Abigaïl
17-03-2024 - Geplaatst door Andre Piet17 maart 2024, Den Haag
Abigaïl komen we voor het eerst (en ook vooral) tegen in 1Samuël 25. Zij is de beeldschone en verstandige vrouw van de dwaze Nabal, een grootgrondbezitter wiens kudden door David en zijn manschappen werden beschermd. Omdat hij brutaal weigert om David van voedsel te voorzien, reageert deze verbolgen en wil Nabal en zijn knechten ombrengen. Toen Abigaïl hiervan hoorde verzamelde zij een grote hoeveelheid voedsel en ging David tegemoet. Zij overtuigt David ervan om geen wraak te nemen. Toen Abigaïl Nabal de volgende dag van haar ontmoeting op de hoogte stelde versteende hij en tien dagen later overleed hij. Toen David later van Nabals overlijden vernam kwam hij terug en huwde hij Abigaïl.
Het zou ons niet moeten verbazen dat ook in zo’n geschiedenis een diepere zin gelegen is.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: de Bijbelse Betekenis van Hannah en Elise
- De Naam Abigaïl: Mijn Vaders Vreugde
- Samuël 25: de Gezalfde David en de Dwaze Nabal
- Davids Bescherming Beantwoord met Nabals Ruwe Afwijzing
- Abigaëls Verstandige Ingrijpen en Verootmoediging
- Een Profetisch Getuigenis van Davids Toekomstig Koningschap
- Het Oordeel over Nabal en Davids Huwelijk met Abigaïl
- De Typologische Betekenis: de Ware David en de Ecclesia
- Conclusie: de Rijkdom en Betrouwbaarheid van Gods Woord
Introductie: de Bijbelse Betekenis van Hannah en Elise ↑ hoofdstukken
Een hele goedemorgen, vrienden hier in Den Haag. Wat een voorrecht om hier weer eens te mogen zijn. Wij zijn hier niet zo van de tradities, ik in ieder geval niet, maar toch moet ik erbij zeggen dat er in de loop der jaren als vanzelf bepaalde gewoontes inslijpen. Het is namelijk niet voor de eerste keer dat ik hier de naam van een klein kind mag toelichten. Ooit heb ik dat trouwens ook gedaan voor de namen van onze eigen kinderen, Boaz en Yagin, herinner ik mij vele, vele jaren geleden. Dat zal ergens in 1999 geweest zijn. Ook van Sam en van Jesse heb ik dat ooit mogen doen; Bijbelse namen waar ik een toelichting op mocht geven.
Een maand of wat terug werd mij de vraag voorgelegd of ik dat deze zondag ook wilde doen als het gaat om de namen die nu ook al voorbij zijn gekomen, in verband met het voorstellen van Abby, Hanna en Elise. Ik zal u vertellen: alle drie de namen zijn, hetzij direct, hetzij indirect, Bijbelse namen. Laten we dat maar eens nagaan. Over Abby ga ik het straks uitgebreid hebben, maar laten we beginnen bij Hanna. Dat is een onmiskenbare Bijbelse naam en het betekent 'genadig'. We kennen Hanna natuurlijk vooral als de moeder van Samuël. Er zijn overigens meerdere personen die deze naam droegen; Anna de profetes is in feite dezelfde naam.
Dan Elise. Die naam is wat indirecter ook een Bijbelse naam, namelijk afgeleid van — en dan kun je twee kanten op — Eliseba. Zij was de vrouw van Aäron. Zij is inderdaad niet zo heel erg bekend, maar Eliseba betekent eigenlijk: 'Mijn God heeft gezworen'. Mijn God heeft een eed gedaan of een eed gezworen. Dat doet Hij trouwens niet zo heel vaak, maar bij gelegenheid lees je dat. Dat is eigenlijk om de belofte te bekrachtigen. Gods woord en belofte zijn sowieso vast, maar als Hij een eed zweert — en dat wil zeggen dat Hij de Hoogste aanroept, Hij zweert dan dus in feite bij Zichzelf — dan mag je wel opletten. We kennen de naam vooral als afleiding van Elisabeth, en u weet dat zij de moeder was van Johannes, Johannes de Doper wel te verstaan.
Trouwens, er is een aardige overeenkomst tussen die beide laatste namen, want zowel Hanna als Elisabeth waren onvruchtbaar. Ze konden geen kinderen krijgen. Maar, en dat zie je zo vaak in de Bijbel, door een goddelijk wonder werden deze onvruchtbare vrouwen alsnog moeder. In de Bijbel wordt dat ook zo toegelicht dat hun lichaam eigenlijk 'verstorven' was. Dat is de Bijbelse benaming, lees het maar eens na in Romeinen 4. Dat wil zeggen: niet in staat om leven voort te brengen. Dit fenomeen kennen we vooral al in het boek Genesis van de aartsmoeders; denk aan Sara en de volgende generatie Rebekka, en de generatie daarop Rachel. Je leest ook van hen dat zij niet in staat waren om kinderen voort te brengen. En niettemin: God brengt leven in de dood.
In feite komt daar meteen ook weer die universele Bijbelse waarheid naar voren, namelijk de waarheid dat de levende God sterker is dan de dood. Hij overwint de dood en Hij brengt in een toestand van sterven en van dood leven voort. Feitelijk gaat daar het hele goede bericht, het evangelie, over: dat God de dood overwint. U zegt misschien: je loopt een beetje vooruit over twee weken. Maar ik kan het natuurlijk ook omkeren: we lopen een beetje achter, want al tweeduizend jaar geleden is dat feit historisch bewezen. Op de derde dag na Zijn sterven liet Jezus het graf eens voor altijd definitief achter zich en de steen werd weggewenteld. Sindsdien kennen wij het fenomeen van Leven met allemaal hoofdletters, namelijk leven dat de dood achter zich heeft. Dat is pas echt leven.
Daar spreekt de naam van zowel Hanna als Elisabeth van. God zweert een eed en die eed houdt ook inderdaad in dat Hij Zijn genade bewijst — Hanna — en dat Hij leven doet triomferen over alles. Dus ja, neem me niet kwalijk, maar in die namen... Ik weet niet of daar zo over nagedacht is, maar ik ben blij dat ik in ieder geval nog mag toelichten dat in de namen van Hanna en Elise al een geweldige Bijbelse waarheid besloten ligt. Het maakt je blij: de wetenschap dat er Eén is die alles bedacht heeft, alles gemaakt heeft, en dat Hij trouw is en heeft beloofd. Sterker nog, Hij heeft gezworen en Hij maakt het waar. Hij gaat Zijn genade bewijzen aan elk schepsel. In feite heeft Hij dat ook gedaan en Hij zal het ook volvoeren. Nou, en dan blijft natuurlijk die roepnaam, de eerste naam, nog over.
De Naam Abigaïl: Mijn Vaders Vreugde ↑ hoofdstukken
Abby – u zag het eigenlijk al op de eerste dia die ik toonde – is afgeleid van de naam Abigaïl. Dat is de wijze waarop wij dat uitspreken, of 'Abigail' op z’n Engels, maar Abby is de afkorting daarvan. Ik vond trouwens dat er nogal wat varianten van die naam zijn, ook qua spelling. Grappig is dat 'Abbey' in het Engels eigenlijk een abdij betekent, zoals bijvoorbeeld Westminster Abbey. Dat is feitelijk een afleiding van een abdij en dat heeft weer te maken met een abt, een vader: Abba. Of het nu gaat om Abbey, Abbie, Abiegel of Bigel; het zijn allemaal varianten op dezelfde naam.
De betekenis van die naam is vanmorgen nog niet eens naar voren gebracht, maar dat wil ik bij dezen meteen even zeggen: het betekent 'mijn vaders vreugde'. Ook daar zijn weer verschillende verklaringen voor, maar de naam is in ieder geval uit twee elementen opgebouwd. In de eerste plaats 'Ab', en dat is vader, Abba. En 'Gil' is het Hebreeuwse woord voor vreugde, voor vrolijkheid of levenslust. Dat is heel apart, maar Abigaïl is dus een geweldige naam.
We kennen de naam vooral – en daar ga ik het straks uitgebreid over hebben – als de naam van een vrouw, de vrouw van Nabal. We zullen zien dat zij de tweede vrouw van David werd; eerst was ze getrouwd met Nabal en later met David. Voor de volledigheid moet ik er ook nog even bij vermelden dat Abigaïl trouwens ook de naam was van een zus, of eventueel een halfzus (dat staat te bezien), van David. Dat wil zeggen: het was een van de dochters, of aangenomen dochters – dat is niet helemaal duidelijk – van Isaï. Ik heb de 'bonnetjes' erbij geleverd; u ziet de teksten op de dia's staan, dus u kunt het gewoon nazoeken. Dan weten we in ieder geval waar we het over hebben.
Vanmorgen zullen we ons, en dat is de insteek waar ik voor gekozen heb, beperken tot de bekende Abigaïl. Ik zeg nu wel 'de bekende', maar ik denk dat als ik een test zou gaan doen, er velen hier niet eens zo één-twee-drie zouden kunnen vertellen waar de naam aan refereert of aan welke Bijbelse geschiedenis. Welnu, dan ga ik vanmorgen aan die onwetendheid een einde maken.
Samuël 25: de Gezalfde David en de Dwaze Nabal ↑ hoofdstukken
We gaan naar 1 Samuël 25. Daar vind je de naam van Abigaïl veruit het meest en daar maken we dus ook voor het eerst kennis met haar. Zo spreek ik het dan maar uit. Het is een lang hoofdstuk en zojuist gaf Boy al even aan dat ik een heleboel sheets heb, dat klopt. Maar zelfs dan moet ik nog een heleboel verzen overslaan die ik dan maar voor het gemak moet samenvatten, want het is onmogelijk om het geheel te bespreken. Maar goed, een aantal highlights, een paar hoofdmomenten.
Het begint zo: Samuël stierf. Dit was, over mijlpalen gesproken, een mijlpaal, want in feite komt er met het sterven van Samuël een einde aan de richterenperiode. Dat is niet helemaal correct, want Saul was inmiddels al koning, maar met de dood van Samuël, de laatste richter, komt die periode ten einde. Dan lees je: "Toen kwam geheel Israël bijeen." Want Samuël, dat was toch wel iemand. Men bedreef rouw over hem en begroef hem in zijn huis te Rama. Om even een idee te hebben: Rama is een plaats die enige kilometers boven Jeruzalem gelegen was. Het is nog steeds te bezoeken, een klein plekje. Daar woonde Samuël trouwens ook. Ik herinner mij dat we het in die andere lokaliteit ooit eens uitgebreid hebben gehad over Rama, over Samuël en over Davids verblijf daar.
Terwijl Samuël begraven is, lezen we dat David op weg ging en naar de woestijn Paran trok. Even voor degenen die het niet allemaal op een rijtje hebben: Saul was dus koning en we hebben in de hoofdstukken voorafgaand aan 1 Samuël 25 al het een en ander gelezen over David als één van de zonen van Isaï. Hij was gezalfd en hij had de grote Filistijn, Goliath, al verslagen. Er was al een enorme roep over hem uitgegaan en dat wekte een enorme jaloezie op bij Saul, want die zag wel in dat dit de man was die uiteindelijk koning zou worden. Hoewel David bestemd was voor de troon, werd hij vervolgd. In die periode speelt dit zich dus af: David was weliswaar al bestemd en ook gezalfd om koning te zijn, maar ondertussen leidde hij een zwervend bestaan met een aantal mannen. Later lees je zelfs over vierhonderd of zeshonderd man waarmee hij het land doortrok, met name in het zuiden, want daar gaat het hier over. Hij werd op de hielen gezeten door Saul en daar zijn heel wat geschiedenissen over.
Ik zeg dit eigenlijk ook om alvast een bruggetje te maken of een hint te geven naar de grote David, de echte David, de Zoon van David: de Messias. Hij is vandaag ook wel degelijk al bestemd om de Koning te zijn. Hij is de Gezalfde, de Mashiach, de Christus – want dat is wat Messias en Christus betekenen. Hij is dat daadwerkelijk, maar Hij zit nog steeds niet op de troon in Jeruzalem. Dat gaat gebeuren, en ik bedoel dat heel letterlijk en heel concreet. De Messias zal ooit daar gaan regeren en ik durf inmiddels te zeggen dat we 2000 jaar dichterbij zijn. Ik kan u ook wel verklappen, en dat is geen geheim hier, dat dit binnen niet al te lange tijd de realiteit gaat worden. Hij zal terugkomen en de Zoon van David, die nu nog steeds miskend wordt, straks Koning wordt.
In feite is die hele periode tussen Davids zalving en zijn koningschap, de tijd dat hij vervolgd en miskend wordt, een type of een beeld van de huidige tijd. Ik zeg dat er even bij om meteen de goede mindset te hebben om dit te begrijpen. Het is namelijk niet alleen maar een mooi verhaal of historie die we gaan lezen, maar het is ook typologie. Dat wil zeggen dat het boordevol zit met heenwijzingen. Op een paar daarvan wil ik graag wijzen, dus bij dezen.
Je leest dus dat David op weg ging en trok naar de woestijn Paran. De Septuagint zegt de woestijn van Maon. Dat maakt in dit geval niet zo veel uit, maar het ligt in ieder geval in wat wij de Negev noemen, ten zuiden van Jeruzalem en ten westen van de Dode Zee. Daar lag het plaatsje Maon ook. In vers 2 lezen we: "Nu woonde er in Maon een man die te Karmel zijn bedrijf had." Dat wordt een beetje lastig, want bij Karmel denken wij natuurlijk vooral aan de berg in het noorden van Israël, vlakbij de stad Haifa. Maar over die Karmel gaat het niet; het is een andere Karmel. Het gaat hier over een plaatsje Karmel, kennelijk een boomgaard, want dat is wat Karmel betekent in het Hebreeuws. Dat ligt daar dus vlakbij Maon.
Die man was zeer rijk. Hij bezat drieduizend schapen en duizend geiten. Hij was te Karmel bij het scheren van zijn schapen. Dat wordt erbij vermeld en dat is in de Bijbel altijd een ding. Wat de oogst was voor een landbouwer, was het schapenscheren voor een herder. Het is een jaar geleden dat ik hier ook ongeveer stond – het was ergens in februari – toen we een tweetal bijeenkomsten hielden over Absalom. Toen kwam dit element ook al even aan de orde, want in die geschiedenis speelt een schaapscheerdersfeest ook een rol. Wat een woord, het allitereert zo: schaapscheerdersfeest. Voor een herder is dat een feestelijk gebeuren, en ik geef daar nog wat meer voorbeelden van in de teksten die ik daarbij vermeld.
Die man heette Nabal en zijn vrouw Abigaïl. Kijk, daar hebben we haar. De vrouw had een goed verstand en was schoon van gestalte, maar de man was hard en ruw in zijn optreden. Hij heette Nabal, en als je dat met Hebreeuwse oren beluistert, dan zeg je gewoon: dwaas. Die man heette dus gewoon 'Dwaas'. Men heeft wel gezegd dat dit een bijnaam moet zijn geweest, want wie noemt zijn kind nou Dwaas? Maar toen las ik in een commentaar dat dit toch niet zo gek is, want je hebt ook mensen die Brutus heten, en Brutus is Latijn voor dwaas. Dus ja, dat zou zomaar kunnen. Ik blijf daar verder vanaf. In ieder geval heette hij Nabal. Of het nu een bijnaam of zijn echte naam was, maakt mij niet zoveel verschil. Ik kan u wel vertellen dat hij die naam terecht droeg. We zullen straks zien dat Abigaïl, notabene zijn eigen vrouw die hem toch wel kende, zegt: "Nabal heet hij en een dwaas is hij." De man was hard en ruw in zijn optreden. Hij was een Kalebiet. Ik had ook kunnen zeggen: een kale biet, maar nee, hij was een Kalebiet. De eerste betekenis die je daaraan toekent, is dat hij een nakomeling was van Kaleb, die we maar al te goed kennen. Die oude man die de hele woestijnreis had overleefd en als enige, samen met Jozua, het beloofde land mocht binnengaan.
Ja, die de uitocht had meegemaakt; die Kaleb dus. Maar anderen hebben in de Septuagint gezegd... die zeggen: "Nee, Kaleb dat is..." Kijk, Kaleb ligt daar gewoon. Ja, een hond. Speciaal voor de gelegenheid meegenomen natuurlijk. Want Kaleb is namelijk het Hebreeuwse woord voor hond.
En de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament, die vat dit niet op als een aanduiding van zijn afstamming — dus als een afstammeling van Kaleb — maar die vat het op als een aanduiding van zijn karakter. Hij was honds. Dat geeft ook een goede gedachte, zeker ook in de hele beschrijving en de context dat hij ruw en hard was in zijn optreden.
Niks negatiefs over een hond hoor. Dat doe ik in de wandelgangen wel, maar dat doe ik hier niet. Anders krijg ik natuurlijk ruzie met jullie. Maar goed, hij was een Kalebiet.
