toegerust voor de laatste dagen 3
10-05-2025 - Geplaatst door Andre Pietzaterdagavond 10 mei 2025, Maarn
Als alles beweegt en in verwarring is en de christenheid volledig op drift is geraakt, waar kun je dan van op aan? Uitsluitend op het fundament van God dat ongeschokt staat en blijft staan. Terwijl het in de laatste dagen pikdonker is, schijnt tegelijkertijd het licht van Schriften helderder dan ooit!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie en Terugblik op het Religieuze Verval
- Paulus' Zorg voor de Geschriften en Zijn Bibliotheek
- De Codexvorm: Technologie Ten Dienste van het Woord
- Blijf bij Wat Je Leerde uit de Heilige Schriften
- Het Geloof Dat in Christus Jezus Is
- Alle Geschriften Zijn van God Ingeblazen
- Het Nut van de Schrift: Onderwijzen, Weerleggen en Opvoeden
- De Mens Gods Volkomen Toegerust in de Laatste Dagen
Introductie en Terugblik op het Religieuze Verval ↑ hoofdstukken
En dit is dan de derde studie onder het thema 'Toegerust voor de laatste dagen'. In zekere zin is dit ook een centrale studie – sowieso is het een centrale studie, want het is de middelste van de vijf. En dat klopt ook wel, want waar we het vanavond over gaan hebben en waar ik u bij wil bepalen, is het grote ankerpunt in de laatste dagen. Dat is ook de rode draad die juist door de brief loopt die Paulus aan het einde van zijn leven aan Timotheüs heeft geschreven. Die rode draad loopt door de hele brief heen: "de mens Gods volkomen toegerust". U zult later in deze bijeenkomst vanzelf zien dat deze frase direct ontleend is aan de brief zelf, aan het slot van hoofdstuk 3.
Laat ik nog even kort resumeren waar we het over gehad hebben. We hadden het aanvankelijk over de 'latere tijden'. Dat is het thema van de eerste brief, waarin Paulus aankondigde hoe het in de christenheid in latere tijden zou gaan verlopen. Dat zou een neergaand proces zijn, een neerdalende lijn waarbij het bergafwaarts gaat met alles wat zich schaart onder de noemer 'christen'. Iemand noemt zich christen en vernoemt zich naar Christus, maar dat staat in schril contrast met de geweldige boodschap van het evangelie, dat zo hoopvol is. Paulus spreekt over dat wat aan de mens is toevertrouwd en wat de mens ervan maakt. Dat is eigenlijk heel karakteristiek. Het is geweldig wat God doet; dat is immers het goede bericht. Dat spreekt alleen maar van wie Hij is en wat Hij doet, heeft gedaan en zal doen. Daar kan nooit iets misgaan. Maar als die boodschap wordt toevertrouwd aan de mens, dan zie je wat je eigenlijk altijd aantreft in de Bijbel: God geeft iets aan de mens, en de mens zou de mens niet zijn als hij het niet wist te verprutsen. Dat blijkt ook inderdaad in de christenheid, en Paulus laat zien dat dit geen fout in het design is; zo moet het ook gaan.
Het zou gaan van afwijking naar verval. Dat wil zeggen: eigenlijk was dat al ingezet in de dagen van Paulus zelf, in die eerste generatie. In latere tijden zou dat officieel zijn beslag krijgen door besluiten van concilies en dergelijke. Uiteindelijk eindigt het in een totaal verval, zoals we daar gisteravond over hebben gesproken aan de hand van 2 Timotheüs 3. Daar beschrijft Paulus de mensheid die een schijn van godsvrucht heeft. Hij verwijst hiermee heel uitdrukkelijk naar de religieuze wereld, en meer specifiek naar de christelijk-religieuze wereld. Die is eigenlijk compleet vervallen in het heidendom waar het ooit mee begonnen is en waar de natiën ooit uit voortgekomen zijn.
Vanmorgen hebben we ons met name beziggehouden met het tweede hoofdstuk – althans, niet het hele hoofdstuk – waarin Paulus heel specifieke instructies geeft aan één iemand. Het is immers een persoonlijke brief. Paulus schrijft dit aan het einde van zijn leven, in zijn laatste fase, en hij spreekt over de laatste fase van de christenheid. Daarin spreekt hij de enkeling aan. Vandaar ook die telkens terugkerende woorden: "Maar jij...". Tegenover de hele neergang en het massale afwijken van het Woord spreekt hij geen grote groepen, gemeenten of organisaties meer aan. Nee, hij richt zich tot Timotheüs, zijn naaste medewerker: "Maar jij...". Hij rust hem toe met zeer belangwekkende instructies.
Hij wordt vooral gewezen op wat blijft staan. Ongeschokt staat het fundament Gods, namelijk dat wat God gesproken heeft. Dat heeft een goddelijke kant: Hij kent de Zijnen. Hij weet dat wel, ook al zien wij in de mist niet meer precies wat waar is en wat niet, of kunnen wij dat als mensen in elk geval niet meer onderscheiden. Dat blijft onveranderlijk waar.
De menselijke kant van dat zegel, van de inscriptie op dat fundament Gods, is: "Sta af van de onrechtvaardigheid." We hebben gezien dat die onrechtvaardigheid in 2 Timotheüs vooral betekent: sta af van de religieuze afval en de religieuze wereld. Neem daar afstand van. Je moet zorgen dat je daarbuiten staat, zodat je zelf in de vrijheid bent, maar bovendien ook niet geassocieerd wordt met de vermengde en vervalste boodschap die daar gepredikt wordt. Maak duidelijk dat je daar niet bij hoort. Dat distantiëren was eigenlijk de kern van vanmorgen: "Maar jij...". Daar gaan we nu op verder, en dat zullen we meteen zien in de eerste woorden van 2 Timotheüs 3 die we nu gaan lezen.
Paulus' Zorg voor de Geschriften en Zijn Bibliotheek ↑ hoofdstukken
Maar jij... en ja, we gaan het hebben over dat fundament Gods. En wel over dat wat Hij gesproken heeft, en meer nog, wat Hij ook heeft laten optekenen. Het is niet alleen maar verbaal doorgegeven in die tijd, want dan zouden wij er in de 21ste eeuw helemaal niets meer aan hebben. Tenzij men toentertijd geluidsbanden zou hebben gehad om het vast te leggen, maar dat waren technieken die men in die dagen nog niet kende. Nee, het is op schrift gesteld; wie schrijft, die blijft. Dat is algemeen al zo, en Gods Woord is inderdaad vastgelegd in de Schriften.
Daar gaat deze brief in het bijzonder ook over: over het belang van de Schriften. Ik wil in de eerste plaats dan even wijzen op het laatste hoofdstuk, 2 Timotheüs 4, waarbij Paulus er getuigenis van aflegt dat hij de uiterste zorg besteedt aan zijn schriftelijke nalatenschap, aan de bibliotheek. Die moet in orde komen. Het staat me nog allemaal bij; ik heb het afgelopen seizoen in Nunspeet een hele serie Bijbelstudies mogen houden over de totstandkoming van de Bijbel in het algemeen. Toen hebben we ook een avond daaraan gewijd hoe Paulus actief is geweest, samen trouwens met Petrus, om de geschriften van het Nieuwe Testament bij elkaar te brengen. Ik bedoel, het was allemaal geboekstaafd, maar vervolgens moest de redactie daarover worden gevoerd en moesten de geschriften bij elkaar gebracht en gebundeld worden.
Je ziet ook in die tweede Timotheüsbrief dat Paulus juist aan het einde van zijn leven daar actief mee was. Het is buitengewoon boeiend om dat te zien, en ik moet erbij zeggen: het is natuurlijk heel logisch. Als je weet dat je niet lang meer te leven hebt en aan jou is de taak gegeven, de bediening — zo zegt Paulus het in Kolossensen ook — om het Woord van God te voleindigen, te completeren, dan is het zaak dat hij niet alleen alles meldt wat hij te melden had, maar ook dat dit voor navolgende generaties bewaard zou blijven. Het moest in boeken, in geschriften en boekrollen allemaal zwart op wit gezet worden, maar vervolgens ook bij elkaar gebracht worden, zodat dit als bibliotheek zou worden overgeleverd aan de navolgende generaties. En zie daar: we hebben het!
Laten we daar nog eens even doorlezen in 2 Timotheüs 4. Ik wil het kort toch even aanstippen, omdat het illustreert hoezeer Paulus juist aan het einde van zijn leven bezig was met de geschriften. Wat hij hier schrijft is zijn laatste brief, die dus ook is opgenomen, maar Paulus blijkt daar ook in bredere zin actief mee te zijn. Hij zegt: "Alleen Lucas is nog bij mij." U weet wel, Lucas, dat is de man die het Lucasevangelie heeft opgetekend en trouwens ook het boek Handelingen, dat eigenlijk een vervolg daarop is. En dan zegt hij erbij: "Haal Marcus af en breng hem mee."
Die Marcus, dat is wel aardig, dat is een bijnaam van Johannes. Dat staat letterlijk in Handelingen 12: Johannes Marcus heette hij. We weten ook nog van hem dat hij een neef was van Barnabas; dat weten we dan weer uit Kolossensen 4. Ik geef expres de teksten erbij zonder het nu op te zoeken, maar dan weet u dat maar. Als je een klein beetje op de hoogte bent van de geschiedenis in het boek Handelingen, dan weet je ook dat er ooit tussen die twee — ik bedoel nu Paulus en Barnabas, die samen die eerste reis hebben ondernomen die beschreven wordt in Handelingen 13 en 14 — onenigheid was ontstaan. Zo erg zelfs dat ze ieder hun weegs gingen en de wegen zich van elkaar scheidden. Dat had alles te maken met de rol van die Johannes Marcus, want die was een keer tijdens die eerste zendingsreis afgehaakt. Hij was afgehaakt en Paulus heeft hem dat kennelijk kwalijk genomen. Het diskwalificeerde hem, volgens Paulus althans, om nog als medewerker verder door te gaan.
Maar daar was Barnabas het niet mee eens. Er zullen ongetwijfeld ook bloedbanden een rol gespeeld hebben, want Barnabas was de neef van Marcus en Barnabas wilde Marcus juist wel meenemen. Er ontstond grote onenigheid. Het is een grote troost dat er toen ook al weleens onenigheid was tussen broeders; ja, dat kan zomaar gebeuren, hè? In dit geval was het ernstig. Maar eigenlijk is het ook wel weer heel mooi, want wat gebeurde er? Barnabas ging zijn weg samen met zijn neef Marcus, en Paulus ging zijn weg en had een ander uitgekozen: Silas. Zodat in feite door die onenigheid — je kunt zeggen dat het verdrietig is, jawel — het Woord zich alleen maar des te meer verspreidde. Dus ja, hoe was het ook alweer volgens Cruijff? "Elk nadeel heb z’n voordeel." Juist die. Zo was het dus gegaan.
Trouwens, we lezen ook dat deze Marcus een hele nauwe betrekking heeft gehad met Petrus. Petrus noemt hem in zijn eerste brief zelfs "mijn zoon", wat in Bijbelse zin ook betekent: mijn erfgenaam. De algemene gedachte is ook dat het Marcusevangelie van deze Marcus is. Hoe heeft hij die dingen opgetekend? Wel, direct uit de mond van Petrus. Ik kan het niet direct bewijzen, maar het is wel een heel logisch en consistent verhaal waarom dat zo verlopen is en hoe Marcus inderdaad dat evangelie heeft kunnen optekenen.
Hoe dan ook, Petrus noemt hem zo. En waarom vertel ik dat nu? Wel, Paulus zegt: "Want die Marcus is mij van veel nut voor de dienst." Dat is ook wel weer mooi. Er was ooit onenigheid geweest rond die Marcus en Paulus had hem toen min of meer gediskwalificeerd om met hem verder te reizen, maar het is weer helemaal goed gekomen. Aan het einde van zijn leven zegt Paulus van deze Marcus: "Hij is mij van veel nut voor de dienst," terwijl hij jaren eerder juist had gezegd dat hij niet nuttig was voor de dienst. Het is trouwens ook heel opmerkelijk dat Marcus een evangelie optekent waarin hij de Heer Jezus in Zijn bediening portretteert als de nuttige Dienstknecht. Eigenaardig dat juist hij, die om die reden gediskwalificeerd was, juist dat evangelie heeft opgetekend.
Oké, die Marcus is dus van veel nut voor de dienst. Vermoedelijk is het zo — en dit is weer wat speculatief wat ik nu zeg, ik kan het niet direct bewijzen want het zou ook vice versa kunnen zijn — maar vermoedelijk is het zo dat Marcus ook de geschriften die Petrus in zijn bezit had voor Paulus heeft meegenomen. Dat blijkt ook een beetje uit het vervolg, want het gaat over boeken en over het completeren van de bibliotheek. Marcus werd de geestelijke zoon van Petrus genoemd, en dus mag je aannemen dat hij dat wat Petrus in zijn bezit had, ook heeft meegenomen als erfenis. Paulus, die bezig was met het completeren van de bibliotheek zoals ik straks zal laten zien, vond hem daarom van groot nut voor de dienst.
En dan lees je in vers 13 — ik sla vers 12 even voor het gemak over: "Als je dan komt, breng dan de omslag mee die ik te Troas bij Karpus liet liggen." Dat soort details zijn ook wel heel intrigerend. Hoe Paulus met allerlei praktische aangelegenheden bezig is en aanwijzingen geeft van: "dat ligt daar nog." Eén woord wil ik er even uitlichten. Waarom? Omdat dat woord "de omslag" in de meeste vertalingen wordt weergegeven met "mantel". Nu is...
De Codexvorm: Technologie Ten Dienste van het Woord ↑ hoofdstukken
Die ruimere weergave van het woord 'omslag' is, denk ik, veel beter omdat het ons bij iets anders bepaalt. Namelijk dat hier sprake is van de omslag voor schriftelijk materiaal, voor losse vellen. Het is een heel boeiend verhaal: de codexvorm. Kijk, wat wij hebben in de Bijbel, daar lees je in het algemeen altijd over boekrollen. Of nog oudere vormen zoals de kleitabletten. Maar de boekrollen maakten in de eerste eeuw, en pas echt in grote mate in de tweede eeuw van onze jaartelling — dus vlak na de periode van de apostelen — plaats voor de codexvorm. Dat is wat ik hier in mijn handen heb: een codex, een boek met daarin allemaal vellen die bij elkaar gebonden zijn, met een omslag daaromheen. Dat is buitengewoon handig. Je zou zeggen: dat ze daar niet eerder op gekomen zijn! Maar als je losse vellen bij elkaar wilt hebben en je wilt ze structureren, dan is het erg handig als je een omslag hebt waarin je ze kunt binden. Zo ontstaan gebonden boeken.
Dit is in die tijd ergens ontstaan en het zou mij niet verbazen — en dat is de derde speculatie die ik nu doorgeef, voor wat het waard is — maar het is wel heel boeiend om in dit perspectief het hele verhaal te bezien. Namelijk dat juist als het gaat om geschriften en het schriftelijk nalatenschap, en dat Woord wat je vast wilt leggen, juist degenen die bezig zijn met het Woord van God zich altijd bedienen van de allernieuwste technologieën. Want wat is van belang bij het doorgeven van het Woord? Dat het vastgelegd wordt. Het blijkt dat juist de technieken die daarvoor gebruikt zijn, zo nuttig en zelfs essentieel waren voor dat schriftelijk nalatenschap. Zoals gezegd is die codexvorm ideaal om geschriften te bundelen.
In de dagen van de apostelen zijn er een heleboel geschriften bijgekomen. Er was al sprake van de TeNaCH, de Hebreeuwse Bijbel, bestaande uit de Wet, de Profeten en de Geschriften. Maar in de dagen van de apostelen zijn de evangeliebeschrijvingen en de brieven geschreven en geboekstaafd, en die moesten vervolgens ook gebundeld worden. Logischerwijs zijn de apostelen zich bewust geweest van die taak. Het is niet alleen een zaak dat je de geschriften nalaat en de dingen schriftelijk vastlegt; dat is één ding, maar Petrus schrijft er aan het einde van zijn leven ook al over. Hij is daar vooral mee bezig. Een heleboel mensen hebben juist de laatste weken veel gehoord over wat Petrus zou hebben nagelaten. Zijn nalatenschap daar in het Vaticaan zou inhouden dat zijn ambt voortgezet zou worden en dat hij de eerste bisschop in Rome was. We weten uit de Bijbel niet eens of Petrus überhaupt ooit in Rome is geweest; er is in de Bijbel geen enkele aanwijzing voor. Ik ontken het niet, ik zeg alleen dat de Bijbel er geen aanwijzing voor geeft.
Wat we wél weten uit de brieven van Petrus, in zijn geestelijke testament — de tweede brief van Petrus, geschreven vlak voor zijn verscheiden — is dat Petrus juist wijst op de Schriften. Dáár gaat het om. Degenen die achterblijven na zijn heengaan, worden gewezen op de Schriften. Want die zijn het profetische woord dat zeer vast is; dat is het grote licht in de navolgende tijden. Logischerwijs zijn die geschriften dus aan het einde van het leven van de apostelen bij elkaar gebracht. Dat is precies wat we zien in het leven van Petrus en ook in dat van Paulus. Je ziet dat Paulus, terwijl hij in Rome gevangen zit, nog zijn best doet om aanwijzingen te geven. Hij zegt tegen Timotheüs dat hij de omslag moet meenemen die hij in Troas — we kennen Troje ook — bij Karpus had laten liggen. En hij zegt erbij: "en ook de boeken". In het Grieks staat hier ta biblia. Je ziet het hier trouwens ook gewoon staan; zelfs als je geen Grieks kent, herken je de letters nog vrij gemakkelijk. De boeken. In feite is biblia het meervoud van biblos, en dat zijn dus de geschriften; dat wat zwart op wit is gezet en getekend en geschreven.
En vooral ook, zegt Paulus, de perkamenten. Ik zeg dit erbij om de logica ervan te zien dat die omslag hier geen mantel is tegen de kou. Nee, die omslag dient voor de boeken en de geschriften, voor het schriftelijke materiaal, en vooral ook de perkamenten. U moet weten dat boeken van perkament gemaakt zijn van dierenhuiden. De meeste boeken werden in die tijd opgeschreven op papyrus, zoals bij ons op papier, maar het duurdere materiaal was perkament. Paulus wijst met name op dat materiaal, op die boeken. Je zou de vraag kunnen stellen: "Zeg Paulus, het moment van je heengaan staat voor de deur. Heb je nou niets anders te doen dan het op orde brengen van die bibliotheek en de dingen bij elkaar te brengen in die boeken, vooral de perkamenten? Is er niets nuttiger?" Nee! Inderdaad, er is niets nuttiger dan juist dat. Aan het einde van zijn leven brengt hij de geschriften bij elkaar. Ook Marcus — de 'zoon' van Petrus, die ook zijn bezittingen had — moet komen, zodat Paulus aan het einde van zijn leven een complete bibliotheek heeft, alles bij elkaar gebracht.
Zo kon Timotheüs na het heengaan van Paulus die bibliotheek overnemen, die wij nu in deze prachtige codexvorm allemaal ter beschikking hebben. Daar is echt over nagedacht, uiteraard niet alleen door de apostelen, maar God heeft dat zo geregisseerd. Het is zo bijzonder dat Petrus en Paulus aan het einde van hun leven dat vooral hebben willen doen: hun bibliotheek op orde brengen en completeren. En die bibliotheek is niet zomaar een privébibliotheek; nee, dat gaat over de boeken die werkelijk ter zake doen, namelijk de Schriften die wij nu twintig eeuwen later keurig bij elkaar hebben in één omslag. Voor ons is dat heel normaal, maar toen was dat uiterst modern.
Ik wees er al even op dat de Bijbel altijd een grote rol heeft gespeeld bij nieuwe technieken voor schriftelijk materiaal. Wist u bijvoorbeeld dat de boekdrukkunst voor het allereerst gebruikt werd voor de Gutenberg Bijbel in Duitsland? Dat was ergens in de 15e of 16e eeuw. Toen de boekdrukkunst kwam, wat was het eerste boek dat gedrukt werd? De Bijbel. De eerste uitgaven zijn nu nog steeds te bezichtigen. Dat is een enorme uitvinding geweest omdat het de geschriften zo breed toegankelijk maakte. Ik kom er straks nog even op terug, maar ik vind het heel opmerkelijk dat juist als het gaat om dat wat werkelijk van belang is om te lezen — de Bijbelse boeken — er enorm veel inzicht en vernuft is ingezet. Als je de historie beziet, van de codexvorm tot de boekdrukkunst en de moderne technieken van nu waarop het Woord verspreid wordt, dan is dat toch geweldig? Alles met het oog op het Woord.
Blijf bij Wat Je Leerde uit de Heilige Schriften ↑ hoofdstukken
We gaan terug naar 2 Timotheüs 3, naar de heilige Schriften, en dan haak ik aan bij het einde van het hoofdstuk. In vers 14 staat: "Maar jij." Heb je het weer: "Maar jij." Ik heb er al verschillende keren op gewezen: "Jij echter." Dat is een frase die iedere keer voorkomt en dat duidt op een tegenstelling. In dit geval maakt Paulus heel bewust een tegenstelling. Als je het voorgaande vers erbij betrekt, dan begrijp je die tegenstelling echt. Hij zegt daar dat er mensen zijn die van kwaad tot erger gaan, die misleiden en trouwens zelf ook misleid worden. Paulus zegt dan in dat verband: "Maar jij, Timotheüs." Tegenover al die misleiding, bewust of onbewust, wijst Paulus Timotheüs op de betrouwbare mensen die hem bij de Schriften brachten. Zo zegt hij dat ook: "Maar jij, blijf in de dingen die je leerde en waarin je werd verzekerd, wel bewust van wie je het hebt geleerd."
Ik wil nog eens benadrukken dat Paulus dat tegen Timotheüs zegt: "Blijf in de dingen die je leerde en waarin je ook bent verzekerd." In de Concordante Vertaling wordt daar gesproken over de dingen die je verifieerde. Dat wil zeggen: je bent ervan verzekerd, je weet dat het waar is omdat je het zelf hebt kunnen verifiëren. Dat is de gedachte. Timotheüs zou zich er ook bewust van moeten zijn van wie hij het heeft geleerd. Met name de aantekening die ik hierbij maak, wil ik heel graag onderstrepen: wat is hetgeen de apostelen hebben nagelaten? Of meer specifiek: wat liet Paulus na aan het einde van zijn leven? Hij wijst hem op de Schriften. Dat is het thema van dit vers en de navolgende verzen.
Inderdaad, hij zegt niet tegen Timotheüs dat hij een instantie in het leven moet roepen, of een raad of een organisatie moet oprichten die het allemaal zuiver houdt. Sterker nog, Timotheüs wordt juist geïnstrueerd dat het niet zuiver gehouden zal worden. Paulus verwacht het dus helemaal niet van organisaties of van een groot huis. Nee, helemaal niet. Geen genootschappen, geen instellingen en ook geen opvolging. Die opvolging wordt vaak zo ontzettend belangrijk gevonden. Stel je voor, de Rooms-Katholieke Kerk — we zijn de laatste weken daar weer veel mee geconfronteerd — is helemaal gebaseerd op het idee dat ooit Petrus als eerste bisschop van Rome is aangesteld. Daar komt het vandaan. Even voor de luisteraars later op de mp3: ik zit hier met mijn duimen omhoog, want vanuit de Bijbel is daar geen enkel argument voor. Wat ik erover wil zeggen — nu even wat drinken — is dat het idee dat Petrus daar als bisschop van Rome een opvolger achterliet, niet klopt. Petrus zou dan het hoofd van de kerk zijn, wat ook een bizarre gedachte is. Zeker als je de geschriften van Paulus kent, dan weet je dat er maar één Hoofd is van het lichaam, de Ecclesia, namelijk de Heer Jezus Christus. Hij is het Hoofd en vanuit de hemel regisseert Hij. Organisch, niet organisatorisch. Hij verzorgt het lichaam organisch en zorgt voor contacten en banden en voeding. Dat is geen mensenwerk, dat is geen organisatie.
Nee, geen organisatie, geen opvolging, totaal niets. Dat is niet aan de orde. Petrus spreekt daar niet over en Paulus evenmin. Wat Paulus doet, is wijzen op de Schriften. In dit geval krijgt Timotheüs op zijn hart gebonden: blijf in die dingen die je onderwezen hebt gekregen en wees je ook bewust van wie je het hebt geleerd. En dat je van kindsbeen af de heilige Schriften kent. Dat was het grote voorrecht dat Timotheüs genoot. We weten van Timotheüs dat hij een moeder had, Eunice, en een grootmoeder, Loïs. Die twee dames worden zeer hoog aangeschreven door Paulus en Timotheüs sprak ook met de grootste achting over deze vrouwen, want hij heeft van kindsbeen af de Schriften gekend.
Als hier gesproken wordt over de heilige Schriften, dan gaat het over de TeNaCH. Wat wij altijd het Oude Testament noemen, de boeken van de Hebreeuwse Bijbel. Dat zijn heilige geschriften. Er zijn zoveel geschriften, maar dit zijn heilige geschriften, apart gezet en van een totaal andere orde. Namelijk van goddelijke komaf en van goddelijke origine. En Timotheüs was daar al vanaf dat hij een baby was — want dat is eigenlijk het woord dat hier gebruikt wordt — mee vertrouwd. Vanaf dat hij een baby was, heeft hij dat gezien en gehoord en is hij ermee vertrouwd geraakt; hij werd altijd maar gewezen op de heilige Schriften. Hij ging naar de synagoge als jonge jongen en daar werd uit de boekrol gelezen. Dat is het! Loïs en Eunice, zijn moeder en grootmoeder, die hebben hem daarmee vertrouwd gemaakt en hem de dingen verteld die daar allemaal in beschreven staan. Timotheüs kende dat en hij wist ook de enorme waarde daarvan.
Het is een geweldig voorrecht als je dat van kindsbeen af mag kennen. Het heeft trouwens ook een groot nadeel, of in ieder geval een groot gevaar dat het in potentie kan hebben: namelijk dat je opgegroeid bent met heel veel traditie en heel veel afwijking. Dat denk ik ook heel vaak bij mensen die gelovig worden; ze komen in aanraking met het evangelie en hebben totaal geen enkel benul van de Bijbelse geschiedenis. Ze weten nauwelijks van Adam en Eva en al die geschiedenissen die we in de Hebreeuwse Bijbel vinden. Dan heb je een flinke achterstand in te halen als je al die geschiedenissen, die je bij wijze van spreken op de zondagsschool leert, je nog eigen moet maken. Dat is dus een groot nadeel. Ik moet erbij zeggen dat het grote voordeel daarvan is dat je ook niet groot geworden bent met een heleboel van die traditionele onzin waar we het gisteren over hadden in verband met wat er gebeurd is in latere tijden. Alle dogma's en dergelijke; als je dat niet kent, dan zeg ik: dat is de mooie kant van het verhaal. Daar ben je echt mee te feliciteren, hoor. Als je nooit iets gehoord hebt over een drie-eenheid of over een leer van de hel, dan zeg ik: alsjeblieft, geweldig!
Hoe dan ook, Timotheüs kende van kindsbeen af de heilige Schriften en Paulus zegt daarvan: "Die jou wijs kunnen maken." Dat hebben ze in potentie allemaal in zich: tot redding door geloof dat in Christus Jezus is. De heilige Schriften, dat wat God heeft laten vastleggen, zwart op wit in de boeken, die bevatten alles wat nodig is om wijs te worden. Dat is wat hier staat: "Die je wijs kunnen maken." Niet die je zomaar wat wijsmaken, nee, die je werkelijk wijs maken.
Het Geloof Dat in Christus Jezus Is ↑ hoofdstukken
En dan staat erbij: "tot redding door geloof dat in Christus Jezus is." Het staat net even anders dan in de meeste vertalingen, want meestal staat er: "door het geloof in Christus Jezus." Maar dat staat er niet. Op zich is het wel waar, maar het is niet wat er staat. Het is de redding die is gelegen in het geloof dat in Christus Jezus is. Dat is natuurlijk wat anders dan door te geloven in Christus Jezus. Dat is wat wij doen; wij geloven in Hem en wat Hij gedaan heeft en hoe God Hem heeft aangewezen. Dat is waar, maar wij worden gered door het geloof.
Dat is een geweldige waarheid. Ik wil dat nu verder niet zo breed uitmeten, maar het is een onderwerp op zich: door het geloof van Christus Jezus en door het geloof dat in Hem was en is. Het vertrouwen dat Hij heeft gehad in zijn God en in de Schriften. En hoe was het ook weer? De Heer Jezus heeft ooit zelf gezegd — je leest het in de Hebreeënbrief ook, als citaat uit de Psalmen: "Zie, hier ben ik, Heer, om Uw wil te doen. In de boekrol staat van mij geschreven." Psalm 40, precies. Psalm 40, en het wordt aangehaald door Paulus, of in ieder geval in de Hebreeënbrief in Hebreeën 10.
Dat is zo geweldig. De Heer Jezus wist wat Hem te doen stond. Hij heeft zichzelf herkend in de boekrol; Hij voldeed helemaal aan het profiel dat God had gegeven in de boekrol. De Heer Jezus heeft zich in geloof ook overgegeven: "Heer, hier ben ik." Hij is in geloof de weg gegaan die God Hem heeft gewezen. Hij wist wat Hem te doen stond. Je leest ook dat de Heer Jezus de weg heeft kunnen gaan omdat — hoe staat het in Hebreeën 12? — de leidsman en voleinder van het geloof, die om de... oh ja, die om de heerlijkheid... hoe staat het nou precies? Dank u wel! Er zijn tenminste nog mensen die het weten. Die om de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis gedragen heeft en de schande niet geacht heeft. Dat wil zeggen: Hij heeft over die dingen heen gezien.
Want Hij wist niet alleen dat Hij deze weg zou gaan en dat Hij deze prijs zou betalen, maar ook wat het resultaat daarvan zou zijn en wat de vrucht daarvan zou opleveren. Dat is geweldig; Hij is die weg gegaan in geloof. Gewoon waarom? Omdat het in de boekrol geschreven was. Die Schriften zijn voor de Heer Jezus Christus in zijn leven hier op aarde leidend geweest. Kun je je voorstellen hoe Hij iedere keer daarom ook aanliep tegen de orthodoxie in zijn dagen, de schriftgeleerden? Hij zegt: "Ter wille van jullie overleveringen ontkrachten jullie de Schriften; hebben jullie de Schriften van hun kracht beroofd." Waarom? Omdat Hij hen confronteerde met de waarheid, met de Schriften.
Dat is het geloof dat in Christus Jezus is, en daarin is in feite de hele redding besloten. Doordat Hij die weg zo is gegaan, is Hij nu gekroond met eer en heerlijkheid en gaat God via Hem al Zijn plannen realiseren. Dus die redding voor de godganse schepping, die is verzekerd. Waarom? Wel vanwege God, die dat Hem zo voorgesteld heeft, maar ook door het geloof dat in Christus Jezus is; het vertrouwen dat Hij heeft gehad in de Schriften. Ik vind het een geweldige gedachte hoe de mens Christus Jezus zo ook in geloof die weg is gegaan. En dan komt vers 16, en daar wilde ik heel speciaal ook een grote dikke streep onder zetten.
Alle Geschriften Zijn van God Ingeblazen ↑ hoofdstukken
Elk geschrift dat van God geïnspireerd is, is ook nuttig tot onderwijzing. Laten we eerst even stilstaan bij dat woordje ‘geïnspireerd’. Andere vertalingen zeggen ‘van God ingegeven’. De NBG-plus zegt eveneens ‘van God ingegeven’. Eigenlijk staat er zoiets als ‘ingeblazen’. Ja, ingeblazen. Dat is ook wat geïnspireerd betekent; in het woord ‘geïnspireerd’ zit het woordje ‘spirit’. Het Griekse woord is theopneustos en dat is ingeblazen.
En u weet wat er gebeurt als God inblaast: dan komt er leven. De eerste keer dat we daarover lezen, is bij Adam, die uit het stof van de aardbodem was genomen. God blies de levensadem in zijn neusgaten en alzo werd Adam een levende ziel. God blies in dat stof en zo werd hij levend. Het hele begrip ‘inspiratie’ gebruiken wij vaak te pas en te onpas, bijvoorbeeld wanneer we zeggen dat we geïnspireerd zijn om iets te doen. Maar de Schriften zijn van God geïnspireerd, ingeblazen. En dat betekent dat dit geen dode lettertjes zijn. Dat lijkt misschien zo; het is een boek. Je zou je kunnen afvragen: zijn er niet al zoveel boeken? Nee, dit is van een totaal andere orde. Dit zijn heilige geschriften, apart gezet, van een goddelijke orde. Het is krachtig en het is levend. Het spreekt van leven, onvergankelijk leven, maar het is in zichzelf ook levend. We denken daar vaak te gering over. Breng dat Woord maar gewoon, omdat het leven geeft.
Het is daarmee eigenlijk alles wat een mens nodig heeft. Het is licht, het is kracht, het is vreugde, het is genade. Kortom, het is echt Leven met allemaal hoofdletters. En waarom? Omdat God het heeft ingeblazen. Het gaat er dus niet zozeer om dat de auteurs zijn geïnspireerd. Vaak zeggen we dat zo: ‘de bijbelschrijvers zijn geïnspireerd’. Nee, de geschriften zelf zijn geïnspireerd. Die boeken, de totaliteit, is levend. Het is in feite één organisch geheel. Je zou kunnen zeggen: het zijn toch een heleboel boeken bij elkaar? Jawel, maar dat zijn geen losse onderdelen. Het is één organisch geheel; het een kan niet zonder het ander en het hoort bij elkaar. Het een verklaart het ander; de Schriften verklaren elkaar. Het is dus echt een absolute eenheid, een goddelijke eenheid.
Kijk, als je theologie studeert – dan ga ik nog weer iets organisch zeggen, daarover kan ik natuurlijk niet nalaten – dan is het vaak zo dat je op een menselijk niveau kijkt naar hoe de Bijbel is ontstaan. Dan wordt er gezegd: ‘Nou, hier een boek en daar een boek, en daar zijn kleitabletten gevonden. Mensen hebben dat vervolgens zo bij elkaar gebracht.’ Maar dan kijk je puur op een menselijk vlak. Dat is net zoiets als wanneer je een film beoordeelt op basis van de wijze waarop het filmmateriaal bij elkaar gebracht is, de karakters van de auteurs en het materiaal dat gebruikt is. Nee, een film is natuurlijk veel meer. Het is een eenheid. Het is ontstaan in het brein van de schrijver en de scriptschrijver, en de regisseur heeft het allemaal bij elkaar gebracht. Het is het geheel, de inhoud die geïnspireerd is en één levend geheel vormt.
Even terug naar mijn punt: elk geschrift van God is geïnspireerd. Timotheüs kende de heilige Schriften van kindsbeen af, zo lazen we zojuist. Dat was de Tenach, de Hebreeuwse Bijbel. Maar in de dagen van Timotheüs zijn daar een heleboel geschriften bijgekomen: wat wij het Nieuwe Testament noemen, de Griekse geschriften. Die zijn daaraan toegevoegd en ook die zijn noodzakelijk voor de ‘mens Gods’ – ik kom op die uitdrukking straks nog terug. Als Paulus hier zegt: ‘Jij kent van kindsbeen af de heilige Schriften’, dan doelt hij op de Hebreeuwse Bijbel, het Oude Testament. Maar nu voegt Paulus eraan toe dat elk geschrift van God geïnspireerd is. Namelijk ook de geschriften die er in die generatie, in zijn generatie, bijgekomen zijn. Die zijn door God ingeblazen en levend. Met andere woorden – en dat zegt Paulus ook – het Woord van God is nu gecompleteerd. We hebben nu een verzameling van zeventig boeken. Dat kan natuurlijk ook geen toeval zijn. Het is één geheel. Geen enkel aspect, boek, geschrift of hoofdstuk kan zonder de rest.
Het is geweldig als je zo met de Schrift omgaat. Dat leer je over het algemeen niet in de theologie. Daar zegt men: ‘Je moet vooral de boeken lezen in het licht van de tijd waarin ze geschreven zijn.’ Nee, je moet gewoon de geschriften lezen en ze zichzelf laten uitleggen. Zo heeft God het gegeven. Als je wilt weten wat iets in Genesis betekent, dan kijk je elders in de Bijbel wat daarover geschreven staat. Dan blijkt het een het ander te verklaren. Hoe zegt Petrus dat ook alweer? Geen enkele profetie van de Schrift heeft een eigen uitlegging. Al die profetieën leggen elkaar namelijk uit. Elk geschrift van God.
Het Nut van de Schrift: Onderwijzen, Weerleggen en Opvoeden ↑ hoofdstukken
Elk geschrift is van God geïnspireerd, en Paulus legt uit waarom dat zo van belang is: het is namelijk ook nuttig tot onderwijzing. Alle geïnspireerde Schriften – inclusief het woord van de apostelen en wat zij hebben opgetekend – zijn nuttig. Waarom? Om te worden onderwezen. Het gaat niet alleen om het doorgeven en vertellen, maar om er inzicht in te geven en aan te wijzen wat daar allemaal onder de oppervlakte ligt. In het Nederlands is 'onderwijzen' eigenlijk een heel mooi woord: je wijst op dat wat onder de oppervlakte gelegen is, de grote schatten.
Let er ook op – ik heb daar gisteren al even op geattendeerd – dat hoewel Paulus de apostel van de natiën is en we met zijn geschriften moeten beginnen, diezelfde apostel zegt dat elk geschrift, alle heilige Schriften die er al waren én de geschriften die er nu bijgekomen zijn, van Godswege geïnspireerd zijn. Ze zijn nuttig om te worden onderwezen. Beperk je dus niet tot een klein groepje boeken of alleen maar tot de brieven van Paulus. Ik begrijp wel hoe het misverstand ontstaat, maar het is juist de leermeester Paulus die ons erop wijst dat héél de Schrift nuttig is om te worden onderwezen. Een soort one-liner die ik vaak gebruik: alle Schrift is voor ons, namelijk om te worden onderwezen, maar dat betekent natuurlijk niet dat alle Schrift ook over ons gaat. Er zijn tal van boeken die niet direct over ons gaan, maar niettemin buitengewoon belangwekkend zijn en nuttig om te worden onderwezen.
We zien die Schriften als een geheel, als een eenheid. In de Statenvertaling staat hier ook "alle Schrift". Zonder nu te diep in de vertaaltechnische details te duiken: het wijst op de geschriften in hun totaliteit. Heel de Schrift is als één geheel geïnspireerd en nuttig. Er worden vervolgens vier dingen genoemd. Allereerst om te worden onderwezen, maar ook om te weerleggen. Dat betekent niet de Schrift weerleggen, maar de Schrift gebruiken om daarmee dingen aan de kaak te stellen. Dat moet je ook durven. Het is heel belangrijk dat je bij het doorgeven van het Woord niet alleen mooie dingen vertelt, maar ook zaken aan de kaak stelt. Leugen is leugen, en dat moet gewoon benoemd worden.
Hoe doe je dat? Niet door mensen iets te verbieden, maar gewoon door de waarheid onder bewijs te stellen. Zo is het, zo staat het geschreven; hier staat het, daar staat het. Op die wijze lever je mensen het bewijs of iets waar is of onwaar, zodat je die dingen ook kunt weerleggen. De Bijbel wordt al te veel gebruikt – en dat is nog een eufemisme – als een kapstok om peptalk aan op te hangen. Dan heb je een preekje gehoord, ben je weer even fijn 'gekieteld' en denk je: "Nu kunnen we er weer tegenaan." Nee, je hebt de Schrift nodig als voeding. Je moet onderwezen worden om te weten wat waarheid is en wat leugen. Dat moet aan de kaak gesteld worden; daar is het voor gegeven.
Het is ook nuttig tot correctie. Dat is een mooi woord. Het betekent dat de dingen rechtgezet worden, maar als je het woord opsplitst in zijn elementen, staat er letterlijk: opwaarts oprichten. Dus wat doen die geschriften? Ze richten je op. Als er iets is wat de Schriften doen wanneer je het onderwijs werkelijk eigen maakt – of liever gezegd: wanneer het je eigen gemaakt wordt, want het is een proces dat je ondergaat – dan is het dat ze je oprichten. Het is als een bad dat je neemt; je staat onder de douche en je wordt vanzelf gereinigd. Dat is wat het Woord doet: het is een bad dat ons reinigt.
Dat Woord wijst niet op wat jíj moet doen, op wie jij bent, hoe fout je bent of hoe vaak je tekortschiet. Vandaag hadden we toevallig nog een gesprek over hoe vaak prediking vooral wordt gebruikt om mensen op hun tekortkomingen te wijzen. Dan ga je de zaal uit en denk je: "Tja, er deugt weer niet veel van ons, we schieten voortdurend tekort." In feite frustreert dat alleen maar. Weet je wat het Woord van God doet? Het wijst op wie Hij is, op wat Hij gedaan heeft en wat Hij doet. Dat is geweldig, want het richt je op. Het wijst je omhoog. Het hangt niet van ons af. Juist dat is zo'n geweldige waarheid. Alles wat daar niet mee in overeenstemming is, moet dus weerlegd worden. Daar zijn de Schriften voor gegeven: om ons inderdaad op te richten naar boven.
Ten slotte is het nuttig tot opvoeding in de rechtvaardigheid. Dat is ook wat het Woord doet: het brengt ons verder en voedt ons op. Het vormt ons denken in de rechtvaardigheid, zodat je leert 'recht' door te denken en de dingen op de juiste wijze te bezien. Het geeft je zicht op hoe het werkelijk terecht is. Door die hervorming van je denken leer je anders tegen de dingen aankijken. Je krijgt een heel andere perceptie, een ander waarnemen, en daardoor ga je ook anders leren wandelen. Dat is wat er plaatsvindt. We hadden het er vanmorgen nog even over: als je eenmaal ziet hoe de hele religieuze wereld gebaseerd is op foute aannames en onwaarheden, en je realiseert je dat werkelijk, dan weet je ook: "Daar hoor ik dus niet bij." Dat geeft je de kracht om daar afstand van te nemen. Maar dat moet je dan wel weten; het moet verteld worden. Want hoe zou ik het weten als het niet verteld wordt? De vraag stellen is hem beantwoorden. Dat is wat die Schriften doen: ze voeden ons op. En er staat bij in vers 17...
De Mens Gods Volkomen Toegerust in de Laatste Dagen ↑ hoofdstukken
Opdat de mens Gods toegerust zij... Daarmee hebben we eigenlijk ook het thema van het hele weekend te pakken. Opdat de mens van God. Maar jij – niet de grote massa, maar die ene mens die zich oriënteert op de Schriften die geïnspireerd zijn en die gegeven zijn om tot onderwijzing, tot weerlegging, tot correctie – om je op te richten – en tot opvoeding in de rechtvaardigheid. Opdat de mens van God toegerust zij, tot alle goed werk volkomen toebereid. Ik hoop dat het u opvalt hoezeer hier de nadruk gelegd wordt op de algenoegzaamheid van de Schriften. Dat is een oud-Nederlands woord, maar ik vind hem wel heel gepast in dit verband. De Schriften zijn alles. Heel de schepping is ook voortgekomen uit het Woord Gods, en wat hebben wij nu? Wel, het Woord Gods.
En dan mogen de tijden, de laatste dagen, zo’n complete duisternis zijn, maar wat het geweldige is: ook nu is er meer verwarring dan ooit tevoren, maar ook – en dat is een voorrecht – nooit heeft het licht van het Woord zo helder geschenen als in onze dag. Ik durf dat gerust zo te zeggen. Zelfs nog veel meer dan in de dagen dat Paulus dit optekende. Nooit is de Schrift ook zo toegankelijk geweest. Ik hinte daar eigenlijk al eerder in deze toespraak eventjes op: hoe allerlei technieken zijn gebruikt die ons de Schriften zo dichtbij hebben gebracht. Dat heeft met name een enorme explosie gekregen in de dagen van de Reformatie. Toen Luther zei: "Sola Scriptura", alleen de Schrift. Juist in die tijd kreeg je ook de boekdrukkunst en toen konden de Schriften inderdaad zo breed toegankelijk worden als nooit tevoren. Want ja, daarvoor was het altijd nog echt uniek als je een complete Bijbel had; dat moest allemaal met de hand geschreven worden. Dat waren gigantische klussen.
Dus om werkelijk kennis van de Schrift te hebben, de betekenissen daarvan te achterhalen en te weten wat de uitleg daarvan was... voor de toegankelijkheid van encyclopedieën en naslagwerken moest je naar bibliotheken toe. Daar waren zulke enorme drempels. Sinds de dagen van de Reformatie is dat zo breed toegankelijk geworden. En in onze dagen, de laatste dagen – en daarmee bedoel ik met name ook de laatste decennia – is de Bijbel zo dichtbij gekomen. Hoeveel Bijbels heb je niet in de kast staan? Nou zegt dat op zich nog helemaal niks hoor. Want ja, als die Bijbel daar gewoon maar in die kast staat, dan heb je er ook niet veel aan. Dat denk ik ook wel eens een keertje. Er zijn meer Bijbels in omloop dan ooit tevoren, maar hij wordt zo slecht gelezen. Maar het neemt niet weg – en dat is mijn punt wat ik nu maak – dat de Bijbel overal breed beschikbaar is.
En als je wil weten wat de betekenis van een woord is... Vroeger moest je inderdaad naar bibliotheken en moest je soms echt hele afstanden overbruggen. Het kostte heel veel tijd om iets te achterhalen. Nu? Het is zo gepiept. Je slaat je mobieltje op en je kunt gewoon weten, ook als je nooit Grieks of Hebreeuws hebt geleerd, wat de betekenis van een specifiek woord is en hoe het er exact staat in interlineairs. Die interlineairs zijn natuurlijk al wat ouder; al een eeuw geleden, toen het concordante werk begon, werden die interlineairs beschikbaar gesteld. Maar nu heb je dat gewoon op een computer en overal ter wereld kun je dat allemaal nagaan. Zelfs als je totaal geen enkele sjoega hebt van Hebreeuws en Grieks, kun je zo dicht tot de echte essentie van de Schrift komen. Dat is toch uniek? Dat is echt uniek hoor! Het is een objectief gegeven dat de Schriften zo enorm toegankelijk zijn geworden, ook om echt te bestuderen.
Inmiddels was dat al de vorige eeuw, in de jaren tachtig en negentig, dat de personal computers voor iedereen beschikbaar kwamen. Nu hebben we ook het internet en ja, het is geweldig. Dus ja, in deze tijd is het donker, zeker. Zoveel duister, zoveel verwarring. En toch zijn de Schriften waar Paulus op gewezen heeft in de laatste dagen het eikpunt, en zo geweldig schijnt dat licht. Dat is toch een zegen, mensen? Ik vind dat God daarmee ook Zijn Woord bevestigt. In de laatste dagen valt alles weg en heb je eigenlijk ook geen steun meer aan mensen. Ik heb dit weekend ook zo vaak gehoord uit allerlei persoonlijke verhalen hoe eenzaam het vaak is als je de weg met het Woord gaat. Wie heb je nog? Gemeentes, kerken; het dwaalt allemaal af. Daarvoor zijn we al gewaarschuwd. Het overkomt je niet zo van: dat hadden we niet kunnen verwachten. Nee, het is al voorzegd. En tegelijkertijd hebben die Schriften inderdaad die betekenis en zijn ze bij ons in onze tijd als nooit tevoren, ook in de meest objectieve zin des woords. En dat is geweldig.
Opdat de mens Gods toegerust zij, tot alle goed werk volkomen toebereid. Oh ja, dat is ook zo... Maar goed, ik denk dat ik dat dan maar eventjes parkeer voor een andere keer. Ik dacht dat dit de laatste slide was, maar ik wilde nog wijzen op 2 Timotheüs 2 over het woord der waarheid rechtsnijden. Maar ja, dat moet ik dan voor een andere gelegenheid parkeren, want ik zie inmiddels dat het half tien is. We moeten het hier maar bij laten. Overigens... Mocht je niet weer vertrouwen? Nee, moet niet. René zei van: "Nou, moet je..." Nee. Laten we het hierbij houden. De Schriften zijn ons gegeven en de mens Gods is daarmee volkomen toegerust voor elk goed werk. Voor elk goed werk volkomen toebereid. Wat wil je nog meer? Dus ik zou zeggen, lieve mensen: van harte gefeliciteerd met dat kostbare bezit in ons midden. Nou!
UltimateGoodNews