de onbekende God
24-06-2018 - Geplaatst door Andre Piettoespraak gehouden op zondagmiddag 24 juni 2018 in Zeewolde
Op de markt in Athene bevindt Paulus zich tussen filosofisch georiënteerd publiek. In een stad die vergeven is van afgoden. Als mensen lucht krijgen van zijn denkbeelden dagen ze hem uit daarover eens wat meer te vertellen. Op de Areopagus, het terrein van het hooggerechtshof, zet Paulus uiteen wie die ene GOD is waarvan de Atheners zelf hadden aangegeven, dat zij Hem niet kenden…
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: Paulus in Athene
- De Epicureïsche en Stoïcijnse Filosofen
- Naar het Hooggerechtshof op de Areopagus
- De Toespraak Begint: de Onbekende God
- De Enige God en Schepper van Alles
- Een God Die Niets Nodig Heeft en Alles Geeft
- Gods Bepaalde Tijden en Wij Zijn van Zijn Geslacht
- Oproep tot Omdenken en de Oordeelsdag
- Jezus, de Opstanding en de Reactie
Introductie: Paulus in Athene ↑ hoofdstukken
Ik wil jullie vanmiddag heel graag meenemen naar een gedeelte in het Nieuwe Testament, naar het boek Handelingen. Ik zou hier een testje van kunnen maken: waar denken jullie dat ik vanmiddag naartoe ga? Naar welk Bijbelgedeelte, naar welk hoofdstuk? Zeg het maar. Handelingen 17? Ik hoor het van twee kanten, heel goed! Dat is helemaal juist. We hebben zojuist trouwens al een paar liederen gezongen die daar al helemaal op aansloten.
Op weg hiernaartoe reden Peter en ik achter een grote vrachtwagen en daarop stond de tekst: 'Er is er maar één'. Wij dachten — ik zei dat tenminste tegen Peter — dat zij natuurlijk ook naar deze Bijbelstudie zouden gaan. Alleen, ik moet erbij zeggen: er stond onder 'de goedkoopste'. Er is er maar één de goedkoopste. Dáárover gaan we het dus niet hebben. Maar er is er inderdaad maar één; het gaat over die ene God die volstrekt uniek is. En omdat Hij uniek is, is Hij ook werkelijk God. Hij hoeft Zijn plaats niet te delen.
Wel, dat is wat Paulus ooit daar in Athene heeft verteld. Het is een betrekkelijk bekend verhaal, maar ik denk dat het een goed idee is om het hele gedeelte te bespreken, het in perspectief te plaatsen en ook de voorgeschiedenis te vertellen. Kan iedereen het trouwens goed lezen, ook achterin? Ja? Zo niet, dan is dat jammer; daar kan ik even niets aan doen.
Om een beeld te krijgen van waar we het over hebben: ergens halverwege de vijftiger jaren van onze jaartelling was Paulus zojuist gearriveerd in Athene. Ik zei even 'hier in Rome', maar dat moet Athene zijn; dat is de eerste fout, ik hoop dat het daarbij blijft. Paulus was vanuit Thessalonika gearriveerd in Athene en daar wachtte hij op zijn medewerkers Silas — of Silvanus, zoals hij hem zelf altijd noemt in zijn brieven — en Timotheüs. Terwijl hij daar wachtte, heeft hij trouwens nog heel belangrijke dingen gedaan, want hij heeft toen ook nog een brief geschreven die we in de Bijbel hebben: de eerste brief aan de Thessalonicenzen.
Ik haak aan bij vers 16 van Handelingen 17. Ik ga door een heleboel verzen heel snel heen om een paar dingen er vooral gewoon uit te lichten. Waarom? Omdat ik het wil hebben over de echte boodschap die hij daar ooit in Athene heeft verteld en die zo geweldig groots is. Dat is nog altijd onveranderd. Dat is de boodschap die Paulus onder de natiën mocht vertellen, namelijk van die ene grote God die voor hen onbekend was.
Om een beeld te krijgen, neem ik ook de aanloop naar die toespraak. Terwijl Paulus daar in Athene op hen — dat zijn dus Silas en Timotheüs — wachtte, werd zijn geest in hem geprikkeld. Hoezo? Nou, toen hij de stad aanschouwde, zag hij dat die vergeven was van afgoden. Zo staat het er eigenlijk. De tekst die ik hier heb, is een tamelijk letterlijke weergave van wat we in de grondtekst lezen: de stad was vergeven van afgodsbeelden, en dat prikkelde Paulus.
Dan staat er in vers 17: hij argumenteerde in de synagoge met de Joden — dat zal vooral op de Sabbat geweest zijn, neem ik aan — en ook met degenen die God vereerden; mensen die niet Joods waren, maar die wel sympathiseerden met het Joodse geloof. Bovendien sprak hij dagelijks op de markt met degenen die hij daar toevallig aantrof. Kennelijk heeft Paulus daar ook zijn werkzaamheden gehad, wellicht ook in verband met de tenten die hij maakte, zoals we weten uit een van deze hoofdstukken. In elk geval was hij daar dagelijks op de markt en hij argumenteerde; hij sprak over dingen die er werkelijk toe deden.
De Epicureïsche en Stoïcijnse Filosofen ↑ hoofdstukken
En dan lees je in vers 18: "En ook enigen van de Epikureërs en van de Stoïcijnse filosofen overlegden met hem." Jullie weten waarschijnlijk allemaal wel dat Athene eigenlijk dé stad bij uitstek is die bekendstaat als de stad van de filosofie. De Grieken zijn daar vooral om bekend; trouwens, het woord 'filosofie' is ook Grieks: de liefde voor wijsheid – of voor wat daarvoor door moet gaan. Je hebt allerlei filosofische scholen die tot op de dag van vandaag nog heel bekend en beroemd zijn. Als ik het bijvoorbeeld heb over de Stoïcijnen, daar spreken we nu nog steeds over. Misschien niet zozeer als filosofie, maar je kunt ook vandaag de dag, in 2018, nog stoïcijns kijken, nietwaar?
Eerst even over die Epikureërs. Dat was de school van Epicurus van het eiland Samos. Ik doe hem ongetwijfeld grof onrecht aan, maar het motto van wat hij naar voren bracht, was ongeveer: "Geniet van het leven en wees tevreden." Dat was in die dagen een gangbare en bekende filosofie, en ik zou zeggen dat er wat dat betreft nou ook weer niet zo heel erg veel veranderd is. Dat is nog steeds het adagium van velen, en op zich valt er ook weinig tegenin te brengen, lijkt mij. In feite, als je een boek als Prediker leest, dan zou je daar ook heel veel epikureïsche trekjes in kunnen terugvinden. Afijn, Paulus trof daar dus Epikureërs aan.
Maar hij ontmoette ook de Stoïcijnse filosofen. Hier zie je dus dat woordje 'filosofen': wijsgeren, mensen die liefde hadden voor wijsheid en de school van de Stoïcijnen volgden. Dat 'Stoïcijn' komt van het woord 'stoa', en dat betekent eigenlijk 'de zuilengang'. Hoezo zuilengang? Wel, er was ooit een filosoof, Zeno van Citium, die daar zijn school stichtte. De school had haar naam dus ontleend aan de plaats waar het ooit was begonnen. We weten eigenlijk allemaal wel, misschien onbewust, wat deze Zeno beweerde. Hij zei: aanvaard de wisselingen van het lot – het goede, het kwade, de positieve dingen, maar soms ook de hele zware, negatieve dingen. Die wisselingen van het lot zijn nu eenmaal eigen aan dit bestaan. Aanvaard ze met een gelijk gemoed. Vandaar ook dat wij zeggen dat iemand die de dingen in het leven onaangedaan ondergaat, of dat nu vreugde is of verdriet, stoïcijns blijft. Dat wil zeggen: zich er niet al te veel van aantrekken. De Stoïcijnse school beschouwde het als een groot goed om zo in het leven te staan: je van de wisselingen van het lot niet al te veel aantrekken. Ik moet erbij zeggen dat Zeno, maar ook Epicurus, niet wisten voor zover wat zij vertelden echt wijsheid was; zij kenden niet werkelijk de basis waardoor je ook écht zo in het leven kunt staan. Maar daarover straks meer.
We gaan eerst even verder: "Ook enigen van de Epikureërs en van de Stoïcijnse filosofen overlegden met hem. En sommigen zeiden: Wat zou deze graantjespikker te zeggen hebben?" Ja, zo staat het er echt, want dat is de letterlijke weergave. Als u een Statenvertaling hebt, als een van u die nog leest, of een NBG-vertaling, dan staat er 'klapper' of 'betweter' – iemand die het altijd beter weet. Maar letterlijk staat daar 'graantjespikker'. Waarschijnlijk is de gedachte vooral: iemand die de mooie dingen uit allerlei filosofieën of gedachtegangen er zo uitpikt. Om het heel Grieks te zeggen: dat noemen ze dan eclectisch. Dingen eruit pikken, de mooiste, en dan... Nou, wat die gasten dus eigenlijk over Paulus zeiden, was: "Dat is een graantjespikker." Ze waren nieuwsgierig, maar het spreekt niet al te veel achting uit naar Paulus toe. Er zijn ook Engelse vertalingen die spreken over een 'rook'. Dat is een soort vogel, een roek; is dat niet een spreeuw? Nou ja, in ieder geval geven ze het zo weer als een vogel die inderdaad graantjes pikt. Afijn, zij noemen hem zo en vragen zich af wat hij te vertellen zou hebben.
Anderen zeiden: "Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde demonen." Zo staat het letterlijk. In de meeste vertalingen wordt dat niet zo weergegeven, maar staat er 'vreemde goden'. Het woord is echter 'demonen'. Dat klinkt voor ons wat vreemd, want bij ons heeft het woord 'demon' op voorhand al een negatieve betekenis. Voor de Atheners was dat absoluut niet het geval. 'Demonen' was gewoon de neutrale aanduiding voor hun goden; zo heetten zij. Vandaar ook dat het volgens mij niet juist is wanneer in onze vertalingen demonen worden weergegeven met 'boze geesten', want dan leg je er een bepaalde kwalificatie in die in het woord zelf niet gelegen is. Een demon is gewoon... dat zijn de goden van de volkeren. Zo worden ze in Psalm 96 ook genoemd. In ieder geval hadden zij het idee: Paulus is een verkondiger van demonen die wij nog niet kenden. Nou, ze kenden er toch heel wat hoor, zal ik u vertellen!
Maar waarom dachten ze dat? Wel, omdat hij Jezus en de Anastasis evangeliseerde, oftewel daarover sprak. Dat woordje 'Anastasis' is gewoon het Griekse woord voor 'opstanding'. Je zou het ook gewoon onvertaald kunnen laten. Hij verkondigde Jezus en de opstanding, maar het idee van de Atheners was dat hij vreemde demonen leerde. Waarom? Omdat hij Jezus en de Anastasis evangeliseerde. Ze hoorden hem daarover en dachten dat het een eigennaam was, een god. Dat is een misverstand, maar het is trouwens wel een compliment voor Paulus. Eén ding hadden ze namelijk wel begrepen: hoewel ze eigenlijk niks wisten – ze hadden de klok horen luiden, maar wisten absoluut niet waar de klepel hing – hadden ze wel door dat hij altijd over Jezus en over Anastasis sprak. En wat ze trouwens ook in de gaten hadden, was dat hij evangeliseerde. Dat is bij ons natuurlijk een beetje een versleten woord geworden waarbij we nauwelijks nog een idee hebben wat het echt betekent, maar als je dit weer naar het Grieks terugvertaalt, dan betekent dat gewoon: een goed bericht vertellen. Dat is wat evangeliseren betekent. Evangelie is goed nieuws. Hij bracht goed nieuws; dat is wat ze begrepen hadden. Hij brengt goed nieuws over ene Jezus en over Anastasis, de opstanding. Het is goed nieuws. Dus eigenlijk drie dingen, en dan denk ik: dan heeft Paulus, ondanks het feit dat ze totaal nog geen idee hadden, toch in elk geval prachtige dingen al doorgegeven. Dat was duidelijk.
Naar het Hooggerechtshof op de Areopagus ↑ hoofdstukken
En dan staat er in vers 19: "En ze namen hem mee en ze leidden hem op de Areopagus." Dat betekent de heuvel van Mars, en dat was eigenlijk het hooggerechtshof. Als je nu nog naar Athene gaat – ik ben daar zelf ooit een jaar of twintig geleden geweest – dan kun je dat nog steeds zo bezien. Ik moest daar destijds gauw wegwezen, want het was hartje zomer en snikheet, meer dan veertig graden. En dan in Athene met al die muffe uitlaatgassen... vreselijk. Maar ik ben toen nog wel even op de Areopagus geweest. In die tijd was het de plaats, de heuvel van Mars – dat is wat de naam eigenlijk betekent – waar het hooggerechtshof gevestigd was. Het was echt het centrum van de stad waar hele belangrijke dingen gebeurden. Later komen we nog iemand tegen die een Areopagiet wordt genoemd, wat een lid van het hooggerechtshof was. We komen hem straks aan het eind nog wel even tegen.
Ze namen dus Paulus mee, terwijl ze zo hun vragen hebben, en leidden hem op de Areopagus, zeggende: "Kunnen wij weten wat dit nieuwe onderwijs is waarvan door jou gesproken wordt?" Ze zijn nieuwsgierig, dat blijkt ook wel. Want ze zeggen: "Want jij brengt ons enige bevreemdende dingen ten gehore en wij bedoelen te weten wat deze dingen zijn." En dan staat er in vers 21 zo leuk bij: "Alle Atheners nu en de vreemdelingen die onder het volk daar verbleven, hadden voor niets anders gelegenheid dan iets nieuws te zeggen of te horen."
Dat was dus eigenlijk geweldig wat Paulus in hun beleving deed. Let trouwens op: in de meeste vertalingen wordt gewoon gesteld dat ze voor niets anders tijd hadden dan iets nieuws te horen, maar er staat eigenlijk een vergrotende trap: iets 'nieuwers' te horen. Dat wil zeggen – het komt er eigenlijk op neer – dat nieuw nog niet nieuw genoeg was. Ze wilden nog iets nieuwers vernemen; van het allernieuwste wilden ze op de hoogte komen, vooral als het gedachtegangen en filosofieën betrof. En daarom zijn ze geïnteresseerd in Paulus en nemen ze hem mee. Paulus wordt dus eigenlijk uitgedaagd om zijn verhaal te doen. Nou, dat hoef je aan Paulus maar één keer te vragen. En dan lees je:
De Toespraak Begint: de Onbekende God ↑ hoofdstukken
Paulus staat daar in het midden van de Areopagus en hij verklaart met nadruk: "Mannen, Atheners." Het is werkelijk zo fraai en buitengewoon leerzaam. Ik zei al dat ik er met grote passen doorheen ga; dat kan ik niet anders doen bij zo'n gelegenheid als vanmiddag, maar je zou daar eigenlijk eens heel nauwkeurig studie naar moeten doen. Het is enorm leerzaam hoe Paulus het bij deze gelegenheid aanpakt.
Een van de dingen die bijvoorbeeld heel opvallend zijn, is dat Paulus in de toespraak die hij nu gaat houden, zich niet één keer beroept op de Schriften. Eigenlijk kun je heel gemakkelijk verdedigen dat zijn hele toespraak door en door Bijbels is. Dat wil zeggen: het is doorspekt van referenties aan wat er in de Schriften, in zijn Bijbel — de Tenach, de Hebreeuwse Bijbel — stond. Het wemelt ervan en hij verwijst er in zekere zin voortdurend naar, maar hij beroept zich er nooit op. Dat is ook logisch, want dat zou in dat gezelschap totaal geen indruk hebben gemaakt. Kijk, als hij op de sabbat in de synagoge was onder de Joden, dan kon hij zeggen: "De Schriften gaan open," en dan ging hij hen overtuigen: "Hier staat het, daar staat het." Maar dat had in het gezelschap van die Atheners natuurlijk totaal geen zin. Dus hij laat zien wat er in de Schrift staat zonder de Schrift zelf daarbij aan te halen, te citeren of zich daarop te beroepen. Dat doet hij niet, en toch is zijn toespraak werkelijk geweldig waardevol.
Wat trouwens ook opmerkelijk is: aan de ene kant beroept hij zich niet op de Schrift, maar wat hij wel doet, is dat hij zich soms beroept op hun eigen schrijvers, hun eigen dichters en hun eigen filosofen. Dat is wel weer boeiend; hij zoekt aansluiting. Hij zoekt een connectie, want Paulus wil uiteraard niet alleen maar iets bekendmaken, hij wil ook dat wat hij te melden heeft overkomt en begrepen wordt. Paulus doet hier het maximale, let maar eens op hoe hij dat in het navolgende inzet.
Dan zegt hij dit in zijn intro: "Mannen Atheners, ik aanschouw jullie van alle kanten als buitengewoon religieus." Dat is zo mooi, want hij begint zijn toespraak met een compliment. Terwijl we zojuist in vers 16 hadden gezien dat hij in zijn geest geprikkeld was door de vele afgoden. Hij had dus van leer kunnen trekken tegen al die afgoden. Reken maar dat dit voor een Jood die dagelijks het Sjema op zijn lippen heeft — "Hoor Israël, er is er maar één" — een ergernis moet zijn geweest. Of in ieder geval, laat ik het anders zeggen, het moet pijnlijk zijn geweest om al die misconcepten en al die afgoderij daar te zien. Hij werd geprikkeld in zijn geest, maar niets van irritatie of verwijt komt over zijn lippen. Geen enkel verwijt horen we van Paulus in deze toespraak aan hun adres.
Hij keert het zelfs om; hij vat het niet op als negatief. Je kunt van alles zeggen: je kunt zeggen het glas is halfvol, of je kunt zeggen het is halfleeg. Van die vele afgoden kun je zeggen dat het afgodisch is, maar je kunt ook zeggen: "Ik heb gezien dat jullie buitengewoon religieus zijn." Waar denk je meer mensen mee te kunnen winnen? Uiteraard begreep Paulus dat ook. Hij zegt: "Ik heb van alle kanten gezien dat jullie buitengewoon godsdienstig en religieus zijn, want toen ik door uw stad ging en de voorwerpen van jullie verering goed bekeek, toen vond ik ook een voetstuk waarin was opgeschreven: aan de onbekende God."
Ik wil hier even een aantekening maken, want als je een NBG of een Statenvertaling hebt, dan staat hier dat hij een altaar zag met een opschrift. Maar het woord altaar is in het Grieks een ander woord. Het komt ook in het Nieuwe Testament voor, maar het is hier gewoon een ander woord. Hier wordt een woord gebruikt dat letterlijk afgeleid is van 'voet'. Het is een voetstuk. Wat hij zag, was gewoon een lege sokkel. Dat begrijp je meteen ook als je de inscriptie leest. Ik stel me zo voor: dit is dan een voetstuk, een sokkel, alleen zonder iets erop, met daarop de inscriptie "Aan de onbekende God" — op zijn Grieks uiteraard.
Wat stond daarop? Nou, niks, want een God die je niet kent, die kun je ook niet afbeelden. Het hele idee daarachter is dat die Atheners, hoeveel goden zij ook hebben gekend — en het was eigenlijk ongelimiteerd — ongetwijfeld dachten dat ze nog wel een god of een demon vergeten waren. Ter ere van degene die zij vergeten waren, hebben zij een monument gemaakt, een voetstuk met deze inscriptie. Die konden ze verder niet afbeelden, want Hij is onzichtbaar. Het is prachtig dat Paulus juist door dat voorwerp van verering getriggerd werd en dat hij zich daarbij aansluit. "Ik vond te midden van al die beelden en voorwerpen van verering er één die zo bijzonder is. En dat voorwerp... je zou kunnen zeggen dat het ook een afgodsbeeld is, maar nee, het is gewijd aan de onbekende God." Die konden zij niet zichtbaar maken; het was gewoon een voetstuk, meer niet. En precies die God is degene over wie ik jullie graag wil informeren en vertellen.
Feitelijk is dat ook wat Paulus in het midden van de natie eerst moest doen. Let maar eens op: Paulus begint niet over Jezus en de opstanding — daar komt hij wel op uit — maar hij begint eerst te spreken over die ene God. Als dat niet eerst helder is, dat er één God is die werkelijk God is, dan heeft het geen zin om hen te benaderen over Jezus. Eerst moet dat duidelijk zijn: de waarheid van die ene God. Dat is wat Paulus daar doet.
Dan zegt hij: "Wat jullie dan zonder het te kennen eerbiedig bejegenen — want zij hebben er toch maar mooi een monument van gemaakt, gewijd aan Hem als voorwerp van verering — dat verkondig ik jullie." Precies dat, en eigenlijk zou ik ook kunnen zeggen: die. Die verkondig ik jullie. Die God namelijk, degene die jullie niet kennen. Daar gaat het vervolg van deze toespraak over die Paulus daar gehouden heeft. Ik weet niet hoe lang die geweest is, misschien veel korter dan de toespraak die ik vanmiddag houd. Ik houd een toespraak over een toespraak, en je mag aannemen dat wat Lucas hier heeft opgetekend een samenvatting is. Dat is natuurlijk moeilijk te achterhalen, maar in ieder geval is de rode draad volstrekt helder. Over die God spreekt hij. Zijn aanleiding is die lege sokkel met die inscriptie. Dat werd voor Paulus de opstap, het podium, het voetstuk waardoor hij hen kon gaan vertellen wat hij in essentie te melden heeft en waar eigenlijk de hele Bijbel over gaat, namelijk over God. Over de Ene.
De Enige God en Schepper van Alles ↑ hoofdstukken
Dan zegt hij in vers 24 dit. Eigenlijk begint hier zijn echte toespraak, want dat eerste was alleen nog maar zijn aanleiding, de inleiding, en de reden waarom hij dit op deze manier ook gaat bespreken. En dan zegt hij: de God. Let op dat bepaalde lidwoord voor God. Het is niet zomaar een god; zij hadden vele goden. Maar Paulus herkent overigens ergens in zijn brieven ook wel dat er natuurlijk goden in menigte en heren in menigte zijn. Maar, zegt Paulus erbij: voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn.
Dus als het erop aankomt, is er maar één. En begrijp me goed — en ik denk dat het heel belangrijk is om je dat te realiseren — dat is geen kwantitatief verschil. Sorry dat ik een wat moeilijk woord gebruik, maar dat is geen kwantitatief verschil. De Atheners, of de Grieken in het algemeen, die hadden vele goden, maar Israël had er minder; dan praat je over een kwantitatief verschil. Zij hadden er zoveel en Israël had er zoveel. Nee, het is een kwalitatief verschil. Want alleen maar één God kan werkelijk God zijn, namelijk: absoluut.
Slechts één kan almachtig zijn. Op het moment dat er twee goden zijn, dan wordt de macht van de ene god weer beperkt door de macht van de andere god. Ze moeten hun macht delen. Als er een conflict is, ja, dan is er strijd. Maar dat heb je dus niet als er één God is. Er is maar één God. Dé God. En Hij alleen, omdat Hij de enige God is, kan er dus ook geen conflict zijn. Hij is ook absoluut, Hij is almachtig; we zullen het zien. Hij laat ook echt zien in dit gedeelte: God is werkelijk God.
Trouwens, ik wil er ook nog even bij zeggen dat het woord voor God in het Grieks theos is. Dat is eigenlijk afgeleid van een werkwoord. En dat werkwoord betekent: plaatsen, stellen of voor mijn part neerzetten. Daarvan is het afgeleid. En dat betekent dus eigenlijk dat het woordje theos — we kennen dat bijvoorbeeld in het woord theologie, dat ook afgeleid is van theos en God betekent — maar God betekent dus eigenlijk: degene die de dingen neerzet of plaatst. Dat is wat het letterlijk is. En dat werpt meteen ook zoveel licht op Degene die wij kennen: Hij plaatst alles. Kijk, als er meerdere goden zijn, dan plaatst de ene god dit en de andere god plaatst dat. Maar als er maar één God is, dan plaatst Hij alles. Hij geeft alles op Zijn tijd, op Zijn wijze een plek. Dat is wat God is. En als er maar één God is, dan is het dus ook maar één Plaatser. En voor zover er al goden zijn, dan zijn die goden toch uiteindelijk allemaal gewoon neergezet door de Ene, de Grote, de Allerhoogste.
Van hen ziet u hier een getal, dat is nummer 1. Paulus gaat veertien dingen over die God zeggen. De telling die ik hier volg is wat arbitrair, daar moet u me niet op aanvallen, maar het idee is dat Paulus veertien dingen uiteenzet over wie die voor hen onbekende God is. Paulus kende Hem; zij nog niet. En dat neemt hij hen ook niet kwalijk, integendeel zelfs, maar hij wil hen op de hoogte brengen. Wat hij wist, moesten zij ook weten. Dat is buitengewoon belangrijk.
En het eerste wat hij over de God zegt, is: die de wereld maakte en alles wat daarin is. Dat wil zeggen: Hij is de Schepper van alles. Ja logisch, als er maar één God is, dan moet Hij de Schepper zijn van alles. Dus niet zoals de Grieken dat kenden: Zeus die gaat over dat terrein, en dan heb je Venus die gaat over dat terrein, en dan heb je Poseidon en die gaat over de zee. Zo was het toch? Zo hebben al die goden een bepaald gebied, een terrein waar zij de dingen dan beschikten en plaatsten. Maar zo niet in de Schrift, zo niet voor Israël, zoals Paulus dat vertelt. Er is er maar één: dé God. En Hij heeft de wereld — de kosmos staat er eigenlijk — gemaakt en bovendien niet alleen de schepping in zijn geheel, maar ook elk schepsel in het bijzonder. Ieder creatuur is door Hem bedacht en bovendien gemaakt. Ja, niemand heeft zichzelf gemaakt. En dat is Hij: de God is de Schepper van alles.
Nummer 2: deze die Heer van hemel en aarde is. Heer, dat betekent — dat woord kurios — dat Hij de eigenaar, de beschikker, de bezitter is. Aan Hem komt het allemaal toe, wat ook logisch is. Het is allemaal zo logisch, hè? Als je eenmaal begrijpt dat er één God is, dan wordt alles zo volstrekt logisch. En dat verlicht je denken en ook je hart. Ik zal het u vanzelf ook daarin hopelijk duidelijk maken. Die Schepper, omdat Hij het zelf bedacht en gemaakt heeft, is dus ook Heer van hemel en aarde. Het kan niet schelen welke kant u ook opkijkt: Hij is Heer. Van Hem is het. Hij is... hoe staat dat er? De aarde is des Heren. Dat zegt Paulus ergens in zijn brieven trouwens, en het staat ook in de psalmen: De aarde is des Heren en haar volheid. Dat is allemaal van Hem.
Ik moet denken aan wat ik ooit hoorde van een man die Bijbelstudies gaf in Katwijk, de plaats waar wij vandaan komen of in ieder geval wonen. En die man vertelde een keertje tijdens de Bijbelstudie dat hij in het vliegtuig zat, dertig jaar geleden of zo. En dat was 's morgens vroeg. Toen zat hij naast iemand en samen keken ze uit het raampje van het vliegtuig. En toen zagen ze zo 's morgens de zon opkomen. Dat is een fantastisch gezicht; dat er dan licht wordt en u kijkt naar die weidse ruimte, dat blauwe en die wolken daaronder. En ze keken diep onderin en toen zei die man die naast hem zat — "de oom en de visser" heette die — hij zei: "Wat mooi hè? De oom en de visser, allemaal van mijn vader." Ja, zo is het. Nou ja, u kunt er wat op afdingen natuurlijk om te zeggen: alsof het niet zijn vader was. Maar u begrijpt de hint. Het is allemaal van Hem. Hij is Heer van hemel en aarde. Hij heeft het allemaal geschapen en dus bezit Hij het. Hij beschikt het. Het is van Hem. Van wie anders? En, zegt hij er dan bij, waar Hij wel niet in...
Een God Die Niets Nodig Heeft en Alles Geeft ↑ hoofdstukken
God woont niet in met handen gemaakte tempels. Dat staat trouwens in de tegenwoordige tijd: mocht Hij in het verleden ooit al in tempels gewoond hebben, dan nu niet meer. Zelfs Salomo, die ooit die geweldige tempel in Jeruzalem bouwde, zei bij de inwijding al in zijn gebed – je kunt dat nalezen in 1 Koningen 8: "Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb." Natuurlijk moest hij dat huis bouwen, en dat had zijn reden, maar het neemt niet weg dat niets deze God kan vangen. Uiteraard niet, want zelfs de hemel der hemelen kan Hem niet bevatten. Die God is daar namelijk veel te groot voor; Hij is degene die alles omvat.
Van God kun je per definitie nooit te groot denken. Je kunt Hem niet in je concepten, je gedachten of in je 'boxen' plaatsen. Hij is Zelf degene – laten we nog even verder lezen, want Paulus gaat dat straks ook duidelijk maken. Dit is punt nummer vier. Punt nummer drie was dus: Hij woont niet in met handen gemaakte tempels, daar is Hij te groot voor. En Hij wordt ook niet onder menselijke handen behandeld alsof Hij iets behoeft, alsof Hij iets nodig heeft, zoals de NBG-vertaling zegt. Dat woord 'behandeld' is heel interessant, want in het Grieks staat daar het woord therapeuo. Je herkent daar direct het woord therapie in. God hoeft niet behandeld te worden zoals die beelden waar de hele stad vol mee was. Die moesten iedere keer weer hersteld worden, bijgewerkt of gepoetst; er moest van alles aan gebeuren. Welnu, Paulus zegt: die God hoeft niet behandeld te worden. Hij heeft niets nodig. Hij heeft ons niet nodig, wij hebben Hém nodig.
Vergis je niet, die God is ook niet afhankelijk van ons. Misschien mag ik dat toch eens zeggen: ik ben zelf ook traditioneel christelijk opgevoed en ik ben erg blij dat ik met de Schriften van jongs af aan al vertrouwd ben geraakt. Maar het idee dat mij al heel gauw bekroop, was een heel zielig godsbeeld. Je kreeg het idee dat God ooit de wereld maakte en dat het toen in het begin fout ging. Een engel viel – en dat was niet de bedoeling – en vervolgens werd de mens gemaakt en die viel ook. Dat was mede door die engel die ongehoorzaam was geworden. De impressie die ik daarvan kreeg, was dat God toen moest overschakelen op 'Plan B', want dat was niet de planning. Er moest iets anders gebeuren en vervolgens probeert God dan nog te redden wat er te redden valt. Eigenlijk is dat heel sneu. Dat is niet de God die Paulus predikt. Sterker nog, als je dat idee hebt, dan heb je een god in de termen van de Grieken: een 'godje' dat wel wat kon, maar uiteindelijk niet alvermogend is.
God probeert nooit iets. God experimenteert niet, want Hij heeft van het begin af verkondigd wat de afloop zal zijn. Hij beschikt alles, en bij Hem gaat er dus ook nooit iets fout. Als Hij degene is die alles geschapen en bedacht heeft, als Hij de Beschikker en de Heer van alles is, hoe kan er dan ooit iets bij Hem misgaan? Dat besef geeft zo’n enorme rust, want dan heb je werkelijk de God. Hij is het die een geweldig plan heeft en, zoals Job dat ooit moest erkennen aan het einde van dat boek: "Ik weet, o God, dat geen van Uw plannen wordt vereideld." Dat is God. Hij is de Grote en bij Hem gaat er... het is een van mijn motto's: bij God gaat er nooit iets mis.
Waarom niet? Dat staat in punt nummer vijf: "Hijzelf geeft aan allen leven en adem en het al." Alles wat je maar bedenkt. Als je leeft, hoe komt dat? Dat heb je van Hem gekregen. Als je mag ademen, hoe komt dat? Je hebt het van Hem gekregen. Maakt niet uit wat je hebt, alles heb je van Hem ontvangen. We zongen dat destijds wel eens in een opwekkingsnummer: "Alles wat ik heb, dat heb ik van mijn Vader, en alles wat ik ben, dat ben ik door mijn Heer." Dat is precies wat ik bedoel te zeggen. Alles wat ik heb, heb ik ontvangen. Maar ook het loutere feit dat ik er ben, dat mijn wiegje ooit ergens gestaan heeft en dat ik zo gevormd ben – Hij is de Pottenbakker. Ik heb niets van mezelf, ik heb mezelf niet gemaakt. Welk schepsel heeft zichzelf gemaakt? Dat is Hij. God Zelf behoeft niets, het is omgekeerd. Hijzelf geeft aan allen, wie je ook bent en aan iedereen. Het is het werk van Zijn handen; Hij geeft aan alle leven, adem en alles.
Zelfs als je Hem mag kennen, moet je niet denken – dat is een groot evangelisch misverstand als u het mij vraagt – dat jij dat hebt gedaan. "Ik heb voor Jezus gekozen." Dan maak je er weer een werkje van, iets wat op jouw konto staat en wat jij verdiend hebt. Vergeet het maar gerust: als je ogen hebt om te zien, oren om te horen en een hart om te verstaan, dan is dat omdat, zoals dat in de Spreuken staat: "Het oog dat ziet, het oor dat hoort, beide heeft de HEERE, Yahweh, gemaakt." Dat is een reden om Hem daarvoor te danken. Hij geeft leven, adem, alles en dat is een enorm voorrecht. Ook als wij Hem vandaag al mogen kennen: prijs God, Hij heeft je ogen daarvoor geopend. Het feit dat ik mag geloven en dat ik overtuigd ben, dat is passief. Ik bén overtuigd. Wiens prestatie is dat dan? De Zijne. Hij heeft mij overtuigd door Zijn Woord, door Zijn prestatie. En wat valt er dan nog aan eer te behalen? Helemaal niets. Het is Gods gave, opdat wie roemt, zou roemen in de Heer. Maar dan ook in Hem alleen.
Dit zijn van die fundamentele ABC-waarheden die Paulus daar in dat gezelschap in Athene neerlegde. Ik weet zeker dat wij hier in Zeewolde, in een christelijk of een post-christelijk landje, daar nog zo gigantisch veel van kunnen leren. Want dat godsbesef dat Paulus hier neerlegt voor dit volstrekt onwetende gezelschap, is zo groots, zo alomvattend en zo geweldig. Daar kunnen wij ons oor werkelijk nog heel goed te luisteren leggen. We gaan verder, want ik ben nog maar bij punt vijf.
Gods Bepaalde Tijden en Wij Zijn van Zijn Geslacht ↑ hoofdstukken
Trouwens, Hij maakte uit één – Adam, zegt Paulus dan – elke natie van mensen om te wonen op de hele oppervlakte van de aarde. Hij bepaalt de toegemeten perioden, dat wil zeggen de seizoenen en de tijdperken die er zijn. Hij is het die, zowel in de tijd als in de ruimte, ook de grenzen van hun woonplaats bepaalt. Dat heeft Hij trouwens op een hele bijzondere manier gedaan. Al die natiën krijgen een plek; Hij is de Plaatser en geeft ze ruimte. In dat tijdsbestek mogen jullie dit doen, krijgen jullie die ruimte op die plaats. Hij heeft het allemaal geordend naar het volk Israël, zoals we kunnen nalezen in de verzen die hierover gaan. Dat ga ik nu niet doen, maar let erop: Hij bepaalt dat. Hij wijst ruimte en tijd toe, en Hij doet dat perfect, want Hij is God.
Waarom doet Hij dat? Er staat bij: om de God te zoeken. Hij geeft de mensen die periode, hun grenzen en hun plek onder de zon om God te zoeken. Dat is waar het uiteindelijk om gaat. Elk mens zoekt toch naar de reden van zijn bestaan. In die zin is elk mens ook een filosoof: "Waarom ben ik hier in Gods naam? Wat zoek ik hier?" Dan kom je bij God uit. Hij kan niet anders, want Hij heeft je bedacht met een bedoeling. Je bent het werk van Zijn handen, en dat laat Hij nooit meer gaan. Dat is het geweldige van de God die hier wordt neergezet. Dat is de God van wie wij zijn.
Het feit dat een mens zoekt naar de zin van zijn bestaan, geeft al aan dat hij diep in zijn hart weet dat het bestaan zin moet hebben. Diep in je hart weet je: er is een God. Waarom zou je anders zoeken naar de zin van je bestaan? Wie kan werkelijk leven met de gedachte dat het bestaan zinloos zou zijn? Daar kun je niet mee leven. Alleen dat feit al bepaalt je bij God. De mens zoekt om Hem misschien al tastende te mogen vinden, en dan zegt Paulus er heel laconiek bij: "Hoewel Hij zeker niet ver weg is van een ieder van ons." Dat kan ook niet anders, want, zo motiveert hij dat: "In Hem leven wij en bewegen wij en zijn wij." Waar je ook heen gaat, je komt nooit van Hem los.
Ik las vanmorgen nog Psalm 139. Al zou ik gaan wonen aan de andere kant van de zee, daar zou Uw hand mij nog geleiden. Natuurlijk! Ik kom nooit van Hem los. Ik kan nooit ergens heengaan waar ik Hem kwijt ben. Laat ik het anders formuleren: ik kan Hém kwijt zijn, maar Hij is míj niet kwijt. Dat kan niet. Want in Hem leven wij en bewegen wij ons. Waar je ook naartoe gaat, nooit kom je van die God af. Dat is een geweldige evenheid: je komt van God nooit af. Hij heeft je bedacht en Hij heeft een geweldig plan met je. Welk schepsel je ook bent, dat is je geboorterecht.
In Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Dat betekent dat Hij almachtig, alwetend en alomtegenwoordig is. Dat is echt God, dé God. Paulus citeert hier niet de Schrift, maar hij beroept zich op wat meerdere van hun eigen dichters hebben uitgesproken. Paulus kende zijn klassieken en citeert deze uitspraak: "Want wij zijn ook van Zijn geslacht." Moet je je voorstellen wat Paulus hier zegt tegen zijn onwetende, of voor mijn part ongelovige toehoorders. Met instemming citeert hij een van hun filosofen die ooit heeft gezegd: "Wij zijn van Gods geslacht." En Paulus zegt: dat is ook zo. God is de Vader; op een bijzondere wijze die van de gelovigen – dat is een verhaal apart – maar hier gaat het om de gedachte dat God de Vader is van heel Zijn schepping.
Alles komt uit Hem voort, zoals ook in Maleachi 2 staat: hebben wij niet allemaal één Vader? Heeft niet één God ons allemaal gemaakt? We zijn door Hem bedacht en gemaakt, we komen uit Hem voort. We zijn van Gods geslacht. Paulus zegt tegen al die Atheners: wij horen bij Zijn gezin. We zijn van Gods geslacht en daarmee dus ook begrepen in Zijn vaderzorg. We komen uit Hem voort en dat kan Hij niet laten varen.
Concluderend en daarop voortbouwend zegt Paulus: "Daar wij dan van het geslacht van God zijn, van Zijn soort en Zijn huisgezin, moeten wij niet veronderstellen dat het goddelijke lijkt op goud, zilver of steen, of op een beeldhouwwerk van menselijk handwerk en van menselijke gevoelens." Wat Paulus daar in die hele stad Athene juist wel zag. Kijk, het hele idee is: God bedacht ons, niet wij Hem. Alles wat wij construeren in ons denken, of hoe we ons dat artistiek voorstellen en vormgeven, is ontsproten aan ons eigen brein. Nee, God is precies de Andere die óns bedacht heeft. En eigenlijk komt Paulus hiermee al tot zijn punt.
Oproep tot Omdenken en de Oordeelsdag ↑ hoofdstukken
Welnu dan, met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid. Want ze waren onwetend van de God over wie hij hen zojuist in een notendop had verteld. Die kenden zij niet. Tot dusver waren ze gewoon volstrekt onwetend van de ene God. Paulus zegt: met voorbijzien van al die tijden die hieraan voorafgegaan zijn. Hij neemt ze dat niet kwalijk, maar hij zegt dat God nu de opdracht geeft aan alle mensen, overal, dat zij zich zouden bezinnen.
In de meeste vertalingen staat hier 'bekeren', maar dat is niet wat er staat. Het is niet omkeren. De gedachte van metanoia is letterlijk 'omdenken'. Meta betekent inderdaad 'om' of 'na', eventueel 'nadenken'. Noia, dat kennen we allemaal; dat is de denkzin. Het kan ook paranoia zijn, maar nu hebben we het over metanoia. Je denkt dus om – dat is trouwens tegenwoordig een heel bekende en populaire term: omdenken. Dat is wat metanoia letterlijk is. Als je onwetend was, dan ben je nu niet langer onwetend meer, zegt Paulus. Ik heb je verteld hoe het zit: er is één God en die is werkelijk de God. En nu je dat weet: bezin je dan.
God heeft namelijk een dag staan; Hij heeft die al genoteerd en geprikt in Zijn agenda, waarin Hij op het punt staat de bewoonde wereld – de oikoumene – in rechtvaardigheid te oordelen. Dat is een van de dingen waar de profeten altijd over spreken: er komt een dag, de zevende dag – ik heb er vanmorgen in Zoetermeer nog over mogen spreken – er komt die dag dat Hij de wereld zal richten in rechtvaardigheid. En ik zal je vertellen: dat is heel goed nieuws. Weet je waarom? Dan gaat Hij alles wat krom is rechtzetten. Waarom komt Hij? Om alles in rechtvaardigheid... dat wil zeggen: Hij gaat recht doen, de dingen rechtzetten en ook weer terechtbrengen. Dat heeft er allemaal mee te maken. God heeft een dag bepaald waarop Hij dat gaat doen. Nu wijst hij dus naar de toekomst, waarin Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen. Met harde hand misschien, maar in ieder geval altijd met het doel om de dingen recht te zetten en terecht te brengen. En hoe gaat Hij dat doen?
Jezus, de Opstanding en de Reactie ↑ hoofdstukken
En nu komt hij eindelijk bij het punt waar die Atheners ooit over hadden gehoord: over Jezus en de Anastasis. Hij spreekt over een man die God heeft bepaald, namelijk degene die Hij heeft aangewezen door Hem uit de doden te doen opstaan. Paulus is nu dus eigenlijk bij zijn punt gekomen: wie is die man? Welnu, God heeft Hem aangewezen en dat is Jezus. Zijn naam betekent trouwens ook: Yahweh is Redder. God zegt: bij Hem moet je zijn. Hij is degene die God straks naar deze wereld zal terugbrengen, waardoor Hij orde op zaken zal stellen en de wereld in rechtvaardigheid zal richten. Richten, oftewel rechtzetten. God heeft Hem uit de doden opgewekt.
Je zou kunnen zeggen: nu begint alles pas echt. Ik moet er trouwens nog één ding bij zeggen. Er staat iets bij dat in de meeste vertalingen helaas niet uit de verf komt, maar er staat letterlijk: geloof verschaffend aan allen. Wauw! God doet alle mensen geloven. Hij brengt alle mensen tot de erkenning. Dat had God ooit al in Jesaja gezworen: dat elke knie voor Hem gaat buigen en elke tong zal belijden. Paulus citeert dat later ook in de Filippenzenbrief: dat elke tong zal belijden dat Jezus Heer is. Van die man hadden zij eigenlijk nog totaal geen idee; Paulus had Zijn naam zelfs nog niet eens genoemd, maar goed, zij kenden Hem al: Jezus.
Eenmaal zullen ze tot die erkenning komen: Jezus, Hij is Heer. En dat zullen ze dan doen tot eer van die ene God die zij tot dusver niet kenden. Paulus kan hun dat vertellen. Hij zegt: er komt een moment dat jullie hier allemaal van overtuigd zullen zijn. Hij verschaft geloof aan allen. Nu zouden we denken dat Paulus echt verder zal gaan om meer over Hem te vertellen. Maar nee, dit is het einde van zijn toespraak. Want toen zij nu hoorden van de opstanding van de doden, spotten sommigen, maar anderen zeiden: "Nou, we zullen je hierover nog een keer horen."
Dit was namelijk zo on-Grieks, wat Paulus hier naar voren bracht over de opstanding van de doden. Zij kenden het concept van een onsterfelijke ziel, dat was prima, maar geen opstanding van de doden. Terwijl dat voor Paulus juist de clou was. Paulus heeft niet meer kunnen vertellen; sommigen spotten en anderen zeiden heel beleefd – zoals ze dat in het Engels zeggen: don’t call us, we’ll call you. Nooit meer, hè? Eigenlijk was dat een heel beleefde manier om te zeggen: "Nou, dit is een brug te ver."
Maar Paulus heeft in ieder geval, als ik het zo mag zeggen, zijn ei gelegd. De graantjespikker. Dit is de God die hij hun predikte, en dat staat er ook bij. Aldus vertrok Paulus uit hun midden. Hij heeft het gewoon verteld. Zou hij toen vermoed hebben dat we pakweg negentienënhalve eeuw later in Zeewolde nog eens over die toespraak zouden spreken? Want dit is zo geweldig. Hij heeft daar in Athene verteld waar het allemaal om gaat: de ene grote God bij wie nooit iets misgaat.
Sommige mannen werden nu bij hem gevoegd. Ook dat is het laatste waar ik nog even op wijs. Er staat namelijk in de meeste vertalingen, zoals de NBG-vertaling, dat zij zich bij hem aansloten. Maar dat staat er niet. Niet: ze sloten zich bij hem aan. Nee, ze werden bij hem gevoegd. Passief. God had hun harten geopend. Ze werden bij Paulus gevoegd.
Ze worden ook bij naam genoemd, onder wie ook ene Dionysius de Areopagiet. Dat was een lid van het Hoge Rechtshof, dus dat was niet de eerste de beste. Zijn naam is trouwens afgeleid van de Griekse god van de drank. In het Latijn is die wat bekender en dan heet hij Bachus. Maar deze Dionysius was nu nuchter geworden; hij was tot bezinning gekomen en tot erkenning van die ene God. En er was ook nog een vrouw, Damaris, en anderen samen met hen.
Zo heeft God hun verteld van die ene grote God. Voor Paulus was het zo dat hij afsloot met: nu zijn jullie niet langer onwetend. En dat geldt voor ons ook. Als je eenmaal weet van de ene grote God, dan wordt het tijd om je inderdaad te bezinnen en om te denken. Realiseer je hoe geweldig groots dat is: de ene God.
UltimateGoodNews