GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

De Overheden Boven Ons

06-04-2014 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie van de GoedBericht-samenkomst gehouden op 6 april 2014 in Zoetermeer.

De tijdgeest heeft het over inspraak en democratie. Overheden dienen zich te verantwoorden aan het volk dat hen in die positie heeft gesteld. Haaks daarop staat wat Paulus in Romeinen 13 daarover schrijft. Overheden staan onder God. Gezag komt niet van onderen maar van boven. Hoe komt Paulus op dit onderwerp in Romeinen 13? Wat is het verband met het voorgaande hoofdstuk? Wat betekent het in de praktijk dat overheden boven ons staan? En waarom is dat zo relaxed?

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie behandelt de Bijbelse visie op de relatie tussen gelovigen en de overheid, gebaseerd op de brief aan de Romeinen. Er wordt uitgelegd dat we het kwaad niet moeten vergelden, maar Gods liefde in beeld moeten hebben voor alle mensen. Gezag komt van boven en elke overheid is door God aangesteld als Zijn dienares. Daarom worden gelovigen opgeroepen zich aan hen te onderschikken, wat overigens iets anders is dan onvoorwaardelijk gehoorzamen. Dit onderschikken geeft rust en vrede in de wetenschap dat de Allerhoogste de absolute regie in handen heeft.

“De overheid gehoorzamen, dat kan niet altijd, maar aan een overheid die je niet gehoorzaamt, kun je je nog wel degelijk onderschikken.”

De Aanleiding voor Romeinen 13 in het Voorgaande Hoofdstuk ↑ hoofdstukken

Ik ben erg blij dat we van die domme ganzen heel veel kunnen leren. Dat geeft mij ook wat vrijmoedigheid om nu vervolgens het woord tot u te richten. Ik wil u vanmorgen meenemen naar Romeinen hoofdstuk 12 en 13. Eigenlijk naar hoofdstuk 13, want dat gaat, zoals tamelijk bekend is, over de overheid en de overheden – de volmachten of autoriteiten boven ons. Het is echter tamelijk onbekend dat het dertiende hoofdstuk, waarin Paulus spreekt over de superieuren, de autoriteiten en onze houding ten opzichte van hen en zij ten opzichte van ons, zijn aanleiding al vindt in het twaalfde hoofdstuk. Ik wil u daar vanmorgen juist eens bij bepalen. Vandaar dat we niet beginnen bij hoofdstuk 13 vers 1, maar bij het slot van hoofdstuk 12.

Dat is altijd een beetje lastig, want waar val je dan precies in? Je valt altijd ergens middenin het betoog. De brief begint bij hoofdstuk 1 vers 1, dat is nogal logisch. Maar in deze brief heeft de apostel in de eerste helft van de hoofdstukken het 'evangelie van God' uiteengezet, de term die hij gebruikt in hoofdstuk 1. Het is het goede bericht van, maar ook aangaande en over God, die werkelijk God is. Het is het geweldige bericht over wat God door Zijn Zoon naar voren bracht. Zoals zojuist ook werd aangehaald: de trouw van God. Dat is Romeinen 3. Zou het ongeloof van ons, de ontrouw van de mens, Zijn trouw tenietdoen? Het zij verre, uitgesloten! Juist daarop is dat goede bericht en die goede bestemming gebaseerd, die universeel is weggelegd, op Gods tijd en Gods wijze, voor deze hele schepping. Ja, daarop is dat allemaal gebaseerd.

Als Paulus dat in elf hoofdstukken uiteen heeft gezet met alle verbanden waar hij vervolgens op wijst – bijvoorbeeld in hoofdstuk 9, 10 en 11 – dan heeft hij gewezen op de wegen die God gaat. Die wegen zijn soms ondoorgrondelijk, dat weet u, met Israël en met de volkerenwereld. Daar heeft Paulus heel veel over uiteengezet. Maar vanaf het eerste vers van hoofdstuk 12 laat Paulus zien wat de consequenties van die dingen zijn. Men zegt wel dat de eerste elf hoofdstukken over de leer gaan en vanaf hoofdstuk 12 tot en met het einde, hoofdstuk 16, over de praktijk. Daar heb ik op zich helemaal geen moeite mee, want het is ook zo. De leer van wie God is, dat onderwijs, heeft vervolgens consequenties. Het mooie is dat Paulus ook laat zien hoe die praktijk gebaseerd is op de leer; het sluit daar direct op aan. Het is een voorrecht dat we die leer ook tot uitdrukking mogen brengen.

Dat laat de apostel zien in het twaalfde hoofdstuk. Ik ga voorbij aan de eerste zestien verzen en val hier in vers 17 binnen. Daar zegt de apostel: "Vergeldt niemand kwaad met kwaad," en: "Hebt het goede voor met alle mensen." Dat vind ik meteen een hele mooie aanleiding om daar nog even op in te zoomen. Waarom? Omdat dat nu juist het geweldige is van die leer die hij in de eerste elf hoofdstukken had uiteengezet.

Gods Bestemming: het Goede in Beeld voor Álle Mensen ↑ hoofdstukken

Dat God Zelf het goede voorheeft met álle mensen – ja, die uitdrukking "alle mensen" is een heel belangrijk woordpaar. De keer daarvoor had de apostel daarover gesproken in Romeinen 5. Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en de dood is doorgegaan tot alle mensen. Maar dan gaat hij verder in datzelfde hoofdstuk en zegt: "Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is..." Dit verwijst terug naar Adam, naar Genesis 3. Door één mens die verantwoordelijk was, de stamvader van ons allen, zijn alle mensen tot veroordeling gekomen: om zondaar te zijn en om sterveling te zijn. Dat is geen keuze van u of mij; zo zijn we ter wereld gekomen en daarvoor zijn we veroordeeld.

Mocht u denken dat dit niet eerlijk is omdat u er zelf niet voor gekozen heeft en geen inspraak had – dat het niet democratisch tot stand is gekomen – dan heb ik heel goed nieuws voor u. Het geweldige is namelijk dat het tweede evenmin democratisch is en dat u daar ook geen inspraak in heeft. Dat is Gods bestemmingsplan en daar houdt Hij aan vast. Daarom is het ook zo'n goed bericht: het kan niet missen, want het is gebaseerd op Gods voornemen. Zoals de ene daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook – op exact dezelfde wijze – door één daad van gerechtigheid. En dit gaat over die ene Mens die kwam en die gehoorzaam was tot de dood, ja, de dood van het kruis.

Door één daad van gerechtigheid komt het voor alle mensen tot rechtvaardiging van leven. Alle mensen zijn veroordeeld om zondaar en sterveling te zijn, en zo zijn ook alle mensen "veroordeeld" om gerechtvaardigd te worden ten leven. Ik maak deze verspreking met opzet, want u begrijpt de hint: we hebben er geen invloed op. Dat is Gods bestemmingsplan. Rechtvaardiging van Leven, met allemaal hoofdletters! Dat leven dat aan het licht kwam toen de steen werd weggewenteld: onvergankelijk leven.

Wanneer er in Romeinen 12 staat: "Hebt het goede voor met alle mensen", dan staat er letterlijk eigenlijk: "Hebt het goede in beeld van alle mensen." Voor ons die het goede bericht kennen – en ik ga ervan uit dat je bij het lezen van Romeinen 12 het voorgaande ook in gedachten neemt – is dat geweldig. Je loopt op straat en kijkt naar de mensenmassa's. Ik geloof dat er inmiddels zo’n zes miljard mensen rondlopen op deze aarde op dit moment; dat is onvoorstelbaar. Maar al die mensen heeft God lief en Hij heeft ze bestemd tot rechtvaardiging van leven. Als er Één is die het goede in beeld heeft van alle mensen, dan is Hij het wel. Wij zijn tot die erkenning gekomen en dus hebben wij ook dat goede in beeld.

Zo mogen we leven, ook ten opzichte van degenen die ons niet bepaald vriendelijk gezind zijn of die ons een hak zetten. In hoeveel conflicten kun je niet betrokken raken? En dan zegt Paulus: "Vergeldt niemand kwaad met kwaad." Waarom niet? Omdat je het goede in beeld hebt van alle mensen. Dan kijk je ineens heel anders naar die ander. Het mooie is dat dit niet alleen invloed heeft op die ander, maar ook op je eigen vrede. Je kijkt anders en krijgt daardoor echt een andere wereld, een ander wereldbeeld en een ander mensbeeld. Niet alleen van één mens, maar van álle mensen.

Er zijn nog veel meer verzen te bespreken, maar dit sluit hier naadloos op aan: "Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen." Daar heb je het weer: alle mensen! God verzoent alle mensen met Zich en God is in vrede met alle mensen. Welnu, wij hebben het goede in beeld van alle mensen en dus houden we, voor zover het van ons afhangt, ook vrede met alle mensen. Kijk, dat is de praktijk die gebaseerd is op de leer. Het is een voorrecht om in die vrede te leven; niet alleen inwendig in het hart, maar ook relationeel. En als anderen onvrede met ons hebben, dan is dat hún probleem, maar dat wíj in elk geval vrede hebben met álle mensen. Hoe zit dat dan als je onderricht geeft? Ik had het zojuist over conflicten; die zijn dikwijls niet eens te vermijden. Maar dat neemt niet weg dat je dan toch te maken krijgt met onderricht.

Wreekt Uzelf Niet: Overwin het Kwade Door het Goede ↑ hoofdstukken

En dit woord: wreekt uzelf niet. Laat ik eerst nog even iets anders zeggen over dat woord ‘geliefden’. Dat is wel heel fraai, want het betekent dat God Zelf spreekt. Dat woord ‘geliefden’ is de vertaling van het Griekse woord agapē, en dat heeft te maken met Gods liefde. God heeft liefde; daar zette ik u zojuist al het een en ander over uiteen. God heeft deze wereld lief, Hij heeft alle mensen lief. Wij zijn geliefd en wij hoeven niet voor ons eigen recht op te komen, want wij zijn geliefd. Er is Iemand die onze belangen behartigt en die voor ons het recht zal herstellen.

Dat woord ‘wreken’ heeft in het Grieks — en in het Hebreeuws trouwens ook — altijd te maken met het herstellen van het recht. Het heeft zelfs nog met opstanding te maken in het Hebreeuws, maar goed, dit is geschreven in het Grieks, dus daar beperk ik me nu even toe. Dit Griekse woord dat Paulus hier gebruikt, heeft te maken met recht doen of recht verschaffen. Wij hoeven zelf ons recht niet te verschaffen als ons onrecht is aangedaan. Dan zou je zeggen: ‘Nou, dan wreek je je.’ Nee, zegt Paulus, wreekt uzelf niet. Hoezo niet? Wel, laat plaats voor de toorn. Eigenlijk staat er, zoals u hier in de interlineair ziet — en u moet vooral letten op die groene, middelste lijn, dat is namelijk de meest letterlijke weergave in het Engels — er staat eigenlijk: ‘geef plaats aan de toorn’.

Als daar boosheid is, als je boos bent over onrecht… Ik bedoel, met onrecht ben je niet blij als dat je hier beneden aangedaan wordt. Dan ligt het zo gemakkelijk en zo voor de hand om eens even goed op je recht te gaan staan en je te gaan wreken. Paulus zegt: doe dat nou niet, maar geef plaats aan de toorn. Hoezo? Omdat er Eén is die jouw belangen behartigt. Want er staat geschreven, en nu verwijst Paulus naar Deuteronomium 32 vers 35: ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heer.’ Ik zal op Mijn tijd en op Mijn wijze opkomen voor jouw recht. Mij komt dat toe en dat hoef jij niet te doen. Dat wil dus zeggen dat je het gewoon over kunt geven. Geef plaats aan die toorn. Als die ander gecorrigeerd moet worden — want daar heeft toorn mee te maken; je bent boos over onrecht — wel, als er correctie behoeft en het ligt niet in jouw vermogen, laat het los. Geef het over. Er is Eén die recht doet. Er is Eén die jou zal geven wat jou toekomt. Vertrouw daar maar op, want er is één God, en dat spreekt de Heer Zelf uit.

Dan gaat het nog verder, want hij zegt: ‘Indien uw vijand…’ En nu volgt er weer een citaat uit het Oude Testament, de Hebreeuwse Bijbel, uit Spreuken 25 vers 21 en 22: ‘Maar indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten.’ Jij bent niet vijandig ten opzichte van hem, maar iemand is vijandig ten opzichte van jou. Wat doe je dan als hij honger heeft? De primaire gedachte van een mens, zoals je normaal gesproken zou reageren, is: ‘Mooi, jouw vijand heeft honger. Dat komt heel goed uit, want dat verdien jij.’ Dan zeg je: ‘Ik dank God voor het feit dat jij honger hebt, nu wordt mij eindelijk recht gedaan.’ Nee!

Kijk, en dit is nou weer zo'n prachtig voorbeeld. De voorbeelden stapelen zich op. Ik had eigenlijk de voorgaande verzen er ook nog bij moeten betrekken, want je ziet iedere keer weer hetzelfde: het in de praktijk brengen van de leer van God, onze Redder. Dat mogen we ‘versieren’, zoals dat in Titus 2 wordt genoemd; dat is een van mijn favoriete teksten in dat verband. We mogen de leer van God, onze Redder, versieren. Het gaat niet om de praktijk op zich, het gaat om die leer. Ja, ik weet dat het meestal omgekeerd wordt, dat men zegt: ‘Het gaat niet om de leer, het gaat om de praktijk.’ Dat is onzin; het gaat in de praktijk juist om die leer! Want het is geweldig dat Hij de Redder is.

God Zelf doet dat namelijk ook. Hoe maakt God vijanden tot vrienden? Hoe kun je vijandschap tenietdoen? Dan moet je dit doen: je moet zijn vijandschap onmogelijk maken. Iemand is jouw vijand en hij heeft honger; wat doe je dan? Geef hem brood, geef hem te eten, en als hij dorst heeft, geef hem te drinken. Want, staat er dan, zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. Vurige kolen hebben alles te maken met het altaar, maar ik wil het simpel houden: het heeft te maken met het feit dat de vijandschap dan smelt. Dan kun je je vijandschap niet langer handhaven. Als iemand jouw vijand is en jij bent in de gelegenheid om die ander juist te breken, maar je doet het niet — integendeel, je betoont hem juist liefde en je bewijst hem dat zelfs — welke reden heeft hij dan nog om zijn vijandschap te handhaven? Integendeel!

Dat is net als Jozef in die geschiedenis in het Oude Testament, aan wie zoveel onrecht was aangedaan; u kent de geschiedenis. Dan komen zijn broers inderdaad bij hem op bezoek en wat doet hij? Hij geeft zijn broers eten. Die hadden honger en hij geeft ze te eten. Hij geeft ze zelfs nog veel meer mee. Op een gegeven ogenblik maakte hij zich bekend. Een schitterende geschiedenis, vol met typologie. Maar het gaat me nu even om het punt: hij gaf zijn vijanden, zijn eigen broers, te eten. En toen hij dat bekendmaakte, toen was de vijandschap verdwenen. Vijandschap smelt, het verdwijnt. Die liefde overwint de vijandschap.

Kijk, dat is Gods liefde. Dat is Gods methodiek om een vijand teniet te doen: niet door hem te vertreden, maar door zijn vijandschap in vrede te veranderen. Zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. God doet dat zo, en wij mogen leven in verzoening en ons ook zo opstellen naar die anderen. Dat is niet menselijk, nee, dat is goddelijk. Zo doet God dat. En in die vrede mogen we zelf ook wandelen.

Paulus zegt dan in het laatste vers: ‘Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.’ Dat wil zeggen: geen kwaad met kwaad vergelden. Dat noemen wij heel primair reageren. Nee, we overwinnen het kwade door het goede. Trouwens, ik moet u erop wijzen dat er eigenlijk niet staat ‘door’ het goede, maar ‘in’ het goede. Dat is een subtiel verschil, want dat goede is niet zomaar een instrument door middel waarvan wij het kwaad bestrijden. Welnee, wij bestrijden het kwaad sowieso niet; wij leven in het goede. Dat goede is geen instrument of een wapen in onze handen om het kwade te bestrijden; het is de sfeer waarin wij leven en wandelen. Door in dat goede te leven en door het goede in beeld te hebben bij alle mensen — juist in die sfeer en in die vrede — overwinnen we het kwade. Het goede waar Paulus hierover spreekt, is dus geen wapen of instrument, maar het is de ruimte, de omgeving en de atmosfeer waarin we leven.

En dan komen wij in Romeinen 13. Die hoofdstukindeling is soms verrekte handig, daar niet van, maar als het gaat om het verstaan van zulke passages moet je je er verder niet door laten hinderen. Dat blijkt ook in dit geval heel sterk, want Romeinen 13 begint in vers 1 inderdaad over de overheden te spreken, maar de aanleiding was er al. Er was immers sprake van wraak en toorn en het optreden daartegen. Welnu, daar is een instelling van Godswege voor die dat doet. En zo komen we bij Romeinen 13 vers 1.

Laat Iedere Ziel Zich Onderschikken aan de Autoriteiten ↑ hoofdstukken

Laten we dat eens lezen. Ieder mens – eigenlijk staat er: iedere ziel. Iedere ziel gaat hier dus niet alleen over gelovigen, maar gewoon over iedere ziel. Elk mens. Een mens heeft geen ziel, een mens is gewoon een ziel. Ja, dat bent u toch met mij eens? Je komt zoveel zielen tegen. Zoals wij trouwens ook spreken over een stad die zoveel zielen heeft, of zoveel inwoners telt.

Goed, iedere ziel moet zich onderwerpen. Nou, daar moeten we eerst eens even bij stilstaan, want dat staat hier weer. Er staat: laat iedere ziel zich onderwerpen. Laat hem zich onderwerpen, niet moet. In de studies die ik hier geef, heb ik er al zo dikwijls op gewezen dat in onze vertalingen, met name de modernste vertalingen – de NBV maakt er helemaal wat van, de allernieuwste Bijbelvertaling, en de NBG kon er ook al wat van, zoals de vertaling die we nu raadplegen – hoe moderner de vertaling, hoe meer het woordje 'moeten' gebruikt wordt, terwijl de Schrift dat helemaal niet gebruikt.

Er staat hier niet 'moeten', maar 'laten'. Laat. Het ene is pressie, het is druk, het is een juk op je; dat heb je te doen. Het andere is ruimte geven. Laat ieder mens zich onderwerpen. Laat iedere ziel zich onderwerpen. Dat is een voorrecht om dat over te laten.

Waarom die kop hier nu? Dat is de kop van – u kent hem misschien niet, want het is van ver voor uw tijd – de kop van Nero, keizer Nero. Dat was namelijk de keizer die regeerde in de dagen dat de apostel Paulus deze brief schreef. Het waren nog niet zijn meest kwade dagen, maar keizer Nero is spreekwoordelijk geworden voor de christenvervolgingen. Trouwens, het was helemaal een vreselijke bruut; hij is een van de ergste Romeinse keizers geweest die in Rome regeerden. En Paulus schrijft een brief aan de Ecclesia in Rome, de stad waar keizer Nero regeert. Uitgerekend in die tijd, in die plaats, schrijft Paulus deze woorden: laat iedere ziel zich onderwerpen, of zich onderschikken, aan de overheden. Er staat hier het woord exousia, dat is een autoriteit, een volmacht.

Als je autoriteit hebt, dan wil dat zeggen dat jij macht hebt gekregen. Wij spreken dan over volmacht. Een politieagent die een pet op zijn hoofd heeft met het vignet van de politie, dat beeldt zijn autoriteit uit. Hij draagt autoriteit; dat kan hij bewijzen. Wel, dat is het woord dat hier gebruikt wordt. Het woord 'overheid' is een ander woord, dat kent de Bijbel ook, maar hier wordt gesproken over autoriteiten, volmachten.

Zij die autoriteit hebben gekregen. En in het Bijbelse principe – en daar moeten wij heel erg aan wennen, dat zijn wij kwijtgeraakt – democratisch als wij denken en in termen van inspraak (ik had het er zojuist even over), dan denken we altijd dat macht van onderaf komt. Dat is absoluut niet de Bijbelse gedachte. De Bijbelse gedachte is: gezag komt van boven. Dat is wat gezag is. En op welk niveau ook, trouwens. Dat geldt voor de regeringsinstanties – ik zal het u straks nog laten zien – maar het geldt ook voor andere vormen van gezag. Ouders die gezag hebben over hun kinderen, en het geldt voor werkgevers die gezag hebben over werknemers. Dat zijn relaties van autoriteit, van volmacht.

In de dagen dat deze brief geschreven werd, had een heer een slaaf, en ook in de brieven lees je heel dikwijls dat Paulus zich ook richt tot slaven om zich te onderschikken. Paulus spreekt nooit over revolutie, maar: schik je onder, schik je in de autoriteit die boven je geplaatst is. Dat zijn Bijbelse verhoudingen. Dat geldt trouwens ook voor man en vrouw. Het is geen kwestie van gehoorzaamheid, maar het is wel het hoofd: het hoofd van het gezin, het hoofd van de vrouw. Ik weet het, daar moet je tegenwoordig altijd heel erg mee uitkijken, maar het zijn Bijbelse verhoudingen.

Dus ik zeg het gewoon. Ik bedoel, ik preek niet. Dat wou ik ook nog even zeggen, want ik kreeg daarover te horen: "Waarover ga je preken?" Ik zeg: ik preek niet. Ik wil u gewoon laten zien wat er staat geschreven. En ik ga gewoon regel voor regel laten zien wat er staat geschreven. Dat heeft kracht, dat heeft power, dat is scherp als een tweesnijdend zwaard en dat doet zijn werk in uw en mijn leven. Dat vind ik geweldig en ik hoef u hier alleen maar op te wijzen. Af en toe geef ik toelichting waar nog meer staat enzovoort, maar ik wijs u gewoon op wat er staat geschreven – niet meer en ook niet, vooral ook niet, minder.

Goed, laat iedere ziel zich onderschikken aan de volmachten, aan de autoriteiten die boven hem staan, aan de superieuren, aan degenen die hoger geplaatst zijn. En dit is eigenlijk ook weer zo'n ontzettend logische gedachte. Wat zou de houding van ons moeten zijn, van welke ziel dan ook, ten opzichte van degenen die hoger geplaatst zijn? Degenen die boven ons geplaatst zijn. Wat anders dan je onderschikken? Zij staan boven je, en dus: laat dat zo. Laat het zo zijn als het is. Onderschik je aan degene die boven je staat.

En ja, dit is een regel die logisch is, maar ik vind het ook werkelijk een goed bericht. Dit is niet een commando van "je moet...". Het feit dat de vertalers hier "moeten" hebben geschreven, is al een aanduiding dat ze het niet hebben begrepen. Want ze doen alsof het een commando is, een last, terwijl het een voorrecht is. Er staan mensen, autoriteiten, boven je en schik je onder hen.

Gezag Komt van Boven: Geen Overheid Dan Ónder God ↑ hoofdstukken

En het wordt trouwens ook gemotiveerd, want er staat dat er geen overheid is, geen autoriteit, dan door God. Staat dat er trouwens ook niet? Sorry, dat staat er echt: dan ónder God. Niet het woordje 'door'. Ze staan onder God. Elke autoriteit. Ik zei u al, autoriteit komt in de Bijbel van boven naar beneden; dat is een universeel principe. God is degene die supreme is, de Bovenalste, de Allerhoogste, en Hij deelt gezag uit. Autoriteit geeft Hij aan andere, lagere instanties, aan mensen. Er is geen overheid dan onder God, en die er zijn, zijn onder God gesteld, of onder God neergezet. Ook hier weer niet het woordje 'door', maar 'onder'. Ze staan allemaal onder God en ze zijn Hem verantwoording schuldig.

En dan ga ik weer iets zeggen wat je waarschijnlijk niet aan tafel bij Pauw en Witteman moet zeggen: overheden zijn geen verantwoording schuldig aan het volk waarover zij regeren. Ze zijn verantwoording schuldig aan degene die boven hen staat, van wie zij volmacht hebben gekregen. Niet van het volk dat hen gekozen had. Nee, God heeft hen daar gesteld. Aan Hem zijn zij in de eerste plaats verantwoordelijkheid verschuldigd, en niet aan ons. En wij schikken ons daarin. Ik vind dat woord 'schikken' altijd wel erg leuk, want dan krijg ik er schik van. We schikken ons eronder, we kunnen dat de ruimte geven en dan is het één.

Dat zal u eens meenemen naar een andere Schriftplaats: Daniël 4. Daar staat een prachtige uitspraak; er zijn er meer van dit soort, maar Daniël 4 is verzekerd. Daar spreekt Daniël tot de allerhoogste autoriteit in die dagen, waar zelfs een Obama of een Poetin, of welke naam je ook maar wilt noemen, alleen maar van kan dromen. Want Nebukadnezar had macht; hij was de grootste macht, zelfs over alle koninkrijken der aarde. Dat kan geen enkele wereldheerser momenteel zeggen, maar Nebukadnezar wel.

Laat ik eens lezen, ik val midden in de zin in vers 17 van Daniël 4. Daar wordt dit gezegd door een van zijn lagere magistraten. Daniël had ook een hoge positie daar in het rijk van Babel, in de gewesten van Babel. Maar dan zegt deze man tegen hem — en uit die geschiedenis weten we dat hij een visioen had gekregen en dat hij zeven jaren uit zijn ambt gezet zou worden en als een beest zou worden — dat dit gebeurt opdat de levenden mogen weten dat de Allerhoogste macht heeft, gezag heeft. Hij heeft het te zeggen over het koningschap van de stervelingen. Wat er cursief staat is de meest letterlijke weergave, wat helaas de vertaling daar niet weergeeft. En Hij geeft dat koningschap, de macht, aan wie Hij wil; ja, zelfs de laagste onder de stervelingen stelt Hij daarin aan.

Dat woordje 'laagste' staat in de NBG als 'benederigste'. Dat zal wel waar wezen, maar er staat 'de laagste'. En in dit geval vind ik dat zo mooi, want die Nebukadnezar zelf zou een laagste worden. Een man met de hoogste autoriteit, die man werd gek. Hij was gewoon krankzinnig en kreeg ook een dierenhart. Je leest dat hij jarenlang echt helemaal psychiatrisch is geworden, zoals wij dat zouden zeggen. Hij is later na zeven jaar in zijn autoriteit weer hersteld. En dat is precies waar Nebukadnezar het over heeft: Hij, de Allerhoogste, die zelfs de laagste — degene die als een dier gras te eten had, want dat was het — aanstelt op Zijn tijd.

En als God zegt: "Nu is het genoeg", dan kom je precies weer daar waar ik het over heb. Hij heeft macht en Hij is de Allerhoogste. Hij beschikt over elke overheid en elk mens, en ik vind dat een geweldige gedachte. Er is één God en Hij heeft macht over al die regeringen, terwijl wij ons daar zo druk over maken. Het is natuurlijk een hele respectabele activiteit om je vandaag de dag druk te maken over de overheden, en vooral om je daartegen te verzetten omdat ze allerlei dingen doen die niet deugen. Maar dan is daar deze houding die Paulus hier ook aanbeveelt en die zo logisch is: er is één God en Hij beschikt alles. Hij geeft het koningschap aan wie Hij wil, en zelfs de allerlaatste stelt Hij daarin. Hij beschikt dat.

En daarom zegt Paulus: wie zich dus tegen de overheid verzet, die wederstaat de instelling van God. En wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen. Gaat het hier over een oordeel van Godswege? Nee, het gaat hier over die overheden die dat niet pikken, die boven je staan. Ik moet er trouwens nog één ding bij zeggen, dat vergat ik zojuist bij vers 1 eigenlijk nog te vermelden, maar dat doe ik dan bij dezen alsnog: er staat nergens in de Bijbel dat we de overheden zouden gehoorzamen. Nee, dat staat er niet.

Het Cruciale Verschil Tussen Onderschikken en Gehoorzamen ↑ hoofdstukken

Er staat dat we ons aan de overheden zouden onderschikken, en dat is een subtiel verschil. Ik weet het, als je je onderschikt, dan is de normale gang van zaken – daar vloeit normaliter uit voort – dat je doet wat zij jou opdragen. Maar dat hoeft niet per se. Als de overheid iets vraagt wat jij niet kunt doen omdat je God de eer geeft, omdat je in Zijn weg wandelt, wel, dan weiger je dat wat de overheid jou opdraagt. Maar daarmee verzet je je niet tegen die overheid. Nog steeds ben je ondergeschikt aan die overheid, ook al kun je niet alles doen wat zij van je vraagt. Dat is een heel belangrijk verschil.

In de praktijk komt dat in onze dagen niet echt uit de verf, maar er zijn tijden – ik bedoel, we hoeven alleen maar even terug te gaan naar de dagen van de Tweede Wereldoorlog – dat de overheid dingen van burgers vroeg die zij niet konden doen als ze hun geweten lieten spreken. Ik zal u een voorbeeld geven. Ik noem juist de naam van Jozef. Jozef zelf, die als slaaf was verkocht door zijn broers, weet u nog, en die dan in het huis van Potifar gesteld wordt. Deze Jozef wordt op een gegeven ogenblik door zijn meesteres verleid. Zij wil met hem naar bed. Dat kon hij niet doen. Dat zegt hij ook: "Ik zou zo'n kwaad doen tegen God." Dat kon hij helemaal niet doen. Hij vluchtte. Dat wil zeggen: hij deed iets wat zijn meesteres juist niet wilde.

Hoe dat afliep, dat is nog een heel apart verhaal, maar ik vind het zo prachtig – even terzijde – Jozef wist precies waar Abraham de mosterd vandaan haalde. Een heel rare beeldspraak in dit geval, want Abraham was natuurlijk zijn overgrootvader, maar Jozef wist waar het om ging. Er is Eén die de regie in handen heeft: God beschikt mijn leven. Jozef had een droom van Gods wegen gehad, een visioen. Hij wist wat God voornemens was en God had een bestemmingsplan. Daarom had Jozef rust. Hij erkende de meester en zijn meesteres, hij gaf alle credits, maar als hij iets moest doen wat hij niet kon doen, dan zag hij daarvan af. Was dat revolutie? Nee, helemaal niet. Hij erkende nog steeds haar positie, alleen hij kon iets niet doen wat zij vroeg.

Dat is iets anders. De overheid gehoorzamen, dat kan niet altijd, maar aan een overheid die je niet gehoorzaamt, kun je je nog wel degelijk onderschikken. Dat is een heel belangrijk verschil. Ook hier wordt erover gesproken: je onderschikken. Dat is het tegenovergestelde van je verzetten, je opstellen tegen, of oppositie of revolutie voeren tegen die overheid, of die overheid omver willen werpen. Ik weet het, want terwijl ik deze dingen bespreek, komen er natuurlijk allerlei gedachten bij u op. Zeker als u vertrouwd bent met christelijke politiek, dan worden daar soms heel andere dingen over verteld. Want dan wordt er vooral gezegd dat wij die overheid tot een dienaar van God moeten maken. Welnu, dat hoeven we helemaal niet; zij ís al een dienaar van God. En we hoeven die overheid ook helemaal niet omver te werpen. Er is maar één boodschap voor ons en dat is: schik je eronder. Het is het allermooiste en het allerbeste wat je kunt doen. Wie dat niet doet, die zal een oordeel over zich brengen.

Waar het over gaat, blijkt uit het vervolg. Want als iemand goed handelt... en begrijp me goed, waar het hier over gaat is onderschikken. De overheid staat boven je, en wat zou een ziel doen die superieuren boven zich heeft staan? Schik je gewoon onder die overheid; dat is dat goede handelen. Ik weet wel, je kunt natuurlijk zeggen dat keizer Nero iemand was die later, of misschien al in deze dagen – maar vermoedelijk nog niet – de gelovigen vervolgde. De gelovigen hadden dus veel te vrezen van de overheid. Dat was waar, en dat was omdat ze de overheid niet konden gehoorzamen. Maar dan nog: ook als ze niet konden gehoorzamen, konden ze zich altijd onderschikken.

En dat is dat goede handelen. Als je je schikt onder die overheid, dan hoef je niet bevreesd te zijn voor de overheidspersoon. Als je namelijk doet wat zij zeggen – dat is de normale consequentie van je onderschikken – hoef je niet bang te zijn. Maar wel als je verkeerd handelt. Dat wil zeggen, let op hoe het er staat: als je kwaad handelt. Dat is dat weerstaan van de overheid. Wil jij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, dat wil zeggen: onderschik je, en je zult lof van haar ontvangen. Want dat is precies het enige wat een ziel of een inwoner zal doen met superieuren boven zich: zich onderschikken onder die overheid. Ik lees verder.

De Overheid als Dienares van God en Toornende Wreekster ↑ hoofdstukken

Zij staat immers in dienst van God. Hier staat in het Grieks het woordje diakonos, wat 'diaken' betekent. De overheid, die autoriteit, is een diaken van God. Paulus zegt dit meer specifiek over keizer Nero en over alle magistraten, maar het geldt voor dat hele systeem van macht dat God aan hen heeft toegedeeld. Zij is in dienst van God, of ze dat nu erkent of niet; zij is een dienaar van God ten goede. Maar indien je kwaad doet – dat wil zeggen: je niet onderschikt, maar weerstaat – wees dan bevreesd. Want zij draagt dat zwaard niet tevergeefs.

Dat is wat die overheid is. We hadden het er namelijk over dat je jezelf niet moet wreken. Het recht in eigen hand nemen is niet wat wij zouden moeten doen. "Wreekt uzelf niet," maar er is een wreker: een toornende wreekster. We hadden gelezen: "Geef plaats aan de toorn." Er is nu een instantie in deze wereld die de macht heeft, die van Godswege een dienaar is, die een zwaard draagt en ook toorn kan oefenen. Dat wil zeggen dat zij represailles kan nemen en ook kan wreken. Zij kan recht horen en recht herstellen. Dat is wat aan die instantie is gegeven: een zwaard.

Dat dateert al van vlak na de zondvloed. Je leest dan dat God tegen Noach zegt – in feite tegen het nageslacht van Noach, kortom tegen heel de mensheid, want heel de mensheid komt voort uit Noach: "Wie mensenbloed vergiet, diens bloed zal vergoten worden." Dat is in wezen de kern van de overheid. Daar wordt een zwaard gegeven aan de mens. Niet aan de mens als individu; een individu zou niet zichzelf moeten wreken of zijn eigen recht behartigen. Nee, daar is een instantie voor: de autoriteiten. En zij dragen dat zwaard niet tevergeefs; zij horen dat te handhaven.

Zij staat in dienst van God; ze is een dienaar, of eigenlijk een dienares van God, als toornende wreekster. Wij zouden onszelf dus niet wreken, maar de overheid is juist daartoe gesteld: in dienst van God voor hen die het kwaad bedrijven. Ik blijf erop hameren dat 'goed' en 'kwalijk' hier te maken hebben met onderschikken en wederstaan. Er wordt hier gesproken over een toornende wreekster, maar ik ben expres al in Romeinen 12 begonnen met lezen: "Wreekt uzelf niet!" Als je de nadruk goed legt, begrijp je het meteen. Wie wreekt er dan wel? Wreekt uzelf niet, geliefden. Je bent geliefd en God heeft daar instanties voor.

En als die instanties het niet doen, dan is er nog helemaal geen man overboord, want God staat namelijk bovenaan. Hij is de Allerhoogste en Hijzelf roept die overheden ter verantwoording. Jouw recht zal geschieden op Zijn tijd. Petrus zegt ergens ook in zijn brief: "Als gij onrecht lijdt, geef het over aan Hem die rechtvaardig oordeelt." Jouw recht wordt behartigd door de beste advocaat en de beste rechter, namelijk God Zelf, en Hij zal je recht doen. De houding die wij daarin mogen aannemen, is om dat over te geven. Hoezo al dat gekritiseer op de overheid dat ze dingen niet goed doen? Dat is onze zaak helemaal niet om ons daar druk over te maken.

Paulus zegt daarom ook: "Daarom is het nodig," of letterlijk: "Daarom is het noodzakelijk zich te onderschikken." Om die vrede te hebben. Niet slechts om de toorn, niet slechts om de consequenties – omdat die overheid toornt over degene die zich niet onderschikt en je dus bang moet zijn voor de gevolgen. Dat is ook zo, want als je niet doet wat die overheid zegt, dan zul je de consequenties daarvan ondergaan. Maar het is ook "om des gewetens wil."

Dat woord 'geweten' is in het Grieks opgebouwd uit twee componenten en het betekent letterlijk 'medeweten'. Dat komt nauwkeurig overeen met het Latijnse woord conscientia. Het is misschien een beetje oud-Nederlands om over consciëntie te spreken, maar je vindt het nog echt in het woordenboek. 'Con-' betekent 'mede' en '-scientia' heeft te maken met weten, met science. Consciëntie is dus het medeweten. Dat is veel meer dan alleen maar het besef van goed en kwaad, of weten dat je fout zit als je iets gedaan hebt wat niet deugt. Zo gebruiken wij dat begrip geweten meestal, maar geweten is niet alleen dat besef van goed en kwaad; het heeft te maken met het medeweten.

Medeweten met wie? Mede met God. God weet dingen en Hij heeft die wetenschap aan de mens gegeven; dat is aangeboren, dat ligt erin besloten. Een mens weet van nature dat God er is. Vervolgens doet de mens er alles aan om dat weer te onderdrukken, maar dat is wat een mens van nature weet. Een mens weet ook: die superioren staan boven mij en ik mag mij onderschikken. Dat is wetenschap, dat is een besef dat God aan de mens geeft. Onze onderwijssystemen, alle opinies en de hele tijdgeest leren ons misschien andere dingen, maar dat gaat recht tegen het geweten in, tegen dat diepe besef.

Elk mens weet – we hadden het er twee weken geleden nog over – dat God er is. Dat is gewoon aangeboren. Het hele ontwerp van de schepping schreeuwt je toe dat er een Ontwerper is. Dat kan niet zomaar bedacht zijn. Iedere keer als je zoiets ziet, denk je: "Wauw, wat is dit geweldig!" Dat weet je. Al het onderwijs in de wereld, in deze hele aion, is erop gericht om zulke basale kennis – ons geweten, ons medeweten met God – weer teniet te doen. Maar het leuke daarvan vind ik altijd: je kunt het geweten onderdrukken, net zoals je een bal onder water kunt houden. Dat kan, maar als je hem loslaat, komt hij meteen weer naar boven. Zo is het ook met dat geweten. Je kunt het onderdrukken of het zwijgen opleggen, maar het komt altijd weer naar boven. Dat onderschikken aan de superioren is dus niet alleen vanwege de nadelige consequenties of de toorn, maar ook gewoon omdat je weet dat het zo hoort en moet.

Belasting Betalen en Eer Bewijzen Om Des Gewetens Wil ↑ hoofdstukken

Daarom brengt u toch ook belastingen op. Nou ja, ik dacht: het is 6 april, dus het ligt nu misschien niet zo gevoelig meer als dat ik het twee weken geleden zou hebben gedaan. Maar daarom brengt u toch ook belastingen op. Ook daar kunnen mensen natuurlijk zo verschrikkelijk moeilijk over doen, want we betalen natuurlijk altijd veel. En die overheid besteedt het op een manier waarvan we zeggen: dat is toch helemaal krankzinnig? Dan zijn ze toch helemaal van de pot gerukt? Denken we dan dat ze al onze dure belastingcentjes naar Griekenland brengen? Nou, om maar wat te noemen: een bodemloze put. Ze besteden het verkeerd en wij hebben daar onze oordelen over. Maak je niet druk, mensen. Die overheden staan boven ons. Die hoeven zich niet aan ons te verantwoorden, maar aan God. Wees blij toe en geef het nou maar gewoon.

Bovendien had ik destijds een baas die dat altijd zei. Hij verdiende heel veel geld en deed er nooit moeilijk over. Hij zei: "Hoe meer belasting ik moet betalen, hoe beter ik erbij zit." Dat betekent namelijk dat er heel veel geld binnenkomt. Hij stond daar heel makkelijk in. Denkt u nou werkelijk dat u er beter van wordt als u onder zulke dingen probeert uit te komen? Denkt u dat u er beter van wordt? Echt niet. Het geeft pas vrede en rijkdom als je gewoon doet wat je op jouw positie kunt en mag doen. Wees blij dat er een overheid is. En dan ga ik verder: "Zij brengen toch ook belastingen op, want zij zijn dienaren van God."

Ik heb het u even aanschouwelijk gemaakt: dit is kabinet-Rutte II. Ik heb er volgens mij moeite mee om ze allemaal bij naam te noemen, maar deze kent u wel, en deze ook. Afijn, zij zijn dienaren van God, diakenen van God. Wist u dat? Wijzelf niet, hij niet... Oh, ik hoor van Kees dat er een uitzondering is; die weerstaat al. Kijk maar uit voor je wachttoren! Dit zijn dienaren. Wat ik nou grappig vind: er zijn mensen die in mooie gewaden rondlopen, in ambtskleding, die op de kansel staan of in de kerk en zichzelf 'dienaren van de Geest' noemen. Maar als je de Schrift ernaast legt, moet je zeggen: zij noemen zichzelf wel dienaren, maar ze zijn het niet, want ze spreken niet het Woord van God.

Er zijn daarentegen instanties die niets van God willen weten. En dan bedoel ik nog niet eens dit kabinet, want laten we wel wezen: wij wonen in een vrij land. We leven op één van de meest bevoorrechte plekken ter wereld. Realiseert u zich dat? Van al dat gezeur en gezanik over de overheid — dat we het hier zo slecht hebben en dat ze het zo slecht doen — word ik wel eens helemaal niet goed. Lieve mensen, wees nou eens een keertje wijs en heel nuchter. Kijk eens even verder over de grenzen naar andere werelddelen, naar Afrika of Azië. Je verleert het in één keer om ooit nog een grote mond tegen de overheid op te zetten. We hebben het hier zo ontzettend goed. Hebben we het over corruptie van de overheid hier? Nou, ik kan u verzekeren: elders is het veel erger. Ook vanuit dat perspectief moet je dat heel goed relativeren. Maar zij zijn dienaren van God. Zelfs overheden die totaal niets van God willen weten, zijn dienaren van God. En omgekeerd — dat is dan wel weer dubbel — zijn er mensen die zichzelf dienaren van God noemen en zich zo profileren met zogenaamde geestelijke macht, terwijl ze het helemaal niet zijn. Het heeft er dus niks mee te maken of u het herkent of niet.

Wij hoeven de overheid ook niet te maken tot een dienaresse van God. Ik weet dat dit het motto is van de christelijke politiek: de overheid moet een dienaresse van God zijn. Maar dat moet ze niet zijn, ze is het! Ongeacht wat zij doet. En wij schikken ons; dat doet iedere ziel. En juist dat is geestig. Paulus zegt hier met een zeker gevoel voor humor: "Daarom brengt u toch ook belastingen op." Want zij zijn dienaren van God die juist op dit punt voortdurend letten. Ik kan u verzekeren en garanderen dat als u het niet goed invult of doet, zij wel zo aardig en dwingend zijn om u daarop te attenderen.

De simpele conclusie is vers 7 van Romeinen 13: betaal aan allen het verschuldigde. Geef gewoon aan degene die daar recht op heeft. Belasting aan wie belasting toekomt. Er zijn prachtige geschiedenissen in de Bijbel; de beroemdste is die waarin aan Jezus een strikvraag gesteld wordt over dat belastinggeld. Mag men belasting betalen aan de Romeinse keizer? Want ja, daar in Judea moesten ze niets hebben van die keizer die hun land bezette. "Moeten wij hem nou belasting betalen?" Jezus zei: "Geef mij eens een muntje. Wiens hoofd of beeldenis staat daarop?" Van de keizer. Nou, geef dan gewoon de keizer wat van de keizer is. Heel simpel. En geef aan God wat van God is. Denkt u nou werkelijk dat u er beter van wordt als u daar onderuit probeert te komen? Nou, vergeet dat maar.

Belasting aan wie belasting, tol aan wie tol. Dat zijn dus meer de indirecte belastingen. Dat is hetzelfde idee en hetzelfde onderscheid zoals wij dat ook maken, en zoals de vertaling dat aangeeft: belasting en tol. Ontzag aan wie ontzag. U begrijpt: al die dingen die hier in vers 7 benoemd worden, hebben te maken met die autoriteiten die boven ons staan. Dat gaat over belasting en tol, maar ook over ontzag en eer. Er staat hier voor ontzag zelfs 'vrees', fobos, waar ons woord 'fobie' vandaan komt. Ontzag aan wie ontzag, en eerbetoon aan wie eer toekomt. Zij zijn de superieuren; geef hen dat gewoon.

Tenslotte wil ik nog twee andere schriftplaatsen noemen, want dit onderwijs staat niet alleen hier in Romeinen 13. Lees het maar na in Titus 3. Paulus laat Titus achter op het eiland Creta en zegt tegen hem: "Herinner hen eraan dat zij zich aan overheid en autoriteit onderschikken." En dan heb ik er nog één; dat is de laatste die ik wil noemen.

Voorbede voor Hooggeplaatsten voor een Stil en Rustig Leven ↑ hoofdstukken

Wat zegt Paulus tegen zijn andere medewerker, Timotheüs? Ik moedig je dan allereerst aan – de vertaling zegt: 'ik vermaan', maar nee, ik moedig je aan, ik roep je ernaast – ik moedig je dan allereerst aan om smekingen, gebeden, voorbeden en ook dankzeggingen te doen voor alle mensen. Ja, hoezo dankzeggingen voor alle mensen? Dat moet toch inmiddels duidelijk zijn. We hebben het goede in beeld. God heeft het goede in beeld van alle mensen. En dus danken we, maar bidden we, smeken we en hebben we voorbeden voor alle mensen.

En er staat achter: maar ook voor koningen en alle hooggeplaatsten. Of je nou blij bent met het feit dat ze daar staan of niet. Maar voor koningen en alle hooggeplaatsten. En dat bevrijdt je meteen van het hele probleem van: zou ik me nou aan hen moeten onderwerpen? Ja of nee? Zijn ze daar wel op de juiste, correcte, legitieme of legale weg gekomen? Dat is ons probleem helemaal niet. Als zij hooggeplaatst zijn, dan zijn ze hooggeplaatst.

En dus onderschikken wij ons aan hen en dat niet alleen: we bidden en we bedanken, zo staat erbij. Dat is precies waar het me eigenlijk vanmorgen ook om gaat. Voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle eerbied, godsvrucht en waardigheid. En dat is het prachtige wat hier naar voren gebracht wordt: een stil en rustig leven. Niet van rumoer en van onrust. En van revolutie. En we moeten dingen veranderen en ze doen dingen niet goed, en van handtekeningen en petities en weet ik wat allemaal.

Stil en rustig leven. Want God is degene, de Allerhoogste. En als die overheden Hem niet aanstaan... Ik kan u dit vertellen: deze boze aion gaat bijna voorbij. En dan breekt er een nieuwe aion aan en dan gaat ook de Koning der koningen zelf alles rechtzetten in deze wereld. Ik kan het me haast niet voorstellen, maar dat gaat gebeuren. En het duurt niet eens zo lang meer. Dus tot die tijd is dat het leven wat we mogen leven: een stil en rustig leven ondergeschikt aan de overheden. Nou, dat is wat ik u vanmorgen wilde laten zien vanuit Romeinen 12 en 13. En ik stel voor dat we nog een lied zingen.

🎧 De Overheden Boven Ons
Delen: