Jakobus, Petrus & Johannes
06-04-2014 - Geplaatst door Andre PietPresentatie van de GoedBericht-samenkomst gehouden op 23 maart 2014 in Zoetermeer.
In Galaten 2 lezen we dat Paulus in Jeruzalem een ontmoetting heeft met Jakobus, Kefas (=Petrus) en Johannes. Zij maken een officiële afspraak. Wat houdt die afspraak in? En wat is het enorme belang daarvan voor ons vandaag als bijbellezers?
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: Drie Pilaren in Galaten 2
- Wegwijs in de Bijbelse Bibliotheek
- Paulus' Unieke Roeping en Onafhankelijke Openbaring
- Het Evangelie van Genade Versus Religieuze Slavernij
- Onderscheid in Prediking: Evangelie van de Voorhuid en de Besnijdenis
- Jakobus, Kefas en Johannes: Hun Brieven en Specifieke Doelgroep
- De Rechterhanden Der Gemeenschap: een Heldere Taakverdeling
- Conclusie: Onze Koers en Positie in Overvloeiende Genade
Introductie: Drie Pilaren in Galaten 2 ↑ hoofdstukken
Ook van mijn kant een hele goede morgen, dames en heren, jongens en meisjes, beste vrienden. Nadat we zo al het een en ander hebben gehoord over dat geweldige design dat God in Zijn schepping heeft gelegd, wil ik u nu meenemen naar de Galatenbrief, Galaten 2. Ook daarin komen we design tegen – een ontwerp. Dat geldt overigens voor alles wat we van onze God weten en voor alles wat Hij gedaan en gesproken heeft: overal komen we dat ontwerp tegen.
Het thema, u ziet het hier, is 'drie pilaren'. Dat wordt straks vanuit de tekst vanzelf nog nader toegelicht. U ziet hier de titel: Jakobus, Kefas – een andere naam voor Petrus – en Johannes. Die drie namen komen we in dit gedeelte ook in exact die volgorde tegen. Wat is daarvan het belang?
We gaan kijken naar een deel van het relaas dat Paulus hier optekent over zijn bevindingen, over zijn eigen verleden en over de contacten die hij had met Jeruzalem en degenen die daar woonachtig waren, de twaalf apostelen. Dat wordt daar zo beschreven, maar voordat ik daar wat meer over vertel en de tekst met u ga bezien, wil ik u ook vertellen en het motief aangeven waarom dit van groot belang is.
Wegwijs in de Bijbelse Bibliotheek ↑ hoofdstukken
Kijk, als je naar een bibliotheek gaat en je wilt een specifiek boek hebben, dan is het toch wel verdraaide makkelijk dat er in die bibliotheek allerlei afdelingen en rubrieken zijn. Dat er een afdeling is voor boeken voor jongelui van, ik noem maar wat, van twee tot zes jaar en van zes tot twaalf jaar. Het zijn allemaal afdelingen. Er is een afdeling voor ruimtevaart en biologie, voor aardrijkskunde en geschiedenis; allemaal gerubriceerd. Stel je voor dat al die boeken in de bibliotheek gewoon door elkaar heen lagen en dat je bij de balie komt en zegt: "Ik wil dat boek hebben." "Ja meneer, dan moet u maar eens even door alle schappen en door al die boekenplanken die in die boekenkasten staan zomaar gaan kijken." Veel succes zou ik u wensen daarmee; dat zou ondoenlijk wezen. Dus het is geweldig dat dat inderdaad allemaal in afdelingen is onderverdeeld.
Wel, ik zal u dit vertellen: de Bijbel is ook een bibliotheek. Het woordje Bijbel heeft dezelfde oorsprong als je de etymologie, de woordelementen, terugbrengt. Bijbel en Biblos hebben alles met elkaar te maken. Dat betekent 'boeken'. De Bijbel is namelijk geen boek, de Bijbel is een verzameling boeken; feitelijk dus een bibliotheek van zeventig boeken. Over dat aantal wil ik het nu niet hebben, want dat verdient natuurlijk nog wat nadere toelichting, maar er zijn er velen die absoluut geen idee hebben waar ze moeten beginnen in die Bijbel. Als je dan zo'n bibliotheek in handen hebt van zeventig boeken — en laten we ons nu even beperken tot het Nieuwe Testament — dan heb je 27 boeken. Maar wat is nou voor jou bestemd? Waar moet je wezen, waar moet je beginnen? Verreweg het merendeel van de christenen heeft daar geen idee van.
Het geweldige is nu juist dat de Schrift zelf, die bibliotheek, zelf de aanwijzingen daarvoor geeft. Heel uitdrukkelijke instructies: waar moet je beginnen? Wie ben jij en waar moet je wezen om wegwijs te worden in die bibliotheek? Niet omdat al die boeken niet interessant zouden zijn en dat je maar bij één afdeling zou moeten wezen, nee, maar om ook te weten hoe je al die afdelingen moet plaatsen. Nou, dat vinden we in Galaten 2. Galaten 2 is een buitengewoon belangrijk Bijbelgedeelte, een belangrijke passage om wegwijs te worden in de bibliotheek die wij Bijbel noemen, of meer specifiek nog: het Nieuwe Testament.
Een heleboel mensen, ik zei het u zojuist al, een heleboel christenen hebben geen idee daarvan en die denken bijvoorbeeld dat als ze de evangeliën lezen, dat dat de woorden zijn die Jezus sprak en dat dat allemaal voor ons is. Nou, ik kan u dit vertellen: die evangeliën zelf geven al aan dat dat woorden zijn — Jezus spreekt dat zelf ook uit en op allerlei manieren wordt het bevestigd — die gericht zijn aan het huis van Israël, niet voor de natiën. Dat wil zeggen: voor de niet-Joden.
Iets soortgelijks betreft ook de rest van het Nieuwe Testament. Want we hebben vijf historische boeken. We hebben de vier evangeliën: Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes. Daarnaast heb je nog het boek Handelingen, dat ook een historisch verslag is, een soort vervolg op het evangelie naar Lukas. En daarnaast heb je dan nog 22 brieven: veertien brieven van Paulus — ik reken de Hebreeënbrief daar ook bij — en dan heb je zeven algemene brieven. Ik zal daar straks nog toelichting op geven. En ten slotte het boek Openbaring.
Maar aan wie is dat nou allemaal gericht? In Galaten 2 vinden we precies de sleutel die we nodig hebben om die deur te openen. En dat is niet zomaar een willekeurig gegeven dat daar te vinden is. Nee, daar wordt een officiële afspraak gemaakt, zelfs tussen de schrijvers van die boeken en die brieven die we in het Nieuwe Testament vinden. Zo wordt het met name genoemd. Goed, dat was even een introductie om u ook meteen te wijzen op het belang van dit onderwerp, zodat u weet wat dat Nieuwe Testament is, waar we moeten wezen en aan wie wat gericht is, voordat ik dan bij de verzen 7, 8, 9 en 10 aankom.
Paulus' Unieke Roeping en Onafhankelijke Openbaring ↑ hoofdstukken
Ik wil toch eerst even aanhaken bij vers 1. Ik zei al even dat Paulus in deze twee hoofdstukken van Galaten een persoonlijk verhaal vertelt. Hij vertelt hoe hij ooit een gigantische vijand was van die Jezus van Nazareth en de gemeente vervolgde. Op een gegeven ogenblik, hoewel hij al een geweldige carrière had gemaakt in het Jodendom en een zeer veelbelovend iemand was binnen die Joods-orthodoxe wereld, is die man van het ene op het andere moment compleet veranderd.
Hij is geroepen op de weg naar Damaskus; hij schrijft daarover in het eerste hoofdstuk. De Heer zelf, de opgewekte Christus, is aan Paulus verschenen. Hij die op de derde dag verrezen is, maar zich na veertig dagen definitief — tussen aanhalingstekens — onttrokken heeft aan het oog en nu daar is, verscheen aan hem. Hij was toen nog Saulus en kreeg vervolgens de naam Paulus. Wat hij in deze twee hoofdstukken uiteenzet, en dat is de grote rode draad door dat hele verhaal dat loopt tot en met hoofdstuk 2 vers 14, is dat hij een boodschap rechtstreeks heeft gekregen. Niet van een mens en ook niet van hen die voor hem al apostelen waren in Jeruzalem. Hij heeft het niet van hen vernomen.
Hij benadrukt en laat in zijn verhaal zien dat hij ook niet naar Jeruzalem is gegaan toen hij door de Heer geroepen werd. Integendeel, het heeft nog jaren geduurd voordat hij daar voor het eerst een keer kwam. En toen hij in Jeruzalem kwam, ging hij niet eerst contact zoeken met de apostelen om vooral hun goedkeuring te krijgen. Helemaal niets. Hij is twee weken bij Petrus geweest, maar vooral om zijn verhaal te vertellen en niet om door Petrus geïnstrueerd te worden. Dat vertelt hij allemaal in dat eerste hoofdstuk.
Dan lees je dat hij zegt: daarna ging ik na verloop van veertien jaar — dat wil zeggen nadat hij dat eerstgenoemde bezoek aan Jeruzalem had afgelegd — weder naar Jeruzalem. Dat heeft dus nog een hele tijd geduurd. Paulus kwam ook niet zo graag in Jeruzalem, want dat was allemaal wat moeizaam. De boodschap die hij van God had ontvangen, was feitelijk een update na hele grote veranderingen in de geschiedenis. Hij heeft dingen vernomen die zo uniek waren en die in veel opzichten haaks stonden op wat die collega-apostelen vertelden.
Hij zegt: daarna ging ik na een verloop van veertien jaar opnieuw weder naar Jeruzalem met Barnabas, zijn medearbeider, en nam ook Titus mee. Titus was een Goi, een heiden, een niet-Jood. Paulus ging op grond van een openbaring. Dat wil zeggen: hij werd niet geroepen door Jeruzalem en het was geen opdracht. Nee, de Heer zelf had hem dat bekendgemaakt. Hij legt daar in Jeruzalem het evangelie voor, het goede bericht dat hij onder de natiën verkondigt. Met andere woorden, hij bracht een boodschap en hij heeft hen verteld wat dat voor een boodschap was. Dat was niet hetzelfde als wat die twaalf vertelden. Die twaalf richtten zich immers helemaal niet tot de natiën; die twaalf richtten zich tot de besnijdenis. Maar daarover straks meer.
Hij vertelde dit afzonderlijk aan hen die in aanzien waren, opdat hij niet vruchteloos liep of gelopen had. Hij heeft het in het bijzonder speciaal verteld aan degenen die daar vooraanstaand waren, de leiders. Meer specifiek zou je daarbij aan de twaalf kunnen denken. Maar zelfs Titus die bij hem was, werd, ofschoon hij een Griek was, toch niet gedwongen zich te laten besnijden.
Dat is de achtergrond van deze brief aan de Galaten. Galatië was een landstreek in het huidige Turkije waar Ecclesia’s waren, gemeenschappen die ontstaan waren door de boodschap die Paulus daar had verteld. Nu waren daar leraren binnengeslopen — want zulke taal gebruikt Paulus — die hen vertelden dat zij de Joodse gebruiken moesten onderhouden; dan zouden zij op een hoger niveau komen. Je kunt wel gelovig zijn en geloven dat Jezus de opgewekte Christus is, maar als je werkelijk verder wilt komen, zo zeiden zij, dan zou je je ook moeten voegen naar de Joodse gebruiken en de sabbat en de dagen moeten onderhouden die de Joden kennen. En ook, als het even kan, besneden worden.
Zulke gedachten leefden heel sterk, maar zij wisten: dat is niet aan de orde. Een mens wordt gerechtvaardigd — dat was de duidelijke boodschap, ook van de twaalf — en is een rechtvaardige in de ogen van God, niet door bepaalde gebruiken, maar door het geloof alleen. Door zijn hand te leggen op dat wat God in genade geeft. Zelfs Titus die bij hem was, hoewel hij een Griek was, werd dus niet gedwongen zich te laten besnijden. Paulus schrijft dat met het oog op die binnengedrongen valse broeders; lieden die waren binnengeslopen om onze vrijheid die wij in Christus Jezus hebben te bespieden en ons zo tot slavernij te brengen.
Het Evangelie van Genade Versus Religieuze Slavernij ↑ hoofdstukken
De grote ellende, altijd weer in de hele kerkgeschiedenis, is dat het Evangelie – het goede bericht dat Christus Jezus de Redder van deze wereld is, puur om niet, en dat een mens in Hem gerechtvaardigd wordt en is – altijd weer vermengd wordt met religie. Je moet je onderwerpen aan bepaalde rituelen, en dat kan van alles zijn. Je moet je voegen bij een bepaald genootschap, je voegen bij bepaalde gedragingen, bepaalde kledij, bepaalde dagen onderhouden of een bepaald ritueel ondergaan. Of dat nu de besnijdenis is, een paar druppels water of een heel compleet bad. Het zijn allemaal rituelen, allemaal godsdienst, religie. De varianten daartussen zijn gigantisch, maar het is allemaal religie.
Het Evangelie staat echter haaks op religie en rituelen. In het Evangelie hebben wij vrijheid in Hem. Dat is waar Paulus ook in deze brief pal voor staat: we zijn vrij in Christus Jezus. Christus Jezus is typisch ook die term die te maken heeft met Hem die is opgestaan uit de doden. Hij is de Christus, de Mashiach, en nu onttrokken aan het oog. Het is de term die juist de apostel Paulus gebruikt; juist alleen de apostel Paulus gebruikt die. In Hem hebben we vrijheid.
Altijd weer zijn er mensen, bewegingen en invloeden die ons die vrijheid misgunnen, die vrijheid weer terzijde stellen en ons zo tot slavernij willen brengen, want dat is het uiteindelijke resultaat. Paulus zegt dan – ik wilde er wat sneller doorheen gaan om bij mijn eigenlijke punt te komen: "Wij zijn voor hen, voor degenen die dat zo naar voren brachten en die naar binnen geslopen waren om die vrijheid te bespieden, geen ogenblik gedwee uit de weg gegaan." Het ging om de waarheid van het Evangelie, kijk maar: "opdat de waarheid van het Evangelie ook verder bij u zou blijven."
Paulus was in veel opzichten bijzonder inschikkelijk. Maar als het gaat om de waarheid van dat bericht dat hij door had gegeven en waarom het Evangelie werkelijk een goed bericht is, week hij niet. Dat goede bericht is dat het helemaal los staat van menselijke activiteiten en van menselijke inbreng. Daar kan niks aan afgedaan worden en daar kan niks aan toegedaan worden. Religie is alleen maar een vreselijke verdraaiing van de waarheid. Daarom zegt Paulus: "opdat de waarheid van het Evangelie verder bij u zou blijven." Dat was het punt in dat geschil, en vandaar ook dat hij geen ogenblik gedwee uit de weg ging.
Het is een geweldige houding die Paulus hier aan de dag legt. Hoe gemakkelijk is het niet omwille van de lieve vrede toe te geven? Het ging hier nota bene ook over christenen. Maar ik zal u dit vertellen: wat in Galatië gebeurde in die landstreken, de geluiden die daar gehoord werden en wat daar sluipenderwijs gepredikt werd – wat Paulus zo duidelijk aankaart in de Galatenbrief – dat is inmiddels in de christenheid gemeengoed geworden. Meer gemeen dan goed natuurlijk. Heel de christenheid is vergeven van de gedachten die in Galatië geopperd werden. Paulus had er korte metten mee gemaakt en zei: "De waarheid van het Evangelie is in het geding." Hij zegt zelfs dat wat bij hen verteld wordt, geen Evangelie is.
En dan te bedenken dat die boodschap uit Galatië vandaag de dag overal in de christenheid verteld wordt. Zodat, als je het werkelijke Evangelie gelooft, je daarin geen plaats hebt. Dat is heel zwart-wit: daar heb je niets te zoeken, omdat het er zo haaks op staat. Het gaat erom dat de waarheid van het Evangelie ook verder bij u zou blijven.
Maar, zegt Paulus dan: "Maar wat hen betreft die in zeker aanzien waren..." Dan gaat het over de twaalf. U ziet hier een bekend plaatje; ik zet het er even bij om dat aan te geven. Dat waren de twaalf die in vroeger dagen jarenlang met Jezus waren opgetrokken en door Hem onderwezen waren. Hij zegt erbij: "Wat zij vroeger geweest mogen zijn, doet er voor mij niets toe: God ziet de persoon niet aan." Ze mogen misschien opgeleid zijn en een status van aanzien hebben, de twaalf, en Paulus zegt dat helemaal niet denigrerend. Maar hij geeft ermee aan dat de boodschap die hij bracht – en die hij van God Zelf had ontvangen of van Christus Jezus, want zo is het eigenlijk als ik het correct zeg – verheven is. Het is hem rechtstreeks vanuit de hemel geopenbaard. Als het daarom gaat, dan doet het er voor hem niet toe wat voor status of reputatie die twaalf hadden. Hij zegt: "Mij immers hebben zij die in aanzien waren verder niets opgelegd."
Die twaalf wisten: die Paulus is inderdaad geroepen door Christus Jezus. Ze hebben moeite met hem gehad, heel veel moeite. Petrus zegt het later in zijn tweede brief ook aan het einde van zijn leven: "Onze geliefde broeder Paulus", maar hij geeft ook aan dat zijn geschriften zwaar zijn om te verstaan. Hij heeft er veel moeite mee gehad, en dat gold ook voor die andere apostelen. Dat komt omdat Paulus' boodschap zo uniek is. Ook dat zijn vaak hele onbekende dingen. Men mengt het altijd maar, men mixt alles tot één geheel, maar dat kan helemaal niet. Weet je wat je dan overhoudt? Iets kleurloos. Bovendien zie je dan ook niet meer waar het werkelijk om gaat.
In ieder geval hebben die twaalf die in aanzien waren, Paulus niets opgelegd. Ze wisten – hoeveel moeite ze ook met hem hadden, en vice versa – dat Paulus inderdaad geroepen was en dat de boodschap die hij brengt de waarheid is. Maar, zegt hij dan – laten we nu wat preciezer kijken: "Maar integendeel..." Toen zij zagen... dat wil zeggen, het gaat erom dat die twaalf hem niets hebben opgelegd.
Onderscheid in Prediking: Evangelie van de Voorhuid en de Besnijdenis ↑ hoofdstukken
Integendeel, toen zij zagen dat mij de prediking van het evangelie aan de onbesnedenen toevertrouwd was... Dan moeten we even goed inzoomen en de puntjes op de i zetten. Want zo zegt hij het niet; ja, in de vertaling wel, maar er staat letterlijk – en ik zal het u laten zien, ik heb expres die interlineaire weergave daaronder gezet – dat er wordt gesproken over het evangelie van de voorhuid. Let vooral op die tweede regel; dat is de meest letterlijke weergave van wat er staat. 'Van de voorhuid' is een beetje een technische term, maar het betekent de onbesnedenen. Degenen die besneden zijn, hebben immers geen voorhuid meer. Dit was de Joodse aanduiding voor niet-Joden: de voorhuid. Het is misschien een beetje raar om dat zo te zeggen, maar ik kan het ook niet helpen; zo werd dat beschreven. Je leest dat David het over Goliath had als 'die onbesneden Filistijn'.
Aan Paulus was het evangelie, het goede bericht van de voorhuiden, toevertrouwd. Dat hadden zij gezien en waargenomen. Het gaat hier niet over een bepaalde adressering, dus niet het evangelie 'aan', maar 'van'. Aan Paulus is een blijde boodschap toevertrouwd, en welke blijde boodschap is dat? Die van de voorhuizen. Het evangelie dat hij bracht was dus anders. Geen ánder evangelie, maar het wás anders dan dat van de twaalf. Ik zal het u straks ook laten zien in dezelfde zin: aan Paulus was het evangelie van de voorhuid toevertrouwd. U zult het straks echt zwart op wit zien. De twaalf in het algemeen, en Petrus die daar een vooraanstaande rol speelde, predikten het evangelie van de besnijdenis. Aan de ene kant heb je dus het evangelie van de voorhuid dat aan Paulus was toevertrouwd, en aan de andere kant het evangelie van de besnijdenis dat aan de twaalf was toevertrouwd.
Vergis u niet, daar gaat de Bijbel voor een groot gedeelte over: over de enorme voorrechten die God heeft gegeven aan de besnijdenis, aan het volk van Israël waarmee Hij een verbond sloot en waarvan de besnijdenis de bezegeling is. Paulus vraagt in de Romeinenbrief, in Romeinen 3 vers 1: "Wat is dan het voordeel van de besnijdenis?" Dan zegt hij: "Velerlei! Immers, in de eerste plaats toch dit: aan hen zijn de woorden Gods toevertrouwd." God had een geweldige toekomst voor dat volk weggelegd, en die heeft Hij nog steeds. Via dat volk gaat God de hele wereld zegenen. Als straks het vrederijk gaat aanbreken, dan is Israël het hoofd van de natiën en zal Jeruzalem de hoofdstad van de wereld zijn. Dat hoort allemaal bij de besnijdenis. God heeft dat volk van de besnijdenis geweldige voorrechten gegeven. Welnu, de twaalf – Petrus, Jakobus, Johannes en de anderen – hebben die boodschap gebracht: de geweldige voorrechten die aan dat volk gegeven waren. Die twaalf gingen ook helemaal niet naar de natiën toe. Hier en daar hoorde een vreemdeling in de poorten, zoals Cornelius, de boodschap wel, maar dat was op zich niets bijzonders. Het kwam echter niet in hun hoofd op om naar de heidenen toe te gaan. Als het dan een keer gebeurt, dan is dat wereldschokkend; leest u het maar na in het boek Handelingen. Nee, die twaalf waren geroepen om Israël bekend te maken met de opgewekte Messias, opdat zij tot geloof zouden komen in Hem die gekomen was als de vervulling van alle Messiaanse profetieën. Als Israël dan tot geloof zou komen, zou het vrederijk aanbreken. Dat was het evangelie van de besnijdenis.
Maar bij Paulus was dat niet zo. Paulus had een evangelie van de voorhuid. Niet de voorrechten van de besnijdenis, maar het voorrecht om een heiden te zijn. En dat lag moeilijk, want dat staat er haaks op. Want wie is er dan bevoorrecht? Kijk, Paulus werd ook veel later geroepen. De Heer heeft hier op aarde die twaalf uitgekozen en hen ook na Zijn opstanding geïnstrueerd. Hij is ten hemel gevaren en de twaalf hebben dat evangelie gebracht. Maar u weet hoe het gegaan is in het boek Handelingen: Israël wilde er niet aan. Toen Stefanus in Jeruzalem werd gestenigd en het Sanhedrin, de officiële Joodse Raad, de boodschap van de twaalf en van Stefanus verwierp, kwam Paulus in het vizier. Wat ik ermee wil zeggen, is dat aan Paulus toen werd bekendgemaakt dat Israël terzijde wordt gesteld en dat de boodschap nu van Israël naar de natiën gaat. Dat is een nieuwe ontwikkeling. Dat heeft alles te maken met het evangelie van de onbesnedenen of van de voorhuid. Let vooral op dat 'van de'. Het woordje 'aan' moet je echt doorkruisen, want dat staat er niet.
Zoals aan Paulus het evangelie van de voorhuid was toevertrouwd, zo was aan Petrus – die model staat voor de twaalf – het evangelie van de besnijdenis toevertrouwd. Je hebt hier dus twee boodschappen, twee evangeliën. Het ene is het evangelie van de voorhuid (Paulus) en het andere is het evangelie van de besnijdenis (Petrus als representant van de twaalf). Alom wordt verteld dat dit allemaal hetzelfde is, maar dat is niet waar. Hier staat het zelfs heel uitdrukkelijk: aan Paulus was dit evangelie en aan Petrus dat evangelie toevertrouwd. Het was weliswaar allebei van dezelfde Heer, maar Paulus was de laatstgeroepene. Hij bracht wat ik een 'update' noemde, om daarmee aan te geven dat het was naar aanleiding van een hele nieuwe ontwikkeling. Israël was terzijde gesteld en nu ging de boodschap naar de natiën; Israël stond inderdaad buiten spel. Dat was een nieuwe ontwikkeling en toen heeft God via Paulus een geweldig evangelie gebracht. Niet alleen dat de boodschap nu naar de natiën ging, maar ook dat het allemaal genade is en dat God zich vandaag een gemeente verzamelt die het lichaam van Christus is. Dat vind je niet bij de twaalf, echt niet. Wel bij Paulus. Dan moet je geen staafmixer pakken om die beide dingen bij elkaar te gooien en te mixen tot het één geheel wordt. Nee, je moet onderscheiden wat de Schrift daarin onderscheidt.
Lees even verder in vers 8: "Immers Hij die Petrus kracht gaf om apostel te zijn van de besnijdenis..." Ja, ik heb er een plaatje bij gedaan om aan te geven hoe de christenheid compleet het spoor bijster is geraakt. Want wie is Petrus nu voor miljoenen, voor bijna een miljard mensen? Is hij de apostel van de besnijdenis? Daar hebben ze geen idee van! Voor hen is Petrus de eerste paus in Rome. Dat is trouwens nog een verhaal apart, maar daar zullen we het verder niet over hebben. Het gaat erom dat men denkt dat Petrus de representant was, de eerste paus in Rome van de wereldkerk. Nou, dat kun je echt wel op je buik schrijven en met je hemd weer afvegen. Want Petrus is niet de eerste paus van de wereldkerk; hij was de apostel, een afgevaardigde van de besnijdenis. Hij hoort bij Israël. Het evangelie van the besnijdenis was aan hem toevertrouwd. Hij was een apostel van de besnijdenis. Dit hele verhaal is pure misleiding; men denkt dat Petrus te maken heeft met de heidenkerk, maar dat is juist niet zo. Hij is een apostel van de besnijdenis en de Heer had hem daar ooit toe geroepen. Inderdaad, na verloop van tijd, toen Paulus was geroepen, lag de situatie er anders bij.
Er waren nieuwe ontwikkelingen, daar spreekt Paulus over, maar Paulus geeft hem alle credits. Hij was geroepen voor... Petrus dus was geroepen voor de besnijdenis. Die roeping had hij, volkomen terecht, en de Heer had hem daartoe ook de kracht gegeven. Hij die Petrus' kracht gaf om apostel te zijn van de besnijdenis, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen. Dat wil zeggen: voor de natiën.
Petrus' boodschap was beperkt, in die zin: voor de besnijdenis. Die van Paulus was voor de natiën in het algemeen. Die kende die beperking niet. Inclusief de Joden trouwens, want 'de natiën' zijn hier niet alleen maar de niet-Joden; het betekent gewoon voor de natiën. Het kende niet een beperking van mensen. Paulus’ boodschap is universeel; het werk van Petrus heeft te maken met de besnijdenis.
Nou, Paulus refereert dus aan die ontmoeting die hij had daar in Jeruzalem met Petrus. En dan staat er: de twaalf, zij die daar in aanzien waren. En toen zij — onder leiding met name dan van Petrus — toen zij de genade die mij geschonken was opmerkten, letterlijk 'kennende de genade', dat hadden ze heel goed onderkend. Dat wat hem was toevertrouwd.
En dat woord 'genade' is natuurlijk... ik heb het nu in kleine letters, maar ik zou het eigenlijk met vette letters, in kapitaalletters moeten weergeven, omdat dat nou precies het karakteristieke is van Paulus’ boodschap. Genade die overvloeiend is. Natuurlijk, Petrus spreekt ook over genade, maar dat van Paulus is overvloeiend. En ook zo hoog, hemelhoog.
Het is heel opmerkelijk natuurlijk en heel bijzonder. Paulus, de wijze waarop hij geroepen is, is al heel karakteristiek voor zijn hele bediening. Hij is geroepen vanuit de hemel. Zijn boodschap is daarmee ook hemels. En de boodschap die hij brengt voor de gemeente, die ook al een waarheid is die aan hem was geopend, heeft ook te maken met de hemel. Niet met de aarde, maar met de hemel. Hij is geroepen buiten het land, niet in Israël, nee, maar op weg naar Damaskus, buiten het land Israël. Dus allemaal karakteristiek voor zijn boodschap.
Zij hebben dat onderkend, die twaalf wisten dat. En toen zij de genade die mij geschonken was opmerkten, onderkenden... reikten Jakobus, Kefas en Johannes. En hier hebt u dus de titel van deze toespraak, van deze Bijbelstudie.
Jakobus, Kefas en Johannes: Hun Brieven en Specifieke Doelgroep ↑ hoofdstukken
Hier vind je ze alle drie op een rij en wat valt hier nou in op? Als je een klein beetje het weten hebt van het Nieuwe Testament, wat zie je dan aan dit rijtje? Zo hebben wij ook de brieven van het Nieuwe Testament in die volgorde in ons Bijbeltje. Trouwens, ik moet erbij zeggen — maar dat is nu even niet specifiek aan de orde, dus ik laat dat even parkeren, ik wil het er alleen even bij gezegd hebben — dat in de oorspronkelijke manuscripten deze brieven van Jakobus, Petrus en Johannes niet na de brieven van Paulus staan, maar voor de brieven van Paulus. Ze volgen direct op het boek Handelingen. Waarvan akte, maar voor de rest laat ik het nu even bij deze ene opmerking.
Het punt is dat deze geschriften van Jakobus, Kefas (dus Petrus) en Johannes, die vinden we op deze wijze ook in die volgorde in de Bijbel. Waarom? Het herinnert aan deze afspraak. En Petrus was de representant, maar deze drie namen, die zijn natuurlijk zoals het hier ook staat: die golden voor steunpilaren. Ze golden al voor pilaren daar in Jeruzalem. Zij waren de voornaamste onder de twaalf ook. Wel, Paulus heeft een ontmoeting met hen gehad. En Jakobus, Kefas en Johannes; anders worden ze hier zo heerlijk genoemd.
En Jakobus, u kent hem wel hè? Je hebt verschillende Jakobussen. Ik wil het niet ingewikkeld maken vanmorgen, maar je had een Jakobus, dat was dan de broer van Johannes. Wel, die was al vroeg in de geschiedenis — dat lees je ook in het boek Handelingen — terechtgesteld. En er is een andere... deze Jakobus is een broer van Jezus. Een halfbroer dus eigenlijk. Je vindt dat ook in hoofdstuk 1: Jakobus de broeder des Heren. Wel, die man was een zeer prominent man in Jeruzalem. Hij was eigenlijk de leider daar ook. Van hem hebben we een brief in het Nieuwe Testament, maar de meeste mensen hebben totaal niet in de gaten aan wie hij die brief richt, terwijl het zo duidelijk is als je de hele brief leest. Maar het begin zou je niet moeten ontgaan, want in de adressering, Jakobus 1 vers 1, staat het er gewoon zo duidelijk. En mensen begrijpen dat niet, ze lezen eroverheen of ze negeren het, dat is verder niet van belang. Maar wat zegt Jakobus? Hij richt zijn brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing. Jakobus; zijn naam staat eigenlijk al voor... het was immers ooit de stamvader van de twaalf stammen. Nou, Jakobus richt zich tot de twaalf, niet tot de kerk — wat dat dan ook zijn moge. Nee, hij richt zijn brief tot de twaalf.
Dan Petrus. Kefas dus. Kefas is het Aramees voor rots en Petrus is het Grieks voor rots. Dus Kefas en Petrus is gewoon exact dezelfde naam. Ze worden hier ook door elkaar gebruikt. De een is Aramees, de ander is Grieks. Maar Kefas, die heeft ons ook twee brieven achtergelaten: de beide Petrusbrieven. En hoe is het met Petrus? Ook Petrus richt zich tot degenen die in de Joodse diaspora waren. Zo zegt hij dat ook in 1 Petrus 1 vers 7. Meteen de adressering is al volstrekt helder. En dan heb ik het nog niet eens over de inhoud waarin dat voortdurend ook bevestigd wordt. Maar Petrus richt zich tot de besnijdenis. We zagen het zojuist toch ook? Dat Petrus zich richt tot de besnijdenis; hij is een apostel van de besnijdenis, aan hem was het evangelie van de besnijdenis toevertrouwd. Wel, in zijn brieven zie je dat dus ook bevestigd.
En dan de derde naam: Johannes. Van hem hebben we niet alleen het evangelie naar Johannes, we hebben bovendien ook nog eens de drie brieven — 1 Johannes, 2 Johannes, 3 Johannes — en ook nog eens het boek de Openbaring. Waarin trouwens ook allerlei brieven aan de ecclesia's staan, maar dat zijn ook Joodse gemeenschappen. Het is zo doorademd van de adressering van de besnijdenis als je deze geschriften leest. En als je niet begrijpt dat dat gericht is aan de besnijdenis, ik kan u dit vertellen: dan begrijp je er geen bal van. Dat is ABC. En dat wordt hier ook zo afgesproken. Het was de broederhand.
De Rechterhanden Der Gemeenschap: een Heldere Taakverdeling ↑ hoofdstukken
De rechterhanden der gemeenschap worden gereikt om een afspraak te bezegelen. Zij vormden een eenheid. Ik geloof inderdaad dat Jakobus, Petrus en Johannes wel degelijk ook tot dat Lichaam van Christus behoorden, maar daar wisten zij op dat moment verder niets van. Ik zal u een paar voorbeelden geven dat ze ook inderdaad één gemeenschap vormden. Je leest in Efeze 2 vers 20 dat de Ecclesia vandaag gebouwd is op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. Als je die Ecclesia voorstelt als een tempel of een huis, dan is dat gebouwd en begonnen bij Christus Jezus, die opstond uit de dood en de verheerlijkte Heer is. Vervolgens is dat fundament gelegd van de apostelen en de profeten. Bij die profeten gaat het hier niet over de profeten van het Oude Testament, maar over de profeten die volgden op de apostelen; zij die het woord van God doorgaven.
In 1 Korinthe 12 vers 28 — we hebben het daar de laatste keer bij de bespreking van de Korinthebrief in Bodegraven juist over gehad — lees je dat God sommigen heeft aangesteld in de Ecclesia, en dan zegt hij: ten eerste apostelen. De apostelen zijn degenen die als eerste in die gemeente geplaatst zijn, een gemeente waarvan pas Paulus melding maakt. Jakobus, Petrus en Johannes wisten daar nog niets van; zij spreken over de besnijdenis. Maar Paulus maakt bekend dat God als eerste de apostelen in die Ecclesia heeft geplaatst. Van die apostelen was Paulus de laatste, dat wil zeggen: de laatste in volgorde die geroepen werd. Hij heeft de hoogste boodschap, dat weer wel.
Het is dus geen tegenstelling in die zin dat Jakobus, Petrus en Johannes niets van doen hadden met Paulus. Integendeel, ze hebben elkaar de rechterhanden der gemeenschap gegeven om te ondersteunen dat zij één gemeenschap vormden. Ze vormden een eenheid. Maar wat hebben zij nu precies afgesproken? De rechterhand hebben zij elkaar gegeven en dan wordt er dit gezegd: wij tot-in de natiën. Dat is haast in telegramstijl geformuleerd, zoals dat ook bij een duidelijke afspraak moet. Paulus zou met het evangelie van de voorhuid en met zijn medewerker Barnabas naar de natiën gaan, en zij — Jakobus, Kefas en Johannes — zij zouden echter gaan tot-in de besnijdenis. Zo staat het er. 'Loud and clear', luid en duidelijk.
Zodat, als je het Nieuwe Testament leest en je komt in die bibliotheek, ons hiermee meteen de richting wordt gewezen. Als u bij de natiën behoort — en wij weten dat God in deze tegenwoordige tijd geen onderscheid maakt tussen Jood en Griek; dat verschil speelt nu totaal geen rol — dan oriënteren wij ons op de brieven van Paulus. Straks in de toekomst gaan die brieven van Jakobus, Petrus en Johannes weer een grote rol spelen. Wij richten ons nu op Paulus, omdat dat juist gaat over wat God in deze tegenwoordige tijd doet. Hij roept zich een volk uit de natiën zonder onderscheid. De twee zijn één gemaakt en het verschil tussen besnijdenis en onbesnedenheid speelt geen enkele rol. Vandaag vormt God zich een gemeente met een hemelse bestemming, dus wij moeten bij Paulus wezen; hij spreekt daarover.
Jakobus, Petrus en Johannes hebben een boodschap die bestemd is voor — pardon, nu zou ik bijna zelf die fout begaan — zij richten zich tot de besnijdenis, tot Israël. Dat is zo belangrijk en in die brieven wordt dat voortdurend bevestigd. En weet u hoe ze die brieven dan noemen? Dat is ontstellend. Ze noemen dat de 'katholieke brieven'. Ik heb een boekje in de kast staan, uitgegeven door de EO, en dat gaat dan over de katholieke brieven. Dat zijn de brieven van Jakobus, Petrus en Johannes, met Judas erbij. 'Katholiek' betekent hier 'algemeen', in de zin dat ze geen speciale adressering zouden hebben. Forget it, denk ik dan. Die hebben juist een heel speciale adressering, namelijk heel specifiek aan de besnijdenis.
Het is droevig hoe mensen om de tuin geleid worden. In dat boekje waar ik zojuist aan refereerde, heeft het eerste hoofdstuk als kopje met een vraagteken: 'Aan de besnijdenis of voor de besnedenen?'. De schrijver gaat op deze passage in en zegt dat de afspraak volstrekt helder is, maar vervolgens schrijft hij: 'Toch zou ik niet durven zeggen dat de brieven van Jakobus, Petrus en Johannes gericht zijn aan de besnijdenis. Onmogelijk!' Ja, hoe een mens ziende blind kan zijn. De afspraak is volstrekt helder. Wij kunnen die brieven bestuderen en ik vind het geweldig om me ermee bezig te houden, maar begrijp hun adressering. Kijk naar aan wie het gericht is en denk aan de afspraak. Denk aan de bewegwijzering in de bibliotheek, anders verdwaal je echt. Gooi het niet door elkaar. Het zijn onderscheiden boodschappen, onderscheiden goede berichten. Natuurlijk hebben ze allebei hun plaats. Het een is niet inferieur aan het andere, hoewel daarover te discussiëren valt. Je kunt natuurlijk zeggen dat wat Paulus brengt alles overtreft, dat is waar. Maar dat is niet omdat het andere van geen waarde zou zijn. Absoluut niet.
Conclusie: Onze Koers en Positie in Overvloeiende Genade ↑ hoofdstukken
Om het even in een plaatje samen te vatten: Paulus wijst ons de weg, terwijl Jakobus, Petrus en Johannes gericht zijn aan de besnijdenis. Dat is van eminent belang voor het verstaan van de Schrift. Wellicht dat een aantal van u, of velen van u, dit alles al eens eerder heeft gehoord, maar juist omdat dit in de christenheid zo enorm onbekend is, worden deze dingen met voeten getreden en vertrapt. Deze waarheid is volkomen helder, maar men weet er geen weg mee, met als gevolg dat men niet verstaat waar het werkelijk om gaat.
Wij horen ons nu te oriënteren in deze tegenwoordige tijd, hoewel de hele Schrift voor ons is en ook ter inzage ligt. We lezen Jakobus, we lezen Petrus, we lezen de Johannesbrieven en het boek de Openbaring; het staat ons allemaal ten dienste. Maar Paulus is specifiek voor ons.
Ik hoop dat in ieder geval één ding helder is, zeker als u hier voor het eerst bent en wellicht nog niet alles begrijpt. Dat maakt niet uit. Als er maar één ding helder is: dat wat Paulus schrijft over genade – schrijf dat maar met hoofdletters – overtreffend is voor iedereen. Daar kun je niets aan afdoen en niets aan toevoegen. Dat is voor ons vandaag, in deze tijd. De brieven van Jakobus, Petrus en Johannes zijn daarentegen voor de besnijdenis. Laten we het daar voor deze ochtend bij houden. Dan zingen we nu nog een lied.
UltimateGoodNews