelingen 4 ook nog een direct vervolg op wat je in Handelingen 3 aantreft, maar dat laat ik nu even buiten beschouwing. De vorige keer hebben we ons beziggehouden met de geschiedenis op zich, dat wil zeggen: die verlamde man die daar bij de Schone Poort ligt en bedelt.
Het lijkt mij een goed idee – en het is niet zo'n grote moeite – om eerst even de verzen te lezen die we de vorige keer hebben behandeld. Dan kunnen we vervolgens de draad weer oppakken. Ik lees voor uit de NBG-vertaling; de correcties die daarop aangebracht moeten worden, hebben we de vorige keer al besproken. Er staat dit:
Petrus nu en Johannes gingen op naar de tempel tegen het uur des gebeds, dat is het negende. En een man, die verlamd was van de schoot zijner moeder aan, zodat hij gedragen moest worden, zetten zij dagelijks bij de poort van de tempel, genaamd de Schone, om een aalmoes te vragen van de tempelgangers. Toen deze zag dat Petrus en Johannes de tempel zouden binnengaan, verzocht hij om een aalmoes. En Petrus zag hem scherp aan, met Johannes, en zeide: Zie naar ons. En hij hield zijn blik op hen gevestigd in de verwachting iets van hen te ontvangen.
Maar Petrus zeide: Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u; in de naam van Jezus Christus, de Nazarener: Wandel! En hij greep hem bij de rechterhand en hij richtte hem op. En terstond werden zijn voeten en enkels stevig. En hij sprong op en hij stond en hij liep heen en weer. En hij ging met hen de tempel binnen, lopende en springende en God lovende. En al het volk zag hem lopen en God loven. En men herkende hem als degene die om een aalmoes gezeten had aan de Schone Poort van de tempel. En zij werden met verbazing en ontzetting vervuld over wat er met hem gebeurd was.
De Historische Context en het Profetische Teken ↑ hoofdstukken
De vorige keer heb ik u al gemeld dat deze geschiedenis kort na de Pinksterdag heeft plaatsgevonden. Hoe kort, dat weet ik niet precies, maar we mogen ervan uitgaan dat dit alles heeft plaatsgevonden in het jaar 30. De Heer Jezus is gedurende het Pascha gestorven. Een drietal dagen later werd Hij opgewekt uit de doden op de dag van de Eerstelingsgolf.
Op de vijftigste dag, wat ook weer een Joodse hoogtijdag was – of ik moet eigenlijk zeggen: een hoogtijdag van de Heer zelf – vond het Joodse Wekenfeest plaats. Het is op die dag dat Petrus een rede heeft gehouden bij de tempel, omdat er wonderlijke verschijnselen plaatsvonden die natuurlijk alom bekend zijn uit Handelingen 2. Het grootste wonder was daar natuurlijk het talenwonder; dat zij Petrus en alle apostelen hoorden spreken, ieder in hun eigen taal. Zoiets als het talenwonder waar ik het net over had, maar dan even 'echt', zal ik maar zeggen. Met AI kun je tegenwoordig ook talenwonderen verrichten, maar dat is toch mensenwerk. Dit was goddelijk, en men was destijds ook buitengewoon ontzet en verbaasd.
Het is Petrus die daarbij telkens de toelichting geeft, zoals in de grote toespraak in Handelingen 2. Vervolgens lees je de geschiedenis die we zojuist hebben gelezen: de verlamde man daar bij de Schone Poort van de tempel. Als je door die poort kijkt, ga je aan de ene kant richting het heiligdom, de tempel. En als je vanuit het heiligdom door de Schone Poort kijkt, heb je zicht op de Olijfberg. In beide gevallen heb je een prachtig uitzicht.
Ik heb er toen ook op gewezen dat het wonder dat hier beschreven wordt, in hoge mate profetisch is. Dat wordt ook expliciet gezegd. Wanneer er later in Handelingen 4 aan deze geschiedenis wordt gerefereerd, wordt er gezegd dat het wonder aan deze man, die inmiddels de veertig al gepasseerd was, een teken was. Het is van belang om dat te onderstrepen, want een teken hoeft niet per se altijd een wonder te zijn, maar een wonder is in de Bijbel meestal wel een teken. Dat wil zeggen: het heeft een betekenis, een diepere betekenis.
Het was niet alleen geweldig voor die man, die vanaf zijn geboorte altijd daar gelegen had en volstrekt verlamd was, dat hij dit nu kon doen. Dat was natuurlijk fantastisch, maar het gaat om de sprake die ervan uitgaat voor het hele volk. Het hele volk heeft gezien wat hier aan de hand was. Dan pakken we nu de draad weer op. Ik hoef niet te herhalen wat ik de vorige keer heb gezegd; als u geïnteresseerd bent, kunt u dat op internet nog eens nagaan en eventueel beluisteren. We pakken de draad op bij vers 11.
Verbazing in de Zuilengang van Salomo ↑ hoofdstukken
En toen hij Petrus en Johannes vasthield – dat is eigenlijk wel eigenaardig, want die man kon ineens zonder enige revalidatie en zonder dat hij ooit had gelopen, of zelfs maar gestaan, kon hij nu ineens springen en heen en weer lopen. En hij ging zo via de Schone Poort de tempel binnen. Maar hij hield, dat is heel eigenaardig, hij hield Petrus en Johannes vast, waarmee in ieder geval ook voor het hele volk daaromheen vast kwam te staan dat dit lopend wonder – of moet ik zeggen dit springend wonder – gekoppeld moest worden op een of andere manier aan Petrus en Johannes. Want hij hield aan hen vast, zodat wat er met hem gebeurd was op een of andere manier gelinkt moest worden aan deze twee mannen.
Toen hij Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk rondom hen – dus die man en Petrus en Johannes – te hoop. En dat was in de zogenaamde zuilengang van Salomo. Ze waren natuurlijk allemaal vol verbazing. En dat dat Salomo was, u weet wel – en dat bedoel ik nu ook met een knipoog – dat is dus de zoon van David, de man die we kennen in de Bijbel als de Vredevorst. Een veelzeggende locatie en een veelzeggende naam ook voor die plaats. In ieder geval, je leest later trouwens in het boek Handelingen nog vaker over die zuilengang. Want het volk, ook de discipelen, die kwamen juist op die locatie bij elkaar in de tempel. Ik heb u de vorige keer ook in een plaatje laten zien hoe groot dat terrein geweest moet zijn. Dus er was alle ruimte om daar ook samen te komen. En nou ja, hier vindt dus die hele oploop plaats, die vergadering van al het volk dat ineens buitengewoon verbaasd is en die eigenlijk willen weten: wat is er aan de hand?
En dan lees je dat in vers 12: "En Petrus zag dat en hij antwoordde het volk: Mannen, Israëlieten..." Even voor de goede orde voor wie het nog niet wisten: als ik de tekst gecursiveerd heb, dan geef ik daarmee aan dat ik afwijk van de NBG-tekst. In ieder geval, Petrus merkte het op. Let er trouwens op dat er staat: hij zag dit en hij antwoordde het volk, wat suggereert dat daar een vraag lag. Misschien niet eens expliciet gesteld, maar het was duidelijk. De mensen kwamen daar en die wisten het niet. Er had een evident wonder plaatsgevonden, maar hoe en waarom en wat er dan eigenlijk aan de hand was, dat wisten ze niet. De vraag was duidelijk en het is Petrus die dan het antwoord geeft.
Het is heel opmerkelijk – u moet maar eens nakijken in het hele boek Handelingen – daar vinden we nogal wat keren dat er een toespraak wordt gehouden en dat daar ook min of meer een samenvatting van zo'n toespraak wordt gegeven. Maar altijd is het een antwoord op een vraag die daar ligt. Dat is hier het geval, en in feite was dat in Handelingen 2 net zo goed het geval. De toespraak die gegeven wordt... het was dus niet zomaar een hagenpreek, dat hij op een zeepkistje ging staan en zomaar in het wilde weg iets ging roepen. Nee, de toespraken zijn altijd een reactie op een vraag die daar ligt. Dat lees je later ook zo bij Paulus als hij in de synagoge komt en alle ogen op hem gericht zijn en hij geacht wordt wat te zeggen. En dat is ook bijvoorbeeld het geval bij de beroemde toespraak die we aantreffen in Handelingen 17, wanneer hij in Athene op de Areopagus is. Daar wordt ook heel vaak de indruk gewekt – tenminste, dat is de indruk die ik daarvan heb – dat Paulus daar zomaar op de Areopagus gaat staan en zijn verhaal gaat houden. Dat is helemaal niet waar. Men heeft het hem gevraagd; ze waren benieuwd naar al die filosofische scholen, naar zijn denkbeelden en naar wat hij te melden had. En die gelegenheid greep hij natuurlijk aan. Het was niet met tegenzin, integendeel, maar het is altijd een gelegenheid die zich voordoet.
Ik vind het trouwens in het algemeen ook wel een heel mooi antwoord op de vraag: wanneer moet je nou spreken over het evangelie? Wanneer is dat nou gelegen? Mijn antwoord daarop is: als er een vraag gesteld wordt van: "Joh, hoe zit dat nou? Wat verwacht jij nou? Hoe kijk jij tegen de dingen aan?" Dan heb jij niet zelf iets als eigen initiatief, als eigen werk. Want je hebt mensen die daar erg – hoe moet ik dat nou netjes zeggen zonder ze voor het hoofd te stoten – die erg opdringerig zijn. Ik heb het zelf trouwens ooit ook gedaan: de huizen langsgegaan en aan de deuren aangebeld... Nee, ik was geen Jehova-getuige, dat bedoel ik niet, maar dan belde ik aan en dan ging je een gesprek aanknopen. Maar in feite ben jij dan degene die het initiatief neemt en val je de mensen meestal ook lastig, want ze zijn net aan het eten of ze staan net op het punt om weg te gaan. Dan trakteer jij ze op iets waar ze helemaal niet om vragen. Je kunt dat voor wezen door gewoon een sticker bij de brievenbus te plakken van: "Hoor eens even, bekeerd zijn we al," of zoiets. "We weten de weg."
Je kunt er mooie dingen over zeggen, maar in dat geval kun je altijd natuurlijk de vraag stellen: is het geen eigen werk dat je zomaar in het wilde weg gaat spreken over het evangelie? Hoe kun je weten dat het geen eigen werk is? Dat is als een ander jou vraagt. En nou ja, ik zou zeggen: grijp de gelegenheid aan. Maar nogmaals, dit was dus – en daarom zeg ik het ook even – een antwoord op de vraag die daar zo evident lag. En dan gaat Petrus van wal steken, want daar was hij nooit te beroerd voor om dat inderdaad te doen. Hij had wat te melden.
Geen Eigen Kracht of Godsvrucht ↑ hoofdstukken
En dan zegt hij: "Mannen, Israëlieten." In Handelingen 2 lees je "gij Joodse mannen" en dat wordt hier min of meer als synoniem gebruikt. Dat is wat ik nu zeg. Ik zou me zelfs niet eens verbazen als ik daar nu een reactie op krijg van: "Nee, Joodse mannen zijn wat anders dan Israëlitische mannen", maar het wordt gewoon volstrekt door elkaar gebruikt.
Goed, ik laat dat even voor wat het is. "Mannen, Israëlieten", eigenlijk stelt hij nu ook een vraag: "Wat verwondert gij u hierover? Of wat staart gij ons aan?" Ja, dat is wel logisch. Maar Petrus geeft ook meteen aan dat dit niet aan de orde is. Want hij zegt: "...alsof wij door eigen kracht of godsvrucht deze hadden doen wandelen." Het idee dus dat dit wonder had plaatsgevonden omdat zij een geweldige kracht hadden gekregen, of godsvrucht.
Dat is trouwens wel een interessant woord; bij een andere gelegenheid heb ik dat hier ook wat breder uiteengezet. Maar godsvrucht is altijd een lastig woord, omdat wij in het Nederlands de neiging hebben om de link te leggen met "vrucht". Met fruit, een appel of wat dan ook. Nee, godsvrucht is eigenlijk... Het Griekse woord is eusebia en dat betekent letterlijk welverering. Goede verering, dat is wat het woord betekent.
En "vrucht" betekent in dit verband eigenlijk "vrezen". Dat heeft ook te maken met — nou, dan praat ik toch nog even Duits — het Duitse Furcht. Dat is vrezen. Het heeft dus niet met vrucht te maken, maar met vrezen. Eigenlijk is de gedachte dus: goede verering. Dat wil zeggen het vereren, de vreze, het ontzag dat je voor Hem hebt. En u weet, daar begint eigenlijk alles mee. De vreze van JAHWEH, dat is het begin van kennis, van wijsheid, eigenlijk van alles. Daar begint het mee.
Maar Petrus zegt: het is niet door eigen kracht of door onze verering dat wij deze man nu doen wandelen. Dus wat het niet is, wordt hiermee op voorhand al afgekapt. Dat is het in ieder geval niet. En wat is het dan wel? Nou, dat zegt hij in vers 13.
De God Der Vaderen Verheerlijkt Zijn Knecht ↑ hoofdstukken
De God van Abraham en Isaak en Jakob, oftewel de God van onze vaderen, Die heeft Zijn knecht Jezus verheerlijkt. Deze inleiding, om het op deze wijze te beschrijven, is heel specifiek. Het is niet zomaar een mens die hier spreekt; het is God zelf die hier handelt. Door te verwijzen naar de aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob, verwijst Petrus in feite naar de grote belofte die ooit gegeven is bij de wieg van het volk, toen het volk nog moest ontstaan. Destijds was het 'zaad' beloofd. Dat is de centrale gedachte: aan Abraham, en later aan Isaak en Jakob, wordt de belofte gedaan dat via hun zaad — en dat staat er letterlijk — alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden. Het houdt echter meer in. Later is het Paulus die uitlegt dat wanneer daar 'zaad' staat, dit in het enkelvoud staat. Paulus legt uit dat dit strikt genomen, in de diepste zin, verwijst naar die ene: de Heer Jezus Christus, de Messias. Via Hém zouden alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
De God die ooit aan Abraham de belofte deed, deed dat aan een kinderloze, later lees je zelfs een impotente man. Bovendien was zijn vrouw ook al 'verstorven' en niet meer in staat voort te brengen; zij was onvruchtbaar. Aan hen werd leven beloofd door opstanding. Dat is in feite wat hier ook gedemonstreerd werd in deze geschiedenis van de verlamde man. Deze man was ook impotent; hij was niet in staat zich staande te houden. De man wordt hier levend gemaakt. Hij was in feite verstorven, om het zo te zeggen, en in dat lichaam dat totaal onvermogend was, wordt leven gecreëerd. Dat is de God van Abraham, Isaak en Jakob die dat tot stand heeft gebracht. Hij heeft ooit een belofte gegeven en dit wonder heeft alles te maken met die belofte die God al tweeduizend jaar eerder had gedaan. Toen Petrus hier naar de aartsvaders verwees, zat daar een periode van tweeduizend jaar tussen, net zoals er nu ook een periode van tweeduizend jaar tussen ons en Petrus in deze geschiedenis ligt.
De God van onze vaderen heeft Zijn knecht Jezus verheerlijkt. Voor het woord 'knecht' staat er in het Grieks eigenlijk 'jongen'. Als je een Concordant Version hebt, zie je daar het woord 'boy' staan, wat volledig correct is. Elke toelichting op de tekst zal dat kunnen bevestigen. Er staat het Griekse woord 'paida', waar ons woord 'pedagoog' ook van afgeleid is. Dat betekent dus eigenlijk een jongen. De eerste keer dat dit woord in het Nieuwe Testament gebruikt wordt, is wanneer de magiërs uit het oosten bij Jozef en Maria arriveren en er staat: 'en ze zagen de jongen'. Het gaat dan over de Heer Jezus die toen nog een peuter was. Letterlijk dus een jongen. Ik moet er meteen bij zeggen dat het idiomatisch vaak de betekenis heeft van een knecht. Dat is in het Nederlands misschien wat lastig uit te leggen, maar in het Engels is dat duidelijk: een 'boy' in huis is een bediende. In het Frans zie je dat ook bij het woord 'garçon', wat 'jongen' betekent maar de betekenis heeft van een kelner of bediende. Wij kennen het in het oud-Nederlands ook als we spreken over een 'meid'; dat is niet zomaar een meisje, maar een vrouwelijke bediende. Hoewel dat tegenwoordig politiek incorrect is, is de associatie duidelijk: er staat 'jongen', maar met de gedachte van een knecht of dienaar.
Er is nog iets voor te zeggen, want in de Septuagint — de Griekse vertaling van het Oude Testament die in de dagen van Petrus heel bekend was — wordt dit woord heel dikwijls gebruikt als vertaling van het Hebreeuwse woord voor knecht. Vele Joden die buiten het land woonden kenden nauwelijks nog Hebreeuws en gebruikten de taal van die dagen, het Grieks. In die Septuagint is dit het woord voor de 'Knecht des Heeren'. Denk bijvoorbeeld aan de profetieën in Jesaja 42, 49, 52 en 53 aangaande de Knecht of de Dienaar van Yahweh. Die link is dus heel logisch. Ik zal u een voorbeeld geven uit Jesaja 52: "Zie, mijn Knecht zal voorspoedig zijn, Hij zal verhoogd, ja, ten hoogste verheven zijn." Daarna staat er hoe velen zich over Hem ontzet hebben; niets menselijks was meer in Zijn aanzien en Hij werd veracht door het volk. Als een schaap dat stom is voor zijn scheerders en als een lam werd Hij ter slachting geleid. In Jesaja 52 en 53 wordt gezegd dat Hij weliswaar veracht, vernederd en gedood is door het volk, maar dat God Hem verhoogd heeft, ja, ten hoogste verheven. Dat is een profetie die tot op de dag van vandaag nog toekomst is; dan zullen koningen versteld staan als ze Hem zien.
De Knecht werd dus door het volk gedood, maar door God verheerlijkt. Om hier nog een klein 'bronnetje' bij te geven: in het Hebreeuws staat hier het woord 'ebed', wat dienaar of knecht betekent, en de Septuagint gebruikt hier exact hetzelfde Griekse woord als wat in Handelingen 3 staat. Letterlijk staat er dus 'jongen', maar in de zin van de Dienaar. Dat is het eerste positieve statement dat Petrus hier maakt: het is niet door eigen kracht of onze goede verering gebeurd, maar het is de God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van onze vaderen, Die dit gedaan heeft. Hij heeft namelijk Zijn knecht Jezus verheerlijkt. Het is prachtig dat Petrus dat zo zegt. Al die mensen die daar waren samengedromd, verbaasden zich over de man die genezen was, maar Petrus begint te spreken over de God die Zijn knecht Jezus verheerlijkt heeft. Hij heeft die jongen verhoogd, en Petrus gaat nu verder door specifiek naar Hém te verwijzen.
De Grondlegger van het Leven Verworpen ↑ hoofdstukken
Jullie hebben Hem overgeleverd en verloochend. Moet je even goed bedenken wat hier gebeurt. Petrus zegt nu tegen zijn volksgenoten: "Jullie hebben Hem, die Jezus, verloochend." Maar was hij niet zelf degene die ooit, op hetzelfde tijdstip dat het volk Hem overleverde en verloochende, tot drie keer toe zelf deze Jezus verloochende? In deze toelichting geef ik het er meteen maar even bij: dat feit wordt hier gewoon niet eens meer genoemd. Want Petrus was al geheel in ere hersteld. In feite is dat een prachtige illustratie van wat herstel echt is. Het was vergeven, en dat betekent in de Bijbel ook echt vergeten. En dan niet in de zin dat je, op z'n ‘Rutte-iaans’, geen actieve herinnering meer daaraan hebt. Want zo werkt dat natuurlijk niet. Als je zegt "vergeven en vergeten", betekent het niet dat je geen herinnering meer hebt of dat je op een knop kunt drukken en denkt: "Geen idee meer." Het is niet een soort van dementie die ineens actief wordt. Nee, vergeten wil zeggen: het wordt nooit meer opgerakeld. De herinnering is niet weg, maar er wordt nooit meer aan herinnerd. Je leest later in verband met de nieuwe schepping ook: aan de vroegere dingen zal niet meer gedacht worden. Het is gewoon overruled door genade. Dat is het. Petrus wist er alles van, dus hij brengt dit niet eens ter sprake. Hij meldt gewoon dit feit: "Jullie hebben Hem overgeleverd en verloochend."
Herinner je ook even de historische context. Dit is kort na de Pinksterdag, dus laten we maar aannemen dat het gewoon nog in hetzelfde jaar is dat Petrus deze dingen meldt. Dit was notabene in Jeruzalem, dus dit lag allemaal nog kersvers in het geheugen. Het hele volk dat hier was samengedrongen, wist waar hij naar refereerde: namelijk dat het volk die Jezus inderdaad heeft overgeleverd en verloochend ten overstaan van Pilatus, ofschoon deze oordeelde dat men Hem moest loslaten. Het feit dat Petrus dit op deze wijze naar voren brengt, is natuurlijk om daarmee aan te geven dat het volk zelf daar primair verantwoordelijk voor is, tussen aanhalingstekens. Het mag dan zo zijn dat Pilatus degene is geweest die de uitvoering deed, maar het is met tegenzin geweest. Pilatus oordeelde immers dat men Hem moest vrijlaten. Hij zei openlijk: "Ik vind geen schuld in Hem." Hij wilde zich er letterlijk van verschonen en waste zijn handen in onschuld; daar komt de uitdrukking ook vandaan. Bovendien was het de vrouw van Pilatus die hem ooit al had gewaarschuwd: "Ik heb over deze rechtvaardige man gedroomd, bemoei je er niet mee, want ik heb veel over hem geleden." Ze hadden een nare droom gehad over deze man en zij zei ook dat Hij rechtvaardig is. Met andere woorden: Pilatus wilde het niet. Hij heeft het weliswaar gedaan, waarmee hij niet vrijuit gaat, maar het is het volk geweest dat Hem heeft overgeleverd en verloochend.
Let ook even op het bepaalde lidwoord: de Heilige en Rechtvaardige. Het gaat hier niet zomaar over een heilige en een rechtvaardige die onschuldig is overgeleverd, verloochend en zelfs gedood. Nee, het gaat om dé Heilige. Namelijk het beloofde Zaad; Hij die was aangekondigd, niet alleen al in het allereerste begin bij Abraham, Isaak en Jakob, maar ook door de profeten. Waar Petrus impliciet naar verwijst, zijn bijvoorbeeld de profetieën van Jesaja, die ook over de Heilige en over de Rechtvaardige spreken, en over de Knecht, de jongen van Yahweh. Petrus zegt: "Jullie hebben de Heilige en Rechtvaardige verloochend." Het was zelfs nog erger: jullie begeerden dat een man die een moordenaar was — dat was Barabbas, zo weten we uit de evangeliën — bij wijze van gunst aan jullie zou worden geschonken. Dan worden ze voor de keuze geplaatst tussen iemand die volstrekt onschuldig en rechtvaardig is aan de ene kant, en een moordenaar aan de andere kant. Niettemin kiezen ze, ondanks de tegenwerking van Pilatus, voor die Barabbas. Dat hij bij wijze van gunst aan hen zou worden geschonken, geeft precies aan wat het volk heeft gedaan.
Maar wat hier ook wordt gezegd, is een prachtig contrast. Het staat er eigenlijk nog veel mooier dan de NBG-vertaling het weergeeft. In de NBG staat: "En de Leidsman ten leven hebt gij gedood." Dat is al een prachtig contrast, begrijp me niet verkeerd, maar er staat eigenlijk niet de ‘Leidsman ten leven’, maar de ‘Grondlegger van het leven’. Er staat hier een woord — een Grieks woord dat u weer mag vergeten — maar als je een Concordant Version hebt, dan staat er inderdaad ‘the inaugurator’. Dat is de inhuldiger, denk maar aan een inauguratie op de universiteit of wat presidenten doen. De inwijding, de initiatiefnemer. Hij is de Grondlegger van het leven. Dat vind ik een prachtige gedachte. Het idee is niet alleen dat Hij de weg leidt naar het leven, nee, Hij is zelf de grondslag van het Leven met hoofdletters. Waarom? Omdat Hij werd opgewekt uit de doden, en dat is het grote fundament, de rots waarop het leven is gebaseerd. Aan het begin van deze samenkomst refereerde ik er in mijn gebed al aan: Hij is als Eersteling verrezen uit het graf. Het leven dat Hij aan het licht bracht en dat de dood achter zich heeft, zal zich als een steen die in het water gegooid wordt in steeds wijdere kringen verspreiden, totdat uiteindelijk heel de vijver, om zo te zeggen, vervuld zal zijn en het leven zal ontvangen dat Hij aan het licht bracht. Hij is de Grondlegger van het leven, de Inhuldiger. Bij Hem begint het allemaal. In feite verwijst deze term dus naar Zijn opstanding.
Ooggetuigen van de Opgestane ↑ hoofdstukken
En wat Petrus hier zegt, is: diegene die jullie hebben gedood, die heeft God opgewekt. God heeft Hem opgewekt uit de doden, waarvan wij getuigen zijn. En kijk, in feite was dat natuurlijk geen verrassing. Dit was geen nieuws voor de volksgenoten tot wie Petrus zich nu richt. Ik bedoel, dat zij Hem hadden overgeleverd en dat ze begeerd hadden om een moordenaar te verkiezen boven Jezus; dat wisten ze allemaal, dat was recent en het was hun niet onbekend.
Dus Petrus zegt dit niet als nieuws, maar hij vlecht het erin. Het gaat hem ook niet om de beschuldiging, maar hij stelt de feiten vast. Zo is het gegaan. En dat is van belang, want als je wilt begrijpen – want daarom waren ze toch bij elkaar? Waarom waren ze samengedromd? – als je wilt begrijpen wat er met deze man is gebeurd, dan moet je weten in wiens naam dat is gebeurd.
Namelijk in de naam van Hem die de Grondlegger is van het Leven. Jullie hebben Hem gedood en God – de God van onze vaderen – is degene die Hem heeft opgewekt uit de doden. En wat Petrus zegt is: daarvan zijn wij getuigen. Jullie hebben Hem gedood; dat is eigenlijk het contrast. En wij zijn getuigen van het feit dat God Hem uit de doden heeft opgewekt.
En als hij spreekt over 'getuigen', dan is dat echt een juridisch begrip. Een getuige is een ooggetuige; iemand die werkelijk onder ede kan bevestigen wat hij gezien heeft. Nou, Petrus was zo iemand; hij was een ooggetuige van de Opgestane. Niet zozeer van de opstanding zelf, maar van de Opgestane. Net zoals de andere twaalf ook, en sterker nog, de honderden anderen die daar allemaal ooggetuigen van waren. En dat blijkt ook wel, want dat verklaart meteen waarom Petrus hier direct op wijst.
Volkomen Herstel Door het Geloof van Zijn Naam ↑ hoofdstukken
Want hij zegt: "En op het geloof van zijn naam..." Ik heb dat hier cursief staan. Ik weet niet precies wat er in de vertaling staat – in de NBG bijvoorbeeld – zoals in de meeste vertalingen, maar die 'in' staat hier weer. Dat is leuk geprobeerd, maar het is incorrect. Het is niet het geloof 'in' zijn naam. Ik zeg niet eens per se dat het onjuist is, ik zeg alleen dat het er niet staat. Want je kunt natuurlijk altijd verdedigen dat die man toch ook geloofde? Dan zeg ik: ja, dat zal wel zo zijn, maar daar gaat het hier niet om. Het is het geloof 'van' zijn naam. De naam van Jezus Christus staat feitelijk voor wie Hij is. De naam is een uitdrukking van wie Hij is, namelijk Yeshua, Yahweh Redt; Hij is de Messias, de beloofde Gezalfde en bovendien de Nazarener.
Welnu, het geloof van zijn naam heeft zijn naam deze man, die jullie zien en kennen, sterk gemaakt. Ik bedoel die veertigjarige verlamde die daar zat en daar lag; die kenden zij allemaal. Die hebben ze daar altijd gezien. Hij lag daar altijd te liggen en te bedelen. Hij kon ook niets anders. Hij was onvermogend, ook in de zin dat hij geen geld had en daarom daar voor de poort lag. Maar hij was ook niet in staat om te staan of te lopen of te springen. Jullie kennen hem, jullie zien het, en hij is nu sterk gemaakt. Hoe komt dat? Dat is niet door onze eigen kracht geweest, en ook niet door onze verering of onze godsdienstigheid.
U weet hoe dat vaak gaat in de christelijke wereld: "Hoe komt het dat iemand genezen is? Ja, we hebben heel erg hard gebeden, of heel erg hard of heel erg lang, of met heel veel mensen gebeden." Dan wordt de kracht gezocht in het gebed. Maar Petrus zegt: "Nee hoor, het is niet onze eigen kracht en ook niet onze eigen verering die dat heeft gedaan." Nee, er is maar één reden: de God van onze vaderen heeft vervuld wat Hij beloofde, namelijk in Zijn naam. Zo is het ook gegaan. Vergeet niet dat die man daar lag en verwachtte een aalmoes te krijgen. Hij keek omhoog; daar begint het geloven natuurlijk al. En Petrus zegt: "Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus, de Nazarener: wandel!" En hij spreekt hem aan.
Hoe komt het nou dat die man genezen is? Dat is het geloof van zijn naam. Zijn naam heeft degene die jullie zien en kennen sterk gemaakt. Niet Petrus' kracht; de naam van Jezus Christus heeft hem hersteld. Dat is gewoon een feit. Ziet u trouwens ook dat Petrus niet alleen maar een ooggetuige is? Zij hebben niet alleen maar van deze dingen gesproken. Het was onmiskenbaar: het graf was leeg en het kon niet anders. Maar ze hebben het ook gedemonstreerd. Dat is wat in Handelingen altijd heel sterk benadrukt wordt: het volk krijgt het bewijs geleverd door wondertekenen. Ze hoorden het niet alleen, maar ze zagen ook met hun eigen ogen wat hier heeft plaatsgevonden. En die man aan wie dit was gebeurd, hield hen vast. Hij kon alleen maar bevestigen wat Petrus hier zei, zodat het hele volk niet alleen hoorde van een ooggetuige van de Opgestane, maar ze zagen ook de kracht van die naam opnieuw gedemonstreerd. Hoe krachtig is dit getuigenis? Alle zintuigen worden hierbij aangesproken. Het volk krijgt het te horen, maar bovenal ook te zien. Het bewijs wordt geleverd.
Jullie zien hem en kennen hem. Zijn naam heeft deze sterk gemaakt, en "het geloof door hem". Namelijk het geloof dat de Heer werkte bij Petrus en Johannes. Het geloof door Hem. Dus Hij, vanuit Zijn naam, heeft dat geloof bewerkt bij zowel Petrus en Johannes, die zeiden "In zijn naam: wandel", als bij de man die omhoog keek en aan wie dit gebeurde. Hoe komt het dat een mens gelooft? Ik had daar deze week nog een gesprek over. Oh, dat is zo moeilijk, altijd weer. Hoe komt het dat je gelooft? Het hele evangelische christendom roept in koor: "De mens heeft een vrije wil, ik heb gekozen. God heeft alles gedaan, maar aan de mens is de finishing touch. We hoeven alleen maar te geloven." God zou de redding dan mogelijk hebben gemaakt, maar de laatste, de echte, de definitieve stap die de redding realiseert, die is aan de mens. En waar is dan het roemen? Uiteindelijk red je dan jezelf. Hij heeft de redding mogelijk gemaakt, maar jij redt jezelf. Dan heb je weer eer voor jezelf en heb je in feite de hele boodschap van genade weer om zeep geholpen.
Want u zegt misschien: "Ja, maar het is toch bijna niets wat een mens hoeft te doen?" Ja, maar dan is het niet gratis meer. Als ik er één cent voor moet betalen, is het niet gratis meer. Ga niet zeggen: "Het is niet duur." Nee, dat is met recht een goedkoop evangelie. Men zegt heel vaak dat wat hier verteld wordt — als je zegt dat Hij de Redder van alle mensen is — een goedkoop evangelie is. Nee, het is gratis. En gratis is ook goedkoop in de zin van kosteloos. Dit is zo wezenlijk.
Er wordt heel vaak gedaan alsof het bij de redding van allen alleen zou gaan om de reikwijdte, alsof de omvang de eigenlijke 'clue' is. Ik zeg niet dat het onbelangrijk is. Het gaat erom dat God de hele wereld gaat redden. Dat doet Hij ook, want Hij is de Redder van allen, de Rechtvaardiger van allen, de Levendmaker van allen en de Verzoener van het al. Maar het gaat niet alleen maar om de reikwijdte; het gaat om de aard van genade. Om wat genade is. Namelijk of een mens, of welk schepsel ook, er ook maar enige bijdrage aan geleverd heeft. Op het moment dat je dat betwijfelt of tegenspreekt, heb je geen genade meer. Daarmee heb je de hele reikwijdte — dat het verschenen is aan alle mensen en dat het geheel omvat — ook tenietgedaan. Het begint bij de essentie van wat genade is: dat elke menselijke bijdrage volstrekt futiel en nihil is. Dat is het.
En als er geloof is, dan is geloof altijd de weg waardoor God zegent. Dat is absoluut waar. Als mensen zeggen: "Geloven is toch ook heel belangrijk?", dan zeg ik: "Jawel, dat is ook zo." Hoe redt God? Altijd door geloof. Dat is een middel waardoor Hij redt. Maar ga nou niet denken dat dat iets van de mens is. Dat is volledig van Hem. Als een mens gelooft, dan komt dat omdat Hij ogen opent en oren opent en harten opent. Hij is het die een mens overtuigt. En het feit dat ik overtuigd ben, dat komt omdat Hij mij overtuigd heeft. En wiens eer is dat? Ja, Zijn eer natuurlijk! In Efesiërs 2 staat het allemaal heel duidelijk. En als iemand dan zegt "je eigen verantwoordelijkheid", dan ben je daar toch weer mee bezig. Ik hoor die vraag er soms tussendoor. Maar dat hele idee van verantwoordelijkheid... Hier wordt het volk ook aangesproken en dat is wellicht een mooi bruggetje.
Jullie hebben Hem gedood. Dat is waar? Was dat de verantwoordelijkheid van het volk? Dat is een hele goeie, hè? Ja, in zekere zin wel. Want zij hebben het gedaan. Ik bedoel, want Petrus zei niet: de Romeinen of Pilatus hebben primair daarvoor verantwoordelijkheid. Jullie hebben het initiatief genomen. En zij worden daarom aangesproken. En wie zijn schuldig? Zij. Dus zijn zij verantwoordelijk? Ja, tussen aanhalingstekens.
Maar nou lezen we gewoon even verder. En dan zeggen ze van: ja, maar juist daardoor heeft God dat gedaan. Ik bedoel, God is de regisseur van alles. Hij plaatst de dingen. En als een mens mag geloven, dan is dat geheel Zijn werk. Marjolein, misschien mag ik eventjes nog doorlezen, want dan wordt het antwoord eigenlijk gewoon zo in de schoot geworpen. Want er staat: het geloof door Hem heeft hem dit volkomen herstel gegeven in uw aller tegenwoordigheid.
En ja, die man was dus het volkomen herstel. Hij is volkomen intact. En dat is niet alleen maar dat hij genezen is, maar hij kreeg ook nog eens een keertje – het was inclusief – een instant revalidatie, toch? Die man kwam ineens, hij kon springen. Hij kon eerst springen en toen kon hij lopen. En dan lees je ook nog van, wat was het, dat allemaal in één keer. Dus hij was niet alleen maar in één keer genezen, nee, maar volkomen hersteld. En hij kon dingen die hij nooit eerder heeft gekund.
Het geloof in zijn hart, ja absoluut, wat God... het geloof in zijn hart. En het geloof door Hem, dat wil zeggen: Hij werkt dat geloof, heeft hem dit volkomen herstel gegeven in uw aller tegenwoordigheid. Als ik het even mag samenvatten wat Petrus tot dusver heeft gezegd, want dit is zijn eigenlijke eerste uitleg, dan krijg je een hele mooie structuur. Ik wil die u niet onthouden. Dan krijg je dus in vers 12: wordt eerst het wonder gemeld, en dan zegt hij eerst negatief: het is niet door eigen kracht. En dan vervolgens krijg je: God verheerlijkte Zijn knecht, Zijn jongen, en jullie verloochenden en doodden Hem.
En dan vervolgens weer dezelfde structuur: God deed Hem opstaan. En dan vervolgens eindigt dit weer met het wonder. En nu wordt er positief gezegd: het is niet door zijn eigen kracht, en dat eindigt met: het is door Zijn naam. En dan krijg je zo'n mooie structuur, dat heet inversie. Ik kan wel zeggen: het is naar het midden gekeerd. De essentie ligt hier eigenlijk ook. Het middelpunt van 'jullie verloochenden en doodden Hem'. En daaromheen: het was God die Hem, in tegenstelling tot wat jullie hebben gedaan, heeft verheerlijkt, namelijk door Hem te doen opstaan.
En nu komt het. Want nu kom je bij de vraag van: maar in hoeverre, Marjolein, is het nou de verantwoordelijkheid van dit volk geweest? Ze zijn hier op aangesproken. Ik heb altijd een beetje moeite – als ik dit paadje mag bewandelen – een beetje moeite met de gedachte van 'God is verantwoordelijk'. Ik begrijp wat men daarmee bedoelt, maar ik zal het nooit zo gauw zeggen. Want het idee bij verantwoordelijkheid... het is al sowieso geen Bijbels begrip, hè? Kijk maar in de concurrentie naar het woord verantwoordelijkheid. Je zal het nooit tegenkomen. Het is geen Bijbels begrip. Ik zeg niet dat je het woord niet mag gebruiken. Ik stel gewoon vast: het is geen Bijbels begrip, en dan moet je altijd enorm uitkijken.
Maar als je nou de vraag stelt: is God verantwoordelijk? Nou, eigenlijk niet. Want verantwoordelijk wil zeggen dat je verantwoording moet afleggen. Moet Hij verantwoording afleggen? Ik dacht het niet, hè. In het boek Job wordt daar iedere keer een poging toe gedaan. En God zegt: wie denk je nou wel dat je bent? God is geen verantwoordingsschuldige. Dus hoe zit dat nou met verantwoordelijkheid? Nou, zegt Petrus dit...
Menselijke Onwetendheid Vervult Gods Raadsbesluit ↑ hoofdstukken
En nu, broeders, ik weet dat jullie in onwetendheid hebben gehandeld, zoals ook jullie oversten. Ze hebben daar geroepen bij dat praetorium van Pilatus en Herodes; ze hebben geroepen: "Kruisig Hem!" Ook en vooral ook de oversten die daartoe het initiatief hebben genomen. En Petrus zegt: "Jullie hebben het gedaan. Het is duidelijk, het is niet te loochenen." Jullie verloochenen het wel, maar dit feit is niet te loochenen. Maar jullie hebben in onwetendheid gehandeld, zoals de Heer Jezus dat trouwens ook al aan het kruis zei. Toen Hem dat werd aangedaan, was het eerste gebed dat Hij bad: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen."
Dat is aangrijpend. Waren ze verantwoordelijk? Zeg het maar. Ja, dat wil zeggen: zij moeten antwoord geven. In die zin zijn zij dus verantwoordelijk. Zij moeten namelijk – dat is wat het woord betekent – antwoord geven. In het Engels heb je het woordje responsibility. Dat is eigenlijk ons woord verantwoordelijkheid, maar het is letterlijk de ability, de mogelijkheid tot respons. De mens heeft inderdaad het vermogen om antwoord te geven, om te responderen op dat wat er gevraagd wordt. Dat is waar. Dus heeft een mens verantwoordelijkheid? Ja, zeker. Maar God is de grote Regisseur.
Als een mens de grootste misdaad begaat die ooit in de menselijke geschiedenis heeft plaatsgevonden – want dat is toch wat er toen in het jaar 30 plaatsvond, dat de Messias nota bene door Zijn eigen volk werd overgeleverd en gedood – dan is dat de grootste misdaad ooit. Maar men wist niet wat men deed. Men wist het echt niet. Je leest eerder in de evangeliën al dat de Heer zegt dat als de Zoon des mensen gelasterd wordt, het je vergeven zal kunnen worden. Maar er komt een tijd dat de Heilige Geest – ik parafraseer – dat jullie de Heilige Geest zullen lasteren, en dat zal niet vergeven worden. De zogenaamde onvergevelijke zonde. Maar die is niet onvergevelijk hoor. Er staat dat die niet vergeven zal worden, noch in deze, noch in de toekomende aion. Het woord "nooit" bestaat in dit verband niet; dat hebben mensen verzonnen omdat ze geen kaas gegeten hebben van aionen. Men noemt het allemaal "eeuwigheid" en dan snap je er geen snars meer van.
In feite lees je in het hele boek Handelingen dat de Heilige Geest getuigenis geeft. En dat wordt dan verworpen, en dat zal niet worden vergeven; niet in deze en ook niet in de toekomende aion. Het komt wel goed, maar niet in deze en ook niet in de toekomende aion. Daar moet u nog maar eens over nadenken, ik ga het nu niet verder toelichten. Petrus zegt ook: "Kijk, jullie hebben in onwetendheid dat gedaan. Maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, namelijk dat Zijn Christus moest lijden." Dus jullie wisten het niet? Nee, maar het moest zo gebeuren. Waarom moest dat? Wel, het was voorzegd, dus moest het gebeuren. Je kunt het ook omkeren: het moest voorzegd worden omdat het zou gebeuren.
Hier staat: Zijn Christus moest lijden. Later bij de Emmaüsgangers lees je dat ook, waar de Heer Jezus zich incognito bij die twee mannen voegt: "Moest de Christus niet alzo lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?" Dat moest toch? En beginnende bij Mozes en al de profeten liet Hij zien dat de Christus moest lijden. Zo wordt het altijd ook in het boek Handelingen voorgesteld: het moest gebeuren, God heeft het zo in vervulling doen gaan. Ik vind het geweldig dat bij al het menselijke ongaan, alle menselijke onvermogen en ook alle menselijke misdaden – want we hebben het hier dus nogmaals over de grootste misdaad ooit – het dan nog moest gebeuren. Hoe kon het plaatsvinden? Omdat er Eén is die het een plaats heeft gegeven, en dat is God. Het moest gebeuren. Zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, namelijk dat Zijn Christus moest lijden.
In Handelingen 2 lees je nog – dat was dus eerder, toen Petrus op de pinksterdag sprak: "Deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebben jullie door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood." Denk aan een man als Pilatus. Maar God heeft Hem opgewekt! Jullie hebben Hem gedood, maar er staat hier ook bij: het was naar de voorkennis van God. Ons woord prognose is daar ook van afgeleid. God wist het niet alleen van tevoren; Hij is de Alweter, maar het moest ook zo zijn. Het was naar Zijn bedoeling en Hij had het bepaald. Zo moest het gebeuren en daarom gebeurde het zo. Ik vind het geweldig. Dat is de God die wij kennen. Bij Hem gaat er nooit iets mis. Ik zeg het zo vaak en ik blijf het zeggen, want ik vind het zo'n geweldige waarheid: bij God gaat er nooit iets mis. En wat er ook fout gaat, er gaat niets mis. Wie het verstaat, wie oren heeft om te horen, die hore. En dan krijg je...
Conclusie en Vooruitblik ↑ hoofdstukken
Nu komt eigenlijk de conclusie, maar hier ga ik dan ook meteen stoppen. Want ja, jullie waren onwetend – noodzakelijk onwetend. God wilde dit tot verhulling laten komen. Dus jullie konden dit niet zien, maar nu vertel ik het je alsnog.
En dan zegt hij: "Kom dan tot bezinning en omkering." Ja, waarom? Omdat dan uw zonden uitgewist worden. Dat is een geweldige belofte aan u die hier nu uitgesproken wordt. Want nu krijg je de grote conclusie van wat Petrus nu heeft vastgesteld.
En ik zeg: "Ja, maar wat dan wel?" Nou, dan hebben we weer die mooie zuilengang. Daar gaan we het over twee weken, deovolente uiteraard, over hebben. Het gaat om de grote conclusie die dan vanaf vers 19 komt. Ik had gepland dat ik wel zo ver zou komen, maar u ziet het. Maar bij dezen kan ik melden: dit wordt vervolgd.
UltimateGoodNews