Ja, Maar…
30-03-2014 - Geplaatst door Andre PietPredikatie gehouden op 30 maart 2014 in Rotterdam EH
Hoe vaak gebruiken we niet de woordjes ‘ja, maar’?! Vaak is het een killer in ons denken en spreken. De mooiste uitspraken kunnen veranderen in hun tegendeel. God houdt van je, maar… God wil alle mensen redden maar… Alles is genade maar…
Abraham was een man van geloof. God had beloofd, onvoorwaardelijk. En Abraham zei daar amen op! Zonder ‘ja, maars’. Daarmee gaf hij GOD de eer!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
Het Dodelijke Excuus van het Woordje 'maar' ↑ hoofdstukken
Een hele goedemorgen, vrienden, dames en heren. Ik wil u vanmorgen bepalen bij de woorden die u hier op het scherm ziet geprojecteerd; woorden die u vermoedelijk zelf dagelijks in de mond neemt of die u in elk geval dagelijks te horen krijgt. Het zal tenslotte bij u niet veel anders zijn dan bij ons thuis. U weet, het is het standaardexcuus bij uitstek: ja, maar!
En waarom is het zo’n excuus? Omdat het woordje 'ja' een bevestiging suggereert, maar het woordje 'maar' in de praktijk de functie heeft van een ontkenning. "Jan, ga jij je kamer nu opruimen?" "Ja, maar niet nu." Dat is dus hetzelfde als: ja of nee? Nee, want niet nu. Dat woordje 'ja, maar' kun je vrijwel altijd ook gewoon vervangen door 'nee, want'. Maar het woordje 'ja' suggereert een bevestiging, terwijl het in de praktijk zo vaak een hindernis is.
Vandaar ook dat ik dit plaatje heb gekozen voor deze titel-dia. Waarom? Omdat we in ons leven, op ons levenspad of onze loopbaan – hoe u het ook maar noemen wilt – zo vaak hindernissen tegenkomen. We hebben een bepaald doel voor ogen, de finish is in zicht, maar dan is daar altijd weer dat excuus. Dan zijn daar die hindernissen, en die hindernissen zijn heel dikwijls 'ja-maars'.
Het punt dat ik vanmorgen wil maken is niet dat het woordje 'maar' zo fout is. Het is een prima voegwoord dat we dagelijks gebruiken. Er gaan bijna geen vijf minuten voorbij waarin u spreekt of u heeft het woord wel één, twee, drie of nog meer keren genoemd. Daar is niets mee aan de hand. Het punt is echter dat we vaak vergeten wat er allemaal vóór 'maar' gezegd wordt. Het accent ligt altijd op datgene wat ná het 'maar' volgt.
De Engelsen of de Amerikanen hebben daar een wat onparlementaire uitdrukking voor; zij zeggen: "Everything you say before 'but' is bullshit." Dat is zo ongeveer hetzelfde als wanneer je zegt dat alles wat je vóór 'maar' zegt, nonsens is. Alles vóór 'maar' zakt in elkaar. Dat is de Nederlandse nette variant, zeg maar. En dat is ook zo, want de nadruk ligt altijd op dat wat na 'maar' volgt. "Ik hou van je, maar..." Let dan maar eens op wat er gaat volgen, want dat is wat u bijblijft.
De Onvoorwaardelijke Modelbelofte aan Abraham ↑ hoofdstukken
Ik wil u vanmorgen meenemen naar het gedeelte dat zojuist is gelezen uit Romeinen 4. In Romeinen 4 wordt een geschiedenis aangehaald die we aantreffen in Genesis 15. Dat is een buitengewoon belangwekkend hoofdstuk. Waarom? Omdat we daar in Abraham – waarvan we zojuist ook lazen dat hij de vader is van alle gelovigen – een modelbelofte vinden die God aan hem deed. U weet wel, die man die daar in Ur der Kaldeeën woonde en die door God geroepen werd.
In het begin van Genesis 15 lees je dat Abram op een nacht naar buiten wordt geroepen en dat hem iets wordt gevraagd. Dit gedeelte wordt vaak aangehaald in het Nieuwe Testament. De woorden die je in Genesis 15 leest, worden dikwijls aangevoerd in de Romeinenbrief en de Galatenbrief, maar ook in diverse andere passages, zoals de Hebreeënbrief. Het wordt aangehaald omdat het zo fundamenteel is wat daar beschreven wordt. Abraham wordt naar buiten geroepen, hij moet omhoogschouwen en de sterrenhemel bekijken. Dan wordt hem gevraagd of hij de sterren kan tellen. Nou, dat kon hij niet. En dan zegt God tegen hem: "Zo zal jouw nageslacht zijn."
Dan vind je die eenvoudige woorden daarbij vermeld: "En Abraham geloofde God." Letterlijk staat er in het Hebreeuws een woord dat we in het Nederlands en in vele andere talen hebben overgenomen: Abraham beaamde God. Hij zei "amen" op wat God verklaarde. Abraham beaamde God en God rekende het hem toe tot gerechtigheid. Dat betekent: Abraham was voor God een rechtvaardige.
Waarom is dit zo’n modelbelofte? Het staat echt model voor het evangelie. Vandaar dat het in Paulus’ bediening zo’n enorme rol speelt. Abraham was hier ook nog niet besneden. Dat is een van de clues van Romeinen 4. Abraham was gewoon een – in onze ogen – goy, een heiden. Een niet-Jood, geen Israëliet. Dat waren begrippen die toen nog helemaal geen opgeld konden doen, want Israël was de kleinzoon van Abraham. Abraham was een heiden en God doet hem een belofte.
Wat voor belofte? Een onvoorwaardelijke belofte. Er wordt niet tegen Abraham gezegd: "Als jij zus of zo doet, dan..." Nee, tegen Abraham wordt gezegd: "Kijk naar die sterrenhemel, zo zal jouw nageslacht zijn." Als de sterren des hemels. Eerder was al gezegd: "In jouw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden." Waarom is dit een modelbelofte? In de eerste plaats omdat het onvoorwaardelijk is. Geen enkele conditie, mits of maar ligt daaraan ten grondslag of wordt daarbij vermeld. Nee, het is onvoorwaardelijk: zo zal het zijn. Bovendien is het universeel. Omdat er geen voorwaarden aan verbonden zijn, geldt het voor allen.
En dan nog iets: de belofte die God aan Abram deed, heeft betrekking op het "zaad van Abram". Dat is de uitdrukking die daar standaard voor gebruikt wordt, dat wil zeggen: op het nageslacht van Abram. Maar eigenlijk zeg ik het niet eens helemaal correct, want als Paulus dat vervolgens uitlegt in Galaten 3, dan zegt hij: "Het zaad van Abraham..." Hij merkt op dat het niet voor niets in het enkelvoud staat. Dat slaat op Christus: het zaad van Abraham. Nu begrijp je ook meteen waarom die belofte model staat voor het evangelie.
Daar in Genesis 15, honderden jaren voordat de wet kwam, speelde de wet geen rol, maar Abraham was een rechtvaardige. Het had niets met de wet te maken; Abraham was een heiden en hij was niet besneden. Abraham geloofde. Wat geloofde hij? Wel, het evangelie. Zo staat het ook in Galaten 3: hij geloofde het evangelie in een notendop. Namelijk die boodschap dat God onvoorwaardelijk zal vervullen wat Hij beloofd heeft. Dat is toch wat het evangelie is: dat God zegt dat Hij de Schepper van deze wereld is, maar ook de Redder van deze wereld. Dat is onvoorwaardelijk en het is universeel, dat wil zeggen: wereldomvattend. Dat mag je geloven. Abraham geloofde het; hij was overtuigd door God Zelf. En God zegt: door dat geloof ben jij een rechtvaardige.
Goed, dat is Romeinen 4. Ik moest dit even zeggen om u een indruk te geven van de hele context en de samenhang van dit gedeelte. Laten we het nu vers voor vers doorbladeren en bekijken.
De God Die het Niet-zijnde tot Aanzijn Roept ↑ hoofdstukken
In vers 17 staat het volgende, en ik val midden in het gedeelte: "Voor het aangezicht van die God in wie hij – dat is Abraham dus – geloofde." En daar staat bij: die de doden levend maakt. De eerste omschrijving die hier van God gegeven wordt, is dat Hij de doden levend maakt. Hij is daarom ook – dat is een van de uitdrukkingen die zo vaak in de Bijbel gebezigd worden – de levende God. Maar daarom ook de levendmakende God. In 1 Timotheüs 6 zegt Paulus: Hij is de God die allen levend maakt. En dat is een evangelie op zich.
Abram, hè? Nou, pakweg vierduizend jaar geleden. Dat was vrij precies trouwens; zover als wij na Christus leven, zover leefde hij voor Christus. Deze Abraham geloofde al in die God, de God van hemel en aarde die de doden levend maakt. We zullen dat straks ook nog zien, want hij heeft het aan den lijve ervaren. Een verstorven man, zo wordt het genoemd; dat is de terminologie die ook in dit gedeelte gebezigd wordt. Hij geloofde in een God die de doden levend maakt, die de dood tenietdoet. Zie daar ook het evangelie. En hoe doet God de dood teniet? Door allen levend te maken. Wel, in die God gelooft Abraham. Dat is niet een nieuwe uitvinding of pas iets van het Nieuwe Testament; nee, dat geloofde Abraham al. Het is de God die de doden levend maakt en vervolgens: die het niet-zijnde – dat wat niet is of niet bestaat – tot aanzijn roept.
Ik heb daar in Hebreeuwse letters met de transliteratie ervan eronder gezet, met opzet. Want waarom heette hij Abraham? Hij heette eerst Abram en toen kreeg hij vervolgens van Godswege een 'H', een 'He'. De Hebreeuwse letter He, dat is de vijfde letter, heeft te maken met genade. Maar goed, dat zal ik u nu even besparen. Het punt is even dit: hij kreeg de naam Abraham. Wat betekent Abraham? Een vader van vele volkeren. Het zou nog heel lang duren voordat de zoon van de belofte kwam, maar hij kreeg alvast de naam van God: Abraham. En zo werd hij vervolgens ook altijd genoemd, standaard. Altijd Abraham.
Schitterend natuurlijk als je eraan denkt. Dat is ook geloof. Hij was het nog niet, nee, maar God noemt hem zo. En als God iets benoemt of iets zegt, dan is Zijn woord ook altijd daad. Dat moet ons hier in Rotterdam toch aanspreken: Gods woord is ook altijd daad. Er gebeurt wat God zegt. Er zij licht, en er is licht. God noemt hem Abraham, vader van vele volkeren. Kon Abraham daar iets van zien? Nee, alle medische verklaringen die hij had... ja, als hij naar de huisarts zou gaan, die zou verklaren: "Nee meneer Abraham, dat zit er niet in." En als Sarai naar de gynaecoloog toe ging – want zij was al vanaf de aanvang onvruchtbaar – die zou zeggen: "Onmogelijk."
En dan is het toch humor dat God hem de naam Abraham geeft. En Sarai heette ze, en dat werd later Sara. Zij kreeg ook die 'H' aan haar naam toegevoegd. Dus moet je je voorstellen hoe dat gewerkt heeft, tientallen jaren lang. Dat Sara riep: "Abraham, het eten is klaar!" Ze zei: "Vader van vele volkeren", want dat is wat die naam betekent. Iedere keer als die naam Abraham klonk, dan klonk daar de belofte van God. En God vervult wat Hij belooft. Tegen alle "ja-maars" van de mensen in, tegen alle mogelijke bezwaren – en die kunnen nog zo terecht zijn, dat is allemaal tot uw dienst. Maar ja hallo, we hebben het nu over de levende God! De Schepper van hemel en aarde die verklaart en die zegt en die gewoon een lange neus trekt, als ik het zo mag zeggen. En dat bedoel ik heel eerbiedig: Hij trekt een lange neus naar alle menselijke bezwaren. Kijk, dat is geloof. Dat is ook vreugde. En Abraham heette zo omdat God Zijn woord en Zijn belofte aan hem had gegeven. Dat is toch schitterend?
Nou, en dan staat er: hij heeft tegen hoop op hoop geloofd. Dat wil zeggen dat alle menselijke verwachtingen weliswaar voortdurend de grond in geboord werden. Dingen konden niet; medisch en wetenschappelijk was het uitgesloten, onmogelijk. Ja, en? God had gesproken, en dat is meer dan voldoende. Een woord van hoop, een woord van verwachting, een woord van leven. En nou ja, het heeft jaren geduurd. Gods molens malen langzaam maar zeker, en trouwens ook precies op tijd. Dat bleek later ook in de geschiedenis. God had ook gezegd wanneer het zou gebeuren, en precies op het aangegeven tijdstip gebeurt het ook daadwerkelijk. Abraham heeft tegen hoop op hoop geloofd dat hij een vader van vele volkeren zou worden. Dat wil zeggen dat hij zou worden zoals hij ook heette, dat zijn naam waarheid zou worden; dat hij een vader van vele volkeren zou worden volgens hetgeen gezegd was. Zo – dat wil zeggen: zoals de sterren des hemels en zoals het zand aan de oever van de zee – zo zal jouw zaad zijn, zo zal jouw nageslacht zijn.
Tegen Hoop op Hoop Geloven ↑ hoofdstukken
"En zonder te verflauwen," lees je vervolgens in vers 19. "En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt." Nu moet ik er direct iets bij zeggen, omdat hier gesuggereerd wordt — ook in de vertaling — dat Abraham nooit momenten van zwakte zou hebben gekend. Maar als we het Oude Testament lezen, dan kennen we natuurlijk die hele affaire met Hagar, bij wie een zoon verwekt werd. En zo zijn er trouwens wel meer momenten van twijfel geweest. Het mooie in het Nieuwe Testament is — en je moet het maar eens nazoeken om te checken of het waar is — dat wanneer geschiedenissen uit het Oude Testament worden aangehaald, er altijd voorbij wordt gezien aan de zwakke momenten en de stappen van ongeloof. Daar wordt niet meer aan gedacht. Als ik het zo zeg, dan heb ik ook meteen verklaard waarom: God denkt daar niet meer aan.
Dat is geen geschiedsvervalsing, want er staat eigenlijk gewoon: "En niet zwak zijnde in het geloof heeft hij opgemerkt." Het gaat hier namelijk over een bepaald moment in Abrahams leven. Er wordt hier voorbijgezien aan de dagen van ongeloof, van vertwijfeling of van misstappen; aan de momenten dat hij dacht dat hij God een handje moest helpen. Dat is wat hij een hele tijd gedacht heeft. Dat denken overigens een heleboel mensen — gelovigen bedoel ik. Ja, dat heet dan geloof, maar het is ongeloof. Want God had heel duidelijk gezegd: "Door Sara zal van nageslacht van u gesproken worden." Niet door Hagar. Dus het was volkomen helder.
Maar goed, niet zwak zijnde in het geloof heeft hij opgemerkt dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was. Dat is een uitdrukking die ook elders nog wordt gebezigd. Hij was verstorven: doods, impotent, niet in staat om nieuw leven voort te brengen. Verstorven, ja. En dat niet alleen, maar ook Sara’s moederschoot was gestorven. Zij was sowieso onvruchtbaar, en het ging haar, zoals je leest, niet meer naar de wijze der vrouwen. Haar moederschoot was verstorven. Ook hier is het weer precies zoals we net al even dachten: volgens de medische verklaringen was het volstrekt helder dat dit koppel geen nageslacht meer zou krijgen.
En dan is het zo schitterend wat God doet. Dan zie je in het leven van Abraham en Sara precies het evangelie gedemonstreerd, namelijk dat God uit de dood nieuw leven voortbrengt. En juist — dat is de "truc" en het is iedere keer weer zo frappant — de rode lijn in de hele Bijbelse boodschap is dat alle "ja, maars" van de mensen worden getrotseerd. Alle menselijke overwegingen en excuses worden overwonnen. God zegt: "Ik doe het," en jullie zeggen: "Het is onmogelijk." Maar voor degene die gelooft — en dat lees je trouwens ook in de geschiedenis van Abraham — voor degene die gelooft, dat wil zeggen: beaamt wat God zegt, is alles mogelijk. Zou voor de HEERE iets te wonderlijk zijn?
Afijn, de dood heerste in zijn leven en in Sara’s leven evengoed. Zij waren niet in staat om nieuw leven voort te brengen. Maar dan staat er in vers 20: "Maar aan de belofte van God heeft hij niet getwijfeld door ongeloof." Namelijk toen hij honderd jaar was; over dat moment gaat het. Dan lees je inderdaad dat Abraham weer op de hoogte gesteld wordt en op het niveau van geloof leeft. Hij heeft zijn les geleerd. Al die misstappen en al dat zogenaamde helpen van God hadden hem geen steek vooruitgebracht. Een mens moet soms proefondervindelijk zulke ervaringen opdoen. Je kunt het wel te horen krijgen, maar je moet soms verschrikkelijk "op je muil gaan" voordat je daadwerkelijk erkent: "Echt waarachtig, God had gelijk. Het is waar." Wie niet horen wil, die moet soms pijnlijk voelen. Maar hij heeft die ontdekking gedaan.
Per slot van rekening gaat het hele Nieuwe Testament aan dat soort zwakke momenten voorbij. Abraham was een rechtvaardige. Kijk, als God iemand rechtvaardig verklaart, wie zal dan veroordelen? Een ander? Jijzelf? Nee, het is God die rechtvaardigt. Dat moet toch meer dan genoeg zijn? Dat is de hoogte van geloof: dat is wat God zegt. "Aan de belofte van God heeft hij niet getwijfeld door ongeloof." Er waren excuses en redenen genoeg. Ik zeg excuses, dat klinkt misschien nog wat negatief, maar ik bedoel ook gewone, hele normale, wetenschappelijke, gezonde, menselijke, academisch gegronde redenen waarom het niet waar kon zijn wat God verklaarde. Argumenten genoeg! Maar aan de belofte van God heeft Abraham niet getwijfeld. Waarom niet? Wel, God heeft gesproken, de Schepper van hemel en aarde, en dat maakt alles totaal anders.
En dan lees je er nog bij: "Doch hij werd versterkt in zijn geloof." Het woordje dat hier vertaald wordt met "versterkt", betekent dat hij "kapabel" werd gemaakt, in staat gesteld tot. Waarom? Abraham was verstorven. Hij was, wij zouden zeggen, impotent. Maar God maakte hem potent. En dat bedoel ik inderdaad dubbelzinnig. Dat geldt trouwens ook voor het plaatje uit het Bijbelprogramma dat ik heb bijgevoegd, want dat herinnert aan de besnijdenis. Abraham heeft opstanding aan den lijve ondervonden. Dat is mooi! Hij werd door God inderdaad potent gemaakt, dat wil zeggen: hij werd door God Zelf tot leven gewekt. Dan weet je ook meteen waar dat soort dingen in de seksualiteit naar verwijzen: dat is evangelie! God verwekt door middel van opstanding nieuw leven.
Abraham werd versterkt, hij werd in staat gesteld tot, hij werd bekrachtigd door zijn geloof. Hij geloofde God en dat gaf hem zo'n enorme power. Dat weet iedereen trouwens; dat heeft nog niet eens specifiek alleen te maken met geloof in wat God zegt. Iedereen weet dat als je iets heel vast gelooft, dat alle dingen mogelijk maakt. Een heleboel van die zelfhulptherapieën, bewegingen en boeken gaan eigenlijk ook over dat principe: als je maar sterk genoeg gelooft en overtuigd bent dat iets gebeurt, dan gebeurt het ook. Maar dan hebben we het gewoon over het principe van geloof en overtuigd zijn in het algemeen. Maar wat nu als je gelooft wat Gó d spreekt? Dat is een geweldige kracht die alles overwint. Hij werd versterkt, hij werd in staat gesteld tot door geloof.
En hij gaf "dé God", staat er, de eer. Of letterlijk: hij gaf dé God de eer. Zoals dat in de Griekse grondtekst staat: vaak als het woordje God gebruikt wordt, gaat het over "dé God". Ik mag dat er graag bij zeggen, omdat het mij erbij bepaalt: er is één God en Hij is dé God, de Plaatser, de Beschikker, voor wie niets onmogelijk is. En Abraham, de vader van vele volkeren — er was niets te zien, alle verklaringen ten spijt, alle "ja, maars" werden terzijde gezet — Abraham gaf dé God de eer die Hem toekomt. En dat is zo mooi in Abrahams leven.
Dé God de Eer Geven in Plaats van Onze Theologische 'ja-maars' ↑ hoofdstukken
Het is een geweldige les, en ik wil u daar ook een paar voorbeelden van geven. Want hoe sterk die 'ja-maars' – en ik wil het ook dichtbij brengen – in ons leven ons kunnen beïnvloeden en kunnen hinderen; het zijn barricades om werkelijk op de hoogte te staan waar God ons wil hebben. Laat ik een paar van die 'ja-maars' noemen. Zoals ik al zei: beslissend is wat er na het 'maar' volgt.
Kijk, je kunt zeggen – en dit is nou een typisch theologische, algemeen gangbare statement: 'God heeft alles in de hand.' Dat wordt in liederen gezongen: God heeft alles in de hand, maar de mens heeft een vrije wil. Dit is een killer. Waarom? Omdat je met deze tweede opmerking het eerste ongedaan maakt. Als je zegt dat de mens een vrije wil heeft en kan doen wat hij wil, dan heeft God dus niet alles in de hand. Je zou zeggen: dit is een waarheid, er wordt toch iets erkend? Maar let op dat woordje 'maar', want dat wat volgt is een ontkenning. Het suggereert bevestiging, maar het veronderstelt in de praktijk een ontkenning.
Het is niet: 'God heeft alles in de hand, maar de mens heeft een vrije wil.' Het is omgekeerd: de mens heeft een eigen wil, tot uw dienst. Dat is waar. Maar God heeft alles in de hand! Dus ook die wil van de mens. Kijk, je moet de dingen wel op hun plaats laten. Je zou zeggen: dit zijn twee dezelfde statements. Maar er is een wereld van verschil. De eerste uitspraak stelt de mens in het middelpunt. Bij 'God heeft alles in de hand, maar de mens heeft een vrije wil' wordt uiteindelijk de nadruk gelegd op de mens. Dat wat na het 'maar' volgt, heeft het accent, de nadruk. Ja, en daarom is dit zo’n killer; het maakt kapot wat je in het begin hebt gezegd.
Het is: de mens heeft een eigen wil, dat is waar. Maar God heeft alles – en ik bedoel alles – in de hand. Hij beschikt, en als Hij een wil heeft, dan gebeurt dat ook. Hoe dan ook. Dat is schitterend. Dit 'maar', en dat is wat ik in het begin ook bedoelde met mijn oogmerk... Ik wil helemaal niet een predicatie houden tegen het woordje 'maar', maar weet wel hoe je het gebruikt. Het bovenste statement geeft de mens de eer. Het onderste statement geeft God, dé God, de eer.
Ik zal u nog een voorbeeld geven. En het komt dichtbij hoor, want ik hoor het links en rechts in de wandelgangen maar al te vaak. Als u er eenmaal op gewezen bent – en dat doe ik nu dus – dan gaat het u triggeren. En dat is precies de bedoeling, want dit zit in uw denken en daarmee ook in uw spreken. Uw spreken is per slot van rekening een uiting van wat u denkt. Maar het is een hele subtiele vorm, omdat het geloof suggereert. Het is 'ja', en dan denk je: oh, dat is geloof, dat is een bevestiging. Ja, maar de rest ontkent het. Men zegt dan: 'God verandert mensen, maar mijn karakter kan me flink in de weg staan.' Herkent u dit? Deze laatste regel is in de praktijk in feite een ontkenning van de eerste regel.
Keer het nou eens om. We houden het statement helemaal hetzelfde, alleen we keren de volgorde om en dan wordt het dit: 'Ons karakter kan ons danig in de weg staan.' Hoe vaak zeggen we dat niet? Ja, ik heb bepaalde hardnekkige eigenschappen. Dat is waar. Dat kan zich pijnlijk aan u opdringen. Dat is waar. Ons karakter kan ons in de weg staan. Maar God verandert mensen! Kijk, dit laatste statement geeft God de eer. Waarom? Omdat het volle accent en de nadruk worden gelegd op waartoe God bij machte is. En dat kent geen limieten.
Het eerste is typisch... ja, het is vroom, dat is waar, want je erkent: 'God verandert mensen.' Maar het is in de praktijk ongeloof en ook een excuus. Het maakt ook niet blij. Het geweldige van dat laatste statement is: het máákt blij. Het doet u omhoog kijken. Dat is precies de richting waarin een mens zou moeten kijken. Het geeft vreugde. Er is niets onmogelijk. En dan zijn al die bezwaren die u kunt hebben en de moeilijkheden tot uw dienst. We hebben het nu even over karakter; dat kan gigantisch in de weg zitten met bepaalde gewoonten, gedachtengangen of neigingen. 'Oh, kwam ik er maar vanaf!' Maar geeft u God de eer, of geeft u de mens de eer? Als u godsdienstig, religieus of vroom bent, dan zegt u het eerste, maar dat is ongeloof. Geloof is: 'Mijn karakter kan me in de weg staan, maar God verandert mensen.' Hij is bij machte en er is niets onmogelijk. Ga daar gewoon op staan. Dat is wat geloof is.
Ik zal u er nog een geven. U zegt: het beste komt nog? Natuurlijk, als u enigszins op de hoogte bent van de Bijbelse boodschap, dan weet u dat Gods woord, Zijn verklaringen en de belofte die Hij heeft gegeven, het laatste woord hebben. Het beste komt nog. Ja, maar als u zegt: 'Het beste komt nog, maar het lijden is zwaar', wat heeft dan het accent? Het lijden krijgt het accent. Is dit God de eer geven? Weet u wat God de eer geven is? Dat is beginnen met een volkomen normale menselijke overweging die volkomen legitiem is. Ik doe daar niets vanaf, maar zet het wel op de goede plek. Zie het in relatie tot. Het lijden is zwaar, absoluut. En er zitten hier mensen in de zaal die daar veel beter over kunnen meepraten dan ik. Het is absoluut niet goedkoop, maar ik wil wel de dingen zuiver op hun plaats zetten en ook met recht relativeren. En relativeren betekent letterlijk: in relatie brengen tot. Het is betrekkelijk; je moet het zien in de betrekking tot.
Wel, dan weet ik één ding heel zeker, met de woorden van de apostel Paulus in Romeinen 8: dat lijden kan heel erg zwaar zijn, dat is waar. Maar het is – zegt de apostel – niet eens waard vergeleken te worden met de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden. Kijk, en dat is geloof. En als u God de eer geeft, dan honoreert u dat. Nou, dat hoef u niet eens te honoreren; dat dringt zich gewoon aan u op en dan moet u erkennen: het is zo verschrikkelijk zwaar. Ja, maar moet u nagaan dat als dít al zo zwaar is, hoe zwaar moet de heerlijkheid dan niet zijn die over ons geopenbaard zal worden? Dat het niet eens waard is vergeleken te worden! Dit geeft God de eer. Dit geeft God de eer die belooft, die hoop geeft en die daarom ook vreugde geeft. Waardoor u met een opgeheven hoofd in alle omstandigheden kunt bouwen en staan op wat God verklaart.
Ik zal er nog één geven, dat is de laatste. Deze is een klein beetje anders, maar ik wil hem toch even vermelden omdat ik hem juist vorige week nog tegenkwam als een voorbeeld van een menselijk 'maar'. Komt ook dichtbij hoor. Ik drink eerst even een slokje water. Het gaat niet om de leer, maar om de praktijk. Ik zal het nog even toelichten. Het was namelijk in een bepaald verband dat ik hoorde – en later las ik het ook – dat er gesproken werd over de Efezebrief, maar ook over de Colossensebrief, waar in het eerste deel van de brieven... Dat is heel vaak het principe; in de Romeinenbrief ziet u dat trouwens ook. Het eerste deel van de brief gaat over 'leren', zo zeggen we dat dan. Ik heb wat tegen dat woord, het klinkt al zo taai namelijk. Maar goed: de leer. Dat zou dan de theorie zijn en het laatste gedeelte gaat over de praktijk. En het idee is dan: ja, de leer is inderdaad genade, God doet het allemaal, maar kijk, dat laatste gedeelte van die brieven gaat over de praktijk en daar moeten wij toch ook wat doen?
En dat is ook een verdraaiing. Waarom? Omdat men daarmee suggereert – en ik heb niet voor niets dat plaatje getoond van die man die daar bovenaan een kloof staat – dat er een kloof is tussen leer en leven, tussen theorie en praktijk. En die is er dikwijls. Maar wat bedoelt men daar dan vaak mee? "Ja, de leer is: God doet alles, Hij werkt. Maar de praktijk is dat wij ook dingen moeten doen."
Nou, als dat zo is, dan is die praktijk dus precies het tegenovergestelde van de leer. De leer zegt dat God alles doet en de praktijk is dat wij het moeten doen. Nou, sorry, maar dat vind ik een heel raar praktiseren van de leer. Ik versta onder "in de praktijk brengen" juist dat de leer daarin wordt gedemonstreerd, namelijk dat God alle dingen doet. Ik zal u dat aan de hand van een Schriftplaats ook duidelijk maken.
Laat ik eerst nog even de menselijke tegenwerping noemen: "Het gaat niet om de leer, maar om de praktijk." Of – en dat geeft God de eer: "Het gaat in de praktijk, in de wandel, om de leer." Namelijk de leer van God, onze Redder. Ik heb u hieronder nog een verwijzing gegeven: Titus 2 vers 10. Daar lees je dat we de leer van God, onze Redder – Hij die de Redder is van alle mensen, speciaal voor ons die geloven – zouden versieren in alles.
Daarbij zie je dus dat het in onze wandel juist gaat om de leer. Het is niet zo van: "Het gaat niet om de leer, maar om de praktijk." Om de drommel niet! Het gaat juist in die praktijk om de leer. Dat wil zeggen: om het onderwijs dat Hij de God is die een Redder is. En dat mag ik in mijn leven ook demonstreren. Dat is een voorrecht, dat is genade.
Kijk, en dat is wat mij vaak zo steekt als men zegt: "Ja, maar de leer, dat is genade, maar die praktijk... ja, dan komt er een last op je schouders, dat moet je dan toch allemaal maar mooi even doen." En weet u wat? Dan krijg je hetzelfde verhaal: in het eerste gedeelte wordt de leer uiteengezet en daar word je blij van, maar vervolgens krijg je allerlei instructies over de praktijk en dan zakt de moed je weer helemaal in de schoenen. Dat is een mooie praktijk, zeg!
God is het die de dingen in ons leven doet. Hij geeft de kracht en het is een voorrecht. Het is een voorrecht als je dat in je leven mag ervaren en demonstreren, en als je slingers mag ophangen in je leven om de leer van God, onze Redder, te versieren. Dat is een voorrecht. Het is toch een voorrecht om Hem te kennen? Het is toch een voorrecht om te leven uit genade?
Aan de ene kant is het de waarheid dat Hij genade bewijst, maar het is toch ook een voorrecht dat wij in ons leven elkaar ook genade mogen bewijzen en vreugde mogen geven? Dat we voorbij mogen zien aan alle... nou, ik zal het netjes zeggen: dat we voorbij mogen zien aan alle toestanden en aan al het falen van de ander.
God ziet ons als rechtvaardig. Waarom zouden wij – wat hindert ons? – om elkaar ook niet als rechtvaardig te zien? God is het die rechtvaardigt. Wie is het die veroordeelt? Kijk, dat is geloof en dan geef je God de eer. En dat is ook een leven dat gevuld wordt met genade en met vrede en met vreugde en met hoop. Dan geef je God de eer.
Ten Volle Verzekerd: Rusten in Wat God Volbrengt ↑ hoofdstukken
Ik ga even terug naar Romeinen 4 vers 20 om af te sluiten. Ik lees nog een keer voor wat we zojuist lazen: "Aan de belofte van God heeft Abraham niet getwijfeld door ongeloof, maar hij werd versterkt in zijn geloof en gaf God de eer."
"In de volle zekerheid" staat er eigenlijk in de lijdende vorm. Dat wil zeggen: hij werd verzekerd. Hij onderging het. God had hem overtuigd. Want als je dingen mag zien, als je ogen zijn opengegaan en je overtuigd bent – let op hoe dat klinkt – dan is dat een lijdende vorm. "Ik ben overtuigd." Iemand heeft mij overtuigd. Dat is Zijn werk; geloven is Zijn prestatie. Hij was in staat om mij te overtuigen. Wel, Abraham was zo iemand. Hij was ten volle verzekerd dat God, de levende God, bij machte was om hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.
Kijk, dat vind ik het geweldige van het Evangelie. En dan bedoel ik ook echt het Evangelie. Niet een vroom godsdienstig verhaal waarbij prachtige dingen gezegd worden, om ze vervolgens onder allerlei voorwendselen weer met de andere hand weg te nemen. Er wordt dan genade geleerd, maar in de praktijk worden werken gepromoot. Dat wil zeggen: eerst was het onverdiend en gratis, maar vervolgens moet je het kennelijk toch weer allemaal verdienen. Nee, Abraham geloofde God. Hij was ervan verzekerd dat Hij bij machte was om te volbrengen wat Hij beloofd had.
Het is toch logisch? Als God iets belooft, wie moet het dan volbrengen? Wie moet het dan vervullen? Als ik u iets beloof, dan rust op mij de plicht om dat te doen. Welnu, God had Abraham een belofte gedaan. Wat moest Abraham dan doen? Hij hoefde helemaal niets te doen. Dat was juist het mooie: hij hoefde niets te doen. Dat is wat Abraham geloofde. Hij dacht: als God het zegt, dan zal het zo zijn. En dat geloof werd hem tot gerechtigheid gerekend. Hij deed niets; er viel niets te presteren.
Bij de belofte van God valt er niets te werken. Op het moment dat het idee van werken weer klinkt, demonstreer je in feite dat je het niet gelooft. Die hele affaire, de periode met Hagar, was heel godsdienstig, want Abraham wilde God een handje helpen. Maar het was puur ongeloof. Abraham was ten volle verzekerd dat God bij machte was om te volbrengen wat Hij beloofd had. Geloof rust daarin, want Hij vervult het. Je zegt: "God heeft gesproken, Hij zal het ook doen." Voor Hem is er helemaal niets onmogelijk.
Ik vind het zo prachtig, daarom heb ik dit plaatje erbij gedaan. Dat zal geen selfie van Sara of Izak zijn, dat lijkt me onmogelijk, maar het geeft een aardige indruk: blije mensen. Zo noemden ze dat ventje vervolgens ook: "Lachen". Dat vind ik heel illustratief voor het Evangelie, want dit is echt de reden om te lachen. Zodra er iets van mij verwacht wordt, iets wat ik moet doen of bewerken, dan kun je het wel vergeten. Weg vreugde. Ik word juist zo blij van deze waarheid: dat Hij bij machte is en dat Hij ook zal doen wat Hij beloofd heeft.
Wat valt er te werken? Het is uitgesloten en nergens voor nodig. Werken zou slechts het ongeloof demonstreren. Hij vervult wat Hij belooft. Dat geeft rust en vreugde. Dan ga je lachen. Er is niets onmogelijk. Je kijkt omhoog en je kijkt vooruit. Het beste komt nog, ondanks alle zware omstandigheden. "Ja, maar..." Het beste komt nog! Zo mogen wij God de eer geven in ons leven. Dat is een geweldig voorrecht.
UltimateGoodNews