is Christus ónze hogepriester?
17-10-2021 - Geplaatst door Andre Pietsamenkomst gehouden op zondag 17 oktober 2021 in Rotterdam (Gezonde Woorden)
In de Hebreeën-brief wordt Christus uitvoerig beschreven als de hogepriester die momenteel in het hemels heiligdom vertoeft. Daar draagt hij de twaalf stammen als edelstenen op zijn schouders en op zijn borst. Vervult Christus dit ambt voor Israël (Hebreeën) of ook voor “de ekklesia die zijn lichaam is”? Of staat “het lichaam” in een andere verhouding tot hem? Anders geformuleerd: is de Hebreeën-brief één-op-één van toepassing op alle gelovigen in onze dagen?
Vergeet ook niet de inleiding te beluisteren, waarin Art den Boer ingaat op de dagen van Noach, vlak voor de vloed. Zeer boeiend! (vanaf 1:32)
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- De Relationele Vraag: Is Christus Ónze Hogepriester?
- De Onthulling Via Paulus: de Ecclesia als het Lichaam van Christus
- De Context en de Adressering van de Hebreeënbrief
- De Vertegenwoordigende Functie van de Hogepriester voor Israël
- Aangesteld Door Opstanding Naar de Ordening van Melchizedek
- Als Voorloper Binnengegaan in het Hemelse Heiligdom
- Priesterschap uit Kracht van Onvernietigbaar Leven
- Het Essentiële Onderscheid: Hoofd voor de Ecclesia, Hogepriester voor Israël
- De Hoofdsom: Naderend Hogepriester van de Komende Goede Dingen
De Relationele Vraag: Is Christus Ónze Hogepriester? ↑ hoofdstukken
En ik ga jullie vanmorgen met een heel andere vraag confronteren, en die zie je hier achter mij geprojecteerd. Overigens een heel goedemorgen allemaal, dat had ik nog niet eens gezegd. Is Christus onze hogepriester? De vraagstelling moet even scherp gesteld worden, want de vraag is dus niet: is Christus hogepriester? Want daar ga ik op voorhand van uit dat jullie dat wel weten. Dat Hij dat inderdaad is en dat dat zo is, zullen we straks ook vanzelf wel zien vanuit de diverse citaten in de Hebreeën-brief.
De vraag is dus: is Christus onze hogepriester? Ik weet uit ervaring dat dat voor sommige mensen een buitengewoon belangwekkende vraag is. Want als je deze vraag voorlegt — ik refereer aan bepaalde groeperingen die mij niet geheel onbekend zijn, en ik zie sommigen al glimlachen — als je die vraag dus stelt: "is Christus onze hogepriester?" en je zou zeggen: "nee, dat is Hij niet", dan ben je meteen volstrekt afgeschreven als ketter. Laat ik niet meteen de knuppel in het hoenderhok gooien. Laten we het voorzichtig en solide opbouwen vanuit de gegevens van de Schrift zelf. Ik heb niet de indruk dat dat hier in deze kring dezelfde gevoelswaarde heeft als in de kringen waar ik zojuist op doelde. De reden waarom dat zo gevoelig ligt, zal ik in de loop van deze studie nog wel naar voren brengen.
Via verschillende routes ben ik de laatste tijd al op deze vraag gestuurd: is Christus onze hogepriester? Het vertoont parallellen met een andere vraag, bijvoorbeeld deze: is Christus onze koning? Voor sommige mensen is dat totaal geen vraag; het is zelfs bizar om dat te betwijfelen, want natuurlijk is Hij onze koning. Hoeveel liederen zeggen dat immers niet? Ja, dat is inderdaad een type bewijsvoering waar sommigen al genoegen mee nemen. Er zijn inderdaad talloze liederen, evangelische liederen, waarin dat zo bezongen wordt.
Maar is dat zo? En trouwens, ik heb er nog eentje: is Christus onze bruidegom? Kijk, dat Hij koning is, staat niet ter discussie. Of Hij vandaag regeert, is trouwens nog een andere kwestie. Maar dat Hij daadwerkelijk koning is en zal zijn, en zal blijken te zijn... ja, hallo! Ik neem niet eens de moeite om dat aan te tonen, want daar zijn geen tientallen, maar honderden bewijzen voor. Dat Hij de bruidegom is, is misschien iets minder veelvuldig voorkomend, maar ook dat vind je op vele wijzen beschreven: dat Hij inderdaad Zijn volk zal huwen en daarmee dus de bruidegom is.
Maar dat is geen antwoord op de vraag of Hij onze koning en ook onze bruidegom is. Je staat nu eenmaal in allerlei relaties. Ik bedoel: ik ben de man, de echtgenoot van Petra. Ik ben de vader van mijn kinderen en de buurman van mijn buren. Tegenwoordig ben ik misschien geen collega meer, maar in wat voor verhouding je dan ook staat: je hebt allerlei relaties. En ik ben voor mijn kinderen niet de buurman. Ik ben wel een buurman, maar niet van mijn kinderen. Dit is allemaal zo basic, dat is heel logisch. Maar sommige mensen verwarren dat heel gemakkelijk.
Het feit dat Christus bruidegom is, beantwoordt nog niet de vraag of Hij onze bruidegom is. De vraag is dus: van wie is Hij de bruidegom? En van wie is Hij de koning? En in dit geval ook — dat is de grote vraag van deze studie — van wie is Hij de hogepriester? Laat ik daar nog even wat over opmerken, en ik denk dat dat meteen ook het startpunt moet zijn.
De Onthulling Via Paulus: de Ecclesia als het Lichaam van Christus ↑ hoofdstukken
Paulus, de apostel en leermeester van de natiën, maakt als enige apostel deze waarheid bekend. Het is hem als verborgenheid geopenbaard en hij onthult dat. Hij maakt de waarheid bekend dat de ekklesia – de gemeente zo u wilt, het 'uitroepsel' dat vandaag verzameld wordt uit de natiën – het Lichaam van Christus is. Een lichaam is een organisme, een verzameling mensen die zich niet laat onderscheiden naar afkomst. Of je nu Jood bent of Griek, afkomst speelt geen enkele rol in dat lichaam dat wordt uitgeroepen.
Het meest bijzondere daarvan is dat Christus Jezus het Hoofd is van dat Lichaam. Eigenlijk is het nog sterker: dat Lichaam als geheel heet ook 'de Christus'. Dus hoofd en lichaam tezamen is de Christus. Dat Lichaam, die gemeente, dat uitroepsel van hen die daartoe uitverkoren zijn en verzameld worden, zij horen bij de Christus. Ze zijn zo nauw met elkaar verbonden als hoofd en lichaam; dat is onafscheidelijk. En alles wat aan Christus Jezus beloofd en gegeven is, is ook aan dat Lichaam gegeven.
De positie van deze ekklesia is de allerhoogste. Zij worden na zijn opstanding als eerste verzameld en krijgen in die hoedanigheid ook de hoogste positie. Dat is de Bijbelse gedachte: de eerste is daarmee ook met recht de 'first', de voorste die voorop gaat. Het is de hoogste positie, letterlijk zelfs, namelijk hemels. We zijn verbonden met Hem die daar nu aan Gods rechterhand is, Christus Jezus.
Dit is werkelijk duizelingwekkend als je je dat realiseert. Zonder dat we er iets voor hebben gedaan, valt het je ten deel. Het is een lotsdeel, zo noemt Paulus dat ook. Het valt je als lot ten deel dat je tot die eerstelingen mag behoren die bestemd zijn om het Lichaam van Christus te zijn en de hoogste positie met Hem te delen. Dat wat van Hem is en wat Hem gegeven is, is aan ons gegeven. Hij is daar aan de rechterhand Gods en wij met Hem. Zo spreekt Paulus daarover: "Bedenk de dingen die boven zijn, waar Christus is, aan de rechterhand Gods." Hij is ons leven. En als Hij geopenbaard gaat worden in heerlijkheid, dan zullen wij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Die nauwe relatie roept de vraag op: wat is Hij van ons? Nou, het Hoofd. Zoals het hoofd verbonden is met het lichaam, zo is Christus Jezus, die daar nu fysiek boven is, verbonden met zijn Lichaam. De apostel Paulus is de enige die deze waarheid van het Lichaam bekendmaakt. Kijk het maar na: bij Jakobus vind je het niet, bij Petrus vind je het niet, bij Johannes vind je het niet. Paulus maakt dit als enige bekend. Nergens wordt de gemeente beschreven als het Lichaam van Christus, behalve in de brieven van Paulus. Check het maar, u zult het alleen maar bevestigd zien.
Dan is er nog iets dat voor de hand ligt. Paulus spreekt nooit over Christus als bruidegom, als koning of als hogepriester van het Lichaam. Ik moet het zelfs nog sterker zeggen: Paulus gebruikt de termen 'bruidegom', 'koning' en 'hogepriester' niet eens voor onze relatie met Hem. Wat ik nu zeg is geen mening of een opinie, het is gewoon een gegeven. Waarom zeg ik dat zo stellig? Pak een concordantie en kijk waar de woorden 'bruidegom', 'koning' of 'hogepriester' voorkomen. Kijk of ze voorkomen in de brieven die door Paulus ondertekend zijn. Je vindt ze daar simpelweg niet.
Als ik dus zeg dat Paulus nooit over Christus spreekt als bruidegom, koning of hogepriester van het Lichaam, dan moet je eigenlijk vaststellen: dat staat er gewoon niet. Als u mij de vraag stelt of u dat dan niet zo mag zeggen, dan zeg ik: van mij mag u dat wel, maar we doen hier Bijbelstudie. Het is een fijne gedachte dat Christus onze bruidegom is, zo romantisch ook. En wat die romantiek betreft: die blijft hoor, alleen de aard ervan is anders. Wij maken namelijk geen deel uit van de bruid, maar van het Lichaam van de bruidegom. De romantiek blijft, maar de positie is een andere, als u begrijpt wat ik bedoel.
Hoe wordt Christus dan wel beschreven? Hij is het Hoofd van het Lichaam, collectief gezien. En als het individueel benaderd wordt, dan is Christus onze Heer. Hij is mijn Heer. Zo spreekt Paulus er altijd over. Nooit over Hem als koning. Koning zal Hij straks zijn op de troon in Jeruzalem. Dan is Hij de Koning van Israël en trouwens ook de Koning van de natiën. Heel letterlijk: een Koning die een kroon draagt en op de troon gezeten is. In die positie zullen de volkeren, en in het bijzonder Israël, Hem erkennen als Koning.
Is dat de verhouding waarin wij tot Hem staan? Nee, onze relatie tot Hem is vele malen intiemer, namelijk die van Hem als Hoofd. Wij zijn verbonden met Hem, vooral in het hemelse deel. Het gaat er niet om dat je iets afpakt; het gaat erom dat je de enorme status gaat begrijpen die weggelegd is voor het Lichaam, dat 'uitroepsel' dat in onze dagen wordt verzameld. Termen als 'bruidegom', 'hogepriester' en 'koning' doen daar eigenlijk afbreuk aan. Ze doen de waarheid van de relatie die wij hebben tot Christus Jezus aan de rechterhand Gods tekort. Het is geen kwestie van afpakken; het gaat er juist om dat we deze status onderkennen.
Daarmee heb ik de vraag eigenlijk al beantwoord, maar er is meer over te zeggen. Is Christus onze hogepriester? De uiteindelijke beantwoording van die vraag moet komen uit de Hebreeënbrief. Eigenlijk heb ik de kern al benoemd: in de brieven die Paulus ondertekent, beschrijft hij Christus nooit als hogepriester. Dat is gewoon een gegeven.
De Context en de Adressering van de Hebreeënbrief ↑ hoofdstukken
De term 'hogepriester' komen we nog wel eens een keer tegen in het Nieuwe Testament. Ik heb het even voor u uitgeplozen – heel gemakkelijk met de programmaatjes die je tegenwoordig hebt. De term hogepriester komt in het Nieuwe Testament 41 keer voor in de historische boeken: Matthéüs, Marcus, Lucas, Johannes en Handelingen. Maar dan is het altijd een term die meestal verwijst naar Kajefas of naar Annas. Dat waren de hogepriesters in die dagen in het Jodendom in Jeruzalem. Maar daar hebben we het nu niet over; wij hebben het over Christus als Hogepriester. Dus ja, dit is voor de statistiek wel interessant, maar niet als antwoord op de vraag.
Verder komt de term hogepriester buiten de historische boeken uitsluitend voor in de Hebreeënbrief, en wel 17 keer. Dat betekent dus dat veel, zo niet alles, afhangt van de beantwoording van de vraag: aan wie is die Hebreeënbrief geschreven? Recentelijk, een paar weken terug, heb ik in Urk over Hebreeën 10 gesproken. Het ligt me dus allemaal nog vers in het geheugen. Ik wil niet te veel in herhaling vallen, want ik heb vaker over deze dingen gesproken, maar die kwestie van de adressering van de Hebreeënbrief is heel intrigerend en van groot belang om de brief te verstaan.
Door wie de brief geschreven is, blijft altijd een heikel punt. Hij staat in de manuscripten overigens altijd tussen de brieven van Paulus. Dat is heel eigenaardig. Het punt is dat Paulus zijn brieven altijd ondertekent met zijn naam; dat zegt hij ook, dat is een waar merk. Maar in de Hebreeënbrief doet hij dat niet, terwijl alles erop wijst dat hij hem wel geschreven heeft. Hij is geschreven vanuit Italië en de schrijver noemt Timotheüs als zijn medewerker. Alles wijst dus in de richting van Paulus als schrijver. Dat hij zijn naam niet noemt, is logisch als je begrijpt wie Paulus is. Hij is de apostel van de natiën; aan hem is het evangelie van de onbesnedenheid toevertrouwd. Als hij zich specifiek tot Israël richt, valt dat feitelijk buiten zijn bediening. Historisch is daar trouwens ook wel wat voor te zeggen, want de relatie tussen Paulus, Israël en de gemeente in Jeruzalem was een heel gevoelig ding. Dat is dus een goede reden waarom zijn naam er niet onder staat.
Het gaat er vooral om aan wie de brief dan is geschreven. Laat ik eerst dit zeggen: voor sommige mensen is het eigenlijk heel simpel. Ik ga niet discussiëren over de vraag aan wie de Hebreeënbrief is geschreven. Dat is net zoiets als vragen aan wie de Timotheüsbrief of de Korinthiërbrief is geschreven. De naam van de brief zegt het al: 'Aan de Hebreeën'. Wat zijn Hebreeën? Dat zijn mensen die de Hebreeuwse cultuur aanhangen of, misschien nog beter, de Hebreeuwse taal spreken. Zo wordt er in Handelingen 6 ook over gesproken. Sommige mensen zeggen dan: 'Ja, maar die titel van de brief is niet geïnspireerd.' Is dat zo? In de manuscripten, in het origineel, staat die naam 'Aan de Hebreeën' gewoon boven de brief hoor. In de grote codices zoals de Sinaiticus, de Vaticanus en de Alexandrinus staat die naam er gewoon boven. Dan kun je wel zeggen dat het niet bij het origineel hoort, maar hoe weet je dat zo zeker?
Maar als u dat niet geloven wilt, geeft hoofdstuk 1 vers 1 volgens mij ook al het antwoord. Daar wordt gesproken over de vaderen tot wie God sprak. Meteen bij de eerste verzen van de brief wordt er over de vaderen gesproken. En wie zijn die vaderen? Paulus zegt in Romeinen 9 vers 5 over de Israëlieten: 'Hunner zijn de vaderen.' Eigenlijk heb je het antwoord dus al in hoofdstuk 1 vers 1. Hoe simpel wil je dat hebben? Zij worden ook genoemd in hoofdstuk 8 vers 8, in de hele argumentatie over het huis van Israël en Juda, waar ook Jeremia zich aan richt.
Deze vind ik ook heel boeiend: helemaal aan het einde van de brief, in hoofdstuk 13, worden de lezers opgeroepen om uit te gaan buiten de legerplaats. De schrijver zegt daar dat Christus buiten de poort heeft geleden, zoals dat moest met de zondoffers. Hij voegt eraan toe: 'Zo laat ons dan uitgaan tot Hem, buiten de legerplaats.' De legerplaats is gewoon Jeruzalem, de plaats waar de tempel zich bevindt. De Heer heeft buiten de poort geleden en de schrijver zegt: laat ons ook tot Hem uitgaan buiten de legerplaats. Dat wil zeggen: Jeruzalem verlaten. Hij zegt in vers 14: 'Want wij hebben hier geen blijvende stad.'
Deze brief is geschreven aan Hebreeën, specifiek aan mensen in Jeruzalem. Je moet je realiseren dat daar tienduizenden – in Handelingen lees je over myriaden – Joden waren die geloofden dat Jezus de Messias was. Er staat bij dat zij allen 'ijveraars van de wet' waren. Volgens mij hadden we het daar de vorige keer dat ik hier sprak ook over. Tienduizenden Joden in het Joodse land, in Judea en vooral in Jeruzalem, waren Messias-belijdende Joden die ook gewoon ijveraars van de wet waren. Zij hielden de sabbat, de besnijdenis en betrachtten al de Joodse leefwijzen.
We praten hier over de tweede generatie, wat ook blijkt uit de Hebreeënbrief. Deze groep wordt aangesproken op een moment dat ze dreigden... want dat wil ik er nog bij zeggen: deze hele brief staat in het teken van de naderende catastrofe van Jeruzalems verwoesting. De brief is enkele jaren daarvóór geschreven. De stad zou helemaal met de grond gelijk gemaakt worden en in vlammen opgaan; daar wordt in deze brief concreet al op gewezen. Ik zou een aantal schriftplaatsen kunnen noemen waar je dat terugvindt, maar dat zou me veel te ver van het onderwerp afleiden.
Dit moet je weten als het gaat over aan wie de brief geschreven is: aan Hebreeën in Jeruzalem, in de tweede generatie. We zitten ergens in de jaren zestig, vlak voor de val van Jeruzalem. De waarschuwing is vooral om niet terug te keren naar het Jodendom. Ze stonden onder grote druk om de Zoon van God met voeten te treden en Zijn werk te verachten. Die druk was enorm. Het was niet zozeer dat zij niet langer zagen dat Jezus de Messias was; ze wisten heel welbewust dat Hij de Messias is, maar onder druk dreigden ze dat prijs te geven. Het kostte hen namelijk zoveel. Je leest dat ze de roof van hun bezittingen moesten doorstaan en er was veel fysieke en mentale druk. Kortom: men kwam buiten te staan. We weten inmiddels een klein beetje hoe dat voelt – een aantal van ons tenminste – dat je ineens...
Tweederangs bent... het stelt nog niets voor hoor, laat ik dat er even bij zeggen. Nu stelt het nog helemaal geen bal voor, maar je voelt al wel aan hoe je gemakkelijk bezwijkt onder de druk. Voor sommigen wordt dat heel serieus. Die druk hebben die Messias-belijdende Joden daar in de jaren zestig, daar in Jeruzalem vlak voor de val van de stad, meegemaakt en beleefd. En ze dreigden te bezwijken. Ze worden opgeroepen om vooral standvastig te blijven en niet terug te keren naar het jodendom.
Zo worden zij ook aangeschreven, namelijk als het gelovig overblijfsel van Israël. Kijk, de waarheid van het Lichaam speelt in deze brief geen rol. Dat deze Joden ook deel uitmaakten van het Lichaam van Christus, ja, dat is wel zo, maar daar gaat het niet om. Zij worden aangeschreven als Hebreeën, als dat deel van Israël, het gelovig overblijfsel. Zo worden ze aangeschreven.
En in die hoedanigheid... kijk, dat is net zoiets als wanneer de familie Piet in Katwijk wordt aangeschreven. Als zij bijvoorbeeld een prijs winnen in de loterij, tienduizend euro of noem maar wat, dan is dat voor de familie Piet. Hoort u het goed? Dat geldt niet voor alle Katwijkse families. Je zegt dan: "Ja, maar het is toch een Katwijkse familie?" Ja, oké, maar dat wil maar zeggen... Kijk, waarom maak ik deze vergelijking? Sommige mensen zeggen: "Alle gelovigen maken toch deel uit van het Lichaam van Christus, Jood of Griek?" En voor die Hebreeën geldt: dat is wel zo, maar dat is niet de hoedanigheid waarin ze hier worden aangeschreven. Zij zijn die Hebreeën. Zij zijn dat overblijfsel van Israël, of zoals Paulus dat in Galaten 6 noemt: het Israël Gods.
Zo worden ze aangeschreven, in die hoedanigheid. En inderdaad, dat valt feitelijk buiten Paulus' bediening. Vandaar ook dat zijn naam er niet onder staat. Maar dat is de hoedanigheid waarin ze worden aangeschreven. Nou, daar is veel meer over te zeggen, maar dat doe ik nu niet. Dit lijkt mij een heel goed platform om vervolgens nog wat specifiekers te zeggen over Christus. Dat is trouwens een titel, en Christus betekent 'gezalfde'. Op zijn Hebreeuws zeg je Mashiach, maar dat betekent ook gezalfde. De ene term is Hebreeuws, de andere is Grieks, maar het betekent gezalfde.
Gezalfd tot wat? Dan lees je in de Bijbel met name twee ambten waarbij men, voordat men dat ambt bekleedde, werd gezalfd: men werd gezalfd tot koning of men werd gezalfd tot priester. Er is er nog één bij: profeet. Die werden ook gezalfd, maar niet altijd. Koningen en priesters werden echter per definitie gezalfd. Het luidt dus een ambt in. En Christus is inderdaad gezalfd. Ja, tot wat? Nou, in ieder geval ook als Hogepriester.
We gaan naar Hebreeën 5. Ik heb een aantal van vijf of zes schriftplaatsen uit de Hebreeënbrief die ik wil langsgaan. Niet om ze per se uitvoerig te bespreken, maar wel om te laten zien wat het betekent dat Christus de Hogepriester is. Even nog één ding dat ik daar ook bij wil vermelden.
De Vertegenwoordigende Functie van de Hogepriester voor Israël ↑ hoofdstukken
U weet het hè, een hogepriester voor Israël. Want daar hebben we het over. Als we het hebben over een hogepriester, dan hebben we het in principe over mensen die te midden van de twaalf stammen een functie vervulden. Een unieke functie, namelijk: zij werden gekozen uit de stam van Levi, meer speciaal uit het geslacht van Aaron. Hij was de eerste hogepriester.
En ja, wat lees je over die hogepriester? Nou, er worden heel veel kenmerken gegeven over het gewaad dat hij droeg. En het meest bijzondere van het gewaad van de hogepriester... daar moet ik een beetje voorzichtig zijn, want er is heel veel bijzonders aan. Maar het meest opvallende is toch wel die borstplaat. En dat wil zeggen: een borstplaat met twaalf edelstenen, met daarin de namen gegraveerd van de twaalf stammen van Israël. Dat had hij op zo’n borstplaat, maar hij had ook twee platen op zijn schouder met aan beide schouders zes edelstenen. En ook daarin waren de namen gegraveerd van de stammen van Israël.
Dus die hogepriester in Israël, die droeg zijn volk, meer speciaal de twaalf stammen, op zijn borst, op zijn hart en op zijn schouders. Hij vertegenwoordigde het volk voor God. Dat wil zeggen: Israël, de twaalf stammen. Dus als je vraagt waar dat ambt van hogepriester vooral verband mee houdt, van wie en voor wie was dat? Nou, het meest directe antwoord is dat een hogepriester als zodanig de twaalf stammen vertegenwoordigde, oftewel het volk Israël. Dat is in feite de kortste route ter beantwoording van de vraag. Als je vraagt van wie Christus de hogepriester is, dan is het antwoord: van zijn volk. Hoe bedoel je zijn volk? Nou, de twaalf stammen die hij droeg op zijn hart en op zijn schouder.
En als hij dan in het heiligdom kwam, dan had hij dat aan, dan droeg hij dat. Hij representeerde de twaalf stammen voor zijn God. Trouwens, dat werkt naar twee kanten toe. Want aan de ene kant kwam hij, naderde hij tot God als representant van het volk, en als representant van God kwam hij tot zijn volk en sprak hij ook tot het volk. Je leest bijvoorbeeld van de hogepriesterlijke zegen in Numeri 6, als ik me niet vergis. Die zegen wordt tegenwoordig door de predikanten, door de dominees al sinds jaar en dag altijd uitgesproken aan het einde van de dienst: "behoed u en zegen u, doe zijn aangezicht over u lichten". Dat was een hogepriesterlijke zegen. Dat wil zeggen dat alleen de hogepriester die mocht uitspreken namens God.
In feite was die hogepriester dus ook de middelaar. Hij representeerde het volk voor God en hij representeerde God voor het volk. Dat is dus naar twee kanten toe; zo was hij die middelaar. Nou, was Christus de middelaar? Dat is trouwens wel een Paulinische term: "Er is één God en één middelaar van God en mensen, de mens Christus Jezus, die zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen." Maar dan gaat het echt over alle mensen. Oké, terug naar Hebreeën 5 vers 5, makkelijk te onthouden.
Aangesteld Door Opstanding Naar de Ordening van Melchizedek ↑ hoofdstukken
Zo verheerlijkte ook Christus niet Zichzelf om hogepriester te worden, maar Hij die tot Hem sprak: "Mijn Zoon bent U, Ik heb U vandaag verwekt." Dat is een citaat uit Psalm 2 vers 7. Sinds wanneer is Jezus, of Christus, hogepriester? Was Hij dat tijdens Zijn wandeling hier op aarde? Nee, absoluut niet. Want wie waren hogepriesters hier op aarde? Dat waren mensen uit de stam van Levi, of meer specifiek uit het geslacht van Aäron. Christus was helemaal niet uit die stam. Nee, Hij is hogepriester sinds Hij verwekt is door Zijn God. En wat blijkt nu? Dat citaat uit Psalm 2 vers 7 spreekt niet van Zijn verwekking uit de maagd Maria, maar meer specifiek over het moment dat Hij door Zijn God werd verwekt uit de doden. Op die dag, de dag van Zijn opstanding, heeft God tot Hem de woorden uit Psalm 2 gesproken: "Mijn Zoon ben Jij, Ik heb Je vandaag verwekt uit de doden." Als u dat niet geloven wilt, kijk dan in Handelingen 13 vers 33 of 34. Daar wordt dat door Paulus ook zo uitgelegd; daar gaat het over de verwekking van de Zoon uit de doden. Sindsdien is Hij inderdaad hogepriester. Hij heeft Zichzelf dat ambt niet aangemeten, maar Hij is door Zijn God aangesproken: "Mijn Zoon ben Je, Ik heb Je vandaag verwekt."
Zoals Hij ook op een andere plaats zegt — en dat is trouwens een citaat uit Psalm 110: "U bent priester tot in de aeon." Niet tot in eeuwigheid, dat klopt niet. Hij is niet voor altijd priester, zoals Hij trouwens ook niet voor altijd koning is. Hij moet heersen totdat... en dat geldt voor Zijn priesterschap eveneens. Over dat woord aeon hoeven we het hier verder niet meer te hebben; dat is ons inmiddels wel duidelijk. Misschien niet voor iedereen, maar ik bedoel in het algemeen. De Heer werd dus aangesproken in Zijn opstanding: "Je bent Mijn Zoon, vanaf vandaag door Mij verwekt uit de doden." En het citaat uit Psalm 110 luidt: "Jij bent priester tot in de aeon, naar de ordening van Melchizedek."
Nu moeten we er nog iets bij betrekken dat een grote rol speelt in de Hebreeënbrief. Hij wordt daar heel vaak de koning of de priester naar de ordening van Melchizedek genoemd; dat is namelijk wat er al in Psalm 110 van de Messias gezegd wordt. Hij zou inderdaad verhoogd worden aan Gods rechterhand: "Zet U aan Mijn rechterhand", maar ook: "Je bent priester naar de ordening van Melchizedek." Wat was nu het bijzondere van Melchizedek? Dat was die mysterieuze figuur uit Genesis 14 — daar moeten we het ook nog eens over hebben, Arty. Hij komt zomaar uit de lucht vallen. We weten niets over zijn vader, over zijn moeder of over zijn afkomst. Helemaal niets. We weten niet wanneer hij geboren is of wanneer hij stierf. Hij kwam binnen zonder kloppen en ging weg zonder een woord. Echt, zo verschijnt hij in de Hebreeënbrief, en dat is juist zo bijzonder. De Hebreeënbrief zegt: "Ja, dat is heel bijzonder, want dat is Melchizedek." Je leest dat hij priester was van de Allerhoogste.
Abraham kwam net terug van een krijgstocht nadat hij zijn neef Lot had bevrijd, en dan verschijnt de koning van Salem. Dat is wat we wel weten: hij was koning van Salem, het latere Jeruzalem. En hij was priester van de Allerhoogste. Dus wat was het bijzondere van Melchizedek? Melchizedek betekent trouwens "mijn koning is rechtvaardigheid". Hij was koning van Salem en hij was priester; hij verenigde het priesterschap en het koningschap in één ambt. Dat was in Israël onder het oude verbond onmogelijk. Je was óf koning, en dan kwam je uit de stam van Juda, óf je was priester, en dan kwam je uit de stam van Levi, meer specifiek uit het geslacht van Aäron. Je was dus nooit koning en priester tegelijk; dat was onmogelijk. Maar van de Messias die zou komen, werd in het Oude Testament in Psalm 110 al voorzegd dat Hij priester zou zijn naar de ordening van Melchizedek. Niet alleen priester, maar ook koning. Dat is de betekenis van die term "naar de ordening van Melchizedek". Zoals Melchizedek koning en priester was, zo zal de Messias koning en priester zijn in één persoon. Dat is Hij dus niet op basis van Zijn afkomst, net zoals dat bij Melchizedek ook niet het geval was. Dus ja, dat hogepriesterschap van Christus wordt zo getypeerd: Hij zou priester zijn naar de ordening van Melchizedek. We slaan nog eventjes een hoofdstuk verder op.
Als Voorloper Binnengegaan in het Hemelse Heiligdom ↑ hoofdstukken
We bladeren even door en we komen in hoofdstuk 6. Daar wordt in vers 19 gesproken over de hoop, de verwachting: "Haar hebben wij als een anker van de ziel, zeker en bovendien bevestigd, en binnenkomend tot in het binnenste van het gordijn." Een gordijn is een voorhangsel, maar dan mobiel, om het zo maar te zeggen. Het is een heel eigenaardige beeldspraak. Het biedt geen openheid; dat doet een deur, maar we weten wat een gordijn is. Hij is in het binnenste gordijn binnengegaan. Het idee daarbij is dat er in het heiligdom twee gordijnen waren. Ik heb het nu specifiek over de tabernakel: je had het gordijn voor het Heilige en daarachter had je nog het gordijn voor het Heilige der Heiligen. Dat is het binnenste heiligdom, en daar mocht alleen de hogepriester komen, en dan slechts één keer per jaar. Daar komt hij in die allerheiligste ruimte.
En wij hebben hoop, zegt de schrijver dan. Hoop niet in de zin van onzekerheid; nee, het hele idee van hoop is dat het werkelijk een verwachting is als een anker. Vandaar ook dat het anker het symbool is van de Bijbelse hoop: het is iets wat vastzit. Het bijzondere daarvan is dat het vast is, maar je ziet het niet. Als een anker werkt, zie je het immers niet. Als je het wel ziet, dan ligt het gewoon in het ruim en doet het niks. Alleen als het onder water zit, als je het niet ziet, dan werkt het. Dat is het meest bijzondere van de hoop en de verwachting die we hebben. We zien het niet, maar daarom is het juist zo zeker. "Hoop die gezien wordt is geen hoop," zegt Romeinen 8. Maar hier lees je: "Haar hebben wij als een anker van de ziel." En waar bevindt dat anker zich dan? Het is vast, zoals dat bij een anker hoort, bevestigd, en het bevindt zich momenteel in het binnenste van het voorhangsel. Hij reikt, zegt de NBG-vertaling, tot in het binnenste van het voorhangsel. Gewoon in het binnenste heiligdom. Dat is trouwens ook de beschrijving van de hogepriester in de Hebreeënbrief. Waar is hij nu? Dáár. Dat is een geweldig onderwerp.
Er staat trouwens ook bij: in het binnenste van het gordijn waar Jezus binnenkwam. Dat is de naam die Hij droeg hier op aarde, maar die Hij nu nog steeds draagt omdat het precies typeert wie Hij is, namelijk: Yahweh is Redder. Waar Jezus als voorloper ten behoeve van ons binnenkwam, naar de ordening van Melchizedek hogepriester wordend tot in de aeon. Dit is een letterlijke weergave; het klinkt wat plechtstatig, maar zo staat het daar. Dus waar is die hogepriester? Hij is onttrokken aan het oog, maar daar is Hij inmiddels als priester, en ook wel als hogepriester, tot in de aeon. En die aeon, dé aeon, dat is de komende aeon waar de Hebreeënbrief en ook Paulus over spreken: het toekomend aardrijk.
Straks zal Hij uit dat heiligdom komen. Hij is nu in het heiligdom, maar de hogepriester komt ook weer uit het heiligdom. Wat doet Hij dan? Dan wordt Hij inderdaad die Priester-Koning naar de ordening van Melchizedek en zal Hij op dezelfde locatie waar ooit Melchizedek koning was, namelijk in Salem, gaan regeren. Hij zal een Koning van vrede zijn. Salem betekent vrede: Shalom, Salaam. Er zijn nogal wat woorden die daarmee verbonden zijn: Shalom Aleichem, Salaam Aleichem. Vrede. En dan komt Hij uit het heiligdom, en dat is in de aeon. Dat koning-priesterschap naar de ordening van Melchizedek vind ik zo’n prachtige, statige term. Zelfs als je de achtergrond nu helemaal niet kent, dan weet je dat dit ergens naartoe leidt. Dat moet wel. En dat is ook zo, want als Hij straks uit het heiligdom komt, dan wordt Hij de Koning-Priester van Salem — ik bedoel Jeruzalem — en Koning van vrede. Wat Hij dan allemaal uit het heiligdom gaat brengen! Maar Hij is daar nu al als voorloper. We zien daar nog niks van, maar reken maar van yes dat het straks allemaal openbaar wordt als Hij weer het voorhangsel voorbijkomt en terugkeert. Hij komt uit het heiligdom. En dan, als Vader, als ouder van twee zonen, passeert Hij ook nog de zuilen Boaz en Jachin... nee, daar ga ik nu niks over zeggen.
Priesterschap uit Kracht van Onvernietigbaar Leven ↑ hoofdstukken
Hebreeën 7 bevat een uitvoerige uiteenzetting over de vraag waarom Jezus Christus koning-priester is naar de ordening van Melchizedek. De schrijver van de brief gaat diep in op de persoon van Melchizedek en wat voor figuur hij was. "Merk op hoe groot hij is," staat er in het begin van het hoofdstuk.
Ik sla een aantal verzen over en kom uit bij vers 15. Daar zegt de schrijver: "En nog veel duidelijker is het als naar de gelijkenis van Melchizedek een andere priester opstaat." Hier wil ik graag een streep onder zetten, want ik ken de verklaring dat Jezus Christus simpelweg Melchizedek is; dat Hij die destijds aan Abraham verscheen, Dezelfde is als Jezus Christus. Melchizedek zou dan een 'Christofanie' zijn, een verschijning van Christus in het Oude Testament. Om allerlei redenen kan dat volgens mij niet, maar de kortste route is: de tekst zegt dat Hij Melchizedek niet is. Hij is priester naar de ordening van Melchizedek en naar zijn gelijkenis. Er staat dat er een 'andere' priester opstaat, in het Grieks heteros. Hij is dus niet dezelfde; Hij is een ander. Weliswaar naar de ordening van Melchizedek, maar die twee zijn niet identiek. Het is een merkwaardige opvatting die ik nog wel eens tegenkom, maar het is niet zo.
Hij is opgestaan naar de gelijkenis van Melchizedek, en Hij is dat niet geworden naar de wet van een vleselijk voorschrift. Dat is waar ik zojuist al even op doelde. Christus is geen hogepriester volgens de oude regels, om de simpele reden dat Hij niet uit de stam van Levi is en niet afstamt van Aäron. Als Hij dus hogepriester is, dan is Hij dat niet krachtens een vleselijk voorschrift, zoals dat in het oude verbond allemaal beschreven en bepaald was.
Maar hoe dan wel? Hoe is Hij dan hogepriester geworden? In feite hebben we het al gezien: Hij is dat geworden sinds Hij is opgestaan uit de doden. Hier staat het ook: Hij is het niet naar de wet van een vleselijk voorschrift, maar naar de kracht van onvernietigbaar leven. Dat is dus na Zijn opstanding. Vóór Zijn opstanding kon Hij geen priester zijn, want dat leven heeft Hij overgegeven in de dood. Sinds Zijn opstanding uit de doden is het leven dat Hij aan het licht bracht onvernietigbaar. Er staat letterlijk zelfs 'onontbindbaar'. Hij leeft, Hij heeft de dood letterlijk overwonnen en Hij sterft niet meer. Dat is onvergankelijk leven.
Methusalach werd 969 jaar oud, maar waar hebben we het dan over? Dat is niets vergeleken met dit. Dit is onvernietigbaar, écht leven. Van ons huidige leven zou je kunnen verdedigen dat het maar goed is dat je het weer aflegt en dat het niet tot in eeuwigheid wordt opgerekt. Dat hoort ook niet. Het is zelfs genade dat je dit mag afleggen. Want zelfs in die dagen, toen het nog zo paradijselijk was onder geweldig gunstige omstandigheden, was het toch allemaal maar behelpen en vergankelijk. Maar dit nieuwe leven is leven dat de dood achter zich heeft. Het is zo onvoorstelbaar groots en heerlijk dat je er een lichaam van een heel andere conditie voor nodig hebt; anders zou het die heerlijkheid niet eens kunnen dragen en verdragen. Dat is wat ons wacht: onvernietigbaar leven.
Want van Hem wordt getuigd: "U bent priester tot in de aeon, naar de ordening van Melchizedek." U ziet dat dit vers een grote rol speelt. Het is een citaat uit Psalm 110, een geweldige profetische psalm die spreekt over wie de Messias zou zijn en wat Hij zou doen: priester naar de ordening van Melchizedek, tot in de aeon.
Ik moet opschieten, maar ik wil dit ook nog even genoemd hebben. Er staat over die hogepriester: "Daarom kan Hij volkomen redden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om te pleiten ten behoeve van hen." Dat is wat een hogepriester is en doet. Zoals ik al zei: hij representeert het volk en dat betekent dat hij hun belangen behartigt. Dat is de essentie van wat de hogepriester doet: hij pleit voor hen.
Ik heb altijd een beetje moeite met het woordje 'pleiten'. Dat heb je als je een beetje dubbelzinnig denkt. Want waar is de hogepriester nu? Hij is 'pleiter'. In zekere zin klopt dat nog ook, want Hij is niet hier, maar Hij is elders; Hij is pleite. Maar wat doet Hij daar? Hij pleit. Ik bedoel uiteraard dit: Hij behartigt de belangen, krachtig en liefdevol. En nu kom je op iets...
Het Essentiële Onderscheid: Hoofd voor de Ecclesia, Hogepriester voor Israël ↑ hoofdstukken
Je zou kunnen zeggen: "Wacht eens even, hebben wij dan geen hogepriester?" Welnu, Paulus noemt Hem nooit zo in zijn brieven. Nogmaals, dat is niet mijn mening; dat is gewoon wat de concordantie mij leert. Maar ik moet er wel bij zeggen dat we over Hem lezen in Romeinen 8 vers 34. Daar gaat het over ons, de gelovigen uit de natiën die behoren tot het lichaam van Christus. Er staat dat Hij werd opgewekt — het gaat over de Heer Jezus Christus — en die ook aan de rechterzijde Gods is. Dat is momenteel Zijn positie. En dan staat er: "die ook ten behoeve van ons pleit."
Hier wordt exact hetzelfde Griekse woord gebruikt als in Hebreeën 7 vers 25. Exact hetzelfde woord. Zo krijg je dit verhaal, dat ik even schematisch heb gemaakt: Christus is Hogepriester voor Israël en Hij is het Hoofd van het lichaam. Dat zijn twee verschillende dingen die je moet onderscheiden. Het is wel onderscheiden, maar het is niet gescheiden, want er is overlap. De overeenkomst tussen beide is namelijk dat Hij pleit ten behoeve van ons; zowel ten behoeve van het lichaam als ten behoeve van Israël.
Ik moet erbij zeggen dat de Hebreeën eigenlijk ook hierbij hoorden. Als u begrijpt wat ik bedoel: zij hoorden bij Israël — zo worden ze ook aangeschreven — maar ze hoorden ook bij het lichaam. Vandaar ook die overlap. Christus pleit ten behoeve van ons. Waarom is Hij daar? Wel, daar behartigt Hij onze belangen als geen ander. Zo goed, zo sterk, zo liefdevol is Hij daar aan de rechterzijde Gods.
Dus als je zegt: "Ja, maar hebben wij dan geen hogepriester?", dan is het antwoord dat Hij ten opzichte van ons het Hoofd is. Dat is de correcte terminologie. Maar vergis je niet: Hij pleit voor ons, Hij behartigt onze belangen en Hij doet alles wat maar nodig is. Aan het slot van Hebreeën 7 staat er nog bij: "Zulk een hogepriester past ons: integer, zonder kwaad, onbezoedeld, gescheiden van de zondaren en hoger dan die van de hemelen."
In Hebreeën 8 — u ziet dat ik nu wat sneller ga, want anders komt er helemaal geen eind aan dit grote onderwerp — zegt de schrijver in Hebreeën 9 eveneens: "Hierover kunnen wij thans niet in details treden, want de tijd zou ons ontbreken." Dat zeggen wij hem dan maar na, want dit zijn zulke grootse onderwerpen. Die hele kwestie van de hogepriester, wat Hij daar in het heiligdom doet en dat Hij onttrokken is aan het oog... Dat Hij daar een hemelblauw gewaad draagt en niet gezien wordt, maar wel gehoord door de granaatappeltjes en de belletjes aan de zoom van Zijn kleed. Geweldig! Maar ja, daar kunnen we nu verder niet zo over spreken.
De Hoofdsom: Naderend Hogepriester van de Komende Goede Dingen ↑ hoofdstukken
De schrijver van de Hebreeënbrief zegt in hoofdstuk 8 iets heel belangrijks. Als hij al zoveel gezegd heeft, dan hoort hij als het ware de vraag opkomen: "Zou je het even voor ons willen samenvatten?" Dan zegt hij dit: "De hoofdsom nu van de dingen die gezegd worden is: wij hebben zulk een hogepriester..." De schrijver hoort daar trouwens ook bij; Paulus was immers ook een Hebraïër. Wij hebben zulk een hogepriester die is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van de Majesteit in de hemel. Dit is in feite de samenvatting van de Hebreeënbrief tot dusver. Alles wat we nu gezegd hebben, komt hierop neer: wij hebben een hogepriester. Wat is daar zo bijzonder aan? Wel, Hij is daar gaan zitten in rust, aan de rechterzijde van de troon van de Majesteit in de hemel.
Hij is daar een bedienaar van de heilige dingen en van de ware tent die de Heer opzet, niet de mens. Met andere woorden: die tabernakel die daar in het Oude Testament was, die mobiele tempel zeg maar – en later dat stenen gebouw – dat is alleen maar een type. Niet meer en ook niet minder dan een type van het echte heiligdom. Dat echte heiligdom is niet door mensenhanden gemaakt; dat is de ware tent. Ook het uitspansel is trouwens heel interessant; de hemel is ook een uitspansel en daar is Hij de bedienaar, onttrokken aan het oog. Daar doet Hij allerlei dingen, want wat een hogepriester doet, is bijvoorbeeld zorgen voor de lampjes, zodat het licht daar straalt. Hij ontsteekt er ook reukwerk en Hij wordt gehoord. Er is heel veel over te zeggen, maar dat is de hoofdsom van de Hebreeënbrief.
In Hebreeën 9 staat nog iets: "Christus echter, naderend hogepriester van de komende goede dingen." In de NBG-vertaling staat dat Hij een hogepriester is "der goederen", maar dat is een beetje een misleidende term. Wij denken bij goederen meteen aan artikelen, maar je moet het goed zien: het is het meervoud van goede dingen. We kennen dat in het Nederlands niet zo goed als verzamelnaam, maar het betekent dus niet commerciële goederen, maar goede dingen. Hij is de hogepriester van komende goede dingen. Daar is Hij nu voor in het heiligdom; dat is allemaal vast en zeker. Het gaat erom dat die hogepriester ook weer uit het heiligdom komt. Dan breekt de aeon aan en dan openbaart Hij Zich ook als koning-priester, want Hij is nu priester naar de ordening van Melchizedek.
Hij is dus ook koning – Melchizedek betekent 'koning van rechtvaardigheid' – maar daar zie je nu nog niks van. Zijn koningschap wordt pas actueel op het moment dat Hij uit het heiligdom komt. Dan neemt Hij zoveel goede dingen mee. Alles wat nu al gegarandeerd is, neemt Hij straks mee en gaat Hij openbaren; dan gaat Hij het volk zegenen. Dat is de grote beschrijving van de Grote Verzoendag: de priester komt uit het heiligdom en het eerste wat hij doet, is het volk zegenen, de twaalf stammen. Dan wordt de zondebok naar de woestijn gezonden en wordt Israël daadwerkelijk compleet verzoend, het hele volk. Die Hebraïën waren daar eigenlijk al een voorproefje van; zij waren een overblijfsel van Israël en vormden een type, een model van wat straks het hele volk ten deel zal vallen. Zo worden ze aangeschreven en vandaar ook dat Christus voor hen specifiek die hogepriester is.
Is Hij dat voor ons ook? Je kunt het zo wel zeggen, daar heb ik niets op tegen, want ik vind het een geweldig type. Maar zie de verschillen en onderscheid het wel. Zie ook het verschil tussen uitleg en toepassing. Hij is de hogepriester van Israël en Hij heeft die goede dingen die straks openbaar worden. Hij is nu de naderende hogepriester van de komende goede dingen door de grotere en volmaaktere tent. Hij is door de hemelen gegaan, door het uitspansel. Dat is niet door een mens opgezet; het is veel groter, volmaakter en niet met handen gemaakt. Het is niet van deze schepping. Hij ging daar ook niet binnen door het bloed van geitenbokken, zoals de hogepriester destijds de tabernakel binnenging door de gordijnen te passeren. In dit geval hebben we het over de hogepriester die binnengaat door Zijn eigen bloed.
Daar zie je dat Hij hogepriester is sinds Zijn opstanding. Hij stierf daarvoor en Hij is dus niet alleen de vervulling van het hogepriesterschap, maar ook nog eens het ware offer dat geslacht is. Hij is geslacht precies op de datum dat het lam geslacht moest worden. Zie je hoe volmaakt Hij de vervulling is van alles wat in het Oude Testament al voorzegd en aangekondigd was, en zelfs in typen was uitgebeeld? Hij is de volmaakte vervulling daarvan.
Tijd om samen te vatten. Christus is dus hogepriester van de twaalf stammen van Israël. Dat is wat het is. Even voor de goede orde: wij zijn gelovigen uit de natieën. Je zou kunnen zeggen: "Ja, maar wij hebben wellicht ook bloed van Eber in onze aderen stromen." Dat doet niet ter zake; dat zou betekenen dat we eventueel Israël waren, maar we zijn nu gewoon van de natieën. Hij is hogepriester van de twaalf stammen van Israël. Sinds Zijn opstanding is Hij gesteld tot hogepriester naar de ordening van Melchizedek en Hij bevindt Zich momenteel in het hemels heiligdom. Daar is Hij een bedienaar van het heilige. Hij zit, Hij is in rust, maar Hij doet niet niks. Dat zijn twee verschillende dingen: in rust zijn en tegelijkertijd toch actief zijn.
Er staat ook dat Hij wacht. Hij wacht tot Hij openbaar wordt en uit het heiligdom zal komen. Hij behartigt als hogepriester de belangen van een gelovig Israël en zal straks uit het heiligdom komen om in de komende aeon, dat wereldtijdperk, te gaan heersen als priester-koning. Dat gebeurt precies op de locatie waar je dat van een Melchizedekiaanse hogepriester mag verwachten: in Salem, in Jeruzalem. Wat een aeon gaat dat worden! Het is allemaal al gegarandeerd. We zien er nu nog helemaal niks van, want het is nog in het heiligdom, maar reken maar dat het straks volmaakt vervuld wordt. En weet je wat ik nou zo mooi en boeiend vind? Het gaat nog heel gauw gebeuren ook. We zijn inmiddels ongeveer tweeduizend jaar dichterbij dan toen deze woorden werden opgetekend. Waarvan akte.
UltimateGoodNews