GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Het Zaad Van Abraham

18-01-2015 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 18 januari 2015 te Urk.

Degene die vandaag gelooft en daarmee in Christus gedoopt is, is volgens Paulus in Galaten 3:29 “zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen”. Wat betekent dat? Betekent dit dat de gelovigen vandaag delen in de belofte die gedaan is aan Israël? Of delen ze in de belofte die gedaan is aan….?

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De studie behandelt de theologische betekenis van de uitdrukking 'het zaad van Abraham' aan de hand van Paulus' brieven en het boek Genesis. Paulus benadrukt in Galaten dat het zaad in het enkelvoud staat en direct verwijst naar Christus als de Opgestane. De wet, die later werd gegeven, was tijdelijk en diende om de mens bewust te maken van de noodzaak van Gods genade. Gelovigen van nu worden geestelijk één gemaakt met Christus en vormen samen Zijn lichaam, de Ecclesia. Hierdoor zijn zij niet slechts ontvangers van aardse beloften, maar delen zij als mede-erfgenamen rechtstreeks in de hemelse beloften die aan Christus zijn gedaan.

“Wij zijn dus niet maar gezegend met Israël. Nee, wij hebben een veel hoger deel. Wij zijn gezegend met dat wat aan Christus is beloofd en toegezegd.”

Introductie: Wat Betekent het Zaad van Abraham? ↑ hoofdstukken

Dankjewel voor de intro, Gerard, en ik stel voor dat we ons vandaag eens gaan bepalen bij, om te beginnen, Galaten 3.

Laat ik eerst even wat zeggen over de directe aanleiding. Het was vorige week dat ook Gerard op het internet iets plaatste en een vraag ter sprake bracht over deze titel: Het zaad van Abraham. Dat is een uitdrukking die we heel vaak in de Bijbel aan zullen treffen, hoewel het in de NBG-vertaling heel dikwijls ook wordt weergegeven met 'het nageslacht van Abraham'. Daar zullen we het straks nog wel over hebben.

Maar de vraag was vooral: wat betekent dat? Dat gelovigen vandaag ook het zaad van Abraham worden genoemd. Betekent dat dat wij delen in de belofte die God heeft gedaan aan Israël? En zo ja, wat betekent dat dan? Zijn wij dan in de geestelijke zin Israëlieten of heeft het toch een andere betekenis?

Die kwestie is buitengewoon boeiend en ik stel voor dat we ons daar eens mee bezig gaan houden. Zoals gezegd is de directe opstap naar dat onderwerp Galaten 3, want daar heeft Paulus het over die uitdrukking, die hij dan weer direct ontleent aan het Oude Testament, al aan het boek Genesis. Afijn, daar zullen we het allemaal over hebben.

Galaten 3: Niet Zaden, maar Zaad in het Enkelvoud ↑ hoofdstukken

Ik stel voor dat we aanhaken bij Galaten 3 vers 16. Je ziet meteen aan de wijze waarop Paulus dat hier bespreekt, dat hij bezig is een betoog te houden. We vallen daar nu middenin, maar dat is nu eenmaal zo en daar ontkom je ook niet aan. Het is echter heel goed te doen om hier te beginnen. Er staat geschreven: "Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad." Moet je eens opletten wat hij dan vervolgens zegt. Hij zegt niet "aan zijn zaden", in het meervoud, maar in het enkelvoud.

Dit is heel interessant, want in de eerste plaats blijkt daaruit hoe precies Paulus de tekst van de Schrift leest. Hij let erop of het in het enkelvoud of in het meervoud staat, want dat is van belang. Dat zegt dus ook iets over de wijze waarop Paulus zelf met de Schriften omging: met grote eerbied. Het loutere feit dat iets in het enkelvoud staat, is niet zonder betekenis. Nee, zegt hij, het is niet voor niets dat er niet staat "zaden", maar "zaad". Enkelvoud.

Nu zou je daar de gedachte aan kunnen koppelen: "Ja, maar wacht even, hoe zit dat dan? Zaad is toch gewoon een collectief begrip dat velen kan insluiten?" Ik heb daar nu niet direct een dia bij, maar ik denk dat het toch even handig is om naar Romeinen 4 te gaan. Voor het verstaan van die uitdrukking is het van belang om dat er even bij te betrekken. Want daar zie je dit: in Romeinen 4 heeft Paulus een heel hoofdstuk lang dit onderwerp besproken, over Abraham en over zijn zaad en alles wat daarmee verband houdt. Dan staat er in vers 16: "Daarom is alles uit geloof, opdat het zou zijn naar genade en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht." Ik lees ter waarschuwing even de NBG-vertaling, want de Statenvertaling zegt hier "zaad". Daarin is de Statenvertaling veel concordanter; dat wil zeggen: veel eensluidender. Je geeft gewoon consequent dat woord zaad weer met "zaad". De NBG-vertaling legt hiermee iets uit. Dat is trouwens geen kritiek, want het woord zaad betekent dikwijls gewoon nageslacht. Dat klopt, en dat het inderdaad niet per se op één iemand hoeft te slaan, dat is buiten kijf. Dat weet Paulus ook wel, want dan zegt hij: "Daarom is alles uit geloof, opdat het zou zijn naar genade en dus de belofte zou gelden voor al het zaad. Niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is." Zoals geschreven staat: "Tot een vader van vele volkeren heb Ik u gesteld voor het aangezicht van de God in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept."

Hier zie je dat Paulus het ook heeft over het zaad van Abraham, maar wat blijkt dat dan te betekenen? Vele volkeren. Zodat die uitdrukking "zaad" niet per se betekent dat het maar over één iemand gaat. Dat weet Paulus ook. Het loutere feit dat hij dat zo in Romeinen 4 uiteenzet, blijkt daar zonneklaar uit. Trouwens, het is niet moeilijk; ik vind het zelfs overbodig om dat nu ook aan te halen, maar op vele plaatsen in het Oude Testament wordt dat woord gebruikt: "het zaad van". En dan gaat het inderdaad over het nageslacht, over een heel volk of zelfs over vele volkeren. Paulus weet dat. Ik zeg dat er even bij, omdat sommige mensen hebben gezegd dat de argumentatie die Paulus hier in Galaten 3 opvoert, vergezocht is. Dat het een ongerijmde conclusie zou zijn. Hij zegt: het zaad staat in het enkelvoud, maar het begrip zaad heeft toch de betekenis van nageslacht? Dat kan juist velen betreffen. Ja, dat is ook zo. Paulus weet dat ook en Romeinen 4 bewijst dat ook.

Maar dat is het punt niet. Paulus zegt dit om iets te benadrukken. Hij zegt: dat woord "zaad" staat in het enkelvoud en dat heeft een diepere zin. Daar heeft hij het heel vaak over in de Galatenbrief. Als hij bijvoorbeeld de geschiedenis aanhaalt van Ismaël en Izak, dan zegt hij: deze dingen hebben een diepere zin, een diepere beduiding. Dat zie je daar dan niet zomaar als je het oppervlakkig leest. Nee, het loutere feit dat het woord zaad enkelvoud is, zelfs als het een collectief aanheeft, is opmerkelijk. En dat is waar Paulus nu op voortborduurt. Hij zegt niet "aan zijn zaden" in het meervoud, maar in het enkelvoud: "aan uw zaad", het zaad van jou. Dat wil zeggen, zegt Paulus: aan Christus.

Het betoog dat Paulus hier houdt, is dat het feit dat het woord zaad een enkelvoud is, in de diepste zin betekent dat het over één iemand gaat. Het gaat niet over het meervoud, maar over het enkelvoud. En dat betekent dat het uiteindelijk ten diepste over één iemand gaat, namelijk Christus, de Messias. En daarmee ook over Degene die opgestaan is uit de doden: de Levende. Want als we het daarover hebben, over het zaad van Abraham, dan praten we eigenlijk al op voorhand over Degene die uit de dood is voortgekomen. Waarom zeg ik dat nou zo? Wel, omdat als we het hebben over het zaad van Abraham, hoe was dat? Als je die hele voorgeschiedenis kent – en ik ga er gemakshalve vanuit dat de meesten van u hiervan op de hoogte zijn – dan was Abraham een man die op latere leeftijd een "verstorvene" genoemd wordt. Hij was niet in staat om nageslacht te verwekken. Zijn vrouw Sara was bovendien ook onvruchtbaar gedurende haar hele leven en later was ze bovendien "over de tijd". Het ging haar niet meer zoals de Bijbel dat zegt, naar de wijze der vrouwen; zij menstrueerde niet meer. Dus al om die reden kon zij geen kinderen meer krijgen.

Dat is Romeinen 4, maar Paulus betoogt dat nog eens een keer vanuit het boek Genesis. Het loutere feit dat Izak ooit ter wereld is gekomen, is een bewijs van leven uit de dood. Hij kwam voort uit een verstorvene. Het zaad van Abraham verwijst naar leven dat uit de dood voortkomt. In het boek Genesis gaat het al over leven uit de dood; dat is in feite de essentie van het evangelie, de blijde boodschap. De dood heeft niet het laatste woord. Integendeel, God verwekt leven uit de dood. Abraham was daar in zijn verstorven lichaam een bewijs van. En als Paulus het over Christus heeft, dan heeft hij het ook over de Opgewekte. Juist in de Galatenbrief is dat ook een belangrijk punt. We gaan even door.

De Onvoorwaardelijke Belofte en de Tijdelijke Functie van de Wet ↑ hoofdstukken

Paulus gaat het nader uitleggen. Hij zegt: "Ik bedoel dit, ik zeg dit: de wet die vierhonderddertig jaar later is gekomen..." Tel het maar na. Trouwens, in het boek Genesis wordt ook al zoiets gezegd; daar wordt over vierhonderd jaar gesproken. In het boek Exodus over vierhonderddertig jaar. De wet kwam dus vierhonderddertig jaar na de belofte die God aan Abraham deed. En dan zegt Paulus dat die wet, die vierhonderddertig jaar later kwam, het testament – of letterlijk: het verbond – niet ongeldig maakt.

Want God maakt geen testamenten op; Hij is de levende God en Hij sterft niet. Het hele begrip 'testament' is eigenlijk een heel akelige vertaalfout. Daar staat gewoon het woord 'verbond'. Dat is trouwens het grote punt: wij spreken altijd over het Oude Testament en het Nieuwe Testament, het is een ingeburgerd begrip, maar wees u er goed van bewust dat er gewoon het woord 'verbond' staat. Iets tweezijdigs. Ik ga daar nu even aan voorbij, maar ik wijs er wel eventjes op. Die wet die vierhonderddertig jaar later kwam, maakt dat verbond dat God met Abraham gesloten had – die belofte die Hij had gegeven en waaraan door God van tevoren rechtskracht verleend was – niet ongeldig.

God had dat bekrachtigd. Hoe had Hij dat bekrachtigd? Door iets wat God zelden doet, namelijk een eedzwering. God belooft doorgaans en ja is ja, maar bij een paar gelegenheden lees je dat God inderdaad een belofte doet bij eedzwering zelfs. Dus er was van tevoren inderdaad rechtskracht aan verleend. Die wet die God gegeven heeft, kan natuurlijk nooit die belofte ongedaan maken. Als God een belofte doet en Hij geeft later een wet waar de mens naar moest luisteren en die hij moest gehoorzamen, dan kan die natuurlijk nooit die belofte ongedaan maken, zodat de belofte haar kracht zou verliezen.

Dat is wat Paulus zegt: die wet die God later pas, honderden jaren na de belofte aan Abraham, aan Israël gaf, maakt de belofte die Hij al eerder had gegeven niet ongedaan. Vergis u niet, de belofte die God aan Abraham had gedaan, was onvoorwaardelijk. Daar hing geen prijskaartje aan en er was geen voorwaarde aan verbonden. Alle verplichtingen lagen aan Gods zijde. God belooft, en bij God lag dus ook de verplichting om dat te doen. U weet: belofte maakt schuld, en wie belooft, is verplicht dat na te komen. God had beloofd. Dat de wet vervolgens gehoorzaamheid eist en dat er zegen en vloek aan verbonden was op voorwaarde van wat de mens deed of niet zou doen, dat kan die belofte nooit ongedaan maken. Die belofte staat.

Immers, als de erfenis van de wet afhangt, dan hangt zij niet af van de belofte. Wat God te geven heeft, hangt niet af van wat de mens doet, of hij nu gehoorzaamt of niet. Nee, het hangt af van de belofte. En Paulus zegt: juist door een belofte – dat wil zeggen: doordat God belooft – heeft God aan Abraham Zijn gunst bewezen. Er staat hier letterlijk een woord dat is afgeleid van genade. Hij heeft Zijn genade gegeven, puur om niet, dat is wat het betekent. God deed een belofte en Hij zou dat vervullen. Dat heeft niets te maken met die wet; dat staat er helemaal los van.

Waarna vervolgens de vraag zich opdringt – en Paulus stelt hem zelf, want als je dit zo leest, vraag je je af: waarom heeft God dan überhaupt die wet gegeven? Paulus stelt de vraag: "Waartoe dient dan de wet? Vanwaar dan?" Wel, zegt Paulus, om de overtredingen is zij erbij gevoegd. Nu moeten we even uitkijken, want de woorden "te doen blijken" staan er eigenlijk niet. Als u een Statenvertaling hebt, staat het daar correct: "om der overtredingen wil" of "omwille van de overtredingen" is zij erbij gevoegd.

Kijk, de NBG-vertaling heeft ervan gemaakt: "om de overtredingen te doen blijken". Dan hebben ze het een beetje 'mooi' gemaakt. Voor zover je de Bijbel mooi kunt maken, dacht men blijkbaar: het kan toch niet zo zijn dat God de wet gaf met als doel dat de overtreding zou toenemen of dat er overtreding zou komen? Maar dat is wel wat er staat hoor! Men heeft dat willen wegpoetsen, juist om God daarmee niet te blameren. Ten onrechte, want ik zal u vertellen dat wat Paulus hier naar voren brengt in Galaten 3, hij ook elders naar voren brengt. Alleen hebben de vertalers ook daar weer aan willen sleutelen.

Maar er staat, als je aan Paulus vraagt waarom God aan Israël ooit die wet heeft gegeven, dan zegt hij: "om de overtredingen", "om der wille van de overtredingen". Dat zegt hij hier, maar in Romeinen 5 zegt hij het zeer expliciet. Daar wordt namelijk dezelfde kwestie ter sprake gebracht. Leest u met me mee in Romeinen 5 vers 20. Daar zegt Paulus: "Maar de wet is erbij gekomen..." Het gaat hier dus over hetzelfde fenomeen. De wet is erbij gekomen; dat wil zeggen: na de periode van Adam tot Mozes. Dat is een heel lange periode hoor, een periode van pakweg tweeduizend vijfhonderd jaar. Die periode is veel langer dan de periode van Sinaï tot Christus, want dat is maar vijftien eeuwen. Hoewel ik vijftien eeuwen relatief gezien nog een heel eind vind, maar u begrijpt wat ik bedoel. Die periode van Sinaï tot aan Christus is vijftien eeuwen, maar de periode van Adam tot Mozes duurde maar liefst tweeduizend vijfhonderd jaar. U pakt me niet op een jaar vast, hè? Laten we zeggen: tweeduizend vijfhonderd jaar.

Al die tijd heeft de mens geleefd bij wat God gesproken had en bij Gods belofte, maar de wet kende men niet. Die wet is er later pas, en dan ook nog eens voor slechts één volk, bijgekomen. En weet u, dan lees ik het weer voor uit de NBG-vertaling en daar staat: "zodat de overtreding toenam". Nee, ook dat is weer mooi gemaakt. Het staat er niet zo; er staat letterlijk: "opdat de overtreding, de misstap, zou toenemen". Galaten 3 zegt: "om der overtredingen wil". Paulus zegt in Romeinen 5 dat de wet erbij is gekomen met het doel dat de overtreding zou toenemen. Dat was Gods bedoeling.

Uiteraard was dat niet Zijn einddoel, want dat zie u in het vervolg: "waar evenwel de zonde toenam, daar is de genade meer dan overvloedig geworden." Wat God wilde, is dit: die genade meer dan overvloedig maken. Daartoe heeft Hij die wet gegeven, opdat de overtreding zou toenemen, zodat de mens totaal geen poot meer zou hebben om op te staan, om het even plat te zeggen. Zodat het echt genade was. Nee, zodat het niet alleen maar genade was, maar dat het overvloedige genade werd! Als de mens al zijn rechten heeft verbruikt en verspilt, dan blijkt pas de overvloed van genade. Dat is wat God wilde bewijzen en daarom heeft Hij de wet gegeven. Niet om de mens beter te maken, maar opdat de overtreding zou toenemen.

Al die gedachten die zeggen... en u weet, het is een heel religieuze gedachte, eigenlijk de grondgedachte in religie en godsdienst: "Als je wilt dat de mens beter wordt, moet je een wet geven. Je moet zeggen: dat mag je wel doen en vooral: dat mag je niet doen. Als je een wet geeft, dan wordt de mens beter." Nou, Paulus zegt in 1 Korintiërs 15 dat de wet de kracht van de zonde is, en in Romeinen 7 zegt hij dat het de prikkel van de zonde is. Hij tapt dus uit een heel ander vaatje. Maar dat is wel wat Paulus zegt.

Goed, we gaan even verder. Ik vind het altijd heerlijk om Paulus te bespreken, want dan hoor je nog eens wat; dingen die je meestal niet hoort. Tjonge jonge, als je in de school van de leraar der natiën zit, dan hoor je de ene na de andere onorthodoxe uitspraak. Ik vind het geweldig, want dan hoor je echt eens iets nieuws. Zo is het, het is waar: de wet maakt de mens niet beter. De overtredingen nemen daardoor juist toe. Waarom? Wel, dan krijg je zicht op genade. Wat zeg ik? Dan krijg je zicht op de overvloed van genade!

Ja, dat vind ik geweldig en daar word ik blij van, want genade is precies dat wat blij maakt. Waartoe dient dan de wet? Ik ben weer terug in Galaten 3. Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen? Nee, om der overtredingen wille, dat is wat er staat, is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen waarop de belofte sloeg. Dus aan wie Hij heeft beloofd. Die wet heeft een tijdelijke functie, namelijk totdat het zaad zou komen. En Paulus had al vastgesteld: het zaad, dat is Christus. Totdat het zaad zou komen waarop de belofte sloeg.

Tot dusver is het niet moeilijk om te begrijpen waar Paulus het over heeft. Als hij spreekt over het zaad van Abraham, dan heeft hij het over één iemand, namelijk Christus. Dat is niet compleet hoor, want dat hangt af van de context. Ik zei al: in Romeinen 4 is de gedachte een andere, maar hier is het volkomen duidelijk waar Paulus het over heeft: het zaad van Abraham, dat is die ene, dat is de Christus. En die wet heeft een tijdelijke functie voor één volk, opdat uiteindelijk de overvloed van de genade van God bewezen zou worden.

Nu sla ik even een aantal verzen over en gaan we naar vers 25: "Nu echter het geloof gekomen is..." Ik sla een paar verzen over, maar het nadeel daarvan is dat je dan ook een paar gedachten mist die Paulus juist had uiteengezet. Dat moet ik dan maar even kort door de bocht zeggen: het geloof is gekomen, dat wil zeggen dat de periode van de wet voorbij is. Dan gaat het uitsluitend nog om geloof, niet om werken. God zegt niet: "dit en dat moet je doen", maar God belooft, zoals Hij ook ooit beloofde aan Abraham. Abraham leefde uit geloof. God had aan Abraham beloofd en die wet kwam pas 430 jaar later.

Totdat het zaad zou komen... Inmiddels is het zaad gekomen. Wij leven uit exact hetzelfde als waaruit Abraham ook leefde, namelijk geloof. God heeft beloofd, de belofte is inmiddels vervuld, het zaad is gekomen en wij leven net zo goed uit geloof. God belooft en wij zeggen amen. En God bewijst Zijn woord vervolgens; Zijn levende woord in ons, door ons, aan ons en voor ons.

Nee, dat klopt, dat is heel juist gezegd: het oude verbond is ook voor Israël beëindigd. We zullen het ook zien. Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij... Paulus spreekt hier ook als Jood, want de heidenen waren nooit onder die tuchtmeester. Die waren er sowieso al nooit onder, want God had de wet gegeven aan één volk daar bij de berg Sinaï. Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester. Wat die tuchtmeester is, had hij precies in het voorgaande vers gezegd: de wet is dus een tuchtmeester geweest voor ons, Israël, tot Christus. Dat wil zeggen: tot het zaad gekomen is, en wel de Opgestane. En nu het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester. Dat is het grote thema van de hele Galatenbrief.

En dan gaat hij verder: "Want gij zijt allen zonen van God." Zonen, dat wil zeggen — in Galaten 4 vers 7 zegt hij ook: "Zijt gij zonen Gods, dan zijt gij ook erfgenamen." Die begrippen zijn eigenlijk onderling uitwisselbaar. Een zoon is een erfgenaam, of als je het heel goed wilt zeggen: een lotsdeel-bezitter. Dat wil zeggen: je bezit, je ontvangt iets als jouw deel. Je krijgt het, het valt je ten deel; je hebt er niks voor gedaan. Dat kan een erfenis zijn. Een erfenis valt je ook ten deel, maar dat hoeft niet per se een erfenis te zijn. Een erfenis krijg je altijd juist vanwege het overlijden van iemand, maar het idee waar het hier over gaat is niet dat van een erfenis, maar dat het je "om niet" ten deel valt zonder dat je er iets voor doet. Dat is het.

"Want gij zijt allen zonen van God", dat wil zeggen: lotsdeel-bezitters. Dat is een beetje een lastig woord natuurlijk, ik licht het even toe, maar ik wil best spreken over erfgenamen, met die restrictie dat het niet per se gaat over iets wat je ten deel valt door overlijden. Het valt je ten deel, dat is het. Want gij zijt allen zonen, dat wil zeggen erfgenamen van God. Hoe? Door het geloof in Christus Jezus.

Er is ook nog een andere uitdrukking die vaak genoemd wordt, en dat is "het geloof van Jezus Christus" (of Christus Jezus). Dat wil zeggen: het geloof dat Hijzelf aan de dag legde. Helaas is dat in de NBG-vertaling wegvertaald. In andere vertalingen zie je dat ook niet terug, maar hier — en dat klopt — is sprake van het geloof in Christus Jezus. Dat wil zeggen: degene die gelooft in Hem, in Christus Jezus, in Hem die opgestaan is uit de doden, de Verheerlijkte. Welnu, degene die dat geloof heeft, die is vandaag een erfgenaam van God. Hoe? Door werken? Nee, door geloof. Door amen te zeggen op wat God gesproken heeft; door geloof in Hem.

Ik ga verder, want we hadden onszelf een vraag gesteld en daar valt veel over te vertellen. Ik wil niet te lang blijven hangen in de details, maar de draad van dat zaad van Abraham vasthouden. Paulus zegt: "Want gij allen..."

Geestelijk Eengemaakt: de Doop in Christus Zonder Onderscheid ↑ hoofdstukken

Gij allen. Op welke 'allen' gaat het hier? Welnu, dat zijn degenen die in Christus gedoopt zijn. Of: jullie worden gedoopt in Christus. Dat is iets wat je ondergaat. Ik weet dat mensen dan direct aan de waterdoop denken. Het valt mij altijd op dat mensen meteen die link leggen: zodra je aan 'doop' denkt, denk je aan water. Dat kan; de Bijbel spreekt ook over de doop in water. Maar dat automatisme dat christenen doorgaans hebben om bij 'doop' per definitie en standaard aan water te denken, is volkomen ongegrond. Zeker als er zelfs nog expliciet bij staat waar het over gaat. Gaat het hier over de doop in water? Gewoon lezen – en ik bedoel dit echt als een leesoefening. Nee, het gaat over de doop in Christus. Daar komt geen druppel water aan te pas. Je wordt gedoopt, ondergedompeld in of eengemaakt met Christus. Dat is een geestelijke zaak.

Maar dat zou toch niet hoeven te verbazen. Hoe was het ook alweer? Wat zei Johannes de Doper? "Ik doop u met water" – of letterlijk: in water – "maar Hij die na mij komt, zal u dopen in geest." Dat wil zeggen: ik doop in water, maar Christus, die na mij komt, doopt niet letterlijk in water. Nee, dat wat ik doe in water, zegt Johannes, dat zal Hij die na mij komt doen in geest. Geestelijk. Paulus zegt in 1 Korinthiërs 12 – er is nog een andere passage – dat wij allen door één Geest tot in één lichaam gedoopt zijn. Dan gaat het over een geestelijke doop. En hier ook: "wij allen die in Christus gedoopt zijn". Hoe word je in Christus gedoopt? Dat onderga je; dat is niet iets wat wij zelf doen. Nee, dat voltrekt zich aan je, namelijk aan degene die gelooft. We zagen dat toch: gij zijt alle zonen van God door het geloof in Christus Jezus. Wie gelooft, die wordt gedoopt. Eengemaakt met, ondergedompeld in – hoe je het ook maar zeggen wilt – maar in elk geval eengemaakt met Christus. En daarmee ook met Hem bekleed en omkleed.

Ziet u dat dit geen ritueel is? Alleen al de gedachte dat Paulus in de Galatenbrief rituelen zou doorgeven, is zo buiten de orde van die hele brief. Hij benadrukt van begin tot eind juist dat het allemaal de belofte van God is. Dat het geen werken van mensen zijn en ook geen rituelen. Nee, voor zover rituelen betekenis hebben, is het slechts omdat ze ergens naar vooruitwijzen. Dat geldt trouwens ook voor de besnijdenis, maar ook voor de doop. De doop in water is slechts een beeld van de echte doop: de echte onderdompeling in Christus. Dat heeft ook te maken met begraven worden en inderdaad nieuw leven ontvangen en daaruit opstaan.

Ga het maar eens na in de brieven van Paulus. Hij spreekt vrijwel nooit over de doop in water. Ja, één keer wel. Hij spreekt één keer over de doop in water en weet u wanneer dat is? Dat zegt hij in 1 Korinthiërs 1. Dan verontschuldigt hij zich min of meer dat hij sommigen gedoopt heeft. Hij zegt: "Want de Heer heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen." Dat is de enige keer dat hij over de doop in water spreekt. Voor de rest heeft hij het over de doop in Christus, over de doop in Zijn dood en meer van dat soort uitdrukkingen. Het gaat mij er dus niet om dat dit tegen de waterdoop is, daar gaat het niet om. Het punt is: Paulus heeft het hier niet over. Het gaat niet om rituelen. "Gij allen die in Christus gedoopt zijn, hebt u met Christus bekleed."

Dat is wat je daarmee ook ondergaat. En dan vervolgens: "Hierbij is geen sprake van Jood of Griek." Dat speelt geen rol. Die godsdienstige verdeling die voorheen zo enorm belangrijk was – of je nu van Joodse afkomst was of juist niet – dat was een fundamenteel verschil. Of neem het maatschappelijke verschil: je bent een slaaf, een lijfeigene van iemand, of je bent vrij. Dat is een wereld van verschil, maar Paulus zegt: wie in Christus gedoopt is en Hem in geloof kent, daar spelen die onderscheidingen geen enkele rol. Natuurlijk, je bent Joods van huis uit of juist een Griek, je bent een slaaf of je bent een vrije, of je bent mannelijk of vrouwelijk. Mannelijk en vrouwelijk? Ja, je bent niet 'mannelijk en vrouwelijk' tegelijk, dat valt niet mee natuurlijk. Maar er is geen sprake meer van dat onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk. Dat verschil, wat toch een vrij belangrijk aspect is in ons dagelijks leven – meer smaken zijn er niet: mannelijk en vrouwelijk – dat speelt in Christus, in die nieuwe schepping, geen rol. Jullie allen, zegt hij, zijn één in Christus Jezus. Dat is die typische Paulinische term: Christus Jezus. Hij zet Christus, de titel van de Opgestane, voorop. Wij zijn één in Hem.

Ziet u dat Paulus het hier dus heeft over Christus Jezus? Daar wijs ik nu alvast op. Hij heeft het over Christus Jezus en over allen die in Hem begrepen zijn. Hij had het over het zaad van Abraham. Wij, degenen die vandaag geloven, zijn in Christus Jezus één met Hem. Al die onderscheidingen die hij hier noemt – elders noemt hij er zelfs nog meer – die blijken van geen enkele waarde te zijn. Ze hebben geen enkele betekenis; principieel telt dat alles niet meer mee. Gij allen zijt immers één in Christus Jezus. Hij maakt daar een geweldige eenheid van. En nu komen we eigenlijk – tot dusver was het allemaal nog inleidende aandacht – op de kwestie en de vraag waar we het in de aanvang over hadden.

Mededelen in Christus' Belofte als Zijn Zaad ↑ hoofdstukken

Indien gij nu van Christus zijt... Indien jullie nu van Christus zijn, dan zijn jullie zaad van Abraham. Dat is wat Paulus hier zegt. Het is toch logisch? Het zaad van Abraham, dat is Christus. En vervolgens heeft hij het over allen die in Christus zijn, die één gemaakt zijn met Hem, één in Christus Jezus en ook één met Christus Jezus.

Indien jij nu van Christus bent, dan zijn jullie dus ook zaad van Abraham. Dan zijn jullie dus begrepen in die Ene. En, zo staat erbij, naar de belofte erfgenamen. Dat wil zeggen – let op – jullie krijgen datgene wat aan het zaad van Abraham beloofd is. En wie is het zaad van Abraham? Christus.

Paulus heeft het hier helemaal niet over dat jullie deel gaan krijgen aan de beloften die aan Israël gedaan zijn. Dat zaad van Abraham hier in Galaten 3, dat is niet Israël. Nee, dat is één Iemand, dat is Christus. En wij die in Christus zijn, zijn één gemaakt met Hem. En dus zijn wij ook, in Hem, zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen.

Dat wil zeggen: wij erven, wij ontvangen als lot ten deel alles wat aan Christus is beloofd. Niet wat aan Israël is beloofd. Ik zeg niet eens dat de gedachte op zich helemaal zo onjuist is, maar dat is niet wat hier staat. Het gaat erom: jullie delen in alles wat aan Christus is beloofd. We gaan eens even terugbladeren nog.

Genesis 22: het Hemelse en het Aardse Nageslacht ↑ hoofdstukken

Dan wil ik er ook nog graag even bij betrekken dat we naar Genesis 22 gaan. Dat is het hoofdstuk van jaren nadat inmiddels het zaad van Abraham geboren is, namelijk Jitschak, zijn enige zoon. In Genesis 22 lees je dat God Abrahams geloof op de proef stelde en dat hij een reis moet gaan maken naar het gebergte van Moria. Dat is dat gebergte waar later de tempel gebouwd zou worden: Jeruzalem. En daar zal hij zijn enige zoon offeren. Je leest dat hij op de derde dag met zijn personeel daar naartoe gaat en Jitschak neemt hij mee. Op die derde dag ziet hij die plaats van verre en op die dag gaat het allemaal plaatsvinden.

U kent de beroemde geschiedenis. Abraham wist trouwens dat hij weer met zijn zoon terug zou komen; dat wist hij. Abraham zegt tegen zijn knechten: "Totdat wij, Jitschak en ik, weer tot u zullen teruggekeerd zijn." Je zou het commentaar van de schrijver van de Hebreeënbrief erbij moeten pakken; daar staat dat Abraham heeft overwogen dat God hem zijn zoon weer uit de doden zou kunnen doen opwekken. Bij wijze van spreken heeft hij hem ook als uit de doden terugontvangen op die derde dag. Inderdaad zie je daarin die hele boodschap van leven uit de dood op de derde dag en dat offer dat gebracht wordt van de enige zoon in wie heel de belofte verankerd ligt. Dat is niet zomaar een nieuwtestamentische uitvinding; dat staat allemaal al in Genesis. Het staat er perfect en het wordt geweldig niet alleen gezegd en aangekondigd, maar ook geïllustreerd.

In vers 16 lees je, als die geschiedenis inmiddels zo'n hoogtepunt heeft bereikt, dat Abraham die stem uit de hemel hoort: "Doe je zoon niets aan." God voorziet dan in een ander lam. De Heer zal voorzien: Jahwèh Jireh. En dan zweert God opnieuw. "Ik zweer bij Mijzelf," luidt het woord van de Heer, van Jahwèh. "Omdat gij dit gedaan hebt en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt..." Dit is taal die je zo raakt. Je zou zeggen als je dit leest: "Uw enige zoon niet onthouden hebt, geofferd hebt daar op het gebergte van Moria, daar bij Jeruzalem waar later ook dat grote offer gebracht werd." Ja, daar spreekt het van; daar verwijst het naar het zaad van Abraham: Jitschak, de beloofde zoon, de enige.

Vanwege het feit dat hij God die zoon niet onthouden heeft, doet God bij die gelegenheid een eedzwering. Hij zegt: "Ik zal u rijkelijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken." In de vertaling staat hier 'nageslacht', maar de lezers hoeven die sprong niet te maken omdat ze meteen zien dat er gewoon staat: "En jouw zaad, uw zaad zeer talrijk maken." Dus op grond van het offer van die enige zoon daar op het gebergte van Moria op die derde dag gaat God rijkelijk zegenen. Dat voel je op je klompen aan: dit is dubbelzinnig en gaat over die ándere zoon van Abraham, de echte, de enige echte. Wil de echte zoon opstaan? Dat is Hij.

"Ik zal u rijkelijk zegenen en uw zaad zeer talrijk maken," en er staat bij: "als de sterren des hemels" en "als het zand aan de oever der zee." Er is nog een ander aspect aan dat zaad van Abraham. Je kunt dit natuurlijk oppervlakkig lezen als het talrijke zaad van Abraham, ontelbaar als de sterren en het zand. Maar waarom deze woordkeuze? Is dat voor niets? Eerst wordt er gewezen op de sterren, op de hemel. Vervolgens wordt er gewezen op dat wat de zee aanspoelt aan het strand: het zand aan de oever der zee. Dat is niet voor niets, want daar hebben we precies te pakken wat God inderdaad voornemens is. Het plan van God in verband met het zaad van Abraham betreft Christus, jawel, maar ook degenen die in en door Hem gezegend worden.

Dat zaad van Abraham heeft een hemels deel. Dat is voor mij niet zo moeilijk; dat is het volk dat vandaag uitgeroepen wordt, wij die inderdaad zaad van Abraham zijn. Wat is onze toekomst? Wat valt ons als lot ten deel? De hemel. Gezegend met elke geestelijke zegen in de hemelse gewesten, of te midden van de hemelingen, in Christus. Dat zijn die sterren des hemels. Dat is het eerste en het hoogste deel. Het eerste krijgt altijd het hoogste; dat is vandaag zo.

En vervolgens: "als het zand aan de oever der zee." Dat spreekt van Israël. De zee in de Bijbel is een beeld van de volkerenwereld. Het spreekt over wat de volkerenzee zal aanspoelen op het land. Straks zal Israël verzameld worden uit de volkeren en het zal gebracht worden in het land. Dat is dat zand aan de oever. Door de zee, door de volkerenwereld en uit de volkerenwereld zal het daar terechtkomen op het land. Dat zand aan de oever der zee spreekt over Israël.

Ik wilde er nog op wijzen — ik dacht even dat de tijd om zou zijn, maar dat is niet zo — houd dit in gedachten: in Openbaring 13:1 (in andere vertalingen het laatste vers van Openbaring 12) zegt Johannes: "En ik stond op het zand der zee." Vervolgens ziet hij een beest uit de zee opstijgen. Bedenk met dit in gedachten waar Johannes toen stond in dat visioen: gewoon in Israël. Ik geef het ter overweging mee; ik ga nu niet naar die schriftplaats toe en ga het ook niet nader toelichten, maar dat soort dingen kom je tegen. Dat is het geweldige van het bestuderen van de Bijbel: het heeft zoveel lagen, er ligt zoveel onder. Zoveel verborgenheden en geheimenissen.

Het verwijst naar het plan van God, maar ook naar het geweldig hoge deel van hen die vandaag in Christus zijn, Zijn zaad. Dat zijn de sterren des hemels. Er staat: "En uw zaad..." Wie is dat? Waar doelt Hij op? Doelt Hij op Christus? Het is niet moeilijk om het op die wijze te lezen: "En uw zaad, Christus, zal de poort zijner vijanden in bezit nemen." De poort staat voor de heerschappij, waar de ins en outs geregeld worden. Of heeft het te maken met het hemelse deel? Heeft het te maken met het aardse deel, het aardse zaad van Abraham, het zand aan de oever der zee?

Trouwens, het zaad van Abraham is nog veel breder. Toen we in de auto zaten, hadden we het er al even over. In feite is het zaad van Abraham nog breder in die zin dat ook Ismaël daartoe gerekend wordt. Dat is wat ingewikkelder en hij wordt niet altijd op die wijze gerekend, maar u begrijpt wat ik bedoel. Ook aan de Ismaëlieten zijn dingen beloofd. U ziet, als we het hebben over het zaad van Abraham, dan zit daar heel veel aan vast. Maar het ging me vooral om dit ene punt: dat wij vandaag zaad van Abraham zijn en naar de belofte erfgenamen. Dan gaat het over die Ene, en dat is Christus Jezus.

Efeze 3: het Geheimenis van de Christus Onthuld ↑ hoofdstukken

Dan gaan we nog even naar Efeze 3. Daarin brengt Paulus geweldige geheimenissen aan het licht. Hij zegt ook dat die dingen hem door openbaring duidelijk zijn geworden, bekend zijn gemaakt, ook over zijn bediening onder de natiën. Dan zegt hij, en ik begin te lezen in vers 4... Efeziërs 3 vers 4... Daarnaar... Nu moet ik het even goed lezen, ik zoek het eventjes op in mijn eigen Bijbeltje. Ja, gehoord van mijn... dat is Efeziërs 3 vers 2 dan: "van de huishouding van Gods genade mij met het oog op u gegeven, dat mij door openbaring het geheimenis bekend is gemaakt." De verborgenheid, zegt de Statenvertaling. Het geheimenis, de verborgenheid is bekendgemaakt.

En dan zegt hij in vers 4: "Daarnaar, dat wil zeggen in dat geheimenis of die verborgenheid, kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus." Letterlijk het geheim of de verborgenheid van de Christus. Wat is dat? Nou, dat is heel veel. Ik zal u vertellen, ik heb juist vandaag de knoop doorgehakt. We hebben over een paar maanden weer een Goed Bericht weekend in Maarn en ik had nog steeds geen definitieve keuze gemaakt over waar we het over zouden gaan hebben bij die gelegenheid, die paar dagen. Maar nu weet ik het wel, en dat kan ik bij dezen ook even aankondigen: dat is het geheim van de Christus. Want dat is mooi!

Wat is nou dat geheim van de Christus? Daarover hoeven we niet te fantaseren en daar ben ik erg blij mee, want Paulus legt het namelijk zelf uit. Hij zegt over dat geheim van de Christus – dit is nog eigenlijk even een tussenzin – hij zegt daarvan dat het ten tijde van vroegere generaties, van eerdere generaties, niet bekendgemaakt werd. Let wel: het was toen verborgen. Het was niet bekendgemaakt. Sommige mensen zeggen dat je het allemaal niet in het Oude Testament kunt vinden omdat het toen verborgen was. Dat vind ik altijd een heel merkwaardige conclusie, want ik zou zeggen: als het verborgen was in de vroegere generaties, dan kun je het dus wel vinden, alleen was het daar verborgen.

Hij zegt ook dat het in tijden van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen – eigenlijk staat er letterlijk de zonen der mensen – "zoals het nu door de Geest"... nou, dat woordje "door de Geest" moet u hier even niet lezen... "zoals het nu geopenbaard is aan zijn heilige apostelen en profeten". Via Paulus heeft God het bekendgemaakt aan de heiligen en in het bijzonder aan zijn apostelen en profeten. Even dit: het was voorheen verborgen en nu is het geopenbaard. Het was nooit zo geopenbaard als nu. De bedekking wordt weggenomen; dat is taalgebruik dat Paulus elders weer bezigt, maar de bedekking wordt weggenomen. Alles in het Oude Testament, wat daar staat opgetekend, wordt openbaar wanneer de bedekking wordt weggenomen: dat wat toen nog verborgen was. En dat maakt het bestuderen van het Oude Testament, de Tenach, zo'n geweldige speurtocht in Gods schatkamer. Waarom? Omdat je dan geheimen gaat zien.

Dan leest u bijvoorbeeld in Genesis 22 over de sterren des hemels. Ja, maar in het licht van de verborgenheid weet ik wel waar het over gaat! En dan nog wat. In het volgende vers gaat Paulus dat uitleggen: "Dit geheimenis, namelijk dit..." dubbele punt. Want nu gaan we de inhoud van het geheimenis zien. In vers 5 schreef hij dat het vroeger niet bekendgemaakt was en dat het nu geopenbaard is zoals voorheen niet. En nu zegt hij wat dat geheimenis is: "Wel, dat is dat de natiën vandaag, de heidenen... zonder onderscheid." De natiën, zonder enig verschil te maken tussen Jood en Griek, dat de natiën mede-erfgenamen zijn. Mede-lotbezitters. Van wat? Lotbezitters samen met wie dan? Lees verder: "medeleden". Hoe zegt de Statenvertaling dit ook alweer? Nee, dat is die andere. De tweede is: "van hetzelfde lichaam". Die is mooi, want dat is eigenlijk ook wat er staat: die mede ook tot dat lichaam behoren. Medeleden dus; hij heeft het hier over degenen die tezamen één lichaam vormen.

Welk lichaam? Dat is niet zo moeilijk, dat is juist een van de grote thema's van die hele Efezebrief: dat de Ecclesia vandaag, de gemeente, dat volk dat God zich vandaag uitroept, deel uitmaakt van het lichaam van Christus. Medeleden van het lichaam van Christus. Wat is dus het geheimenis tot dusver? Het geheimenis is dat de gelovigen uit de natiën mede-lotdeelbezitters geworden zijn en ook één lichaam geworden zijn met Christus, en medegenoten van... ja, nu worden we vervolgens in dat hele verhaal bevestigd, want dat is exact de betekenis... "en medegenoten, mededeelhebbers van de belofte in Christus Jezus". Met andere woorden: alles wat beloofd is aan Christus, dus wat Zijn deel zou zijn, dat is nu het deel van de gelovigen uit de natiën. Dat wat aan Hem is toegezegd, wat aan Hem is beloofd; Hij is daarboven en wij zijn met Hem verbonden.

Dat is zo'n geweldig thema. Wij zijn dus niet maar gezegend met Israël. Nee, wij hebben een veel hoger deel. Wij zijn gezegend met dat wat aan Christus is beloofd en toegezegd. Wij zijn deelgenoten, mede-erfgenamen, ook medeleden. Dat wil zeggen: één lichaam. En zoals hoofd en lichaam bij elkaar horen, zo horen Christus en de Ecclesia bij elkaar. Ze zijn één. En dat wat aan Hem beloofd is, is aan ons beloofd. Waarom? Wel, we zijn in Hem. Vandaar ook dat we gezegend zijn met elke geestelijke zegen in de hemelse gewesten "in Christus", staat er. Er is telkens weer een refrein: "en medegenoten van de belofte in Christus". Ja hoe? Door het evangelie. Door dat goede bericht van genade te laten klinken. Ieder die daar vandaag "amen" op mag zeggen, wiens hart daarvoor geopend wordt, heeft aandeel aan deze onvoorspelbare rijkdommen die aan Christus zijn beloofd. En nu neem ik u mee naar nog één schriftplaats. U begrijpt wel dat als je eenmaal op dit punt komt, je er eigenlijk op z'n minst een weekend, maar eigenlijk gewoon een heel jaar aan moet gaan toeleggen. Wat is dat zeg! Ongelooflijk: wat aan Hem is beloofd, dat is ons deel. Nog één schriftgedeelte... heb ik nog tijd? Ik neem die tijd. Even eerst één...

Efeze 1: de Ecclesia als de Volheid en Completering van het Hoofd ↑ hoofdstukken

Dit zijn de slotverzen van dat hoofdstuk en dan gaat het over God. Hij, God, heeft alles onder de voeten van Christus gesteld. Hij bekleedt momenteel de toppositie. Lees het maar in dat gedeelte van Efeze 1 mee; ik lees het gewoon voor. Daar staat in vers 19: "Hoe overweldigend groot Zijn kracht is aan ons die geloven, naar de werking van de sterkte van Zijn macht, die Hij heeft gewrocht in Christus door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan Zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomende aion."

Dan komen we in vers 22 aan: "En Hij, God, heeft alles onder Zijn voeten gesteld en Hem, Christus, als Hoofd bovenal wat is gegeven aan de gemeente." Aan die uitgeroepen vergadering, aan de Ecclesia. Dus daar is Iemand verborgen voor het oog. Hij is daar, boven alles gezeten, het Hoofd boven alles. Welnu, dat Hoofd boven alles wordt gegeven aan de gemeente, aan die Ecclesia. Zij krijgt een geschenk. En er staat bij: wat is die Ecclesia? Dat is de Ecclesia die Zijn lichaam is.

Vervuld met Hem... daar staat eigenlijk dit, zoals u hier ook in de interlineair ziet: de volheid van Hem. Houd die gedachte vast. Hij is het Hoofd. Is een hoofd compleet? Nee, bij een hoofd hoort een lichaam. Dat is precies wat de Ecclesia is. Christus – u vindt het misschien blasfemisch klinken als ik zeg dat Christus niet compleet is, en toch durf ik het rustig zo te zeggen – Christus als Hoofd is niet compleet zonder Zijn lichaam, de Ecclesia. Wij zijn Zijn volheid of Zijn completering, want dat is wat het woordje 'volheid' gewoon betekent: dat wat het compleet maakt. Zoals een hoofd niet compleet is zonder lichaam, zo heeft dat lichaam – want dat is hier de gedachte – een Hoofd gekregen en zij zijn één met Hem.

Stel je dan de vraag: spreekt het Oude Testament, spreekt de Tenach over de gemeente? Dat is een moeilijke. Zij zit daar zeker verborgen. Want alles wat over Christus is gezegd, wat aan Christus werd beloofd en wat met Christus zou geschieden – Hij zou sterven – maar hoe zit het met wat Paulus in deze brief en ook elders naar voren brengt? Wij zijn met Hem gestorven. Wij zijn met Hem opgewekt. Hij is in de hemelse gewesten en wij zijn verbonden met Hem. Efeze 2 vers 6 zegt: "Hij heeft ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten in Christus Jezus." Hij is daar, wij zijn daar ook. Dat is onze positie. En alles wat Hem toekomt en beloofd is, daarin deelt Hij. Die positie deelt Hij met Zijn lichaam, de Ecclesia.

Wij zijn het zaad van Abraham. Maar denk nu niet dat wij dus simpelweg gezegend worden met het gelovige Israël. Nee, denk op het niveau zoals Paulus spreekt, namelijk: we krijgen een deel van Christus. Hij is het Hoofd, wij zijn Zijn lichaam; die eenheid. Wij zijn de volheid, de completering van Hem die alles in allen volmaakt.

Hier krijg je het hele plaatje te zien, want wij die vandaag mogen geloven, zijn inderdaad één gemaakt met Hem. Wij delen Zijn positie, maar Hij is Degene die alles in het al en in allen vervult en aanvult en compleet maakt. Daarmee krijg je een kijkje in de uitwerking en afloop van Gods plan. Hij vervult alles; Hij gaat alles tot volheid brengen. Al Gods plannen gaat Hij vervullen, maar daarin is Hij incompleet zonder lichaam. En dat is onze plaats.

Wat Paulus in dit gedeelte trouwens ook doet – en daarmee wil ik ook afsluiten – hij buigt zijn knieën opdat we verlichte ogen van het hart zouden hebben. Zodat we dat zouden zien en zouden beseffen hoe enorm en onvoorstelbaar hoog wij geplaatst zijn. Puur om niet, zonder dat er werken aan te pas komen en zonder dat er rituelen aan te pas komen. Door geloof zijn we één gemaakt met Hem.

🎧 Het Zaad Van Abraham
Delen: