paniek onder de Thessalonikers
07-07-2024 - Geplaatst door Andre Piet7 juli 2024, Urk
In zijn tweede brief aan de Thessalonikers reageert Paulus op de ongerustheid die in hun midden was ontstaan. Op grond van een brief die Paulus hen zou hebben geschreven (dacht men), meende men dat de dag van de Heer al zou zijn aangebroken. Maar hoe is dat te rijmen met wat hij hen eerder onderwees? Zou niet eerst de ekklesia worden geëvacueerd?
Meer nog dan voor de Thessalonikers destijds, is wat Paulus schreef voor ons vandaag hoogst actueel!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Achtergrond van de Tweede Thessalonicenzenbrief
- De Verwachting Tijdens de Handelingentijd
- De Parousia en de Opperbijeenkomst
- Paniek Door een Valse Brief over de Dag Des Heren
- De Apostasia: Afstandneming of Afval?
- De Openbaring van de Mens Der Wetteloosheid
- De Weerhouder Die uit het Midden Moet Verdwijnen
- Het Lot van de Wetteloze en de Grote Misleiding
- Als Eerstelingen Geroepen tot Zijn Heerlijkheid
Achtergrond van de Tweede Thessalonicenzenbrief ↑ hoofdstukken
Een hele goede middag, ook van mijn kant, vrienden. Twee maanden geleden was het dat ik hier op deze plaats stond. De vorige keer mocht Gerard jullie de Bijbelstudie doorgeven en ik heb begrepen dat het allemaal heel goed is gegaan; ik heb daar het een en ander van vernomen en het was een prachtig onderwerp dat hij heeft besproken.
Ik heb vanmiddag ook een, als u het mij vraagt, heel boeiend onderwerp voor jullie. Ik heb deze titel gegeven omdat ik denk dat die aardig de lading dekt van waar het daadwerkelijk over gaat, namelijk wat we lezen in 2 Thessalonika 2. Laat ik, voordat ik specifiek naar dat hoofdstuk toega, eerst even wat vertellen over die brief, zodat we een klein beetje weten waar het over gaat.
Deze tweede Thessalonika-brief is door de apostel Paulus geschreven, zoals wellicht de meesten van jullie zullen weten. Dat is geweest tijdens de anderhalf jaar dat hij in Korinthe verbleef. Dat is het mooie van de brieven die de apostel heeft geschreven – in ieder geval wat de brieven van vóór Handelingen 28 betreft – die zijn allemaal goed te traceren. Ik wil maar zeggen: ze zijn goed te linken aan een bepaald Bijbelvers of in ieder geval een Bijbelhoofdstuk.
In dit geval lezen we dat hij in Thessalonika verbleef, wat staat in Handelingen 17. Vervolgens ging hij door naar Berea en vandaaruit – Berea ligt trouwens hier pal naast – is hij doorgegaan naar Athene. Daar hebben we trouwens ook nog een groot verslag van in het boek Handelingen, want hij heeft daar een beroemde rede gehouden op de Areopagus. Vervolgens is hij vanuit Athene verdergegaan naar Korinthe en daar heeft hij anderhalf jaar – één jaar en zes maanden staat er in Handelingen 18 – verbleven. Dat moet zo ongeveer in het jaar 50-51 van onze jaartelling geweest zijn, dus pakweg twintig jaar na de dood, opstanding en hemelvaart van onze Heer. Zo hebt u een klein beetje een idee wanneer, waar en onder welke omstandigheden dat heeft plaatsgevonden.
Deze brief is heel specifiek – dat zullen we straks nog veel beter bezien – maar het is echt een antwoord op een misvatting, namelijk de misvatting dat de dag van de Heer al zou zijn aangebroken. Paulus reageert daarop. In feite is de eerste Thessalonika-brief die Paulus schreef in diezelfde periode geschreven, dus dat is kort daarvoor geweest. U moet zich realiseren dat dit alles in een heel kort tijdsbestek heeft plaatsgevonden. Paulus is slechts drie weken in Thessalonika geweest, zo lezen we ook in Handelingen 17. Hij heeft daar drie sabbatten achtereen in de synagoge onderwijs gegeven en toen moest hij trouwens weer uitwijken, zoals dat meestal de gang van zaken was, want hij werd op de hielen gezeten. Zo ging hij vervolgens door naar Berea.
Dat heeft allemaal in een hele korte tijdspanne plaatsgevonden, want het is slechts enkele weken later dat hij die eerste Thessalonika-brief schrijft. Nog weer korte tijd later, terwijl hij nog steeds in Korinthe verbleef, heeft hij de tweede brief aan de Thessalonikers geschreven – of de Thessalonicensen, net hoe u ze wilt noemen.
De Verwachting Tijdens de Handelingentijd ↑ hoofdstukken
Het is misschien ook nog van belang – nou, het lijkt mij wel zeker van belang – om nog even dit te melden en goed in acht te nemen in welke tijdspanne dit plaatsvond. Dit is uiteraard geschreven in de Handelingentijd, in die periode van 30 tot en met pakweg 60, 61, 62 na Christus; zeker binnen een generatie van ruim dertig jaren. In die Handelingentijd leefde men in de gespannen verwachting of de Heer in die dagen, in die tijd, in die generatie ook het Koninkrijk voor Israël zou herstellen.
Dat was eigenlijk al de grote vraag meteen in het eerste hoofdstuk. Vlak voordat de Heer Jezus vanaf de Olijfberg Zich onttrok aan het oog en ten hemel voer, lees je dat die vraag tot Hem kwam: "Heer, herstelt U in deze tijd het koningschap voor Israël?" En dan geeft de Heer feitelijk een ontwijkend antwoord. Hij zegt geen ja en Hij zegt geen nee, maar Hij zegt: "Het komt jullie niet toe te weten de tijden en gelegenheden die de Vader aan Zichzelf heeft gehouden."
Maar het leeft wel heel sterk; Hij zegt: "Jullie zullen Mijn getuigen zijn." En juist die onwetendheid is ook een enorme – als ik het zo mag zeggen – missionaire prikkel geweest. Het heeft hen des te meer gemotiveerd om aan Israël te prediken dat Jezus de opgewekte Messias is. Daaraan verbonden was ook de belofte dat, wanneer men tot erkenning van die Messias zou komen die inmiddels is opgewekt en ten hemel is gevaren, Hij ook zou terugkeren en alle beloften en alle profetieën die over Hem zijn uitgesproken in verband met Israël en de volkerenwereld in vervulling zouden gaan. Oftewel: het Messiaanse Rijk zou daar aanbreken.
Dat is de verwachting die zeker ook de twaalf hebben gehad. En ook als later Paulus naar de natiën gaat, is het tot aan het einde van het boek Handelingen eigenlijk niet bekend of het in die tijd zou gebeuren. Aan het eind van het boek vinden we in Handelingen 28 heel duidelijk het antwoord dat aan Israël wordt aangezegd: dat ze het niet zullen zien en dat ze ook niets zouden verstaan, en dat ze ook niet hersteld – of letterlijk gezegd: genezen – zouden worden.
Dus dertig jaar later wordt heel duidelijk dat het niet in die tijd zou gebeuren. Maar in deze tijd, dus gedurende de Handelingenperiode, hing het erop. Het kwam hen niet toe te weten, en die onwetendheid is een belangrijk element dat je goed in de gaten moet houden als je de brieven leest. Goed, nou dat dus even in het algemeen over de setting van de Handelingentijd.
De Parousia en de Opperbijeenkomst ↑ hoofdstukken
Laten we dan meteen maar naar hoofdstuk 2 vers 1 gaan, want dan komt Paulus feitelijk ook tot de eigenlijke point van deze brief. Hoofdstuk 1 is nog min of meer inleiding en aanloop. En dan zegt hij in vers 1 van het tweede hoofdstuk – het is niet zo'n lange brief, maar hoofdstuk 2 is eigenlijk de hoofdmaaltijd, om het zo maar te zeggen. Hij zegt daar – en ik lees vooruit de NBG-vertaling, en alleen als ik afwijk dan geef ik dat even aan, dat zult u vanzelf wel merken: "Maar," zegt hij dan, "wij verzoeken jullie, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heer Jezus Christus en onze vereniging met Hem."
Dit is een onderwerp dat hij ook in de eerste brief heel uitgebreid aan de orde stelt. Het is zeker dat hij hierover ook tijdens zijn korte verblijf in Thessalonica veel heeft gesproken: over de parousia van onze Heer Jezus Christus. Want dat is wat hier gebruikt wordt: de parousia, of eigenlijk de aanwezigheid, de presentie. Paulus geeft dus al aan dat hij nu gaat schrijven over en met betrekking tot de parousia. Van wie? Welnu, van onze Heer; dat is Jezus de Messias, onze Heer Jezus Christus.
En hij zegt daarbij: "en onze vereniging met Hem." Dit is de NBG-weergave. Als u een Statenvertaling heeft, dan staat er: "en onze toevergadering tot Hem." Er staat hier een woordje, epi-synagoge. Dat 'epi' is een voorzetsel dat 'op' of 'erboven' betekent, en daarachter komt 'synagoge'. Eigenlijk is dat het Griekse woord voor een bijeenkomst, een vergadering. Dit is dus zoiets als een 'opperbijeenkomst'. Wat trouwens, als je het strikt letterlijk neemt, een heel adequate weergave is van waar het eigenlijk over gaat. Want daarover had hij in de eerste brief namelijk geschreven in 1 Thessalonicenzen 4. In vers 17, waar hij antwoord gaf op vragen die op hem waren afgekomen, schreef hij dat wij zouden worden weggerukt, geëvacueerd, de Heer tegemoet in de lucht. Dat is een ontmoeting met de Heer daarboven. En aangezien dat een ontmoeting daarboven is, is het met recht een 'opperbijeenkomst', in de meest letterlijke zin van het woord.
Met andere woorden: Paulus gaat schrijven – en dit is belangrijk hoor, want we zullen dit inzicht straks nog nodig hebben – maar het mag ons niet ontgaan dat het hele schrijven dat Paulus nu aan de orde stelt, betrekking heeft op de parousia van onze Heer Jezus Christus en de daarmee samenhangende, daaraan voorafgaande opperbijeenkomst met Hem. Want ja, voordat Hij gaat verschijnen mét de Zijnen, zal Hij eerst daadwerkelijk komen vóór de Zijnen om hen tot Zich te nemen, om enige tijd later ook inderdaad daadwerkelijk met Hem te verschijnen. Maar hij zegt: met het oog op dit onderwerp is het van belang dat jullie niet spoedig je bezinning verliezen of in onrust verkeren.
Paniek Door een Valse Brief over de Dag Des Heren ↑ hoofdstukken
En er was dus, en dat verklaart dan ook meteen de titel, paniek onder de Thessalonikers ontstaan. Paulus corrigeert dat eigenlijk op voorhand ook; hij zegt: "Ik wil niet dat jullie met het oog op dit onderwerp uit de rails lopen," om zo te zeggen, "en dat je je bezinning verliest." In de interlineair wordt het weergegeven met "in opschudding worden gebracht". Het gaat erom dat het denken gealarmeerd wordt. Nou, dat is precies wat paniek is: dat je gealarmeerd wordt. Er is paniek vanwege iets wat binnengekomen is en dat zou er zomaar voor kunnen zorgen dat je in die toestand verkeert. Want dat krijg je als er paniek is; je bent emotioneel geschokt en in opschudding gebracht. Dat is meestal ook het moment dat je niet meer gezond en helder kunt nadenken. Dat is een groot probleem als het er juist op aankomt dat je heel goed, nuchter en scherp denkt. Juist dan ben je het kwijt, zodat vanuit die paniek zomaar een ondoordachte reactie zou kunnen komen. En dat was feitelijk wat daar aan de hand was.
Hoezo dan? Nou, laten we verder lezen. Paulus zegt dus dat jullie niet spoedig je bezinning verliezen of in onrust verkeren. Hij noemt een aantal manieren waarop dat plaats zou kunnen vinden: door een geestesuiting — eigenlijk staat er gewoon "door geest", maar het idee is inderdaad een uiting van geest. Geest kun je niet zien, maar geest kun je wel horen. Dat wil zeggen: een bepaalde boodschap of gedachte. Pneuma heeft een heel brede betekenis; het is iets wat in beweging brengt, maar wat je niet kunt zien. Feitelijk is een woord ook zoiets; als een woord gehoord wordt, kun je het niet zien, maar het doet wel wat. Het brengt in beweging. Hetzij door een geest, hetzij door een prediking — of eigenlijk staat er "door woord". Wat feitelijk geest en woord is; het zijn min of meer synonieme begrippen. Of hetzij door een brief die van ons afkomstig zou zijn.
Het kan trouwens ook heel goed een combinatie van die drie factoren zijn. Namelijk dat er in die brief, die van hem afkomstig zou zijn, een bepaald woord staat en dat daar een bepaalde geestesuiting wordt geclaimd. Dat de Heer, God, de Geest iets heeft bekendgemaakt en dat Hij dat door Zijn woord doet. En dat ze dat hebben opgetekend zodat je... Dit zijn drie dingen, maar ik denk eerlijk gezegd, als ik het goed versta, dat hier gewoon gezegd wordt: er is een brief op jullie afgekomen. "Mijn of onze brief", want ook de naam van Silas wordt genoemd: Sylvanus. Er is een brief bij hen terechtgekomen en men claimde een bepaald woord, en de geest zou dit hebben gezegd. Dan heb je ze alle drie in één, hè?
Dat heeft een mooie naam: pseudografie. Pseudo betekent vals en grafie heeft met schrijven te maken. Dus valsheid in geschrifte. In feite kun je er allerlei mooie namen aan geven, maar het is gewoon pure oplichterij natuurlijk, zeker ook in dit geval. De naam van Paulus wordt geclaimd, maar het is ten onrechte. Paulus zegt ook: "hetzij door een brief die van ons afkomstig zou zijn." Het idee is natuurlijk dat hij helemaal niet van hen afkomstig is, maar er wordt geclaimd dat Paulus de schrijver ervan is geweest. Waarschijnlijk om de waarschuwing of de paniek wat kracht bij te zetten; dat werkt erg goed als je daar een naam onder kunt zetten.
Paulus ondervangt dit trouwens ook door onder elke brief zijn eigen handtekening te zetten. Van veel van zijn brieven weten we dat hij ze niet eigenhandig heeft geschreven, maar dat hij daar een secretaris voor had. Van de Romeinenbrief weten we dat sowieso, die heeft een ander opgeschreven. Van de Galatenbrief ook, maar van het laatste gedeelte zegt hij dat hij het eigenhandig heeft geschreven, maar dat was met "koeienletters". Hij zegt: "Zie met hoe grote letters ik u met eigen hand schrijf." Voor mij is het eigenlijk zo klaar als een klontje: Paulus had een oogafwijking. Ik denk ook dat er hele goede redenen zijn om aan te nemen dat dat nog steeds dateerde van zijn ontmoeting met de Heer, waardoor hij drie dagen blind is geweest. Hij heeft daar altijd de last van gehouden. Dat is een heel boeiend onderwerp, maar daar gaan we nu verder niet over spreken.
Ik wil wel even dit aangeven: juist in deze brief wordt verklaard waarom Paulus inderdaad al zijn brieven ondertekent, ook als hij ze niet zelf optekent. In dit geval zou het dus Sylvanus geweest kunnen zijn die de secretaris is geweest en dat het de boodschap van Paulus is. Maar hij eindigt deze brief in hoofdstuk 3 met een eigenhandige groet. Hij schrijft erbij dat dit een waarmerk is in elke brief: "Zo schrijf ik." Dat was dus om daarmee aan te geven: dat is de persoon. Dat is het hele idee van een handtekening. Kijk, het is ondertekend door die persoon en dat is dus de schrijver. Paulus heeft al zijn brieven dus zo ondertekend. Er is één brief die hij niet heeft ondertekend... maar goed. Terwijl ik het nu zeg, denk ik: ja, maar dan moet ik dat ook uitleggen. Maar dat hoeft niet. Die brief heeft hij in ieder geval niet zelf ondertekend, zodat je het geen Paulinische brief kunt noemen. Oké.
We gaan even verder, want het ging er dus over dat er paniek was. Er was onrust, ze waren in opschudding gebracht. Er was namelijk een brief bij hen terechtgekomen waar de naam van Paulus onder stond — ten onrechte. En wat werd daarin beweerd? Alsof de dag van de Heer, de dag des Heren, reeds aanbrak. In feite is dit de aanleiding. De bewering was dus dat de dag van de Heer reeds aanbrak. En waarom zou dat bij de Thessalonikers zo'n paniek teweeg hebben gebracht? Nou, dat lijkt me niet zo moeilijk. Want juist in de eerste brief had hij geleerd dat voorafgaand aan die dag de Ecclesia zou worden weggerukt, geëvacueerd. En nu zou die dag aanbreken.
Er staat trouwens niet, zoals in de Statenvertaling, dat die dag al spoedig zou aanbreken. Er staat "aanstaande waren", maar dat is niet wat er staat. Alle moderne vertalingen hebben dat inderdaad gecorrigeerd. Het is niet "aanstaande waren", maar alsof die dag reeds aanbrak. Tegenwoordige tijd dus; dat het inderdaad al gaande is, niet dat het aanstaande was. En Paulus had juist in 1 Thessalonika 1 al geschreven dat zij zich vanaf de aanvang van de afgoden hadden afgewend tot de levende God om uit de hemel Zijn Zoon te verwachten. Hoofdstuk 1 vers 10: "Zijn Zoon te verwachten, die Hij, God, uit de doden heeft opgewekt, Jezus, die ons bergt uit de komende toorn" — zo staat het er letterlijk. En in hoofdstuk 5 lezen we natuurlijk dat God ons niet gesteld heeft tot toorn. In hoofdstuk 4 werd dus al gesproken over die evacuatie, over dat weggerukt worden. In ieder geval zou men voorafgaand aan die dag worden geëvacueerd. Dus als het inderdaad waar zou zijn wat in die valse brief stond...
Wanneer men stelt dat de dag al aanbreekt, dan is dat in strijd met Paulus' eerdere onderwijs. Vandaar dat er verwarring en onzekerheid was: hoe zit dat nou? Het is goed om die dag van de Heer nog even scherp te krijgen. Heel duidelijk staat dat bijvoorbeeld in Joël 2, wat later door Petrus op de Pinksterdag wordt aangehaald in Handelingen.
Je leest daar dat die dag van de Heer een heel specifiek kenmerk heeft, namelijk als het gaat over de tekenen aan de hemel. We hebben er zojuist over gezongen, in een heel ander verband trouwens. In Joël 2:31 staat: "De zon zal veranderd worden in duisternis" – oftewel de zon wordt verduisterd – "en de maan in bloed." Een bloedrode maan. En er staat bij: "voordat de grote en geduchte dag des Heren", de dag van Yahweh, "aanbreekt". Die dag wordt dus voorafgegaan door dit teken.
Het is boeiend om te zien waar dat in de profeten nog meer vermeld wordt. Dat ga ik nu niet doen, maar ik wil in dit verband nog één schriftplaats noemen. Hier staat dat die tekenen aan zon en maan zullen plaatsvinden voorafgaand aan de grote en geduchte dag des Heren. In Matteüs 24 lees je eerst over die verdrukking, over de gruwel van verwoesting en hoe zwaar die tijd zal zijn. In Matteüs 24 vers 29 staat: "Terstond na de verdrukking van die dagen..." Het gaat hier over een grote verdrukking zoals die er nooit is geweest en ook nooit meer zal zijn. Daarom heet het ook dé grote verdrukking; het is de grootste verdrukking ooit en daarna zal het nooit meer zo erg worden.
De Heer Jezus zegt dan vanaf de Olijfberg: "Terstond na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven." Haar gewone glans, want ze wordt bloedrood. Het is exact dezelfde gedachte. En dan lees je: "En dan zal het teken van de Ben-Adam, de Zoon des mensen, verschijnen." Er staat ook dat alle stammen van het land het zullen zien. Dat is het moment dat Hij zal verschijnen voor Zijn volk. En Hij zal Zijn uitverkoren volk verzamelen van de einden der aarde.
Wanneer gebeurt dat? Dat is voorafgaand aan de dag van de Heer en na de grote verdrukking van die dagen. Zo krijgen we een wat scherper idee over wat Paulus hen al had verteld over de dag van de Heer. Hij leerde hen dat wij voorafgaand daaraan zullen worden geëvacueerd. Hoe dan ook. Het hele idee dat de Thessalonikers daar op aarde zouden zijn terwijl de dag des Heren al was aangebroken, kan dus niet. Dat was in strijd met wat Paulus hen had verteld. Die brief was daarom sowieso ook qua inhoud vals.
De Apostasia: Afstandneming of Afval? ↑ hoofdstukken
En daarom zegt hij in vers 3, laten we maar even verder lezen: "Laat niemand jullie misleiden, op welke wijze ook." Misschien was het een gewaardeerd iemand met een goede reputatie die dit had geschreven, maar wie het ook is: laat niemand jullie hierin misleiden. Op welke manier dan ook. Want, zegt hij, eerst moet de afstandneming komen. Ik heb het woord hier cursief weergegeven.
Hier is nogal wat om te doen. Ik heb het vertaald als "de afstandneming" en ik geef direct toe dat dat in het Nederlands nou niet bepaald lekker bekt. In de NBG en de Statenvertaling staat: "eerst moet de afval komen". Maar dat is meer een uitleg dan wat er feitelijk staat. In het Grieks staat hier het woordje apostasia. U kent dat woord misschien wel, want het is ook een Engels woord. Apostasia betekent letterlijk dat je ergens afstand van neemt; het komt van apo (vanaf) en stasia, wat te maken heeft met "staan". Het betekent dus letterlijk: ergens vanaf staan, afstand nemen.
In dit vers wordt "de afstandneming" als zelfstandig naamwoord gebruikt. Gewoonlijk wordt dit woord in het Grieks, ook in het Nieuwe Testament, als werkwoord gebruikt: afstand nemen. Dat komt heel vaak voor en dan is het een heel letterlijk "vanaf staan". Het wordt dan vertaald met verlaten of weggaan. Als u al deze schriftplaatsen nagaat, ziet u dat wanneer iemand een plek verliet, hij daar gewoon afstand van nam. Vandaar dat je het idiomatisch kunt weergeven met vertrekken, verlaten of weggaan. Je neemt afstand van een bepaalde plek, een gezelschap of van iemand. Heel letterlijk: als ik straks hier wegga, dan is dat een apostasia van Dirk. Dat is de letterlijke betekenis.
Nu moet ik er iets bij zeggen. Wanneer het als zelfstandig naamwoord gebruikt wordt — en dat is in het Nieuwe Testament eigenlijk maar twee keer het geval — dan wordt het meestal gebruikt als een afstandneming van de dienst aan God. In Handelingen 21 vers 21 lees je dat Paulus ervan werd beschuldigd dat hij "afval van Mozes" predikte. In dat geval klopt het woord "afval" feitelijk wel, want men bedoelde daarmee te zeggen: hij neemt afstand van Mozes. In onze praktijk betekent dat dan dat hij afval predikt. Ook in de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament, komt het woord nog drie keer voor als zelfstandig naamwoord. Sorry dat ik nu even technisch ben, maar ik wil het goed scherp neerzetten. Als zelfstandig naamwoord wordt het daar inderdaad altijd gebruikt in de zin van afstand nemen van de dienst aan God, of afstand nemen van het onderwijs van Mozes. Daarom heeft men de conclusie getrokken dat als het woordje apostasia gebruikt wordt, het "afval" betekent, in de zin van het afval van het geloof.
Maar dat is een uitleg. Want ook in deze gevallen is het wel degelijk een afstand nemen. Dat het een specifieke context heeft, namelijk dat je afstand neemt van Mozes of van het Woord, dat is waar, maar de gedachte blijft hetzelfde: je staat ergens, maar je neemt van die bepaalde plek of positie afstand. Dat is de kern. Als wij het hebben over afval, dan zit daar de gedachte in dat je ergens van "af valt". Je valt nooit naar boven, dus de gedachte van een beweging van een hogere naar een lagere positie zit in ons woord opgesloten. Dat is inherent aan ons woord "afval", maar het zit niet in het Griekse woord apostasia. De gedachte daarvan is consequent altijd, of het nu als werkwoord of als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt, dat je ergens afstand van neemt.
Daarom pleit ik er simpelweg voor om hier "afstandneming" te vertalen. Waarna vervolgens de vraag rijst: welke afstandneming dan? Afstandneming waarvan? Paulus zegt: eerst moet de afstandneming komen. Ik geef u nu meteen alvast een hint, waar ik later nog op terugkom. Is de gedachte hier dat Paulus zegt dat er eerst een afstandneming gaat plaatsvinden van Mozes, van de wet of van het Woord van God? Of denkt hij hier aan een letterlijk vertrek? In de zin dat mensen hier weggaan en afstand zullen nemen van de aarde? In feite is de wegrukking namelijk ook een afstandneming.
U vraagt zich misschien af wat hier de juiste gedachte is. In feite kunnen beide betekenissen op dit punt in het betoog. Want als de mens der wetteloosheid straks gaat verschijnen, dan zal dat inderdaad leiden tot een afstandneming van de wet van Mozes, want die mens der wetteloosheid zal de wet aan de kant schuiven. Dat kan heel goed. Maar ik moet er ook bij zeggen dat voordat de mens der wetteloosheid zal verschijnen, er nog iets anders gaat gebeuren. En dat is dat er iets wordt weggenomen, iets wordt weggerukt. De wegrukking inderdaad.
Als u mij vraagt wat het hier precies is, dan voel ik mij verplicht u erop te wijzen dat hier niet staat "afval", maar "afstandneming". Dat moeten we gewoon vaststellen. Ik zeg het nu alvast: in feite kunnen beide betekenissen. Maar houd die gedachte even vast, want ik kom er later nog uitgebreider op terug. Dit wilde ik er in ieder geval over gezegd hebben: Paulus stelt dat die dag van de Heer nog niet kan zijn aangebroken, want eerst moet de afstandneming komen.
De Openbaring van de Mens Der Wetteloosheid ↑ hoofdstukken
En, zegt hij, ook de mens der wetteloosheid zal zich openbaren. Hij krijgt hier trouwens een drietal namen: de mens der wetteloosheid, de zoon des verderfs en ook nog de tegenstander in het volgende vers. Wat Paulus hier gedaan heeft, is heel duidelijk. In de tijd dat hij in Thessalonica was, heeft hij Bijbelstudie gegeven en ook het boek Daniël behandeld. Dat kan niet anders, want hij refereert daar in deze brieven feitelijk vaak aan.
De mens der wetteloosheid is de figuur die in Daniël 7 wordt genoemd. Dat is de elfde hoorn. Tegen de eindtijd krijg je die federatie van staten van tien koningen, en uit die tien koningen komt er een elfde hoorn voort. In vers 25 van Daniël 7 staat over hem: "Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste." Hij zal de heiligen van de Allerhoogste te gronden richten en zo een verdrukking teweegbrengen. Hij zal eropuit zijn tijden en de wet te veranderen. Trouwens, hij zal ook de offerdienst doen staken. Zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd, tijden en een halve tijd. Eén tijd, twee tijden en een halve tijd; oftewel een jaar, twee jaar en een half jaar. Drieënhalf jaar, wat neerkomt op 1260 dagen of 42 maanden.
Het gaat hier dus heel concreet over de mens van de wetteloosheid. Als er één is die de wetteloosheid belichaamt, dan is hij het wel. Hij zal zich openbaren, zich onthullen. Maar hij wordt ook de zoon des verderfs genoemd, de zoon van de vernietiging. Heel letterlijk ook, want hij zal heel veel vernietigen en verderven. Hij wordt ook de tegenstander genoemd, de tegenstrever, die zich verheft boven al wat God of voorwerp van verering heet.
We hebben het over die figuur trouwens ook al een keertje eerder gehad, over dat beest uit het land, maar ook over het beest uit de zee uit Openbaring 13 vers 5. Je leest ook dat hij geen God zal erkennen, maar juist zelf het goddelijke claimt. Hij verheft zich boven alles wat God of voorwerp van verering heet. Wat hij dan gaat doen — en dat is heel concreet wat hier beschreven wordt — gaat over één specifieke mens die dan zal optreden. Dat zal allemaal voorafgaan aan de dag van de Heer.
Hij zal zich in de tempel van God zetten om aan zich te laten zien dat hij een god is. Dit is in feite het ABC van wat de Bijbel onderwijst in verband met de eindtijd en wat Daniël daarover te zeggen heeft. Hij zal zich in de tempel zetten. Eigenlijk zal hij een beeld van zichzelf in de tempel laten zetten; dat doet hij via zijn kompaan, het beest uit het land. Zonder te veel in details te treden: dat is wat genoemd wordt de gruwel van verwoesting. Een gruwel is een afgodsbeeld.
De Heer Jezus zegt in Matthéüs 24: "Wanneer jullie dan de gruwel van verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats zien staan..." En Hij voegt daaraan toe: "Wie het leest, geve er acht op." Laten degenen die in Judea zijn dan in no time vluchten naar de woestijn. Het markeert het begin van de grote verdrukking op het moment dat de mens der wetteloosheid zich zal onthullen door zich in de tempel van God te laten zetten. Dat is die gruwel van de verwoesting. En ja, dat is geen kinderspel, want in Openbaring 13 lees je ook nog over dat beeld dat het vermogen krijgt levend gemaakt te worden, dat het zal spreken en over het teken van het beest.
Over die dingen heeft Paulus in Thessalonica gesproken. Ik moet er wel bij zeggen: in die dagen... Kijk, als wij spreken over de tempel en dat die mens zich in de tempel zal zetten, dan moeten we erbij zeggen dat die tempel er eerst nog moet komen. De heilige plaats is daar dan wel, maar er is geen offerdienst. Er is nog helemaal geen sprake van een tempel. Dus voordat die mens der wetteloosheid überhaupt de offerdienst kan staken en daar een afvalbeeld voor in de plaats kan zetten, moet er eerst weer zoiets zijn als een tempel.
Toen Paulus dit schreef aan de Thessalonikers, was dat nog niet aan de orde, want daar stond nog steeds die tempel. Het zou nog een kleine twintig jaar duren voordat die tempel verwoest zou worden. Inmiddels zijn we een heel eind verder. Het is overigens interessant dat niet Paulus, maar Petrus aan het eind van zijn leven aangeeft dat het niet in die dagen zou gebeuren. Men moet niet denken in termen van decennia, maar in termen van millennia. Hij spreekt twee keer over een dag en twee keer over duizend jaar. Daarom zie je hoe belangrijk het is om de dingen op een rijtje te zetten en te zien hoe die Handelingen-tijd afwijkt van onze tijd.
Even terug naar het verhaal. Er stond geschreven — nee, zegt Paulus — dat kan helemaal niet, want eerst moet de afstandneming plaatsvinden en ten tweede moet de mens der wetteloosheid zich gaan onthullen door zich in de tempel van God te zetten. Aangezien dat nog niet gebeurd is, kan de dag van de Heer sowieso nog niet het geval zijn. En dan zegt hij in vers 5...
De Weerhouder Die uit het Midden Moet Verdwijnen ↑ hoofdstukken
Herinneren jullie je niet dat ik, toen ik bij jullie was gedurende slechts drie weken, u dit meermalen gezegd heb? Je kunt in drie weken tijd, als je elke dag onderwijs geeft, heel veel vertellen. Dat heeft Paulus daar ook gedaan. Hij vraagt: "Herinneren jullie je niet dat ik, toen ik nog bij jullie was, u dit meermalen gezegd heb?" En nu zegt hij iets waar we echt eens goed een dikke streep onder moeten zetten. Hij zegt: "En jullie weten nu wel wat hem weerhoudt totdat hij zich openbaart op zijn tijd." Met andere woorden, die mens der wetteloosheid gaat zich onthullen, maar jullie weten nu wel, het is jullie inmiddels wel bekend, wat hem tegenhoudt totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Dus er is iets wat die mens der wetteloosheid ervan weerhoudt om openbaar te worden. Dat is wat er staat.
Als Paulus het niet eens noodzakelijk vindt om toe te lichten waarover hij het heeft, komt dat omdat hij zegt: "Dat weten we nu ondertussen wel." Er is iets wat hem ervan weerhoudt om openbaar te worden. Hij kan nog niet openbaar worden; het is namelijk een tegenhouder of een vasthouder, of in ieder geval iets wat hem blokkeert om onthuld te worden. En dat is het grote onderwerp van dit hoofdstuk. Want met het oog waarop schreef hij dit hoofdstuk? Welnu, met het oog op de parousie van de Heer en onze toevergadering, onze opperbijeenkomst tot Hem. Met het oog daarop schreef hij dit hoofdstuk.
Het punt is: zolang wij hier nog zijn, kan die mens der wetteloosheid zich niet openbaren. Niet omdat wij ertegen strijden, maar gewoon: zolang wij hier zijn, kan hij niet komen. Het is net zoiets als met Lot: zolang Lot en de zijnen nog in Sodom waren, kon het vuur en zwavel niet op Sodom neerdalen. Niet omdat Lot en de zijnen dat actief tegenhielden, maar hun aanwezigheid verhinderde het. Zoals ook de zondvloed nog niet kon losbarsten zolang Noach en zijn huis nog geen toevlucht hadden genomen in de ark. Dat hield het nog steeds tegen.
Ook de mens der wetteloosheid wordt weerhouden en pas als die weerhouder verdwenen is, dan kan hij zich openbaren. Paulus zegt in vers 7: "Want het geheim van de wetteloosheid is reeds in werking." Dat was toentertijd zo, en dat is nog steeds zo. Maar er komt een moment dat degene die de wetteloosheid helemaal belichaamt, tot een culminatie komt. Dat is een duur woord, maar het zal culmineren tot grote volheid; dat is het moment dat de wetteloosheid zijn hoogtepunt zal bereiken. Het geheim van die wetteloosheid is reeds in werking; het wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt of vasthoudt, verwijderd is. Of letterlijk: uit het midden zou worden. In idiomatisch Nederlands moet daar het woordje 'verwijderen' staan. Want als iets in het midden is en het komt uit het midden, dan beweegt het zich niet meer in het midden. Dat is dus een verwijdering. Het wordt vanuit het midden verwijderd, die weerhouder.
Die mens der wetteloosheid kan dus niet verschijnen. En nu kom ik weer terug bij mijn andere punt. In vers 3 en 4 was er eerst die mens der wetteloosheid, maar voordat die komt, heb je eerst de afstandneming. En hier zegt Paulus dat de mens der wetteloosheid niet openbaar kan worden omdat hij wordt tegengehouden en die weerhouder eerst uit het midden moet verdwijnen. Begrijpt u nu waarom ik het eigenlijk heel logisch vind om bij de afstandneming juist te denken aan het wegnemen of het verwijderen van die vasthouder? Want dat is toch een afstandneming als hij uit het midden verdwijnt? Dat is toch de afstandneming? Zodat, linksom of rechtsom – of dat nu via de route van de afstandneming is of vanuit dit vers over die weerhouder die uit het midden verdwijnt – ik in beide gevallen uitkom bij het grote onderwerp dat Paulus in de Thessalonikabrieven naar voren brengt, namelijk dat het lichaam van Christus zal worden verwijderd. Dan zal inderdaad die periode van de grote verdrukking komen waarin de mens der wetteloosheid ook zal opereren.
Dit sluit trouwens ook weer helemaal naadloos aan bij Openbaring 12, want daar lees je over die mannelijke zoon. Die wordt weggerukt tot God en Zijn troon; dat is hetzelfde woord. Die mannelijke zoon wordt weggerukt en dan staat er vervolgens dat de vrouw vlucht naar de woestijn, alwaar zij 1260 dagen bewaard en onderhouden zal worden. Dan krijg je dus dezelfde gedachte. In diezelfde tijd lees je dat als die mannelijke zoon naar boven gaat, er oorlog komt in de hemel. Michaël en de zijnen voeren oorlog met Satan en consorten. Eigenlijk is het een heel leger, en die worden op de aarde geduveld. Dan lees je dat zij de vrouw zullen achtervolgen. Dat is het moment dat de Satan, de duivel, de diabolos op aarde komt met al zijn gevolg. Dan krijg je die periode van de grote verdrukking en die vreselijke tijd. Dan is het ook niet meer een geheim van wetteloosheid, dan is het een grote uitbraak van wetteloosheid. Dan houdt niets het meer tegen. Dat is op het moment dat die mannelijke zoon naar boven gaat; dan betekent het dat de mens der wetteloosheid zich ook zal gaan manifesteren.
We hebben het over de paniek die daar onder de Thessalonikers was. Het is heel begrijpelijk dat zij in ongerustheid waren vanwege de boodschap die gebracht werd en de vragen die dat dan opriep. De boodschap dat de dag van de Heer al zou zijn aangebroken. Hoe kan dat dan? Hebben we de boot gemist? Er zou toch eerst een evacuatie zijn, die wegrukking? Paulus zegt: dat is ook zo, en met het oog daarop ga ik jullie schrijven. Eerst die afstandneming en dan zal de mens der wetteloosheid verschijnen en zich openbaren. Dat is precies die mens der wetteloosheid die wordt tegengehouden en vastgehouden totdat die weerhouder uit het midden verdwijnt. Dan kan die mens der wetteloosheid zich volop manifesteren. Zo krijg je een heel consistent verhaal en een eenvoudig te begrijpen boodschap. Maar in al die gevallen ligt daar duidelijk bovenop: eerst is daar dat moment dat wij Hem tegemoet zullen gaan. In feite is dat het grote onderwerp waar Paulus over schrijft. Als die weerhouder verdwenen is, vanaf dan zal de wetteloze zich openbaren.
Het Lot van de Wetteloze en de Grote Misleiding ↑ hoofdstukken
En Paulus zegt er nog meteen bij wat er met hem zal gebeuren. Hem zal de Heer Jezus uit de weg ruimen – dat duurt overigens in ieder geval nog een periode van drieënhalf jaar – door de adem van Zijn mond. De Heer Jezus zal hem machteloos maken door Zijn verschijning als Hij komt. Er komen er dus twee in deze verschijning, en als de Heer Jezus komt, dan zal alles veranderen.
Daarentegen is diens komst, namelijk van de mens der wetteloosheid, naar de werking van de Satan, met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen. Ik geloof ook echt dat wanneer die mens der wetteloosheid geopenbaard wordt, hij zal genezen van een dodelijke wond. Hij zal echt 'doodgeschoten' worden, om het maar even zo te zeggen, en hij zal levend gemaakt worden. In zijn levendmaking, dat wil zeggen op het moment dat hij opstaat, is hij in feite de belichaming van Satan zelf. Vandaar ook dat hij uit de afgrond komt; zijn komst is naar de werking van de Satan. Ik geloof dat hij daadwerkelijk een incarnatie is van de tegenstander zelf op het moment dat hij uit de dood zal opstaan.
De hele wereld zal met grote ogen van verbazing achter hem aan gaan. Het zal ook begeleid worden door allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen. Dat zijn geen goocheltrucs, dat kan ik u wel vertellen. De hele wereld zal met de grootste verbazing door dat wezen op allerlei plaatsen worden misleid. Het gebeurt met alle bedrieglijke wonderen en met allerlei verlokkende ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, dat wil zeggen: die omkomen. Waarom? Omdat zij de liefde van de waarheid niet ontvangen hebben tot hun redding.
Het idee is dat een mens de liefde van de waarheid ontvangt. Er staat niet 'aanvaardt', maar 'ontvangt'. De liefde van de waarheid ontvang je, en zij hebben de liefde van de waarheid niet ontvangen, terwijl dat in het algemeen juist is wat redt: de waarheid. En omdat ze dat niet hebben ontvangen, lezen we in vers 11 – ik ga er nu even snel doorheen en overweeg om het de volgende keer alsnog hierover te hebben, maar ik lees het nu alleen maar even voor: "En daarom zendt God hun dan ook een dwaling die bewerkt dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld die de waarheid niet geloofd hebben, maar hun welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid."
Dat oordeel in de Bijbelse zin is altijd corrigerend. Oordelen zijn gerichten; de dingen worden rechtgezet. Dat zal dan ook daadwerkelijk plaatsvinden. En dan zegt Paulus nog bij...
Als Eerstelingen Geroepen tot Zijn Heerlijkheid ↑ hoofdstukken
Maar, zegt hij, wij behoren God te allen tijde om jullie te danken, door de Heer geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot redding, in heiliging van Geest en geloof van waarheid. Het loutere feit dat je Hem nu mag kennen, is omdat er Eén is die ons heeft uitgekozen. Hij heeft de hele wereld op het oog, maar wij zijn eerstelingen; dat is wat Paulus zegt. En dat wij nu al de liefde van de waarheid hebben ontvangen en daarmee ook tot redding behoren. De eersten die zullen delen in de redding, dat zijn wij die Hem vandaag mogen geloven. Dat is geheel Zijn werk. Hij heeft u als eerstelingen Zich verkoren tot redding, in heiliging van Geest en in geloof van waarheid.
Daartoe heeft Hij jullie ook door ons evangelie geroepen. In Romeinen 8 vers 30 staat hoe dat werkt met de roeping: "Degenen nu die Hij tevoren bestemt, dezen roept Hij ook; en degenen die Hij roept, dezen rechtvaardigt Hij ook; degenen nu die Hij rechtvaardigt, dezen verheerlijkt Hij ook." Het is allemaal Zijn werk. Als je dus nu al tot die eerstelingen mag behoren, dan is dat geweldig. Je bent door die blijde tijding, dat goede bericht, geroepen. Paulus zegt hier: "Daartoe heeft Hij jullie ook door ons evangelie geroepen." En waarom? Tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus. Vergeet dat niet.
Als Paulus spreekt over die geweldige verwachtingen die wij hebben, dan is dat juist om de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus te verkrijgen of te verwerven. Want wat Hij gaat doen als wij straks vergaderd worden, verenigd worden, of die opperbijeenkomst tegemoet gaan om Hem te ontmoeten: wat valt ons dan ten deel? Nou, de heerlijkheid die Hij heeft. Wij zijn Zijn lichaam, dus alles wat Hij heeft, dat bezitten wij.
Paulus zegt dat het hele eindtijdgebeuren in verband met de parousie, het aanbreken van het Koninkrijk, allemaal begint op het moment dat de mannelijke zoon in de hemel zijn positie op de troon zal nemen. Want dan wordt eerst de hemel schoongemaakt en vervolgens de aarde. Het Koninkrijk begint in de hemel en vervolgens wordt het uitgebreid naar de aarde. Zo gaat Gods wil geschieden: eerst in de hemel. Wanneer begint dat? Wanneer de eerstelingen naar boven gaan om als 'mannelijke zoon', als een geheel, daar onze positie in te nemen. Dat is de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus; wij delen in die positie.
Op het moment dat die mannelijke zoon daar in zijn geheel — als totaal, hoofd en lichaam — de plaats heeft ingenomen, dan begint in feite het Koninkrijk. Het is dus niet alleen maar een kwestie dat wij geëvacueerd worden omdat de Heer het zo zielig voor ons vindt om die nare tijd mee te maken. Dat is de gedachte niet. Ter vergelijking: het volk van Israël zal ook door die verdrukking heen gaan, toch? Waarom wij dan niet? Wel, omdat eerst het Koninkrijk gestart moet worden in de hemel. Daarom. Er zit dus een geweldige, grootse en rijke hooggedachte — een concept — achter de boodschap dat we worden weggerukt of geëvacueerd. Zijn heerlijkheid wordt onze heerlijkheid. Nou, dat wilde ik vanmiddag heel graag met jullie delen.
UltimateGoodNews