GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Psalm 110 (1) – zit aan mijn rechterhand!

10-02-2019 - Geplaatst door Andre Piet
toespraak gehouden op zondag 10 februari 2019 in Zoetermeer

Geen psalm wordt in het Nieuwe Testament zo dikwijls geciteerd als Psalm 110. Wat is er zo bijzonder aan deze psalm? In dit eerste deel gaan we dieper in op het eerste vers. Over hoe de Messias niet slechts “zoon van David” is maar ook “mijn Heer” door hem wordt genoemd. En dat deze Messias alvorens te gaan regeren vanuit Sion eerst verhoogd zou worden aan Gods rechterhand. David heeft geprofeteerd over Christus’ tegenwoordige positie. Gezeten, in de hemel en wachtend. Totdat…

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Psalm 110 is de beroemdste Messiaanse psalm en onthult de heilsgeschiedenis in een duidelijke chronologische structuur. De tekst beschrijft de verhoging van de Zoon van David, die momenteel verborgen wacht aan Gods rechterhand totdat al zijn vijanden aan hem onderworpen zijn. Diverse passages uit het Nieuwe Testament bevestigen dat Jezus deze geprofeteerde Messias is, wiens overwinning begon bij zijn opstanding. Uiteindelijk zal hij heersen totdat de dood als allerlaatste vijand is tenietgedaan, wat betekent dat alle mensen in Christus levend gemaakt zullen worden.

“En God gaat alle vijanden van Christus aan Zich onderwerpen, en de laatste vijand is de dood. Dan is er geen dood meer.”

Inleiding op de Beroemdste Messiaanse Psalm ↑ hoofdstukken

Heel hartelijk dank, Dirk. Dat was jouw gebed: dat we nog een goed uur met elkaar zouden beleven. Maar wat mij betreft hebben we dat eigenlijk al. Als je de lessen van de natuur ter harte neemt, dan is dat schitterend om daaraan te denken. Ik wil nu een ander boek openen, niet het boek van de natuur, maar het boek van het geschrevene. Dat wil zeggen de Schriften, of eigenlijk een hele bibliotheek.

Ik wil u vanmorgen graag bepalen bij Psalm 110. U ziet dat het het eerste deel daarvan is, want daar valt nog veel meer over te zeggen dan ik in één samenkomst kan doen. Trouwens, die ‘1’ slaat niet alleen op deel 1, maar ook op het eerste vers van dit Bijbelhoofdstuk dat ik wil gaan bespreken. Over welke psalm hebben we het dan? Ja, de honderdtiende. Dat is een psalm… misschien wel de beroemdste psalm. Nou, als ik nu een punt zou zetten, dan klopt dat niet, want de beroemdste psalm zal Psalm 23 zijn. Maar dit is de beroemdste Messiaanse psalm. Er is geen psalm in het hele Nieuwe Testament te vinden die zo dikwijls geciteerd wordt als deze. Niet alleen wordt hij geciteerd, maar er wordt ook heel dikwijls aan gerefereerd.

Laten we eerst deze psalm eens lezen. Het zijn maar zeven verzen, maar ze zijn zo compact en er staat zoveel in. Voordat ik wat ga vertellen over de structuur van de psalm, lezen we eerst wat daarin staat geschreven.

Het is een psalm van David. Er staat: “JAHWEH zegt met nadruk tot mijn Heer: zit aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden stel tot een voetenbank voor uw voeten.” Het is dit vers dat ik vanmorgen speciaal in de schijnwerpers wil stellen, maar er volgt nog het een en ander. In vers 2 staat: “JAHWEH zendt uw krachtige scepter uit vanuit Sion: heers temidden van uw vijanden. Uw volk is gewillig in de dag van uw vermogen, in heilige eer; vanuit de schoot van de dageraad zal voor u de dauw van uw jeugd zijn. JAHWEH heeft gezworen en het zal Hem niet spijten: U bent priester tot in de aeon naar de orde van Melchizedek. Mijn Heer is aan uw rechterhand. Hij doorboort koningen in de dag van zijn toorn. Hij zal recht verschaffen temidden van natiën, Hij vult ze met dode lichamen, Hij doorboort het hoofd van een immens land. Hij zal uit de waterstroom onderweg drinken en daarom heft hij het hoofd omhoog.”

De Chronologische en Parallelle Structuur van Psalm 110 ↑ hoofdstukken

En zo bekend als deze psalm is, zo onbekend is in veel opzichten toch ook de inhoud. Ik moet er ook bij zeggen: het is helemaal niet eens zo dat je dat zo op het eerste gezicht leest. Het is geen makkelijke psalm, want er zijn heel wat verzen waarvan je de vraag stelt als je dat voor het eerst leest: wat zou dat beduiden? Waar gaat dat eigenlijk over? Kortom, reden genoeg om dat eens te bespreken, nader te bestuderen en echt te onderzoeken. Laat ik eerst iets vertellen over de psalm in zijn totaliteit. Dat vind ik altijd erg handig om een overzicht van de psalm te hebben en de structuur te laten zien. Wat dan namelijk blijkt, is dat de psalm uiteenvalt in twee helften: vers 1 tot en met vers 3 en vers 4 tot en met vers 7. Die twee helften lopen parallel; dat wil zeggen dat dit deel samenvalt met dat deel.

Het eerste deel van vers 1 en het eerste deel van vers 4 komen overeen. In de structuur zie je dat de overeenkomst met name zit in het feit dat JAHWEH spreekt. JAHWEH zegt met nadruk en, in de tweede helft, JAHWEH heeft gezworen. In beide gevallen is de spreker dezelfde en ook de aangesprokene is trouwens dezelfde. Dan komt het tweede deel in de eerste helft overeen met het tweede deel in de tweede helft. Hier wordt naar voren gebracht: “zit aan mijn rechterhand”, maar in vers 5 is dat ook weer het onderwerp, namelijk: “Mijn Heer is aan uw rechterhand”. Vervolgens hebben we het derde deel: hij heerst te midden van zijn vijanden, en ook in de tweede helft is het onderwerp zijn heerschappij, hoe hij recht verschaft te midden van natiën en hoe dat zijn beslag zal krijgen. En dan tenslotte het laatste deel: daarin wordt in de eerste helft gesproken over de dauw en in de tweede helft over de waterstroom. In beide gevallen is de verfrissing het onderwerp.

Laat ik het nog wat anders naar voren brengen om ook de chronologie, dat wil zeggen de volgorde van de dingen, te laten zien. Dit is de structuur van de psalm, waarbij de beide helften feitelijk hetzelfde zeggen. Ze hebben hetzelfde onderwerp en belichten dat vanuit een verschillend perspectief. Maar het is ook zo dat deze psalm chronologisch is. De opbouw van A, B, C naar D is een volgorde in de heilshistorie. Deze psalm is een Messiaanse psalm. Dat wil zeggen dat hij onmiskenbaar spreekt over de Messias. Het is misschien wel de meest sprekende psalm, samen met nog een paar andere, en zoals ik al zei, deze psalm wordt zo dikwijls geciteerd en er wordt zo vaak aan gerefereerd. Het heeft betrekking op de zoon van David. Het is gesproken door David en het gaat over de zoon, de eigenlijke en definitieve erfgenaam van David.

Om het even chronologisch te laten zien: in het begin spreekt God met nadruk. Hij zegt met nadruk en in vers 4 heeft Hij gezworen en het zal Hem niet spijten. Dat gaat over de verhoging van de Messias, de verhoging van de Christus. Als God spreekt, als Hij een eed zweert, dan doet Hij daadwerkelijk ook iets: Hij verhoogt de Christus. Dat gaat over de opstanding en zijn hemelvaart; in één plaatje wordt dat eigenlijk neergezet. Dat is deel A. Deel B gaat over het feit dat God hem doet zitten aan zijn rechterhand. Dat spreekt van de tegenwoordige tijd. Christus is opgestaan, hij is verhoogd en waar is hij nu? Wel, aan Gods rechterhand, en hij is daar de priester naar de orde van Melchizedek. Als ik nu een heleboel dingen zeg waarvan u denkt: ik snap er geen bal van; don’t worry, we gaan het daar uitgebreid bij latere gelegenheden nog over hebben. Dus dat komt allemaal goed. Maar één ding moet even duidelijk zijn: zoals A spreekt over het verleden, namelijk zijn opstanding en zijn hemelvaart, zo spreekt B over zijn tegenwoordige positie in de hemel, verborgen aan Gods rechterhand.

Dan komen we bij C, dat gaat over Christus die overwint vanuit Sion. Hij zal daar zijn krachtige scepter zwaaien en heersen te midden van de vijanden. Dat is dus de toekomst. Wanneer hij straks terug zal keren vanuit Gods rechterhand, dat wil zeggen vanuit de hemelen, zal hij in deze wereld gaan ingrijpen. Hij zal komen en de vijanden aan zich onderwerpen. Dat is heel letterlijk zo: de zoon van David zal daar in Sion, in Jeruzalem, gaan heersen en koning zijn. De hele dynastie van David die er ooit was, zal hersteld worden in een glorie als nooit tevoren. Niet alleen over Israël, maar over de hele wereld zal hij zijn koninkrijk vestigen. Dit gaat dus over de toekomst, over zijn terugkeer en de aeon die daarop zal volgen.

Het laatste deel, D, gaat over verjonging en verfrissing, over de voortgang met opgeheven hoofd. Die beeldspraak is natuurlijk ontleend aan het laatste vers, vers 7. Het gaat erom dat de Messias zal voortgaan in zijn heerschappij, met succes en optimistisch naar het einddoel toe gaat en het doel ook daadwerkelijk zal bereiken. Hij zal alle vijanden aan zich gaan onderwerpen. Dat is in een notendop waar deze psalm over gaat. Zo ziet u niet alleen dat deze psalm op een hele bijzondere wijze is opgebouwd met twee helften die parallel lopen, maar dat daar ook een chronologische opeenvolging in zit die feitelijk herhaald wordt. Het eerste deel beschrijft dat en het tweede deel net zo goed. Het spreekt niet over jou en mij, maar het spreekt over hem, over de Messias die inmiddels gekomen is — de Messias die wij inmiddels kennen. Kijk, je moet je realiseren dat David, die dit optekende, pakweg duizend jaar voor Christus leefde. Wij leven inmiddels tweeduizend jaar na Christus. Er zit dus een tijdgat van drieduizend jaar tussen het moment dat deze psalm gecomponeerd en opgetekend werd en nu. Maar inmiddels is daar zoveel informatie bijgekomen. Het Nieuwe Testament bekommentarieert deze psalm namelijk ook. Laten we de psalm nu eens, nadat we hem zo in zijn totaliteit bezien en met elkaar overwogen hebben, vers voor vers bekijken.

Een Psalm van David: Profeet en Illustratie van de Ware Christus ↑ hoofdstukken

Laten we gewoon eens naar de tekst zelf gaan. We zullen vandaag echt niet verder komen dan het eerste vers. Dat – en nu herhaal ik mezelf misschien weer – maar het is juist dat eerste vers dat zo vaak wordt aangehaald: vers 1 van Psalm 110.

Er wordt daar begonnen met het feit dat deze psalm een psalm is die toebehoort aan, of gewijd is aan… tja, het wordt dan vertaald met ‘een psalm van David’. En dat hij de auteur is, dat kan niet missen, want dat wordt namelijk ook nog eens bevestigd. Laat ik het misschien nog even toelichten. Je zou zeggen dat bij ‘een psalm van David’ het onmiskenbaar is dat hij degene is geweest die dat heeft opgetekend. Maar dat volgt op zich nog niet direct uit deze formulering. In het Hebreeuws zou je namelijk ook kunnen lezen: ‘een psalm voor David’, gewijd aan David, of toebehorend aan David. Maar één ding is duidelijk: deze psalm is inderdaad van zijn hand. Het is David die dit heeft opgetekend. We zullen dat straks ook zien in Matteüs 22 en trouwens ook bij Petrus, die daarover spreekt. Dus dat kan niet missen.

Het is goed om je dit te realiseren. David was de eerste koning van Israël – dat wil zeggen: de eerste koning naar Gods hart. Eerst had Israël een andere koning gehad naar hún hart, maar dat was vergankelijk. David was de koning die gezalfd werd en die eigenlijk ook de grondslag werd voor een heel nieuw koningshuis. Want na David kreeg je Salomo, de zoon van David, en er zijn nog vele koningen daarna gekomen. Twintig om precies te zijn; een hele dynastie.

God heeft zijn belofte verbonden aan deze David. En als ik zeg belofte, dan is dat feitelijk nog te zwak geformuleerd. Feitelijk heeft God zelfs een eed gezworen. Dat lees je in deze psalm en je leest het ook in Psalm 132. God heeft aan David toegezegd: “Uit jouw lendenen” – dat is een wat oude manier van formuleren, maar uit jouw heupen, uit jouw lijf – “zal een zoon voortkomen en hij is de definitieve Gezalfde.”

Jij bent gezalfd tot koning, maar er komt iemand die dat verre zal overtreffen. Hij zal zelfs definitief zijn, en dat betekent ook nog eens dat hij zal blijven en kennelijk dus onvergankelijk leven heeft. Want tja, je kunt alleen maar onvergankelijk koning zijn als je daadwerkelijk ook blijft leven. Dus op de een of andere manier heeft hij ook nog de dood overwonnen. Dat zit er allemaal in.

In ieder geval komt er iemand en hij zal op de troon van David gaan zitten. Hem zal de troon van David gegeven worden. En hij zal – dat moet ik er ook nog even bij zeggen – ook de ware David zijn. Hiermee bedoel ik ook dit: het woord ‘David’ betekent trouwens ‘geliefd’. Maar bovendien is het hele leven van David, zoals we dat afgelopen donderdag bij ons in Katwijk nog vrij uitgebreid hebben gememoreerd, feitelijk een plaatje van de Zoon van David.

Begonnen in Bethlehem, in zijn eerste komst. Hij werd gezalfd tot koning, maar het zou nog een hele tijd duren alvorens hij werkelijk de koning zou worden in Jeruzalem. In die tussentijd was hij de Gezalfde, maar werd hij verworpen en was er niets bekend van zijn koningschap. Hij had trouwens wel al een grote overwinning behaald op de vijand, die reus. Ja, dat kennen we natuurlijk ook allemaal. Uiteindelijk is hij koning geworden en heeft hij een geweldig koninkrijk gevestigd; ik mag wel zeggen: zelfs een wereldrijk.

Deze David is een illustratie. Zelfs de wijze waarop zijn leven beschreven is – eerst gezalfd tot koning en pas later daadwerkelijk de heerser in Jeruzalem – wel, dat is een plaatje van dé Christus die zou komen. Zodat, als hier staat ‘een psalm van David’, er niet alleen is gezegd dat David de componist is of degene die het heeft opgetekend. David is eigenlijk ook degene die in zijn persoon het hoofdonderwerp van deze psalm illustreert.

Yahweh Spreekt tot Adonai: het Raadsel voor de Farizeeën ↑ hoofdstukken

We lezen verder. Het is niet zomaar een mens, maar God die dit verklaart, en vandaar ook het accent daarop. Het is niet zomaar iets; nee, JAHWEH zegt met nadruk tot mijn Heer.

Eerst even dit: JAHWEH. Als u dit in een Nederlandse vertaling leest, zoals de Herziene Statenvertaling of de Statenvertaling, dan valt u iets op. Er staat namelijk: ‘De HEERE sprak tot mijn Heere.’ U ziet dan ‘HEERE’ met allemaal hoofdletters en ‘Heere’ met kleine letters. Maar als je het voorleest en een ander luistert daarnaar, dan valt dat verschil helemaal niet op; je hoort geen hoofdletters. Dat is dus al merkwaardig: de HEERE spreekt tot mijn Heere. In het Hebreeuws staan hier echt twee totaal verschillende woorden, namelijk JAHWEH – de Naam van God, die ‘Ik ben die Ik ben’ betekent – en Adonai of Adoni: ‘mijn Heer’.

Als u het zo leest – JAHWEH zegt met nadruk tot mijn Heer – dan ziet u heel duidelijk: aha, hier is God aan het woord en Hij spreekt tot ‘mijn Heer’. Wie is dat? Het is een psalm van David, dus David spreekt over iemand die hij ‘mijn Heer’ noemt. De rest van deze psalm maakt duidelijk dat deze Heer van David de Messias is. Dat is onmiskenbaar. Dit gaat over de Messias, over Degene die eens definitief zal heersen in Sion en daadwerkelijk de laatste en definitieve telg uit het huis van David is.

Het eigenaardige is echter dat David Hem beschrijft als ‘mijn Heer’. Als u dit even terugbrengt naar de Joodse achtergronden van de Bijbel, is dit echt bijzonder. U moet zich realiseren dat wanneer een Jood het over de Messias heeft – en dat is voor ons als christenen misschien wat vreemd – hij spreekt over de Zoon van David. Er komt iemand uit de geslachtslijn van David, uit die dynastie en dat koningshuis, en diegene zal de troon van David herstellen in Sion. Dat gelooft de Jood die de Hebreeuwse Bijbel serieus neemt. Hij weet: daar komt een keer iemand en die zal heersen in Jeruzalem. Dat is de Zoon van David. Een Jood zegt echter dat Hij nog steeds moet komen. Vandaar ook dat een orthodoxe Jood niet gelooft dat Jezus de Messias is, want de Messias zal heersen in Jeruzalem. Aangezien er momenteel nog geen koningshuis in Jeruzalem bestaat, laat staan dat Israël hersteld is en heel de wereld daarin deelt, is het voor een Jood een absurd idee dat Jezus de Messias zou zijn. Van de Messias wordt immers beschreven dat Hij zal heersen in Jeruzalem en over de hele wereld.

Een Jood ziet in dat de Messias de Zoon van David is. Maar dat Hij ook de Heer van David is, dat is een heel bijzonder verhaal. Ik zeg dit omdat dit de aanleiding is voor een conversatie die we vinden in de Evangeliën. Ik neem u mee naar Matteüs 22. Even iets over de samenhang: een paar dagen tevoren had de intocht in Jeruzalem plaatsgevonden. Dit is de laatste week van Jezus’ verblijf op aarde voor Zijn sterven – één of twee dagen ervoor. Het is trouwens ook een van Zijn laatste publieke optredens.

U leest daar dat de Farizeeën samen vergaderd waren in de tempel in Jeruzalem. De belangrijkste geestelijke leiders waren daar bij elkaar en toen stelde Jezus hun een vraag. Dat was een uitdagende vraag. Zij kwamen niet met een vraag bij Hem, nee, Jezus kwam met een vraag aan hen. Hij zei: “Wat is jullie mening omtrent de Christus? Wiens Zoon is Hij?” Zij hadden daarop twee antwoorden kunnen geven, want de Messias is ook de Zoon van God – dat lees je in Psalm 2 al. Maar het meest bekende antwoord is dat Hij de Zoon van David is. (Christus en Messias zijn overigens dezelfde begrippen; de een is Grieks en de ander is Hebreeuws, maar beide betekenen ‘Gezalfde’.) De Farizeeën antwoorden dus: “Van David.”

Correct, dat is juist. Maar Jezus zei tegen hen: “Hoe kan het dan dat David Hem in de Geest ‘Heer’ noemt?” Dat wil zeggen: geïnspireerd door Gods Geest. We hebben het immers over de Hebreeuwse Bijbel, de Schriften die door God gegeven zijn en niet gebroken kunnen worden. Hoe noemt David de Messias dan ‘Heer’ als hij zegt… en dan volgt in vers 44 het citaat uit Psalm 110, het vers waar we het vanmorgen over hebben: “De HEERE zei tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden plaats onder Jouw voeten.”

En nu komt de vraag die Jezus hun stelt: “Indien David Hem dan ‘Heer’ noemt, hoe is Hij dan zijn Zoon?” Het idee is dat de Zoon van David dus niet alleen maar een zoon is; Hij is veel meer. Je zou nog kunnen zeggen dat aangezien David zelf de grondlegger is van het koningshuis, hij de voornaamste en de belangrijkste is en dat zijn zoon het slechts van hem erft. Maar nee, David zegt zelf dat hij ondergeschikt is aan zijn Zoon; hij noemt Hem zelfs ‘mijn Heer’. Dat is de vraag die Jezus stelt: “Hoe kan dat? Hoe zit dat met jullie theologie? Wat denken jullie over de Christus? Jullie zeggen dat Hij zijn zoon is, maar Hij is veel meer dan alleen maar een nazaat die eenmaal de troon zal bezitten die David ooit bezat.” David onderschikt zich aan Hem en noemt Hem ‘mijn Heer’.

Dat was voor de Joden een gigantische vraag waar ze geen antwoord op konden geven. Er staat dan ook: “En niemand kon een woord antwoorden. Ook durfde niemand Hem vanaf die dag meer een vraag te stellen.” Vanaf die dag – dat kon trouwens ook nauwelijks meer, want er zouden nog maar een paar dagen volgen en dan zouden ze Jezus kruisigen.

Ik moet er nog iets bij zeggen: diezelfde week nog zou het woord dat Jezus hun zojuist had voorgehouden, vervuld worden. Jezus zou namelijk verhoogd worden uit de dood en gezet worden aan Gods rechterhand. U zegt misschien: dat was met de hemelvaart. Dat is zo, maar feitelijk gebeurde dat al op de dag van de opstanding. Maar dat is een onderwerp apart. Waar het om gaat, is dat in die week Psalm 110 vers 1 in vervulling zou gaan. Daarom legde de Heer Jezus deze vraag zo ’to the point’ voor aan de Farizeeën. Hoe is dat mogelijk? Zij konden hier geen antwoord op geven; hun theologie liep hierop vast. Dat is precies de reden waarom de Heer hen ermee confronteerde. Ze konden Hem niet antwoorden. Wat ze wel konden doen, was Hem monddood maken – of liever gezegd: ze konden Hem doodmaken. En dat hebben ze gedaan.

En wonderlijk genoeg hebben ze, juist door dat te doen, bijgedragen aan de vervulling van Psalm 110 vers 1. Ja, het kan wonderlijk lopen, nietwaar? Want zo is het gegaan. Ze hebben hem tot het uiterste vernederd. Tot de dood, ja, tot de dood van het kruis. Maar juist daarom kon God hem ook verhogen. Want verhogen veronderstelt dat je je in een vernederde positie bevindt. Daar hebben zij hun steentje wel aan bijgedragen, zeg maar.

Laten we even teruggaan, want onze uitvalsbasis is Psalm 110. We hebben de grote luxe – dat moet ik er eigenlijk ook bij zeggen – dat we, wanneer we Psalm 110 bespreken, daar niet over hoeven te speculeren. We hoeven ons niet de vraag te stellen wat dat nu zou betekenen, want het Nieuwe Testament verschaft ons in dit geval heel letterlijk en heel concreet de uitleg van Psalm 110 in zijn geheel, maar ook in het bijzonder van vers 1. Telkens weer wordt daaraan gerefereerd, zodat we dat zelf helemaal niet hoeven te bedenken. Wat wordt hiermee bedoeld? De uitleg vinden we in het Nieuwe Testament.

Gezeten aan Gods Rechterhand: de Positie van Eer Verklaard op Pinksteren ↑ hoofdstukken

We gaan even verder met een psalm van David. JAHWEH zegt met nadruk tot mijn Heer, tot Davids Heer. Dus de Messias is Davids Heer; dat hebben we bij dezen vastgesteld. En wat wordt er tegen hem gezegd? “Zit aan mijn rechterhand.” Daar moet ik even twee dingen bij zeggen. Dat woord ‘zitten’ is in de eerste plaats niet alleen maar een positie van rust, maar het Hebreeuwse woord heeft te maken met ‘gezeten zijn’. Trouwens, bij ons heeft gezeten zijn ook de betekenis van ergens verblijven. Een ingezetene is iemand die ergens verblijf heeft; dat is ook de betekenis van het Hebreeuwse woord.

Maar dan ook: “aan mijn rechterhand”. Wat is dat? Ook daar zijn het van die dingen… mijn broer Dirk had het over de natuur, maar je hebt ook van die algemeen gangbare dingen, zelfs in de menselijke samenleving – uitdrukkingen die alom bekend zijn. Denk bijvoorbeeld aan de betekenis van rechts. Namelijk dat dat te maken heeft met voorrang – dat moet je aan een Engelsman nog uitleggen, dat is waar – maar in het algemeen weten wij allemaal dat rechts te maken heeft met voorrang en trouwens ook met eer, terwijl links te maken heeft met achterstelling. Zelfs in de politiek gebruiken we die termen feitelijk nog op die manier. Degenen die rechts zijn, vertegenwoordigen het kapitaal en degenen die een positie van eer hebben. Degenen die links zijn, nemen het op voor de achtergestelden. Ik vind het ook wel mooi dat ze in het Engels ‘left’ zeggen. Dat betekent links, maar ‘left’ betekent ook ‘verlaten’. Het Latijnse woord voor links is trouwens ‘sinister’. Maar goed, rechts heeft te maken met een positie van eer. Iemand de rechterhand geven heeft ook te maken met eenheid en verbondenheid, denk aan ‘de rechterhand der gemeenschap’. Iemand die jouw rechterhand is, is in feite degene die jou vertegenwoordigt en daarmee ook een positie van eer heeft.

Hier wordt tegen de Heer van David gezegd – en let op, David profeteert, ik zal het straks ook laten zien: God zegt tegen de Heer van David: “Zit aan mijn rechterhand. Neem deze positie van eer in.” Hij wordt daarmee verhoogd aan Gods rechterhand. En let op, dit is ook van belang: pas in het volgende vers wordt gesproken over dat hij daadwerkelijk in Sion gaat heersen. Maar voordat hij in Sion gaat heersen, wordt hij aan Gods rechterhand geplaatst en daar moet hij wachten “totdat Ik uw vijanden stel tot een voetenbank voor uw voeten”. Dat wil zeggen: eerst wordt hij verhoogd en dan wacht hij ook. Ook dat zal ik straks nog even laten zien. Hij wacht, en daarna gaat hij daadwerkelijk heersen. Zo zie je dat dit eerste vers van de psalm, als je daar echt op acht geeft en het woord voor woord en zinsdeel voor zinsdeel leest, gewoon zo markant en treffend voorzegt wie de Messias is en ook in welke volgorde die dingen zullen plaatsvinden: eerst vernedering, daarna verhoging, en dan verhoging aan Gods rechterhand. Daar wacht hij, en pas daarna zal hij heersen. Maar als je dat eenmaal gaat zien, dan weet je meteen over wie het gaat.

Laten we eens naar Handelingen 2 toe gaan, want daar wordt feitelijk een Bijbelstudie gegeven. Petrus is daar aan het woord op de dag van Pinksteren, het Wekenfeest. Dat is een Joods feest. Heel veel volk was daar samengestroomd uit alle delen van de wereld, want het was ook een pelgrimsfeest. Petrus neemt bij die gelegenheid het woord en citeert dan kennelijk uit zijn hoofd allerlei woorden uit de Hebreeuwse Bijbel. Dat doet hij met het grootste gemak. Dat kunnen wij vandaag allemaal niet zo goed meer. We hebben het ook wat minder nodig, want je hebt de Bijbel tegenwoordig altijd gewoon in je broekzak zitten, bij wijze van spreken. Je hoeft het dus niet meer in je hoofd te hebben. Vroeger hadden ze het in hun hoofd en in hun hart, en tegenwoordig hebben wij het in onze broekzak. Dat noemen ze dan evolutie.

Nadat Petrus daar spreekt – even voor de goede orde: dit was de vijftigste dag na de opstanding, dus het was nog hetzelfde jaar waar we het zojuist over hadden toen de Heer Jezus in conclaaf was met die Farizeeën – zegt hij: “Mannenbroeders.” Hij spreekt daar tegen zijn Israëlitische volksgenoten. “Mannenbroeders, het is geoorloofd met vrijmoedigheid naar jullie toe te zeggen…” Dat wil zeggen: ik hoef er helemaal geen doekjes om te winden. Hij spreekt aangaande de aartsvader David, die toen ook al duizend jaar daarvoor leefde, dat hij én is overleden én werd begraven, en bovendien is zijn graftombe te midden van ons tot op deze dag. Met ’te midden van ons’ bedoelde hij eigenlijk: te midden van ons Jeruzalemmers. Inwoners van Jeruzalem, want dat graf is gewoon te vinden in Jeruzalem; zijn graftombe kun je gewoon bezoeken. Er zijn er zelfs die opperen dat Petrus deze woorden gesproken heeft bij de graftombe van David, maar in ieder geval was het daar in Jeruzalem.

Petrus gaat verder over David: “Zijnde dan een profeet…” David was niet slechts een dichter, zoals hij natuurlijk vaak naar voren wordt gebracht. David heeft zoveel gecomponeerd en zoveel liederen geschreven, dus hij was een poëet. Dat ontken ik niet, maar hij was veel meer dan een poëet: hij was een profeet. In het Nederlands kun je dat heel mooi zo tegenover elkaar zetten: hij was veel meer dan iemand die de dingen dichterlijk mooi kon formuleren, nee, hij voorzegde. Want een profeet zijn betekent letterlijk ‘voorzeggen’. Hij voorzegt in die psalm. “Zijnde dan een profeet en waargenomen hebbend…” Dat wil zeggen: hij had het vernomen, gezien en bovendien ook gehoord. Hij heeft waargenomen dat God met een eed aan hem zwoer. Dat God een eed zwoer aan David lezen we in Psalm 110, de psalm waar we het deze keer over hebben. Je leest het ook in Psalm 132 en trouwens ook in 2 Samuël 7. God heeft David niet alleen maar een belofte gegeven, maar zelfs een eedzwering gedaan. Dat is knap uitzonderlijk, want dat vind je maar vier, vijf of zes keer in het Oude Testament. Aan Abraham heeft Hij dat ooit gedaan, maar aan David ook. God zwoer hem met een eed dat “één vanuit de vrucht van zijn lendenen” op zijn troon zou zitten. Wat hier in gewoon Nederlands staat is: God zwoer hem dat iemand die uit zijn lendenen zou voortkomen, gewoon uit zijn lijf, een lijfelijke nakomeling van hem, ooit op zijn troon zou zitten. Dat had God gezworen.

Ik sla nu een paar verzen over en kom bij vers 34 van Handelingen 2. “Want,” zegt Petrus dan, “niet David is omhoog gegaan tot in de hemelen.” Nee, David is zelf gestorven en begraven, en zijn graftombe kun je hier in Jeruzalem gewoon nog bezoeken. Met andere woorden: David heeft het niet over zichzelf. David is niet in de hemelen, maar hij zegt zelf in Psalm 110: “De Heer zei tot mijn Heer: Zit aan mijn rechterhand.” JAHWEH zei tot Adonai: “Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik jouw vijanden plaats tot een voetenbank voor jouw voeten.” Wat Petrus zegt, is dat dit dít jaar – vijftig dagen geleden, of zo u wilt tien dagen geleden bij de hemelvaart – is vervuld. Namelijk dat iemand uit de lendenen van David, een zoon van David en dus een troonpretendent, door God is verhoogd en geplaatst aan Zijn rechterhand. Dat wil zeggen dat hij is opgestaan uit de doden en niet langer in de vernedering verblijft.

Hij is opgestaan en Hij bevindt zich nu aan Gods rechterhand; Hij is omhooggegaan tot in de hemelen. En wat doet Hij daar nu? Wachten. Hij komt weer terug, maar Hij wacht niet. Nou, en dan komt uiteindelijk de conclusie van Petrus, daar op de Pinksterdag. Laat het hele huis van Israël dan zeker weten. In feite had hij nu de bonnetjes allemaal op tafel gelegd; hij kon het zo allemaal vanuit de Schrift ook laten zien.

Laat het hele huis van Israël dan zeker weten dat God Hem, namelijk Jezus, tot Heer – de Heer van David – en tot Christus, de Messias, maakte. Deze Jezus, die jullie kruisigden. Dus jullie hebben Jezus gekruisigd, maar juist daarom… Eigenlijk kan ik het nog anders zeggen: jullie hebben Hem gekruisigd. Weet je wat God met Hem gedaan heeft? God heeft Hem verhoogd aan Zijn rechterhand. En daar is Hij nu.

Jullie hebben Hem gekruisigd en Hij is inderdaad ook begraven, maar ga maar naar Zijn graf toe: de steen is weggerold, het graf is leeg. U moet zich voorstellen dat dit gewoon historische feiten waren. De steen was weggerold, het graf was leeg. En waar is Hij nu? Petrus kon zeggen: Hij is aan Gods rechterhand. Daar was hij trouwens ook ooggetuige van, en er waren er tientallen die dat ook konden bevestigen. Inderdaad, Hij is verhoogd aan Gods rechterhand. Hij zegt dat dit de vervulling is van wat we lezen in Psalm 110 vers 1.

Alsjeblieft: jullie hebben Jezus gekruisigd, maar God heeft Hem verhoogd aan Zijn rechterhand. Daar is Hij nu en daar wacht Hij. Wil ik nog een psalm lezen? Nee, een citaat. Eerst nog eventjes naar Psalm 110 terug. JAHWEH zegt tot mijn Heer: “Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden stel tot een voetenbank voor uw voeten.” Met andere woorden: JAHWEH belooft de Christus een complete overwinning op Zijn vijanden. Dat belooft Hij Hem.

Na Één Volbracht Slachtoffer Voortdurend Gezeten (hebreeën 10) ↑ hoofdstukken

En laat ik u dan meenemen naar Hebreeën 10. Ik ben trouwens voor morgen bepaald niet compleet; ik geef niet eens alle citaten weer van Psalm 110 vers 1. Er zijn er nog meer, maar de tijd ontbreekt me om dat allemaal te laten zien. In Hebreeën 10 wordt ook weer een citaat gegeven van Psalm 110 vers 1. Dat is het nadeel natuurlijk als je dat op deze manier doet, want als ik wat vertel over de Hebreeënbrief… Daarin wordt uitleg gegeven en ook aangetoond wie de Messias is. Ook vanuit het Oude Testament, vanuit de Hebreeuwse Bijbel, wordt aangetoond en uitgelegd dat Jezus daarin de volmaakte vervulling is.

Hebreeën 10 spreekt over de offerdienst en de betekenis daarvan, en dan staat er in Hebreeën 10 vers 12: “Maar deze,” – het gaat over de Messias – “na één slachtoffer ten behoeve van de zonden te hebben gebracht, is voortdurend gaan zitten aan Gods rechterhand.” Dat wil zeggen dat Hij daar nu bij voortduring is. Er wordt nog iets bij gezegd: Hij is daar gezeten omdat Hij eens voor altijd het offer heeft gebracht. Wat de schrijver van de Hebreeënbrief hier betoogt, is dat God in het Oude Testament vele offers had ingesteld, maar hij zegt dat al die offers vooruitwijzen. Al die offers op zich hadden geen enkele betekenis en konden niets doen, maar het spreekt van het ene offer, namelijk dat wat gebeurd is toen Jezus stierf. Toen werd Hij geslacht en vervolgens werd Hij geofferd; Hij werd verhoogd aan Gods rechterhand.

“Deze, na één slachtoffer ten behoeve van de zonden te hebben gebracht…” We hebben het daarvoor al een keer over gehad toen we in dat andere gebouw samenkwamen. Hij stierf, Hij werd geslacht en vervolgens werd Hij een offer. Het woord ‘slachtoffer’ is heel mooi: Hij werd geslacht toen Hij naar het kruis ging, en vervolgens werd Hij geofferd, dat wil zeggen: verhoogd aan Gods rechterhand. Daar is Hij nu, en de dood is definitief overwonnen. Daarom kon Hij nu zitten. Hij is daar gezeten. Dat wordt ook uitgelegd in de Hebreeënbrief: in de tabernakel, in de tempel, stonden geen stoelen. Het idee daarbij is dat die offerdienst voortdurend doorging; dat was nooit klaar. Maar Hij is na één offer gaan zitten. Dat betekent dat het gewoon gedaan is. Het is gebeurd, het is volbracht. Ja, met recht: het is volbracht. Hij is nu gaan zitten aan Gods rechterhand.

En dan staat er: “…voorts wachtend totdat Zijn vijanden geplaatst zullen worden tot een voetbank voor Zijn voeten.” Maar waar hebben we dat eerder gelezen? Juist, in Psalm 110 vers 1. Het was trouwens in Hebreeën 1 ook al aan de orde gekomen. Wat je hier dus ziet, is nog iets: Hij is gezeten, dat wil zeggen dat het werk is gedaan. Hij kan dus met recht gaan zitten en bovendien wacht Hij. Je kunt van alles zeggen over de huidige positie van de Heer Jezus Christus en over wat Hij doet, want Hij doet wel degelijk het een en ander, maar let op wat hier staat: Hij wacht. Hij wacht totdat het moment daar is en dan zal Hij verschijnen. Hij is nu eigenlijk in het hemels heiligdom en dan zal Hij uit het heiligdom komen. Dan gaat Hij daadwerkelijk heersen en zal Hij ook blijken de Zoon van David te zijn. Dan zal Israël tot erkenning komen: “Hij is de Messias.” Dan gaat Hij ook inderdaad alles vervullen wat ze tot dusver nog niet hebben gezien.

Nee, de Zoon van David zelf wacht daar nu op. Waar is Hij? Aan Gods rechterhand. Kun je dat zien? Nee, want God is in de hemel boven en daar is Hij nu ook. Hij is dus, dat wordt ook in de Hebreeënbrief uitgelegd, nu daar achter het voorhangsel. Terwijl ik het zeg, denk ik: wat haal ik me allemaal in mijn hoofd? Er lopen zoveel lijntjes en tegelijkertijd is het ook weer heel simpel. Dat moet ik erbij zeggen, want die lijntjes lopen allemaal parallel of ze raken elkaar weer. Het mooie is dat als je het op de een of andere manier kwijtraakt, je het op een andere manier weer terugvindt. Dat is wel erg mooi. Maar ziet u, Hij is daar aan Gods rechterhand en daar wacht Hij, totdat het allemaal in vervulling gaat en Zijn vijanden geplaatst zullen worden tot een voetbank voor Zijn voeten, zo aan Hem onderworpen. Ja, en deze laat ik nu eventjes zitten.

De Laatste Vijand Tenietgedaan: Allen in Christus Levend Gemaakt (1 Korinthe 15) ↑ hoofdstukken

Ik neem u nog even mee naar 1 Korinthe 15. Efeze 1 komt nog; ik heb me een beetje verkeken op de tijd. 1 Korinthe 15 is het laatste waar ik u nog even mee naartoe wil nemen om te laten zien hoe geweldig dit alles ook voor ons is. Want Psalm 110 vertelt ons: Hij is daar nu. Waar is de Messias? Niet hier op aarde, nee, Hij is aan Gods rechterhand. Maar Hij gaat de vijanden aan Zich onderwerpen. Compleet. En daarom neem ik u mee naar 1 Korinthe 15.

U weet het: dat is het hoofdstuk over de overwinning op de dood. De steen is weggerold en Hij is opgestaan uit het graf. Nieuw leven heeft Hij aan het licht gebracht. Ja, zie daar. Waarom moest Hij sterven? Wel, om dat aan het licht te brengen. En dan? Hij zal straks in Zijn parousia terugkeren. Dan gaat Hij als Koning heersen. Dat doet Hij nu niet; Hij wacht. Maar straks gaat Hij komen en dan gaat Hij heersen als Koning. Paulus zegt dan in 1 Korinthe 15 dat Hij als Koning moet heersen totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zou plaatsen. Het lijkt mij duidelijk: ook dit refereert aan Psalm 110. Onmiskenbaar.

En nu moet u eens opletten. Hij moet als Koning heersen. Wij zeggen dan… er zijn allerlei christelijke liedjes. Ik zei net wat onaardige dingen over het jodendom, maar laat ik daar ook iets onaardigs over het christendom zeggen. Onze liederen zeggen dan dat Hij moet heersen tot in alle eeuwigheden en dat er nooit meer een eind aan komt. Forget it. Er komt wel een eind aan. Hij moet heersen totdat! Want Hij gaat namelijk Zijn missie volbrengen, namelijk alle vijanden aan Zich onderwerpen. Dat is een heel proces en daar gaan we het de komende keren ook echt over hebben, maar ik ga u nu meteen even meenemen naar het einde.

Over de laatste vijand hoeven we ook helemaal niet te fantaseren, want Paulus zegt wat die laatste vijand is. Hij moet als Koning heersen totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten zal plaatsen. Dat gaat Hij dus doen. De laatste vijand die tenietgedaan wordt, dat is de dood. Aha! Je zou natuurlijk door moeten lezen en dan lees je inderdaad: als dat ook gebeurd is, dan houdt Zijn heerschappij op. Dan geeft Hij een volmaakt Koninkrijk weer terug aan Zijn God en Vader. Dat noemen ze de abdicatie: Zijn troonsafstand. Dan gaat Hij afstand nemen van de troon en dan geeft Hij dat allemaal weer terug aan Zijn God en Vader.

Maar let op: de laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood. De dood wordt tenietgedaan. Weet u wat dat betekent? Het gekke is dat je dat eigenlijk helemaal niet hoeft uit te leggen, behalve — en nu ga ik weer iets onaardigs zeggen — behalve aan christenen. Die weten dat niet. Dat de dood tenietgedaan wordt, betekent gewoon heel simpel: dat er geen dood meer is. En weet u wat dat betekent? Dat allen die dood zijn, levend zijn gemaakt. Maar dat verzin ik niet hoor; dat volgt niet alleen maar uit de logica. Lees maar even terug in 1 Korinthe 15. Daar staat: “Zoals in Adam allen sterven” — nu niet allemaal tegelijk, we leven ook niet allemaal tegelijk — “zo zullen in Christus allen worden levend gemaakt.” Dus de hele mensheid.

Ja, maar dan moet je… nee, je hóéft dat niet te geloven, want dat gebeurt toch wel. Ik bedoel, je sterft ook wel zonder dat je het denkt. Er zijn mensen die denken dat ze niet sterven, maar sorry, daaraan ben je gewoon onderworpen. Dat is een gegeven, dat is een mededeling. En alle mensen, ieder in zijn eigen rang… We hebben de natuurlessen inmiddels al gelezen. Ik ben het vergeten, maar we zijn niet allemaal zulke eerstelingen. Niet alles heeft daarin dezelfde timing. Alles op zijn tijd. En het is zo’n geweldig voorrecht om inderdaad nu een eersteling te mogen zijn. Maar iedereen volgt en alle mensen gaan levend gemaakt worden. Waarom? God wil dat. En God gaat alle vijanden van Christus aan Zich onderwerpen, en de laatste vijand is de dood. Dan is er geen dood meer.

Dat betekent: allen zijn levend gemaakt. En dan leven allen en dan wordt God ook werkelijk alles in allen. In feite is dit het Evangelie, lieve mensen. Dat hangt niet van ons af. God heeft dit verklaard, plechtig verklaard, gezworen: de dood wordt tenietgedaan en het leven triomfeert. Kijk, dat is nu echt een boodschap waarvan je werkelijk kunt zeggen dat dit een blijde tijding is. Of een mens het nu gelooft of niet, dit is de waarheid. Dit is wat God belooft en bij ede verklaart. En dat is precies ook de reden waarom we met zoveel reden blij kunnen zijn, vrede kunnen hebben en uit kunnen zien naar die stralende toekomst. Wordt vervolgd. Dit was vers 1, tenminste een deel daarvan.

🎧 Psalm 110 (1) – zit aan mijn rechterhand!

Powered by RedCircle

Delen: