Één GOD (I)
15-03-2014 - Geplaatst door Andre PietPresentatie van de GoedBericht-samenkomst gehouden op 15 maart 2014 in Urk.
Geen waarheid in de Schrift is zó elementair als het gegeven dat er één God is. Waaruit blijkt dat? En waarom is dat zo elementair? Wat hebben Mozes, de profeten, Jezus zelf, de apostelen en in het bijzonder de apostel Paulus over de waarheid van de ene God naar voren gebracht?
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: Eén God, de Schepper en Bestemming
- De Traditionele Christelijke Leer Versus de Bijbel
- De Enige, Onvergankelijke en Onzienlijke God
- Het Eeuwige Leven Is de Vader Kennen
- Eén Middelaar: de Mens Christus Jezus
- Goden in Menigte, maar voor Ons Één God en Één Heer
- De Zoon als het Icoon van de Onzichtbare God
- Jezus Weerlegt de Beschuldiging van Godslastering
- God Alles in Allen: de Zoon Ondergeschikt aan de Vader
Introductie: Eén God, de Schepper en Bestemming ↑ hoofdstukken
Vanmorgen heeft Gerard uiteengezet dat er één God is. Dat is natuurlijk het grote thema van deze dag: één God, maar dan wel die ene God die de Schepper is van alle dingen. Uit wie? Door wie? Tot wie? Alles is! Hij plaatst alles, Hij beschikt alles, goed en kwaad. Het is de verklaring van het ontstaan van alle dingen: uit Hem zijn alle dingen. Het verklaart het bestaan ervan – alles is door Hem – maar het verklaart ook de bestemming van alles en iedereen, van elk schepsel: alles is tot in Hem.
Dat was het onderwerp van vanmorgen en dat van vanmiddag sluit daar uiteraard direct op aan. Het zal ongetwijfeld ook wel wat overlap hebben met elkaar. Hoewel ik de meeste schriftplaatsen die Gerard heeft genoemd niet meer zal noemen, wat me ook vrij logisch lijkt, wil ik u vanmiddag bepalen bij dit thema: één God, namelijk de Vader.
Ik kan me voorstellen dat wanneer je een traditioneel-christelijke achtergrond hebt – en dat maakt geen verschil of dat nu charismatisch, rooms-katholiek, pinkster, evangelisch of reformatorisch is – een traditioneel christen bij 'één God' dit altijd nader uitlegt als: één God, namelijk Vader, Zoon en Heilige Geest. Nietwaar?
Kijk in welke belijdenis van een kerkgenootschap of van een christelijke organisatie dan ook; altijd is dat de eerste belijdenis. Dat zie je ook heel duidelijk in de algemene christelijke belijdenissen, die van Nicaea en Athanasius. Daar presenteert men het leerstuk van de drie-eenheid als de waarheid. Eén God, dat wil zeggen één wezen, zo formuleert men dat.
Kijk, en dat zijn ongezonde woorden. Ik bedoel dat het woorden zijn die niet aan de Schrift ontleend zijn. De Bijbel kent helemaal niet zoiets als 'één wezen en personen'. Zoek het maar op in uw concordantie, u zult het niet terugvinden. Maar het is wel de basis van het hele traditionele kerkelijke denken.
Wat vanmorgen gezegd is, is natuurlijk ook zo’n basale Bijbelse waarheid, maar het staat zo haaks op wat er algemeen in de theologie en in de filosofie gedacht wordt. Ik wil dat vanmiddag nog wat toespitsen op dit punt: dat er één God is, namelijk de Vader. Eén iemand, en die ene iemand is de Vader.
De Traditionele Christelijke Leer Versus de Bijbel ↑ hoofdstukken
En ik begon zojuist te praten over de traditioneel christelijke leer. Ik ontkom daar namelijk niet aan, maar eigenlijk heb ik daarmee ongeveer ook alles gezegd over die traditionele christelijke leer. Want ik wil het namelijk niet negatief presenteren. Ik wil niet gaan schoppen tegen een bepaald geliefd leerstuk. Ik wil u gewoon — het is een bijbelstudiedag — de Bijbel openen en laten zien: wat zegt de Schrift hierover?
Ik ontkom er niet aan — en ik herken dat ook, want diezelfde achtergrond heb ik namelijk ook — dat je bij dat idee van één God denkt aan drie personen. Het verhaal is: niemand begrijpt het. Niemand heeft ooit u of mij kunnen uitleggen — en ik ben er al wat mee bezig geweest — hoe dat nou kan: hoe God nou één wezen kan zijn, maar ook drie personen. Wat is het verschil dan? En het antwoord dat je daar altijd op krijgt, of de reactie — het is geen antwoord, maar de reactie die daarop volgt — is: daar moet je van afblijven, dat is een mysterie.
Nou, is dat zo? Hoe is het nu in de Schrift gesteld? En ik wil u vertellen: de Bijbel zegt dat er één God is, de Vader. En dan niet: komma de Zoon en de Heilige Geest. Nee, er is één God, de Vader. En ik zal het u ook keihard aantonen. Dat is, zoals ook de inleiding van Gerard vanmorgen al was, ambitieus. En dat is deze claim ook; daarmee zeg je nogal wat. Ik ga u keihard, duidelijk en onomwonden aantonen vanuit de Schrift dat er maar één God is: de Vader, niemand meer. Hij is de Enige.
Maar goed, dat roept wel vragen op, zoals: wie is dan de Zoon? En het gekke is — en daarmee loop ik natuurlijk een beetje voor mijn beurt te praten, want dat is een conclusie, maar ik ga u dat alvast op voorhand aankondigen — het geweldige is: de Bijbelse waarheid is niet alleen solide, maar ook zo logisch, zo duidelijk. Je kunt er geen speld tussen krijgen, maar het is ook ineens helder. Eenvoudig! Zoals dit hele thema ook eenvoudig is.
De Enige, Onvergankelijke en Onzienlijke God ↑ hoofdstukken
Goed, één God, de Vader. Laten we eens de Schrift openen. En we gaan langs heel wat Schriftplaatsen. Het is een thematische Bijbelstudie, dus je ontkomt er niet aan om allerlei Bijbelse plaatsen op te slaan. 1 Timotheüs 1. We gaan naar het eerste hoofdstuk van de brief die Paulus schreef aan Timotheüs. In het zeventiende vers roept Paulus iets uit – dat doet hij wel vaker in zijn brieven, zoals we dat vanmorgen ook zagen in Romeinen 11. Het is een lofzang en dan staat er: "de Koning der eeuwen", of de Koning van de aionen, want dat is wat er eigenlijk staat. De Koning der aionen, de onvergankelijke, de onzienlijke en de enige God, zij eer en heerlijkheid tot in... en dan staat er letterlijk: "de aionen van de aionen". Of zoals u dat dan waarschijnlijk in uw eigen vertaling ziet, de NBG of de Statenvertaling: "tot in alle eeuwigheden" of "tot in de eeuwigheden der eeuwigheden". Men heeft er maar wat van gemaakt, maar er staat gewoon dit: "tot in de aionen van de aionen", of eventueel "tot in de eeuwen van de eeuwen". De wereldtijdperken.
Maar waar het nu even om gaat is deze onderstreepte term, die uitdrukking: "de enige God". Ik heb het in kapitaalletters gezet omdat dat nu juist ook het hele thema van vandaag is. Hij is de ene God; Hij is één in alle opzichten. Dat wat Hij zegt, dat doet Hij. Hij is uit één stuk, maar Hij is ook de enige God. Er is niemand anders dan Hij. En nog even voordat ik daar wat over zal vertellen: er worden hier een aantal kenmerken gegeven van die enige God. Hij is de Koning van de aionen, dat wil zeggen: Hij beheerst de wereldtijdperken. Hij is de onvergankelijke God. Hij heeft de eeuwen gemaakt, maar de tijden der eeuwen, de eeuwige tijden of hoe je het ook maar noemen wilt; Hij staat daar boven, Hij is onvergankelijk.
En er staat bij ook: "de onzienlijke God". We zullen dat straks ook nog zien: niemand heeft ooit God gezien. Eén van de kenmerken van dé God is: Hij wordt niet gezien. Hij kan ook niet gezien worden. De onzienlijke God. Ik weet dat ik meteen alweer een vraag oproep, want in de Bijbel lees je toch op diverse plaatsen dat God gezien wordt? Ja, maar daar zullen we het straks over hebben. Maar even dit, die kenmerken: Hij is Koning, Hij is onvergankelijk, Hij is onzienlijk. Allemaal kenmerken van die enige God.
Maar dan nog iets. Het woord wat hier in het Grieks staat... ik heb eventjes de loep erop gelegd. Daar staat monotheo. En dat betekent – en dat kennen we allemaal, want daar staat in het Grieks een term die we allemaal kennen, namelijk van monotheïsme – dat is afgeleid van deze Griekse term. Dat monotheïsme is dus een Bijbels begrip. Wij zijn... ik bedoel, wij die geloven wat de Schrift zegt, dan ben je een monotheïst. Dat is precies wie God is. Hij is dé God, maar Hij is ook de enige God: mono-theo. En die enige God is onzienlijk en onvergankelijk.
Ik neem u mee naar een andere Schriftplaats waar je een soortgelijke waarheid ziet: de brief van Judas, vers 25. Het heeft maar één hoofdstuk, dus dat hoofdstuk hoef ik verder niet te vermelden. Daar staat: "de enige God". En hier weer exact hetzelfde verhaal als wat ik liet zien in 1 Timotheüs. Hier staat ook weer monotheo: "de enige God". En die enige God is onze Redder, de Redder van ons, en dan staat er: "zij door Jezus Christus, onze Here, heerlijkheid, majesteit, kracht en macht".
Nou, hier zie je iets heel duidelijk zich aftekenen. Daar is die enige God, die de Redder is, maar hoe is Hij dat? Dat is Hij door Jezus Christus. Is Jezus Christus de enige God? Nee, maar die enige God is... wel, wij komen tot die enige God door Hem. We zullen dat voorzetsel straks nog nader bezien in 1 Korinthe 8, maar dat is altijd wat gebruikt wordt in verband met Jezus Christus. Hij is het door wie God tot ons komt, maar omgekeerd ook door wie wij tot God gaan. Door Jezus Christus; Hij is onze Heer en alle heerlijkheid, majesteit, kracht en macht wordt aan God, de enige God, toegebracht. Maar hoe gaat dat? Dat gaat door, of door middel van, of via de weg van Jezus Christus, Jehoshua, die de Messias is – de Christus, de Messias. Hier zie je dus zowel die waarheid van de enige God, maar je ziet hier ook al iets zich aftekenen: dat die enige God niet Jezus Christus is, maar Jezus Christus is wel degene door wie die enige God Zich manifesteert.
Het Eeuwige Leven Is de Vader Kennen ↑ hoofdstukken
In Johannes 17, daar staat in vers 3: "Dit nu is het eeuw-ige leven." Ik zet een denkbeeldig streepje achter "eeuw" om daarmee aan te geven dat het woordje "eeuwig" te maken heeft met "eeuw". Het heeft niet te maken met "eeuwigheid"; dat is een theologische constructie die niet naar de Schrift is. Eeuwig heeft te maken met eeuw, aionisch heeft te maken met aion. Het aionische leven – dat is nu niet direct het hoofdonderwerp – heeft te maken met het leven van die toekomende aion, het Messiaanse koninkrijk dat straks op deze wereld gevestigd zal worden.
Wat is het kenmerk van die aion? Laten we het maar lezen: dat is dat zij U kennen. Even voor de goede orde, want dat vergat ik te vermelden: dit is Johannes 17, het zogenoemde hogepriesterlijk gebed, waarin de Heer Jezus vlak voor zijn gevangenneming deze woorden uitspreekt. Hij spreekt hier tot de Vader. Je leest dat in vers 1, dat Jezus Christus zijn ogen ophief en zijn Vader aansprak. Dus als Hij zegt: "Dit nu is het aionische leven, dat zij U kennen", dan wil dat zeggen: de Vader kennen. Straks wordt die toekomende aion gekenmerkt door het feit dat iedereen in deze wereld de Vader zal kennen.
En wie is die Vader? Wel, dat is de enige waarachtige God. Hier weer dat woordje "enig" en "enige": de unieke. Er is geen ander dan Hij. We zagen dat vanmorgen natuurlijk ook al in diverse passages in Jesaja die Gerard liet passeren, waar staat: "Ik ben God en buiten Mij is er niemand." Dat soort accenten wordt er voortdurend gelegd. Hij is de enige.
Maar let hier op: hier spreekt Jezus Christus vlak voor zijn sterven zijn Vader aan en Hij zegt tegen zijn Vader: "U bent de enige waarachtige God." En wat staat daarbij? Wat is dat aionische leven, dat eeuwige leven? Dat is dat ze de Vader kennen. En wie is die Vader? Dat is de enige waarachtige God. Maar dat aionische leven, dat eeuwige leven, wordt ook gekenmerkt door het kennen van de enige waarachtige God, namelijk de Vader, én door Jezus Christus die Gij gezonden hebt. Dus aan de ene kant is het kenmerk van dat aionische leven dat ze de enige waarachtige God kennen, maar ook Hem kennen die door de Vader, de enige waarachtige God, gezonden is. U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus, namelijk de Christus, die Gij, Vader, enige waarachtige God, gezonden hebt. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over.
Hier is het Jezus Christus zelf die aan het woord is. En Hij zegt: "Wat is eeuwig leven? Dat is dat ze de Vader kennen als de enige waarachtige God. Maar dat niet alleen, ook dat die enige waarachtige God Jezus Christus gezonden heeft."
Ik heb zojuist in de inleiding even gememoreerd wat er zo algemeen gedacht wordt. Ik heb dat heel kort aangestipt en ik heb dat met opzet gedaan omdat ik de Schrift wil laten klinken, maar u zult voor uzelf gewoon ook de conclusies hieruit moeten trekken. Als je de Schrift open gaat doen, dan worden dingen duidelijk, maar dan ga je ook het contrast ontdekken en misschien zelfs aan den lijve ervaren: "Wacht even, dit staat zo haaks op wat ons altijd verteld is, op wat we altijd gedacht hebben!"
Dat is waar. In die zin is Bijbelstudie altijd een hele gevaarlijke onderneming. Wees bij dezen gewaarschuwd, want je hebt een scherp zwaard in handen. Als je de Schrift laat klinken en gewoon wijst op wat er staat geschreven, dan gaat dat dwars door alles heen. Dat kan soms heel pijnlijk zijn, maar het zij zo. Ik moet zeggen: ik vind het geweldig om scherp zicht, simpel zicht te krijgen op hoe de dingen werkelijk zijn. Je wilt weten: wie is God nou? De enige waarachtige God. Ik houd ervan dat dingen niet gemystificeerd worden, waarbij je, als je vragen stelt, te horen krijgt dat je daar geen vragen over mag stellen omdat het te moeilijk is of een mysterie. Daarmee stelt men vaak de eigen traditie veilig, want daar mag een mens niet aankomen. Het beste is dan om daar hekken omheen te zetten en dat hek noem je dan gewoon een mysterie, zodat mensen niet nader tot de waarheid komen.
Nou, genoeg hierover. 1 Timotheüs 2.
Eén Middelaar: de Mens Christus Jezus ↑ hoofdstukken
1 Timotheüs 2 vers 5. Ik had het zojuist even over overlap en dat klopt, want deze tekst is vanmorgen al eerder genoemd. In het vers hiervoor, 1 Timotheüs 2 vers 4, staat immers dat God wil dat alle mensen gered of behouden worden en komen tot kennis van de waarheid. Want — en nu komt vers 5 — want er is één God. Dat is het refrein in heel de Schrift: één God. En er staat ook: één middelaar van God en mensen. Ik sprak zojuist over de enige waarachtige God die door Jezus Christus tot ons komt. Welnu, dat is precies wat een middelaar is. Een middelaar is iemand die bemiddelt, een instrument of een brug tussen de één en de ander.
Daar is de ene God. God is uniek, Hij is de ene God. Maar ook de middelaar is uniek. Er is één middelaar, niet twee of drie. Die middelaar is dus net zo uniek. Is hij de ene God? Nee, hij is niet de ene God, hij is de ene middelaar van God en mensen. En wat is hij zelf dan? De mens Christus Jezus. Is hij God? Nee, hij is de ene middelaar van God en mensen, namelijk de mens Christus Jezus. En dat is ongelooflijk belangrijk: dat hij mens is. Weet u waarom? Omdat een mens kan sterven. Hij is vanaf de aanvang geboren uit een vrouw, op een wonderlijke manier. God was letterlijk zijn vader, dat wil zeggen: God heeft hem verwekt in de maagd Maria. Daarom heet hij ook de Zoon van God, heel logisch. Dat is een wonder, maar hij is mens en hij heeft hier op aarde gewandeld. Hij stierf ook. Zou hij God geweest zijn, dan kon hij niet sterven.
Maar ik zal u nog wat vertellen: dan kon hij dus ook niet opgewekt worden uit de doden. Ik neem u even mee naar Romeinen 10, want daar zie je hoe essentieel die waarheid van de enige God is. Het is cruciaal om te verstaan dat die Messias de mens is die stierf, dood was en door God werd opgewekt. In Romeinen 10 vers 9 lezen we wat het kenmerk is van reddend geloof: "Want indien gij met uw mond belijdt dat Jezus Heer is..." Jezus is kurios. Waarom is hij Heereigenaar? Dat heeft alles te maken met wat hier gaat volgen: "...en met uw hart gelooft dat God hem uit de doden heeft opgewekt." Ook hier weer, waar Gerard vanmorgen al toelichting over gaf: de God heeft hem uit de doden opgewekt. Let op: hij werd door de God opgewekt. Stel je voor dat hij God was, dan was hij niet dood en kon hij niet sterven. Want een van de kenmerken van God is dat Hij de onvergankelijke is. Bovendien is Hij de onzienlijke. God kon niet dood zijn. Als Jezus Christus niet door de God zou zijn opgewekt, dan was hij nu nog dood.
Een gelovige is iemand die met zijn mond belijdt dat hij Heer is. Dat hij Heer is, is hij juist op grond van het feit dat God hem uit de doden heeft opgewekt en hem die plaats als Heer gegeven heeft. En dan staat er nog bij: "zult gij behouden worden." Dit is de erkenning die uiteindelijk elk mens zal doen. Elke knie zal buigen en elke tong zal belijden dat hij Heer is. Deze waarheid zal inderdaad universeel erkend worden, van harte. Niet met de lippen, maar met de tong. Namelijk dat God hem — die mens die stierf en drie dagen dood was — heeft opgewekt. Dat is het Evangelie.
Het is dus niet waar wat in een bepaalde versie van paasliederen gezongen wordt: "Hij steeg uit 't graf door eigen kracht, want hij is God bekleed met macht." Als dat zo is, kan ik dit niet van harte belijden. Hij steeg niet uit het graf door eigen kracht omdat hij God was. Als hij God was geweest, had hij niet eens in het graf gelegen. In Romeinen 6 vers 4 staat: "Gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de heerlijkheid van de Vader." Hij steeg uit het graf door zijn Vaders kracht, want Díé is God bekleed met macht. Dat is essentieel, want de enige God heeft hem uit de doden opgewekt. Een gelovige is iemand die gelooft dat hij dood was en dat God hem opwekte.
U ziet dat dit geen kwesties zijn die aan de rand van de Bijbelse boodschap liggen. Dit is het hart, dit is de essentie. Er is één God. Een Jood weet dat dit de essentie is. Die enige God, de God, heeft Zijn Zoon opgewekt. Let op: niet "God de Zoon", maar de "Zoon van God". Het wordt altijd omgekeerd, maar dat is niet waar. De Bijbel spreekt nergens over "God de Zoon", het is altijd de "Zoon van de enige God". Hij heeft Zijn Zoon uit de doden opgewekt. In die zin — dat had Gerard vanmorgen ook al trouwens — is het erg makkelijk dat je zo'n keur aan schriftplaatsen tot je beschikking hebt om dit thema te belichten. Want het klinkt overal; het wordt overal zo duidelijk uitgebazuind en uiteengezet: één God.
Goden in Menigte, maar voor Ons Één God en Één Heer ↑ hoofdstukken
1 Korinthe 8:5. De context doet nu even niet ter zake, maar het enige wat ik er kort over wil zeggen, is dat het ging over het eten van vlees dat aan de afgoden geofferd was. Dat was een kwestie daar in Korinthe: moet je dat nou wel doen of zou je dat niet moeten doen? Want ja, wij hebben toch niets met afgoden te maken, dus dat vlees dat aan die afgoden geofferd is, dat zou je links moeten laten liggen. Dan zou je er zomaar occult besmet mee kunnen raken. Zoiets. Paulus is er erg laconiek in, maar goed, dat heeft ook zijn nuances.
Hij zegt dit in vers 5: "Want al zijn er dan zogenaamde goden, hetzij in de hemel en hetzij op de aarde." En nu komt er dus even een nuance, want dat is namelijk ook zo. Er is één God, jawel, en toch zijn er ook vele goden. Want kijk: "al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel en hetzij op de aarde." Nou zou je hier nog kunnen zeggen: "Ja, Paulus spreekt alleen maar over zogenaamde goden, ze zijn er dus niet echt." Maar dan zegt Paulus: "en inderdaad, er zijn goden in menigte en heren in menigte." Dat klopt. Maar dat is slechts in relatieve zin.
Al die goden die er zijn... Ik kom daar straks trouwens nog even op terug in verband met Johannes 10. Maar er zijn vele goden. Een god is namelijk een plaatser, een beschikker. In het boek Exodus lees je bijvoorbeeld ook dat wanneer een Israëliet een kwestie had, een rechtsgeding, hij naar zijn goden ging – zo staat het daar: "dan gaat gij naar uw goden." In de meeste vertalingen wordt dat terecht weergegeven als 'de rechters', want dat blijkt uit het verband inderdaad de betekenis te zijn. Een rechter of een koning is ook een god, met kleine letters uiteraard: namelijk iemand die dingen beschikt, plaatst en recht doet. Dus er zijn goden in menigte.
Er zijn ook heren in menigte. Neem het woord 'heer'. Als ik post krijg, dan staat er meestal ook bij: 'de heer André Piet'. Er zijn heren in menigte. Je kunt de heer des huizes zijn, maar u begrijpt dat dit in relatieve zin is. We hebben het nu, deze hele dag is daarop gericht, over de ene God. Maar die God is God in de absolute zin. En in de absolute zin is er maar één God. Hoezo? Hoe verhoudt die ene God zich tot al die andere goden, hoeveel er dan ook mogen zijn? Nou, heel simpel: Hij is de God der goden. Dat is ook een van de termen, met name in het Oude Testament. Hij is namelijk ook de Beschikker van al die goden weer.
En dat is wat Paulus hier ook zegt. Er zijn de zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde. En werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte. Alsjeblieft, Paulus geeft het ronduit toe: dat is zo. Dat zou je kunnen toelichten. Daar zou je ook een studiedag over kunnen houden, over de goden in de Bijbel. Dat is waar. Maar, zegt Paulus, en nu komt het echte punt: "Voor ons nochtans, als het erop aankomt, voor ons is er maar één God, namelijk de Vader." Zie daar trouwens het letterlijke citaat van de titel van deze dag. "Voor ons," zegt Paulus, "is er maar één God." En wie is die ene God? De Vader. Dat kan niet missen.
Die ene God, de Vader, die heeft goden en heren beschikt, die op hun beurt ook weer inderdaad beschikken. Maar Hij is dé God. De ene God, de Vader. "Uit wie alle dingen zijn," staat er dan. De bron, de oorsprong van alles. "En tot wie wij zijn" – ook daar hebben we het al over gehad. Hij is de bestemming. "En één Heer" – eigenlijk staat hier een onbepaald lidwoord, maar het is feitelijk een bepaald telwoord, namelijk één. Niet 'een', maar één. Eén God, namelijk de Vader, en één Heer, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn.
Hier was het "uit wie alle dingen zijn", maar Jezus Christus is degene "door wie" alles is. God de Vader is de bron van alles, en de Heer Jezus Christus is degene door wie alle dingen zijn. Het kanaal, het instrument waardoor dat alles zijn beslag krijgt. God realiseert alles door Hem. En die twee voorzetsels, 'uit' en 'door', zijn in dit verband heel veelzeggend. Maar hier ziet u het weer: je hebt die ene God, de Vader, en je hebt ook die ene Heer, Jezus Christus.
De Zoon als het Icoon van de Onzichtbare God ↑ hoofdstukken
We gaan naar Kolosse 1 vers 15. Een paar dingen hebben we inmiddels al gezien, ook over de Heer Jezus Christus in het laatste vers: dat hij het kanaal is door wie alles zich voltrekt en door wie God de dingen realiseert; de Middelaar. Zo hebben we al een aantal dingen ontdekt in de schriftplaatsen die ik liet zien. Maar hier in Kolosse 1 vers 15 vind je nog zo’n heel belangrijk gegeven. We vinden dat ook weer terug in 2 Korinthe 4, maar dat laat ik nu even rusten.
Het gaat om dit gegeven: "Hij" – en als u even terugbladert naar Kolosse 1 vers 13, dan ziet u dat het gaat over "de Zoon van zijn liefde". Zo wordt hij genoemd. Die "hij" hier is dus onmiskenbaar de Zoon van Gods liefde. En wie is hij dan? Wel, hij is het beeld van de onzienlijke God. In het Grieks ziet u hier het woordje eikon staan, en dat kennen we natuurlijk als het woord "icoon". Een icoon, een beeld, of eigenlijk een afbeelding. De Zoon van Gods liefde is het icoon van de onzienlijke God.
Ik heb expres dit icoontje, dit plaatje, erbij gedaan omdat dit een mooi voorbeeld is van een icoon. Het is ook een Bijbels voorbeeld, want ik heb de tekst van Mattheüs 22 vers 20 erbij vermeld. Daar lees je dat Jezus in een dispuut is geraakt, of in elk geval wordt geconfronteerd met een strikvraag over het betalen van belasting: is dat nou geoorloofd of niet? Jezus vraagt dan om een munt en laat die zien. Hij vraagt: "Wiens beeld is dit?" Het antwoord was: "Dat van de keizer." Op die munt stond de kop van de keizer. Op onze munt staat tegenwoordig de kop van de koning. Op dit plaatje was het nog koningin Beatrix. Dat is het icoon. In het Grieks, en trouwens ook in het Nederlands, vragen wij: "Wiens beeld of wiens beeldenis is dit?" Maar er staat in het Grieks gewoon dit woordje: eikon. Een beeld.
Wie is dit? Dat is een aardige vraag. Als ik u vraag: "Wie is dit?", dan geeft u als antwoord: "Dit was onze voormalige koningin Beatrix." Je kunt zeggen: "Dit is Beatrix." Maar als ik dat zeg, is dat beeldspraak. Want dit is Beatrix niet; Beatrix zit ergens in Den Haag. In elk geval is dit een bekende vorm van beeldspraak. Zoals Jannie tussen de middag zei over die steen die u daar in het IJsselmeer of in de zee ziet liggen: "Dat is Christus." Dat begrijpt iedereen; dat is beeldspraak. Het ene staat voor het ander. Het is niet letterlijk zo, maar in beeld is het zo. "Dit is de koningin", kun je zeggen, maar dat is beeldspraak. Niet letterlijk, maar figuurlijk. Dat wil zeggen: het figuur staat daarvoor, het representeert haar.
We kennen dit fenomeen in het dagelijks spraakgebruik voortdurend. Het is beeldspraak, een van de bekendste stijlfiguren. Als je dit eenmaal doorziet, dan wordt een hele grote, complexe theologische kwestie in één keer volkomen opgelost. En dat is: hoe kan het nou dat God, de Onzienlijke, bij gelegenheid wel degelijk gezien wordt? Er zijn daarvoor veel schriftplaatsen. Ik zal u één voorbeeld geven. In Zacharia 14 lees je dat Jahweh zal verschijnen op de Olijfberg. Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg die voor Jeruzalem ligt aan de oostkant, en de berg zal splijten enzovoort. Er staat dat de Heer zal verschijnen. Hoe kan dat nou? Hoe kan Jahweh nu verschijnen? Jahweh is toch de onzienlijke God? Jawel, maar Hij heeft een icoon. Hij heeft een beeld, en dat beeld representeert Hem. Hij is niet de onzienlijke God letterlijk, maar in beeld wel. Hij is het beeld van God. In de vertaling staat dan "de onzichtbare God". Letterlijk staat er: "van de God, de onzichtbare".
Als God alleen maar de Onzichtbare zou zijn, dan zou Hij dus nooit kunnen verschijnen. En toch verschijnt Hij. Dat doet Hij door middel van een icoon, een beeld; iemand die Hem representeert. Is die persoon, is dat beeld God? Nee, want God is de Onzienlijke. Maar hij is het beeld ervan. Dat is dus met recht beeldspraak. Het is heel simpel: er is één God, de Onzichtbare, en Hij heeft een icoon, een beeld, dat Hem representeert.
Vervolgens staat erbij: "Hij is de eerstgeborene der ganse schepping." U ziet dat hier letterlijk staan: "van elk schepsel" of "van elke schepping". Hij is de eerstgeborene van elke schepping. De eerste. Eerstgeborene betekent dat hij de hoogste plaats heeft. Dat betekent nog niet eens dat hij als eerste werd voortgebracht. Je leest van Salomo ook dat hij gesteld werd tot een eerstgeborene. Meestal is een eerstgeborene in de Bijbel trouwens niet degene die als eerste geboren is. Kijk maar na in de Bijbelse geschiedenis in het boek Genesis; de eerstgeborene is bijna nooit de eerstgeborene in tijd. Het is namelijk een eerstgeboorterecht. Het heeft te maken met positie en het hoogste erfrecht. Waar het nu om gaat, is dat de Zoon van Gods liefde het icoon is van God, de Onzichtbare, en dat hij de eerste is van elk schepsel. Waarmee gezegd is dat hij dus een schepsel is. Dat is logisch, want er is maar één God: de Schepper. Hij is de eerstgeborene van elk schepsel.
We gaan nog even naar Johannes 1. Dat begint met: "In het begin was het Woord." De Logos. Het logo. Naar aanleiding van Kolosse 1 had ik het over het Godsicoon, de Zoon van Gods liefde, maar je zou hem ook het logo van God kunnen noemen. Hij is namelijk het Logos, het Woord van God. Als je hem ziet, dan zie je daarmee God. "Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien." Is hij de Vader? Nee, maar wie hem gezien heeft, heeft de Vader gezien. Als je langs de weg rijdt en je ziet zo'n gele M in de hoogte, dan weet je: dat is McDonald's. Nee, het is het logo van McDonald's.
In Johannes 1 vers 18 staat: "Niemand heeft ooit God gezien." Dat is simpel en duidelijk als u het betoog een beetje gevolgd hebt, want God is de Onzichtbare. Niemand heeft ooit God gezien. En als God Zich zichtbaar maakt, dan doet Hij dat door middel van de eniggeboren Zoon. We zouden bij die termen even stil moeten staan. Er is maar één iemand van alle mensen die God in de letterlijke zin zijn Vader kan noemen; dat wil zeggen: die door de Vader verwekt is. Zoals tegen Maria gezegd wordt: "De geest van de Allerhoogste zal u overschaduwen, daarom zal dat wat uit u zal voortkomen Zoon van God genoemd worden." Maria vroeg zich af hoe dat kon, omdat zij geen gemeenschap had met een man. Maar de kracht van de Allerhoogste kwam over haar en dat wat uit haar zou voortkomen, zou met recht Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, want hij is door God voortgebracht. Hij is de Zoon van God en ook de Unieke: de eniggeboren Zoon van God. En er staat nog bij: "Die aan de boezem des Vaders is." Johannes tekende dit evangelie op en zegt over die eniggeboren Zoon: "Waar is hij nu?" Let op, dit staat in de tegenwoordige tijd.
Die is aan de boezem des Vaders. Dat is Zijn positie, Zijn plaats nu. In de intimiteit, daar bij de Vader. Onttrokken aan het oog, maar daar is Hij nu.
Wel, die eniggeboren Zoon, die nu aan de boezem van de Vader is, Die heeft Hem doen kennen. Die doet Hem kennen. Het staat hier niet eens in de verleden tijd of voltooide vorm; het feit wordt hier gesteld: Die doet Hem kennen. Die ontvouwt Hem.
Zodat als je de Zoon ziet, die eniggeboren Zoon, dan heb je God gezien. Indirect, namelijk in Zijn icoon, in Zijn Zoon.
Jezus Weerlegt de Beschuldiging van Godslastering ↑ hoofdstukken
We gaan naar Johannes, en dat is een hele interessante plaats. Ik had deze passage aanvankelijk niet in mijn presentatie verwerkt, maar ik heb me tot op het laatste moment bedacht. Ik dacht: deze schriftplaats moet erbij, omdat we daarin geconfronteerd worden met een beschuldiging die de Joden deden aan het adres van Jezus. Namelijk die van blasfemie, van godslastering. En wat was in hun ogen die godslastering? Wel, zij zeiden: "U maakt uzelf God."
Laten we het eens lezen in Johannes 10 vers 33. Daar staat: "De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk willen wij U stenigen..." Want ze namen de stenen al op; zo gaat dat vaak. Als je leest wat de Heer daarvoor gedaan had in de voorgaande verzen: Hij had de Schriften geopend en laten zien wat daar staat. Dan zou je zeggen: al die Joden zijn orthodoxe mensen, die hebben toch de Thora lief, daar kun je dit wel aan kwijt? Nou, u ziet het; weet u wat ze voor Hem over hadden? Stenen. Ze wilden: weg ermee! De waarheid mag niet gehoord worden, want die is niet aangenaam, niet welgevallig. Het gaat zo in tegen alles wat ze altijd gedacht hadden.
De Joden antwoordden dus: "Niet om een goed werk willen wij U stenigen, maar om godslastering." Hier staat ons woordje blasfemie; de Nederlandse taal wemelt van de woorden die ontleend zijn aan het Grieks. "Maar om blasfemie, en omdat Gij..." — en dat betekent hier natuurlijk 'namelijk' — "...omdat Gij, een mens zijnde, Uzelf God maakt." Dat was hun beschuldiging. Hun beschuldiging was dat Jezus Zichzelf God maakte, Zich als God presenteerde.
Dit is een heel belangrijk punt, want nu gaan we een reactie vernemen van de Zoon zelf, of dat klopt of niet. Kijk, de Joden waren hier zo alert op omdat de Joden, als het erop aankomt, maar één echte geloofsbelijdenis hebben: dat er echt één God is. Jezus heeft dat ook bevestigd; dat is inderdaad het eerste gebod van al. Dus als daar iemand zou komen die Zichzelf God maakt, Zich gelijkstelt met God, dan is dat blasfemisch. Wat heeft het christendom gedaan? Die heeft inderdaad gezegd: de Zoon is God, Hij is God de Zoon. Maar dat gaat ten eerste in tegen de waarheid dat er maar één God is, namelijk de Vader. Bovendien gaat het in tegen de waarheid dat Hij de Zoon van God is. Niet God de Zoon, maar de Zoon van God.
Wat zegt de Zoon nu zelf over deze beschuldiging? Laten we het lezen. Jezus antwoordde die Joden die Hem beschuldigden van blasfemie en zeiden dat Hij Zichzelf God maakte: "Is er niet geschreven in uw wet...?" En Hij verwijst nu naar Psalm 82. Dat is trouwens die psalm waar God ook de 'God der goden' genoemd wordt. Jezus citeert: "Ik heb gezegd: Gij zijt goden." Het is hier God die Zelf aan het woord is. Dus daar zegt God Zelf tegen schepselen: "Jullie zijn goden."
Als Hij hen dus goden genoemd heeft tot wie het woord Gods gekomen is... Dat wil zeggen: God spreekt schepselen aan — hoge creaturen, koningen, rechters. Sommige mensen denken aan hemelwezens, maar dat doet voor dit verhaal nu even niet ter zake. Het gaat erom: God spreekt schepselen aan tot wie het woord van God komt. Zij zijn geadresseerd; als God spreekt, dan adresseert Hij Zijn woord. Welnu, God sprak Zijn woord tot schepselen en Hij noemt hen 'goden'.
Houd me even vast. Als God hen 'goden' noemt tot wie het woord Gods gekomen is — en Jezus zegt er dan nog bij: "en de Schrift kan niet gebroken worden" (eigenlijk: de Schrift kan niet ontbonden worden), met andere woorden: de Bijbel is het eind van alle tegenspraak — let dan op Zijn argument. Als God mensen aanspreekt en zegt: "Jullie zijn goden", zeg jij dan, zeggen jullie dan tot Hem die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: "Gij lastert", omdat Ik heb gezegd: "Ik ben Gods Zoon"?
Voelt u het argument? Zij beschuldigen Hem: "Gij maakt uzelf God." Jezus zegt: "Hoor eens, God Zelf spreekt schepselen aan als goden." Natuurlijk in de relatieve zin; wij zouden dat weergeven met een kleine 'g'. God noemt schepselen goden. En Jezus zegt: "Zeggen jullie nu tegen Mij, die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: 'Gij lastert', omdat Ik gezegd heb: 'Ik ben Gods Zoon'?" Hij zei dus helemaal niet: "Ik ben God." Hij zegt: "Ik ben Gods Zoon, Ik ben Zoon van God." En dat zou dan godslastering zijn? Notabene terwijl God Zelf schepselen aanspreekt als goden! "Jullie noemen Mij een godslasteraar omdat Ik zeg: Ik ben een Zoon van God." Dat is hier het argument.
Als Jezus inderdaad claimde God te zijn — wat algemeen in heel de traditionele christelijke wereld gedacht wordt — dan had Hij dat hier in letterlijke zin moeten zeggen. Dan had Hij inderdaad moeten zeggen: "Ja, stenig Me maar, want het is waar: Ik beweer inderdaad God te zijn." Hoe je God kunt stenigen weet ik ook niet, maar goed, Hij had dat dan hier moeten bevestigen. Maar Hij doet het juist niet. Hij zegt juist in dit argument: "Ik ben Zoon van God." Er is één waarachtige God, dat is de Vader, en Ik ben de Zoon van God. Simpel. Dat is echt simpel.
Nu gaan we nog naar één schriftplaats.
God Alles in Allen: de Zoon Ondergeschikt aan de Vader ↑ hoofdstukken
1 Korinthe 15 is natuurlijk een van de machtigste hoofdstukken in de hele Bijbel, als u het mij vraagt. Het is het hoofdstuk bij uitstek waarin de glorieuze uitkomst van Gods wegen geschilderd wordt; dat God echt de levende God is en alle levens gaat maken. En dan lees je dit, want dat heeft ook alles te maken met de waarheid waar we het vandaag over hebben, namelijk dat er één God is: de Vader. Ik zal het u laten zien in 1 Korinthe 15.
Ik schroom nu een beetje omdat ik midden in het gedeelte val, maar in 1 Korinthe 15 vers 22 lees je wat Paulus schrijft. Daar begint eigenlijk het argument, want evenals in Adam allen sterven – wat een evident feit is; alle adamieten, alle nakomelingen van Adam zijn stervelingen omdat ze in Adam zijn – zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar, zegt Paulus, niet allemaal tegelijk, ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn in Zijn parousia – dat is de tweede rangorde – en dan de laatste rangorde, degenen die dus niet van Christus zijn. Daarna het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader overdraagt. Let op: aan God de Vader.
Weet u hoe vaak die term voorkomt? God de Vader. Vele tientallen keren in het Nieuwe Testament met name. God de Vader. Weet u hoe vaak u de uitdrukking ‘God de Zoon’ tegenkomt? Nou, u raadt het al: inderdaad niet één keer. En dan te bedenken dat dit het belangrijkste dogma is in de christenheid. Het is het belangrijkste dogma, maar het komt niet één keer in de Bijbel voor; sterker nog, het staat haaks op de Bijbelse waarheid. Er is één God, de Vader, en de Zoon is niet ‘God de Zoon’, Hij is de Zoon van God. Logisch.
Maar goed, als Hij het koninkrijk in vers 24 aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond of buiten werking gesteld zal hebben – want, staat er, Hij moet als koning heersen totdat... Hij heerst niet tot in alle eeuwigheden, dat is ook weer zo'n theologische constructie. Hij heerst totdat; tot in alle aionen, dat wel, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft. Nou, en dan komen we bij vers 26. De laatste vijand die onttroond wordt – of letterlijk: die onwerkzaam gemaakt of buiten werking gesteld wordt – is de dood. En hoe wordt die dood buiten werking gesteld? Ook dat is logisch, we hebben het al gelezen: Hij gaat allen levend maken. Maar als Hij allen levend gemaakt heeft, dan is er geen dood meer. Dus hoe wordt de dood tenietgedaan? Wel, door allen levend te maken, door allen op te wekken. Dat staat trouwens aan het einde van dit hoofdstuk ook: dat de dood zal worden verslonden in de overwinning. Hoe doet Jezus Christus de dood teniet? Want God doet het door Zijn Zoon. De dood zal worden verzwolgen in de overwinning, dat wil zeggen: Hij maakt allen levend. En als allen levend gemaakt zijn, dan is er geen dood meer. Dus die dood is met recht verzwolgen in de overwinning. Dan is er alleen nog maar leven.
En wie delen daarin? Allen die in Adam sterven. Al die miljarden stervelingen die al geleefd hebben en die er nu zijn; zij worden levend gemaakt. Nee, niet alleen opstaan, dat is veel meer hoor. Levendmaking is veel meer dan opstanding. Dat blijkt wel, want wie is de eersteling? Wie is de eerste die levend gemaakt is? Was dat Lazarus of de jongeling van Naïn? Of uit het graf waar Elisa terechtkwam? Nou, die stonden op. Je leest meerdere gelegenheden in de Bijbel natuurlijk van doden die opstaan, maar die stierven allemaal weer. De eersteling uit de doden, dat is Christus. Dat wil zeggen dat Hij opstond in onvergankelijkheid, heerlijkheid en kracht. Over die levendmaking hebben we het. Hij is de eersteling van die levendmaking van alle mensen. Wel, en als alle mensen levend gemaakt zijn, dan is de dood tenietgedaan, buiten werking gesteld, onttroond.
Maar ik kan me voorstellen dat u nu denkt: wat heeft dit nu met het onderwerp te maken? Nou, alles. Want nu sla ik even één vers over, vers 27, en dan komen we in vers 28. Wanneer alles Hem onderworpen is. Hij moet heersen totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gesteld zal hebben. Dat gaat Hij ook doen; Hij gaat heersen in de toekomende aionen en de laatste vijand die Hij tenietdoet, is de dood. Dan is er geen dood meer. Wel, bij die gelegenheid is alles Hem dus onderworpen. Dan is de Zoon van David de Zoon van God. Want Hij is een nakomeling van David, maar Hij is de Zoon van God. Dan is alles Hem onderworpen, alles aan Hem ondergeschikt. Hij is dan Heer van allen en allen zullen dat ook erkennen en belijden. Maar dat zagen we dus ook al: alle knieën buigen en ze zullen zeggen, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is Heer. Daarover hebben we het; alles is Hem onderworpen.
Is dat het einde? Laten we verder lezen. Als dat zo zal zijn, als alles Hem onderworpen is, niets uitgesloten, zelfs de dood er niet meer is en allen levend gemaakt zijn, en alles Hem onderworpen is, ondergeschikt zal zijn, Hem zal erkennen en Hem als Heer zal belijden – wel, dan zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderwerpen. Of beter gezegd, zoals het in de Statenvertaling correct staat: dan zal ook de Zoon Zelf worden onderworpen aan Hem. Er staat dus niet: de Zoon onderwerpt Zichzelf aan Hem; er staat: de Zoon zal ook Zelf onderworpen worden.
Nou worden we misschien een beetje op het verkeerde spoor gezet door dat woordje ‘onderwerpen’, want in het Nederlands heeft het woordje onderwerpen te maken met vijandschap. Vijanden onderwerp je. Maar ik ga u vertellen over dat begrip onderwerpen. In de interlineair staat dit woord ‘onderworpen’, wat in het Grieks een woord is dat uit twee elementen bestaat, namelijk hypo, dat ‘onder’ betekent, en een werkwoord dat ‘zetten’ betekent. Eigenlijk is het dus onder-zetten. Het woordje onderwerpen suggereert vijandschap of het onderwerpen van vijanden, maar het is niet onderwerpen, het is onderzetten. Het woord wat daar in het Nederlands het dichtst bij komt, is onderschikken: iets eronder zetten. En de Zoon Zelf zal worden ondergeschikt. Logisch.
Laten we het maar gewoon lezen en het woord onderwerpen nu vervangen door onderschikken, want dat is precies wat het is: onderzetten. Wanneer alles Hem ondergeschikt is, Hem als Heer erkent en belijdt, dan zal ook de Zoon Zelf, de Zoon van God dus, Zelf aan Hem worden ondergeschikt. Namelijk aan Hem die Hem alles ondergeschikt heeft. God heeft de Zoon ingezet om alle dingen te onderschikken; dat is in Gods plan de wijze waarop Hij opereert. Alles krijgt een plaats onder de Zoon, maar dat heeft God de Vader zo beschikt. Dat is de positie die Hij aan de Zoon heeft toevertrouwd.
Hij heeft de Zoon een taak gegeven, Zijn icoon, Zijn Zoon, om door Hem dat alles te verrichten. Gaat het om de Zoon? Nee, het gaat niet om de Zoon. Het gaat om God. Alle tong zal belijden: Jezus is Heer. Maar tot wiens eer is dat? Tot eer van God de Vader.
Zodat ook de Zoon Zelf, hoe hoog Zijn positie ook is, uiteindelijk zal blijken dat Zijn positie ondergeschikt is – letterlijk ondergeschikt is – aan Hem die Hem alles onderschikt heeft. En als de taak van de Zoon gereed is, Hij gedaan zal hebben wat Hem was toevertrouwd, en Hij alles succesvol tot een einde brengt en alles aan Zijn voeten zal zijn onderschikt, wel, dan zal God Zelf de Zoon ook gaan onderschikken.
En dan is Gods plan voltooid. Dan is alles tot in Hem. En dan zal Hij ook de Zoon aan Zich onderschikken, die Hem alles ondergeschikt heeft. Dan komt de Zoon weer op de plaats en zal Hij dat ook met vreugde doen, want de Zoon heeft het altijd gedaan tot eer van Zijn God de Vader. De gezindheid van de Heer Jezus Christus was nooit voor Zijn eigen eer. Het ging altijd om Zijn God en Vader. Altijd. En als alle tong dat zal belijden, dan is dat tot eer van God de Vader.
En dan lees je hier ook: als alles Hem zal zijn ondergeschikt. Er is geen dood meer, alles leeft. Wel, dan zal het zijn opdat – met dat oogmerk dus – opdat het zij de God (hier weer 'de God') die dan alles in allen zal zijn.
En nu komen er twee waarheden die alles met elkaar te maken hebben. Want vanmorgen ging het erover dat God alles in Zijn hand heeft. En dus, omdat Hij alles onder controle heeft en omdat Hij God is, komt alles daar waar Hij het hebben wil, namelijk tot zijn bestemming. Alles dus. Maar dat betekent dus ook dat er maar één is om wie het uiteindelijk allemaal draait en die alles daar brengt waar Hij het hebben wil.
Opdat de God zij: alles. Hij wordt dan alles in al Zijn schepselen. U moet het zich zo voorstellen: vóór de aionen was God alles in Zichzelf. Toen was er nog niets; was Hij er alleen. Was God alles in Zichzelf. Nu is Hij alles in Zijn Zoon. Je leest in Kolosse 1 dat heel de volheid Gods in Hem lichamelijk wordt. God is alles in Zijn Zoon.
Aan het einde van de aionen, als ook de Zoon ondergeschikt zal zijn aan Zijn God en Vader, wel, dan zal het zijn: God alles in allen. Zoals God nu alles is in de Zoon, zal Hij straks Zijn alles in allen. En wie zijn die allen? Nou, dat zijn diezelfde allen waarvan we lazen in vers 22: "Zoals allen in Adam sterven, zo zullen in Christus allen worden levend gemaakt." Dat is Gods plan. Daar werkt Hij op uit. Dat zal Hij bereiken. Dan zal Hij blijken de God en Vader te zijn van allen. Één God, de Vader.
UltimateGoodNews