Davids Bescherming Beantwoord met Nabals Ruwe Afwijzing ↑ hoofdstukken
Toen David in de woestijn hoorde dat Nabal zijn schapen schoor, zond hij tien mannen. David zei tot hen: "Ga naar Karmel, begeeft u naar Nabal en vraagt hem uit mijn naam naar zijn welstand." David was de leider van een grote groep, in de ogen van het volk van een hele bende, zeg maar. Vraag hem uit mijn naam naar zijn welzijn. Ik zei al, en ik excuseer me met opzet nog een keer: op een heleboel details kan ik nu niet verder ingaan. Ik wil een overzicht geven van het hoofdstuk en vooral Abigaïl daarbij in het licht stellen.
David geeft dus het commando aan zijn mannen: "Ga naar Karmel, begeeft u naar Nabal en vraagt hem uit mijn naam naar zijn welstand. En zegt dit: Gegroet! Vrede zij u en vrede zij uw familie, vrede zij over al wat gij bezit." Dat is een hele plezierige manier om zich te introduceren. Er staat trouwens iets heel interessants; in het Hebreeuws staat hier l'chai. In de NBG-vertaling staat "gegroet", maar er staat eigenlijk het woord l'chai. Dat kennen we zelfs in het Nederlands. Niet in Den Haag, maar in Amsterdam, als men het glas heft, dan zeggen wij "proost", maar daar zegt men "l'chaim". Dat komt eigenlijk uit het Jiddisch en dat komt uit het Hebreeuwse l'chaim. En dat betekent: op het leven! Dat is het woord wat hier staat, weliswaar in het enkelvoud: l'chai. Het geeft een hele goede zin aan het leven. Ik zal straks misschien nog wel eventjes een hint geven dat dit feest waar die man was, dat schaapskeerdersfeest, een uitbeelding is van dood en opstanding. Dan klopt het ook helemaal. Maar goed, houd hem even in gedachte. David instrueerde zijn mannen om zo naar Nabal toe te gaan.
"Nu dan, ik heb gehoord" — dat moeten die mannen dus zeggen — "ik heb gehoord dat men bij u aan het scheren is. Nu zijn wij uw herders die bij ons hebben vertoefd niet lastig gevallen en nooit hebben zij iets gemist zolang zij te Karmel waren." Kijk, David bevindt zich daar in de woestijn van Maon of Paran en hij heeft dat bedrijf feitelijk beveiligd. Die herders — want Nabal had vele herders in dienst — die heeft David met zijn mannen beschermd. Hij zegt: "Wij hebben jullie nooit lastig gevallen", maar als je even later leest in vers 15 en 16, dan lees je dat ze dag en nacht bescherming aan de herders van Nabal boden. In die wildernis was dat niet alleen tegen vijandige mensen, maar ook tegen dieren, et cetera. In ieder geval hebben die honderden mannen van David daar dat bedrijf van Nabal beschermd.
En nu komt de vraag. "Vraag uw knechten, dan zullen zij het u bevestigen. Wil daarom aan deze mannen — de mannen van David dus — gunst betonen. Wij zijn immers op een feestdag gekomen. Geef toch uw dienaren en uw zoon David wat uw hand vinden zal." Met andere woorden: ze vragen om ondersteuning. Die mannen van David bevinden zich daar in de wildernis en zij willen nu voor dat wat ze gedaan en betekend hebben een vergoeding hebben. "Geef toch uw dienaren en uw zoon David wat uw hand vinden zal", dat is de boodschap die namens David overgebracht wordt aan Nabal.
Toen de mannen van David daar gekomen waren, spraken zij tot Nabal uit naam van David alles wat hun opgedragen was en ze wachtten af. Maar Nabal, zoals hij al was geïntroduceerd, antwoordde de dienaren van David: "Wie is David? En wie is de zoon van Isai?" Daaruit blijkt trouwens dat hij wel degelijk wist wie die David was, namelijk de zoon van Isai. Dat was ook al bekend. Weet u nog, na de overwinning op Goliath? Toen werd er al geroepen door het hele volk: "Saul versloeg zijn duizenden, maar David zijn tienduizenden." Er ging al een enorme roep van David uit. Nabal heeft echt wel geweten wie David is; het blijkt ook wel, want hij weet in ieder geval dat het de zoon van Isai is.
Vervolgens zegt hij er nog heel beledigend bij: "Er zijn tegenwoordig veel knechten die van hun heer weglopen." Met andere woorden: die David is eigenlijk een opstandeling, een ordinaire rebel, een revolutionair die zich niet kan onderschikken aan de koning. Daarmee kiest Nabal partij. Ik heb bij de voorbereiding gemerkt dat Nabal in feite een soort type is, een alter ego van koning Saul. Hij stelt zich op dezelfde wijze op; in dit geval heel duidelijk, hij moet niks van David hebben. Hij zegt dat er tegenwoordig zoveel knechten zijn die van hun heer weglopen en David is in zijn ogen één van hen. Dan zegt hij er nog bij: "Zou ik dan mijn brood, mijn water en wat ik voor mijn scheerders geslacht heb" — dat wil zeggen vlees, voedsel — "zou ik dat nemen en aan lieden geven van wie ik niet weet waar zij vandaan komen?" Zo rechtvaardigt hij zijn keuze en zijn belediging.
In vers 12 lees je: "Toen maakten de mannen van David rechtsomkeert en kwamen terug." Ze berichtten aan David al deze woorden. Dan krijg je de reactie van David. Daarop zeide David tot zijn manschappen — verbolgen als hij is over deze reactie, stank voor dank — "Ieder gorde zijn zwaard aan." Hij heeft zoveel met zijn mannen gedaan voor Nabal en zijn bedrijf, hij heeft hem zo bejegend, en nu krijgt hij deze reactie. Toen gordde ieder zich het zwaard aan; ook David zelf gordde zijn zwaard aan. Daarna trokken ongeveer vierhonderd man op achter David, terwijl er tweehonderd bij het pakgoed, bij de instrumenten en de wapens bleven. Nu moet ik eventjes gaan skippen; dat wil zeggen dat ik verzen ga overslaan, maar ik moet wel even vertellen wat er samenvattend in het tussenliggende deel staat.
Abigaëls Verstandige Ingrijpen en Verootmoediging ↑ hoofdstukken
In de eerste plaats lees je in de verzen 13 tot 17 hoe wordt beschreven wat er vervolgens gebeurt. Ik vat het nu even samen: Abigaïl verneemt van een van de knechten van Nabal hoe onbillijk haar man heeft gereageerd. Maar ook verneemt ze dat David zich heeft voorgenomen om ten strijde te trekken tegen Nabal en korte metten met hem, zijn bedrijf en al zijn manschappen te maken. Wat zij dan doet – en zij doet haar naam echt eer aan – geeft niet alleen aan wat er in haar hart is, maar toont ook aan dat ze zeer verstandig is. Zij verzamelt een hele grote hoeveelheid voedsel; het wordt allemaal beschreven, hoeveel en wat ze dan allemaal doet. Zij verzamelt een grote hoeveelheid voedsel en laadt deze op een hele reeks ezels om alsnog de manschappen van David te voorzien. Vergis je niet, het is een hele koppel; er waren honderden mannen die David om zich heen had en die bescherming hadden geboden aan Nabal, zijn bedrijven en al die herders. Die moeten nu van voedsel worden voorzien.
Abigaïl doet nu precies dat wat haar man Nabal had nagelaten. Alleen wordt Nabal hier niet van op de hoogte gesteld; dit is helemaal op eigen initiatief van Abbie, van Abigaïl. In de verzen 20 tot 22 lees je dat zij op weg gaat met een hele horde ezels en ongetwijfeld knechten die de manschappen van David gaan voorzien. Dan lees je dat ze in een bergkloof de verbolgen David ontmoet, inclusief zijn manschappen. Daar zijn we gebleven en dan pak ik de draad weer op bij vers 23: "Toen Abigaïl David zag, sprong ze haastig van haar ezel af en wierp zich vlak voor David op haar aangezicht en boog zich ter aarde." Ze wierp zich voor zijn voeten neer en zei: "Op mij, mijn heer, rust de schuld."
Zij neemt eigenlijk de verantwoordelijkheid voor dat wat Nabal had gedaan. Ze zegt: "Op mij rust de schuld; ik ben de vrouw van het herdershuis en op mij rust de schuld." Je zou kunnen zeggen: hoezo? Want zij draagt daar toch geen verantwoordelijkheid voor. Maar zij néémt de schuld op zich. "Op mij, mijn heer, rust de schuld." Dat is interessant. Je struikelt erover als je die 44 verzen in dit hoofdstuk leest: je komt het veertien keer tegen dat zij David aanspreekt als "mijn heer".
Ik zou hier graag wat meer over willen vertellen, want het loutere feit dat zij David als "mijn heer" benoemt, geeft de verhouding weer die zij aanneemt ten opzichte van David. Maar denk nu ook even aan de Zoon van David, de echte David, die wij ook Heer noemen. Wij zeggen ook – en persoonlijk ergert het mij; waarschijnlijk is het onwetendheid of het kan ook gewoon pure oneerbiedigheid zijn – wij spreken Hem niet aan als "Jezus", maar als "Heer Jezus". Want God heeft Hem door Zijn opstanding gemaakt tot Heer en tot Christus. Hij heeft Hem de hoogste positie gegeven. "Heer", dat wil zeggen de Eigenaar, de Bezitter van alles. Hij is Heer.
Oké, ik geef toe dat er nu twee lijnen door elkaar lopen: David die hier "mijn heer" genoemd wordt, en wij als gelovigen in het algemeen, nu ook in deze tussentijd. Mensen zeggen "Jezus" en weten zij veel wie het is; weten zij veel dat Hij straks inderdaad daadwerkelijk Heer en Koning zal zijn. Maar ja, zo kennen wij Hem.
Goed, zij wierp zich dus voor zijn voeten en ze buigt voor hem haar knieën: "Op mij, mijn heer, rust de schuld. Laat uw dienstmaagd toch tot u mogen spreken en hoor de woorden van uw dienstmaagd aan." "Uw dienstmaagd", en die is ook typerend, want alleen al in dit hoofdstuk noemt Abigaïl zich zes keer "uw dienstmaagd". Dat wil zeggen de dienares van Israël: "Ik sta helemaal als slavin u terzijde en ik sta ook onder u." Nu heb ik nog iets aardigs gevonden, want kijk naar de naam. Ik weet niet of jullie dat hebben ontdekt, Sarno of Dave, maar "Abigail" is een Engelse naam, en in het oude Engels was een "abigail" een ander woord voor een dienstmeisje. Men vroeg dan: "Heb jij ook een abigail?" Dat was dan de aanduiding voor een dienstmaagd, en dat is direct ontleend aan dit hoofdstuk. Dit is wel interessant, hè? Het is heel typerend voor hoe zij zich opstelt ten opzichte van David. "Laat uw dienstmaagd," zegt zij, "toch tot u mogen spreken en hoor de woorden van uw dienstmaagd."
Een Profetisch Getuigenis van Davids Toekomstig Koningschap ↑ hoofdstukken
Ik zal u vertellen: wat zij nu zegt, is eigenlijk de kern van het hoofdstuk. Want wat Abigaïl hier vertelt, is profetisch. Zij onderkent wie David is. Dit is niet slechts kruiperig gedrag om in een goed blaadje te komen; nee, wat zij doet en uitspreekt, is ronduit profetisch. Dit zijn woorden van geloof.
Laten we het maar eens lezen. "Mijn heer..." — daar heb je het weer. Ik heb het iedere keer geaccentueerd om het aan te geven en nog eens te herinneren aan wat ik al vertelde. "Mijn heer store zich niet aan deze man van niets, aan Nabal." Ja, zo spreekt zij dus over haar eigen man. Zij kent hem. Het is een man van niks, zegt ze. Hij mag dan rijk zijn, een zakenman met een hele business, maar zoals zijn naam is, zo is hij. Nabal heet hij en een dwaas is hij. Zelfs als je geen Hebreeuws kent en de toelichting mist die ik u nu geef, begrijp je uit deze woorden al dat Nabal 'dwaas' betekent. Hij is een nietszeggend iemand.
"Maar ik, uw dienstmaagd, heb de mannen die mijn heer gezonden heeft niet gezien." Met andere woorden: ik neem weliswaar de verantwoordelijkheid hiervoor, maar ik wist hier niets van. Nabal heeft zo geopereerd, helemaal buiten mijn weten om. En dan zegt zij in vers 26: "Nu dan, mijn heer, zo waar Yahweh leeft..." Dit is een eedzwering. Op het moment dat je zo spreekt, met aanroeping van de naam van God, is dat een eed. "Zowaarlijk helpe mij God Almachtig", of woorden van gelijke strekking. Je roept de Allerhoogste aan bij wat je nu zegt. Je zegt niet alleen maar dat het waar is wat je zegt, nee, je doet dat met aanroeping van de Allerhoogste.
"Nu dan, zowaar Yahweh leeft en zowaar gij zelf leeft, die Yahweh ervoor bewaard heeft bloedschuld op u te laden en het recht in eigen hand te nemen." Dit is een eedzwering, maar het is ook profetisch. Want wat Abigaïl hier zegt, is gericht tot David die voornemens is met al die manschappen ten strijde te trekken tegen Nabal om hem een kopje kleiner te maken. Zo ging dat in die dagen; dat was hij echt van plan. Maar Abigaïl zegt: dat gaat niet gebeuren. Zowaar Yahweh leeft! Zij realiseert zich dat God haar nu inzet om hem daarvoor te behoeden. Zo waar Yahweh leeft, zo waar gij zelf leeft, Yahweh bewaart u ervoor om bloedschuld op u te laden.
Bloedschuld zou David op zich laden als hij nu inderdaad Nabal en al zijn knechten, het hele bedrijf zeg maar, zou ombrengen. Dat zou illegaal zijn. Als je de voorgaande hoofdstukken van 1 Samuël leest, zie je dat David zich hier doorgaans heel erg van bewust is. Hij is diverse keren in de gelegenheid geweest — het zijn hele bekende geschiedenissen — om Saul bijvoorbeeld om te brengen. Maar daar zegt hij: "Wie ben ik om dat te doen? Zal ik de gezalfde van Yahweh aanraken?" Hij heeft gewoon gewacht op Gods tijd. En nu zou hij zomaar niet wachten op Gods tijd? Maar nu, zegt Abigaïl, heeft Yahweh u er al voor bewaard. Ze stelt zich er eigenlijk al achter; ze doet alsof het al gebeurd is. Dat is profetisch. Yahweh gaat je ervoor bewaren om bloedschuld op u te laden en het recht in eigen hand te nemen. Wacht maar op Gods tijd. Sterker nog, het is geen oproep, het is een aankondiging. Het is profetisch!
Dit vind ik heel mooi, want Abigaïl verwijst daarmee in feite naar de woorden van geloof in deze tussentijd waarin wij nu leven. De ware David is weliswaar gezalfd, maar Hij moet nog daadwerkelijk verschijnen en gaan optreden als Koning. In die tussentijd weet Abigaïl wie ze voor zich heeft. Ik lees verder: "Mogen het uw vijanden en hen die kwaad tegen mijn heer beramen vergaan als Nabal." Ook dit is profetisch, want in feite zegt zij daarmee impliciet iets over het lot van Saul. Het was Saul tenslotte die kwaad tegen David beraamde. Zij zegt: het zal hen vergaan.
"Dit geschenk dan" — of letterlijk: deze zegen nu — "die uw slavin aan mijn heer brengt, moge aan de mannen gegeven worden die in het gevolg van mijn heer zijn." Dat wil zeggen: al die honderden mannen die bij u horen, David. Dat wat ik allemaal bij me heb, is voor u. En dat was heel veel, overvloedig; een zegen noemt ze het. Soms proberen mensen God voor hun karretje te spannen, wat in feite altijd onterecht is, maar in dit geval was het dat wel. Davids huis zou daadwerkelijk het koningshuis van Israël worden. Dat was eigenlijk al eeuwen eerder aangekondigd. Aan de stam van Juda, waar David uit afkomstig was, zou de scepter worden gegeven. Dat zei Jakob ooit al. Zijn huis zou bestendig zijn; de dynastie van David, zijn koningshuis, zou blijven bestaan. Moet u nagaan, dat wist eigenlijk nog niemand. Ja, David zelf wist hiervan, maar feitelijk was daar verder nog geen sprake van. Het loutere feit dat Abigaïl dit uitspreekt, geeft aan dat zij profetisch spreekt. Dit zijn woorden die van Godswege aan haar gegeven zijn en ze spreekt ze zomaar uit.
Zij zegt: "Uw huis zal bestendig zijn." Het huis van David, daar heeft God Zijn zegel op gezet. En hoewel we nu al duizenden jaren geen dynastie van David meer hebben en de troon leeg is, zal in Jeruzalem ooit de vervallen hut van David weer worden opgebouwd. Daar zal de troon staan. Let maar op, dit duurt niet zo heel erg lang meer. Deze aion loopt op zijn eind, de termijn verstrijkt en straks gaat Hij verschijnen. En Zijn huis zal bestendig zijn.
"Mocht ooit een mens zich opmaken om u te vervolgen en u naar het leven te staan, dan zal de ziel van mijn heer gebonden zijn in de bundel der levenden." Dat is een prachtige uitdrukking. In de bundel der levenden, als in een buidel, zult u bewaard worden. Leven heeft God u toegekend. Opnieuw wijs ik erop: ook hier is David weer een geweldig type van de Zoon van de echte, de ware David, aan wie het leven is gegeven. Deze David is in de bundel der levenden bij Yahweh, uw God. "Maar de ziel van uw vijanden zal Hij wegslingeren uit de holte van de slinger." Dat is een metafoor, beeldspraak natuurlijk, maar het grote contrast wordt aangewezen: aan David wordt het leven gegeven.
"Als nu Yahweh mijn heer doet naar al het goede dat Hij u heeft toegezegd..." Ook hier bevestigt en erkent Abigaïl weer heel expliciet Gods belofte aan David. Wat Hij ooit al eerder had toegezegd, wordt nu bevestigd in de woorden van Abigaïl. "En u tot vorst over Israël aanstelt." Dat zou nog wel even duren; hoewel niet zo heel veel jaren meer, was Saul nog steeds koning en het zou nog wel even duren voordat David daadwerkelijk koning zou worden, eerst in Hebron en later in Jeruzalem. Maar hij zou vorst over Israël worden, en Abigaïl weet het.
Dit gaat gebeuren en dat is geloof. Terwijl nog helemaal niets in de werkelijkheid om je heen dat aangeeft, terwijl al je zintuigen het tegendeel zeggen. Ik zie er niks van, ik voel er niks van, maar God heeft gesproken. Hij heeft het toegezegd.
En Abigaïl, ze was een verstandige vrouw. Weet u waarom? Ze herkende wat God zei. En dat maakte haar trouwens in feite ook weer zo mooi. Maar oké, dit is in de overdrachtelijke zin waar het om gaat. Dit is ook wat geloof is.
Ik bedoel, kijk om je heen. Is er iets wat ervoor pleit dat Hij, die ooit tweeduizend jaar geleden aan een kruis stierf... Het laatste wat wij hebben of wat de wereld heeft gezien, is een graf. Nou ja, een leeg graf, dat is waar. Maar wat is er verder van Hem geworden?
Nou, de verbazing zal groot zijn, niet alleen in het volk van Israël, maar ook wereldwijd, dat die Man daadwerkelijk de Vorst zal worden. Niet alleen van Israël, maar wereldwijd. Het gaat gebeuren. En Abigaïl, zij heeft het geweten. Zij wist het en zij heeft het uitgesproken. Ze zegt:
Het Oordeel over Nabal en Davids Huwelijk met Abigaïl ↑ hoofdstukken
Ik moet nu een heleboel verzen overslaan, want het wordt tijd om naar de conclusie toe te gaan. In de navolgende verzen lees je dat David, nadat hij dit gehoord heeft, diep onder de indruk is van Abigaïls getuigenis, dat ronduit profetisch was. David heeft ook geweten dat wat zij verklaart, zij eigenlijk menselijkerwijs niet kon weten; dit zijn woorden van God. Hij is diep overtuigd van haar woorden en hij neemt haar geschenken aan. Zijn hele voornemen om Nabal, zijn hele bedrijf en al zijn mannen en herders om te brengen, laat hij juist door het getuigenis van Abigaïl helemaal varen.
Vervolgens lees je dat wanneer Abigaïl thuiskomt, Nabal nog steeds aan het feesten is en hij is zwaar beschonken. Ze wacht dus even met haar verhaal, want het heeft niet zoveel zin om iets te gaan vertellen tegen iemand die ladderzat is. Ze hoopt dat hij de volgende morgen weer een beetje bij zinnen is. Die volgende morgen vertelt Abigaïl het verhaal aan Nabal en dan lees je dat zijn hart versteende. Zo staat het er letterlijk: zijn hart versteende. Hij schrok zich dood, en dat bedoel ik in dit geval letterlijk, want tien dagen later sterft hij.
Dit nieuws kwam echt aan als een mokerslag. Je leest later in deze geschiedenis trouwens ook dat het een goddelijke vergelding was. David zou zichzelf niet wreken, maar hij zou het aan God overlaten. Laat het maar gewoon aan God over; op Gods tijd zet Hij de dingen wel recht. Daar gaat een geweldige sprake van uit. Dat zegt Paulus ook in Romeinen 12: "Geliefden, wreekt u zelf niet, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe." Laten we dat maar gewoon geloven, ook al moet je soms een engelengeduld hebben. Gods molens malen langzaam, maar zeker. Ja, God heeft de tijd; sterker nog, Hij heeft de tijd gemaakt.
In ieder geval versteende Nabals hart en tien dagen later stierf hij. Hoe we dat medisch moeten omschrijven en wat er precies gebeurde in termen van nu? Geen idee. Het maakt me ook niet uit, want voor het verhaal maakt dat geen verschil. Dat is wat er gebeurde. Wanneer David later verneemt van Nabals dood, dan prijst hij God, die inderdaad Zelf wraak heeft geoefend. In de laatste verzen van dit hoofdstuk lees je dat David een delegatie naar Abigaïl stuurt — ja, zo ging dat in die dagen — en haar ten huwelijk vraagt. Zij stemt daar van harte mee in.
David was ooit al getrouwd met de dochter van Saul, Michal, maar die was weer teruggenomen door Saul en aan een ander gegeven. Dat is een heel andere verhouding. Abigaïl wordt nu de vrouw van David. Trouwens, zij was sowieso al eens getrouwd geweest, namelijk met Nabal. Je leest ook nog dat er een andere dame in het spel is, Ahinoam, maar dat laten we nu maar even rusten. Het wordt nu tijd voor de climax; die wil ik echt noemen. Ik heb de geschiedenis nu kortweg behandeld — te kort misschien, en sommige mensen vinden het al lang genoeg — maar dit moet ik even vertellen. Ik wil nu namelijk gaan vermelden waar het écht om gaat.
De Typologische Betekenis: de Ware David en de Ecclesia ↑ hoofdstukken
Dat wil zeggen: niet de oppervlakte, maar dat wat daaronder ligt. Wat we tot nu toe gezien hebben, is met name wat je letterlijk leest of wat zich zo aandient. Maar typologisch — 'type' betekent een beeld, een voorafschaduwing — waar verwijst het naar? Ik heb natuurlijk al gezegd waar het naar verwijst: naar de zoon van David. De tijd van Davids omzwervingen spreekt van de huidige tussentijd. Het is eigenlijk een intermezzo, een pauze, een onderbreking. Christus ís de Gezalfde. Trouwens, dat is eigenlijk dubbelop, want 'Christus' betekent 'Gezalfde'. Hij is gezalfd, maar zijn koningschap wacht nog. Het vormt een model voor de huidige tijd, voor de afgelopen tweeduizend jaar.
Dan heb ik er nog één, waar ik heel kort over moet zijn: het schaapscheerdersfeest. Dat spreekt van zijn dood en opstanding. Laat ik meteen de duidelijke hint geven. Je leest over de Heer Jezus, de Messias — in Jesaja wordt het al gezegd: "Als een lam werd hij ter slachting geleid. Als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open." Hij werd geschoren. Hij werd geslacht, want dat is in feite synoniem, en de opbrengst daarvan is feestelijk; dat is le-chajiem, om het zo te zeggen. Zo’n schaapscheerdersfeest... het is misschien heel cryptisch, maar dit is de hint die je in Jesaja 53 al leest. Het verwijst naar de dood en de opstanding van de Heer Jezus Christus.
De hint rondom Nabal zal u ook niet ontgaan zijn: hij is een type van het volk van het oude verbond. Er was grote rijkdom aan hem gegeven, maar hij herkent de Gezalfde niet. Hij wordt getekend als dwaas, als beneveld. Dat zijn trouwens allemaal benamingen die je ook leest over het Joodse volk dat nog steeds haar Messias niet herkent. Ze zijn beneveld, zo wordt het in Jesaja 28 genoemd. Het hart is ook versteend, verhard. God heeft hun hart verhard en versteend, en het is ook gedoemd om te sterven. Daar spreekt Nabal van.
En dan komen we bij Abigaïl aan. Eigenlijk heb ik het al ongeveer gezegd, maar zij spreekt van het volk dat de ware David — terwijl hij nog geen koning is — al wel herkent én erkent. Ze maakt zich ook één met Davids manschappen. In feite is zij een type van de Ecclesia, dat wat God zich vandaag verzamelt rondom Zijn Zoon, de zoon van David. Zij maakt zich één, ze eet met hen, geeft hen voedsel en verstrekt hun alles. Ze buigt zich neer voor David en noemt hem 'mijn heer'. In de toekomst zal God met dit volk — en dan heb ik het vooral over het Joodse volk, voor zover ze Hem nu al wel erkennen — een nieuw verbond sluiten. Dat is wat er met Abigaïl gebeurde: ze kreeg een tweede huwelijk. Dat is een beeld van het nieuwe verbond dat met het volk gesloten gaat worden, zodat daar een hele toekomst in ligt. Trouwens, er wordt ook genoemd dat zij moeder wordt, maar dat ligt allemaal buiten de sfeer van 1 Samuël 25. Wat ik met deze dingen eigenlijk wil zeggen...
Conclusie: de Rijkdom en Betrouwbaarheid van Gods Woord ↑ hoofdstukken
Wat ik met deze bespreking van 1 Samuël 25 heb willen zeggen, is dit: Abigaïl verwijst inderdaad naar de woorden van God die in deze tijd gesproken worden. Het is allemaal natuurlijk naar aanleiding van het voorstellen en opdragen van de kleine Abby – laat ik het goed zeggen: Abby Hanna Elise. In die namen ligt zoveel besloten.
Tineke schreef een paar maanden geleden, toen ze voorstelde om op deze zondag hierover te spreken, dat het allemaal Bijbelse namen zijn. Wat kan er eigenlijk nog misgaan als je weet wat die namen betekenen? Dat geldt inderdaad ook voor die kleine meid. Ze heeft er de hele tijd bij gezeten, maar ik denk niet dat ze het straks na kan vertellen. Dat maakt ook niet uit. Maar als je het weet – what’s in a name – dan besef je: heel veel.
God is de Vader die zich verheugt, maar Hij is ook degene die genadig is en Zijn woord gestand doet. Op Zijn eed kun je vast aan; dat is solide en betrouwbaar. Dat wilde ik graag vanmorgen met jullie delen. Wat een rijkdom is dat, niet alleen voor die kleine Abby en voor de ouders en voor allen die jullie lief en dierbaar zijn, maar het geldt voor ons allemaal. Het leek me de moeite waard om dat zo met elkaar te delen.
Ik stel voor dat we nog een lied zingen. Ik heb het alvast in de sheets verwerkt: "Daar juicht een toon, daar klinkt een stem". Dat gaat namelijk over de Zonen van David. Laten we dat lied samen zingen.
UltimateGoodNews