GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

als de Olijfberg splijt (2)

31-07-2016 - Geplaatst door Andre Piet
presentatie gehouden op 31 juli 2016 te Zoetermeer

Als het overgebleven deel van Israël in uiterste nood ten slotte de Naam van JAHWEH zal aanroepen zal Hij het voor hen opnemen en gaan strijden tegen de volken. Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg die middendoor zal splijten, waardoor een vluchtweg gecreëerd wordt. Hij verschijnt echter niet alleen, ook alle heiligen met Hem. Maar wie zijn dat eigenlijk?

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie behandelt de profetie uit Zacharia 14 over de dag van JAHWEH, waarin Jeruzalem het middelpunt is van een wereldwijde strijd. Zodra de volkeren zich verzamelen en het overblijfsel in uiterste nood de Naam aanroept, zullen de voeten van de Messias op de Olijfberg staan. De berg zal middendoor splijten, wat een enorme vluchtweg creëert waarlangs het gelovige volk naar een gereserveerde plaats in de woestijn kan ontkomen. Uiteindelijk benadrukt de studie dat de gelovigen van nu, wier leven nog verborgen is in God, straks tegelijk met de Messias in heerlijkheid openbaar zullen worden.

“Er komt een moment dat de voeten van JAHWEH, oftewel de voeten van de Ben Adam, oftewel degene die zij ooit hebben doorstoken, oftewel gewoon de Messias, Jezus Christus, zullen verschijnen.”

Introductie en het Lezen van Zacharia 14 ↑ hoofdstukken

Het is inmiddels drie weken geleden, beste vrienden, dat we hier op deze plaats bij elkaar waren en toen heb ik gesproken over hetzelfde onderwerp als wat u nu hier achter mij ziet geprojecteerd: ‘Als de Olijfberg splijt’. De titel is ontleend aan Zacharia 14. Dat is de passage die we de vorige keer onder ogen hebben gehad, maar vandaag ook weer, en ik kan u verklappen: de volgende keer eveneens. Want, even voor de goede orde, we hebben dit keer drie samenkomsten achtereen. Normaal is het ritme altijd twee keer in de maand, maar deze maand augustus hebben we drie keer: vandaag, over een week en over twee weken weer. Zo zie je elkaar nog eens! En de volgende keer gaan we nog weer verder over dit onderwerp, want ook nu voorzie ik dat we veel tijd tekort komen om dat alles te bespreken.

Waarover hadden we het? Wel, ik stel voor dat we eerst – dat deden we de vorige keer ook – even de passage weer gaan lezen die we onder de aandacht hebben. Zacharia 14. Ik zal straks nog even een korte terugblik geven voor degenen die hier de vorige keer niet waren of die de studie niet hebben gevolgd, zodat je niet al te veel mist. Trouwens, het is sowieso voor iedereen goed om nog even in herinnering te roepen wat we precies hebben besproken. Maar laten we eerst eens even lezen. Zacharia 14. De vertaling die u hier ziet, is een vertaling die gebaseerd is op de interlineair, dus nogal letterlijk.

Aanschouw, er komt een dag voor JAHWEH en jouw buit zal verdeeld worden in het midden van jullie. En Ik verzamel al de natiën te Jeruzalem tot de strijd. De stad wordt veroverd, de huizen worden leeggeroofd en de vrouwen geschonden. En de helft van de stad trekt uit in ballingschap en de rest van het volk zal niet afgesneden worden – of zoals u in de meeste vertalingen ziet: zal niet uitgeroeid worden – van de stad. En JAHWEH zal uittrekken en strijden te midden van de natiën, zoals ten dage dat Hij streed, ten dage van een aanval. En Zijn voeten zullen staan in die dag op de Olijfberg, die op het zicht van Jeruzalem ligt vanaf het oosten. En de Olijfberg wordt middendoor gespleten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot ravijn. De helft van de berg zal noordwaarts wijken en de helft zuidwaarts.

Jullie zullen vluchten in het ravijn van Mijn bergen, want het ravijn van bergen zal reiken tot Atsel. Jullie zullen vluchten zoals jullie vluchtten voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. En JAHWEH, mijn God, zal komen; alle heiligen met U. En in die dag zal er geen kostbaar licht zijn, maar dikke duisternis. En het zal één dag zijn die bij JAHWEH bekend is; geen dag en geen nacht. Ten tijde van de avond zal er licht zijn. En in die dag zullen levende wateren uitgaan vanaf Jeruzalem, de helft naar de oostelijke zee en de helft naar de westelijke zee. In de zomer en de winter zal dat geschieden. En JAHWEH zal tot Koning zijn over heel de aarde; in die dag zal JAHWEH één zijn en Zijn Naam één.

Tot zover. Het zijn maar negen verzen, maar we zullen zo de ervaring opdoen – en ik weet het al, want ik heb het enigszins voorbereid, dat begrijpt u – dat we daar met gemak een drietal bijeenkomsten aan kunnen wijden. Want hier staat nogal wat. En de taal is heel concreet. In die zin behoeft het ook eigenlijk niet veel uitleg; ik meen dat ik dat de vorige keer ook al even gememoreerd heb. De taal is heel duidelijk. Het is geen symbolische of metaforische taal zoals je die in andere geschriften vindt. Nee, het klinkt haast als een krantenverslag. Zo duidelijk alsof je erbij bent; een journalistieke aantekening van wat er bij die gelegenheid zal gebeuren.

Terugblik: de Dag van Yahweh en Jeruzalem als Steen Des Aanstoots ↑ hoofdstukken

Even een terugblik: wat hebben we de vorige keer besproken? Dat is Zacharia 14, en dat moet toch duidelijk zijn. Het lijkt me haast een open deur intrappen als je zojuist die verzen hebt gelezen. Zacharia 14 gaat over de beroemde of, zo u wilt, beruchte dag voor JAHWEH. Ik zeg beroemd én berucht, omdat die uitdrukking ‘de dag van JAHWEH’ zo vaak voorkomt in de profetische passages van de Bijbel: in het boek Daniël, in Jesaja, in Jeremia, Ezechiël en bij de vele kleine profeten eveneens.

De dag van JAHWEH is de dag dat de dagen van de mensen geteld zijn. Dat klinkt wat dubbelzinnig zoals ik het nu zeg: de dagen van de mensen zijn geteld en dan komt de dag van Hém. Ik zou haast zeggen: dan komt die zevende dag. Dan gaat het grote millennium aanbreken. Het is de dag dat Hij zal gaan optreden en een streep gaat trekken door alle menselijke voornemens, plannen, activiteiten en raadslagingen van de Verenigde Naties. We zullen dat straks zien, want de Bijbel spreekt daar al over. Over die dag gaat het; over de dag die tot op de dag van vandaag toekomst is. Zacharia tekende dit pakweg 2500 jaar geleden op, en toen was het toekomstig. Nu, in 2016, is het dat nog steeds. Maar ik moet u erbij zeggen: we zijn wel 2500 jaar dichterbij gekomen en we zijn het zeer nagenaderd. Maar dat is nu niet het onderwerp.

Er is nog iets anders wat we hebben vastgesteld. Het is de dag dat Jeruzalem – u weet wel, die stad daar in het Midden-Oosten – tot een steen wordt gemaakt. Een steen die alle natiën moeten heffen. Dat is een uitdrukking die voorkomt in Zacharia 12 vers 2 en 3. We hebben dat toen ook gezien. Dat wil zeggen dat het hele wereldgebeuren draait om Jeruzalem. Alles. En dat gaat zich zodanig aftekenen en de ontwikkelingen zullen zich daar ook op toespitsen, dat er een dag komt dat alle volkeren ten strijde gaan trekken tegen Jeruzalem. Dat gebeurt trouwens bij meer dan één gelegenheid, maar laten we het simpel houden. Daar spreekt Zacharia 14 ook over.

Het is de dag dat Jeruzalem tot een steen wordt gemaakt. Dat zegt de Heer dan ook: “Jeruzalem zal Ik tot een steen maken.” Een zware steen die alle natiën moeten heffen. En ze zullen zich deerlijk verwonden; ze zullen zich aan die zware steen vertillen. Want om die stad, daar draait het allemaal om. En om het volk van die stad. Dat is ook de diepste achtergrond van wat antisemitisme heet. Dat is niet zomaar blinde haat naar Joden toe; de mensen weten vaak niet wat daarachter steekt. In werkelijkheid is het verzet tegen God Zelf, tegen de Naam.

Weet u trouwens dat antisemitisme – het is mooi als je dat doorziet – eigenlijk ‘anti-Sem’ betekent? Nu zegt u misschien: “Ja, dat zijn de nakomelingen van Sem.” Dat klopt, maar het is een speciale lijn van nakomelingen via Sem en dan een specifieke tak daarvan: Heber, Abraham, Isaak en Jakob. Tegen die nakomelingen is antisemitisme gericht. Maar dat komt omdat God Zijn Naam aan dat volk verbonden heeft. ‘Sem’ betekent namelijk ‘Naam’. Antisemitisme is dus eigenlijk gewoon verzet tegen de Naam, tegen Hashem. De Joden spreken ook altijd over Hashem. Dat is de Naam die zij tot op de dag van vandaag trouwens niet uitspreken; ze durven, willen en mogen dat niet. Maar we hebben de vorige keer gezien dat er een dag komt dat ze Hem wél gaan uitspreken. Dan kunnen ze niet anders; dan zullen ze de Naam aanroepen.

Het draait dus om die stad. Dat is namelijk de stad van de Grote Koning. Zo heet dat. Daar zal de Zoon van David gaan heersen. Wat we ook hebben gezien, is dat in de uiterste nood – want u begrijpt dat alle volkeren zich daar verzamelen en dat heeft een inleiding van een heel aantal jaren – het derde deel van het volk zal overblijven. Dat hebben we gezien in Zacharia 13. Het derde deel dat nog in het land is overgebleven, terwijl de rest is omgekomen. Dat zijn afschuwelijke dingen, maar de Schrift zegt het. Vandaar ook dat er sprake is van een grote verdrukking, zoals de wereld die nog nooit gekend heeft en ook nooit meer zal kennen. In die termen spreken de profeten daarover, en de Here Jezus trouwens ook. In die uiterste nood zal dat derde deel van het volk dat nog in het land is overgebleven, de Naam aanroepen.

Daar zijn we ongeveer gebleven. Ik heb aan het eind van de vorige keer al een voorzetje gegeven, omdat ik zag dat we het anders niet zouden redden, en dat is ook de link naar vandaag: wat er gaat gebeuren als zij de Naam gaan aanroepen. Laten we nu de draad oppakken bij vers 3, want daar waren we gebleven. Alle volkeren worden ten strijde verzameld bij Jeruzalem en de stad wordt platgewalst. De helft van de stad wordt gedeporteerd en komt om, en de andere helft blijft daarin over. De helft van de stad; het is een derde van het volk, maar de helft van de stad.

Yahweh Trekt uit Ten Strijde als Krijgsheld ↑ hoofdstukken

Oké, en dan staat er: en JAHWEH zal uittrekken. Eerst had Hij de volkeren verzameld, maar dat hebben we de vorige keer ook gezien. Hij verzamelt ze namelijk als schoven op de dorstvloer. Hij trekt Zijn plan. Hij verzamelt ze juist om daar korte metten te maken. En JAHWEH zal uittrekken. Dat is ook het antwoord op het aanroepen van Zijn naam. Want wat Hij gaat doen is uittrekken en strijden te midden van die natiën. Dus eerst had Hij ze verzameld ten strijde tegen Jeruzalem, vervolgens wordt de stad compleet platgewalst en in die uiterste nood zal dat deel van het volk wat nog overgebleven is, het overblijfsel – de rest, zoals dat heel dikwijls heet – Zijn naam aanroepen. En dan zal Hij uittrekken en strijden te midden van de natiën.

Dat is een fenomeen dat we ons eigenlijk nauwelijks kunnen voorstellen. Ik bedoel, al duizenden jaren lang laat God met Zich spotten. Er gebeurt helemaal niets. God is ook de Verborgene. Maar straks wordt het anders. Je leest ook op meerdere plaatsen dat God vandaag zwijgt in Zijn liefde. Hij doet niets; Hij zwijgt zozeer dat mensen zeggen – zelfs theologen, er is een hele theologische richting die die naam heeft – dat God dood is, omdat we al zo lang niets meer van Hem hebben vernomen. Nee, dat klopt, dat zegt de Schrift ook: Hij verbergt Zijn aangezicht voor Israël en de volken. Alles wat God al tweeduizend jaar doet, is verborgen. En voor zover Hij iets doet, is dat allemaal incognito.

Maar straks gaat Hij strijden te midden van de natiën, zoals ten dage dat Hij streed, ten dage van een aanval. Want dat de Heer gaat uittrekken en gaat strijden, is een fenomeen dat we al duizenden jaren niet meer kennen. Het is haast sciencefiction als je daarover leest. Nou, het is wel science, maar geen fictie. De Schrift zegt het, dus het is science; we kunnen het weten. Maar fictie is het allerminst, hoe lastig en moeilijk het ook voorstelbaar is. Aan de andere kant wordt er wel een link met het verleden gelegd, want er staat: “zoals ten dage dat Hij streed, ten dage van een aanval.” En hoeveel voorbeelden wilt u daarvan hebben? Dat JAHWEH het opnam voor Zijn volk en streed? Dat vind je zo vaak.

Laat ik eens een voorbeeld geven, meteen de eerste en misschien ook wel de beste. Het wordt namelijk zo naar voren gebracht: zoals bij de Schelfzee ooit en bij de verovering van het land. Laat ik u eens meenemen naar Exodus 15. Dat is het lied van Mozes, net nadat de Rode Zee was gaan splijten en het volk erdoorheen kon trekken – feitelijk kon vluchten naar de woestijn. Toen heeft JAHWEH Zich opgesteld als een krijgsheld. Zo wordt Hij trouwens meerdere keren als een krijgsheer, als een Man van de oorlog, als een strijdheer voorgesteld. Nogmaals, dat is niet de wijze waarop God vandaag opereert. In tegendeel. Je moet altijd goed in de gaten houden dat er verschillende tijden en gelegenheden zijn, zoals dat staat in Prediker 3. Voor alles heeft God een bestemde tijd. Er is een tijd van vrede en er is een tijd van oorlog. Er is een tijd van Je inhouden en er is een tijd om te toornen. Dit is de dag van Zijn toorn en dan gaat Hij optreden, en niet zachtzinnig.

Kijk, het feit dat wij geloven dat alles goed komt – daar begon ik vanmorgen mee – wordt ons wel eens verweten. Maar dat is niet zoetsappig. Alles komt goed, maar God laat niet met Zich spotten. Hij treedt op als een krijgsheld. Niet in individuele zin, want het gaat hier over natiën, over volkeren die het gemunt hebben op Jeruzalem en daar ten strijde getrokken zijn. Dan zegt God dat Hij gaat optreden als een krijgsheld, zoals Hij dat in het verleden deed bij de Schelfzee. JAHWEH is een krijgsheld, JAHWEH is Zijn naam. En dan staat er: “De wagens van Farao en zijn legermacht wierp Hij in de zee; de keur van zijn wagenhelden werd in de Schelfzee gedompeld.” Met andere woorden: die vluchtweg waar Israël doorheen was gevlucht, sloot zich weer en de machtigste legermacht van die dagen ging ten onder in de zee, letterlijk in de Rode Zee.

Dat is een verhaal apart, hoe en waar dat precies plaatsgevonden heeft, maar dat is nu niet het onderwerp. Het gaat me om het punt dat JAHWEH Zich opstelde als een krijgsheld en het opnam voor Zijn volk. Hij hakte de tegenstander gewoon in de pan, om het zo maar te zeggen. Watervloeden overdekten hen en in de diepte zonken zij als een steen.

Jozua 10 is nog zo’n voorbeeld. Ik moet er even bij zeggen wat we in dit verband lezen vlak nadat Israël door de Rode Zee was getrokken. Voordat dat gebeurde, nam God het woord tot Mozes, en Mozes gaf dat op zijn beurt weer door: “JAHWEH zal voor u strijden en jullie zullen stil zijn.” Hier had het volk totaal geen aandeel in. JAHWEH was de krijgsheld, het was een wonder en Hij streed. En wat deed het volk? Ze zwegen. Ik kan me voorstellen dat dit zo adembenemend is dat het spreken je wel vergaat. Dan leg je inderdaad de handen op je mond. Hoe is het mogelijk? De Heer zal voor u strijden en jullie zullen stil zijn. Dat is trouwens typerend: God zegt dat de eer altijd aan Hem alleen is; geen mensenwerk.

In Jozua 10 lees je ook zoiets dergelijks. Ik noem dit hoofdstuk met opzet. Je leest over Jozua – op zijn Hebreeuws Yeshua, exact dezelfde naam dus als Jezus – dat hij hen sloeg van Kades-barnea tot Gaza, over de hele breedte van het land dus, ook het ganse land van Gosen tot Gibeon aan toe. “Al deze koningen en hun land heeft Jozua op eenmaal overwonnen,” staat er. Want hoezo overwon Jozua en maakte hij het land vrij voor het volk aan wie het beloofd was? “Want JAHWEH, de God van Israël, streed voor Israël.” Normaal gesproken kon dat helemaal niet, want er was een overmacht aan volkeren die daar woonden of zich hadden gelegerd. Net als de tien verspieders ooit hadden gezegd: dit kunnen we nooit, mensen, dit moeten we niet willen. Menselijkerwijs gesproken hadden ze het goed gecalculeerd, maar ze vergaten één ding: de Naam. De naam van JAHWEH. Hij is een krijgsheld. Als Hij iets belooft, dan doet Hij dat. Daar kun je gewoon blind op varen. Dat weet je.

Vervolgens lees je: “Daarna keerde Jozua, en geheel Israël met hem, terug naar de legerplaats te Gilgal.” Ik noem dit er expres nog even bij, want feitelijk is wat je in de toekomst krijgt een herhaling van de geschiedenis op een heel opmerkelijke manier. Maar goed, daarover de volgende keer meer.

Zijn Voeten op de Olijfberg: de Doorstoken Messias ↑ hoofdstukken

En dan komen we bij Zacharia 14. Dat is een bekend vers, en terecht lijkt mij. Er staat: “En zijn voeten zullen staan in die dag op de Olijfberg, die op het zicht van Jeruzalem ligt vanaf het oosten.” Eerst even dit: “Zijn voeten zullen staan.” Waar dat “zijn” op slaat, is niet zo moeilijk; dat is een kwestie van teruglezen naar het voorgaande vers. Daar gaat het over JAHWEH. Het zijn dus de voeten van JAHWEH.

Waarnaast zich natuurlijk een probleem voordoet. Want dan kun je zeggen: maar hoe is dat mogelijk? Want God is toch de onzienlijke God? Niemand heeft toch ooit God gezien? Ik verwijs hier naar Johannes 1 en naar Kolosse 1. Het mooie is dat beide verzen ook antwoord geven op deze vraag. Hoe is dit mogelijk? Zijn voeten zullen staan? Jawel, maar kijk, er staat in Johannes 1 vers 18 — we hoeven het nu niet op te zoeken, maar lees het maar na — daar staat: “Niemand heeft ooit God gezien. De Eniggeborene, die aan de boezem van de Vader is, Die heeft Hem doen kennen.” En in Kolosse 1 vers 15 lees je dat de Zoon van God het beeld is van de onzienlijke God. God is de Onzienlijke; als Hij Zich zichtbaar maakt, dan is dat Zijn icoon, Zijn beeld, Degene door Wie Hij Zich bekendmaakt. Zodanig dat de Heer Jezus ook kon zeggen: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.”

Over dit moment wordt nogal eens gerefereerd in de profetie. Laten we dat eerst eens bezien, want hier moeten we niet zomaar aan voorbijgaan. We moeten ook Schrift met Schrift vergelijken. U bent hier niet bijeengekomen voor een preek; we bestuderen en onderzoeken de Schriften. Er staat in Zacharia 12 een gedeelte waar we het de vorige keer ook al even over hadden, maar dit moet ik nu nog even noemen. Daar staat: “Te dien dage zal Ik zoeken te verdelgen alle volkeren die tegen Jeruzalem oprukken.” We praten hier over dezelfde context als waar we het zojuist over hadden: gewoon “die dag”, waarop Hij de volkeren verzamelt bij Jeruzalem en zal zoeken te verdelgen alle volkeren die tegen Jeruzalem oprukken.

En dan vers 10: “Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest van de genade en der gebeden.” En daar gaat er wat gebeuren. Als Hij de Geest van genade en van gebeden uitgiet, weet u wat ze dan gaan doen? Dan gaan ze bidden, dan gaan ze de Naam aanroepen. En als u een NBG-vertaling hebt, dan staat het er niet correct; dat is wegvertaald. Want daar staat: “En zij zullen hem aanschouwen die zij doorstoken hebben.” Ik begrijp wel waarom ze dat gedaan hebben, want literair gezien lijkt dat correct, maar het staat er niet. In de Statenvertaling staat het wel juist: “En zij zullen Mij aanschouwen, die zij doorstoken hebben.” Met andere woorden: wie zullen zij aanschouwen? JAHWEH. En die JAHWEH, wie is dat? Dat is Degene die zij doorstoken hebben.

Nu is er nog iets eigenaardigs, want als je nu even doorleest… en dat is ook precies de reden waarom de NBG-vertaling en vele andere vertalingen daarin meegegaan zijn; zij hebben hier vertaald met “hem”, omdat zij dachten dat het zo moest zijn. Want het klopt gevoelsmatig niet: “Zij zullen Mij aanschouwen die zij doorstoken hebben… en over Hem een rouwklacht aanheffen.” Je struikelt erover. Aan de ene kant is het JAHWEH die spreekt, en aan de andere kant spreekt JAHWEH in de derde persoon enkelvoud over “Hem”. “En over Hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind” — dat is ook de Eniggeborene trouwens. Ja, ze zullen over Hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene. Dat is een titel van die Doorstokene.

U weet natuurlijk allang over wie we het hebben, maar laten we gewoon eens lezen wat er staat. Dit staat al in Zacharia 12. JAHWEH heeft dit zelf bij monde van Zacharia uitgesproken: “Ze zullen Mij aanschouwen.” Aan de ene kant identificeert God Zich met Degene die dan gezien zal worden, en tegelijkertijd is het een ander. Hoe kan dat? Het is Zijn Zoon, het is Zijn beeld. Maar wie Hem ziet, ziet God. “En ze zullen Mij aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over Hem rouwklachten aanheffen.” Laten we nog eens verder lezen in Openbaring 1. De Openbaring — dat wil zeggen, niet de Openbaring van Johannes, zoals het boek altijd ten onrechte feitelijk genoemd wordt. Het is de Openbaring van Jezus Christus. Wie wordt er openbaar in dit boek? Jezus Christus.

Daar spreekt vers 7 ook over. Daar staat: “Zie, Hij komt.” Het gaat over Jezus Christus. “Zie, Hij komt met de wolken. En elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem hebben doorstoken.” En alle stammen van… ja, dat staat er in de meeste vertalingen: “van de aarde”, maar dat lijkt me niet correct. Aarde en land is in het Hebreeuws, en in het Grieks ook, hetzelfde woord. Maar het zijn de volkeren der aarde en het zijn de stammen van het land. “En elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem hebben doorstoken. En alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen. Ja, amen.” Waar refereert Johannes hier aan? Dat is niet zo moeilijk: aan dat wat Zacharia honderden jaren eerder al had voorzegd. Wie is die Doorstokene? Dat is Degene die letterlijk daar ooit aan het kruis is doorstoken. En ze zullen Hem zien. Letterlijk. De Naam zal worden aangeroepen, de Naam zal verschijnen en ze zullen Jezus Christus zien die ze ooit hebben doorstoken. En van wie men ook dacht dat Hij om die reden nooit de Messias zou kunnen zijn, maar het kwalificeert Hem juist als de Messias.

We gaan naar nog een andere passage waar diezelfde gebeurtenis wordt beschreven: Matteüs 24. Daar staat: “Terstond na de verdrukking van die dagen.” Na de verdrukking van die dagen — want u weet inmiddels dat er een periode aan voorafgaat, dat hebben we de vorige keer ook gezien. Voordat de Heer zal verschijnen en Zijn voeten zet op de Olijfberg, gaat er een periode van drieënhalf jaar aan vooraf; van 1260 dagen of 42 maanden, dat is allemaal dezelfde termijn: tijd, tijden en een halve tijd. Na de verdrukking van die dagen, wat gebeurt er dan? Ook daar hebben we het de vorige keer over gehad. Dan zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven. Er gebeurt iets aan de hemel zodat het donker zal zijn.

En dan staat er — ik sla een paar woorden over — “en dan zal het teken van de Zoon van de mens, van de Ben Adam, de erfgenaam van Adam, verschijnen aan de hemel.” Wat is dat teken? Je kunt het je afvragen. Ik ga er nu niet over antwoorden, maar het gaat even om wanneer het zal zijn en wat er dan gaat gebeuren. Wel, ter gelegenheid van het verduisteren van die zon en de maan die haar glans dan niet meer geeft, dan zal het teken van de Ben Adam verschijnen aan de hemel. En dan zullen alle stammen van het land zich op de borst slaan van weeklacht en ze zullen de Zoon van de mens zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. Hier wordt JAHWEH dus ook geïdentificeerd. Dat wil zeggen: die JAHWEH van wie de voeten zullen staan, dat zal de Ben Adam zijn. En de stammen van het land zullen Hem zien. Je zou gewoon ook verder moeten lezen wat er dan vervolgens gebeurt: Hij zal Zijn engelen en Zijn boodschappers uitzenden en Zijn volk verzamelen. Niet in het land, maar buiten het land. Maar ook daarover gaan we het de volgende keer hebben.

Neem ik u nog naar een andere passage mee? Handelingen 1. Want goed, nu hebben we dus gezien: er komt een moment, en we weten nu aardig wat van wat daar bij die gelegenheid zal gebeuren. Er komt een moment dat de voeten van JAHWEH, oftewel de voeten van de Ben Adam, oftewel degene die zij ooit hebben doorstoken, oftewel gewoon de Messias, Jezus Christus, zullen verschijnen. Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg. Hoezo de Olijfberg? Nou ja, dat staat in Zacharia.

Maar wat hadden die twee mannen in witte gewaden ook alweer gezegd toen de Heer vanaf de Olijfberg vertrok? Want we hadden het er al eerder over: waar is nu de Messias dan? Waar is God überhaupt? Hij laat niets van Zich horen. Nou, dat is niet helemaal waar; Hij laat wel van Zich horen, maar Hij laat Zich niet zien. Hij verbergt Zijn aangezicht. Zijn aangezicht is Christus. Hij verbergt Zijn aangezicht nu. En vanaf wanneer is dat verbergen begonnen? Wel, toen Hij ten hemel voer. Dat was vanaf de Olijfberg.

En als Hij dan onttrokken wordt aan het oog, bijna tweeduizend jaar geleden, dan lees je dat daar mannen staan in witte gewaden. Die zeggen dan, terwijl de anderen nog omhoog turen: “Galileese mannen, wat staan jullie daar en zien op naar de hemel? Deze Jezus, Yeshua — JAHWEH is redding — deze Jezus die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen als gij Hem ten hemel hebt zien varen.” Met andere woorden: Hij komt terug en er gaat zich gewoon een herhaling van de situatie die zich toen voordeed voor u voltrekken.

Nu ben ik het met u eens als u tegenwerpt: hier staat niet ‘op dezelfde plaats’, er staat ‘op dezelfde wijze’. Dus dan zou je nog kunnen zeggen dat het een andere locatie kan zijn. Maar onderstreept het wel: het is op dezelfde wijze in de meest brede zin van het woord. Het is namelijk niet alleen maar zoals Hij toen wegging en Zich verbergt, zo zal Hij straks terugkeren en Zich openbaren. En dat niet alleen op dezelfde wijze, maar zelfs op dezelfde locatie. Hij vertrok vanaf de Olijfberg en Hij komt ook weer terug. Zijn voeten verlieten ooit de Olijfberg en straks raken Zijn voeten opnieuw de Olijfberg. Dan is die hele tijdspanne overbrugd.

En dan lees je in vers 12 van Handelingen 1: “Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg genaamd de Olijfberg.” Dus dan weten we meteen dat dat inderdaad dezelfde locatie was. “…van de berg genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan.” Jeruzalem was de stad van de Grote Koning; de Olijfberg de berg waarvandaan Hij vertrok. Hoe groot is de afstand tussen het moment dat Hij vertrok vanaf de Olijfberg en de stad waar Hij ooit zal regeren? Hoe groot is die afstand? Een sabbatsreis.

En weet u wat een sabbatsreis is? Tweeduizend el. De afstand tussen de berg die Zijn vertrek markeert en de stad waar Hij zal heersen… daar gaat een gat, en dat kun je geografisch uitdrukken: dat is tweeduizend. Dat is een getal dat je vaker tegenkomt, maar dat moet toch te denken geven. Zo bijna tweeduizend jaar nadat dit gebeurd is, stellen wij dit met plezier, met grote vreugde en tevredenheid vast. Want het zou er wel eens op kunnen wijzen dat de termijn bijna ten einde is. Die sabbatsreis… en ik vind het trouwens prachtig wat er dan gaat gebeuren: de sabbat gaat aanbreken, Zijn dag.

Goed, laten we weer even teruggaan. We hebben nu een aantal passages gezien die daar ook over spreken, dat de Heer zal verschijnen, oftewel Zijn icoon, Zijn beeld, degene in wie Hij Zich openbaart: Jezus Christus. En Zijn voeten zullen staan in die dag op de Olijfberg.

Ik heb me wel eens laten vertellen — en dit kan speculatie zijn, dat weet ik niet, ik heb het nog geprobeerd te achterhalen, maar ik heb het van diverse zijden gehoord — dat er al een scheur loopt in de Olijfberg. Of zeg ik dat nu goed? Er loopt een scheur, precies op de wijze die zich straks zal gaan voordoen. Trouwens, het maakt me eigenlijk ook geen fluit uit of die er nu al loopt of niet. Want sommige mensen zeggen: “Kijk, dit is een categorie die zegt dat dat nooit kan, want daar zou een breuklijn moeten zijn.” Nou, als die breuklijn er ligt, dan zouden die mensen misschien makkelijker gaan geloven. Maar aan de andere kant denk ik: ja jongens, als we in deze termen gaan spreken, dan maakt het toch helemaal geen ene zak uit of die scheur er nu al loopt of niet. Het wachten is gewoon op de Voet. Dat is het. Het wachten is op de Voet. En Zijn voeten zullen in die dag op de Olijfberg staan.

En waar ligt die Olijfberg? Nou, we zagen het al, die ligt op het zicht van Jeruzalem. Iedereen die wel eens in Jeruzalem geweest is — meestal arriveer je dan vanaf de oostkant, vanaf de Olijfberg — weet dat. Ik weet nog zo goed, dat was in 1976, dat ik dat voor het eerst zag. Ik was echt diep onder de indruk. Alles wat je van die stad weet… ik was een ventje van vijftien jaar, maar mijn vader had me ooit al verteld: “Daar in die stad gaat het gebeuren, en die Olijfberg daar, die gaat scheuren.” En toen zag ik dat vanaf de Olijfberg; dan keek je zo over die stad, met die gouden koepel en die heidense tempel natuurlijk, dat weet ik ook wel. Maar daar gaat het allemaal gebeuren, vanaf het oosten.

Trouwens, dat is wel een hele mooie, hè? Want het oosten, dat is de richting waar de zon opkomt. En hoe symbolisch, hoe metaforisch is dat? Of typologisch, of hoe je het ook maar noemen wilt. Als Hij straks gaat komen als de zon die opgaat met recht, dan komt Hij daar op de Olijfberg vanuit het oosten. We moeten doorlezen.

De Olijfberg Splijt en de Vlucht Naar de Woestijn ↑ hoofdstukken

De Olijfberg wordt middendoor gespleten, oostwaarts en westwaarts tot een zeer groot ravijn, of tot een zeer groot dal, zoals de meesten vertalen. Maar een ravijn is nog wat woester, zal ik maar zeggen, en dieper. Ik weet niet precies hoe je het verschil precies markeert. Afijn, wat er gebeurt, dat is niet zo moeilijk. Nou ja, ook dat is lastig voorstellen, wat er dan gaat gebeuren, maar de tekst is nogal helder hoor. De Olijfberg wordt middendoor gespleten. Of die scheur er nu al ligt of niet, dat laten we helemaal in het midden.

En oostwaarts en westwaarts ontstaat een zeer groot ravijn. Maar herinnert u zich nog hoe we een minuut of wat eerder al dachten aan de Rode Zee? Dat er toen ook een vluchtweg voor het volk werd gecreëerd. En nu ga je natuurlijk meteen denken: hé, zou daar dan misschien weer hetzelfde gebeuren als wat er ooit gebeurde met de Rode Zee? Dat als het volk dat de Naam heeft aangeroepen, daardoorheen gevlucht is, dat de achtervolgers vervolgens verzwolgen worden door die berg? Ja, dat staat hier niet, dat geef ik direct toe, dus ik beweer het ook niet. Maar ja, het lijkt me zo’n hint. Maar ik beweer het nogmaals: ik beweer het niet. Ik geef het ter overweging mee; ik beweer het pas wanneer ik het zwart-op-wit zie.

Maar in ieder geval, die berg die middendoor gespleten wordt… Eigenlijk is het ook een prachtig type van de Messias zelf, die ooit ook werd doorboord en verscheurd. En zij zullen zien, ze zullen Hem zien; dat is juist Degene die zij doorstoken hebben. Het is trouwens de berg – over een hele andere gelegenheid hebben we het daar hier ook wel eens over gehad – het is niet alleen maar de berg waar de Heer ooit ten hemel voer. Als u het mij vraagt (dit is wat lastiger omdat het niet direct zo aan te wijzen is, maar als je schrift met schrift vergelijkt), is het ook de berg geweest waar de Heer ooit zijn leven gaf, waar Golgotha lag. En waar ook op een steenworp afstand het graf van Arimathea lag, waar Hij is opgestaan. Dus dan is het echt de berg van Hem. Waar ook trouwens de olie is, wat in de Bijbel altijd weer een beeld is van de Christus, de Mashiach. Mashiach of Christus betekent Gezalfde, maar gezalfd met wat? Met olijfolie. De olijfolie is een beeld van leven.

U hoort mij aarzelen, we gaan door. En de Olijfberg wordt middendoor gespleten, oostwaarts en westwaarts tot een zeer groot ravijn, en de helft van de berg zal noordwaarts wijken en de helft zuidwaarts. Dat is nogal logisch. Dit is de stad Jeruzalem, de oude stad dan, en hier lag dan de tempel – iets meer deze kant als u het mij vraagt. Maar goed, dit is de Olijfberg, de Mount of Olives. En hier ziet u de windrichtingen: noorden, westen, oosten, zuiden. En die zal dus splijten. En men zal van oostwaarts naar westwaarts vluchten, dus deze kant op, en dat betekent dus dat de berg in tweeën wijkt naar het noorden toe en naar het zuiden toe. En dan staat er: “en jullie zullen vluchten”. Gewoon dwars door die berg heen waar dus ter plekke een enorm ravijn ontstaat. Dit is wonderlijk.

En jullie zullen vluchten. Dan moet ik nog iets bijzeggen, want de vorige keer kwamen daar vragen over en toen betrapte ik mezelf erop dat ik dat ook niet even duidelijk gemaakt heb. Er zijn namelijk een tweetal vluchten die je moet onderscheiden. En omdat ze betrekkelijk dicht bij elkaar liggen in tijd, zou je ze zomaar door elkaar kunnen halen, en als je dat doet, dan begrijp je het scenario niet. Ik heb daar altijd een beetje moeite mee, met scenario’s van de eindtijd en hoe het precies gaat. Met grote voorzichtigheid moet je dat doen, want het kan zomaar zijn dat je bepaalde dingen weer over het hoofd ziet. Je moet altijd bereid zijn om daarin ook weer je inzichten bij te stellen. Want je doet schriftstudie en denkt: wacht even, het is toch anders dan ik altijd gedacht had. Ik zeg dit er expres eventjes bij om voorzichtig te zijn met het opstellen van scenario’s. Ik zeg u dus gewoon zoals ik het versta; ik lees dit en ik leg dan ook verbanden met andere woorden.

Maar het lijkt mij vrij duidelijk dat er inderdaad sprake is van een tweetal vluchten. Kijk, je hebt een vlucht vóór de grote verdrukking. U weet, die periode duurt 1260 dagen, drieënhalf jaar. En vóór die 1260 dagen zal de vrouw – dat wil zeggen dat volk dat de Messias verwacht maar Hem nog niet kent – vluchten naar de woestijn. We hebben daar de vorige keer al bij stilgestaan, zowel bij Openbaring 12 als bij Mattheüs 24. Die mannelijke zoon wordt weggerukt, dat is ook de wegrukking van de gemeente, en vervolgens zal de vrouw, dat wil zeggen dat Messiasverwachtende Israël, vluchten naar de woestijn. En daar worden ze gedurende die zware tijd in het land en daarbuiten, gedurende die zware tijd worden zij in de woestijn keurig bewaard, in een schuilplaats.

Ik heb vorige week in Urk gesproken over Psalm 91, over de schuilplaats. “Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste zal verkeren, zal vernachten in de schaduw van de Almachtige.” Zo was die, ja. En wat bleek – ik vond het echt geweldig om dat te zien – dat Psalm 91 helemaal gaat over die tijd, over die drieënhalf jaar. Dat de Heer hen zal voeden en zal beschermen, en dat hen geen onheil zal treffen, letterlijk. Ik bedoel, wij spreken daar metaforisch over: “U bent mijn schuilplaats, Heer”. Maar dan wordt het ook heel letterlijk dat ze zullen vluchten naar een plaats in de woestijn, van Gods wege bereid, waar ze 1260 dagen bewaard en behoed en ook gevoed zullen worden.

Maar déze vlucht is ná de verdrukking. Dus 1260 dagen later. Dat wil zeggen: het volk dat niet gevlucht is, zal voor tweederde omkomen, waar we het al over hadden. En na die grote verdrukking, dan zal JAHWEH verschijnen. Dat wil zeggen: Zijn Zoon, Zijn Beeld. En dan zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg en dan vlucht men opnieuw. Dat deel wat nog overgebleven is in het land, zal opnieuw vluchten, maar het land úit. Dat is het punt. Ze moeten het land uit. Ook dat wil ik de volgende keer ter sprake laten komen. Want wat de Heer dan gaat doen, is Zijn hele volk – dat voor het grootste gedeelte trouwens, zoals vandaag ook nog, verspreid is over de hele aarde – verzamelen in de woestijn. En vanuit de woestijn zullen ze optrekken naar het land, zoals in het verleden ooit. Onder leiding van Jozef gaan ze dan het beloofde land innemen. Ik zeg nu een heleboel in twee, drie zinnen, en daar zou je heel wat passages voor moeten aanhalen om dat te kunnen staven. Maar dat is zoals ik het versta. En we zullen volgende keer ook daar wat schriftgedeeltes over laten zien.

Maar hier moet het duidelijk zijn: jullie zullen dan… Als die volkeren verzameld zijn in Jeruzalem, de Naam wordt aangeroepen. Hij zal komen, Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg. Hij gaat ten strijde en het volk zal vluchten. “Jullie zullen vluchten in het ravijn van mijn bergen.” Ja, dat is eigenaardig: “van mijn bergen”. Want die Olijfberg is ineens twee bergen geworden, toch? Doordat hij gespleten is. Dus ik denk eerlijk gezegd bij die “mijn bergen” aan die gespleten Olijfberg. En ik zei al: die Olijfberg is ook de berg waar Zijn heerlijkheid op woont. U moet maar eens een keertje lezen – dat zeg ik voor de spitters en gravers onder u – in Ezechiël. In Ezechiël lees je dat de heerlijkheid van JAHWEH zich verplaatst van Jeruzalem naar de Olijfberg. Waarom is dat? Want dat is Zijn berggroep. De Engelsen zeggen dan: “just a thought”. Het is een overweging.

En jullie zullen vluchten in het ravijn van mijn bergen, want het ravijn van de bergen zal reiken tot Atsel. Ik heb dat nog eens nagekeken in de kanttekeningen van de Statenvertaling. Daar staat dat Atsel eigenlijk – ja, dat is niet zo makkelijk hoor – ‘uitverkoren’ of ‘weggelegd’ betekent, ook in de zin van ‘gereserveerd’. En die verklaring vond ik wel heel mooi.

Het grappige is, er staat hier dat het zal reiken tot Atsel, maar als je nu in de Bijbel kijkt of de kaarten bekijkt, kan niemand Atsel aanwijzen. Niemand weet waar Atsel ligt. Is het een plaatsnaam die er dan pas zal zijn? Het betekent zoiets als ‘gereserveerd’ en dan denk ik toch echt – ik geef het u door – aan die plaats in de woestijn die van Godswege bereid is. Daar was dus al een volk dat daar bewaard werd, maar opnieuw vlucht dit deel door de Olijfberg heen naar de woestijn.

Naar een gereserveerde plaats. Naar Atsel. Een plaats in de woestijn, door God bereid. Dat is in het gebied van Edom. Ik denk dat de naam Petra – niet mijn vrouw, maar de stad daar in Jordanië – daar een grote rol in speelt. In ieder geval is het een specifiek aangewezen plaats.

En als u nog een naam wilt weten, dan moet u eens kijken naar de naam Bosra. Pak een concordantie en zoek op Bosra. Bosra is ook zo’n stad vlak bij Petra; sommigen zeggen dat het gewoon hetzelfde is. Daar in de woestijn zal de Heer zijn volk verzamelen als een kudde. Die locatie heeft dus verschillende namen.

De Aardbeving in de Dagen van Uzzia en de Toorn van het Lam ↑ hoofdstukken

Afijn, men vlucht daar naartoe naar die gereserveerde plaats en jullie zullen vluchten zoals jullie vluchtten voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dat was trouwens al pakweg twee eeuwen eerder. Je leest er maar één keer over; nou ja, niet over koning Uzzia zelf, maar over die specifieke aardbeving. U weet wie Uzzia was. Hij was een koning van Juda. Ja, precies. Maar die koning kwam aan zijn eind op een smartelijke manier. Het was een godvrezende koning, maar aan het einde van zijn leven werd hij hoogmoedig. En wat ging hij doen? Hij ging reukwerk ontsteken in de tempel. Dat wil zeggen: hij was koning van Juda, maar hij ging priesterlijk werk doen. En dat heeft hij moeten bekopen met melaatsheid, waaraan hij uiteindelijk ook stierf.

Een koning van Juda die priesterlijk ging doen; dat was voor die tijd ongehoord. Maar hier verschijnt er Iemand die inderdaad Koning van Juda is — wat zeg ik: Koning van Israël — en bovendien ook terecht nog eens Priester. De Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek. Daar moet ik zomaar aan denken als ik de naam Uzzia lees. Maar in ieder geval, in zijn dagen heeft er een grootse aardbeving plaatsgevonden. Amos 1 vers 1 spreekt daarover. En die aardbeving zal ook dan dus weer plaatsvinden. U begrijpt wel dat als de Olijfberg gaat splijten, dat een gigantische shock moet zijn, een enorme aardbeving.

Het boek Openbaring spreekt daarover in hoofdstuk 6; ik neem u even mee. “En toen Hij het zesde zegel opende” — na de verdrukking is dat — “en daar geschiedde een grote aardbeving.” En let op, want dat zijn we in ons korte onderzoek van de vorige keren al diverse keren tegengekomen: “en de zon werd zwart als een haren zak”. Dat klinkt raar, hè? Maar één ding moet al duidelijk zijn: die zon geeft geen licht meer. “En de maan werd geheel als bloed” bij die gelegenheid. En de koningen van de aarde — ik lees er nog wat meer bij — die zeiden tot de bergen en tot de rotsen: “Val op ons!” Hé, zou dat misschien ook gaan gebeuren? Die vluchtweg die gecreëerd wordt, dat die bergen hen inderdaad zullen overdekken.

Maar let ook op wat er dan gaat gebeuren: “En verbergt ons voor het aangezicht van Hem die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam.” Let op, eigenlijk staat hier gewoon “een lammetje”. Iedere keer als Openbaring spreekt over het Lam, wordt er een verkleinwoord gebruikt. Kun je je iets wekers, iets kleiners of iets zwakkers voorstellen dan een lammetje? Dat bovendien geslacht is. Jawel, maar dat is het Lam dat geslacht is. Tegelijkertijd staat Hij daar als de Leeuw van Juda. Hij overwon de dood en straks gaat Hij toornen. Inderdaad, Hij gaat alles tot een goed einde brengen, maar dat zijn harde ingrepen, pijnlijke ingrepen.

Want die natiën die dat dan zullen zien, die grote aardbeving… en dan de koningen, de machthebbers. Wat een dramatische gebeurtenis zal dat zijn, want ze realiseren zich: de grote dag van Zijn toorn is gekomen. Dan wil je zeggen: jawel, en dat Lammetje is gekomen. “Wie kan dan bestaan?” Dat realiseren zij zich donders goed. Wat er dan gebeurt, daar zijn zij niet tegen opgewassen. Eigenlijk begint de dag van de toorn hier pas. De grote verdrukking is ten einde, maar de dag van de toorn gaat beginnen. Dat zijn weer een hele serie Bijbelstukjes die ik nu aanhaal om dat te laten zien. Maar goed, u ziet het: een grote aardbeving zal bij die gelegenheid plaatsvinden, op het moment dat de zon en de maan hun schijn niet zullen geven. Het laatste waar ik dan nog op wil wijzen is dit: er staat dat jullie zullen vluchten zoals jullie ooit vluchtten voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda.

Zijn Komst in Heerlijkheid met Al Zijn Heiligen ↑ hoofdstukken

En dan staat er: “JAHWEH mijn God zal komen, alle heiligen met U.” Dat is een opmerkelijke uitspraak. “JAHWEH mijn God zal komen en alle heiligen met U.” Je zou zeggen dat dit niet helemaal lekker loopt, maar het staat er wel degelijk zo. Dat JAHWEH mijn God zal komen, dat hebben we inmiddels gezien, maar Hij komt niet alleen; Hij komt met alle heiligen met U. Men heeft vaak gezegd dat dit de heilige engelen zijn. Dat zou kunnen, want dat lees je bij gelegenheid ook wel, maar engelen worden in de Schrift eigenlijk nooit simpelweg ‘heiligen’ genoemd. De term heiligen wordt vaak gebruikt, maar dan slaat het altijd op mensen. Dat roept de vraag op: wie zijn die heiligen? Ik zou die vraag niet opwerpen als ik het antwoord niet kon geven. Voor mij is het niet zo moeilijk om dat antwoord te geven, want ik weet wat hier nog verborgen is. Ik ken iemand die dat geheim heeft onthuld, en daarmee wil ik eindigen.

We gaan naar Kolosse 3. Hier komen we weer even echt in de sfeer waarin wij nu leven, in deze dag van genade. Het is de tijd waarin God nog niet direct opereert hier op aarde of Zijn koninkrijk hier vestigt. Ik weet dat een heleboel christenen daarmee gepreoccupeerd zijn; zij vinden dat alles op deze aarde moet gebeuren. Zij zien het als hun taak en roeping om Zijn koninkrijk hier op aarde te vestigen, maar dat kun je rustig vergeten. Dan loop je vooruit op Gods programma. Bovendien doe je dan een taak die niet voor jou bestemd is. Dat is een pijnlijke rolverwisseling; eigenlijk ben je bezig met een vals rollenspel. Je neemt een rol op je die niet voor jou bestemd is, en daarom frustreert het op een gegeven moment. Mensen zijn al tweeduizend jaar bezig om alle volkeren tot Zijn discipelen te maken, en nu we tweeduizend jaar verder zijn, is er nog niet één volk dat werkelijk tot discipel is gemaakt. Het werkt op de een of andere manier niet. Dat is iets wat God gaat doen in Zijn dag. Het volk dat Hij daarvoor bestemt, zal in één generatie alle volkeren tot Zijn discipelen maken.

Je moet de tijden wel onderscheiden. God toont vandaag Zijn toorn niet, maar straks wel. En ik zeg erbij: dat is een pak van mijn hart. God laat ons namelijk zien dat Zijn toorn slechts een ogenblik duurt. In Psalm 30 vers 6 staat: “Een ogenblik duurt Zijn toorn, een leven lang Zijn goedertierenheid.” Dat is een prachtig antwoord op de theologische vraag hoe Gods toorn zich verhoudt tot Zijn goedertierenheid: als een moment tot een lang leven. Zo is de verhouding. Is Zijn toorn reëel? Jazeker, wis en waarachtig, maar zie wel de proporties. Zoiets als een eindeloze toorn bestaat er niet; eindeloze goedertierenheid wel. Laat de dingen staan en doe de dingen recht.

Weet u waartoe wij vandaag worden opgeroepen? Luister naar de apostel Paulus, die leeft in deze tijd van verborgenheid. Hij zegt: “Bedenk de dingen die boven zijn, niet de dingen die op de aarde zijn.” De dingen hier op aarde vragen wel onze aandacht, maar daar kiezen we niet voor. Er staat: “Want jullie stierven.” Hoezo stierven wij? Jawel, wij zijn met Christus verbonden. Toen Hij stierf, stierven wij; toen Hij opstond, stonden wij op; en toen Hij verborgen werd, werden wij verborgen. Want jullie stierven en het leven van jullie is verborgen, samen met de Christus in God. Waar is ons leven? Niet hier. Ik ben op mijn website een nieuwe rubriek gestart, ‘Goed Belicht’, en onlangs was Kolosse 2 vers 20 het onderwerp. Daar zegt Paulus: “Waartoe laten jullie je, alsof jullie nog in de wereld leefden, geboden opleggen van: raak niet, smaak niet en roer niet aan?” Hij zegt: alsof jullie nog in de wereld leefden. Waar zitten we dan? Ons leven is daar boven. Daarom: bedenk de dingen die boven zijn, want jullie stierven en het leven van jullie is verborgen, samen met de Christus in God. Het is allemaal verborgen, er is niets van te zien. Als mensen zeggen dat ze er niets van zien, dan is dat juist een bevestiging van het Woord.

Wanneer dan ook de Christus openbaar gemaakt zal worden – het is een passieve vorm die hier gebruikt wordt – dan zal God dat doen. Wanneer dan ook de Christus, de Messias, openbaar gemaakt zal worden, Hij die ons leven is, dan zullen jullie ook samen met Hem openbaar gemaakt worden in heerlijkheid. Zoek je je leven? Mijn leven is daar, en dat zoeken we. Dat zoeken we niet door te fantaseren over hoe het daar zal zijn, maar gewoon via het Woord, de Schrift. Dat is het zoeken van de dingen die boven zijn; het bedenken van die dingen. Wanneer de Christus – hoofd en lichaam – openbaar gemaakt zal worden, dan worden wij met Hem openbaar. Dus als de Messias verschijnt, dan zullen wij met Hem zijn: al Zijn heiligen met Hem. Zacharia kon nog niet vertellen wie dat zouden zijn, maar met Paulus in de hand weten we het: wij zullen met Hem in heerlijkheid verschijnen. Wij zijn daarbij. Hij zal eerst komen voor ons en dan zullen we later, enige jaren daarna, met Hem verschijnen in heerlijkheid. Dat is de toekomst, dat zijn de dingen die wij bedenken. Ik weet dat daar nog zoveel meer over te vertellen is, dus dit wordt vervolgd. Volgende keer gaan we nog verder over de laatste verzen van Zacharia 14. Ik stel voor dat we het voor nu hierbij laten.

🎧 als de Olijfberg splijt (2)


Powered by RedCircle

Delen: