GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Psalm 110 (3) – Priester naar de orde van Melchizedek

10-03-2019 - Geplaatst door Andre Piet
toespraak gehouden zondag 10 maart 2019 in Zoetermeer

Op twee manieren beschrijft Psalm 110 kernachtig de huidige positie van Christus in de hemel: aan Gods rechterhand en als Priester naar de orde van Melchizedek. Aan dat laatste hangt een uitzonderlijk zwaar gewicht: God heeft het zelfs bij ede gezworen! Dat roept de vraag op: wat is er zo bijzonder aan het priesterschap van Melchizedek? Trouwens, wie was hij eigenlijk?

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze Bijbelstudie focust op Psalm 110 vers 4, waar God met een onberouwelijke eed zweert dat de Messias priester is naar de orde van Melchizedek. Er wordt uitgelegd hoe deze mysterieuze koning-priester uit Genesis veertien een beeld is van Christus' eeuwige priesterschap op basis van onverwoestbaar leven. Momenteel bevindt Christus zich als priester in het hemelse heiligdom, wat gelovigen een vast anker van hoop biedt. Straks zal Hij daaruit tevoorschijn komen om wereldwijd als Koning-Priester te regeren vanuit Sion.

“Jezus Christus is priester. Hier op aarde was hij geen priester, hij was uit de stam van Juda. Nee, maar hij is priester geworden krachtens onvernietigbaar leven.”

Introductie en de Profetische Tijdlijn van Psalm 110 ↑ hoofdstukken

Voor de derde keer gaan wij ons vanmorgen op deze plaats bezighouden met Psalm 110. Dat is weliswaar een betrekkelijk korte psalm, maar er is zoveel over te melden. Het zijn maar zeven verzen, maar de diepgang – of misschien moet ik beter zeggen: de hoogten die daarin worden bereikt – is enorm. De perspectieven die het toont, zoals het plaatje dat eigenlijk ook aangeeft, zijn geweldig groots en daarom hebben we alle reden om daar eens goed aandacht aan te geven.

Psalm 110 is een zogenoemde messiaanse psalm, maar dat lijkt mij een tamelijk open deur, want dat is eigenlijk elke psalm. Heel de Schrift spreekt van Christus, dus dat zou je op voorhand ook kunnen aannemen; de psalmen vormen daarop geen uitzondering. Maar bij Psalm 110 komt daar nog iets extra’s bij, en dat is dat deze psalm ook vele malen in het Nieuwe Testament wordt aangehaald of dat er op zijn minst aan wordt gerefereerd. We zullen dat ook zien. Vandaag zullen we trouwens slechts één vers behandelen, en wel het vierde vers uit Psalm 110. Maar misschien is het goed om, al was het maar voor degenen die hier eerder niet waren, nog even scherp te stellen waar we het ook alweer over hadden.

Structureel benaderd valt de psalm eigenlijk uiteen in twee delen. Er is een duidelijke knip, wat betekent dat vers 1 overeenkomt met vers 4, net zo goed als dat vers 2 en 3 overeenkomen met vers 5b tot aan het einde. Het eerste vers, waar we ons de eerste keer uitsluitend mee hebben beziggehouden, gaat over de positie van de Messias, Christus, vandaag. Het gaat over het feit dat de Messias, Davids Heer, gezeten is aan Gods rechterhand. Dat is precies de positie van Jezus Christus vandaag. Er wordt tegen hem gezegd: “Zet u aan mijn rechterhand.” Dat wordt uiteraard gezegd tegen iemand op aarde, die zich vervolgens bij God zou voegen om daar de ereplaats te bezitten. Daar zou hij dan ook wachten totdat zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank voor zijn voeten.

Zoals het eerste vers spreekt over de positie van Christus vandaag, is dat net zo goed het geval met vers 4. De structuur veronderstelt dat ook al. In dit vers – zo kan ik alvast verklappen – zegt God tegen de Messias, Davids Heer: “U bent priester tot in de aeon naar de orde van Melchizedek.” Dat spreekt ook van zijn plaats vandaag aan Gods rechterhand in het hemels heiligdom. Dat is de positie van Christus vandaag. Vers 2 en 3, en ook vers 5b tot aan het einde, spreken daarentegen over de toekomst. Wanneer Christus eenmaal uit het heiligdom en uit de hemel is gekomen, zal hij hier op aarde zijn koninkrijk gaan vestigen. Daar spreken deze verzen van, en daar hebben we ons de vorige keer mee beziggehouden. In dat toekomstperspectief wordt het koninkrijk gevestigd in Sion en vervolgens uitgebreid te midden van een vijandige omgeving. Het koninkrijk wordt gevestigd over alle volkeren, via Israël. Eerst bij Israël en vervolgens wordt heel de volkerenwereld onderworpen. Dat is het toekomstige koninkrijk en dat doet hij met grote voortvarendheid en succes, waar deze laatste verzen met name van spreken.

Alle vijanden zullen worden gesteld tot een voetbank voor zijn voeten. Dat gaat heel ver; in feite gaat dat nog veel verder dan de toekomende aeon. Paulus refereert daar bijvoorbeeld ook aan in 1 Korinthiërs 15. Alle vijanden worden aan hem ondergeschikt gemaakt, totdat uiteindelijk zelfs de laatste vijand, de dood, tenietgedaan wordt. Dat betekent dat allen levend worden gemaakt en dat Gods plan voltooid is. Dat betekent dus dat ook in Psalm 110 impliciet – het zit erin begrepen, het ligt erin besloten of verborgen – de belofte ligt dat heel Gods plan tot voltooiing zal worden gebracht. Alle vijanden zullen worden gesteld tot een voetbank voor zijn voeten.

Maar dat is toekomstmuziek. Dat zal trouwens ook niet allemaal op een achternamiddag gebeuren; sterker nog, er liggen nog wereldtijden te wachten. De toekomende aeon is sowieso al een millennium, duizend jaren, en daarna volgt de nog weer overtreffende aeon, wanneer een nieuw hemels Jeruzalem zal neerdalen vanuit de hemel op de aarde. Maar ook dat is nog niet eens de voltooiing. Uiteindelijk wordt als laatste de dood tenietgedaan, en dat is de aanleiding dat de Zoon ook afstand gaat doen van de troon en de heerschappij. Hij zal het koninkrijk overdragen aan zijn God en Vader, van wie hij het ooit heeft ontvangen. Kortom: de perspectieven zijn enorm weids en groots. Je moet echt een verrekijker opzetten om helemaal het einde te zien, maar dat is adembenemend groot. God gaat alles op zijn tijd, naar het tijdpad dat hij gesteld heeft, vervullen.

Misschien is het goed om even een tijdlijn te tonen, hoewel ik dat eigenlijk nu al min of meer heb gedaan. Maar goed, even grafisch dus. In vers 1 wordt gesproken over de zoon van David – want over hem hebben we het. Hij is Davids Heer, maar hij is ook Davids zoon. Het is een profetie van David waarin hij spreekt over iemand die pas duizend jaar later geboren zou worden, maar die verhoogd zou worden. JAHWEH spreekt Davids Heer, de Messias, op aarde aan en tegen hem wordt gezegd: “Zit aan mijn rechterhand.” Dat is zijn verhoging. In vers 1 en 4 wordt gesproken over het feit dat hij gezeten is aan Gods rechterhand, in de hemel dus. Ik heb hem op de tijdlijn expres even boven de lijn gezet, want de lijn zelf is de lijn hier op aarde, en hier is eigenlijk sprake van een onderbreking.

Dat is de tijd waarin wij leven, de tijd waarin Christus gezeten is aan Gods rechterhand. Het is in die zin een onderbreking, want we hebben de eerste keer gezien dat in de Hebreeënbrief wordt aangeduid – en in Psalm 110 wordt het ook gezegd – dat hij daar wacht. Hij is daar gezeten en hij wacht tot het moment aanbreekt dat zijn vijanden gesteld zullen worden tot een voetbank voor zijn voeten. Nu wacht hij, en ondertussen is hij priester naar de orde van Melchizedek. Daarover straks nog veel meer. Vers 1 en vers 4 komen met elkaar overeen en spreken van deze tijd, van deze onderbreking. Het is dan ook logisch dat juist vers 1 en vers 4 in het Nieuwe Testament, en met name in de Hebreeënbrief, zo’n enorme rol spelen. Ze spreken immers van deze tijd. Wij kijken erop terug: Christus heeft hier op aarde zijn werk voltooid en is verhoogd; God heeft hem uit de doden opgewekt. Waar is hij nu? Hij is niet hier, maar hij komt weer terug. Nu is hij dus – dat is vers 1 en 4 – gezeten aan Gods rechterhand. Wat daarna volgt, is de toekomst. Hij regeert in Sion en ook vanuit Sion, en hij gaat alle vijanden aan zich onderschikken. Je zou kunnen zeggen dat dit de toekomende aeon is, maar ik heb hier geen eindpunt getekend; het is een voortgaan. Het is zoals gezegd een heel proces waarin alles uiteindelijk compleet tot voltooiing zal worden gebracht.

Dus Psalm 110, je kunt er gewoon een perfecte tijdlijn op loslaten, om het zo maar te zeggen. En dan krijg je dit te zien. Het is buitengewoon belangrijk om ook te weten: waar staan wij nu?

Nou, dat is heel makkelijk. Wij staan hier. Dat wil zeggen: hier werd de Heer verhoogd, en dat is dus aan het begin van onze jaartelling. Wij zitten nu tegen het einde van het zesde millennium en dat betekent dat wij nu hier zitten. Ja, ‘zitten’ – met Hem gezeten, maar dat heb ik u ook laten zien.

Dat betekent ook dat deze dingen natuurlijk in hoge mate steeds actueler worden. Want het gaat binnen niet al te lange tijd zijn beslag krijgen hier op aarde.

De Onberouwelijke Eedzwering van Jahweh ↑ hoofdstukken

Okay, ik zei al, we gaan vandaag focussen op slechts één vers. En dat is dit vers: Psalm 110, vers 4. JAHWEH heeft gezworen en er staat bij: het zal Hem niet spijten, niet berouwen, en Hij begeeft Zijn dading niet. U bent namelijk… en eigenlijk volgt hier dus het citaat, dat is wat JAHWEH zegt, en Hij zegt tegen Davids Heer, de Messias: U bent priester tot in de aeon. Tot in de aeon, dat is dat millennium, die Sabbatdag die over deze wereld zal aanbreken. En dan staat erbij: naar de orde van Melchizedek. Wat betekent dat? Nou, dat moeten we eens even goed helder krijgen. We hebben daar natuurlijk bij andere gelegenheden ooit… Want ja, we komen hier al zo lang samen inmiddels. Ik geloof dat we… Ik heb het nog wel even nagekeken: in 2012 hebben we dus een paar keer zelfs over Melchizedek nog nagedacht. Maar ja, het is goed om zo’n belangrijk thema nog weer eens, en nu via dit traject zeg maar, te belichten.

Eerst dit: JAHWEH heeft gezworen. Dat is een tamelijk uniek ding. Want God belooft doorgaans en Zijn woord is altijd vast. En waarom zou Hij moeten zweren, zou je kunnen zeggen? Want Zijn ja is toch ja en Zijn nee is nee? Dus ja, waarom? Nou, daar is een hele mooie verklaring voor, maar dat parkeer ik nog eventjes. We vinden het maar vier keer trouwens in het Oude Testament dat God een eedzwering doet. De eerste keer in Genesis 22, als Abraham zijn zoon geofferd heeft. Trouwens, dat was bij het gebergte van Moria. En dan lees je dat op grond van het offeren van de zoon – ik hoop dat u net zo dubbelzinnig luistert als dat ik dit nu voorlees – op grond van het offer van de zoon belooft God aan Abraham de zegen voor Abrahams zaad, zijn nageslacht, en door Abrahams zaad, namelijk voor alle geslachten van de aardbodem. En dat belooft God niet alleen, Hij zweert dat. En dat is heel mooi, want dat is eigenlijk een dubbele bevestiging.

Hoe doe je dat? Een mens zweert door God aan te roepen, namelijk de hoogste macht. Maar hoe doet God dat dan? Nou, Die doet dat ook. Hij beroept zich op de hoogste naam; Hij zweert bij Zichzelf dus. Dat is wat we dan lezen. En dat is een dubbele bevestiging. Maar goed, Genesis 22 de eerste keer. De volgende keer, dat is in Psalm 95 vers 11. Daar lees je dat God zweert dat niet anders dan door geloof het volk zou ingaan in het land en de Sabbatrust zou meemaken. Dat is nog een hele mond vol. Je zou het in verband met Zijn naam moeten kijken. Maar dat zegt God niet alleen maar, Hij zweert het. Nog één: Psalm 110 vers 4. Maar daar hebben we het nu over, dat is de bovenstaande tekst dus. En ten slotte de laatste keer, dat is in Jesaja 45 vers 23, en daar lees je dat God zegt: “Dat Ik zweer bij Mijzelf dat voor Mij elke knie zal buigen en elke tong zal belijden.”

Het is opmerkelijk dat alle vier deze eedzweringen van God in het Oude Testament worden aangehaald in het Nieuwe Testament. En van drie daarvan in de Hebreeënbrief. Genesis 22 wordt aangehaald in Hebreeën 6, Psalm 95 in Hebreeën 4 en Psalm 110 in Hebreeën 5, 6 en 7. Jesaja 45 niet in de Hebreeënbrief, maar dat wordt weer aangehaald door Paulus in Filippenzen 2. Wat overigens op zich wel vrij logisch is. Want ja, als God iets zo krachtig met zoveel bekrachtiging en een dubbele bevestiging zegt en verklaart, dan moet dat toch wel buitengewoon gewichtig zijn. En vandaar ook dat dat aangehaald wordt.

JAHWEH heeft gezworen. En hier is dus weer zo’n eedzwering. En wat is die eedzwering? Nou, dat is dat Hij verklaart dat Davids zoon, de koning, een priester zal zijn tot in de aeon, namelijk naar de ordening van Melchizedek. Dat is ook een eedzwering. Er staat nog bij: het zal Hem niet spijten. Dat noemen ze dan parallelisme. In de tweede zin wordt min of meer herhaald of op een andere manier geformuleerd wat in de eerste zin eigenlijk al besloten ligt. Want als God iets zweert, dan doe je dat natuurlijk omdat je daar absoluut zeker van bent. Het zal Hem niet spijten. In het algemeen kan dat al niet. Er staat een mooie, die moet u ook kennen: Numeri 23. Dat is trouwens een woord dat Bileam uitsprak. En Bileam die zei dit, en later wordt dat ook in Samuël nog in woorden van gelijke strekking gezegd: “God is geen man dat Hij liegen zou.” Want dat is typisch menselijk, hè? Iets zeggen, maar ja… Hoe staat het ook weer in de psalmen en later wordt het ook aangehaald door Paulus: “God waarachtig en alle mensen leugenachtig.”

Dat maakt je misschien erg bang. Trouwens, nou laat ik het zo zeggen: pas van de week had ik daar nog een heel gesprek over. Hoe sta je in het leven? Sommige mensen die vertrouwen echt niemand op voorhand. Dan krijg je echt zo’n… als jij natuurlijk leeft altijd met het idee dat alles één grote samenzwering is, dan vertrouw je dus niks en niemand, tenzij iemand bewijst dat die wel betrouwbaar is. Maar de grondhouding is dat je dan dus eigenlijk wantrouwend naar iedereen staat. Je hebt mensen die inderdaad zo in het leven staan. Ik keer het liever om: ik vertrouw iedereen totdat het tegenbeeld blijkt. En dan kun je zeggen: ja, maar dan moet je ook weleens een keer gefrustreerd worden. Maar als je er op voorhand van uitgaat dat dat mogelijk is, ik denk dat daar veel beter mee te leven valt. Als je zo inderdaad in het leven staat en met vertrouwen, in plaats van dat er achter elke boom een spook is. Nee, maar even terug ter zake.

Het is zo dat er staat, ook in de psalmen: “Gelukkig is hij die Jakobs God ter hulpe heeft.” En dan staat er ook bij – ik heb het bijna voor me liggen, Psalm 146: “Vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind bij wie geen heil is.” Stelt zelfs op prinsen geen betrouwen. Dat wil zeggen: weet altijd dat het een mens is. Daar kun je zomaar doorheen zakken. Met dat voorbehoud. God is geen man dat Hij liegen zou of een mensenzoon of een mensenkind dat Hij spijt zou hebben. Spijt is uiteraard volkomen vreemd aan God. Spijt veronderstelt namelijk dat je van tevoren dingen niet gezien of geweten hebt. Dan heb je spijt: “Als ik dat geweten had, dan had ik het niet gedaan.” Maar voor Iemand die het heden kent, de toekomst overziet, voor Hem die alwetend is, staat spijt niet in Zijn woordenboek. Dat is volkomen vreemd aan Hem.

Geweldig! God hoeft daarom ook nooit op een plan B over te schakelen. Wat ik nu zeg lijkt mij zo evident, het is zo logisch: als God kan Hij dus nooit spijt hebben en kan er bij Hem ook nooit iets misgaan. Je zou gedacht hebben dat heel veel mensen – christenen inclusief eigenlijk – maar zo’n klein godje hebben en wel denken dat God… ja, maar dat had Hij niet geweten en nou moet Hij het weer anders gaan doen. Dan is Hij niet de beschikker. Dan heb je geen God, dan heb je een godje. Maar God liegt niet. Hij heeft geen mensenzoon dat Hij spijt zou hebben. Zou Hij zeggen en niet doen? Of spreken en niet volbrengen? Dat zijn retorische vragen. Natuurlijk niet! Dat wat Hij zegt, dat gebeurt gewoon. En als Hij dat met een eed zweert, nou ja, dan hoef je daar al helemaal niet aan te twijfelen.

Weer even terug naar Psalm 110. Want ja, we moeten het natuurlijk gaan hebben over het eigenlijke woord van wat JAHWEH dan zweert en waar Hij inderdaad never nooit spijt van zou hebben. Hij zegt: “U bent priester tot in de aeon.” U bent priester. Kijk, en dat is wat je goed moet realiseren en wat hier nu eigenlijk aan de hand is. Er is hier sprake van de zoon van David, Hij die als koning zal heersen in Sion, tegen wie al eerder was gezegd: “Zet U aan Mijn rechterhand.” En nu wordt er gezegd: “Jij bent…”

Priester, en wel tot in de aeon. Dit wordt eigenlijk dus ook al gezegd voorafgaand aan die aeon. Als je het letterlijk leest – en zo lezen we de Schrift – wordt voorafgaand aan de aeon al gezegd: “Jij bent priester tot in de aeon.” Niet tot in eeuwigheid, dat staat er niet, maar tot in de aeon.

Dat betekent: hij is koning, maar ook priester, en zelfs eerst priester. En dan staat erbij: naar de ordening van Melchizedek. Nou, wie was nou die Melchizedek? En waarom staat er nu: “Je bent priester naar de ordening van Melchizedek”? Deze woorden zijn opgetekend door David, pakweg duizend jaar voor Christus.

De Mysterieuze Ontmoeting met Melchizedek ↑ hoofdstukken

David leefde ongeveer 3000 jaar geleden, maar Melchizedek is een figuur die nog weer duizend jaar eerder leefde, namelijk in de dagen van Abram. Zoals wij nu 2000 jaar na Christus leven, zo leefde Melchizedek 2000 jaar vóór Christus; de geschiedenis vond dus inmiddels 4000 jaar geleden plaats. In Genesis 14 wordt dat verhaald. Er wordt slechts in een drietal verzen over hem gesproken en hij is een heel mysterieus iemand.

Laten we het eens lezen; we gaan naar Genesis 14. Zojuist had Abraham zijn neef Lot uit de ellende gehaald nadat hij er met een klein legertje van 318 man op uit was getrokken. Hij had Lot inderdaad bevrijd en was met een buit teruggekomen. Wanneer Abram op de terugtocht is, ontmoet hij Melchizedek. De naam Melchizedek betekent trouwens ‘koning van gerechtigheid’. Melchi (melech) is koning en tzedek is rechtvaardigheid of gerechtigheid. Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn naar buiten; hij was namelijk priester van God de Allerhoogste.

Hij was koning van Salem. Het leuke is dat we die naam Salem nog een keer tegenkomen, misschien zelfs meerdere keren, maar in ieder geval in Psalm 76. Daar is Salem gewoon een andere naam voor Jeruzalem, voor Sion. Dat is opmerkelijk, want de stad Jeruzalem werd eigenlijk pas echt gebouwd in de dagen van David, waarna het de hoofdstad werd. Maar duizend jaar eerder was daar dus al een koning van Salem. De naam Salem is verwant aan het woord shalom, wat gewoon vrede betekent. Zo wordt het ook uitgelegd: hij was de koning van vrede.

Als je die locatie heel serieus neemt en weet dat het een andere naam is voor Jeruzalem, dan was daar dus al ver voor David — al tien eeuwen eerder — een plaats. Jebus, ja, maar de naam was Salem en daar was een koning: Melchizedek. Dit is eigenaardig, want als de Messias priester is naar de ordening van Melchizedek, dan betekent dit dat Hij ooit zal regeren op dezelfde plaats en koning zal zijn op exact dezelfde locatie als waar ooit Melchizedek koning was. Natuurlijk zitten daar alle betekenissen van Salem bij — Hij zal een koning van vrede zijn — maar ook de locatie komt exact overeen.

Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn voort. Dat wil zeggen: hij bracht het mee voor Abram en misschien voor zijn mannen. Daar zouden we eigenlijk goed aandacht aan moeten geven: want hoezo brood en wijn? Brood spreekt van leven en wijn spreekt eigenlijk van overvloed en van vreugde. Wijn is een embleem van overvloedig leven. Eigenlijk is de combinatie dus ‘overvloedig leven’ en feitelijk is het een type van het opstandingsleven. Je hebt immers leven, en je hebt overvloed van leven; dat is precies wat leven uit de dood is.

Houd dat even vast, want die tekenen van brood en wijn spreken, wanneer ze gedeeld worden, ook van de eenheid van de gelovigen, maar bovenal van het opstandingsleven dat Jezus Christus aan het licht bracht. Hij bracht brood en wijn voort en er staat bij: “hij nu was priester van God de Allerhoogste.” Dat zou ons te denken moeten geven. Hij was dus koning, maar hij was ook priester: koning én priester. Onder de wet was die combinatie van koningschap en priesterschap onmogelijk. Dit was echter in de dagen van Abraham en de wet werd pas 430 jaar later gegeven. Onder de wet had je de priesterlijke stam, de stam van Levi, en de koninklijke stam, de stam van Juda. Een koning kwam uit het geslacht van Juda en een priester uit de stam van Levi; je kon dus nooit koning en priester in één zijn.

Koningschap en Priesterschap: een Onmogelijke Combinatie Onder de Wet ↑ hoofdstukken

Onder de wet waren koningschap en priesterschap twee totaal verschillende dingen; het was een onmogelijke combinatie. Maar hier in Genesis ontmoet Abram Melchizedek. Hij was koning, maar hij was ook priester. Ja, en dan moet ik er nog iets bij zeggen dat deze Melchizedek zo mysterieus maakt. Normaal gesproken is het namelijk zo dat als je leest over een koning die enige betekenis heeft, erbij wordt vermeld uit welk huis of uit welk geslachtsregister hij stamde. Er wordt melding gemaakt dat hij de zoon was van die en die, hoe oud hij was, of er wordt een melding gemaakt van zijn sterfjaar. Over deze Melchizedek wordt echter helemaal niets verder gezegd, behalve dat hij koning van Salem was en priester van God de Allerhoogste.

Wat betreft de data en de achtergrondinformatie ontbreekt verder alles. En zelfs dát heeft betekenis: het feit dat hij zo mysterieus is. Dat hij komt zonder dat er melding wordt gemaakt van zijn geslachtsregister of van zijn sterven – helemaal niets – dat heeft een verstrekkende betekenis. Want het verwijst naar iets waar een heel hoofdstuk in de Hebreeënbrief uitgebreid op ingaat, namelijk Hebreeën 7. Daar wordt uitgelegd waarom dit niet vermeld wordt. Melchizedek spreekt namelijk van een priesterschap dat niet is overgeërfd. Melchizedek was geen priester op basis van zijn stamboom, want die stamboom wordt helemaal niet vermeld.

Als je onder het Oude Verbond een priester was, dan moest je dat kunnen overleggen. Je moest simpelweg je stamboom kunnen aantonen; dat was volkomen helder en zelfs essentieel om dat ambt überhaupt te kunnen vervullen. Melchizedek wordt op die manier niet eens vermeld, maar dat is nu juist het hele punt. Deze Melchizedek was het helemaal niet op grond van zijn erfrecht, op grond van zijn ouders of op grond van zijn stamboom. Er wordt trouwens ook geen melding gemaakt dat hij weer het veld ruimde of dat hij stierf. Nee, ook dat is zo belangrijk. Hij komt zomaar in het verhaal en hij verdwijnt zomaar weer, maar zonder dat hij sterft. Je hebt zo’n liedje – ik hoorde het deze week nog: hij kwam binnen zonder kloppen en hij vertrok zonder een woord. Nou, zo is het hem wel gezeten.

In de Hebreeënbrief wordt uitgelegd dat deze Melchizedek inderdaad geen priester was op grond van een stamboom. Bovendien is hij niet gestorven; dat wil zeggen, het wordt niet vermeld. En dat is nu juist waarin hij een type is. Hij is namelijk een type van dé Priester die het ook niet is op basis van Zijn stamboom. Onze Heer heeft wel een stamboom, dat is waar, maar die stamboom maakt Hem tot koning. Hij is uit de stam van Juda, een zoon en erfgenaam van David. Maar Hij is priester naar de ordening van Melchizedek.

En dat betekent dat Hij priester is, niet op grond van Zijn afstamming. Want als dat zo was geweest, had Hij uit de stam van Levi moeten komen. Nee, Hij is naar een heel andere ordening priester, namelijk naar de ordening van Melchizedek, die het ook niet was op basis van zijn stamboom. Bovendien was Melchizedek priester én koning, en dat is precies wat de Davidszoon ook zal zijn. Hij zal Koning zijn, jawel, maar ook – en in de eerste plaats zelfs – Priester. Dat priesterschap heeft Hij dus niet op basis van Zijn stamboom. En dan nog iets: Hij is Priester terwijl Hij niet sterft. Hij heeft onvergankelijk leven, en dat maakt Hem nu juist ook een Priester naar de ordening van Melchizedek.

El Elyon: God de Allerhoogste als Triomfator ↑ hoofdstukken

Ik zei al: er is heel weinig informatie over deze Melchizedek, maar laten we dan toch in ieder geval lezen wat er van hem vermeld wordt. Hij was priester, staat erbij, van God de Allerhoogste, van El Elyon. Dat is een van de namen: God de Allerhoogste, El Elyon. En ‘de Allerhoogste’ – als je even doordenkt over die term, dan ligt dat eigenlijk nogal voor de hand, maar het is een overtreffende trap. De Allerhoogste: je hebt hoog, hoger en de Hoogste. Hij is de Allerhoogste.

Maar dat betekent dat er een vergelijking wordt gemaakt. Hij overtreft, en vandaar ook de term. Kijk het maar eens na, pak tegenwoordig een concordantie of neem een Bijbelprogramma. Tik in ‘Allerhoogste’ en je krijgt gewoon alle vermeldingen. Dan zul je zien dat de term – de naam, zo u wilt – ‘Allerhoogste’ verwijst naar het feit dat Hij triomfeert. Hij overwint namelijk Zijn vijanden. God de Allerhoogste is Degene die over alle vijandschap gaat triomferen. Dat is trouwens ook hier heel duidelijk het geval, in Psalm 110.

En trouwens, wat dacht u? Als Abram hier Melchizedek ontmoet, heeft hij juist de overwinning behaald: de triomf. Dus ook in dat opzicht klopt het helemaal. Het feit dat hun wegen elkaar kruisen, dat Abram Melchizedek ontmoet juist op dit moment, op zijn triomftocht… Ja, het ligt heel erg voor de hand dat God dan ook zo genoemd wordt: Hij was de priester van de Allerhoogste. Maar dat verwijst tevens naar de God van de toekomende aeon. Want tot dusver is er tegenstand en vijandschap, en we leven in een boze aeon. Maar in de nadagen – dat wil zeggen: wanneer God gaat ingrijpen – heeft Hij het laatste woord en triomfeert Hij.

Wel, daar heeft Melchizedek alles mee te maken, ook door Degene van wie hij een type is: de Allerhoogste, de Triomfator. Zulke namen zijn er niet voor niets. Als God ‘El Shaddai’ wordt genoemd, de Almachtige, dan wordt uiteraard de nadruk gelegd op en verwezen naar het feit dat Hij alles beschikt, dat Hij alles in Zijn hand heeft, stuurt en plant. Dat is de Almachtige. Maar de Allerhoogste, dat is de Triomfator. Ik lees even verder.

De Aartsvader Abram Gezegend Door de Meerdere ↑ hoofdstukken

Want dan komen we in vers 19. En hij – en dan gaat het over Melchizedek – zegende hem en zei: “Gezegend zij Abram door God de Allerhoogste, Eigenaar van hemel en aarde.” Melchizedek zegent Abram. Dat is weer zo bijzonder. Ook dit wordt weer uitgelegd in Hebreeën 7. Ik geef u eigenlijk een miniversie daarvan, want ik attendeer gewoon op het gegeven dat Abram, de aartsvader, de grote herdervorst die zo’n centrale rol inneemt in het hele goddelijke plan, hier notabene wordt gezegend door Melchizedek.

In Hebreeën 7 vers 7 – makkelijk te onthouden – daar zegt de schrijver: “Ja, het is onwedersprekelijk dat het mindere door het meerdere wordt gezegend.” Zo gaat het altijd: degene die zegent, is de meerdere. Dat betekent dat als Abram hier Melchizedek ontmoet, Abram de mindere is. Dat betekent dat Melchizedek inderdaad iemand van groot formaat moet zijn, terwijl er van hem geen geslachtsregister is gevonden. Maar hij was de koning-priester van Salem en hij zegent Abram. Er staat nog bij in vers 20: “Gezegend zij God de Allerhoogste, die uw benauwers, uw vijanden, in uw hand stelt.” Letterlijk staat er: “Die uw benauwers beschermt in uw hand.” Ik laat dat even rusten, maar ik wil alleen zeggen dat het heel bijzonder wordt geformuleerd. Denk er maar eens over na: Hij beschermt uw benauwers in uw hand.

En dan staat erbij: “En hij” – en dan gaat het weer over Abram – “gaf hem een tiende van alles.” Strikt genomen, als je dit vers leest, zou je nog kunnen denken: is die ‘hij’ nu Abram of is dat Melchizedek? In de tekst kun je dat puur grammaticaal gezien niet eens beslissen. Maar later in de Hebreeënbrief wordt het onmiskenbaar: het is inderdaad Abram. Dus Abram kwam met een grote buit terug en hij geeft aan deze Melchizedek met wie hij die ontmoeting heeft, van wie hij brood en wijn krijgt en door wie hij gezegend werd – Abram geeft hem de tienden aan deze priester, van alles.

In de verklaring in Hebreeën 7 staat erbij: “Aanschouw nu hoe groot deze is, Melchizedek, aan wie Abram de aartsvader een tiende heeft gegeven vanuit de beste dingen van de buit.” Dat wordt dan uitgelegd en dat is machtig mooi. Abram, de aartsvader, is ook de voorvader van Levi. Levi zat nog in de lendenen van Abram de aartsvader. Abram geeft de tiende aan Melchizedek. Maar later was het in de wet zo geregeld dat er een priesterstam was: de Levieten. En hoe was dat? Israël moest tienden geven van alles aan de Levieten, aan de stam van Levi. De stam van Levi werd door de rest onderhouden; Levi had verder geen erfdeel, maar heel Israël was verplicht om de tiende te geven – tien procent dus – aan de Levieten.

Maar nu hebben we hier een ontmoeting van Abram waarin Levi eigenlijk al besloten ligt. En Abram geeft de tiende aan deze Melchizedek. Er is daar veel meer over te zeggen dan ik nu kan, maar het wordt zo’n schitterende uitleg. Hoe groots is dat priesterschap van die Melchizedek dan wel niet? Bij wijze van spreken geeft Levi in Abram al de tiende aan deze priester. Dan is hij de meerdere. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat Melchizedek Abram zegent, maar ook dat Abram aan deze mysterieuze Melchizedek de tiende geeft. Aanschouw dan hoe groot deze is!

Nou, dat is wat we lezen over Melchizedek. Dat is Melchizedek. Over hem lees je in het Oude Testament verder helemaal niets meer dan deze geschiedenis en dan Psalm 110. Duizend jaar later komen we hem in de Psalmen nog één keer tegen. En wel als er geprofeteerd wordt over de Messias. Tegen die Messias wordt dan van Godswege gezegd – Hij zweert dat zelfs – dan komt de geschiedenis van Melchizedek alsnog weer ter sprake en zegt God tegen Zijn Zoon, tegen de Davidszoon zou je ook kunnen zeggen, tegen de Messias: “Jij bent priester, Ik zweer het, jij bent priester tot in de aeon naar de ordening van Melchizedek.”

Net zoals Melchizedek ooit priester was, niet op grond van een stamboom of iets dergelijks, zul jij ook priester zijn. En zoals hij het priesterschap combineerde met het koningschap – bovendien in Salem – zo zul jij ook een priester zijn en Koning in Salem. Maar trouwens, in de eerste plaats priester, want het koningschap van de Messias is feitelijk nog steeds toekomstig. Hij is weliswaar al gesteld tot Koning, maar Hij regeert nog niet. Nee, Hij wacht. Hij is aan Gods rechterhand en Hij wacht totdat Hij gaat regeren. Pas als Hij naar deze aarde zal komen, dan neemt Hij Zijn heerschappij op en wordt Hij daadwerkelijk Koning. Maar Hij is nu al priester, tot in de aeon. Hij is nu reeds priester aan Gods rechterhand; in het hemelse heiligdom is Hij nu de Priester.

Vaste Spijs: de Verborgen Lijnen in de Hebreeënbrief ↑ hoofdstukken

En ja, nu lopen er allemaal draadjes en lijntjes. U zegt: “Ik was hem kwijt”, nou, die lijntjes vind je allemaal terug in de Hebreeënbrief, want daar wordt dat allemaal uitgelegd. De Hebreeënbrief gaat zo diep in op dit soort geschiedenissen en waarom dat zo was, wie die Melchizedek was en wat een opmerkelijk priesterschap die man had. Daar wordt een aantal keren aan gerefereerd in die brief en op drie van de vier keer dat Psalm 110 vers 4 geciteerd wordt, wil ik u graag attenderen.

De eerste keer is in Hebreeën 5 vers 5. Dan staat er dit: “Zo verheerlijkte ook Christus niet zichzelf om hogepriester te worden.” Dat wil zeggen: de Messias heeft dat niet zelf geclaimd, hij heeft dat niet naar zich toe getrokken, maar Hij, God, die tot hem sprak — en ik kan u verklappen, dat is Psalm 2 vers 7. In Den Haag geef ik ook een serie over de Psalmen en daar heb ik juist vorige week over gesproken, over dit vers uit Psalm 2 vers 7: “Mijn zoon ben je, ik heb je vandaag verwekt.” Dat is messiaans; het spreekt inderdaad van de Messias. Het spreekt trouwens van zijn opstanding uit de doden. Ik dacht vroeger: “vandaag” slaat op de dag dat hij verwekt werd uit de doden, dat de steen werd weggewenteld. Dat ga ik nu niet aantonen, want dat is een verhaal apart. Als u er meer over wilt weten, zou u dat audiobestand nog eens moeten beluisteren wat ik vorige week daarover vertelde, maar het is buitengewoon boeiend. Christus heeft zichzelf niet verheerlijkt om hogepriester te worden, maar het was degene die tot hem sprak: “Mijn zoon ben je, ik heb je vandaag verwekt.”

En dan gaat de schrijver van de Hebreeënbrief verder: “Zoals hij ook op een andere plaats zegt”, ook in de Psalmen, namelijk Psalm 110 vers 4 — waar we het vandaag over hebben — “Jij bent priester tot in de aeon naar de ordening van Melchizedek.” Met andere woorden: de Messias, Jezus Christus, heeft dat niet van zichzelf gemaakt. Hij heeft niet zichzelf in die heerlijkheid gesteld; nee, God zelf heeft hem aangesproken: “Jij bent mijn zoon, maar ook jij bent priester tot in de aeon.” Tot in die wereldtijdperiode die gaat komen, en wel priester naar de ordening van Melchizedek.

Zo. En ik lees nu eventjes verder, dit zijn vers 5 en 6 van Hebreeën 5. Nu skip ik even een paar verzen en dan ga ik verder in vers 10: “Aangesproken door God als hogepriester naar de ordening van Melchizedek.” Weer Psalm 110 vers 4. Ja, en dan zegt de schrijver er nog bij: “Omtrent wie” — en dan heeft hij het over Melchizedek — “wij menig woord te wijden hebben.” Dat gaat hij ook doen hoor, want heel Hebreeën 7 gaat erover. Alleen de schrijver beklaagt zich ook een beetje dat hij zo’n lange aanloop nodig heeft, want, zegt hij: “Het is moeilijk uit te leggen omdat jullie traag zijn geworden in het horen.” Dat heeft ook weer een verhaal waarom dat zo was, maar eigenlijk zegt hij: “Ja, jullie zouden dat moeten weten.” Hij zegt ook trouwens dat dit vaste spijs is.

Vaste spijs in de Bijbel heeft altijd te maken met dingen die in het Oude Testament verborgen zijn. Ik bedoel, in die geschiedenis van Melchizedek. Als je gewoon die geschiedenis leest, dan zeg je: nou, een geschiedenis. We weten hoe dat ooit, wij zouden dan zeggen vierduizend jaar geleden, is gegaan: een Abraham die zo’n eigenaardige ontmoeting had. Maar nee, er zit zo enorm veel in verborgen. Dat is vaste spijs; dat is geen melk. Daar moet je op kauwen. Het zijn ook verborgen dingen die onder de oppervlakte liggen, waar je naar moet zoeken, maar wat zich dan allemaal ontsluit en geopend wordt. Ja, dan gaan de Schriften open en juist dan ga je de verbanden zien en zie je de geweldige eenheid. En ik kan u zeggen: dat is vaste spijs, maar het geeft inderdaad kracht. Kijk, als je bij de melk blijft, dan blijf je altijd een papkindje. Dan word je nooit sterk. Als je sterker wilt worden, moet je dit soort dingen gaan ontdekken. Dat is vaste spijs. Daar moet je op kauwen, maar wat een voedingswaarde, wat een kracht en wat een vitaliteit levert het op! Want dit geeft zo’n enorm zicht. Dat is zo groot, maar ook zo sterk hoor. Ja, dat zijn sterke verhalen. Dit zijn echt hele sterke verhalen. U begrijpt wat ik bedoel natuurlijk, hè?

Maar goed, de schrijver zegt: “We hebben heel veel over hem te zeggen.” Er zijn maar drie versjes in het Oude Testament die over zijn geschiedenis gaan, maar we hebben zoveel over hem te zeggen. En wij tippen dat vanmorgen gewoon even aan. Ik ga nog even naar een andere plaats, dat is Hebreeën 7. Nadat er trouwens al heel veel over deze Melchizedek was gezegd in dit betreffende hoofdstuk, begin ik eigenlijk midden in het verhaal in te breken en dan staat er: “En nog veel duidelijker is het” — de schrijver is aan het betogen — “als naar de gelijkenis van Melchizedek een andere priester opstaat.” Ja, want dat was toch geprofeteerd? De Messias zou iemand zijn die priester zou zijn, een andere priester. Niet naar de ordening van Levi of Aäron, nee, naar een heel ander model, een heel andere ordening. Namelijk naar de ordening… “een andere priester staat op.” Dat opstaan is trouwens ook dubbelzinnig. “Een andere priester opstaat die dit niet is geworden naar een wet van een vleselijk voorschrift.” Dat betekent gewoon: met een stamboom. Dat is normaal, of in ieder geval in het oude verbond was dat de gang van zaken. Ik zei het al: een priester, dat was iemand die uit dat huis van Levi kwam, nog specialer trouwens uit het huis van Aäron, dan was je priester.

Maar deze is het niet geworden — dat wil zeggen de hogepriester naar de ordening van Melchizedek — die is het niet geworden vanwege een wet van een vleselijk voorschrift, maar, staat er: “naar het vermogen, naar de kracht van onvernietigbaar leven.” Weet u wat dat is? Nou, dit symbooltje van brood en wijn moet eigenlijk duidelijk genoeg zijn. Het spreekt van leven dat de dood achter zich heeft, dat werkelijk Leven is met allemaal hoofdletters. Het is onvernietigbaar. Jezus Christus is priester. Hier op aarde was hij geen priester, hij was uit de stam van Juda. Nee, maar hij is priester geworden krachtens onvernietigbaar leven. Brood en wijn. Hij is priester geworden sinds en op grond van zijn opstanding uit de doden. En hij is gezeten aan Gods rechterhand; hij is het heiligdom ingegaan. Nu is hij priester, de Levensvorst. Hij is het krachtens onvernietigbaar leven, “want”, staat er, “van hem wordt getuigd” — en nu komt weer het citaat — “U bent priester tot in de aeon, naar de ordening van Melchizedek.” Weer dat citaat van Psalm 110 vers 4. En tenslotte neem ik u nog mee naar Hebreeën 6.

Een Levende Hoop Geankerd in het Binnenste Heiligdom ↑ hoofdstukken

Dat is natuurlijk een beetje een merkwaardige volgorde, maar voor de opbouw van deze toespraak is het handiger om het op deze manier te doen. Ik begin te lezen vanaf Hebreeën 6 vers 18, nadat de schrijver heeft uitgelegd waarom God een eed zweert. Bepaalde dingen liggen voor de hand, maar er wordt hier een uitgebreide verklaring van gegeven. Er staat in vers 18: “Opdat door twee onveranderlijke zaken – dat is wat die eedzwering is – waarin het voor God onmogelijk is te liegen…”

Dat is een prachtig gegeven. Als je dit goed leest, wordt de gangbare definitie van Gods almacht meteen weerlegd. Heel vaak wordt Gods almacht uitgelegd als: ‘God kan alles’. Maar dat is dus niet waar; God kan niet alles. Het is voor God onmogelijk om te liegen. U kent misschien ook wel die bekende strikvraag: ‘Kan God een steen maken die zo zwaar is dat Hij hem zelf niet meer kan optillen?’ Dat is een strikvraag omdat je, linksom of rechtsom, in beide gevallen tot iets onmogelijks komt. Als je zegt dat Hij zo’n steen niet kan maken, zou Hij niet almachtig zijn. Maar als Hij hem wel kan maken en hem vervolgens niet kan optillen, is Hij ook niet almachtig. Je loopt altijd vast, en dat is precies wat een strikvraag beoogt. Het uitgangspunt deugt echter niet. Gods almacht betekent niet dat Hij alles kan, maar dat God alles kan wat Hij belooft en zegt. Het is absoluut onmogelijk voor God om te liegen.

Dat blijkt des te meer wanneer het ook nog met een eed bevestigd is. Er staat: “…waarin het voor God onmogelijk is te liegen, wij de toevlucht nemen om de voorliggende hoop te grijpen.” Dat is een letterlijke vertaling: om de hoop die voor ons ligt te grijpen, zodat wij een sterke aanmoediging zouden hebben. Als God iets belooft, is dat al geweldig, maar als Hij het ook nog eens met een eed zweert, dan zijn dat twee onveranderlijke zaken. Daarin ligt een sterke aanmoediging.

Over die hoop die voor ons ligt, staat in vers 19: “Haar hebben wij als een anker van de ziel.” Een anker is iets wat je uitgooit om vastheid te vinden in een woelige zee waarin je gemakkelijk op drift raakt. Een anker bewaar je niet in het ruim. En je moet een anker ook nooit uitgooien in je eigen ziel. Sommige mensen denken dat je vastheid vindt in je eigen gedachten en gevoelens, maar dat is net zo dwaas als wanneer een schipper een anker uitgooit in zijn eigen ruim. Dan vind je natuurlijk nooit vastheid. Nee, je moet het anker buitenboord gooien. In een woelige wereld waarin zoveel beweegt en waarin niets vaststaat, hebben wij die vastheid: een anker. Vandaar ook dat het embleem van hoop tot op de dag van vandaag een anker is; het staat vast.

Hoop is in de Bijbel eigenlijk een zekere verwachting. Bij ons heeft ‘hoop’ vaak iets onvasts. Als we zeggen: ‘Ik hoop het’, dan bedoelen we eigenlijk dat we niet weten of het wel gaat gebeuren. Maar de hoop in de Bijbel is een zekere verwachting. Het is een anker, want God heeft het gesproken en, sterker nog, Hij heeft het gezworen. “Haar, die hoop, hebben wij als een anker van de ziel, zeker en bovendien bevestigd.” Dat is die eedzwering.

En dan staat er: “…en binnenkomend tot in het binnenste van het gordijn.” Dat is ook weer een van die thema’s in de Hebreeënbrief. Waar is de Hogepriester momenteel? In het binnenste heiligdom. Dat is het beeld van de hogepriester die één keer per jaar in het heilige der heiligen mocht binnengaan. De Hogepriester is daar nu, aan Gods rechterhand, Priester tot in de aeon. Hij is daar binnengegaan, in het binnenste van het gordijn. In de tabernakel en de tempel had je twee gordijnen. Na het eerste gordijn kwam je in het heilige, en als je het tweede gordijn passeerde – wat slechts één keer per jaar door de hogepriester alleen mocht gebeuren – dan kwam je in het binnenste, in het heilige der heiligen.

Daar is de Hogepriester nu. Aan Gods rechterhand, dat wil zeggen in de hoogste positie die God weg te geven heeft. Dat is dus in het binnenste heiligdom, en u weet: het heiligdom is een type van Gods woonplaats, de hemel. Wanneer we daarnaar kijken, hebben wij die hoop. En wat is die hoop precies? Dat is zo mooi: de hoop is eigenlijk Iemand. Een levende hoop. Jezus Christus daar in het heiligdom, Hij is de hoop. Hij is dat anker en Hij bevindt zich daar in het binnenste heiligdom. U zegt misschien: ‘Maar ik zie niets.’ Nee, maar dat is juist karakteristiek voor hoop. Hoop zie je niet; hoop heeft altijd te maken met de toekomst.

Hij is in het binnenste heiligdom, “waar Jezus als voorloper ten behoeve van ons binnenkwam”, zo staat dat er letterlijk. En dan volgt er weer: “…naar de ordening van Melchizedek Hogepriester geworden tot in de aeon.” Dat is de derde keer dat we deze formulering uit Psalm 110 tegenkomen. Hij is daar in het binnenste heiligdom, aan Gods rechterhand als Priester. En dat is het laatste punt: daar is Hij nu, maar blijft Hij daar? Nee, Hij komt ook weer uit het heiligdom. Momenteel is Hij verborgen achter het gordijn; dat is tekenend voor de huidige situatie. Alles is nog verborgen, maar straks wordt Hij openbaar. Dan komt Hij weer uit het heiligdom, en dat is precies wat er dan gaat gebeuren.

Dan zal de Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek naar buiten komen met brood en wijn voor zijn volk, zoals voor Abraham. Dan gaat Hij deze wereld zegenen. Dat zagen we trouwens ook bij de hogepriester in het heiligdom: op Jom Kippoer, de Grote Verzoendag, kwam hij op een gegeven ogenblik weer naar buiten. Het eerste wat hij dan deed, was zijn handen opheffen om het volk te zegenen. Dat is precies wat er gaat gebeuren. De Priester komt straks uit het heiligdom en dan wordt Hij bovendien de Koning die gaat regeren in Salem. Dat zullen we daarbij laten volgen.

🎧 Psalm 110 (3) – Priester naar de orde van Melchizedek

Powered by RedCircle

Delen: